inleiding geestkunde
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
 6  verklarende woordenlijst
 7  over de schrijver
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    literatuur
    contact
    gastenboek
    agenda
    colofon
    links

























De menselijke geest en de geestelijke vermogens

1.1 Om te kunnen begrijpen wat je als geest bent, moet je van de oorsprong van jezelf als geest uitgaan. Door als geestelijke oefening de zelfbezinningte doen, kun je in de geestelijke wereld worden opgenomen. Die geestelijke wereld is een ijle wereld, die, onzichtbaar voor ons, deze stoffelijke wereld geheel doordringt en die er ook de grondslag van is. Die geestelijke wereld is je eeuwige tehuis en in die wereld kun je met je geestelijke oorsprong worden herenigd.
Tijdens de hereniging daarmee heb ik mogen ervaren dat de geest in wezen een bewuste kracht is; de geest is de levenskracht, die bewust is. Deze bewuste levenskracht doet zich in die gééstelijke wereld voor als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarbij het bewustzijn zich voordoet als licht en de kracht als warmte.
In je óórsprong doet die bewuste kracht zich voor als een alomtegenwoordige, oneindige zee van dat geestelijke licht en die geestelijke warmte, wat de eeuwige en oneindige algeest is; terwijl je jezelf als geest ervaart als een bolvormige wolk van datzelfde licht en diezelfde warmte, die als een brandpunt, als een vonk van uit zichzelf brandend vuur, in die zee leeft. Ook mocht ik ervaren dat er van de algeest een innige liefde naar de menselijke geest toe uitgaat.
In deze stoffelijke wereld is van dit alles niets te zien en om daar toch een voorstelling van te kunnen maken, kan ik zeggen dat het beeld van de menselijke geest als dat brandpunt in die zee, overeenkomt met het beeld van de langzaam doorbrekende zon aan de hemel van een mistige dag.

1.2 Tijdens de hereniging met de algeest ervaar je, dat zowel het geestelijke licht alsook de geestelijke warmte zich in twee, tegenovergestelde toestanden kunnen bevinden, namelijk: in een vrouwelijke, ontvankelijke toestand en in een mannelijke, doordringende toestand.
In de vrouwelijke, ontvankelijke toestand van de geest zijn het licht en de warmte van buitenaf vórmbaar; in de mannelijke, doordringende toestand van binnenuit zélfvormend werkzaam.
Die vormbaarheid bestaat hieruit, dat er zich in jezelf als die lichtende bol stromingen van licht voordoen. Daardoor kunnen er zich in jezelf verdichtingen en verdunningen van licht plaats vinden, waardoor bepaalde plaatsen in het licht helderder kunnen zijn dan andere. Daardoor kan er in het licht wat je bent een lichtbeeld worden gevormd; wat zowel van buitenaf als van binnenuit kan gebeuren.

1.3 Met die vórmbare en zélfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen je geestelijke vermogens samen: het vermogen om waar te nemen, te denken, te voelen en te willen.
Al waarnemend ben je als geest in een toestand dat je licht - in jezelf als die bolvormige wolk - van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld;
al denkend ben je in een toestand dat je je licht van binnenuit zélf vormt tot een denkbeeld;
al voelend ben je in een toestand dat je warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel;
en al willend ben je in een toestand dat je je warmte van binnenuit zélf vormt tot wilskracht.
Het waarnemen en voelen zijn de vrouwelijke, ontvankelijke vermogens van de geest, het denken en willen de mannelijke, zelfvormende vermogens; alle vier vermogens zijn voor het geestelijke evenwicht gelijkwaardig en onmisbaar.

1.4 Waaraan zijn in het stoffelijke bestaan de vermogens te herkennen? Een kenmerkende eigenschap van je vermogens is die vorming.
Als je waarneemt, dan laat je, door te kijken en te luisteren, de gebeurtenissen een indruk op je maken. Daardoor wordt er in jezelf als geest een lichtbeeld, een ervaringsbeeld van gevormd, waardoor je je bewust wordt van je ervaringen. Doordat je de buitenwereld in jezelf opneemt, krijg je er weet van.
Als je denkt dan ben je in staat om zélfscheppend in jezelf lichtbeelden, wat dan denkbeelden zijn, te vormen.
Als je voelt dan laat je je ervaringen ook tot je geestelijke warmte toe. Daardoor wordt je warmtetoestand, wat dan je gemoedsgesteldheid is, door de aard van je ervaringen gevormd, zodat je met je medemensen kunt meevoelen, meeleven.
Als je wilt dan vorm je zélf in jezelf een zodanige warmtetoestand, wat dan een kráchttoestand is, dat je in staat bent om de gedachten en gevoelens, die je door te denken en te voelen in jezelf hebt gevormd, naar buiten toe te uiten en in een bepaald gedrag, in een uitspraak of handeling vorm te geven.

1.5 Dit gebeuren: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen ervan en daarop aansluitend er iets mee willen doen, is de beheerste geestelijke werkzaamheid. Daarmee kun je je ervaringen bewust en beheerst verwerken, daardoor kun je komen tot aanvaarding van je ervaringen en je vervolgens zinvol aanpassen aan de voortdurend veranderende omstandigheden, die in de tijd als de stroom van dagelijkse gebeurtenissen op je toekomen.
De werkzaamheid van deze vermogens is het enige, waaraan je in deze stóffelijke wereld het gééstelijke onmiddellijk kunt herkennen; en waardoor je ook jezélf als géést kunt leren kennen, namelijk als die bewuste levenskracht die je zelf bent en die in zichzelf alle dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en dan besluit er iets mee te willen doen.
Het zijn deze vermogens, die op deze website voortdurend ter sprake zullen komen.

1.6 Deze vermogens zijn ook de eigenschappen van wat we de persoonlijkheid noemen, de persoonlijkheid als: het geheel van persoonlijke kenmerken van de persoon. Die persoon is de menselijke geest. Het enige wat je als geest kunt en waardoor je kunt worden gekenmerkt, is, dat je kunt waarnemen, denken, voelen en willen, op jezelf of op de ander gericht, ingekeerd of uitgekeerd. Je kunt de werkzaamheid van je vermogens namelijk naar buiten richten, naar de wereld om je heen of naar binnen, naar jezelf in je eigen binnenwereld.
De persoonlijkheid wordt daardoor bepaald door de kenmerkende wijze waarop je de gebeurtenissen waarneemt, ze in jezelf door te denken en te voelen verwerkt en je, als gevolg daarvan, op een bepaalde, kenmerkende, persoonlijke manier, naar buiten toe wilt gaan gedragen. In dat gedrag, in jouw persoonlijke wijze van doen, komt de mate van bewuste beheersing van de vermogens tot uitdrukking. De bewuste beheersing van je vermogens is daarmee een maatstaf voor de beoordeling van je persoonlijkheid.

1.7 Het zijn bovendien deze vermogens, die een bepaalde ontwikkeling kunnen doormaken, die kunnen worden opgevoed. Door ze bewust en beheerst te leren gebruiken, worden ze omgevormd en wel van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid, van driftmatigheid naar geestdrift, wat je persoonlijkheid kenmerkt. Uiteindelijk worden je vermogens ontwikkeld tot het geweten en de deugden. De evenwíchtige ontwikkeling van die vermógens is datgene, wat geestelijke ontwikkeling, zelfverwerkelijking of persoonlijkheidsvorming wordt genoemd.



Terug naar boven