|
Deel 3 De geestelijke
aanvangstoestand
3.1 De geestelijke ontwikkeling naar zelfverwerkelijking en hereniging
begint vanuit een tegenovergestelde toestand, wat de aanvangstoestand
is, de jeugdtoestand. Dit is een toestand van onbewuste vereenzelviging
met dit stoffelijke, tijdelijke bestaan.
Er is in dit stoffelijke bestaan namelijk niets, wat jou je bewust laat
worden van jezelf als geest. Door die onbewustheid van jezelf worden je
aandacht en toewijding naar buiten getrokken door de overweldigende zintuiglijke
indrukken, die jou vanuit de buitenwereld bereiken. Daardoor gaan jouw
aandacht en toewijding helemaal in de buitenwereld op. Je draagt jezelf
als het ware op de buitenwereld over, zonder dat te beseffen.
Onbewust vereenzelvig je je daardoor met je omgeving. Daardoor voel je,
terwijl je de géést bent, je toch één met dit stòffelijke bestaan en daardoor
denk je, dat het stoffelijke het enige is, wat er is.
3.2 Door deze onbewuste vereenzelviging met wat je zelf, als geest, níet
bent, worden waarden omgekeerd. Daardoor wordt de waarde van het stoffelijke
boven het geestelijke verheven. Daardoor heb je voor het stoffelijke en
tijdelijke dan de meeste belangstelling, terwijl je aan jezelf als geest,
het wézenlijke en eeuwige, onbewust voorbijgaat!
Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, zíe je ook alleen
dit bestaan en blijft de geestelijke werkelijkheid voor je verborgen;
maar daardoor zie je in feite slechts de hèlft van de werkelijkheid -
met alle gevolgen van dien voor je beoordeling van de zin en de waarde
van dit stoffelijke bestaan.
Deze onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke, met wat je zelf, als
geest, niet bent, is daardoor het kernvraagstuk van jezelf als menselijke
geest. Het is ook alleen daardoor dat je je op een gegeven ogenblik de
vraag kunt gaan stellen: "Wie ben ik eigenlijk?"
3.3 Hoe zien nu in deze toestand van onbewuste vereenzelviging de vermogens
en daarmee de persoonlijkheid eruit? In deze toestand ben je je nog niet
helemaal bewust van al je vermogens en daardoor beheers je ze ook nog
niet volledig.
Door de onbeheerstheid van je waarnemingsvermogen kan je aandacht worden
geboeid door de zintuiglijke gewaarwordingen, die door je zintuigen
bij je binnenkomen, waardoor je je aan hen overgeeft en door hen laat
leiden.
Door de onbeheerstheid van het denken kan je aandacht worden geboeid door
de voorstellingen, die door die zintuiglijke gewaarwordingen worden
opgeroepen, waardoor de onbeheerste gedachtenstromen, de eindeloze hersenspinsels
ontstaan.
Door de onbeheerstheid van het voelen kan ook je gemoedsgesteldheid door
die gewaarwordingen en voorstellingen worden bepaald en als aandoening,
als onbeheerste gemoedsgesteldheid, tot uiting komen.
Door de onbeheerstheid van het willen kan de wilskracht door gewaarwordingen,
voorstellingen en aandoeningen worden bepaald en als aandrift,
als onbeheerst gedrag, tot uiting komen.
3.4 Zie je bijvoorbeeld iets, waar je aangename ervaringen mee hebt en
wat met een bepaalde gewoonte van behoeftebevrediging heeft te maken -
je ziet bijvoorbeeld de koekjestrommel op tafel staan om maar eens iets
onschuldigs te noemen - dan komt, na de gewaarwording daarvan, meteen
de voorstelling van die behoeftebevrediging bij je op.
Tegelijkertijd ontstaat ook een aandoening in de vorm van het verlángen
om die behoefte te gaan bevredigen, waarop de aandrift volgt om dat ook
meteen te gaan dóen; en voor je het weet heb je een greep in de trommel
gedaan.
De vermogens kunnen zich in deze aanvangstoestand in een toestand van
min of meer ònbeheerste werkzaamheid bevinden, waarbij je wordt geboeid
door gewaarwordingen en voorstellingen, en wordt gedreven door aandoeningen
en aandriften. Dit in tegenstelling tot de toestand van beheerste werkzaamheid,
waarbij je bewust en beheerst de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt
en dan besluit er iets mee te willen doen.
Het gaat dus steeds om de vier vermogens, alleen de wijze waarop ze in
je gedrag - en daarmee in je persoonlijkheid - tot uiting komen, is anders,
namelijk: beheerst of onbeheerst.
3.5 De toestand van onbewuste vereenzelviging die nu is besproken, is
meer een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande
geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit
bestaan begint.
