God, Gods engelen en de mensheid als fractale reeks


Inhoud

1. De wetenschappelijke waarde van fractale meetkunde
2. De eigenschappen van Gods engelen
3. De engelenreien en fractale meetkunde
4. De fractale vorm van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid
5. Fractale meetkunde en de meetkundige rijen van Fibonacci en Lucas
6. De gulden snede als de verhouding tussen God en Gods schepselen
7. Mijn persoonlijke ervaringen met mijn beschermengel

1. De wetenschappelijke waarde van fractale meetkunde
Het Latijnse woord 'fractalus' betekent: 'gebroken'; daarvan is afgeleid de wiskundige term 'fractal'.
Een fractal wordt gekenmerkt door een wiskundige figuur, die zichzelf in het klein (of in het groot) herhaalt.
In de zichtbare wereld komen fractalen tot uiting in afbeeldingen, voorwerpen of gebeurtenissen waarin een breuk optreedt, die zich voortdurend herhaalt en waarbij de delen van de breuk steeds kleiner worden. Het is met andere woorden een zich steeds herhalend patroon van kleiner wordende afmetingen, waarbij de kenmerken van het voorafgaande grotere deel weer tot uitdrukking komen in het volgende, kleinere deel.
Fractalen worden gevormd met behulp van een eenvoudige wiskundige formule. In de vorm van een kringloop wordt steeds de laatste uitkomst daarvan opnieuw ingevoerd in de formule. Zo wordt een voortgaand patroon verkregen. Doordat fractalen zich eindeloos herhalen op een steeds kleinere (of grotere) schaal, worden zij door oneindigheid gekenmerkt.
Fractalen worden gekenmerkt door drie eigenschappen: herhaling, zelfgelijkvormigheid en gebroken dimensie; de wiskundige term hiervoor is 'schaalinvariantie':
- herhaling van de vorm op een kleinere schaal;
- de zelfgelijkvormigheid: in iedere herhaling komt dezelfde vorm terug;
- de gebroken dimensie van een fractal houdt in dat er in iedere dimensie een breuk optreedt.

Fractalen kunnen worden gevormd door eenvoudige formules die desondanks ingewikkelde patronen voortbrengen; deze patronen herhalen zichzelf voortdurend en zij lijken op natuurlijke vormen. Deze formules blijken ook in de natuur werkzaam te zijn, zoals in de opbouw van de organen van het lichaam, de vormen van planten en bomen, en van bergen en rivieren.
Een boom met zijn stam en kruin is een toonbeeld van de éne stam met zijn fractaal vertakte kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de ene stam; de eigenschappen van de stam zijn in de takken terug te vinden en zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid.
Er blijkt een algemene wetmatigheid te bestaan in de wijze waarop er in de natuur patronen worden gevormd die zich herhalen. Het wiskundige concept 'fractal' heeft grote invloed gehad op wetenschappers in de natuurkunde, biologie en astronomie en wordt op veel wetenschappelijke gebieden uitgewerkt.

De Franse wiskundige Gaston Julia beschreef in 1918 als eerste de fractal als wiskundige vorm.
De Frans-Amerikaanse wiskundige Benoît Mandelbrot bedacht in 1970 het concept van de fractal als computerprogramma. Zijn wiskundige beschrijving van een fractal, een 'Mandelbrot- verzameling', is de functie f(z) = z² + c.

Toepassing hiervan toont de schoonheid die verborgen is in een eenvoudige wiskundige formule.

Hij verkreeg grote bekendheid met zijn boek The Fractal Geometry of Nature.
Voorbeelden

Het zenuwstelsel is opgebouwd met zenuwcellen (neuronen).
Een zenuwcel bestaat uit een cel, een lange axon en zeer vele, kortere dendrieten (zie afbeelding).
Deze dendrieten zijn op meervoudige, fractale wijze vertakt, zoals in de kruin van een boom.

In grote lijnen komt de vorm van de zenuwcel overeen met die van het centrale zenuwstelsel. Daarvan vormen de tussenhersenen de kern (diencephalon, overeenkomend met de cel); van daaruit loopt één ruggemerg naar beneden (het axon) en zeer vele, kortere zenuwbanen, op fractale wijze vertakt, naar de hersenschors (de dendrieten).

De kern van de hersenen zijn de tussenhersenen met een linker en rechter kwab; van daaruit verdelen zenuwvezelbundels zich in de beide hersenhelften, die zich daar verder vertakken in kleinere zenuwvezels en ten slotte uitkomen bij de hersenschorscellen.
Bij de uitvoerende (motorische) zenuwvezels vanuit de hersenschors is het omgekeerde het geval.





Op overeenkomstige wijze beginnen de longen met de éne luchtpijp, die zich verdeelt in de twee bronchiën, daarna in de fijnere bronchioli en ten slotte in de longblaasjes (als een omgekeerde boom).

Zo begint het bloedvatstelsel bij het hart met de éne aorta, die zich vertakt in aan aantal lichaamsslagaders, die zich weer verder vertakken als arteriolen en ten slotte als haarvaatjes in de weefsels uitkomen.
Bij het van daaruit terugvoerende aderstelsel is het beeld omgekeerd: daar ligt het begin in de weefsels (de kruin van de boom) en komt het uit in de aders - als grootste de éne lichaamsader (de stam) - die naar het hart voeren.
Ditzelfde gebeurt met de longslagaders en de longaders in de longen: de longen zijn daardoor tweevoudig (door luchtwegen en bloedvaten) fractaal opgebouwd.

Spieren (1) zijn opgebouwd uit spiervezelbundels (2), die bestaan uit groepen spiervezels (3) en deze groepen spiervezels bestaan uit spiercellen (4).
Een boom heeft één stam, daaraan zitten de grote takken, daaraan weer kleinere zijtakjes en tenslotte twijgjes.

In de grond gebeurt hetzelfde met het wortelstelsel, maar dan in omgekeerde richting.
De boom van Pythagoras is een fractaal bedacht door de Nederlandse wiskundeleraar Albert E. Bosman in 1942 en werd vernoemd naar Pythagoras vanwege de driehoeks-verhoudingen met de kenmerkende rechte hoek. De fractaal wordt opgebouwd door vierkanten en lijkt op de vorm van een dwarsdoorsnede van een broccoli of bloemkool.
Op het eerste vierkant worden onder een hoek van 45° twee kleinere vierkanten gezet. Dit wordt tot in het oneindige toegepast op de nieuw gevormde, steeds kleinere vierkanten (Wikipedia).
De nerven in de bladeren van een boom hebben vanuit de éne hoofdnerf eenzelfde vertakte vorm van zijnerven en daaraan weer zijnerfjes.
Bij varens is de fractale verdeling duidelijk zichtbaar in steeds kleiner worden vertakkingen van het blad (het gehele blad is linksboven getekend).

Varen is in het Latijn Pteridium, afkomstig van Grieks: 'pteris' en 'eides': op een vleugelveer gelijkend.
Bij een vogelveer is namelijk hetzelfde te zien. Daar bevinden zich aan weerszijden van de éne schacht de beide 'vlaggen'; een vlag bestaat uit baarden, de zijtakken van de schacht. Dwars op de baarden staan de fijnere baardjes. De schacht, de baarden en baardjes vertonen samen de fractale vorm.

Ook de zuignappen op de tentakels van de inktvis zijn volgens een fractale vorm gerangschikt.

Een broccoli en een bloemkool blijft steeds dezelfde vorm behouden als de kool zich inwendig vertakt in de vorm van de roosjes.
Ook cumuluswolken hebben de bekende bloemkoolvorm: iedere bolvormige uitstulping uit de wolk heeft van zichzelf ook weer van die uitstulpingen, maar kleiner.
De allereerste meercellige levensvormen verschenen aan het begin van het Ediacara-tijdperk (635-541 miljoen jaar geleden). Zij leefden op de zeebodem.
Zij vertoonden meteen een fractale opbouw, zoals op deze afbeeldingen is te zien, die met een computer-programma zijn gevormd.

