|
Het 'ik' en het 'zelf', of 'ben ik het zelf'?
Inhoud
Freud en Jung
Wie ben ik?
De overdracht
De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'ik'
Misleidende spreekvorm
De menselijke geest als eenheid
De geestelijke omvorming
De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'zelf'
Het oog dat al ziende zichzelf níet ziet.
Freud en Jung
Sinds het werk van Freud en Jung is er in 'New Age'-kringen een bepaalde spreekwijze in zwang gekomen met uitdrukkingen als het 'lagere ego', het 'hogere zelf', de 'lagere ego delen' en 'lagen' in de ziel waaruit 'inhouden oprijzen'. Daarnaast is er blijkbaar ook nog een zelfstandige eenheid in het spel die met 'jij' of 'wij', of in het algemeen met 'de mens' wordt aangeduid en die meestal 'iets moet' met dat 'lagere ego' en 'hogere zelf'. Deze zelfstandige persoon speelt daardoor een belangrijke rol, maar door welke eigenschappen die wordt gekenmerkt, wordt nergens vermeld.
Freud en Jung waren echter wetenschappers die zichzelf moesten bewijzen in een wetenschappelijke wereld, waar het materialisme steeds meer invloed kreeg en waar Freud en zeker Jung op latere leeftijd toen hij zich met alchemie bezighield, met argwaan werden bekeken. Zij zijn nu beiden uit de academische wereld verdwenen. Vandaar dat zij zich toentertijd in een wetenschappelijke taal moesten uitdrukken om zich te kunnen handhaven. Maar zo'n taalgebruik is verstandelijk en daardoor afstandelijk; het is zakelijk en onpersoonlijk.
In dit taalgebruik wordt niet de mens op persoonlijke wijze aangesproken, zoals bijvoorbeeld tijdens een therapeutisch gesprek van mens tot mens, maar er wordt op een afstandelijke wijze over de persoon gesproken doordat woorden als 'het ego' en 'het zelf' worden gebruikt, wat zelfstandige naamwoorden zijn waardoor het lijkt alsof deze zaken los staan van de persoon zelf. Freud bekeek als arts zijn patiënt als een 'geval' en zijn taalgebruik was daar dan ook naar. Hij onderscheidde een 'das Ich', een 'Ueber Ich' en een 'das Es', het onbewuste en onbeheerste deel van de mens. In het Nederlands is 'das Es' 'het Het'(!)... en toch heeft men in academische kringen jarenlang op wetenschappelijke wijze over dit raadsel gesproken. Jung behield alleen 'het ik' maar voegde er een 'het zelf' aan toe dat moest worden verwerkelijkt om de mens (terecht) een na te streven doel in de toekomst te geven.
In deze spreekwijze is de 'de mens' een verschijnsel dat uit losse, zelfstandige, niet echt met elkaar samenhangende delen bestaat, maar het is wel de kunst om ze met elkaar te verbinden. Deze spreekwijze en de daarmee samenhangende afstandelijke denkwijze houdt de mens echter af van zichzelf. De betreffende persoon gaat namelijk over eigenschappen van zichzelf spreken alsof het om iets anders gaat, alsof het iets is, bijvoorbeeld een 'het ik', dat zich 'ergens' in de mens in een bepaalde 'laag' bevindt. Meestal bevinden 'lagere ego-delen' zich dan ergens beneden en een 'onderbewustzijn', het 'zelf' ergens bovenin en het 'hogere zelf' zou te vinden zijn in een welhaast onbereikbaar 'bovenbewustzijn'.
terug naar de Inhoud
Wie ben ik?
Tijdens de ontwikkelingsgang over je levensweg kun je je op een zeker tijdstip gaan afvragen, wie je nu eigenlijk bent. De vraag: "Wie ben ik?" is de meest wezenlijke en ook meest noodzakelijke levensvraag die je je kunt stellen. Het is op je levensweg het keerpunt tussen de inwikkeling in het stoffelijke bestaan en de ontwikkeling van je geestelijke zelfstandigheid daaruit, en een aanwijzing voor een beginnende zelfbewustwording.
