Freud en Jung


De mens kan er op een gegeven ogenblik toe komen zichzelf de meest wezenlijke vraag te stellen: "Wie ben ik?" Aangezien op dat ogenblik wordt aangevoeld dat dat woordje 'ik' hierbij in het middelpunt staat, maar de bron van dat woordje - de menselijke geest - nog niet in zicht is, kan het licht gebeuren dat dan aan dat woordje 'ik' de waarde wordt toegekend, die eigenlijk aan de geest toekomt... de geest als de uit zichzelf werkzame levenskracht, de bron waaruit dat woordje 'ik' voortkomt en waarmee de geest alleen maar naar zichzelf terug kan verwijzen.
Vóórdat de mens zich bewust is geworden van zichzelf als de éne, enkelvoudige geest, kan het licht gebeuren dat dan datgene, waarvan men een vermoeden heeft gekregen dat dat het wezenlijke van de mens is, met de kunstmatige vorm 'het ik' of 'het zelf' wordt aangeduid.
Dat is wat er heeft plaatsgevonden.

Gesteund door het werk van Freud, Jung en Assagioli is er daardoor een bepaalde spreekwijze in zwang gekomen met uitdrukkingen als 'het ik', 'het ego', het 'lagere ego', het 'hogere zelf', de 'lagere ego delen' en 'lagen' in de ziel, zoals het 'onbewuste' en het 'onderbewuste' waaruit 'inhouden oprijzen' (Freud had bijna ook nog een 'voorbewuste' ingevoerd, maar heeft daar later toch van afgezien).
Daarnaast is er blijkbaar ook nog een zelfstandige eenheid in het spel die met 'jij' of 'wij', of in het algemeen met 'de mens' wordt aangeduid en die meestal 'iets moet' met dat 'lagere ego' en dat 'hogere zelf'. Deze zelfstandige persoon (in geestkunde de menselijke geest) speelt daardoor een belangrijke rol, maar door welke eigenschappen díe wordt gekenmerkt, wordt nergens vermeld.
Freud en Jung waren echter wetenschappers die zichzelf moesten bewijzen in een wetenschappelijke wereld, waar het materialisme steeds meer invloed kreeg en waar Freud en zeker Jung op latere leeftijd, toen hij zich met alchemie bezighield, met argwaan werden bekeken. Zij zijn nu beiden uit de academische wereld verdwenen. Vandaar dat zij zich toentertijd in een wetenschappelijk aandoende taal moesten uitdrukken om zich te kunnen handhaven. Maar zo'n wetenschappelijk taalgebruik is verstandelijk en daardoor afstandelijk; het is zakelijk en onpersoonlijk.

De spreekwijze 'het ik' is een (schijnwetenschappelijke) objectivering van zichzelf. Dit taalgebruik leidt tot gespletenheid. De mens maakt zo van zichzelf een object en dat leidt noodzakelijk tot een vervreemding van zichzelf als het levende wezen.

In dit taalgebruik wordt niet de mens op persoonlijke wijze aangesproken, zoals bijvoorbeeld tijdens een therapeutisch gesprek van mens tot mens, maar er wordt op een afstandelijke wijze over de persoon gesproken doordat woorden als 'het ego' en 'het zelf' worden gebruikt, wat immers zelfstandige naamwoorden zijn; daardoor lijkt het alsof deze zaken los staan van de persoon zelf.
Door deze gespleten spreekwijze te gebruiken, krijgt de mens ook een gespleten beeld van zichzelf.

Freud bekeek als arts zijn patiënt inderdaad als een 'geval' en zijn taalgebruik was daar dan ook naar. Hij onderscheidde een 'das Ich', een 'Ueber Ich' en een 'das Es': het onbewuste en onbeheerste deel van de mens. (Als er een 'Ueber Ich' mogelijk zou zijn, dan toch ook een 'Unter Ich'.)
In het Nederlands is 'das Es' echter 'het Het'(?!)... en toch heeft men in academische kringen jarenlang op 'wetenschappelijke' wijze over dit raadsel 'het Het' gesproken. Jung behield alleen 'het ik' maar voegde aan zijn woordenlijst een 'het zelf' toe en bovendien een 'het Zelf' dat moest worden verwerkelijkt om de mens (dat is overigens terecht) een na te streven doel in de toekomst te geven.

Alleen afgaande op hun studie en op gesprekken met hun patiënten, zaten Freud en Jung in hun eentje achter hun schrijftafel allerlei theorieën te bedenken, zonder die door wetenschappelijk onderzoek op hun waarde te laten beoordelen. Niemand heeft ooit in zijn of haar eigen binnenwereld iets of wat aantroffen waartegen je zou kunnen zeggen: "Zo, ben jij nou 'mijn ego', leuk je eens te ontmoeten!" of "Ach, daar heb je 'mijn Zelf', aangenaam kennis te maken!"