Zij vertegenwoordigen de overgang van plantaardige naar dierlijke levensvormen; hun vorm was nog plantaardig, maar zij hadden geen fotosynthese meer.
Dit is Dendrogramma; deze paddestoelachtige levensvorm is waarschijnlijk een diertje uit de familie van de uitgestorven groep Trilobozoa. Het is een levend fossiel, want deze dieren leefden 540 tot 580 miljoen jaar geleden in het precambrium tijdens het Ediacara-tijdperk.
Het leeft ongeveer 1 km diep aan de zeebodem gehecht en is 1 cm hoog. Van boven gezien is het spijsverteringstelsel zichtbaar, dat duidelijk fractale vormen heeft (bv. het deel tussen de rode lijntjes).
Een rivier heeft aan het einde één stroom, die zich stroomopwaarts vertakt in kleinere zijrivieren met daaraan weer nog kleinere zijriviertjes.

De vorm van rivieren wordt omgekeerd veroorzaakt door de vorm van bergen; één berg vertoont kleinere bergjes en die hebben weer nog kleinere rotspartijen.

Sommige kustlijnen hebben een fractale verdeling.

De éne bliksemschicht die zich vertakt in meerdere zijtakken heeft dezelfde vorm als een rivier.
De kristallisatie van veel chemicaliën verloopt op fractale wijze.

Het bekendste voorbeeld is water: als watermoleculen aangroeien aan het éne kristallisatiepunt, gebeurt dat in de vorm van fractale vertakkingen zoals bij een varen of een veer.
De stamboom van de moderne mens, Homo sapiens (de 'verstandige mens'), heeft de vorm van een boom met een stam, takken en zijtakken: een fractale vorm.

Ook de stamboom van het dieren- en plantenrijk heeft een overeenkomende vorm.
Wat is er de oorzaak van dat een bomenrij gevoelsmatig zo'n geheimzinnige indruk op je maakt?
Niet alleen de bomen zelf zijn een toonbeeld van fractale meetkunde, maar ook de in de verte vervagende rij. Samen met het pad dat naar de einder voert, is het een drievoudige weergave van de levensweg die de mens als geestelijk wezen begaat.
Klik hier voor een onderzoek naar de rustgevende werking van fractalen in de natuur.
Foto: beukenlaan onderaan de Hettenheuvel in Montferland
De mooie Achterhoek staat bekend om z'n coulissenlandschap en eikenlaantjes.
Op deze foto verwijzen ook de takken naar het verdwijnpunt in het midden.

Foto: eikenlaan Kerspas, Kroezenhoek; de Achterhoek
Om de kern van het éne sterrenstelsel draaien vele zonnestelsels, in die zonnestelsels draaien om de ene zon de planeten en om de planeten draaien ten slotte hun manen.

In het heelal zijn deze fractaalvormige structuren overvloedig aanwezig, zoals dit spiraalvormige sterrenstelsel, waarvan er miljarden bestaan! (bron: Volkssterrenwacht Amsterdam)
Ons sterrenstelsel, de Melkweg - dat een vorm heeft die lijkt op het hierboven getoonde sterrenstelsel - bevindt zich in de 'Lokale Groep', een 'cluster' van miljarden sterrenstelsels (waaronder Andromeda, dat het dichtst bij het onze staat).

Die Lokale Groep bevindt zich weer in een 'supercluster' van miljarden sterrenstelselgroepen, dat de naam 'Laniakea' heeft gekregen... met ook weer een fractale vorm. Onze Lokale Groep bevindt zich op de plaats van de rode stip - in een uithoek van ons deel van het heelal.
Klik hier hier voor een beschrijving van Laniakea.
In de boeken van Jakob Lorber werden deze verhoudingen in het heelal al uitgebreid beschreven; vooral in het Grote Johannes Evangelie deel 2 en deel 6.
terug naar de Inhoud


2. De eigenschappen van Gods engelen

De algeest
De grondslag van het al (en daarmee van de engelen en de mensheid) is de algeest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid. Bij het geestelijke ervaren van de algeest zijn daarin twee verschillende geestestoestanden te onderscheiden. In de eerste, de ongevormde oertoestand van 'rust' zijn er in de algeest geen tegendelen werkzaam. De oertoestand van rust doet zich aan het geopende geestesoog voor als een geestelijke, 'donkere koelte' en daardoor kan er niet iets worden onderscheiden. De algeest in die toestand van rust is daardoor de uiterste eenvoudigheid, de toestand van volstrekte éénheid.
In de daarop volgende geestestoestand van de algeest komt er uit de rust een beweging voort, die zich uitdrukt als een geestelijke 'lichtende warmte'. De toestand van rust en haar donkere koelte en de toestand van beweging en zijn lichtende warmte verbinden zich met elkaar en houden elkaar in evenwicht; daarbij neemt de beweging en zijn lichtende warmte nu de rust en haar donkere koelte in zich op; de oertoestand wordt omgekeerd. Deze vereniging heeft ten slotte een toestand van getemperde beweging tot gevolg, die zich uitdrukt als een gematigde, lichtende warmte.
Naar later bleek, hangt met het licht de toestand 'zich bewustzijn' samen en met de warmte de 'kracht', waardoor de algeest zich voordoet als de 'bewuste levenskracht': de levenskracht, die bewust kan zijn. De algeest komt in de bewuste kracht tot uitdrukking als de tweevoudigheid, de toestand van twééheid. Daardoor is er sprake van een twee-eenheid van bewustzijn en kracht, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.
 
  vormbaar zelfvormend
licht waarnemen denken
warmte voelen willen
  
 
De geestelijke vermogens
Die bewuste kracht doet zich in de geestelijke wereld aan het geopende geestesoog voor als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee in volgorde het bewustzijn en de levenskracht samenhangen. Ook dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: in een vormbare toestand (die samenhangt met de doordringbare, vormbare rust) en in een zelfvormende, zelfscheppende toestand (die samenhangt met de zelfvormende, doordringende beweging).
Met het feit dat licht en warmte zich in die vormbare en zelfvormende toestand kunnen bevinden, hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken is zelfvormend licht, voelen is vormbare warmte en willen is zelfvormende warmte.
Zo doet de innerlijke wérkzaamheid van de algeest zich voor als een viervoudigheid, als een vier-eenheid. Maar het bijzondere is dat als de algeest zelf zich in de geestelijke wereld in de gevórmde toestand voordoet als geestgedaante, dat die dan toch verschijnt als een dríevoudigheid, in de gestalte van een drie-eenheid. Deze drie-eenheid verschijnt als drie volkomen gelijke geestgedaanten, schijnbaar als drie 'personen'. Daardoor kan echter - verwarrend genoeg - voor de toeschouwer meer de nadruk komen te liggen op hun persoonlijke zelfstandigheid en minder op hun eenheid.

De drievoudigheid van de algeest
Deze drievoudigheid ontstaat doordat de algeest in wezen zoals gezegd de 'bewuste kracht' is. De algeest is een kracht en met die kracht hangt het willen samen, terwijl die kracht de bijzondere eigenschap heeft zich bewust te kunnen zijn en wel door het waarnemingsvermogen. De kracht als warmte straalt binnen zichzelf het licht uit, waardoor ín die kracht het 'zich bewust zijn' - in het licht van de geest - mogelijk is.
Doordat in God als de algeest álles zich bínnen de goddelijke algeest afspeelt, gebeurt alles binnen de bewuste kracht die God is, waardoor het waarnemen geen afzonderlijk op zichzelfstaand vermogen is, zoals bij de menselijke geest. In de algeest blijft het 'zich bewust kunnen zijn', het waarnemen, in de oorspronkelijke eenheid met de geestkracht, het willen, voortbestaan. De algeest blijft wat die twee betreft in de oertoestand van eenheid. Doordat de gehele schepping zich binnen de goddelijke algeest afspeelt, is de goddelijke geestesgesteldheid voortdurend die van de zelfbezonnen en daardoor van de zelfbewuste geestesgesteldheid.
Als God als de bewuste levenskracht echter werkzaam wil worden, dan is daar wel het goddelijke denken bij nodig als beeldvormende werkzaamheid (in het licht), terwijl het goddelijke voelen nodig is om het denkbeeld (met warmte) tot leven te kunnen brengen. Met andere woorden, binnen de eenheid van de bewuste kracht die God is als algeest, wordt gedacht en gevoeld. De goddelijke drievoudigheid in de vorm van de drie-eenheid van geestgedaanten, bestaat daardoor uit: het waarnemen-willen, het denken en het voelen. Eén van deze eigenschappen binnen de drievoudigheid is zelf dus weer twee-voudig: het waarnemen-willen.
Klik hier voor een overeenkomende beschrijving van de eigenschappen van God zoals die voorkomt bij Hildegard van Bingen.