Het verschijnsel op zich dat deze vraagstelling mogelijk is, wordt veroorzaakt doordat je als de menselijke geest door de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan in de schijnbaar afgescheiden toestand verkeert, afgescheiden van je oorsprong. In die toestand ben je jezelf als het ware kwijt geraakt, ben je je nog niet bewust van jezelf als geestelijke zelfstandigheid, maar alleen van het zelfbeeld dat je vanuit je levenservaring over jezelf hebt gevormd. Dat beeld is echter niet meer dan het denkbeeld over jezelf dat zich als een gedachte in de binnenwereld van je ziel bevindt en dat alleen samenhangt met je tijdelijke aanwezigheid in dit bestaan. Alleen door de vereenzelviging ermee en de overdracht daarop kan dat beeld van jezelf een bepaalde waarde hebben voor de op zichzelf eeuwige, maar zich toch nog niet van zichzelf bewuste geest, die je in wezen bent.
Doordat het zelfbeeld alleen een gedachte is, kan het door allerlei invloeden worden gevormd en vervormd. Het besef wat je als mens 'zelf' bent, het zelfbesef, wordt het 'identiteitsbesef' genoemd, samenhangend met het Latijnse 'idem': 'dezelfde'. Het vertrouwen in je zelfbeeld kan door bepaalde levenservaringen en invloeden van buitenaf bij tijden worden gekenmerkt door een 'identiteitscrisis'. De (op zich eeuwige) geest die je bent en die door de veranderlijkheid en betrekkelijkheid van dat zelfbeeld op een gegeven ogenblik aan 'de waarde van zichzelf' begint te twijfelen, is door die onzekere toestand echter eindelijk in de gelegenheid gekomen zich de wezenlijke vraag "Wie ben ik?" te stellen.
Je vraagt met die vraag naar het wezen van datgene in jezelf, wat 'ik' zegt. De vraag "Wie ben ik?" verwijst immers naar de bron van het woord 'ik'. Het woord 'ik' is een heel bijzonder woord, want daarmee kan jij als menselijke geest in feite alleen jezélf aanduiden: alleen de géést is de 'ik-zegger'. Als jij als de menselijke geest aan anderen duidelijk wil maken, 'zelf' iets te willen zeggen, dan gebruik je het woord 'ik'. Jij die dit woord uitspreekt, wijst daarmee onmiddellijk terug naar 'jezelf' als de scheppende bron van dit woord.
Met het woord 'ik' kan niet iets anders worden aangeduid dan alleen de geest die je zelf bent, die immers het beeld van dit woord in zichzelf heeft gevormd, net vóór het ogenblik dat je het eerst in jezelf en daarna in de buitenwereld uitspreekt. Ook Gods heilige geest, die als de mens Jezus bij de mensheid op aarde is geweest, duidde zichzelf met dit bijzondere woord aan. Het woord is afkomstig van het Oudindische 'acham' en het Gotische en Oudnederfrankische 'ik', een heel oud woord.
terug naar de Inhoud
De overdracht
In de toestand van onbewuste vereenzelviging echter, vóórdat je als de menselijke geest door bezinning op jezelf je bewust kan gaan worden van jezelf als die bron, ben je als de menselijke geest nog onbewust van jezelf. Je ervaart jezelf nog niet als de zelfstandigheid die eerst het begrip 'ik' in jezelf vormt, waar het woord 'ik' vervolgens binnenin klinkt en er daarna uit wordt uitgesproken. Alles in jezelf waarvan je je niet bewust bent, wordt ook nog niet door jou beheerst en kan daardoor in een toestand van overdracht op de buitenwereld komen te verkeren. De leerzame aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan is de oorzaak van het overdrachtsverschijnsel.
Zolang deze vereenzelviging voortduurt, kan al datgene waarvan je je niet bewust bent in een toestand van overdracht komen te verkeren, als zich in de buitenwereld een geschikte overdrachtsdrager voordoet. Zo kun je bijvoorbeeld je wens om een geestelijk ontwikkeld mens te worden overdragen op een geestelijke leider, leraar of goeroe ('hij die duisternis verdrijft') die in jouw ogen die toestand al heeft bereikt; een vorm van overdracht die niet weinig voorkomt.
