|
Deel 2 De verhouding
tussen geest, ziel en lichaam
2.1 Rond de betekenis van de woorden 'geest' en 'ziel' bestaat veel begripsverwarring,
o.a. veroorzaakt doordat tijdens het vierde Concilie van Konstantinopel in 870 werd bepaald dat de mens een 'rationele en intellectuele ziel' heeft (Canon 11). Tijdens de zelfbezinningsoefening
zijn geest en ziel als twee afzonderlijke eenheden te ervaren, waarvan
het wezenlijke overeenkomt met de oorspronkelijke betekenis van beide
woorden. Het lijkt daarom nuttig daar weer naar terug te keren en daar
verder van uit te gaan.
2.2 Het woord 'geest' hangt onder andere samen met het oude woord 'geisa':
koken, bruisen, met 'geiser': een regelmatig uit zichzelf werkzame springbron
en met 'gutsen': krachtig uitstromen. Verder hangt het samen met 'gist',
waarvan de betekenis is: het van leven bruisende. Daarnaast betekent 'gist'
ook: het wezenlijke. Het woord geest houdt bovendien verband met het oude
woord 'usgeisnan', met de betekenis van: datgene, wat in vervoering kan
raken en uit kan treden ('uitgeesten').
Dat betekent dat het begrip 'geest' wordt uitgebeeld door de uit zichzelf
werkzame bron van bruisend, levend water, die in beweging kan komen en
kan rusten. Hiervan uitgaande ben je als geest het wezenlijke,
de levende, werkzame eenheid; je bent de uit zichzelf bewegende
kracht: de levenskracht.
Het woord 'ziel' betekent oorspronkelijk: inwendige ruimte, afgesloten
holte, nauw aansluitend jasje. Het hangt samen met het oude woord 'salida':
woonplaats, onderkomen, zaal. Het houdt ook verband met 'saiwala', een
oud woord dat binnenzee of meer betekent, wat een afgesloten hoeveelheid
stilstaand water is. Ziel hangt verder samen met het oude woord 'aiolos',
met de betekenis van: het beweegbare, het veranderlijke.
Dit betekent dat het begrip 'ziel' wordt uitgebeeld door het stilstaande
water, dat door iets anders wordt bewoond en door iets anders kan worden
bewogen, namelijk door de geest, die er ook de bron van is.
2.3 De geest is de scheppend werkzame vormkracht. De geest is de
kracht die werkt, arbeid verricht en in beweging brengt door middel van
zijn eigen vermogens. Het is de geest die met behulp van zijn geestelijke
vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de
algeest.
De ziel is daarentegen de afgesloten holte, de binnenkamer, de binnenwereld,
waarin de geest als middelpunt aanwezig is. De geest is de kern, de geest
is het hart van de ziel.
Als de geest in zichzelf werkzaam wordt door middel van zijn vermogens,
dan straalt de geest om zich heen een krachtveld uit (Latijn 'aura'
= uitwaseming). De ziel is het van de geest als kracht uitstralende krachtveld
in de vorm van een 'ruimte', die bewoonbaar en vormbaar is. In
die ruimte kunnen door de geest denkbeelden worden afgedrukt en herinneringen
vastgehouden en opgeroepen. Zij worden daar door de geest opgeroepen en
bewerkt en verwerkt met behulp van zijn vermogens.
2.4 Sluit je je ogen, dan ben jij het, de op zichzelf onmerkbare levenskracht,
die in de inwendige, duistere ruimte van je ziel kijkt met je geestesoog.
Zeg je nu iets in jezelf, dan ervaar je jezelf als geest als de bron van
de woorden, die je in jezelf spreekt èn als de eenheid, die die woorden
ook onmiddellijk zelf waarneemt met je geestesoor. Je bent je onmiddellijk
bewust van de dingen, die je in jezelf verwoordt. Je ervaart jezelf daardoor
als een bewuste eenheid.
Daarnaast ben je ook de oorzaak van een werking: de vorming van die woorden.
Door die woordvormende werkzaamheid ervaar je jezelf als geest ook als
een zichzelf verwoordende, zelfwerkzame en scheppende kracht.
Je ervaart jezelf als geest daarom als een bewuste kracht, als
een vormende kracht die zelfbesef heeft.
2.5 De ziel is een ijl, van jou als geest uitstralend, ruimtelijk krachtveld
dat jou omhult. De ziel is aan de ene kant van binnenuit vormbaar door
jou zelf als vormende kracht; maar aan de andere kant ook van buitenaf
door de inwerking, door je zintuigen heen, van zintuiglijke indrukken.
Jij als geest kunt in dat ijle krachtveld je denkbeelden afdrukken en
herinneringen vasthouden; en door je zintuigen heen kan er van buitenaf
een beeld van je omgeving in worden gevormd.
