|
Deel 1 De
geestelijke eigenschappen en de vermogens
1.1 Om te kunnen begrijpen wat je als geest bent, moet je van de oorsprong
van jezelf als geest uitgaan. Door als geestelijke oefening de zelfbezinning
te doen, kun je in de geestelijke wereld worden opgenomen. Die geestelijke
wereld is een ijle wereld, die, onzichtbaar voor ons, deze stoffelijke
wereld geheel doordringt en die er ook de grondslag van is. Die geestelijke
wereld is je eeuwige tehuis en in die wereld kun je met je geestelijke
oorsprong worden herenigd.
Tijdens de hereniging daarmee heb ik mogen ervaren dat de geest in wezen
een bewuste kracht is; de geest is de levenskracht, die bewust
is. Deze bewuste levenskracht doet zich in die gééstelijke wereld voor
als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarbij het
bewustzijn zich voordoet als licht en de kracht als warmte.
In je óórsprong doet die bewuste kracht zich voor als een alomtegenwoordige,
oneindige zee van dat geestelijke licht en die geestelijke warmte, wat
de eeuwige en oneindige algeest is; terwijl je jezelf als geest
ervaart als een bolvormige wolk van datzelfde licht en diezelfde warmte,
die als een brandpunt, als een vonk van uit zichzelf brandend vuur, in
die zee leeft. Ook mocht ik ervaren dat er van de algeest een innige liefde
naar de menselijke geest toe uitgaat.
In deze stoffelijke wereld is van dit alles niets te zien en om daar toch
een voorstelling van te kunnen maken, kan ik zeggen dat het beeld van
de menselijke geest als dat brandpunt in die zee, overeenkomt met het
beeld van de langzaam doorbrekende zon aan de hemel van een mistige dag.
1.2 Tijdens de hereniging met de algeest ervaar je, dat zowel het geestelijke
licht alsook de geestelijke warmte zich in twee, tegenovergestelde toestanden
kunnen bevinden, namelijk: in een vrouwelijke, ontvankelijke toestand
en in een mannelijke, doordringende toestand.
In de vrouwelijke, ontvankelijke toestand van de geest zijn het licht
en de warmte van buitenaf vòrmbaar; in de mannelijke, doordringende
toestand van binnenuit zèlfvormend.
Die vormbaarheid bestaat hieruit, dat er zich in jezelf als die lichtende
bol stromingen van licht voordoen. Daardoor kunnen er zich in jezelf verdichtingen
en verdunningen van licht plaats vinden, waardoor bepaalde plaatsen in
het licht helderder kunnen zijn dan andere. Daardoor kan er in het licht
wat je bent een lichtbeeld worden gevormd; wat zowel van buitenaf als
van binnenuit kan gebeuren.
1.3 Met die vòrmbare en zèlfvormende eigenschappen van het licht en de
warmte hangen je geestelijke vermogens samen: het vermogen om waar te
nemen, te denken, te voelen en te willen.
Al waarnemend ben je als geest in een toestand dat je licht - in jezelf
als die bolvormige wolk - van buitenaf vòrmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld;
al denkend ben je in een toestand dat je je licht van binnenuit zèlf vormt
tot een denkbeeld;
al voelend ben je in een toestand dat je warmte van buitenaf vòrmbaar
is tot een gevoel;
en al willend ben je in een toestand dat je je warmte van binnenuit zèlf
vormt tot wilskracht.
Het waarnemen en voelen zijn de vrouwelijke, ontvankelijke vermogens van
de geest, het denken en willen de mannelijke, zelfvormende vermogens;
alle vier vermogens zijn voor het geestelijke evenwicht gelijkwaardig
en onmisbaar.
1.4 Waaraan zijn in het stòffelijke bestaan de vermogens te herkennen?
Een kenmerkende eigenschap van je vermogens is die vorming.
Als je waarneemt, dan laat je, door te kijken en te luisteren, je ervaringen
een indruk op je maken. Daardoor wordt er in jezelf als geest een lichtbeeld,
een ervaringsbeeld van gevormd, waardoor je je bewust wordt van je ervaringen.
Doordat je de buitenwereld in jezelf opneemt, krijg je er weet van.
Als je denkt dan ben je in staat om zèlfscheppend in jezelf lichtbeelden,
wat dan denkbeelden zijn, te vormen.
Als je voelt dan laat je je ervaringen ook tot je geestelijke warmte toe.
Daardoor wordt je warmtetoestand, wat dan je gemoedsgesteldheid is, door
de aard van je ervaringen gevormd, zodat je met je medemensen kunt meevoelen,
meeleven.
Als je wilt dan vorm je zèlf in jezelf een zodanige warmtetoestand, wat
dan een kràchttoestand is, dat je in staat bent om de gedachten en gevoelens,
die je door te denken en te voelen in jezelf hebt gevormd, naar buiten
toe te uiten en in een bepaald gedrag, in een uitspraak of handeling vorm
te geven.
1.5 Dit gebeuren: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen
ervan en daarop aansluitend er iets mee willen doen, is de beheerste geestelijke
werkzaamheid. Daarmee kun je je ervaringen bewust en beheerst verwerken,
daardoor kun je komen tot aanvaarding van je ervaringen en je vervolgens
zinvol aanpassen aan de voortdurend veranderende omstandigheden,
die in de tijd als de stroom van dagelijkse gebeurtenissen op je toekomen.
De werkzaamheid van deze vermogens is het enige, waaraan je in deze stòffelijke
wereld het gééstelijke onmiddellijk kunt herkennen; en waardoor je ook
jezèlf als géést kunt leren kennen, namelijk als die bewuste levenskracht
die je zelf bent en die in zichzelf alle dingen waarneemt, ze overdenkt
en doorvoelt en dan besluit er iets mee te willen doen.
Het zijn deze vermogens, die tijdens deze verhandeling voortdurend ter
sprake zullen komen.
1.6 Deze vermogens zijn ook de eigenschappen van wat we de persoonlijkheid
noemen, de persoonlijkheid als: het geheel van persoonlijke kenmerken
van de persoon. Die persoon is de menselijke geest. Het enige wat je als
geest kunt en waar je daarom door kunt worden gekenmerkt, is, dat je kunt
waarnemen, denken, voelen en willen, op jezelf of op de ander gericht,
ingekeerd of uitgekeerd. Je kunt de werkzaamheid van je vermogens namelijk
naar buiten richten, naar de wereld om je heen of naar binnen, naar jezelf
in je eigen binnenwereld.
De persoonlijkheid wordt daarom bepaald door de kenmerkende wijze waarop
je je ervaringen waarneemt, ze in jezelf door te denken en te voelen verwerkt
en je, als gevolg dáárvan, op een bepaalde, kenmerkende, persoonlijke
manier, naar buiten toe wilt gaan gedragen. In dat gedrag, in jouw
persoonlijke wijze van doen, komt de mate van bewuste beheersing van de
vermogens tot uitdrukking. De bewuste beheersing van je vermogens is daarmee
een maatstaf voor de beoordeling van je persoonlijkheid.
1.7 Het zijn bovendien deze vermogens, die een bepaalde ontwikkeling kunnen
doormaken, die kunnen worden opgevoed. Door ze bewust en beheerst te leren
gebruiken, worden ze omgevormd en wel van een toestand van onbewustheid
en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid, wat
je persoonlijkheid kenmerkt. De evenwìchtige ontwikkeling van die vermógens
is datgene, wat geestelijke ontwikkeling, zelfverwerkelijking of persoonlijkheidsvorming
wordt genoemd.
Terug naar boven
|
|