De drievoudigheid van engelen
Dit is er de oorzaak van dat God zich aan het helderziende geestesoog in de geestelijke wereld voor kan doen in de vorm van drie geestgedaanten, die volkomen aan elkaar gelijk zijn. Deze drievoudigheid is er ook de oorzaak van dat er van God uit drie stappen van verdichting zijn die voeren tot de menselijke geest die als de algeestvonk op aarde is.
Deze víer geestelijke vermogens in de vorm van de dríe-eenheid van geestgedaanten zetten zich voort in de eigenschappen van Gods engelen. Zij worden weliswaar gekenmerkt door die drie-eenheid als verschijningsvorm, maar daarin zijn de eigenschappen van de vier vermogens wel herkenbaar.

(Wat daarnaast het leerstuk van de 'Drie-eenheid' wordt genoemd, is van een andere orde. In wat de 'Drie-eenheid' wordt genoemd als de Vader, de Zoon en de heilige Geest, vertegenwoordigt de 'Vader' de toestand van de algeest, de heilige geest is de toestand waarin de algeest zich in de gevormde toestand voordoet als een geestgedaante, terwijl de Zoon de toestand is, waarin de heilige geest van God eenmalig in een stoffelijke vorm op aarde is geweest, geboren uit de maagd Maria, doordat de heilige geest zelf de kiem van die stoffelijke vorm in haar schiep. Van tevoren zei de heilige geest van God tegen Maria 'Jezus' te willen worden genoemd.)

De drie trappen van verdichting
Om Gods godenkinderen, de mensheid, te kunnen begeleiden op hun ontwikkelingsweg naar geestelijke volwassenheid, door zelf hun vermogens tot ontwikkeling te brengen, drukt God zichzelf uit in Gods engelen. Deze engelen zijn een weergave van de eigenschappen van de goddelijke vermogens. Zij zijn voor het geestesoog zichtbaar als een gedaante, de geestgedaante, die de menselijke gestalte heeft.
Deze drievoudigheid is er ook de oorzaak van dat er van God uit drie stappen van verdichting zijn die voeren tot de menselijke geest die als de algeestvonk op aarde is. Langs drie trappen van verdichting, drie trappen van vermindering van de geestelijke trillingssnelheid, kunnen Gods engelen, Gods krachten, tot de menselijke, kinderlijke geestesgesteldheid afdalen en zich met de groei van de mens bezighouden. Dat doen zij door met gedachten en gevoelens op de mens in te werken en zo langzaam maar zeker, door de werkzaamheid van hun eigen eigenschappen op de mens over te brengen, het overeenkomstige in de mens zelf tot leven te wekken; waarbij overigens de keuzevrijheid van de mens gewaarborgd blijft. Verder laten zij de omstandigheden op aarde zodanig verlopen, dat zich in de tijd als stroom van gebeurtenissen steeds leerzame ervaringen aan de mens voordoen.


Hildegard van Bingen, de engelenreien
zichtbaar zijn drie x drie engelenreien
uit: Scivias, miniatuur T 9: Boek I,6
Door middel van de engelen als Gods eigen krachten houdt God zelf zich al denkend en voelend met de loop van de schepping bezig. God leidt de schepping op onmerkbare wijze door die gebeurtenissen te laten ontstaan, die noodzakelijk zijn voor de groei van de menselijke geest. In het Grieks wordt daarom gesproken van 'angelos', wat boodschapper betekent, terwijl in het Hebreeuws wordt gesproken van 'malak Jahweh', dat 'kracht Gods' betekent.
Samengevoegd is hier dus sprake van een 'bewuste kracht' die van God uitgaat. In India wordt gesproken van 'dhjany chohans', wat 'geesten die de schepping overdenken' of 'geesten, die zich bezinnen op de schepping' betekent. Het zijn krachten die Gods plan met de schepping vertegenwoordigen en dat plan ter plaatse uitvoeren.
Door middel van Gods engelen is God als de goddelijke algeest overal in de eeuwige oneindigheid van zichzelf werkzaam aanwezig, maar toch onmerkbaar om de mens de gelegenheid te geven op eigen kracht zijn eigen zelfstandigheid te verwerkelijken.

1. In de eerste stap van verdichting doet de goddelijke werkzaamheid zich voor in het eerste drietal engelen als de Ofanim, het waarnemen-willen, de Serafim, het voelen en de Cherubim, het denken.
Het Hebreeuwse 'ofan' betekent namelijk handelen; 'seraf' betekent branden van liefde (De serafijnen zijn de 'vlammen-geesten' volgens Jesaja 6, 1 vv) en 'cherub' betekent grijpen of begrijpen.
De ofanim worden in het visioen van Ezechiël beschreven als 'wielen' (met de betekenis kracht, bewegen, handelen) die 'ogen' bezitten. M.a.w. deze 'wielen met ogen' verzinnebeelden: een kracht, die zich door waar te nemen van iets bewust kan zijn. De ofanim zijn weliswaar een eenheid, maar bestaan toch uit de genoemde tweeheid: de tweeheid als de bewuste kracht die de geest is. Zodoende zijn zij er de oorzaak van dat God in werkzame toestand zich weliswaar in de vorm van de drieëenheid van drie engelen aan ons voordoet, maar tegelijkertijd ook door een viervoudige werkzaamheid wordt gekenmerkt: die van de vier geestelijke vermogens.

Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de twee instellingswijzen, de in- en uitgekeerde instelling, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ín God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal (en het viertal), en niet zoals bij de mens door het zevental: de zevenvoudigheid. Hier wordt het verschijnsel zichtbaar van de mogelijkheid, dat de vermogens een zekere graad van zelfstandigheid kunnen hebben, maar ook samengesteld kunnen zijn, met name bij de eenheid van het waarnemen en willen in de ofanim.

2. De daarop volgende stap van verdichting is het drietal van de Machten, Heerschappijen en Krachten.
De Machten heten in het Grieks Exousiai, afkomstig van Grieks 'ousia': huisgezin en 'ous': gehoor. De machten helpen bij het verzoenen van tegenstellingen en bewerken overeenstemming, saamhorigheid en vrede binnen groepen mensen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.

Engel, 'gemaakt door
de hand van' Riet Schouten,
ikonenschilderes -
de 'vleugels' verbeelden
krachtuitstralingen uit de aura
De Heerschappijen heten in het Grieks Kyriotetes, afkomstig van Grieks 'kurioo': bepalen, besluiten, beheersen. De heerschappijen helpen bij het vormen van een oordeel en het nemen van besluiten. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke denken.
De Krachten heten in het Grieks Dynamis, afkomstig van Grieks 'dunameis': macht, kracht, sterkte. De krachten helpen bij de worsteling om inzicht (kennis, waarnemen) en bij het overwinnen van moeilijkheden (willen). Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke waarnemen en willen.

