|
Anthony Borgia, Het leven in de ongeziene wereld (1) Uitgeverij De Torenlaan, Assen 1955 Voorwoord van Sir John Anderson Het verheugt me zeer in de gelegenheid te zijn een voorwoord te schrijven voor dit boek, dat een levendig en schilderachtig beeld geeft van het leven in de geestelijke sferen, zoals diegenen dat ervaren, die hun aardse bestaan hebben geleefd in overeenstemming met de goddelijke wet. Tevens bevestigt dit boek hetgeen ik gedurende mijn nauwkeurige onderzoekingen met betrekking tot. de wijsbegeerte van de 'gedachte' juist heb bevonden. Dit zal hen die nu in hun leven het goede betrachten, geruststellen en anderen aanmoedigen met grote ernst hun gedachten te gaan controleren, opdat zij niet genoodzaakt zullen zijn, de duistere sferen van de geestenwereld binnen te moeten gaan. De gedachte is de scheppende kracht in het heelal, aangezien elk van onze daden, een gevolg is van een gedachte, hetzij een goede of een kwade. Terwijl wij door het aardse leven gaan, bouwen wij onze erfenis in de wereld van de geest op, welke niets meer en niets minder zal zijn dan de weerspiegeling van het peil van onze gedachten daar. Oorzaak en gevolg is een onveranderlijke, universele wet. De mens is vrij om te handelen in overeenstemming met zijn vrije wil wat zijn denken betreft. Wat er met de ziel gebeurt, wanneer zij de wereld van de geest binnentreedt, is het resultaat van de uitgelezen keuze van het ego op aarde. In het verleden heeft de grote massa der mensheid onze algehele verantwoordelijkheid ten opzichte van het leven en de gevolgen van het individuele handelen niet begrepen. Dit is de reden waarom de rechtzinnige godsdiensten hebben gefaald de wereldvrede, zoals de Grote Meester die zag, te grondvesten. De beschaving staat op een tweesprong en het is te hopen, dat meer verhelderende literatuur, zoals deze, zal verschijnen, opdat de geestelijke wedergeboorte van de wereld voortgang moge hebben en vrede en harmonie oppermachtig mogen regeren. John Anderson Voorwoord van de vertaalster Na lezing van het boek van Anthony Borgia voelde ik onmiddellijk behoefte het in het Nederlands te vertalen. En wel om de volgende redenen. Het geeft niet alleen een bijzonder duidelijke beschrijving van hetgeen ons allen wacht na het aardse bestaan, maar het belicht tevens op duidelijke wijze allerlei godsdienstige opvattingen. Voorts behandelt het niet alleen het leven na de 'dood', maar ook de feiten van dat leven, zoals monseigneur Robert Hugh Benson die na zijn intrede in de geestelijke wereld heeft ervaren. Er bestaat helaas nog maar weinig Nederlandse lectuur op dit gebied en waar de belangstelling voor dit onderwerp in verblijdende mate toeneemt, vertrouw ik, dat deze uitgave in een dringende behoefte zal voorzien. Ter voorkoming van misverstand wil ik de lezers - zo nodig - er nog op wijzen, dat de inhoud is doorgegeven aan Anthony Borgia door bovengenoemde monseigneur Benson, tijdens zijn leven op aarde een leidende figuur van de Church of England (de Protestantse Engelse staatskerk). Al zijn uitlatingen over 'de Kerk' hebben dus betrekking op de Engelse kerk en niet op de Nederlandse kerkgenootschappen. Zijn opmerking over de wereldse wijze van Kerstviering slaat eveneens op de Engelse gewoonte en niet op die in andere landen. Bij de vertaling van het woord 'spiritworld' is na rijp beraad de keuze gevallen op 'geestelijke wereld' en - omdat het uiteraard zo veelvuldig in dit boek voorkomt - is dat afgewisseld met 'gene zijde', 'onze wereld' en 'het hiernamaals'. Opzettelijk is de letterlijke vertaling 'geestenwereld' vermeden, omdat dit verwarrend zou kunnen werken. Ik ben mij er zeer van bewust, dat 'geestelijke wereld' niet noodwendig uitsluitend op het hiernamaals behoeft te duiden, maar ook op gedachten of ervaringen van aardse mensen op geestelijk gebied betrekking kan hebben. Toch meen ik te mogen aannemen, dat na deze uiteenzetting de betekenis, zoals die hier is bedoeld in de uitdrukking 'geestelijke wereld', de lezers volkomen duidelijk zal zijn. Gaarne wil ik hier nog het verzoek aan toevoegen dit boekje niet op zijn letterkundige waarde te toetsen; er moest toch in de eerste plaats gestreefd worden naar een zeer duidelijke en begrijpelijke vertaling van het Engelse werk. Moge de vertaling vele landgenoten dieper en juister inzicht brengen en daardoor troost en blijmoedig vertrouwen op de wijze leiding van de God der Liefde. C. van Nievelt Inleidend woord Wetenschap is het beste tegengif tegen vrees; in het bijzonder, wanneer dit vrees is voor het mogelijke of waarschijnlijke bestaan, nadat we de verandering hebben ondergaan, welke van dit leven naar het volgende voert. Om te weten te komen wat voor soort plaats de volgende wereld is, moeten we navraag doen bij iemand, die daar leeft en vermelden, wat deze heeft te zeggen. Dat wordt in dit boek dan ook gedaan. De berichtgever, die ik voor het eerst leerde kennen in 1909 - vijf jaar voor zijn overgang naar de geestelijke wereld - was op aarde bekend als monseigneur Robert Hugh Benson, een zoon van Edward White Benson, de vroegere aartsbisschop van Canterbury. Totdat deze geschriften waren geschreven had hij nooit direct contact met mij gehad, maar eens was me gezegd (door een vriend van gene zijde), dat er bepaalde zaken waren, die hij Benson, wenste recht te zetten. De moeilijkheden van communicatie waren hem uitgelegd door vrienden en raadgevers van gene zijde, maar hij hield vast aan zijn voornemen. Toen de geschikte tijd was aangebroken, werd hem medegedeeld, dat hij contact kon krijgen door een vriend uit zijn aardse dagen. Het is mijn voorrecht geweest als zijn schrijver te mogen optreden. Het eerste geschrift werd samengevat onder de titel 'Beyond This Life' (Aan gene zijde van dit leven); het tweede onder die van 'The World unseen' (De ongeziene wereld). In het eerste geeft de verteller in een algemeen overzicht een verslag van zijn overgang van zijn aardse naar zijn bovenaardse leven en zijn daaropvolgende reizen door de verschillende delen van de gebieden van de geestelijke wereld. In het laatste geschrift behandelt hij veel uitvoeriger een aantal belangrijke en interessante feiten en facetten van het geestesleven, welke hij te voren slechts oppervlakkig of terloops had aangeroerd. Hij vermeldt bijvoorbeeld in: 'Aan gene zijde van dit leven' de hoogste en de laagste gebieden. In 'De ongeziene wereld' bezoekt hij ze daadwerkelijk en beschrijft hij wat hij heeft gezien en wat in beide regionen gebeurde. Hoewel elk van de beide geschriften op zichzelf compleet is, is het tweede veel uitvoeriger en uitgebreider dan het eerste. Tezamen vormen zij één geheel. Wij zijn oude vrienden en zijn heengaan heeft onze oude vriendschap nooit verbroken; integendeel, de band is juist hechter geworden en zijn overgang heeft ons veel meer mogelijkheden verschaft elkaar te ontmoeten dan mogelijk geweest zou zijn, wanneer hij op aarde zou zijn gebleven. Hij drukt voortdurend zijn vreugde uit over zijn vermogen om op een natuurlijke, normale, gezonde en prettige wijze, tot de aarde te kunnen terugkeren, om iets te kunnen vertellen van zijn avonturen en ondervindingen in de geestelijke wereld als een, die 'dood' is (zoals velen hem zouden beschouwen) 'en toch spreekt'. Anthony Borgia Deel I Aan gene zijde van dit leven Inhoud I Mijn aardse leven 11 II De overgang naar het geestelijk leven 13 III Mijn eerste ervaringen 23 IV Het rusthuis 36 V Gebouwen der wetenschap 46 VI Beantwoording van enkele vragen 56 VII Muziek 65 VIII Plannen voor toekomstig werk 74 IX De duistere sferen 84 X Een bezoek 94 1. MIJN AARDSE LEVEN Wie ik werkelijk ben, doet er niet toe. Wie ik was nog minder. We nemen onze aardse posities niet mee in de wereld van de geest. Mijn aardse belangrijkheid heb ik achter me gelaten. Het komt nu op mijn geestelijke waarde aan en die, mijn goede vriend, is ver beneden wat ze behoorde te zijn en wat ze kan zijn. Tot zover over wie ik ben. Over wie ik was zou ik gaarne enige bijzonderheden geven betreffende mijn houding vóór mijn overgang naar de geestelijke wereld. Mijn aardse leven was niet zozeer moeilijk in die zin, dat ik nooit lichamelijke ontberingen leed, maar het was stellig een leven van zware geestelijke arbeid. In mijn jonge jaren trok de kerk me aan, omdat haar mystiek tot mijn eigen mystieke gevoel sprak. De mysteriën van de godsdienst schenen door hun uiterlijkheden van lichten, kleding en ceremoniën mijn geestelijke honger op een wijze te bevredigen als niets anders. Er was natuurlijk veel, wat ik niet begreep en sinds ik in de geestelijke wereld ben gekomen, heb ik gemerkt dat die dingen er niet toe doen. Het waren godsdienstige problemen, ontsproten aan het menselijk brein en ze hebben hoegenaamd geen betekenis in het grote plan van het leven. Maar indertijd geloofde ik - zoals zoveel anderen - in een algemene vorm zonder een schijn van begrip, of tenminste zeer weinig. Ik leerde en predikte volgens de rechtzinnige handboeken en zo verwierf ik me een reputatie. Wanneer ik peinsde over een toekomstige bestaanstoestand dacht ik - en dan nog vaag - aan wat de Kerk me over dat onderwerp had geleerd, hetgeen bitter weinig en zeer onjuist was. Ik realiseerde me niet het elkaar zo nabij zijn van de twee werelden - de uwe en de onze - hoewel ik bewijzen te over had. De occulte ervaringen welke ik