De overdrachtsdrager is gewoonlijk datgene in de buitenwereld, wat met een bepaalde inhoud van je zíel (bijvoorbeeld een wens) overeenkomt en er daardoor een betrekking mee heeft. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging draag je die inhoud daar dan als het ware op over. In het geval van het begrip 'ik' is er echter geen overdrachtsdrager in de buitenwereld, maar wel in de binnenwereld van de ziel: het zelfbeeld. Het zelfbeeld is het denkbeeld dat je tijdelijke, alledaagse persoonlijkheid uitbeeldt, de leerpersoonlijkheid waarmee je deze keer naar de aarde bent gekomen om er je lessen mee te kunnen leren. Op dat zelfbeeld wordt het begrip 'ik' door jou als de geest, maar nu niet vanuit de ziel, maar vanuit jouzélf, overgedragen door de vereenzelviging met een denkbeeld in je binnenwereld.
terug naar de Inhoud
De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'ik'
Door de tijdelijkheid, veranderlijkheid en onvolmaaktheid van dat zelfbeeld kan er evenwel op een gegeven ogenblik een vermoeden gaan groeien, dat er toch ook zoiets zou moeten zijn als een andere zelfstandigheid, een hoger staande eenheid, die het wezenlijke en duurzame van jezelf uitmaakt. Tijdens het begin van je geestelijke ontwikkeling groeit er naast het tijdelijke zelfbeeld langzamerhand een ermee samenhangend beeld van het blijvende en wezenlijke van jezelf, dat het zelfbeeld overstijgt.
Ook dat ontluikende vermoeden omtrent de ware en duurzame aard van jezelf is echter aanvankelijk, evenals het zelfbeeld, niet meer dan een denkbeeld; beide zijn denkbeelden die als inhouden van je ziel bestaan. Als gevolg van de onbewustheid van jezelf, draag je het begrip van het woord 'ik' vanuit jezelf op beide beelden in de ziel over: op het tijdelijke zelfbeeld én op het vage beeld van het wezenlijke van jezelf. Van beide beelden wordt aangevoeld dat zij 'iets' met jezelf te maken hebben en beide denkbeelden in je ziel worden daardoor onbewust met het woord 'ik' verbonden.
Jij als de menselijke geest die zich tenslotte de vraag "Wie ben ik?" is gaan stellen, tracht niet alleen een bééld van jezelf te vormen, maar je hebt daarnaast ook een begin gemaakt over jezelf als een zelfstandigheid te spreken, hoewel het nog niet duidelijk is hoe je je daar een voorstelling van moet vormen. Door de dan toch nog steeds bestaande onbewústheid van jezelf en de daarmee samenhangende óverdracht, ga je als de aan zijn ontwikkeling beginnende geest er nu eerst toe over op een afstandelijke wijze over jezelf te spreken! Dit gebeurt door van het persoonlijke voornaamwoord 'ik' - waarmee de geest in feite alleen maar zichzélf kan aanduiden - toch op kunstmatige wijze een zelfstandig naamwoord te maken in de vorm van 'het ik'. Je beseft echter niet dat dat 'het ik' daardoor alleen een denkbeeldige zelfstandigheid wordt.
Toch is dit innerlijke gebeuren voor jou als de nog niet van zichzelf bewuste geest een noodzakelijkheid, doordat het zelfbeeld waarmee je je vereenzelvigt, door de overdracht van jezelf, voor je gevoel immers een zelfstandigheid móet zijn. Het is echter een zelfgevormd denkbeeld van jezelf, dat alleen in gedachten bestaat en in de binnenwereld van je ziel met je mee wordt gedragen.
Tegelijkertijd wordt door de onbewuste overdracht van het pas ontluikende werkelijkheidsbesef van jezelf als de ik-zeggende persoon, dat denkbeeld in de ziel verpersoonlijkt; ook daardoor wordt het als een zelfstandigheid aangevoeld. Door zowél de afstandelijke houding alsook door de onbewuste verpersoonlijking, wordt het woord 'ik' omgevormd tot 'het ik'; daardoor wordt het tot een denkbeeldige zelfstandigheid die, zoals een werkelijke persoon, ook kan denken, voelen, beslissen en handelend optreden.
