inleiding geestkunde
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
 6  verklarende woordenlijst
 7  over de schrijver
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    literatuur
    contact
    gastenboek
    agenda
    colofon
    links

























De verhouding tussen geest, ziel en lichaam

2.1 Rond de betekenis van de woorden 'geest' en 'ziel' bestaat veel begripsverwarring, o.a. veroorzaakt doordat tijdens het vierde Concilie van Konstantinopel in 870 werd bepaald dat de mens een 'rationele en intellectuele ziel' heeft (Canon 11). Tijdens de zelfbezinningsoefening zijn geest en ziel als twee afzonderlijke eenheden te ervaren, waarvan het wezenlijke overeenkomt met de oorspronkelijke betekenis van beide woorden. Het lijkt daarom nuttig daar weer naar terug te keren en daar verder van uit te gaan.

2.2 Het woord 'geest' hangt onder andere samen met het oude woord 'geisa': koken, bruisen; met 'geiser': een regelmatig uit zichzelf werkzame springbron en met 'gutsen': krachtig uitstromen. Verder hangt het samen met 'gist', waarvan de betekenis is: het van leven bruisende. Daarnaast betekent 'gist' ook: het wezenlijke. Het woord geest houdt bovendien verband met het oude woord 'usgeisnan', met de betekenis van: datgene, wat in vervoering kan raken en uit kan treden ('uitgeesten').
Dat betekent dat het begrip 'geest' wordt uitgebeeld door de uit zichzelf werkzame bron van bruisend, levend water, die in beweging kan komen en kan rusten. Hiervan uitgaande ben je als geest het wezenlijke, de levende, werkzame eenheid; je bent de uit zichzelf bewegende kracht: de levenskracht.
Het woord 'ziel' betekent oorspronkelijk: inwendige ruimte, afgesloten holte, nauw aansluitend jasje. Het hangt samen met het oude woord 'salida': woonplaats, onderkomen, zaal. Het houdt ook verband met 'saiwala', een oud woord dat binnenzee of meer betekent, wat een afgesloten hoeveelheid stilstaand water is; de ziel heeft ook dat aanzicht. Ziel hangt verder samen met het oude woord 'aiolos', met de betekenis van: het beweegbare, het veranderlijke.
Dit betekent dat het begrip 'ziel' wordt uitgebeeld door het stilstaande water, dat door iets anders wordt bewoond en door iets anders kan worden bewogen, namelijk door de geest, die er ook de bron van is.

2.3 De geest is de scheppend werkzame vormkracht. De geest is de kracht die werkt, arbeid verricht en in beweging brengt door middel van zijn eigen vermogens. Het is de geest die met behulp van zijn geestelijke vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de algeest.
De ziel is daarentegen de afgesloten holte, de binnenkamer, de binnenwereld, waarin de geest als middelpunt aanwezig is. De geest is de kern, de geest is het hart van de ziel.
Als de geest in zichzelf werkzaam wordt door middel van zijn vermogens, dan straalt de geest om zich heen een krachtruimte uit (Latijn 'aura': uitwaseming). De ziel is de van de geest als kracht uitstralende krachtruimte in de vorm van een ruimte die bewoonbaar en vormbaar is. In die ruimte kunnen door de geest denkbeelden worden afgedrukt en herinneringen vastgehouden en opgeroepen. Zij worden daar door de geest opgeroepen en bewerkt en verwerkt met behulp van zijn vermogens.

2.4 Sluit je je ogen, dan ben jij het, de op zichzelf onmerkbare levenskracht, die in de inwendige, duistere ruimte van je ziel kijkt met je geestesoog. Zeg je nu iets in jezelf, dan ervaar je jezelf als geest als de bron van de woorden, die je in jezelf spreekt én als de eenheid, die die woorden ook onmiddellijk zelf waarneemt met je geestesoor. Je bent je onmiddellijk bewust van de dingen, die je in jezelf verwoordt. Je ervaart jezelf daardoor als een bewuste eenheid.
Daarnaast ben je ook de oorzaak van een werking: de vorming van die woorden. Door die woordvormende werkzaamheid ervaar je jezelf als geest ook als een zichzelf verwoordende, zelfwerkzame en scheppende kracht. Je ervaart jezelf als geest daarom als een bewuste kracht, als een vormende kracht die zelfbesef heeft.

2.5 De ziel is een ijl, van jou als geest uitstralende, ruimtelijke krachtruimte die jou omhult. De ziel is aan de ene kant van binnenuit vormbaar door jou zelf als vormende kracht; maar aan de andere kant ook van buitenaf door de inwerking, door je zintuigen heen, van zintuiglijke indrukken. Jij als geest kunt in die ijle krachtruimte je denkbeelden afdrukken en herinneringen vasthouden; en door je zintuigen heen kan er van buitenaf een beeld van je omgeving in worden gevormd.
Door de zintuigen en zenuwen van je lichaam heen werkt die buitenwereld vormend in op je ziel, waardoor gegevens naar jou worden overgebracht doordat jij als geest ze vervolgens waarneemt. Omgekeerd kun jij de krachtruimte van je ziel beïnvloeden, waar doorheen je je wilsbesluiten vanuit jezelf kunt overbrengen naar de hersenen, i.h.b. de hersenschors en van daaruit naar de spieren van je lichaam. Zodoende kun je je in die buitenwereld uiten door je uitspraken en handelingen. De ziel als vormbare krachtruimte doet daarbij dienst als overdrachtsmiddel tussen het geestelijke en stoffelijke.