had, werden veroorzaakt - naar ik dacht - door een of andere uitbreiding van natuurlijke wetten en men behoorde ze meer te beschouwen als toevallig, dan als regelmatig voorkomend, meer aan de enkeling dan aan de massa gegeven. Het feit dat ik predikant was sloot niet uit dat ik bezoek kreeg van wezens die de Kerk verkoos te beschouwen als duivels, hoewel ik - dat moet ik bekennen - nooit iets zag dat ook maar in de verste verte daarop geleek. (11) Ik begreep volstrekt niet, dat ik wat men op aarde noemt psychisch gevoelig was - iemand die was begiftigd met het vermogen om te 'zien', hoewel in beperkte mate. Deze inbreuk op mijn leven als predikant van dit psychisch vermogen vond ik bijzonder storend, aangezien het in strijd was met mijn rechtzinnigheid. Ik vroeg hierin raad aan mijn collega's, maar zij wisten nog minder dan ik en ze konden niets anders bedenken dan voor me te bidden dat deze 'duivels' van me mochten worden weggenomen. Hun gebeden baatten me niets - dat was te verwachten, zoals ik nu begrijp. Wanneer mijn ervaringen op een hoog geestelijk plan hadden gelegen was er kans geweest, dat men mij als een zeer heilig man zou hebben beschouwd. Maar zo waren zij niet, het waren precies de ervaringen, welke tot de gewone aardse gevoeligen komen. Nu ze zich aan een voorganger van 'The Church of England' (De Engelse staatskerk) voordeden, werden ze als verzoekingen van de 'duivel' beschouwd. Als ervaringen van leken zouden zij zijn beschouwd als omgang met de 'duivel', of als een of andere vorm van geestelijke afwijking. Wat mijn collega's niet begrepen, was dat dit vermogen een gave was een kostbare gave, zoals ik nu begrijp en dat deze van mij persoonlijk was, zoals ze dat is voor allen, die haar bezitten; verder, dat bidden om er van te worden bevrijd even zinloos is als bidden, dat iemands gave om piano te spelen of een schilderij te vervaardigen zou mogen worden weggenomen. Het was niet alleen zinloos, het was ongetwijfeld verkeerd, aangezien zulk een gave om achter de sluier te kunnen zien was geschonken om te gebruiken tot heil van de mensheid. Ik kan me er tenminste over verheugen, dat ik nooit heb gebeden om mij van deze vermogens te verlossen. Bidden deed ik wel, maar om meer licht in deze aangelegenheid. De grote belemmering voor enig nader onderzoek van deze vermogens was de houding van de Kerk hier tegenover, die onvermurwbaar, ondubbelzinnig, bekrompen en onwetend was - en nog is. Hoe langdurig, of in welke richting deze onderzoekingen ook plaats hadden, het uiteindelijk oordeel van de Kerk was altijd hetzelfde, en haar uitspraken onveranderlijk 'zulke dingen hebben hun oorsprong in de duivel'. En ik was gebonden door de wetten van de Kerk, bediende haar sacramenten en verkondigde haar leringen, terwijl de geestenwereld op de deur van mijn ware bestaan klopte en probeerde me te tonen waarover ik zo dikwijls had gepeinsd, n.l. ons toekomstige leven zelf te zien. Vele van mijn ervaringen van psychische voorvallen heb ik indertijd in mijn boeken opgenomen, de verhalen zulk een draai gevend dat ze daardoor een rechtzinnige, godsdienstige bijsmaak kregen. De waarheid was er, maar de betekenis en het doel waren verwrongen. (12) Ik voelde, dat ik in een groter werk de Kerk moest verdedigen tegen de aanvallen van hen, die geloofden in het geestelijk overleven van de lichamelijke dood en dat het mogelijk was voor de geestenwereld contact te hebben met de wereld van de aarde. En in dat grotere werk schreef ik - tegen beter weten in - aan de 'duivel' toe wat ik in werkelijkheid wist niets anders te zijn dan de werking van natuurlijke wetten, afgescheiden en volkomen onafhankelijk van enige rechtzinnige godsdienstvorm, en zeker niet van verkeerde oorsprong. Indien ik mijn eigen neigingen zou hebben gevolgd zou dit een volkomen omwenteling van mijn leven met zich hebben gebracht, een verzaken van de rechtzinnigheid en zeer waarschijnlijk een groot materieel offer, aangezien ik me een tweede reputatie als schrijver had verworven. Wat ik reeds had geschreven zou dan waardeloos zijn geworden in de ogen van mijn lezers en ik zou beschouwd zijn als een ketter en een krankzinnige. Zo liet ik de grootste kans van mijn leven voorbijgaan. Hoe groot die kans en hoe groot mijn verlies en berouw waren, wist ik pas toen ik naar deze wereld was overgegaan, waarvan ik de bewoners reeds zo dikwijls en bij zoveel verschillende gelegenheden had gezien. De waarheid was binnen mijn bereik en ik liet haar varen. Ik bleef de Kerk aanhangen. Haar leringen hadden te sterk vat' op me gekregen. Ik zag, dat er duizenden geloofden, zoals ik en hieruit putte ik moed, aangezien ik me niet kon voorstellen, dat zij zich allen zouden vergissen. Ik trachtte mijn godsdienstige leven te scheiden van mijn psychische ervaringen en te doen, alsof ze niet met elkaar in verband stonden. Het was moeilijk, maar ik slaagde er in, een richting in te slaan waarvan ik de minste geestelijke hinder ondervond' en zo ging ik door tot het einde, tot ik eindelijk op de drempel stond van die wereld, waarvan ik reeds een glimp had gezien. Ik hoop u nu enige bijzonderheden te vertellen van wat mij overkwam, toen ik ophield een bewoner van de aarde te zijn en overging in de grote wereld van de geest. II. DE OVERGANG NAAR HET GEESTELIJKE LEVEN Het eigenlijke proces van de dood behoeft niet noodwendig pijnlijk te zijn. Tijdens mijn aardse leven had ik vele zielen de drempel naar de geestelijke wereld zien overschrijden. Ik had de gelegenheid met stoffelijke ogen de strijd waar te nemen, die plaats heeft, wanneer de geest tracht zich voor altijd van het vlees te bevrijden. (13) Met mijn geestelijke blik had ik ook de geest zien heengaan, maar ik was nergens in staat geweest uit te vinden - d.w.z. uit rechtzinnige bronnen puttend - wat er precies gebeurt op het ogenblik van scheiden, noch kon ik enige inlichting krijgen over de gevoelens die de heengaande ziel ervaart. De schrijvers van godsdienstige leerboeken vertellen ons niets van dergelijke dingen om de eenvoudige reden dat zij het niet weten. Het stoffelijk lichaam bleek dikwijls waarlijk te lijden, hetzij door werkelijke pijn, of door een moeizame en belemmerde ademhaling. In dit opzicht schenen zulke sterfgevallen uiterst pijnlijk te zijn. Was dit werkelijk zo? Dit had ik me dikwijls afgevraagd. Wat ook het antwoord mocht zijn, ik kon nooit geloven, dat het werkelijke lichamelijke proces van 'sterven' pijnlijk was, niettegenstaande het zo leek. Ik wist, dat ik het antwoord op mijn vraag eens zou krijgen en ik hoopte altijd, dat mijn heengaan tenslotte niet smartelijk zou zijn, wat het ook verder zou mogen wezen. Mijn hoop werd vervuld. Mijn einde was niet smartelijk, maar het was moeizaam, zoals zoveel, die ik had bijgewoond. Een korte poos voor mijn overgang had ik een voorgevoel, dat mijn dagen op aarde ten einde liepen. Er was een zwaar gevoel in mijn denken, iets als sufheid, toen ik in bed lag. Dikwijls had ik een gevoel weg te zweven en zacht terug te keren. Zonder twijfel hadden degenen, wie mijn lichamelijk welzijn ter harte ging, de indruk, dat al was ik niet waarlijk gestorven, ik snel wegzonk. Gedurende zulke heldere tussenpozen ondervond ik geen lichamelijke pijn. Ik kon zien en horen wat er om me heen voorviel en ik kon de geestelijke droefheid, welke mijn toestand veroorzaakte 'aanvoelen'. En toch had ik het gevoel van een uiterst vreugdevolle gemoedsgesteldheid. Ik wist zeker, dat mijn tijd van heengaan was gekomen en ik was vol verlangen om te mogen gaan. Wat mij betrof had ik geen argwaan, geen twijfel, geen spijt om zo de aardse wereld te verlaten. (Mijn spijt zou later komen, maar daarover zal ik t.z.t. spreken). Al wat ik wenste was weg zijn. Plotseling voelde ik een sterke drang om op te staan. Ik had geen enkel lichamelijk gevoel, net zoals er geen lichamelijk gevoel in een droom is, maar ik was geestelijk waakzaam, hoezeer mijn lichaam zulk een toestand scheen te weerspreken. Toen ik deze duidelijke ingeving om op te rijzen kreeg, merkte ik onmiddellijk dat ik dit werkelijk deed. Toen ontdekte ik, dat degenen om mijn bed niet schenen te bemerken, wat ik aan het doen was, omdat ze geen moeite deden om me te hulp te komen, noch trachtten het me op enigerlei manier te beletten. Toen ik me omdraaide, zag ik wat er was gebeurd. Ik zag mijn fysieke lichaam op het bed liggen, maar hier was ik, de werkelijke 'ik', levend en wel. (14) Een paar minuten bleef ik staan en de gedachte kwam in mij op wat nu te doen, maar hulp was nabij. Ik kon de kamer nog heel duidelijk om me heen zien, maar er lag een zekere wazigheid over, alsof ze met zeer gelijkverdeelde nevel was gevuld. Ik bekeek mezelf, me afvragend wat voor soort kleren ik droeg, want ik was blijkbaar van een ziekbed opgestaan en daarom niet in een conditie om ver van mijn omgeving weg te gaan. Ik was uiterst verbaasd te zien, dat ik mijn gebruikelijke kleren aan had, zoals ik had gedragen toen ik me vrij en in goede gezondheid door mijn huis had bewogen. Mijn verbazing duurde slechts een ogenblik, aangezien ik me afvroeg, welke andere kleren ik zou verwachten aan te hebben. Zeker niet een of ander soort doorschijnend statiekleed. Men verbindt zo'n kostuum gewoonlijk met het gebruikelijke begrip van een engel en ik had er geen behoefte aan mezelf te verzekeren dat ik dat niet was! De kennis