Deze verpersoonlijking strekt zich uit tot zowel je zelfbeeld alsook tot het besef van de aanwezigheid van een hogere, wezenlijke zelfstandigheid. Om toch tussen beide beelden een onderscheid te kunnen maken, spreek je vervolgens over 'het ik' en 'het Ik'. Doordat niemand de eigenschappen van dit 'ik' kan omschrijven, heeft iedereen er zo zijn eigen vage oordeel over en benoemt het ook anders in een streven oorspronkelijk te zijn en zich van anderen te onderscheiden. Zo is een reeks aanduidingen ontstaan zoals: het 'lagere ik' en 'hogere ik', het 'valse ik' en 'ware ik', het 'lagere wezen' en 'hogere wezen' of met de Latijnse woorden 'het ego' en 'het Ego'. Een andere aanduiding voor 'het Ego' is: 'het alter ego' (het 'andere ik'). Ook komt het onderscheid tussen 'het reële Ik' en 'het ideële Ik' voor. Waar het echter om gaat, is, dat jij als géést die zélf deze gedachte bedenkt en die het woord 'ik' vormt en uitspreekt, niet wordt genoemd. De aandacht, die van de geest uitgaat, blijft steken bij de denkbeeldige voorstelling van zichzelf in de vorm van de gedachte 'het ik'.
terug naar de Inhoud
Misleidende spreekvorm
Taalkundig leidt de verzelfstandiging van 'ik' tot 'het ik' echter tot een ongerijmdheid. Als van het woord 'ik' als persoonlijk voornaamwoord een afgeleide vorm als 'het ik' mogelijk zou zijn, dan zouden 'het jij', 'het hij', 'het wij' enz. ook aanwijsbare zelfstandigheden moeten zijn. Dat dit niet het geval is, is een aanwijzing dat dit woordgebruik louter op denkbeeldigheid berust. Het mist iedere vorm van aantoonbaarheid en toetsbaarheid. Dit verschijnsel is het gevolg van de vrijheid van je denkvermogen, waardoor je naar eigen willekeur gedachten kunt vormen - ook louter denkbeeldige die geen ervaarbare grondslag hebben, maar een gedachtenprobeersel zijn, een verzinsel.
In deze toestand van beginnende bewustwording en aanvang van geestelijke ontwikkeling handel je als menselijke geest als het kind, dat tijdens de groei naar bewustwording eerst enige tijd zichzelf met de eigen voornaam aanduidt. Het kind vereenzelvigt zich dan met de klank, die het in de buitenwereld hoort en waarvan het door de ervaring ermee vaag is gaan beseffen dat daarmee zichzelf wordt aangeduid. Door de overdracht daarop wordt die náám vervolgens verpersoonlijkt en het kind zegt argeloos en op afstandelijke wijze: "Jantje heeft het gedaan" - alsof het iemand ánders betrof. Op dezelfde wijze is door de overdracht de waarde van jezelf als persoon bij de persoonsnáám 'ik' komen te liggen; terwijl bij het daarop volgende gebruik van 'het ik' de waarde van jezelf als persoon op een denkbeeld in je eigen binnenwereld wordt overgedragen.
Het verschijnsel van het gebruik van de aanduiding 'het ik' duidt op die ontwikkelingstoestand, waarin je al wel een begin hebt gemaakt over jezelf na te denken als een benoembare zelfstandigheid, maar jezélf als denkende geest nog niet hebt waargenomen en ervaren. Daardoor moeten de denkbeelden over jezelf iedere vaste grondslag door persoonlijke ervaring nog ontberen en moet je je met misleidende kunstvormen als 'het ik' behelpen. De gebrekkigheid van deze spreekvorm wordt onmiddellijk doorzien als je ooit door zelfbezinning jezelf als de denkende en woordvormende zelfstandigheid, de menselijke geest, hebt leren kennen.