3. De laatste stap van verdichting is die der Beschermengelen, Aartsengelen en Engelenvorsten. De eersten houden zich in het bijzonder bezig met de mens als persoon, terwijl de anderen zich bezig houden met groepen, steden of volkeren en alleen in sommige gevallen (met name bij mystici) met personen.
De Beschermengelen heten in het Grieks Angeloi: boodschappers. Zij begeleiden en ondersteunen het aardse bestaan van de mens als persoon, gedreven door liefde en mededogen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.
De Aartsengelen heten in het Grieks Archangeloi: aartsengelen. Zij begeleiden het aardse bestaan van steden.
De Engelenvorsten heten in het Grieks Archai: oerkrachten. Zij worden gekenmerkt door werkdrang en willen daardoor een werk aanvangen, ondernemen. Zij begeleiden het aardse bestaan van volken. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke willen.

waarnemen/willen denken voelen
orde 1 Ofanim Cherubim Serafim
orde 2 Krachten Heerschappijen Machten
orde 3 Engelenvorsten Aartsengelen Beschermengelen

Klik hier voor een uittreksel uit het boek van Pseudo-Dionysios de Areopagiet, waarin hij de Hiërarchie van Gods engelen beschrijft.

Deze engelen als Gods krachten en boodschappers begeleiden de mens op zijn geestelijke ontwikkelingsweg, die de mens eerst naar beneden voert naar een toestand van volkomen afgescheidenheid tijdens het middelste tijdperk, dat van de tegenwoordige Aarde. De Aarde is het middelste van de zeven tijdperken die de mens tijdens zijn geestelijke ontwikkeling doorloopt (zie hieronder).
In het Aardetijdperk kan de mens - schijnbaar zonder hulp of beloning - zelf zijn eigen zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid tot ontwikkeling brengen. Zoals gezegd wordt de mens daarbij onmerkbaar begeleid door Gods engelen. Het doel is dat de mens op weg naar boven kan toegroeien naar hereniging met God door met God een liefdesband te vormen. Zelfverwerkelijking en hereniging zijn daarom de beide kernbegrippen van geestelijke groei.

terug naar de Inhoud
Matroesjka's (een meisjesnaam) of baboesjka's (opa/oma) als fractalen; door de Russische kunstenaar Maljutin in 1890 gemaakt met als voorbeeld de zeven geluksgodinnen uit Japanse mythen.

3. De engelenreien als fractale reeks
Fractalen geven een reeks van vormen weer die gelijkvormig zijn, maar steeds in een bepaalde verhouding kleiner worden. Deze eigenschappen zijn ook in de drie rangordes van Gods engelen herkenbaar.
Hun rangorde wordt o.a. door Max Heindel in zijn boek Leer der Rozekruisers beschreven.

De engelen zijn geesten die uit de éne geest van God voortkomen. God als de éne algeest omvat allen; de engelen van de eerste rangorde omvatten ieder een groep engelen uit de tweede rangorde; de engelen van de tweede rangorde omvatten op hun beurt ieder een groep engelen uit de derde rangorde; de engelen van de derde rangorde omvatten ten slotte ieder een groep van menselijke geesten die zij begeleiden.
Hildegard van Bingen krijgt te horen dat de mensheid de tiende rei van geesten uit God is.

Als God de stam voorstelt, dan stellen de ordes van engelen de steeds verdergaande vertakking van die stam voor in de vorm van een boomkruin: een fractale vorm. De mensheid is de tiende rei, waarmee de Beschermengelen zich bezighouden, daarbij begeleid door de reeksen van engelen daarboven en uiteindelijk door God.
Wat de mens als persoon betreft, betekent dat:

God, Gods engelen en de menselijke geest vormen samen een fractale reeks.
Het grootste komt tot uiting in het kleinste; het kleinste weerspiegelt het grootste.
Ook hier geldt de spreuk: "Zo boven, zo beneden" (zie voor dit onderwerp het menu).

De fractale eigenschap van déze hemelse rangorde komt vervolgens ook in Gods schepping tot uitdrukking in de vorm van natuurlijke fractalen, zoals er hierboven een aantal zijn beschreven; maar ook de geestelijke ontwikkeling die de mensheid in Gods schepping kan meemaken, heeft een fractale vorm.

terug naar de Inhoud

4. De fractale vorm van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid
(en van alle andere levensvormen)

De geestelijke groei van mens en mensheid loopt over zeven grote trappen, zeven tijdperken. Deze tijdperken zijn zelf weer onderverdeeld in zeven kleinere tijdvakken en deze weer in zeven beschavingen: opnieuw de eigenschappen van een fractal.
De drie ordes van Gods engelen zijn in hun ontwikkeling al gevorderd tot (in volgorde) het vijfde (3e orde), zesde (2e orde) en zevende tijdperk (1e orde). Zij hebben de mensheid op deze ontwikkelingsweg begeleid, zij hebben zich voor anderen belangeloos ingezet en zijn daardoor zelf gegroeid.
In de eerste helft van die ontwikkeling, tot aan de vierde beschaving van het vierde tijdvak van het vierde tijdperk, de beschaving der Turaniërs op Atlantis, beschikten mensen nog over hun natuurlijke helderziendheid en hadden daardoor bewust omgang met hun begeleiders. Na deze beschaving verminderde die helderziendheid en is in de huidige beschaving vrijwel verdwenen.
Evengoed is er nog steeds begeleiding door Gods engelen, maar nu ongemerkt voor de mens op aarde. Daardoor is de mens nu weliswaar schijnbaar aan zichzelf overgeleverd, maar daardoor ook in de gelegenheid op éigen kracht en naar éigen inzicht keuzes te maken en daardoor zélf geestelijk te groeien.
In het eerste tijdperk begint de ontwikkeling in het eerste tijdvak in de eerste beschaving daarvan. Eerst worden alle zeven beschavingen van een tijdvak doorlopen, dan op dezelfde wijze de overige tijdvakken, waarna dat tijdperk wordt afgesloten en op het volgende wordt overgegaan.
Er vindt in deze kringlopen een voortdurende herhaling plaats. Steeds komen de eigenschappen van de zeven tijdperken op overeenkomende wijze in de zeven tijdvakken en zeven beschavingen terug, alleen in een steeds verdere graad van ontwikkeling. De kringlopen vormen in feite spiralen, waarbij de ontwikkeling iedere keer een stapje hoger komt. Het eigenlijke werk van een tijdperk of tijdvak begint pas als de herhalingen achter de rug zijn. Het werk dat de verschillende soorten engelen tijdens de tijdperken doen, begint geleidelijk, komt tot een hoogtepunt en zwakt dan weer af.

De huidige toestand is de vijfde beschaving in het vijfde tijdvak in het vierde tijdperk

In de perioden tussen de tijdvakken en tijdperken treedt er een rusttoestand in. De rusttoestanden duren even lang als de tijden van werkzaamheid. In het klein is dit te vergelijken met dag en nacht, met zomer en winter en met leven en 'dood'. Tijdens de rusttoestand leren wij als menselijke geest de opgedane ervaring te aanvaarden, te verwerken en daardoor om te zetten in toegenomen beheersing van eigen vermogens. Dit verwerken is van groot belang, want dát heeft geestelijke groei tot gevolg.
Als de meeste geesten hun nieuw opgedane ervaringen tijdens de rust hebben verwerkt en hun vermogens verder hebben ontwikkeld, wordt er, afgaande op hun nieuwe geestelijke ontwikkelingstoestand een nieuwe wereld van vormen opgebouwd. Ook krijgen zij nieuwe lichamen, die een uitdrukking zijn van hun verder ontwikkelde geestesgesteldheid. Daarin kunnen zij in een volgende periode van werkzaamheid weer nieuwe ervaringen opdoen.
De geestelijke ontwikkeling gaat uiterst langzaam, haast onmerkbaar, maar daardoor ook grondig. Vanuit de geestelijke wereld gezien betekent tijd niets; alle aandacht is alleen gericht op geestelijke ontwikkeling. Alle ervaringen moeten worden doorleefd en verwerkt, alle eigenschappen moeten zich eigen worden gemaakt, de eigen vorm moet volledig gevonden zijn. Dat is het enige nut, het enige wat telt.
De ontwikkeling gaat wat de geest betreft heel geleidelijk, maar wat de vórm betreft in trappen door de afwisseling van 'dagen' en 'nachten'. Na iedere rustperiode verschijnen er als uitdrukking van de daarin voltrokken geestelijke ontwikkeling nieuwe levensvormen op aarde.
De geest is de vormkracht, die de vorm schept. De natuurwetenschap bestudeert uitsluitend die stoffelijke vorm, die een uitdrukking is van de ontwikkelingstoestand van de geest, die in die vorm woont. Zij verkeert wat de vormkracht betreft in een toestand van volstrekte onwetendheid. Zij begrijpt daardoor niet wat er de oorzaak van is dat de paleontologie vaststelt dat er aardlagen zijn, waarin schijnbaar plotseling en van het begin af aan een uitbundige overvloed aan levensvormen verschijnt, terwijl in de daaronder gelegen aardlagen veel minder te vinden is. Als bijvoorbeeld in het Siluur de vissen verschijnen, zijn zij er meteen in een grote verscheidenheid. De natuurwetenschap ziet wel de trapsgewijze ontwikkeling van de stoffelijke vorm, maar niet de geleidelijke ontwikkeling van de geest in de geestelijke wereld, die de oorzaak is van die vormen op aarde.