van de geestelijke wereld, die ik had kunnen vergaren uit mijn ondervindingen, kwam me onmiddellijk te hulp. Ik kende opeens de verandering, die in mijn toestand had plaats gegrepen; m.a.w. ik wist dat ik was 'gestorven'. Ik wist ook, dat ik leefde, dat ik mijn laatste ziekte voldoende had afgeschud om rechtop te kunnen staan en om me heen te zien. Geen ogenblik was ik in geestelijke nood, maar ik was zeer benieuwd wat er verder zou gebeuren, want hier was ik, in het volle bezit van mijn vermogens en, inderdaad gevoelde ik me 'lichamelijk' als nooit te voren. Hoewel het vertellen hiervan enige tijd heeft gekost, opdat ik u zoveel mogelijk bijzonderheden kon geven, moet het gehele proces slechts een paar minuten aardse tijd hebben geduurd. Zodra de korte ogenblikken, die ik nodig had om rond te zien en mijn nieuwe toestand te beoordelen, waren verstreken, bevond ik me in het gezelschap van een vroegere collega - een geestelijke - die enige jaren tevoren dit nieuwe leven was binnengegaan. We begroetten elkaar hartelijk en ik merkte op, dat hij dezelfde kleding droeg als ik. Dit kwam me eveneens helemaal niet vreemd voor, want wanneer hij anders gekleed zou zijn geweest, dan zou ik het gevoel hebben gekregen, dat er iets niet in orde was, omdat. ik hem slechts in de kleding van een geestelijke had gekend. Hij drukte er zijn grote vreugde over uit mij weer te zien en wat mij betreft, ik voorzag dat we de vele draden, welke verbroken waren door zijn 'dood', weer zouden opnemen. Gedurende de eerste ogenblikken liet ik het spreken aan hem over; ik moest nog aan het nieuwe wennen. Want u moet bedenken, dat ik net mijn aardse ziekbed had verlaten en dat ik met het afschudden van het stoffelijk lichaam ook de ziekte daarmee had afgeworpen. En het nieuwe gevoel van welbehagen en bevrijding van lichamelijke kwalen was zo heerlijk, dat het realiseren daarvan een ogenblik tijd kostte om het ten volle te begrijpen. (15) Mijn oude vriend scheen meteen te weten in hoeverre ik me bewust was te zijn overgegaan en dat alles goed was. Laat ik hier zeggen, dat iedere gedachte aan een 'rechterstoel' of een 'dag des oor deels' gedurende de overgang volkomen uit mijn gedachten was gevaagd. Het was allemaal veel te normaal en natuurlijk om het vreselijke oordeel te kunnen suggereren, zoals de rechtzinnige godsdienst leert, dat we na de 'dood' moeten ondergaan. De hele opvatting van 'oordeel' en 'hel' en 'hemel' scheen totaal onmogelijk te zijn. Inderdaad waren deze begrippen volkomen fantastisch nu ik mezelf levend en wel gevoelde, 'gekleed in mijn juiste denken' en in feite in mijn vertrouwde dracht. En stond ik niet in tegenwoordigheid van een oude vriend, die me hartelijk de hand schudde en me begroette en gelukwenste en die alle uiterlijke - en in dit geval oprechte - tekenen van blijdschap vertoonde me te zien, zoals ik me verheugde hem te ontmoeten! Hijzelf was in de beste stemming, zoals hij daar stond en me verwelkomde, gelijk twee oude vrienden op aarde elkaar begroeten na een lange scheiding. Dat was op zichzelf voldoende om me te tonen, dat elke gedachte aan het opgebracht worden naar mijn berechting volkomen ongerijmd was. We waren allebei maar al te vrolijk, te gelukkig, te zorgeloos en te natuurlijk en ikzelf wachtte opgewonden op alle mogelijke aangename openbaringen van deze nieuwe wereld, wetend, dat niemand me die beter zou kunnen geven dan mijn oude vriend. Hij zei me, dat ik me moest voorbereiden op talloze aangename verrassingen en dat hij was gestuurd om me bij mijn aankomst af te halen. Daar de grenzen van mijn kennis hem bekend waren, was zijn taak zoveel te gemakkelijker. Zodra ik na ons eerste verbreken van de stilte mijn tong terugvond, merkte ik, dat we net zo spraken als we altijd op aarde hadden gedaan, d.w.z. we gebruikten eenvoudig onze stembanden en spraken als de gewoonste zaak van de wereld. Men behoefde er niet bij te denken en inderdaad deed ik dit ook niet. Ik constateerde slechts dat het zo was. Mijn vriend stelde toen voor, dat we zouden weggaan, aangezien we geen verdere noodzaak of behoefte hadden om in de omgeving van mijn overgang te blijven en dat hij me naar een bijzonder aardige plaats zou brengen, die voor me in gereedheid was gebracht. Hij vermeldde een 'plaats', maar hij haastte zich uit te leggen, dat ik in werkelijkheid naar mijn eigen huis ging, waar ik me 'thuis' zou gevoelen. Daar ik tot nu toe niet wist hoe men zich voortbeweegt, of met andere woorden, hoe ik daar moest komen, gaf ik me helemaal aan hem over. En dat was, zei hij, juist waarvoor hij bij me was! Ik kon de aandrang niet weerstaan me om te draaien en een laatste blik te slaan op de kamer, in welke ik was heengegaan. (16) Zij vertoonde nog haar wazige uiterlijk. Zij, die eerst om het bed hadden gestaan, hadden zich nu teruggetrokken en ik kon het bed naderen en 'mezelf' bekijken. Ik was niet het minst onder de indruk van hetgeen ik zag, maar het laatste overblijfsel van mijn stoffelijke lichaam scheen vreedzaam genoeg. Mijn vriend stelde toen voor, dat we zouden vertrekken en dus gingen we weg. Terwijl we heengingen werd de kamer geleidelijk aan waziger tot zij uit mijn gezichtskring verdween en eindelijk geheel was opgelost. Tot dusverre had ik, als gewoonlijk, het gebruik van mijn benen gehad als bij het normale lopen, maar met het oog op mijn laatste ziekte en het feit, dat ik als gevolg daarvan een rustperiode behoefde voordat ik me te veel inspande, zei mijn vriend, dat het beter zou zijn niet de gewone wijze van voortbewegen te gebruiken, n.l. niet te lopen. Hij vroeg me zijn arm stevig vast te houden en nergens bang voor te zijn. Als ik wilde kon ik mijn ogen sluiten. Het zou misschien beter zijn, dat ik dit deed, zei hij. Ik gaf hem een arm en liet de rest aan hem over, zoals hij had gezegd. Opeens kreeg ik het gevoel te zweven, zoals men dat in fysieke dromen heeft, hoewel dit zeer werkelijk was en in het geheel niet gepaard ging met bezorgdheid voor persoonlijke veiligheid. De beweging scheen in snelheid toe te nemen naarmate de tijd verliep. Ik hield nog steeds mijn ogen stijf gesloten. Het is vreemd met welk een vastbeslotenheid men deze dingen hier kan doen. Hoevelen van ons zouden op aarde hun ogen in zulk een volkomen vertrouwen hebben gesloten, indien dergelijke omstandigheden daar mogelijk zouden zijn? Hier was er geen spoor van twijfel dat alles goed was, dat er niets was te vrezen, dat niets onaangenaams mogelijkerwijs kon plaats grijpen en dat bovendien mijn vriend de situatie volkomen beheerste. Na een korte poos scheen onze vaart wat te verminderen. Ik kon voelen, dat er iets zeer stevigs onder mijn voeten was. Toen moest ik mijn ogen opendoen. Ik deed het. Wat ik zag was mijn oude huis, dat ik op aarde had bewoond; mijn oude huis - maar met één verschil. Het zag er beter uit, maar zó als ik zijn aardse tegenhanger niet had kunnen verbeteren. Het huis zelf was - zoals het me op het eerste gezicht toescheen - meer verjongd dan gerestaureerd, maar meer nog trok de tuin er omheen mijn aandacht. Deze bleek zeer te zijn uitgegroeid en van een volmaakte netheid en aanleg. Hiermee bedoel ik niet de gewone ordelijkheid, die men gewend is in openbare tuinen op aarde te zien, maar hij was prachtig onderhouden en verzorgd. (17) Er waren geen wilde planten, of massa's verward groen en onkruid, maar de heerlijkste overvloed van mooie bloemen, zo geplant, dat ze het allervoordeligst uitkwamen. Ik moet zeggen, dat ik - toen ik de bloemen meer van dichtbij kon bekijken - van vele, welke in volle bloei stonden, nooit op aarde haar gelijke of haar tegenhanger had gezien. Natuurlijk waren er talrijke van de oude bekende, maar een veel groter aantal scheen voor mijn nogal bescheiden kennis van bloemen geheel nieuw te zijn. Het waren niet alleen de bloemen zelf en haar ongelofelijke gamma van voortreffelijke kleuren, die mijn aandacht trokken, maar tevens de vitale atmosfeer van eeuwig leven, die zij a.h.w. in alle richtingen uitstraalden. Naderde men een speciale groep of zelfs een enkele bloem, dan schenen er grote stromen van opwekkende kracht van uit te gaan, die de ziel geestelijk ophieven en haar kracht gaven, terwijl de hemelse geuren, die zij uitademden, van dien aard waren als geen wezen in een aards kleed ooit heeft geroken. Al deze bloemen leefden en ademden en waren, zoals mijn vriend mij verklaarde, onvergankelijk. Toen ik dichterbij kwam, bemerkte ik echter nog iets verbazingwekkends. Dat was de klank van muziek, die ze omhulde en zachte harmonieën voortbracht geheel en al overeenkomend met de schitterende kleuren van de bloemen zelf. Ik vrees, dat ik muzikaal niet voldoende onderlegd ben, om u een klanktechnische uiteenzetting van dit schone verschijnsel te geven, maar ik hoop iemand tot u te voeren, die met dit onderwerp bekend is en in staat zal zijn hier dieper op in te gaan. Laat het voor het ogenblik voldoende zijn te zeggen, dat deze muzikale geluiden geheel in overeenstemming waren met alles, wat ik tot dusver had gezien - hetgeen nog heel weinig was - en dat er overal volkomen harmonie heerste. Ik was me reeds zozeer bewust van het feit, dat deze hemelse tuin in staat was nieuwe levenskracht te brengen, dat ik popelde om er meer van te zien. En zo wandelde ik langs de tuinpaden met mijn oude vriend, op wie ik hier steunde wat verklaringen