terug naar de Inhoud
De menselijke geest als eenheid
De menselijke geest is in wezen een éénheid. In de geestelijke wereld doet de geest in de ongevormde toestand zich voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen: het waarnemen, denken, voelen en willen (zie het boek Geestkunde, Hoofdstuk 2). Binnen zichzelf is de geest met die vermogens werkzaam en in ontwikkelde toestand is de geest een eenheid van evenwichtig met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende vermogens. Door de werkzaamheid van de vermogens straalt de geest een lichtruimte om zich heen uit, de aura of ziel, waarin de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten en wilsbesluiten, worden bewaard in het geheugen. Maar doordat je je door de onbewuste vereenzelviging nog niet als deze geestelijke éénheid hebt leren kennen, kun je er nog toe overgaan over jezelf te spreken alsof er twee 'ikken' in jezelf zouden zijn in de vorm van 'het ik' en 'het Ik', 'het lagere ik' en 'het hogere ik', enzovoort; een beschrijving die leidt tot een beeld van innerlijke verdeeldheid.
Wat wel bestaat, is, dat er meerdere geestestoestanden kunnen zijn, die echter steeds één en dezélfde geest betreffen. Je kunt je dan in een meer, dan weer in een minder ontwikkelde toestand van bewustheid en beheerstheid bevinden en je overeenkomstig die geestestoestand beheerst of onbeheerst gedragen. Door over 'het lagere ik' te spreken, verzuim je de geestestoestand van onbeheerstheid een eigen naam te geven en met het duidelijke woord 'zelfgerichtheid' te benoemen. De werkelijkheid is dat door de afgescheidenheid van de algeest en de vereenzelviging met het lichaam, je als de menselijke geest in een zelfgerichte toestand verkeert. Die benoeming blijft echter bij de afstandelijke vorm 'het ik' steken, waarna iedereen er vervolgens een eigen vage betekenis aan hecht en waardoor het niet tot bewustwording van jezelf als geest komt. Deze spreekwijze leidt je op een doodlopende weg en remt je groei naar geestelijke zelfstandigheid.
Op dezelfde wijze als Freud bleef steken in zijn therapeutische gesprekken die eindeloos duurden (zoals hij zelf opmerkte: tot zijn patiënt het niet meer kon betalen), blijf je ook steken in je groei als je je dit jargon eigen maakt en er in een kringetje in blijft rondraaien. Door deze spreekwijze te blijven gebruiken, kom je niet tot jezelf, de menselijke geest, maar blijf je steken in de gedachten over jezelf.
terug naar de Inhoud
De geestelijke omvorming
Wat er tijdens de geestelijke groei in jezelf plaatsvindt, is een ómvorming binnen de zelfstandige eenheid die je als de geest bent. Doordat deze omvorming door de onbewustheid van jezelf niet in jezelf wordt erváren, kan de afstandelijke uitspraak worden gedaan dat: "De mens(!) moet het ik omvormen tot het Ik." of: "Wij(!) moeten het lagere ik leren beheersen en 'ons' richten op het hogere ik." Op de vraag wie die 'de mens' of 'wij' en 'ons' zijn - blijkbaar nog een derde, onmisbare zelfstandigheid in dit geheel, die dit toch zo belangrijke werk moet doen - kan geen antwoord worden gegeven... want die derde zelfstandigheid is in deze wijze van redeneren de geest die nog onbewust is van zichzelf en zich daardoor met een afstandelijk 'de mens' of 'wij' aanduidt.
Ook het omvormingswerk, dat je als ontwikkelende geest bínnen jezelf moet voltrekken, is overgedragen en wel op een gebeuren dat zich denkbeeldig buiten jezelf voltrekt, doordat een onduidelijke 'mens' of 'wij' het 'lagere ik' moet leren beheersen en zich tot het 'hogere ik' moet richten. Echter: niet 'de mens moet het ik omvormen tot het Ik', maar heel eenvoudig: 'jij zélf, met andere woorden jij als de geest, moet zichzélf innerlijk omvormen' - wat evenwel de moeilijkste taak is die de mens op aarde kan volbrengen. Dat deze spreekwijze toch in zwang is geraakt, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewustheid van de geest van zichzelf.