Op sommige gebieden van je bestaan kan zij uitgroeien tot een toestand
van bewùste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen
of met de werking van bepaalde stoffen. Deze bewuste vereenzelviging is
de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin je zodanig in sommige
zaken bent opgegaan, dat zíj a.h.w. de baas over jou zijn geworden. Of
je het nu wilt of niet, je móet dan bewust naar de bevrediging van bepaalde
verlangens streven. Je weet het wel, maar beheerst het niet.
3.6 Hoe zien de geestelijke vermogens in deze toestand er uit?
Door gehèchtheid aan bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen wordt je waarnemingsvermogen
verbonden aan een vaak dwangmatig verlangen daarnaar. Dat verlangen gaat
gepaard met de dwingende noodzaak om die zaken, stoffen of omstandigheden,
die dat verlangen kunnen bevredigen, ook te bezitten, te hebben. M.a.w.
door gehechtheid aan het zintuiglijke kan het waarnemingsvermogen worden
gekenmerkt door zintuiglijkheid, verslaving en hebzucht.
Door gehechtheid aan de kennis in je geheugen en aan de voorstellingen
in je eigen denkwereld, kan het denken worden gekenmerkt door eigendunk,
door eigenwijsheid en regelzucht.
Door gehechtheid aan het zelfgevoel kan het voelen tot uiting komen als
eigenliefde, als hoogmoed en eerzucht.
Door gehechtheid aan je wilsbesluiten wordt je gedrag gekenmerkt door
handelend op willen treden. Maar door de vereenzelviging met anderen ook
door: ànderen willen laten handelen naar jóuw besluiten. M.a.w. door gehechtheid
aan je wilsbesluiten kan wilskracht worden gekenmerkt door dadendrang
en heerszucht.
In de gehechte geestesgesteldheid is de werkzaamheid van je vermogens
voornamelijk op jezèlf gericht. Deze zelfgerichtheid, dit streven zichzèlf
in het middelpunt te willen plaatsen, is de zelfzucht. De zelfzucht
heeft tot gevolg dat je je niet alleen afsluit voor je medemensen, maar
in dezelfde mate ook voor je geestelijke oorsprong.
3.7 De onbewuste vereenzelviging en de gehechtheid zijn meer naar buiten
gericht. Maar in jezelf kan er zich vanuit je persoonlijkheidsaanleg een
eenzijdige ontwikkeling van één van je vermogens voordoen, waarmee je
je ook kunt vereenzelvigen. Daardoor ontstaat de eenzijdige vereenzelviging.
Doordat het tegenovergestelde vermogen dan min of meer ònontwikkeld blijft
(het denken is het tegendeel van voelen, het willen van waarnemen), ontstaat
er een eenzijdigheid in je persoonlijkheid. Deze eenzijdigheden zijn de
oorzaak van onevenwichtigheden in je persoonlijkheid en van gebrekkige
aanpassing op die gebieden van het bestaan, die met het onontwikkelde
vermogen hebben te maken.
Door eenzijdigheid van je waarnemingsvermogen ben je gericht op het opdoen
van aangename ervaringen; maar daardoor kan je wilskracht onontwikkeld
blijven, waardoor je gemakzuchtig wordt;
door eenzijdigheid van het denken word je gekenmerkt door zakelijkheid
en verstandelijkheid; maar doordat het gevoel onontwikkeld is gebleven
kun je je, in de omgang met je medemensen, ongevoelig gedragen;
door eenzijdigheid van het voelen ben je juist ingesteld op een persoonlijke
gevoelsband met je medemensen; maar doordat je de zekerheid van het denken
mist, kun je wel van hen afhankelijk worden;
en door eenzijdigheid van de wilskracht ben je gericht op handelend op
willen treden en ondernemen; maar daardoor kun je gebrek hebben aan de
zin voor de werkelijkheid van het waarnemingsvermogen, waardoor je kortzichtig
wordt.
3.8 Door deze aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met wat je
zelf níet bent en door de daarmee samenhangende gehechtheden en eenzijdigheden,
is de mens niet zichzelf naar zijn oorspronkelijke, geestelijke geaardheid.
In deze aanvangstoestand kan er op een onbeheerste, zelfzuchtige en eenzijdige
wijze gebruik worden gemaakt van de geestelijke vermogens, wat in je gedrag
tot uiting komt. Dat is de oorzaak van de verstoring van de omgang met
onze medemensen en van al het zinloze leed, dat wij elkaar en ons zelf
aandoen.
Het is ook door deze aanvangstoestand, dat je streven naar geestelijke
ontwikkeling kan worden geremd en de afgescheidenheid van je geestelijke
oorsprong blijft bestaan.
Terug naar boven
|
|