en leiding betreft. Ik liep op de paden, betrad het voortreffelijke gras, waarvan de veerkracht en zachtheid bijna vergeleken konden worden met 'lopen op lucht' en trachtte me te realiseren, dat al deze ongemene schoonheid deel uitmaakte van mijn eigen tehuis. Er waren veel prachtige bomen, waarvan er niet een misvormd was, zoals men op aarde gewend is te zien. Toch was er geen spoor van absolute eenvormigheid. Elke boom groeide eenvoudig onder volmaakte omstandigheden, vrij van stormen of wind, die de jonge takken doen buigen en verkrommen en van de aanvallen van insecten en veel andere oorzaken van misvormingen van aardse bomen. Zoals het was met de bloemen, was het ook met de bomen. Ze leven voor altijd, onvergankelijk, altijd gekleed in hun volle bladertooi van alle kleuren groen en steeds leven uitstralend naar allen, die hen naderen. (18) Ik bemerkte, dat er onder de bomen geen gewone schaduw was en toch bleek er geen verblindende zon te zijn. Er scheen een stralend licht, dat in elke hoek doordrong en toch was er geen spoor van vlakheid. Mijn vriend vertelde me, dat al het licht rechtstreeks van de Schenker van alle licht kwam en dat dit licht dat goddelijke leven zelf was, waarin de gehele geestelijke wereld, waar zij leven, die ogen hebben om geestelijk te zien, mag baden en waardoor zij tevens wordt verlicht. Ik merkte ook op, dat een behaaglijke warmte de gehele ruimte doordrong, een volkomen gelijkmatige en volmaakt blijvende warmte. De lucht was stil, toch waren er zachte, geurbeladen briesjes, de reinste zefiers, die in geen enkel opzicht het verrukkelijke balsemrijke van de temperatuur veranderden. En laat me tot degenen, die in het geheel niet om geuren geven, zeggen: weest niet teleurgesteld, wanneer u deze woorden leest en beseft, dat het voor u nooit de hemel zou kunnen zijn, wanneer er iets was, waarvan u niet houdt. Ik zeg: wacht tot u deze dingen meemaakt en ik weet, dat u er dan heel anders over zult denken. Ik heb dit alles nogal uitvoerig besproken, omdat ik er zeker van ben, dat zeer velen daar nieuwsgierig naar zijn. Het viel me op, dat er geen spoor van muren, heggen of schuttingen was te vinden: inderdaad was er niets om -aan te geven waar mijn tuin begon of eindigde. Ik kreeg te horen, dat zulke dingen als afscheidingen niet nodig waren, omdat iedereen instinctief en zonder twijfel precies wist waar zijn eigen tuin ophield. Daarom kwam inbreuk maken op andermans terreinen niet voor, hoewel deze alle open stonden voor een ieder, die er door wenste te lopen of te vertoeven. Het was me van harte toegestaan te gaan waar ik maar wilde zonder bevreesd te hoeven zijn een ander lastig te vallen. Ook hoorde ik, dat ik zou bemerken, dat dit hier gewoonte was en dat ik er niet anders over zou denken ten opzichte van degenen, die in mijn tuin zouden wandelen. Hij gaf precies mijn gevoelens op dat ogenblik weer, want ik wenste ter plaatse onmiddellijk, dat allen, die dat graag wilden in de tuin zouden komen en van zijn schoonheid zouden genieten. Zelf had ik niet het minste gevoel van persoonlijk eigendom, hoewel ik wist, dat hij voor goed van mij was. En zo denken allen er hier precies eender over - alles is persoonlijk en gemeenschappelijk eigendom tegelijkertijd. Toen ik zag hoe keurig de tuin was onderhouden en verzorgd, vroeg ik mijn vriend inlichtingen over de genius, die er zo ijverig en met zulke prachtige resultaten voor had gezorgd. (19) Voor hij mijn vraag beantwoordde opperde hij het raadzaam te vinden - waar ik nog pas zo kort geleden in de geestelijke wereld was aangekomen - dat ik zou rusten, of dat ik tenminste mijn onderzoekingstochten niet zou overdrijven. Hij stelde daarom voor, dat we een prettig plaatsje zouden opzoeken - hij gebruikte de woorden vergelijkenderwijs, want het was overal meer dan 'prettig' - dat we daar zouden gaan zitten en dan zou hij een paar van de vele problemen behandelen, die zich in de korte tijd sedert mijn overgang hadden voorgedaan. Zo wandelden we door tot we onder de takken van een prachtige boom zo'n 'prettig' plekje vonden van waaruit we een grote uitgestrektheid van het landschap overzagen, waarvan het rijke groen voor ons uitgolfde en zich tot in de verte uitstrekte. Het hele uitzicht baadde in schitterende, hemelse zonneschijn. Ik kon vele huizen van verschillende vorm waarnemen, die evenals het mijne schilderachtig tussen de bomen en tuinen lagen. We wierpen ons op de zachte zoden, ik strekte me weelderig uit en voelde me of ik op een bed van het fijnste dons lag. Mijn vriend vroeg me, of ik vermoeid was. Ik had niet het gewone gevoel van aardse vermoeidheid, maar toch voelde ik min of meer de noodzakelijkheid van lichamelijke ontspanning. Hij vertelde me, dat mijn laatste ziekte de oorzaak was van dat verlangen en dat ik, wanneer ik wilde, in een toestand van volkomen slaap kon geraken. Op dat ogenblik voelde ik daar niet de noodzaak van. Ik zei hem, dat ik hem voor het ogenblik veel liever hoorde praten. En toen begon hij: "Wat een mens zaait", zei hij, "zal hij maaien". Deze woorden beschrijven nauwkeurig het grote eeuwige gebeuren, waardoor alles, wat je hier werkelijk voor je ziet, wordt teweeg gebracht. Al de bomen, de bloemen, de bossen, de huizen, - de gelukkige tehuizen van gelukkige mensen alles is het zichtbare gevolg van 'wat de mens zaait'. Dit land, waarin jij en ik nu leven, is het land van de grote oogst, waarvan de zaden op het aardse plan zijn geplant. Allen, die hier wonen, hebben door hun daden op aarde juist dat verblijf gekregen, waar zij naar toe zijn gegaan. Ik begon al vele dingen te onderscheiden, waarvan het voornaamste was, wat me ook het meest trof, de volkomen verkeerde houding, die de godsdienst aanneemt ten opzichte van de geestelijke wereld. Het blote feit, dat ik lag waar ik was, wettigde een volledige weerlegging van zoveel van wat ik had onderwezen en hooggehouden tijdens mijn leven als geestelijke op aarde. Ik kon boekdelen met rechtzinnige leringen, geloofsbelijdenissen en dogma's zien wegsmelten, omdat ze van geen belang zijn, omdat ze niet waar zijn en omdat ze hoegenaamd niet van toepassing zijn op de eeuwige wereld van de geest en op de grote Schepper en Instandhouder daarvan. Ik kon nu duidelijk zien, wat ik vroeger slechts wazig had waargenomen, dat rechtzinnigheid door de mens is gemaakt en dat het heelal door God is geschonken. (20) Mijn vriend ging voort me te vertellen, dat ik in de huizen die we van de plek waar we lagen, konden zien, mensen van allerlei soort en omstandigheden zou vinden; mensen wier godsdienstige opvatting toen ze nog op aarde waren gelijkelijk verschilden. Maar een van de grote feiten van het geestelijke leven is, dat de zielen precies hetzelfde zijn op het ogenblik na hun overgang in dat geestelijke leven, als het moment tevoren. Berouw op het doodsbed baat niet, aangezien dit meestal slechts lafheid is, voortgesproten uit angst voor wat er staat te gebeuren. Vrees voor een door de godsdienst opgebouwde eeuwige hel, welke zulk een bruikbaar wapen is in het kerkelijke arsenaal en een, dat misschien meer lijden in zijn tijd heeft gebracht dan welke andere foutieve dogma's ook. Daarom maken geloofsbelijdenissen in het geheel geen deel uit van de wereld van de geest, maar omdat de mensen al hun eigenaardigheden meenemen in de geestelijke wereld, zullen de vurige aanhangers van welke godsdienstige groep ook voortgaan hun godsdienst te belijden in de geestelijke wereld tot de tijd, dat hun denken geestelijk wordt verlicht. Zoals mijn vriend me uitlegde - en sindsdien heb ik ze zelf gezien - hebben we hier hele gemeenschappen, welke nog hun oude aardse godsdienst beoefenen. Godsdienstig gesproken zijn kwezelarij en vooroordelen alle aanwezig. Deze mensen doen niemand kwaad, behalve zichzelf, aangezien zulke dingen alleen henzelf raken. Het maken van bekeerlingen bestaat hier niet! Aangezien dit het geval was veronderstelde ik, dat onze eigen godsdienst hier ook volledig vertegenwoordigd zou zijn. Dezelfde ceremoniën, hetzelfde ritueel, dezelfde oude overtuigingen worden met dezelfde misplaatste ijver voortgezet in voor dit doel opgerichte kerken. De leden van deze gemeenschappen weten, dat ze zijn overgegaan en ze denken, dat het een deel is van hun hemelse beloning om voort te gaan met hun door de mens gemaakte vormen van aanbidding. Zo zullen ze voortgaan tot die tijd, dat er een geestelijk ontwaken plaats grijpt. Er wordt nooit pressie op deze zielen uitgeoefend; hun geestelijke herrijzenis moet uit hun innerlijk voortkomen. Wanneer deze komt zullen ze voor het eerst de ware betekenis van vrijheid smaken. Mijn vriend beloofde, dat wanneer ik dit wenste, we enige van deze godsdienstige groepen zouden bezoeken, maar hij opperde - waar er overvloed van tijd was - dat het beter zou zijn, wanneer ik vóór alles eerst helemaal aan het nieuwe leven zou wennen. Tot nu toe had hij mijn vraag onbeantwoord gelaten wie de vriendelijke ziel was, die mijn tuin zo goed onderhield, maar hij las mijn onuitgesproken gedachte en kwam zelf op de zaak terug. (21) Hij vertelde me, dat het huis en de tuin allebei de oogst waren, die ik voor mezelf had vergaard gedurende mijn aardse leven. Nu ik het recht had verworven deze te bezitten had ik ze 'gevormd' met behulp van edele zielen, die hun leven in de geestenwereld besteden aan het bedrijven van