Door de zintuigen en zenuwen van je lichaam heen werkt die buitenwereld
vormend in op je ziel, waardoor gegevens naar jou worden overgebracht
doordat jij als geest ze vervolgens waarneemt. Omgekeerd kun jij het krachtveld
van je ziel beïnvloeden, waardoor je je wilsbesluiten vanuit jezelf kunt
overbrengen naar de hersenen, i.h.b. de hersenschors en van daaruit naar
de spieren van je lichaam. Zodoende kun je je in die buitenwereld uiten
door je uitspraken en handelingen. De ziel als vormbaar krachtveld doet
daarbij dienst als overdrachtsmiddel tussen het geestelijke en
stoffelijke.
2.6 Een onderdeel van de ziel is door de geest zover ontwikkeld, dat het
de menselijke vorm heeft gekregen: de geestgedaante. In de vorm van de
geestgedaante zijn de eigenschappen van de geestelijke vermogens tot uitdrukking
gekomen. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor het in de stoffelijke
wereld als het lichaam zichtbaar wordt. Het lichaam is de vastgeworden,
verstoffelijkte vorm van de geestgedaante. Het behoort geheel bij de stoffelijke,
tijdelijke wereld en is daardoor onderworpen aan de invloeden ervan.
Het lichaam is het stòffelijke omhulsel van jou als geest. Het is letterlijk
je 'vlees-hemd', de betekenis van het oude woord 'lic-hamo'. Het is een
omhulsel, dat je in dit stoffelijke bestaan gebruikt als een onmisbaar
'werktuig', wat de betekenis is van het woord 'orgaan'. Je kunt dat werktuig
gebruiken om in dit bestaan aan de ene kant ervaringen op te doen met
de stoffelijke wereld en in de omgang met je medemensen. Je kunt er aan
de andere kant mee inwerken op je omgeving door je uitspraken en handelingen.
Het lichaam kan als werktuig en voertuig door de geest in beweging worden
gebracht. Door middel van armen, handen en mond kun je het lichaam als
werktuig gebruiken, door middel van benen en voeten als voertuig. Het
woord 'hand' bijvoorbeeld heeft oorspronkelijk de betekenis van grijper
en 'voet' hangt samen met vervoeren.
2.7 De ziel omvat een deel met inhouden, waarvan je je bewust bent doordat
je het in je eigen binnenwereld kunt waarnemen: het bewustzijnsveld.
Dit is als het ware jouw inwendige gezichtsveld. Het is het werkgeheugen,
waarin zich die onderwerpen bevinden waarmee jij je op dat ogenblik bezighoudt.
Zij omvat daarnaast een deel waarvan je je niet voortdurend bewust bent.
Dat jou niet steeds bewuste deel is je geheugen.
Het geheugen is in de oorspronkelijke betekenis van het woord het 'geheel
van gedachten', zoals 'gemoed' het geheel van gemoederen, gevoelens is.
In dat geheugen bevindt zich een gedeelte dat ervaringen en kennis bevat
die voor jouw waarneming toegankelijk zijn; en een gedeelte dat
ontoegankelijk is. Dit laatste deel omvat vergeten inhouden en
onaangename en daarom verdrongen inhouden: het verdrongen deel van het
geheugen.
Het geheugen bevat geen gevoelens, maar wel beelden van de omstandigheden
waarin bepaalde gevoelens werden ervaren. Die gevoelens kunnen weer opnieuw
door jou als geest worden ervaren door die beelden uit het geheugen weer
'voor de geest te halen' en ze zo waar te nemen.
In de stoffelijke vorm, die je tijdens je tijdelijke bestaan op aarde
gebruikt, komen de eigenschappen van geest en ziel tot uitdrukking. Het
geheugen als onderdeel van de ziel, komt in het lichaam tot uitdrukking
in de hersenschors. In bepaalde gebieden daarvan is het geheugen te vinden
in zijn stoffelijke vorm.
2.8 Richt je je aandacht op iets anders dan het onderwerp waar je op een
gegeven ogenblik mee bezig bent, dan verdwijnt dat onderwerp in je geheugen,
in je eigen uitstraling. Je blijft nu echter voorlopig weten dat het erin
aanwezig moet zijn en dat je het, als je dat wilt, weer uit je geheugen
tevoorschijn kunt roepen. Je kunt dat onderwerp later weer in je bewustzijnsveld
brengen door er je aandacht op te vestigen en het zo met je geestkracht
te belevendigen. Met andere woorden, als jij dat wilt, dan kun je je het
onderwerp weer 'her-inneren', je kunt het opnieuw voor je geestesoog plaatsen
en in je innerlijk opnemen door het waar te willen nemen.
Totdat je vergeet dat het in je geheugen aanwezig moet zijn. Vergeten
is: je iets niet meer kunnen herinneren. Vergeten betekent niet, dat het
onderwerp dan geen deel van je geheugen meer zou uitmaken! Hoewel het
'diep is weggezonken', blijf je het daarin voortdurend met je meedragen
als een inhoud van je ziel, als een inhoud van jouw eigen uitstraling.
Terug naar boven
|
|