terug naar de Inhoud

5. Fractale meetkunde en de meetkundige rijen van Fibonacci en Lucas

De meetkundige rijen van Fibonacci en Lucas worden erdoor gekenmerkt dat de verhouding tussen de elementen van de rijen in het verloop ervan, steeds meer beantwoorden aan die van de gulden snede. Tegelijkertijd worden deze rijen gekenmerkt door de fractale eigenschappen: de elementen komen door optelling van de twee voorlaatste uit elkaar voort (een rekenkundige herhaling) en alle hebben ze met elkaar dezelfde verhouding gemeen (een rekenkundige gelijkvormigheid).

Er kan worden gesteld dat de rijen van Fibonacci en Lucas bijzondere fractalen opleveren: het zijn fractalen waarin de breuken aan de verhouding van de gulden snede beantwoorden.
Het verschijnsel 'fractaal' komt op uitbundige wijze in Gods schepping voor en een aantal daarvan komt overeen met de eigenschappen van de gulden snede.

Hieronder een aantal voorbeelden.

De Fibonacci-spiraal zoals hiernaast is weergegeven, is een fractaalvormig opgebouwde spiraal d.m.v. de getekende vierkanten binnen de gulden rechthoek. De 8 vierkanten vormen een fractale reeks, waarbinnen de Fibonacci-spiraal is te construeren (met kwartcirkelbogen).
De Fibonacci-spiraal en de logaritmische spiraal, waarbij in de formule het getal Φ (1,618) is ingevoerd, vallen vrijwel samen en hebben daardoor een eigenschap van de gulden snede gemeen: na een kwartslag draaiing is de afstand tot de oorsprong van een punt op de spiraal t.o.v. de vorige afstand, toegenomen in een verhouding die overeenkomt met de gulden snede.
Een logaritmische spiraal geeft op zichzelf een fractaal weer, want zij wordt steeds groter en loopt door tot in het oneindige, maar blijft wat haar vorm betreft aan zichzelf gelijk.

Fractalen hebben vaak de vorm van een spiraal. De functie voor een fractaal is f(z)=z² + c. Als de uitkomst van een bewerking weer opnieuw in deze functie wordt ingevoerd (de herhaling), ontstaat een fractaal. Als door de bewerking een hoek ontstaat, is er sprake van een afbuiging die bij iedere volgende herhaling groter wordt. Daardoor krijgt de fractaal de vorm van een spiraal.

In een pentagram kunnen steeds kleinere pentagrammen worden getekend, er omheen steeds grotere. De vorm wordt herhaald en blijft aan zichzelf gelijk. Een voorbeeld van een meetkundige fractaal die zich in het oneindige kan voorzetten.
Alle lijnstukken van het pentagram komen overeen met getallen uit de rij van Fibonacci en daardoor met de gulden snede.

Deze Mandelbrot-verzameling is niet alleen een fractaal, maar tegelijkertijd een logarithmische spiraal. Deze spiraal valt vrijwel samen met de Fibonaccispiraal.

Het bloembed van deze zonnebloem vertoont Fibonacci-spiralen en fractale reeksen ineen.
De knoppen van de buisbloempjes zijn op het bloembed geordend in Fibonacci-spiralen, 34 naar links en 55 naar rechts; twee getallen uit de rij van Fibonacci.
Iedere spiraal is vanuit het midden naar de omtrek een fractale reeks groeiende buisbloemknoppen en reeds geopende buisbloempjes.

De vetplant Aloë vera is een duidelijk voorbeeld van een fractaal opgebouwde plant, maar het aantal Fibonacci-spiraalvormen van de bladeren beantwoordt ook aan het Fibonacci-getal vijf.

De Romanesco bloemkool is een sprekend voorbeeld van fractalen als zich steeds herhalende en kleiner wordende vormen, die aan elkaar gelijkvormig zijn; maar in alle verhoudingen is bovendien de rij van Fibonacci te herkennen. Hier duidelijk getekend als de acht spiralen die naar rechts draaien (rood) en de 13 die naar links draaien (zwart). De getallen 8 en 13 behoren tot de rij van Fibonacci.

Het sterrenstelsel M74 (Messier 74) heeft zich ongestoord door zwaartekracht-invloeden vanaf naburige sterrenstelsels kunnen ontwikkelen. Daardoor hebben de armen ervan vrijwel de vorm van logaritmische spiralen.

 

terug naar de Inhoud

6. De gulden snede als de verhouding tussen God en Gods schepselen.

In het boek De Huishouding van God deel 3 van Jakob Lorber (hoofdstuk 61-62) wordt de persoonlijke verhouding behandeld die er bestaat tussen God zelf en Gods schepselen, in dit geval de mensen.
[Het gesprek vindt plaats in de tijd van Genesis, toen het geestesoog van de mens door begeleiders nog makkelijk was te openen. Bij dit gesprek zijn drie personen bij God aanwezig, die zich voor hen heeft verdicht. Het blijkt dat de verhouding waarin zij tot God staan niet zodanig is, dat God in hun midden staat. In tegendeel, God plaatst twee van hen aan zijn rechter zijde en een aan zijn linker zijde. God zelf komt op de derde plaats in de rij te staan. Deze plaats van God, temidden van zijn schepselen, komt overeen met de verhouding van de gulden snede; zie de afbeelding hieronder, door mij gemaakt. Freek]

Hoofdstuk 61
Koning Lamech met Lamech van de hoogte door de Heer liefdevol ontvangen in de tempel. De verklaring van hetgeen koning Lamech in zijn slaap beleefde. De huis- en rangorde van de hemelse Vader (20 juni 1843)

l. Na deze woorden van Lamech van de 'hoogte' [hoogvlakte, maar ook hogere ontwikkeling] volgde Lamech uit de 'laagte' [laagvlakte, maar ook lagere ontwikkeling. Freek] zijn naamgenoot naar de tempel.
2. Toen zij daar beiden aankwamen, kwam de Heer [God verschijnt aan hen in zijn geestgedaante. Freek] samen met Henoch [Bijbelse figuur] hen beiden tegemoet en ontving hen met open armen.
3. Deze grote voorkomendheid van de kant van de allerhoogste Heer verwonderde Lamech uit de laagte buitengewoon, vooral juist in deze, althans in zijn eigen ogen, enigszins kritische situatie, waarin hij om zo te zeggen een duchtige terechtwijzing van de Heer voor zijn vleselijke slaap verwachtte.
4. Maar de Heer zei tegen Lamech, die zich nog enigszins bevreesd verwonderde: "Waarom verbaas je je nu toch zo over Mijn goedheid, liefde en grote genade? Was je dan als zondaar ooit voornamer dan nu? Destijds kwam Ik toch ook naar je toe?
5. Als Ik je toen als Mijn grote vijand graag tegemoet wilde komen om je, ten diepste gevallen, te verheffen, waarom zou het dan nu zo verwonderlijk zijn als Ik je tot aan de drempel van de tempel tegemoetkom nu je niet gezondigd hebt?!
6. Want wat je nu is overkomen, was immers puur een toelating van Mijn kant, om je te laten zien welke vruchten jij of in ieder geval je nakomelingen mettertijd wel eens kunnen verwachten tengevolge van een al te overmachtige liefde voor vrouwen.
7. Wat Ik je zo toonde is wel een goede boodschap voor jou en je nakomelingen maar zeker eeuwig nooit een zonde.
8. Als je die les op de juiste wijze ter harte neemt, dan zul je leven in de geest van de ware liefde en alle wijsheid daaruit.