zulke vriendelijke daden en in het dienen van anderen. Dit was niet alleen hun werk, het was hun tegelijkertijd een genoegen. Dit werk wordt herhaaldelijk ondernomen en verricht door hen, die op aarde deskundigen waren op dat gebied en die er ook van hielden. Hier kunnen zij met hun bezigheden voortgaan onder voorwaarden, waarin slechts de wereld van de geest kan voorzien. Zulk een taak brengt haar eigen geestelijke beloning mee, hoewel de gedachte aan een beloning nooit in hen, die ze vervullen, opkomt. De wens anderen van dienst te kunnen zijn zit altijd voor. De man, die had geholpen om deze mooie tuin in het leven te roepen, was op aarde een liefhebber van tuinen geweest en - zoals ik zelf kon zien - was hij ook een deskundige. Maar wanneer de tuin eenmaal was aangelegd bestond er niet langer de onophoudelijke inspanning hem in orde te houden, zoals dat op aarde het geval is bij een grote tuin. Het zijn het voortdurend vergaan, de storm- en windvlagen en de vele andere oorzaken, die op aarde arbeid vergen. Hier is er geen verwelken en al wat groeit, doet dat onder dezelfde condities als waaronder wij bestaan. De tuin had praktisch geen verzorging nodig in de zin zoals wij dit gewoonlijk bedoelen. Mijn vriend de tuinman zou voor hem blijven zorgen als ik dat wenste. Niet dat ik dit slechts wenste, ik sprak de hoop uit, dat hij dat stellig zou willen doen. Ik drukte mijn diepe dankbaarheid uit voor zijn wonderbaarlijke werk en ik hoopte, dat ik hem zou kunnen ontmoeten om hem mijn grote waardering en dank te betuigen. Mijn vriend verklaarde, dat dat een heel eenvoudige zaak was en dat de reden, waarom ik hem nog niet had ontmoet, was gelegen in het feit dat ik nog pas zo kort geleden was aangekomen en dat hij niet wilde storen voordat ik me geheel thuis zou gevoelen. Mijn gedachten keerden opnieuw terug naar mijn beroep op aarde: het leiden van de dagelijkse dienst en al de andere plichten van een dienaar der Kerk. Aangezien zulk een beroep, wat mij betrof, nu overbodig was, brak ik me er nu het hoofd over, wat de naaste toekomst voor mij in petto had. Ik werd er opnieuw aan herinnerd, dat er overvloed van tijd was om over dit onderwerp te peinzen en mijn vriend stelde voor, dat ik zou gaan rusten en hem daarna zou begeleiden op enige inspectiereizen - er was zoveel te zien en zoveel dat ik meer dan wonderlijk zou vinden. Er waren ook tal van vrienden, die er op wachtten om mij weer te ontmoeten na onze lange scheiding. (22) Om te beginnen bedwong hij mijn gretigheid door te zeggen, dat ik eerst moest rusten. En welke plaats was daarvoor beter geschikt dan mijn eigen huis? Daarom volgde ik zijn raad en gingen we op weg daarheen. III. MIJN EERSTE ERVARINGEN Ik heb al vermeld, dat toen ik voor het eerst in mijn geestelijk tehuis werd binnengeleid, ik merkte, dat het net eender was als mijn aardse woning, maar met één verschil. Bij het binnentreden zag ik dadelijk, dat er verschillende veranderingen waren aangebracht. Deze waren merendeels van bouwkundige aard en precies zoals ik altijd had gewenst ze uit te voeren in mijn aardse huis, maar wat ik om architectonische en andere redenen nooit had kunnen doen. Hier was geen plaats voor aardse gebreken, zodat ik mijn geestelijke huis in het algemeen precies zo aantrof als ik het altijd had willen hebben. De voornaamste benodigdheden, onmisbaar verbonden aan een aardse behuizing, waren hier natuurlijk volkomen overbodig, b.v. de eenvoudige aardse kwestie om het lichaam van voedsel te voorzien. Dit is één voorbeeld van het verschil. En zo kan men zich andere gemakkelijk genoeg voor de geest roepen. Terwijl wij samen de verschillende kamers doorliepen, kon ik veel blijken zien van de attentie en de vriendelijkheid van hen, die zo energiek hadden gewerkt om mijn oude huis in zijn nieuwe omgeving te helpen herbouwen. Terwijl ik tussen zijn wanden stond was ik me ten volle bewust van zijn duurzaamheid in vergelijking met wat ik had achtergelaten. Maar het was een duurzaamheid waarvan ik wist, dat ik haar tenslotte zou kunnen doen eindigen; slechts zolang duurzaam, als ik dat wenste. Het was meer dan alleen maar een huis; het was een geestelijke haven, een verblijf vol vrede, waar de gebruikelijke huishoudelijke zorgen geheel ontbraken. Het meubilair bestond grotendeels uit wat ik oorspronkelijk voor de aardse woning had aangeschaft, niet omdat het bijzonder mooi was, maar omdat ik het bruikbaar en gemakkelijk had gevonden en omdat het aan mijn eisen beantwoordde. Men zag de meeste kleine versieringen op hun gebruikelijke plaats uitgestald en alles bij elkaar gaf het huis de onmiskenbare indruk van bewoond te zijn. Ik was waarlijk 'thuis gekomen'. In het vertrek, dat vroeger mijn studeerkamer was geweest, merkte ik een paar goedgevulde boekenplanken op. In het begin verbaasde het mij enigszins zulke dingen te zien, maar bij nadere beschouwing kon ik geen reden vinden, waarom boeken niet hun plaats in het plan zouden hebben, wanneer zelfs dit huis kon bestaan met al zijn toebehoren. (23) Ik was benieuwd, wat voor soort boeken het waren en daarom bekeek ik ze nader. Het bleek, dat mijn eigen boeken er stonden, duidelijk zichtbaar tussen de andere. Terwijl ik er zo voor stond begreep ik duidelijk de reden, de werkelijke reden, voor hun aanwezigheid. Vele daarvan bevatten de verhalen, waarover ik al eerder sprak, waarin ik had verteld van mijn eigen psychische ervaringen, nadat ik ze de vereiste godsdienstige draai had gegeven. Eén boek vooral drong zich in het bijzonder aan me op en ik realiseerde me volkomen, dat ik nu wenste het nooit te hebben geschreven. Het was een verwrongen verslag waarin de feiten zoals ik die werkelijk had gekend, niet eerlijk waren behandeld en de waarheid was verheeld. Ik gevoelde groot berouwen voor de eerste maal sedert mijn komst in dit land had ik spijt. Niet omdat ik ten laatste in de geestenwereld was aangekomen, maar verdriet omdat ik - met de waarheid voor me - haar opzettelijk had verworpen om in haar plaats bedrog en verkeerde voorstellingen te geven - want ik wist, dat zolang mijn naam zou voortbestaan, d.w.z. zolang deze enige handelswaarde had, men zou voortgaan dat boek te herdrukken, in omloop te brengen en te lezen - en te beschouwen als de absolute waarheid. Ik had het onaangename besef, dat ik nooit te niet zou kunnen doen, wat ik op die manier had geschreven. Geen enkel ogenblik had ik het gevoel hiervoor te zullen worden veroordeeld. Integendeel kon ik duidelijk een stemming van intense sympathie gevoelen. Waar deze vandaan kwam wist ik niet, maar ondanks dat, was deze werkelijk en concreet. Ik wendde me tot mijn vriend, die tijdens mijn inspectie en ontdekking bescheiden en begrijpend op enige afstand had gestaan en vroeg zijn hulp. Deze kwam onmiddellijk. Hij verklaarde me, dat hij volkomen had begrepen, wat mij met betrekking tot dit boek te wachten zou staan, maar dat men hem had verhinderd er iets over te zeggen, voordat ikzelf tot de ontdekking zou zijn gekomen. Toen ik alles had begrepen en daarop zijn hulp had verzocht, was hij ook dadelijk in staat gesteld mij die te geven. Mijn eerste vraag was hoe ik deze zaak in het reine zou kunnen brengen. Hij zei me, dat er verscheidene manieren waren waarop ik dit kon doen, sommige moeilijker - maar doeltreffender dan de andere. Ik opperde, dat ik misschien kon teruggaan naar de aarde om anderen van dit nieuwe leven te vertellen en te getuigen van de waarheid omtrent de communicatie tussen de twee werelden. Vele, vele mensen hadden dat geprobeerd en probeerden het nog, zei hij, en hoevelen werden geloofd? Dacht ik fortuinlijker te zullen zijn? (24) Stellig zou niemand van degenen, die mijn boeken lazen, ooit in de verste verte een boodschap van me ontvangen noch daaraan geloof hechten. En gaf ik me er ook rekenschap van, dat wanneer ik me bij zulke mensen zou aanmelden, zij me dan onmiddellijk een 'duivel' zouden noemen, zo niet de 'Vorst der Duisternis' zelf?! Laat ik je enige beschouwingen voorleggen over het onderwerp van de communicatie met de wereld van de aarde, vervolgde hij. Je weet zeker, dat het mogelijk is, maar heb je enig idee van de daaraan verbonden moeilijkheden? Laten we aannemen, dat je de middelen om contact te verkrijgen, hebt gevonden. Het eerste, wat er van je zal worden gevraagd, zal zijn een duidelijke en bepaalde identificatie van jezelf te leveren. Zeer waarschijnlijk zal er na je eerste verklaring van wie je bent enige aarzeling bestaan om je naam aan te nemen alleen omdat die gewicht in de schaal legde toen je nog op aarde leefde. Hoe belangrijk en beroemd we op aarde ook mogen zijn, zodra we naar het geestenrijk zijn vertrokken, wordt er over ons gesproken in de verleden tijd! Mochten we soms boeken van literaire aard hebben nagelaten, dan zouden die van veel groter belang zijn dan hun schrijvers, aangezien deze voor de wereld 'dood' zijn. Voor de aarde is de levende stem verklonken. En hoewel we zeer levend zijn - zowel voor onszelf als voor anderen hier - voor de mensen op aarde zijn we een herinnering geworden, soms voortdurend, maar meer nog een herinnering die vervaagt, slechts louter een naam achterlatend. Wij weten bovendien, dat we veel levender zijn dan we ooit tevoren zijn geweest; het grootste deel van de mensen op aarde zal echter menen, dat we 'dood' zijn; dood en daarmee uit. Men zal