Zoals een arts (zoals Freud en Jung) over de ziekte van een patiënt spreekt alsof het een daarvan losstaand 'geval' is, zo spreken 'het-ik'-sprekers over 'het ego' alsof ook dat een op zichzelf staand 'geval' is.
Het woord 'ego' wordt in bepaalde levensbeschouwingen zoals 'New Age'-kringen, gebruikt voor de toestand, dat een persoon zich met een onjuist denkbeeld van zichzelf vereenzelvigt. Zo iemand heeft een zelfbeeld dat niet met de door anderen ervaarbare werkelijkheid van die persoon overeenkomt, maar dat door zelfoverschatting en eigendunk wordt gekenmerkt. Daarnaast wordt onder 'ego' een houding van zelfgerichtheid verstaan, de toestand dat een persoon zich van anderen onderscheidt en zich eigengereid en zelfzuchtig gedraagt.
Maar door al deze eigenschappen op één hoop te gooien en in plaats daarvan alleen het woord 'ego' te gebruiken, worden deze onaangename karaktereigenschappen nooit meer genoemd en dreigen ze uit de spreektaal te verdwijnen!


Jungs opvatting over het wezen
en de structuur van de psyche
In deze gespleten spreekwijze of beeldspraak is 'de mens' een verschijnsel dat uit losse, zelfstandige, niet echt met elkaar samenhangende delen bestaat (want je kunt bijvoorbeeld 'je ego even opzijzetten' of 'je ego op de gang achterlaten'), maar het is daardoor wel de kunst om mens en zelf met elkaar te verbinden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de opmerking 'dat de mens zich moet vrijmaken van het ego om daarna in contact te kunnen treden met het ware Zelf'. Blijkbaar staan die drie los van elkaar.
Deze splijtende beeldspraak en de daarmee samenhangende afstandelijke denkwijze houdt de mens echter juist af van zichzelf. De betreffende persoon gaat namelijk over eigenschappen van zichzelf spreken alsof het om een andere persoon gaat, alsof het iets is wat je bezit en wat zich érgens bevindt, bijvoorbeeld een 'het ik', dat 'ergens' in de mens in een bepaalde 'laag' zit. Meestal bevinden 'lagere ego-delen' zich dan ergens beneden in een verondersteld 'onderbewustzijn', het 'zelf' ergens in het midden in het 'bewustzijn' en het 'hogere zelf' zou te vinden zijn in een geheimzinnig - welhaast onbereikbaar - verondersteld 'bovenbewustzijn'.
Jung maakte er ook werkelijk zo'n soort afbeelding van.
De term 'onderbewuste' is bedacht om de werkelijkheid van de geestelijke wereld en van onze geestelijke begeleiders, onze vrienden en vriendinnen die ons van daaruit begeleiden op ons pad door dit tijdelijke bestaan, niet te hoeven benoemen. Dat klinkt immers niet wetenschappelijk genoeg.
Dat heeft tot gevolg dat onze begeléiders worden benoemd met de uitdrukking: 'het onderbewuste'(!) Terwijl zij in werkelijkheid heel wat bewuster zijn dan wij hier in dit ondermaanse.

Met deze afstandelijke, gespleten spreekwijze hangt als voorbeeld het volgende voorval samen.
Stel twee personen ontmoeten elkaar en tijdens het gesprek doet de een zijn beklag over de last die hij heeft van 'mijn ego' (dat is: 'mijn ik': dus een persoon). Over dat 'ego' wordt gesproken alsof het een zelfstandige persoon is; daardoor doet de toestand zich voor dat er drie personen zijn, waarbij de eerste twee op afstandelijke wijze over de derde persoon aan het praten zijn... alsof die er niet bij is.
Hoe moet die persoon die 'mijn ego' wordt genoemd zich dan wel voelen?! Het zou toch op z'n minst onwellevend zijn om in gezelschap hoorbaar en op afkeurende wijze over een andere persoon - die 'mijn ego' wordt genoemd - te spreken door allerlei onaardigheden op te sommen en dan toch net te doen alsof die persoon er niet bij staat.
Toch is dat de gespleten toestand waarin twee mensen verkeren die met elkaar 'mijn ego' (als 'ik' een zelfstandige persoon) als gespreksonderwerp hebben.

Op dezelfde wijze wordt er ook gesproken over het bestaan van 'het innerlijke kind', een denkbeeld dat ook afkomstig is uit het rijk der verbeelding. Wat met deze beeldspraak wordt bedoeld is een onverwerkte, kwetsende jeugdervaring. Vanuit het toegankelijke of ontoegankelijke geheugen kan die ervaring, doordat die nog onverwerkt is, nog steeds invloed uitoefenen op de menselijke geest in het huidige bestaan. Daardoor kan díe af en toe zelf in een geestestoestand komen te verkeren- en gedraagt zich er vervolgens ook naar - die doet denken aan die van het vroegere kind. Maar van het bestaan van 'een innerlijk kind' als zelfstandigheid, is geen sprake.
Deze spreekwijze is de verpersoonlijking van een geheugeninhoud, die een onjuist beeld geeft van de werkelijke verhouding tussen de geheugeninhouden in de ziel en de menselijke geest als de enige, zelfstandige persoon die in het midden van de binnenwereld, de ziel, van de mens aanwezig is. Om zich heen bevinden zich bepaalde geheugeninhouden, die de geest bij tijden ongunstig kunnen beïnvloeden en dan terug laten vallen in kinderlijk gedrag.


terug naar het overzicht






^