GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























De verhouding tussen geest, ziel en lichaam

2.1 Rond de betekenis van de woorden 'geest' en 'ziel' bestaat veel begripsverwarring, o.a. veroorzaakt doordat tijdens het vierde Concilie van Konstantinopel in 870 werd bepaald dat de mens een 'rationele en intellectuele ziel' heeft (Canon 11). Tijdens de zelfbezinningsoefening zijn geest en ziel als twee afzonderlijke eenheden te ervaren, waarvan het wezenlijke overeenkomt met de oorspronkelijke betekenis van beide woorden. Het lijkt daarom nuttig daar weer naar terug te keren en daar verder van uit te gaan.

2.2 Geest
De Oudnederfrankische taal vormt samen met Oudsaksisch en Oudfries de drie bronnen van de huidige Nederlandse taal. Het Oudnederfrankische 'geist' betekent niet alleen 'geest', maar ook 'opgewonden zijn'; de woordstam 'ghei-' betekent: 'aandrijven', 'bewegen' en 'heisteren': 'drukte maken'. In het Middelnederlands hangen de woorden 'geeste', 'geste' en 'yeeste' met elkaar samen. Het Engelse woord 'yeast' betekent nog altijd niet alleen het 'wezenlijke', maar ook 'gist'.
Het beeld van de werkzame geest hangt samen met de betekenis van 'gist'. Een gistende deegmassa zet uit, zwelt op en schuimt, en dat is een beeld van wat er met de geest gebeurt, als die door werkzaam te worden zijn innerlijke voortbrengselen om zich heen uitstraalt. 'Gist' betekent 'schuim' en het werkwoord 'gisten' betekent: 'schuimen', 'bruisen' en 'zieden'; maar ook 'hartstocht' en 'oproer', wat overeenkomt met de betekenis van 'geist'.
Het woord 'gist' hangt samen met het Oudindische 'yasyati': 'hij wordt warm', 'hij kookt', 'hij is woedend'. Voor het geestesoog wordt een woedende persoon inderdaad gekenmerkt door een heftige, onbeheerste bewogenheid van zichzelf als geest en van de uitstraling daarvan: de geest in die toestand 'bruist van leven', wat ook een betekenis is van 'gist'.
Voor mijn geopende geestesoog verscheen de geest als een 'witte, krachtig bruisende bron'. De betekenis van het woord 'geest' hangt daardoor ook samen met het IJslandse werkwoord 'geysa': 'gutsen', 'regelmatig met kracht uitstromen' (letterverwisseling als 'geest' en 'guts' komt regelmatig voor bij woordafleidingen) en met het IJslandse 'geyser': een 'uit zichzelf werkzame springbron'. De geyser als stoffelijk verschijnsel op aarde is een treffend beeld van de zelfwerkzaamheid van de geest, als die zich met regelmaat naar buiten toe bruisend uit en daarna weer in zichzelf terugvalt en tot rust komt.
Met de 'geest' als 'springbron' hangt ook de oorspronkelijke betekenis van het woord 'bron' samen (oude vorm: 'born'); het is afkomstig van het Gotische 'brunna', dat: 'opwellend water', 'bruisen', 'zieden' en 'branden' (vergelijk de 'branding' van golven) betekent. Het werkwoord 'branden' komt van het Gotische 'brannjan', dat 'opborrelen', 'zich heftig bewegen' betekent, wat de beweeglijke eigenschappen van de warmte en het licht binnen de zelfwerkzame geest nauwkeurig weergeeft; de geest kan bijvoorbeeld 'branden van ijver'. Het woord 'bron' hangt samen met het Latijnse 'fons' waar het woord 'fontein' van is afgeleid. De fontein is evenals de geyser een uitgesproken zinnebeeld van de geest.
Het woord 'geest' houdt bovendien verband met het Gotische 'usgeisnan', 'uitgeesten', met de betekenis van: datgene, wat kan 'uittreden' en zich in een geestgedaante aan het geopende geestesoog zichtbaar kan maken en dan schrik kan veroorzaken.
Hiervan uitgaande is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'geest':
-  het wezenlijke (datgene, wat het wezen is);
-  de uit zichzelf werkzame, levende bron, het van leven bruisende;
-  het brandende (het vuur);
-  datgene, wat (in onbeheerste toestand) kan woeden, hartstochtelijk kan zijn;
-  datgene, wat kan uittreden en daardoor blijk geeft een zelfstandige eenheid te zijn.