je dan bevelen enige bewijzen van je identiteit te verschaffen. Dat is heel juist in zulke omstandigheden, gesteld, dat dit niet tot het uiterste wordt gedreven, zoals zo vaak gebeurt. Nadat je aan die voorwaarden hebt voldaan, wat dan? Je zult te kennen willen geven, dat je leeft en je heel wel voelt. Indien de mensen, met wie je contact hebt, niet slechts leken zijn, zullen ze je verhaal niet in twijfel trekken, maar wanneer je zulk nieuws aan de wereld in het algemeen wilt zenden door de gebruikelijke kanalen, zullen zij, die geloven dat jij het werkelijk bent die hebt gesproken, diegenen zijn, die er reeds van weten en contact met de geestenwereld onderhouden. Wie zal overigens geloven, dat jij het bent? Niemand, zeker niemand van je vroegere lezers. Zij zullen zeggen, dat jij het niet kunt zijn, maar dat het een 'duivel' is, die zich voor je uitgeeft. Anderen zullen er zeer waarschijnlijk hoegenaamd geen notitie van nemen. (25) Natuurlijk zal er een aantal zijn, dat zich zou verbeelden, dat je, omdat je naar de geestenwereld bent overgegaan, opeens zult zijn begiftigd met de diepste wijsheid en dat alles, wat je zegt onfeilbare uitingen zijn. Je kunt nu enige van de moeilijkheden zien, waaraan je het hoofd zult hebben te bieden in deze eenvoudige zaak van het vertellen van de waarheid aan hen, die nog in de duisternis van de aarde verblijven. De voorspelling van mijn vriend bedroefde me zeer, maar ik onderschatte de buitengewoon grote moeilijkheden niet en ik werd genoopt het onderwerp voorlopig te laten varen. We zouden anderen, wijzer dan wij zelf, om raad vragen en misschien zou er een weg worden aangewezen, waar langs ik mijn wens zou kunnen verwezenlijken. Het zou mogelijk zijn, dat met het verlopen van de tijd - in aardse zin gesproken - mijn wensen zich zouden kunnen wijzigen. Er was veel, wat ik kon zien en doen en er was heel veel ondervinding op te doen, die onschatbaar voor me zou zijn indien ik tenslotte zou besluiten mijn voornemens uit te voeren. Zijn goede raad was, dat ik eens grondig zou rusten en in die tussentijd zou hij me verlaten. Wanneer ik - als ik geheel verfrist zou zijn - mijn gedachten naar hem zou uitzenden, zou hij ze ontvangen en dadelijk bij me terugkomen. Dus maakte ik het me 'gemakkelijk' op een bank en viel in een heerlijke toestand van half-slaap, waarin ik me volkomen van mijn omgeving bewust was, maar tegelijkertijd kon voelen, dat er een stroom van nieuwe levenskracht in me neerdaalde, die door mijn gehele wezen trok. Ik voelde me a.h.w. lichter worden, terwijl de laatste sporen van de oude aardse toestand voor goed werden verdreven. Ik heb er geen idee van hoe lang ik in deze aangename toestand bleef, maar tenslotte viel ik in een lichte sluimer, waaruit ik ontwaakte met het gevoel van volmaakte gezondheid zoals die in de wereld van de geest bestaat. Ik herinnerde me dadelijk het voorstel van mijn vriend en ik zond mijn gedachten naar hem uit. Binnen een paar seconden aardse tijd stapte hij de deur binnen. Zijn reactie was zo verbijsterend snel, dat mijn verbazing hem in vrolijk lachen deed uitbarsten. Hij verklaarde, dat het in werkelijkheid zeer eenvoudig was. De geestenwereld is een gedachten wereld; denken is handelen en gedachten werken ogenblikkelijk. Wanneer we ons op een bepaalde plaats denken, bewegen we ons met de snelheid van die gedachte en dat is zo onmiddellijk als men zich maar kan voorstellen. Ik zou zien, dat dit de gebruikelijke manier van voortbewegen was en dat ik spoedig in staat zou zijn die toe te passen. Er viel mijn vriend dadelijk een verandering in me op en hij wenste me geluk met het herwinnen van mijn volle kracht. Het is onmogelijk u ook maar het flauwste denkbeeld te geven van dit verrukkelijke gevoel van topvitaliteit en welzijn. (26) Wanneer we op aarde leven, worden wij bij voortduring op allerlei manier aan ons stoffelijk lichaam herinnerd, door koude of hitte, door pijn en door talloze andere oorzaken. Hier hebben we niet van zulke ongemakken te lijden. Hiermee bedoel ik niet, dat we maar ongevoelige blokken zijn en niets van invloeden van buiten af bemerken, maar dat onze gewaarwordingen geestelijk zijn en dat het geestelijk lichaam ontoegankelijk is voor iets vernietigends. We voelen met onze geest, niet met enig lichamelijk orgaan of gevoel en onze geest reageert rechtstreeks op het denken. Indien we onder bepaalde omstandigheden kou zouden gevoelen, ondergaan we die gewaarwording met ons denken en ons geestelijk lichaam lijdt op geen enkele wijze. We worden nooit bij voortduring daaraan herinnerd. In het gebied, waarvan ik nu spreek, is alles precies afgestemd op zijn bewoners - zijn temperatuur, zijn landschap, zijn vele huizen, het water van de rivieren en stromen en het allerbelangrijkste: alle bewoners ten opzichte van elkaar. Daarom is er niets dat ook maar iets ongelukkigs, onprettigs of onbehagelijks kan scheppen. We kunnen ons lichaam geheel vergeten en onze geest veroorloven vrij spel te hebben. Door onze geest kunnen we genieten van de duizenderlei heerlijkheden, die dezelfde geest heeft helpen opbouwen. Soms kunnen we ons bedroefd gevoelen - en soms geamuseerd - over degenen die nog op aarde zijn en onze beschrijving van het geestenland bespotten en er hoon en verachting over uitstorten! Wat weten deze arme zielen er van? Niets! En wat zouden deze zelfde zielen in de plaats willen stellen van de feiten van de geestelijke wereld? Ze weten het niet. Ze zouden ons ons schone landschap, onze bloemen en bomen, onze rivieren en meren, onze huizen, onze vrienden en onze vreugden en vermaken willen ontnemen. Waartoe? Wat voor opvatting hebben deze mensen met hun bekrompen geest van een geestelijke wereld? Ze geven zelfs domweg toe er helemaal geen te hebben. Ze zouden ons willen veranderen in schimmen zonder substantie, zonder intelligentie, slechts voortlevend in een soort van glansloze, duistere, nevelige toestand, afgescheiden van alles wat menselijk is. In mijn stralende gezondheid en overvloeiende levenskracht, waarvan ik u tot nu toe slechts een flauwe aanduiding heb gegeven, ben ik sterk onder de indruk van de grote onwetendheid, welke dergelijke mensen vertonen. Ik voelde, dat de tijd was gekomen, waarop ik gaarne iets van dit verbazingwekkende land zou willen zien en zo begon ik in gezelschap van mijn vriend mijn ontdekkingsreis. Degenen onder u, die de aarde hebben bereisd met het doel om nieuwe landen te zien, zullen begrijpen hoe het mij bij het op weg gaan te moede was. Om een ruimer uitzicht te hebben wandelden we naar een hoger gelegen stuk grond, waar zich een helder panorama voor ons oog ontrolde. Het landschap strekte zich voor ons uit tot in een schijnbaar oneindige verte. (27) In een andere richting kon ik duidelijk iets onderscheiden, wat geheel het voorkomen had van een stad met statige gebouwen. Men bedenke, dat alle mensen hier niet dezelfde smaak bezitten en dat, net als op aarde, velen de stad boven het buiten wonen verkiezen en omgekeerd, terwijl weer anderen van beide houden. Ik was zeer benieuwd hoe een stad in de geestelijke wereld er uit zou zien. Het scheen gemakkelijk genoeg zich hier het leven buiten voor te stellen, maar steden lijken toch hoofdzakelijk speciaal het werk van de mens in de stoffelijke wereld te zijn. Aan de andere kant kon ik geen logische reden aanvoeren, waarom de geestelijke wereld ook geen steden zou bouwen. Mijn metgezel vermaakte zich over mijn geestdrift, welke, naar hij me zei, op die van een schooljongen geleek. Het was echter niet zijn eerste kennismaking met de stad; de meeste mensen, die hier pas aankomen, zijn even verrast! En het verschaft onze vrienden een nooit eindigend genoegen ons rond te leiden. Ik kon in de verte een kerk zien, die naar het uiterlijk op de gebruikelijke wijze was gebouwd. Er werd voorgesteld, dat we in die richting zouden gaan en onderweg ook andere dingen zouden bekijken. Zo gingen we dan op weg. We volgden een pad, dat gedeeltelijk langs een beek leidde, waarvan het heldere water glinsterde in het licht van de hemelse zon. Terwijl het zijn loop vervolgde, bracht het welluidende tonen voort, die steeds veranderden en in een potpourri van de liefelijkste klanken overgingen. We gingen naar de oever, opdat ik het van dichtbij kon bezien. Het scheen bijna vloeibaar kristal te zijn en als het licht er op scheen, fonkelde het met alle kleuren van de regenboog. Ik liet wat water over mijn hand lopen, dat er uitzag of het ijskoud zou zijn. Dat verwachtte ik ook. Hoe groot was echter mijn verbazing te bemerken, dat het heerlijk warm was. Maar bovendien had het een electrificerende uitwerking, welke zich van mijn hand tot in de arm uitstrekte. Het was een zeer opwekkend gevoel en ik vroeg me af, hoe het zou zijn om er in te baden. Mijn vriend zei, dat ik het gevoel zou hebben met kracht te worden geladen, maar het water was niet diep genoeg om me er behoorlijk in onder te dompelen. Zo gauw we aan een groter water kwamen zou ik gelegenheid krijgen om me een bad te permitteren. Toen ik mijn hand uit de beek trok, merkte ik, dat het water van mijn hand droop in schitterende druppels en dat ze volkomen droog bleef! We hervatten onze wandeling. Mijn vriend zei, dat hij gaarne iemand met me zou willen bezoeken, die een huis bewoonde, dat we nu naderden. We liepen door enige artistiek aangelegde