9. Maar kom nu binnen met je begeleider, die Ik ten zeerste liefheb, dan kunnen wij rustig en genoeglijk met elkaar overleggen en spreken bij het heldere licht van het vlammende en stralende hart op het altaar!"
10. En beiden traden vergenoegd de tempel binnen en loofden de Heer in hun hart bovenmate.
11. De Heer leidde hen naar het altaar en zei toen tegen hen: "Een mens kan wel eens in een toestand terechtkomen, waarbij hij redelijkerwijze uit de nood een deugd kan maken en soms zelfs moet maken. Datzelfde kunnen ook wij nu doen!
12. Zie, de ronde treden om het altaar zijn weliswaar niet bedoeld om erop te zitten, maar aangezien hier helemaal geen andere rust- of zitbanken zijn gemaakt, gaan wij allen op deze ronde treden zitten en wel met onze gezichten naar de morgen gekeerd, waarmee wij dan van deze treden, die enkel als sieraad dienen, een nuttige rust- en zitbank hebben gemaakt.
13. En wie kan ons dat verwijten?! Want wij zijn het immers zelf voor wie de tempel samen met het altaar en die treden zijn gebouwd. Het staat ons daarom toch ook vrij de tempel te benutten waarvoor het ons belieft! Wat denk je, Lamech, heb Ik gelijk of niet?"
14. En Lamech antwoordde: "O Heer, lieve, goede Vader! Alleen Uw wil is immers heilig en geeft mij de allergrootste vreugde; laat daarom altijd gebeuren wat U het meest behaagt!

15. Wilt U, Heer en Vader, in al Uw mildheid en zachtmoedigheid nu ook nog de juiste volgorde bepalen waarin wij om U of bij U zullen gaan zitten, opdat ook op dit punt Uw wil vervuld moge worden!"
16. En de Heer zei tegen Lamech: "Jij gedraagt je nog heel erg als een hoveling en weet je van louter hoffelijkheid geen raad!
17. Maar Ik zeg je: Kijk eens heel opmerkzaam naar de kinderen van een vader die zijn kindertjes machtig liefheeft! Wat doen zij wanneer hun vader thuiskomt?
18. Zie, allemaal lopen ze wat ze kunnen hun lieve, goede vader tegemoet en de voorste en flinkste valt als eerste in alle liefde over zijn vader heen en dan de anderen zoals hun voeten het hun toestaan.
19. Het jongste kind blijft natuurlijk wel achter, maar de goede vader ziet het met kloppend hart hem tegemoet dribbelen en als het naderbij komt gaat hij het met een warm hart tegemoet, neemt het op zijn arm, drukt het aan zijn borst en kust en liefkoost het naar hartelust.
20. Zie, Mijn Lamech, precies zo is het ook met Mijn goddelijke en hemelse huisorde en hofregels gesteld! Wie het eerst komt, het eerst maalt; en de laatste en zwakste zal Ik op Mijn arm nemen en hem buitengewoon koesteren en liefkozen, omdat hij in zijn zwakheid ook de Vader heeft herkend en toen op zwakke voeten Mij, de lieve, goede Vader, tegemoet snelde!
21. En zo moeten jullie het ook doen en niet vragen naar de rangorde, dan zal Ik als de ware Vader aan jullie, Mijn kinderen, waarachtige vreugde beleven!
22. Zie, Ik ben al gaan zitten; gaan jullie nu ook bij Mij zitten!"
23. Hierop verdrongen alle drie zich uit machtige liefde rond de Vader en de Vader zei: "Zo is het goed; dat is de Ware orde van de hemelen! Blijf daarin voortaan eeuwig en altijd! Amen."

Hoofdstuk 62
De polaire innerlijke bouworde van de aarde en van alle organische lichamen als gelijkenis voor de door de Heer gekozen volgorde van zitplaatsen. (21 juni 1843)

1. Daarop namen allen naast de Heer plaats, en wel Henoch en Lamech van de hoogte aan de rechterkant en Lamech uit de laagte aan de linkerkant; en de Heer sprak:
2. "Zie nu, Mijn uitverkoren kinderen, zo zitten wij helemaal goed en nog bovendien in de mooiste ordening!
3. Dat zien jullie alle drie nog wel niet zo goed in; maar wij hebben nu immers rustig de tijd om over allerlei dingen met elkaar te praten! Zo zullen wij totdat de zon geheel is opgegaan nog veel kunnen bespreken en dus ook deze goede orde waarin wij nu zitten.
4. En Ik zie al dat Mijn Lamech aan de linkerzijde nog niet geheel bevrijd is van de gebruiken aan het hof en daarom meteen zou willen vernemen waarom de volgorde waarin wij zitten goed gekozen is. Wat is dan de reden daarvan, of wat zal die zijn? Wij kunnen die volgorde immers dadelijk voor ogen brengen; luister maar naar Mij!

5. Zie, de aarde die jullie bewonen, is een rond lichaam! De oppervlakte ervan is ongevoelig, maar het inwendige is opgebouwd uit levensvatbare organen en het leeft dan ook net als een dier.
[Aan ieder stoffelijk voorwerp met een bepaalde vorm is een geest verbonden; zo heeft de Aarde een aardgeest in zich, die hier wordt bedoeld. Freek]
6. Om te kunnen leven is echter vooral een middelpunt nodig, of beter gezegd een aantrekkingspunt, dus een zwaartepunt dat ten gevolge van zijn aantrekkingskracht alles naar zich toetrekt. En door dat samendringen naar dat punt wordt het noodzakelijkerwijs geprikkeld, verhit en ontstoken. Zo heeft ook deze aarde, zoals nog talloze andere aarden in Mijn eindeloze scheppingsruimte, alsook de zonnen en manen, zo'n middelpunt, dat geheel gelijk is aan het hart van de dieren en ook van de mensen in hun natuurlijke sfeer.
7. Maar dit zogenoemde middelpunt mag zich noch bij dieren, noch bij mensen en hemellichamen precies in het midden van hun totale organische massa bevinden, maar het moet altijd ongeveer op drievierde daarvan zijn plaats hebben, opdat het niet volledig verdrukt wordt en zich daardoor niet meer kan roeren. [Zo is in het menselijke lichaam het zwaartepunt ter hoogte van de navel en bevindt het hart zich daarboven. Ter plaatse van dat hart bevindt zich de geest. Freek]
8. Maar als het zich altijd en overal buiten het eigenlijke massazwaartepunt bevindt, of buiten het eigenlijke midden, kan de hele zwaarte er niet van alle kanten op drukken, zodat het dan vrije speelruimte heeft en zich ongehinderd kan bewegen. Want wordt het van de kant van de grote massa te zeer bekneld, dan kan het naar de kleine en dus ook minder zware kant van de massa uitwijken.
9. Wanneer echter de hoofdmassa ten gevolge van de traagheid die haar noodzakelijk eigen is en van haar eigen natuurlijke zwaarte zich toch niet zo ver boven haar massazwaartepunt kan verheffen, maar zeer spoedig weer van haar streven moet afzien om zich dan, daar ze niet anders kan, weer naar haar massazwaartepunt te begeven, dan kan het eigenlijke stimulerende zwaartepunt [het hart, de geest] weer vrij terugkeren en prikkelt dan door de haar eigen aantrekkingskracht weer het trage massazwaartepunt, dat dan weer naar het eigenlijke aantrekkingspunt opdringt. En zodra dat weer onder te grote druk komt te staan, begeeft het zich onmiddellijk weer naar de lichte of kleine kant.
10. Door dat steeds heen en weer bewegen, dat weliswaar slechts zeer mechanisch en eentonig is, wordt dan het zogenaamde natuurlijke dierlijk-organische leven tot stand gebracht.
11. En is de bewegende kracht [het hart, de geest. Freek] in een organisme zo bewerkstelligd, dan deelt die zich vanzelf aan de gehele massa mee, prikkelt deze min of meer en een geheel organisme wordt daardoor dan tot leven gebracht en kan naargelang de aard van dat leven gebruikt worden.
[Als de in beweging zettende geest (het hart) zich in het stoffelijke zwaartepunt zou bevinden, zou hij even traag worden als de stof. Nu bevindt hij zich buiten dat zwaartepunt en behoudt daardoor de vrijheid zich te kunnen bewegen en zijn levenskracht aan de stoffelijke levensvorm mee te delen. Freek]