Ziel
Het Oudnederfrankische woord 'sela', 'ziel' hangt samen met het Gotische woord 'saiwala', met de betekenis: 'binnenzeetje', 'meertje', een verkleinwoord van het Gotische 'saiws': 'binnenzee', 'meer'. De 'ziel' hangt samen met de 'zee', met het water dat door een andere kracht kan worden bewogen: door de wind en door eb en vloed. De ziel als uitstraling deed zich aan mijn geopende geestesoog inderdaad als een soort 'binnenzeetje' voor: een waterachtig beweeglijke en bontgekleurde lichtruimte om de mens heen.
Het Oudnederfrankische 'sela' hangt ook samen met 'selitha' en het Gotische 'salida', die beide: 'woning', 'vertrek', 'zaal' betekenen. Een 'zaal' is een 'inwendige ruimte' in een huis met daarin de bewoner ervan; een van de betekenissen van het woord 'ziel' in het hedendaagse Nederlands dat hiermee samenhangt is: de inwendige ruimte van voorwerpen, zoals de ziel van een fles of van de loop van een kanon.
Een Middelnederlands woord voor een bepaald vrouwenkledingstuk, een nauwsluitend jasje, is: 'zieltje' of 'lijfje'. Het geestesoog ziet de ziel inderdaad als een soort lichtende bekleding, een gekleurde jas, een omhulling van de geest en het lichaam.
Het Gotische woord 'saiwala' hangt samen met het Oudgriekse 'aiolos' dat: het 'beweegbare', 'veranderlijke', 'fonkelende' betekent. Deze betekenis hangt weer samen met het Latijnse 'aura', dat 'uitwaseming', 'uitstraling', 'glans' betekent; het woord 'aura' is als leenwoord in het Nederlands de gangbare benaming voor 'ziel' als uitstraling van de mens geworden. Dit zijn voor het geopende geestesoog duidelijk herkenbare omschrijvingen van de ziel als uitstraling van de geest.
Hiervan uitgaande betekent het woord 'ziel': een woonruimte in de vorm van een beweeglijke, gekleurde uitstraling. Een uitstraling ('aura') kan alleen uit een bron afkomstig zijn. Deze bron woont zelf in de eigen uitstraling en kan die ook in beweging brengen. De bron van die uitstraling is de geest als 'het van leven bruisende'. Met andere woorden: de geest als bron is de oorzaak van de ziel als uitstraling, de zelfgevormde 'woning' van de geest.

Lichaam
Het woord 'lichaam' hangt samen met het Oudsaksische 'likhamo', dat is samengesteld uit het woord 'lik' of 'lijk', dat 'vlees' betekent en 'hamo' dat 'omhulsel' of 'hemd' betekent. Hiervan uitgaande betekent het woord 'lichaam': 'vleeshemd' of 'stoffelijk omhulsel'. Het is duidelijk dat zowel de ziel ('woonplaats', 'uitstraling') als het lichaam ('hemd') indertijd werden gezien als omhulsels van de geest.
Deze etymologische beschrijvingen van de betekenis van 'geest', 'ziel' en 'lichaam' komen volkomen overeen met wat met het geopende geestesoog in de geestelijke wereld kan worden waargenomen. Het lichaam als de stoffelijke vorm is het voertuig, waar de geest met de ziel, de uitstraling ervan, in kan afdalen. Vanuit het belangrijkste orgaan van het lichaam, de hersenen, woonplaats van de geest, kan de geest met de ziel het lichaam doorstralen en verder ook uitstralen in een bepaalde ruimte om het lichaam heen.

2.3 De geest is de scheppend werkzame vormkracht. De geest is de kracht die werkt, arbeid verricht en in beweging brengt door middel van zijn eigen vermogens. Het is de geest die met behulp van zijn geestelijke vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de algeest.
De ziel is daarentegen de afgesloten holte, de binnenkamer, de binnenwereld, waarin de geest als middelpunt aanwezig is. De geest is de kern, de geest is het hart van de ziel.
Als de geest in zichzelf werkzaam wordt door middel van zijn vermogens, dan straalt de geest om zich heen een krachtruimte uit (Latijn 'aura': uitwaseming). De ziel is de van de geest als kracht uitstralende krachtruimte in de vorm van een ruimte die bewoonbaar en vormbaar is. In die ruimte kunnen door de geest denkbeelden worden afgedrukt en herinneringen vastgehouden en opgeroepen. Zij worden daar door de geest opgeroepen en bewerkt en verwerkt met behulp van zijn vermogens.



2.4 Sluit je je ogen, dan ben jij het, de op zichzelf onmerkbare levenskracht, die in de inwendige, duistere ruimte van je ziel kijkt met je geestesoog. Zeg je nu iets in jezelf, dan ervaar je jezelf als geest als de bron van de woorden, die je in jezelf spreekt én als de eenheid, die die woorden ook onmiddellijk zelf waarneemt met je geestesoor. Je bent je onmiddellijk bewust van de dingen, die je in jezelf verwoordt. Je ervaart jezelf daardoor als een bewuste eenheid.
Daarnaast ben je ook de oorzaak van een werking: de vorming van die woorden. Door die woordvormende werkzaamheid ervaar je jezelf als geest ook als een zichzelf verwoordende, zelfwerkzame en scheppende kracht. Je ervaart jezelf als geest daarom als een bewuste kracht, als een vormende kracht die zelfbesef heeft.