tuinen, staken een goed onderhouden grasveld over en kwamen bij een man, die aan de rand van een grote boomgaard zat. (28) Toen we naderbij kwamen stond hij op om ons tegemoet te gaan. Mijn vriend en hij begroetten elkaar allerhartelijkst, terwijl ik als nieuwaangekomene werd voorgesteld. Ik begreep, dat deze man heel trots was op de vruchten van zijn boomgaard. Hij nodigde me uit er een proefje van te nemen. De eigenaar van dit aangename verblijf scheen iemand van middelbare leeftijd te zijn voor zover ik kon beoordelen, ofschoon hij veel ouder zou kunnen zijn dan hij op het eerste gezicht leek. Sindsdien heb ik geleerd, dat het een heel moeilijke, bijna gevaarlijke opgave is om te proberen de leeftijd van de mensen hier te schatten! Want - om even af te dwalen - men moet weten dat het wet is bij onze geestelijke vooruitgang het voorkomen van de ouderdom, zoals men die op aarde kent, af te schudden. We verliezen de rimpels, welke de oude dag en de wereldse zorgen op ons gezicht hebben gegrift, evenals de andere kenmerken van het vervliegen der jaren. Ons uiterlijk verjongt, wanneer we toenemen in kennis, wijsheid en geestelijke kracht. Ik bedoel niet, dat ons uiterlijk zo bijzonder jeugdig wordt, noch dat we de uiterlijke symptomen van onze persoonlijkheid verliezen. Als dat gebeurde, zouden we allemaal van een dodelijke gelijkvormigheid zijn, maar we keren waarlijk terug of gaan vooruit al naar onze leeftijd bij ons sterven, naar wat we altijd als de bloei van het leven hebben beschouwd. Maar keren wij naar ons onderwerp terug. Onze gastheer leidde ons de boomgaard binnen, waar ik vele zeer goed gekweekte bomen vol vruchten zag. Hij keek me een ogenblik aan en nam ons toen mee naar een boom, die veel op een pruimenboom leek. De vruchten waren volmaakt van vorm met een diepe, rijke kleur en hingen in grote trossen. Onze gastheer plukte er wat van en gaf ze ons, zeggend, dat het ons beiden goed zou doen. De vruchten waren bij aanraking heel koel en merkwaardig zwaar voor hun grootte. Ze waren heerlijk van smaak, het vlees was zacht en niet lastig of onaangenaam bij het gebruiken en er liep een overvloed van nectarachtig sap uit. Mijn twee vrienden keken me aandachtig aan terwijl ik de vruchten at, ieder met een uitdrukking van vrolijke verwachting op het gezicht. Daar het sap uit de vruchten droop, verwachtte ik stellig er heel veel van op mijn kleren te hebben gemorst. Tot mijn verbazing kon ik er, hoewel het sap op me neerdroop, geen spoor van vinden! Mijn vrienden lachten luidkeels over mijn verbazing. Ik had groot plezier over de grap, maar begreep er niets van. Ze haastten zich me uit te leggen dat, waar ik me nu in een onbedorven wereld bevond, alles, wat 'niet gewenst' was, onmiddellijk terugkeerde naar zijn eigen element. Het vruchtensap, dat ik dacht op me te hebben gemorst, was teruggekeerd naar de boom, waarvan de vruchten waren geplukt. (29) Onze gastheer vertelde me, dat hij deze bijzondere soort pruim welke ik net had gegeten, altijd aanbeval aan mensen, die pas in de geestelijke wereld waren aangekomen. Hij helpt om de geest te herstellen, vooral wanneer het overlijden door ziekte is veroorzaakt. Hij merkte echter op, dat ik er niet naar uitzag of ik een langdurige ziekte had gehad en dat hij begreep, dat mijn overgang vrij plotseling was geweest, hetgeen volkomen juist was. Ik was slechts zeer kort ziek geweest. De verschillende vruchten die er groeiden, waren niet alleen voor hen, die na hun lichamelijke dood een of andere vorm van behandeling nodig hadden, maar allen vonden het prettig om er van te eten om hun opwekkende uitwerking. Hij hoopte, dat ik, wanneer ik geen vruchtbomen had - of zelfs als ik die had - zo dikwijls zou komen als ik maar wilde en er van zou nemen. "Het is hier altijd fruitseizoen", voegde hij er met grote vrolijkheid aan toe, "en je zult nooit een van de bomen zonder een overvloed van vruchten zien!" In antwoord op mijn vraag hoe ze groeiden, antwoordde hij, dat evenals op zoveel andere vragen in dit land, het antwoord slechts kon worden gegeven door degenen uit de hogere gebieden en dat het zelfs, wanneer we dat antwoord kregen, zeer waarschijnlijk zou zijn, dat we het niet zouden begrijpen tot op de tijd, dat we zelf die gebieden zouden gaan bewonen. We zijn inderdaad heel tevreden, zei hij, vele dingen te nemen voor wat zij zijn zonder te vragen, hoe ze ontstaan en we weten bovendien, dat die dingen ons van een nooit falende voorraad voorzien, omdat ze komen van een nooit falende Bron. Er is geen werkelijke noodzaak in zulke zaken te wroeten en de meesten van ons zijn zeer tevreden er met hartgrondige dankbaarheid van te genieten. Wat de feitelijke voorziening van het fruit aangaat, zei onze gastheer, dat hij alleen wist, dat wanneer hij zijn vruchten plukte er andere voor in de plaats kwamen. Het werd nooit overrijp, omdat het volmaakt fruit was en - evenals wij zelf - onvergankelijk. Hij nodigde ons uit door de boomgaard te wandelen, waar ik alle soorten vruchten zag, die de mens bekend zijn en vele, welke men alleen aan gene zijde kent. Ik proefde enkele van de laatste, maar het is onmogelijk enig idee te geven van hun verrukkelijke smaak, omdat ik geen aards fruit ken om er mee te vergelijken. We kunnen slechts een beschrijving aan de zintuigen geven in vergelijking met dat, wat we reeds hebben ondervonden. Wanneer we die ervaring niet hebben gehad, zijn we volkomen onmachtig enig nieuw gevoel te beschrijven, en nergens geldt dit meer dan voor de smaakzin. Mijn vriend legde onze gastheer uit, dat hij mij rondleidde om mij het land van mijn nieuwe leven te tonen. De laatste gaf ons veel goede wensen mee op onze weg. (30) Hij herhaalde zijn uitnodiging om hem te bezoeken wanneer ik maar wilde en zelfs indien hij er bij een van mijn mogelijke bezoeken niet zou zijn, moest ik van de vruchten eten zoveel ik wilde. Hij zei, dat de vruchtbomen de plichten van gastheer even goed als hij zouden vervullen - zelfs beter. Zo trokken we opnieuw verder na nog eens gezegd te hebben hoe prettig we het hadden gevonden en hoe dankbaar we waren. We keerden terug naar ons vorige pad langs de beek en vervolgden onze wandeling in de richting van de kerk. Nadat we een eindje waren doorgelopen, merkte ik, dat de beek breder werd tot zij zich verwijdde tot een schoongevormd meer. We konden vele groepen gelukkige mensen aan de oever verenigd zien, van wie sommige aan het baden waren. Het meer was door bomen omgeven en er waren bloemen in overvloed, zo aangelegd, dat, hoewel er een zekere ordelijkheid was waar te nemen, er toch geen aanduiding was van particulier bezit. Ze behoorden aan iedereen in gelijke rechten en ik merkte in het bijzonder op, dat niemand aanstalten maakte ze te plukken of uit te graven, of ze op enige andere manier te verstoren. Men zag een paar mensen, die hun handen op bijna liefkozende manier om enige van de bloemen hielden, wat me zo ongewoon scheen, dat ik mijn vriend hierover om opheldering vroeg. Hij antwoordde door me mee te nemen naar een jong meisje, dat op deze zonderlinge wijze bezig was. Ik was wat beschroomd om haar zo lastig te vallen, maar hij zei me te 'wachten en op te letten.' Mijn vriend boog zich naast haar neer. Zij keek om en zei iets vriendelijks tegen hem met een verwelkomende glimlach. Ik maakte er uit op, dat ze oude vrienden waren, maar dat was niet het geval. In feite vertelde hij mij later, dat hij haar nooit te voren had gezien en hij verklaarde, dat we hier in de geest geen formele introducties nodig hebben; we vormen een grote gemeenschap wat de 'sociale' omgang betreft. Wanneer we hier een poosje zijn geweest en gewend geraken aan onze nieuwe omgeving en manier van leven, merken we, dat we nooit iemand lastig vallen omdat we dadelijk de gedachten kunnen lezen van iemand, die een periode van afzondering wenst. En wanneer we mensen buiten zien - in een tuin of op het land - zijn we altijd welkom als we hen naderen om een vriendelijk praatje met hen te maken. Deze jongedame was, evenals ik, een nieuweling. Ze vertelde ons hoe enige vrienden haar de methode hadden gewezen om alles van de bloemen te vergaren, wat zij zo overvloedig hadden te geven. Ik bukte me naast haar en ze gaf me een praktische demonstratie van wat ik moest doen. Door de handen om de bloem te houden, zodat men ze in een soort kom hield, zei ze, zou ik het magnetisme in mijn armen omhoog voelen stromen. (31) Toen ik mijn handen naar een mooie bloem toebracht, merkte ik, dat de bloem zich op haar stengel naar me toebewoog! Ik deed wat me gezegd was en voelde onmiddellijk een stroom van leven in mijn armen opstijgen, terwijl de bloem een allerfijnst aroma uitwasemde. Ze zei me de bloemen niet te plukken, omdat ze waren bestemd daar voor altijd te bloeien; zij waren een deel van dit leven, net als wij zelf. Ik was heel dankbaar voor haar tijdige waarschuwing aangezien het de natuurlijkste zaak van de wereld was bloemen te plukken, die er in zo'n grote overvloed waren. Ik hoorde, dat het niet precies hetzelfde was als met het fruit, omdat fruit bestemd was om te worden gegeten. Maar de bloemen waren op zichzelf decoratief en deze te plukken stond gelijk met het omhakken van vruchtbomen. Er waren echter bloemen, die speciaal groeiden met de bedoeling te worden geplukt, maar deze aparte soort diende voornamelijk om gezondheid