12. Van Mijn kant is daar natuurlijk wel alles voor nodig en van tevoren moet Ik het hele massa-organisme punt voor punt opbouwen en het zo, als beschreven, pas geleidelijk aan inrichten. 13. Is het eenmaal op die wijze doelmatig ingericht, dan leeft het organisme voort, zolang als Ik het [het hart, de geest. Freek] de benodigde voeding wil geven; onttrek Ik die echter, dan wordt het [de stoffelijke levensvorm. Freek] al gauw zwak en traag, zakt dan in elkaar, verdrukt en verteert zichzelf dan weer punt voor punt, zoals het voordien was opgebouwd, om tenslotte geheel uiteen te vallen en als een volledig opgeloste wilssubstantie [dat gebeurt met het hart, de geest. Freek] geestelijk in Mij terug te keren.
14. Zie, dat is een basis van Mijn organische bouwplan!
Dat zal pas in het licht van jullie eigen geest geleidelijk aan duidelijker worden; [dit is het kernpunt van de redenering. Freek]
en daarvan hoeven jullie nu niet meer te begrijpen dan alleen maar dat de volgorde waarin we nu zitten precies overeenkomt met de bouworde van Mijn schepping. Hoe echter, dat zal dadelijk blijken!

15. Zie, Ik ben immers het belangrijkste levens- en aantrekkingspunt van de hele oneindigheid; jullie echter zijn Mijn organen ter opname van het leven uit Mij! Maar zeg Me, Mijn Lamech, zit Ik nu precies in het midden tussen jullie?"
16. Hier verbaasde Lamech zich en zei: "Neen, o Heer en Vader! Want bij vier personen is dat immers onmogelijk; maar zie, het midden zou tussen U en Henoch liggen!"
17. En de Heer zei daarop: "Zie, daarom is dit een juiste en goede ordening, omdat Ik als grond van al het leven en bewegen Mij in het drievierde deel temidden van jullie bevind [op de plaats van de gulden snede. Freek] en jij zo de kleinere en lichtere noordpool en Henoch en Lamech de zware en veel grotere zuidpool voorstellen!
18. En zo willen wij ons dan ook wederzijds aantrekken en opwekken door allerlei grote beschouwingen in de eindeloze sfeer van het leven!
19. Wie iets heel bijzonders weet, laat die het te kennen geven, dan kunnen wij het daarover wel met elkaar eens worden! Dat is Mijn geringste zorg - en daarom kan jij, Lamech, meteen een begin maken! Amen."

terug naar de Inhoud

7. Mijn persoonlijke ervaringen met mijn beschermengel
Een klein stukje geschiedenis uit de landelijke Achterhoek. Toen wij in 1975 in Terborg kwamen wonen, werden Marijke en ik al snel uitgenodigd deel te nemen aan een bijbelkring in het naburige dorp, Silvolde. Daar werd voor een van de avonden Broeder Henri (Harry) Boelaars OSB uitgenodigd een lezing te houden over Hildegard van Bingen; in de St. Willibrordsabdij in het bos De Slangenburg onder Doetinchem hield hij zich met haar werken bezig als 'lectio divina': gewijde studie. Het onderwerp sprak mij zeer aan en in de jaren daarna bespraken wij regelmatig haar visioenen. Hij schreef er ook een boek over, Scivias, dat in het menu van deze website onder 'Hildegard visioenen' is te vinden.

Al haar visioenen maakten een bijzondere indruk op mij, maar één in het bijzonder. Het is een visioen uit een ander boek van Hildegard, het Liber divinorum operum en daaruit visioen 2, I, 2. Wij kwamen tot de slotsom dat het visioen ons als Gods godenkind voorstelt, beschermd door God als onze geestelijke vader en moeder bij onze gang over de aarde en door hen begeleid bij alle daarbij horende wederwaardigheden.

Broeder Harry maakte naar aanleiding van onze gesprekken over dit onderwerp ook een beeldje, dat deze zo wezenlijke verhouding tussen God en ons als Gods godenkinderen, uitbeeldt. Een afbeelding ervan is te vinden in het menu van deze website onder 'Jezus'.

Ervaring 1
In de zomer van 1991, nadat het boek De Levensweg was uitgekomen, vormden zich gespreksgroepen met de onderwerpen uit dat boek als thema. Een deelneemster uit een van de groepen was een spiritueel schilderes, Tiny Grünewald. Zij maakte schilderijen met acrylverf op papier, onder inwerking en begeleiding van haar geestelijke begeleiders; pas als het werk af was, mocht zij naar achteren stappen om het werk van een afstand te overzien.

Op een dag eind 1993 belde zij mij op om een afspraak te maken voor een persoonlijk gesprek. Zij vertelde mij die avond dat zij een schilderij had gemaakt, waarvoor zij een aanwijzing had gekregen dat het voor mij was bestemd. De voorstelling ervan bleek tot onze verrassing overeen te komen met het bewuste visioen van Hildegard dat mij zo aansprak!
Tiny zelf was onbekend met deze visioenen. Vol verbazing en dankbaarheid hebben wij naar de - voor wat de strekking betreft - treffende overeenkomst van beide uitzonderlijke afbeeldingen gekeken.



Hildegard, Liber divinorum operum, visioen 2, I, 2
God als vader en moeder, met in hun midden
Gods godenkind: de mens


Tiny Grünewald (zonder titel); de drie personen in
eenzelfde vorm en verhouding tot elkaar

Niet lang daarna kreeg ik het volgende, indringende visioen. Ik zag mijzelf als een klein kindje dat in de armen van een vrouw lag, die als een moeder liefdevol naar mij keek. Achter haar stond haar man, die liefdevol zijn armen beschermend om haar heen had geslagen, maar haar toch vrij latend, zoals op het schilderij van Tiny. De man keek naar boven. Het levendige visioen kwam overeen met haar schilderij en mijn geestelijke begeleider liet mij daarna weten: "Je onbekende vriend en vriendin."

Ik had van mijn vrienden en vriendinnen in de geestelijke wereld een bevestiging gekregen van de waarde en betekenis van het voor mij bestemde schilderij, maar ook van Hildegards visioen... het was mij vergund haar visioen ook zelf te mogen zien!

Later kreeg ik belangstelling voor het onderwerp 'Gods engelen'. Er was toentertijd nog geen Nederlandse vertaling uitgekomen van de geschriften van Pseudo-Dionysios de Areopagiet, Over de Hemelse Hiërarchie, maar uit andere boeken waarin over de inhoud van zijn boek werd geschreven, leerde ik de eigenschappen en onderlinge verhoudingen van Gods engelen kennen. Zie hierboven bij: 'De eigenschappen van Gods engelen'.
Zo is in Emanuel Swedenborgs Het huwelijk te lezen dat Gods engelen eenzelfde hemels huwelijk kennen als man en vrouw, zoals ook God zelf als tweelinggeest zo'n huwelijk vormt.