2.6 Een aantal onderdelen van de ziel is door de geest zover ontwikkeld, dat die de menselijke vorm hebben gekregen: de geestgedaante. In de vorm van de geestgedaante zijn de eigenschappen van de geestelijke vermogens tot uitdrukking gekomen. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor die in de stoffelijke wereld als het lichaam zichtbaar wordt. Het lichaam is de vastgeworden, verstoffelijkte vorm van de geestgedaante. Het behoort geheel bij de stoffelijke, tijdelijke wereld en is daardoor onderworpen aan de invloeden ervan.
Het lichaam is het stóffelijke omhulsel van jou als geest. Het is letterlijk je 'vlees-hemd', de betekenis van het oude woord 'lic-hamo'. Het is een omhulsel, dat je in dit stoffelijke bestaan gebruikt als een onmisbaar 'werktuig', wat de betekenis is van het woord 'orgaan'. Je kunt dat werktuig gebruiken om in dit bestaan aan de ene kant ervaringen op te doen met de stoffelijke wereld en in de omgang met je medemensen. Je kunt er aan de andere kant mee inwerken op je omgeving door je uitspraken en handelingen.
Het lichaam kan als werktuig en voertuig door de geest in beweging worden gebracht. Door middel van armen, handen en mond kun je het lichaam als werktuig gebruiken, door middel van benen en voeten als voertuig. Het woord 'hand' bijvoorbeeld heeft oorspronkelijk de betekenis van grijper en 'voet' hangt samen met vervoeren.

2.7 De ziel omvat een deel met inhouden, waarvan je je bewust bent doordat je het in je eigen binnenwereld kunt waarnemen: de bewustzijnsruimte. Dit is als het ware jouw inwendige gezichtsruimte. Het is het werkgeheugen, waarin zich die onderwerpen bevinden waarmee jij je op dat ogenblik bezighoudt. Zij omvat daarnaast een deel waarvan je je niet voortdurend bewust bent. Dat jou niet steeds bewuste deel is je geheugen.
Het geheugen is in de oorspronkelijke betekenis van het woord het 'geheel van gedachten', zoals 'gemoed' het geheel van gemoederen, gevoelens is. In dat geheugen bevindt zich een gedeelte dat ervaringen en kennis bevat die voor jouw waarneming toegankelijk zijn; en een gedeelte dat ontoegankelijk is. Dit laatste deel omvat vergeten inhouden en onaangename en daarom verdrongen inhouden: het ontoegankelijke deel van het geheugen.
Het geheugen bevat geen gevoelens, maar wel beelden van de omstandigheden waarin bepaalde gevoelens werden ervaren. Die gevoelens kunnen weer opnieuw door jou als geest worden ervaren door die beelden uit het geheugen weer 'voor de geest te halen' en ze zo waar te nemen.
In de stoffelijke vorm, die je tijdens je tijdelijke bestaan op aarde gebruikt, komen de eigenschappen van geest en ziel tot uitdrukking. Het geheugen als onderdeel van de ziel, komt in het lichaam tot uitdrukking in de hersenschors. In bepaalde gebieden daarvan is het geheugen te vinden in zijn stoffelijke vorm.

2.8 Richt je je aandacht op iets anders dan het onderwerp waar je op een gegeven ogenblik mee bezig bent, dan verdwijnt dat onderwerp in je geheugen, in je eigen uitstraling. Je blijft nu echter voorlopig weten dat het erin aanwezig moet zijn en dat je het, als je dat wilt, weer uit je geheugen tevoorschijn kunt roepen. Je kunt dat onderwerp later weer in je bewustzijnsveld brengen door er je aandacht op te vestigen en het zo met je geestkracht te belevendigen. Met andere woorden, als jij dat wilt, dan kun je je het onderwerp weer 'her-inneren', je kunt het opnieuw voor je geestesoog plaatsen en in je innerlijk opnemen door het waar te willen nemen.
Totdat je vergeet dat het in je geheugen aanwezig moet zijn. Vergeten is: je iets niet meer kunnen herinneren. Vergeten betekent niet, dat het onderwerp dan geen deel van je geheugen meer zou uitmaken! Hoewel het 'diep is weggezonken', blijf je het daarin voortdurend met je meedragen als een inhoud van je ziel, als een inhoud van jouw eigen uitstraling.



Terug naar boven