Een persoon die een ongeluk heeft veroorzaakt, kan zich niet aan zijn of haar verantwoordelijkheid onttrekken door eenvoudig te zeggen: "Ik heb het niet gedaan, maar mijn égo heeft het gedaan!" Ook uit dit voorbeeld blijkt de denkbeeldigheid van dit benaderende taalgebruik - gevolg van het feit dat door de onbewuste vereenzelviging met de omgeving, waaronder de inhouden van je ziel, alleen op een afstandelijke wijze naar het wezenlijke van jezelf kan worden gekeken en vervolgens worden benoemd als een 'het ik'.
terug naar de Inhoud
De verpersoonlijking van het woord 'zelf'
Een ander woord dat een met het woord 'ik' overeenkomende betekenis heeft, is het aanwijzende voornaamwoord 'zelf'. Taalkundig juist wordt het in de zin gebruikt om het onderwerp nadruk te geven. De zin: "Ik heb het zélf gedaan!" is een versterking van: "Ik heb het gedaan!" en betekent als het ware: "Ik, ík heb het gedaan!" Op dezelfde wijze als met het woord 'ik' is gebeurd en ook door dezelfde oorzaak, is de menselijke geest in de begintoestand van zelfbewustwording ertoe overgegaan ook het woord 'zelf' als overdrachtsdrager te gebruiken. Ook met dit woord spreek je op afstandelijke wijze over jezelf als over 'het zelf' en 'het Zelf', het 'lagere zelf' en het 'hogere zelf', enzovoort met dezelfde onderscheiding in taalvormen als bij 'ik'. Ook 'het zelf' is door de verpersoonlijking in gedachten een handelende zelfstandigheid geworden, die als zodanig in de literatuur wordt beschreven.
De taalkundige ongerijmdheid en willekeurigheid van de verzelfstandiging van het aanwijzende voornaamwoord 'zelf' wordt duidelijk door de overweging, dat evengoed het wederkerende voornaamwoord 'zich' zou kunnen worden gekozen. Ook dat verwijst immers evenals 'zelf' naar het handelende onderwerp in de zin. Bovendien hangt het woord 'zich' oorspronkelijk ook nog samen met het persoonlijke voornaamwoord 'zij'. De aanduiding 'het zich' of 'het Zich' heeft echter de verbeelding niet kunnen prikkelen en is nooit gebruikt. In tegenstelling tot 'das Es': 'het Het', dat als woord in deze vorm evenmin enige inhoud heeft doordat het in feite álles kan betekenen, maar toch enige tijd zelfs een wetenschappelijke status heeft gehad vanwege het aanvankelijke gezag van de bedenker van deze uitdrukking, Sigmund Freud.
Een ander verschijnsel dat zich voordoet, is, dat de ene keer het onderscheid wordt gemaakt tussen 'het ik' en 'het Ik', een andere keer tussen 'het zelf' en 'het Zelf', maar dat ook tussen 'het ik' en 'het Zelf', of 'het valse ik' en 'het ware zelf' onderscheid wordt gemaakt. Doordat al deze kunstvormen denkbeelden aanduiden, bestaat er geen eenduidige samenhang tussen de woorden en de ermee samenhangende begrippen, waardoor deze samenhang in iedere beschouwing over dit onderwerp volkomen persoonlijk en willekeurig kan zijn; iedere levensbeschouwing kan wat dit betreft een eigen voorkeur in het gebruik ervan ontwikkelen.
Bovendien is een hoofdletter een verschijnsel dat zich alleen voordoet in de schrijftaal. Een hoofdletter is alleen een taalkundige afspraak de letter aan het begin van de zin of bij eigennamen groter te schrijven. In de klanken van het woord die door de woordscheppende geest tijdens het spreken worden geuit, kan het onderscheid tussen kleine letter en hoofdletter niet worden gemaakt: de menselijke geest spreekt alleen in kleine letters. Niet alleen zijn er op aarde veel talen die geen hoofdletters kennen, maar ook als een engel Gods de menselijke geest een boodschap ingeeft, gebeurt dat in kleine letters. De mening dat 'Liefde' iets verheveners zou zijn dan 'liefde' of het 'Zelf' iets hogers dan het 'zelf', is ook hierdoor louter denkbeeldig.
terug naar de Inhoud
Het oog dat al ziende zichzelf niet ziet.
