De menselijke geest als eenheid


De menselijke geest is in wezen een éénheid. In de geestelijke wereld doet de geest in de ongevormde toestand zich voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen: het waarnemen, denken, voelen en willen (zie het boek Geestkunde, Hoofdstuk 2). Binnen zichzelf is de geest met die vermogens werkzaam en in ontwikkelde toestand is de geest een eenheid van evenwichtig met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende vermogens.
Door de werkzaamheid van de vermogens straalt de geest een lichtruimte om zich heen uit, de aura of ziel, waarin de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten en wilsbesluiten, worden bewaard in het geheugen. Maar doordat je je door de onbewuste vereenzelviging nog niet als deze geestelijke éénheid hebt leren kennen, kun je er nog toe overgaan over jezelf te spreken alsof er twee 'ikken' in jezelf zouden zijn in de vorm van 'het ik' en 'het Ik', 'het lagere ik' en 'het hogere ik', enzovoort; een beschrijving die leidt tot een beeld van innerlijke verdeeldheid.

Wat wel bestaat, is, dat er meerdere geestestóestanden kunnen zijn, die echter steeds één en dezélfde geest betreffen. Je kunt je dan in een meer, dan weer in een minder ontwikkelde toestand van bewustheid en beheerstheid bevinden en je overeenkomstig die geestestoestand beheerst of onbeheerst gedragen. Door over 'het lagere ik' te spreken, verzuim je de geestestoestand van onbeheerstheid een eigen naam te geven en met het duidelijke woord 'mijn zelfgerichtheid' of 'mijn onbeheerstheid' te benoemen.
De werkelijkheid is dat door de afgescheidenheid van de algeest en de vereenzelviging met het lichaam, je als menselijke geest in een zelfgerichte toestand verkeert. Die benoeming blijft echter bij de afstandelijke vorm 'het ik' steken, waarna iedereen er vervolgens een eigen vage betekenis aan hecht en waardoor het niet tot bewustwording van jezélf als de zelfgerichte en onbeheerste geest komt. Deze spreekwijze leidt je daardoor op een doodlopende weg en remt je groei naar geestelijke zelfstandigheid.


Maurits Cornelis Escher
Klimmen en dalen, litho, 1960
hoe de 'het ego'-denkers in
hun eigen gedachtenwereld
moeten blijven rondlopen
(Klimmen en dalen. Lithografie 1960
De eindeloze trap die het hoofdmotief van deze afbeelding is, werd ontleend aan een artikel van L.S. Penrose in het februari-nummer 1958 van het British Journal of Psychology.
Een rechthoekige binnenplaats wordt begrensd door een gebouw, dat een eindeloze trap als dakbedekking heeft. De bewoners van dit huizencomplex zijn misschien wel monniken, leden van een onbekende sekte. Mogelijk is het hun rituele plicht om dagelijks enkele uren deze trap te beklimmen. Als ze moe zijn, mogen ze blijkbaar omkeren en afdalen in plaats van klimmen. Maar beide richtingen, hoewel zinvol, zijn rusteloos.
Twee weerspannige individuen weigeren vooralsnog aan deze oefening mee te doen. Zij denken er het hunne van, maar misschien zullen zij vroeg of laat hun dwaling inzien.
Uit M.C. Escher, Grafiek en tekeningen. Ingeleid en toegelicht door M.C. Escher
Uitgeverij Taco, ISBN 3-89268-061-2)

Op dezelfde wijze als Freud bleef steken in zijn therapeutische gesprekken die eindeloos duurden (zoals hij zelf opmerkte: tot zijn patiënt het niet meer kon betalen), blijf je ook steken in je groei als je je dit jargon eigen maakt en er in een kringetje in blijft rondraaien. Door deze gespleten spreekwijze te blijven gebruiken, kom je niet tot jezelf, de menselijke geest, maar blijf je steken in de gedachten over jezelf en kom je er niet verder mee dan als een eindeloos gespreksonderwerp (wat sommigen onder ons trouwens wel fijn vinden).

Ook zouden 'het ego-sprekers' zich de woorden van de joodse geloofsbeleidenis ter harte kunnen nemen, woorden die al in 1000 v.Chr. werden uitgesproken, het eerst in verband met Vader Abraham, die daarmee voor het joodse volk een einde maakte aan het veelgodendom:

4 Hoor, o Israël! De Heer, onze God, is Eén!
14 Gij zult de andere goden van de volken die rondom u zijn, niet navolgen.
Deuteronomium 6:4-14

In overeenstemming daarmee zou nu moeten worden gezegd:
Hoor, o geestelijke zoeker, de menselijke geest is Eén!
Gij zult u van die geest geen veelheid van beelden maken.


terug naar het overzicht






^