Kort geleden is er een vertaling door Ben Schomakers van het boek van Pseudo-Dionysios in het Nederlands verschenen. Daarin wordt beschreven dat de onderste orde van engelen - waartoe de beschermengel behoort waarvan iedere mens er een bij zich heeft - zowel naar boven, naar God kijken als naar beneden, naar de mens die zij begeleiden als die mens zich voor hun begeleiding openstelt.
Dit gegeven komt duidelijk tot uitdrukking op het schilderij dat Tiny voor mij schilderde en komt ook overeen met wat ik er in het visioen van mocht zien; met andere woorden: ik zag mijn beschermengel!

Later maakte zij nog een schilderij voor mij. Hierbij gaat het om de verhouding tussen God, Gods engel, de persoonlijke begeleider die vanuit de geestelijke wereld de mens begeleidt (die vaak een familielid is) en de mens die zijn of haar gang over de aarde maakt.

Uitleg (zie de rechter afbeelding)
Bij 1 is God in de ongevormde oertoestand als de algeest te zien. In die toestand is de geest een toestand van beweging die zich voordoet als een zelfvormende en doordringende 'lichtende warmte' (geel en oranjerood, aan de linker kant);
en een toestand van rust die zich voordoet als een doordringbare en vormbare 'donkere koelte' (grijs en lichtblauw, rechts). Deze kleuren verspreiden zich naar beneden toe over Gods schepping.

Tiny kon geen weet hebben van deze eigenschappen van God in de ongevormde oertoestand, want ze staan niet duidelijk omschreven in De Levensweg en ik besprak ze pas aan het einde van de leergang Geestkunde; maar dat ze in dit schilderij worden weergegeven, is een bevestiging van wat ik als godservaring heb mogen zien! (zie bij 'God als man en vrouw/19. Geestkunde' in het menu)



Tiny Grünewald (zonder titel)


 

Bij 2 is Gods engel te zien, een gevormde toestand van de geest, hier te zien als een grijs mannelijk gezicht met donker haar en een witte baard, dat schuin naar links beneden naar drie vogels kijkt. Die zijn te zien bij 3 en 4: twee kleine bovenop een grote, die een loopvogel is, want lopend over de aarde. De vogel geldt als een zinnebeeld voor de geest.
Van de engel gaat een werkzaamheid uit in allerlei kleuren in de richting van de drie vogels.

Van de twee kleine vogels is de onderste wit en de bovenste rood/oranje (alleen de kop is duidelijk). De witte houdt met een vleugel - die tot een hand is gevormd - de loopvogel stevig vast en geeft hem 'steun in de rug'.
Mij is meegedeeld dat de witte een mannelijke en de rode een vrouwelijke vogel is, die samen mijn begeleider verbeelden, die een tweelinggeest is. Ook zij begeleiden mij op mijn pad over de aarde.

De grote geel/grijze loopvogel onderaan is een geestelijke uitbeelding van mijzelf. Met open snavel sprekend en met grote stappen loop ik rusteloos over de aarde.
Vóór mij ligt de witte J van Jezus, in wie God persoonlijk bij de mensheid op aarde is geweest, die mijn leidraad en oogmerk is, en door wie alle engelen in de eeuwige oneindigheid van de algeest als boodschappende en werkzame krachten worden aangestuurd - waardoor de kringloop weer rond is.

De verhouding tussen de koppen van de vogels en het hoofd van de engel, is die van de gulden snede.

Ervaring 2
Ik kreeg kennis aan een jonge, psychotische vrouw omdat zij vragen had over haar medicatie. Zij hoorde meerdere stemmen 'in haar hoofd', die haar lastigvielen, uitscholden en bedreigden. Zij had veel belangstelling voor mijn geestkundige uitleg over haar toestand en beaamde dankbaar wat ik haar daarover vertelde.
Op een dag werd zij zo ernstig belaagd, dat zij naar mij toekwam en mijn hulp inriep. Ik had na een aantal jaren al ervaren hoe krachtig de inwerking van kwaadwillende geesten kan zijn en had ondertussen begrepen dat omstanders op aarde in feite meestal machteloos zijn. Zij was een diepgelovige vrouw en ik zei tegen haar dat we samen God weer om hulp zouden bidden; iets anders kon ik niet voor haar doen.
Ik wendde mij in gebed tot God, waarbij toen onmiddellijk mijn geestesoog werd geopend. Vóór ons in de geestelijke wereld zag ik naast elkaar drie, 'oudere', mannelijke geestgedaanten staan, herkenbaar aan de baard. Zij waren alle drie volkomen aan elkaar gelijk en maakten een zachtmoedige indruk. Zij keken ons vriendelijk glimlachend aan en er ging een grote, bemoedigende kracht naar ons toe van hen uit.
Ik voelde mij heel dankbaar voor hun verschijning in onze benarde omstandigheden en huilde tranen van vreugde. De jonge vrouw zag wel drie lichten, maar was door haar slechte ervaringen bang geworden voor alles wat zich in de geestelijke wereld aan haar voordeed.
Langzaam vervaagde het beeld van hun verschijning. Ik had de drievoudigheid mogen zien waarin Gods engelen zich ook aan ons voor kunnen doen.

Op aarde wordt de mens onmerkbaar door Gods engelen begeleid. Maar soms kan men ontmoetingen met engelen meemaken in het dagelijkse leven, wat mij - voor zover het mij bekend is - tweemaal is overkomen. Beide ervaringen maakten een diepe indruk op mij.

Ervaring 3
In de lente van 1991 gaven Marijke en ik het boek De Levensweg uit. Met de plaatselijke boekhandelaar - die tegenover de apotheek zijn winkel had - sprak ik af dat ik een boek bij hem in de winkel mocht zetten.
Een paar dagen later stond ik 's middags alleen achter de balie in de apotheek. De deur ging open en er kwam een smaakvol geklede, adelijke dame binnen. Ik kende haar niet, maar ze kwam wel heel vertrouwd bij mij over, net alsof ik haar toch wel ergens van zou moeten kennen.
Ze liep naar mij toe en zei duidelijk tegen mij: "Meneer van Leeuwen, ik heb gezien dat uw boek is uitgekomen. Wij zijn daar heel blij mee!" Ze draaide zich om en liep de apotheek weer uit, mij verbaasd achterlatend. Ik heb haar daarna nooit meer ontmoet, wat mij erg speet, want ik voelde dat zij een geestverwant was.
Het was de eerste reactie die ik ontving op het verschijnen van mijn boek. Pas weken later verschenen er artikelen over het uitkomen van De Levensweg in De Gelderlander en het plaatselijke blad dank zij de Terborgse journalist Frans Jansen. Dank zij die artikelen ontstonden weer de gespreksgroepen waarvan ook Tiny Grünewald een deelneemster was.

Ervaring 4
In de zomer van 2006 bezocht ik met onze oudste dochter onze jongste zoon met vrouw en kinderen in Trujillo, Peru. Op de terugweg namen we een vliegtocht van Trujillo naar Lima (600 km) met een binnenlandse luchtvaartmaatschappij. We kwamen in Lima aan op een apart gedeelte van het vliegveld, bestemd voor binnenlandse vluchten. Nadat we onze koffers hadden opgehaald, stonden we ietwat verloren in een drukke hal (de oren nog dicht door de snelle afdaling), waar alle aanwijzingen in het Spaans waren gesteld. We wisten even niet wat te doen, terwijl we maar weinig tijd hadden om bij de KLM in te checken voor de vlucht naar Schiphol.
Uit de massa mensen kwam opeens een lange, vriendelijk uitziende man recht naar ons toelopen, die in het Engels vroeg of hij ons kon helpen. We legden uit dat we naar de KLM-balie moesten. Hij zei ons hem te volgen. Hij liep snel voor ons uit en bracht ons naar een ander gedeelte van het gebouw waar de KLM-balie was. Zonder verder nog iets te zeggen en ons niet de gelegenheid gevend hem te bedanken, verdween hij weer in de massa mensen.







^