Bij de beginnende bewustwording doet zich ook het verschijnsel voor, dat over 'mijn ik' en 'mijn zelf' wordt gesproken. Door het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' te gebruiken, geeft degene die dit uitspreekt aan, zélf de eigenaar van 'het ik' of 'het zelf' te zijn. De eigenaar is echter méér dan datgene, wat die eigenaar bezit; de eigenaar 'be-zit' het immers, kan desgewenst 'erop zitten'. De eigenaar is de 'bezittende' zelfstandigheid en het bezit is het lijdende voorwerp: het 'wordt bezeten'. In het geval van de uitspraak: 'mijn Zelf' wordt gewoonlijk bedoeld dat dat 'Zelf' iets 'verhevens' en 'hogers' is; maar er wordt niet beseft, dat de zelfstandigheid die dit uitspreekt en zegt dat het 'van mij' is, juist daardoor méér moet zijn dan dat 'Zelf' - dat door de toevoeging van het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' immers slechts een bezit is.
Ook wordt in deze toestand van beginnende bewustwording wel gesproken over 'mijn geest' of 'mijn psyche'. Het verschijnsel van het voorkomen van deze uitspraak is een duidelijke aanwijzing, dat je als menselijke geest in een toestand kunt verkeren onbewust te zijn van jezelf. Alleen daardoor kun je ertoe komen te menen dat de geest iets ánders is dan jezelf als degene, die deze uitspraak 'mijn geest' doet! Deze uitspraak laat zien dat de mening bestaat, dat de geest 'iets' buiten jezelf zou zijn en daardoor tot het bezit van jou als de sprekende persoon zou kunnen worden gerekend. Dat je zélf als geest de enige bron van deze uitspraak kunt zijn, wordt door onbewustheid van jezelf niet beseft.
De menselijke geest lijkt in deze toestand op het oog, dat, al ziende, zichzélf niet ziet. Door de overdracht van zichzelf op een inhoud, een gedachte in de ziel, in het bijzonder het zelfbeeld, ontstaat een geestesgesteldheid, die in wezen nog steeds overeenkomt met de geestesgesteldheid van de mens uit de oudheid. In die tijd was de menselijke geest ook onbewust van zichzelf en verkeerde ook in een toestand van overdracht, waarbij persoonlijkheidseigenschappen werden overgedragen op goden en godinnen, die zich ophielden op een hoge berg als de Olympos of in verre en onbereikbare hemelstreken zoals het Walhalla.
In deze tijd bevinden die goden, in de vorm van 'het ik' en 'het Zelf', zich in eveneens onbekende streken, die nu de namen 'het onderbewuste' en 'het bovenbewuste' hebben gekregen. Er is door de mensheid dus al wel een belangrijke stap gezet: wat vroeger veruiterlijkt was aan de hemel is nu verinnerlijkt in de eigen binnenwereld, maar nog wel in eenzelfde toestand van verdeeldheid.
Maar voor de mens die zichzelf als de zelfstandige eenheid, de menselijke geest, heeft leren kennen door zich bewust te worden van de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in zichzelf, is er niet meer zoiets als 'het ik' en 'het Zelf', maar de wetenschap: 'ik ben het zelf'! 'Zelf' is een woord dat alleen maar kan verwijzen naar 'ik'; het is er de verdubbeling van: 'ik, ik'.
De verwarring van de verdeeldheid die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging met de verdeeldheid van dit stoffelijke bestaan, heeft plaats gemaakt voor de vreugde in het hart de kern te hebben gevonden 'die ik zélf ben'! Die kern is de eenheid van de geest, bolvormige wolk van licht en wamte, die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en er dan iets mee wil doen, hetzij in de eigen binnenwereld of in de buitenwereld.
Deze bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte is door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest, is begonnen aan een weg door Gods schepping naar een zelfbewerkte zelfstandigheid en zal zich aan het einde van die weg bewust herenigen met zijn of haar oorsprong, God als die algeest.
terug naar boven
|
|