2.5 De ziel is een ijl, van jou als geest uitstralende, ruimtelijke krachtruimte die jou omhult. De ziel is aan de ene kant van binnenuit vormbaar door jou zelf als vormende kracht; maar aan de andere kant ook van buitenaf door de inwerking, door je zintuigen heen, van zintuiglijke indrukken. Jij als geest kunt in die ijle krachtruimte je denkbeelden afdrukken en herinneringen vasthouden; en door je zintuigen heen kan er van buitenaf een beeld van je omgeving in worden gevormd.
Door de zintuigen en zenuwen van je lichaam heen werkt die buitenwereld vormend in op je ziel, waardoor gegevens naar jou worden overgebracht doordat jij als geest ze vervolgens waarneemt. Omgekeerd kun jij de krachtruimte van je ziel beïnvloeden, waar doorheen je je wilsbesluiten vanuit jezelf kunt overbrengen naar de hersenen, i.h.b. de hersenschors en van daaruit naar de spieren van je lichaam. Zodoende kun je je in die buitenwereld uiten door je uitspraken en handelingen. De ziel als vormbare krachtruimte doet daarbij dienst als overdrachtsmiddel tussen het geestelijke en stoffelijke.

2.6 Een aantal onderdelen van de ziel is door de geest zover ontwikkeld, dat die de menselijke vorm hebben gekregen: de geestgedaante. In de vorm van de geestgedaante zijn de eigenschappen van de geestelijke vermogens tot uitdrukking gekomen. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor die in de stoffelijke wereld als het lichaam zichtbaar wordt. Het lichaam is de vastgeworden, verstoffelijkte vorm van de geestgedaante. Het behoort geheel bij de stoffelijke, tijdelijke wereld en is daardoor onderworpen aan de invloeden ervan.
Het lichaam is het stóffelijke omhulsel van jou als geest. Het is letterlijk je 'vlees-hemd', de betekenis van het oude woord 'lic-hamo'. Het is een omhulsel, dat je in dit stoffelijke bestaan gebruikt als een onmisbaar 'werktuig', wat de betekenis is van het woord 'orgaan'. Je kunt dat werktuig gebruiken om in dit bestaan aan de ene kant ervaringen op te doen met de stoffelijke wereld en in de omgang met je medemensen. Je kunt er aan de andere kant mee inwerken op je omgeving door je uitspraken en handelingen.
Het lichaam kan als werktuig en voertuig door de geest in beweging worden gebracht. Door middel van armen, handen en mond kun je het lichaam als werktuig gebruiken, door middel van benen en voeten als voertuig. Het woord 'hand' bijvoorbeeld heeft oorspronkelijk de betekenis van grijper en 'voet' hangt samen met vervoeren.

2.7 De ziel omvat een deel met inhouden, waarvan je je bewust bent doordat je het in je eigen binnenwereld kunt waarnemen: de bewustzijnsruimte. Dit is als het ware jouw inwendige gezichtsruimte. Het is het werkgeheugen, waarin zich die onderwerpen bevinden waarmee jij je op dat ogenblik bezighoudt. Zij omvat daarnaast een deel waarvan je je niet voortdurend bewust bent. Dat jou niet steeds bewuste deel is je geheugen.
Het geheugen is in de oorspronkelijke betekenis van het woord het 'geheel van gedachten', zoals 'gemoed' het geheel van gemoederen, gevoelens is. In dat geheugen bevindt zich een gedeelte dat ervaringen en kennis bevat die voor jouw waarneming toegankelijk zijn; en een gedeelte dat ontoegankelijk is. Dit laatste deel omvat vergeten inhouden en onaangename en daarom verdrongen inhouden: het ontoegankelijke deel van het geheugen.
Het geheugen bevat geen gevoelens, maar wel beelden van de omstandigheden waarin bepaalde gevoelens werden ervaren. Die gevoelens kunnen weer opnieuw door jou als geest worden ervaren door die beelden uit het geheugen weer 'voor de geest te halen' en ze zo waar te nemen.
In de stoffelijke vorm, die je tijdens je tijdelijke bestaan op aarde gebruikt, komen de eigenschappen van geest en ziel tot uitdrukking. Het geheugen als onderdeel van de ziel, komt in het lichaam tot uitdrukking in de hersenschors. In bepaalde gebieden daarvan is het geheugen te vinden in zijn stoffelijke vorm.

2.8 Richt je je aandacht op iets anders dan het onderwerp waar je op een gegeven ogenblik mee bezig bent, dan verdwijnt dat onderwerp in je geheugen, in je eigen uitstraling. Je blijft nu echter voorlopig weten dat het erin aanwezig moet zijn en dat je het, als je dat wilt, weer uit je geheugen tevoorschijn kunt roepen. Je kunt dat onderwerp later weer in je bewustzijnsveld brengen door er je aandacht op te vestigen en het zo met je geestkracht te belevendigen. Met andere woorden, als jij dat wilt, dan kun je je het onderwerp weer 'her-inneren', je kunt het opnieuw voor je geestesoog plaatsen en in je innerlijk opnemen door het waar te willen nemen.
Totdat je vergeet dat het in je geheugen aanwezig moet zijn. Vergeten is: je iets niet meer kunnen herinneren. Vergeten betekent niet, dat het onderwerp dan geen deel van je geheugen meer zou uitmaken! Hoewel het 'diep is weggezonken', blijf je het daarin voortdurend met je meedragen als een inhoud van je ziel, als een inhoud van jouw eigen uitstraling.


terug naar boven