te brengen. Ik vroeg onze jonge vriendin, of zij wat van die heerlijke vruchten had geproefd, zoals wij zo juist. Ze antwoordde bevestigend! Mijn vriend vroeg, of ik niet liever wat dichter naar de oever wilde gaan en indien de jongedame alleen was of ze het dan misschien prettig zou vinden ons op onze uitstapjes te vergezellen. Ze antwoordde, dat ze niets liever zou doen. Zo begaven we ons alle drie naar het meer. Ik legde haar uit, dat mijn vriend als bewoner van deze landen hier goed thuis was en dat hij als mijn gids en raadsman optrad. Ze scheen blij te zijn met ons gezelschap; niet dat zij eenzaam was, want zoiets bestaat niet in dit gebied, maar toen zij op aarde was had zij weinig vrienden gehad en altijd een nogal eenzelvig leven geleid, hoewel zij daardoor nooit onverschillig of onnadenkend tegenover de zorg en het leed van anderen had gestaan. Sedert zij in de geestelijke wereld was gekomen had zij veel vriendelijke zielen van dezelfde aard als de hare gevonden. Ze veronderstelde, dat we misschien in hetzelfde geval waren geweest. Ik vertelde haar in het kort een en ander over mezelf en daar ik nog mijn aardse kleding droeg - d.w.z. het duplicaat! - wist ze min of meer wat mijn beroep was geweest. Aangezien mijn vriend net zo was gekleed, zei ze lachend, dat zij zich in veilige handen voelde! Het kwam me weer in de herinnering, wat er over baden was gezegd, maar ik wist niet goed, hoe ik de kwestie van onze badbenodigdheden ter sprake zou brengen. Mijn vriend redde echter de situatie door er zelf over te beginnen. Al wat we voor ons doel - een bad te gebruiken - nodig hadden, was het nodige water om in te baden! Niets was eenvoudiger We hadden maar in het water te gaan zoals we waren. Het deed er niet toe of we konden zwemmen of niet. En ik moet zeggen, dat ik versteld stond over het breken met de gebruikelijke methode en natuurlijk een beetje aarzelde. Mijn vriend wandelde echter kalm het meer in tot hij helemaal was verdwenen. (32) Wij beiden volgden zijn voorbeeld. Welk resultaat ik hiervan verwachtte kan ik niet zeggen, maar op zijn minst was ik dan toch in afwachting van de gebruikelijke uitwerking van water op een mens, zoals we dat op aarde zijn gewend. Groot was dan ook mijn verbazing - en opluchting - toen ik ontdekte dat het water meer leek op een warme omgeslagen mantel dan op een doordringende vloeistof. De magnetische uitwerking er van was net als die van de beek, waarin ik mijn hand had gestoken, maar hier omgaf zijn vernieuwende kracht het gehele lichaam, nieuw leven er in uitstortend. Het was heerlijk warm en zeer opwekkend. Men kon er rechtop in staan, er op drijven en natuurlijk ook volslagen onder de oppervlakte zinken zonder het minste ongemak of gevaar. Had ik er even bij stilgestaan, dan had ik kunnen weten, dat het laatste onvermijdelijk het geval zou moeten zijn. De geest is niet te verdelgen. Maar behalve deze magnetische invloed ging er een geruststellend gevoel van het water uit, dat was zijn karakteristieke vriendelijkheid als ik het zo mag noemen. Het is niet gemakkelijk enig idee te geven van deze fundamentele geestelijke ervaring. Het water leefde zonder twijfel. Het ademde een ware goedheid uit als het werd aangeraakt en strekte zijn hemelse invloed uit tot een ieder persoonlijk, die er mee in aanraking kwam. Wat mij aanging, ik ondervond zulk een geestelijke opheffing en vernieuwing van mijn levenskracht, dat ik mijn eerste aarzeling en het feit, dat ik geheel gekleed was, vergat. Dit laatste maakte, dat ik me heel gewoon en natuurlijk voelde en dit gevoel nam nog toe, toen ik mijn beide metgezellen gadesloeg. Mijn oude vriend was natuurlijk volkomen aan het water gewend en onze nieuwe vriendin scheen zich vlug aan de nieuwe gebruiken te hebben aangepast. Mij werden verdere zorgen bespaard bij de herinnering, hoe het water van mijn hand was gelopen toen ik haar uit de beek trok en ze geheel droog bleek te zijn. Dus was ik al voorbereid op wat er volgde bij ons verlaten van het meer. Toen ik er uit kwam liep het water eenvoudig weg en liet mijn kleren net zoals zij tevoren waren geweest. Het had de stof doordrongen juist als de lucht of atmosfeer op aarde zou hebben gedaan, maar het had geen enkel zichtbaar of tastbaar gevolg achtergelaten. Wij en onze kleren waren volkomen droog! En nu nog wat anders over het water. Het was zo helder als kristal. Het licht werd weerkaatst in elke rimpel en kleine golf in bijna verblindend heldere kleuren. Het was ongelofelijk zacht bij aanraking en zijn opwekkende kracht was van dezelfde soort als de atmosfeer, d.w.z. het ondersteunde alles wat er op of er in was. Zoals het hier onmogelijk is door een ongeluk te vallen, zoals op aarde, zo is het even onmogelijk in het water te zinken. (33) Al onze bewegingen zijn rechtstreeks in overeenstemming met onze gedachten. We kunnen geen nadeel of ongeluk krijgen. Het is, vrees ik, tamelijk moeilijk een beschrijving van sommige van deze dingen te geven zonder het aardse bevattingsvermogen te boven te gaan. Er is zoveel, dat men uit de eerste hand moet hebben bijgewoond om enig juist denkbeeld van de wonderen van deze landen te krijgen. Een korte wandeling bracht ons naar de kerk, die ik in de verte had gezien en zo bijzonder graag wilde bezoeken. Het was een gebouw van middelmatige grootte in Gotische stijl en geleek op een gewone aardse 'parochiekerk'. Het lag in een prettige omgeving, die des te ruimer leek door de afwezigheid van hekken of muren om de kerkelijke grenzen aan te geven. De buitenkant van het metselwerk zag er zo nieuw en fris uit of het pas was gebouwd, maar in werkelijkheid bestond het reeds vele aardse jaren. De uitwendige reinheid was slechts in overeenstemming met alle dingen hier - er is geen verval. Noch is er ooit iets rokerigs in de atmosfeer, dat zwart worden en verkleuren zou kunnen veroorzaken! Er was natuurlijk geen kerkhof bij. Zelfs al houden sommigen hier nog zo hardnekkig vast aan hun oude, aardse godsdienstige voorliefdes en gebruiken, toch kan men nauwelijks veronderstellen, dat zij bij het bouwen van een kerk - zij het dat deze op aardse wijze is ingericht - ook een volkomen overbodig kerkhof zouden aanleggen. Dicht bij de hoofddeur was het gebruikelijke aanplakbord, maar dit gaf alleen de aard van de diensten aan, die van de staatskerk waren. Er was helemaal geen melding gemaakt van de aanvangsuren der diensten en ik vroeg me af hoe het mogelijk was, dat zulk soort gemeenten samenkwamen, daar de tijd zoals men die op aarde kent, niet bestaat. Want er is hier geen wisseling van dag en nacht om de tijd te meten. Het is eeuwig dag. De grote hemelse zon schijnt altijd, zoals ik heb gezegd. Evenmin hebben we de vele andere aanduidingen van tijd, die zich aan het aardse bewustzijn opdringen - zoals b.v. honger en vermoeidheid, noch op de langere duur het ouder worden van het stoffelijk lichaam en het afstompen van de geestelijke vermogens. Wij hebben hier geen terugkerende seizoenen van lente, herfst en winter. In plaats daarvan genieten we de pracht van een eeuwige zomer - en die gaat ons nooit vervelen! Zoals gebruikelijk wendde ik me tot mijn vriend om inlichtingen over dit punt van de kerkelijke bijeenkomsten. Het was heel eenvoudig, zei hij, om de mensen in de kerk te verzamelen. Hij, die er mee is belast, heeft slechts zijn gedachten naar zijn gemeente uit te zenden en zij, die dat willen, komen onmiddellijk samen! Men hoefde geen klok te luiden. Het uitzenden van gedachten is veel radicaler en juister! (34) Dat is eenvoudig voor wat de gemeenteleden betreft. Zij hebben slechts te wachten tot de gedachte hen bereikt, hetzij in een rechtstreekse oproep, of door -aandrang om de dienst bij te wonen. Maar waarvandaan ontvangt de dienstdoende predikant de aanduiding van de naderende kerkdienst? Die vraag wierp een veel groter probleem op, werd me gezegd. Doordat de geestelijke wereld geen aardse tijd kent, worden onze levens geregeld door de gebeurtenissen, d.w.z. gebeurtenissen die een deel uitmaken van ons leven. Ik doel nu niet op toevallige gebeurtenissen, maar op wat op aarde zouden worden beschouwd als terugkerende voorvallen. We hebben hier veel van zulke gebeurtenissen, zoals ik hoop aan te tonen, naarmate we verder komen. Zodoende zal men zien, hoe we weten, dat de uitvoering van bepaalde handelingen, persoonlijke of in vereniging met anderen ons duidelijk aan het verstand worden gebracht. De inzetting van deze kerk, die we nu bezichtigden, had ook een geleidelijk opgebouwde orde van dienst, waarmee zij, die op aarde tot deze speciale richting behoren, vertrouwd zijn. De geestelijke, die als herder van deze vreemde kudde optreedt, zou de nadering van de gebruikelijke 'dag' en 'tijd' voelen door de plichten die hij op aarde had vervuld. In dit opzicht zou dit instinctief zijn. Bovendien zou dit gevoel door de praktijk sterker worden, totdat de geestelijke waarneming volkomen regelmatig zou terugkeren, zoals dit op aarde ook gebeurt. Wanneer dit zo grondig is ingesteld, heeft de gemeente slechts de oproep van haar voorganger af te wachten. Het aanplakbord bevatte een lijst van de gebruikelijke diensten, zoals men die gewoonlijk aan de buitenzijde van een aardse kerk van dezelfde sekte aantreft. (In Engeland) Het viel echter op, dat een paar bijzonderheden ontbraken, zoals de bepalingen voor huwelijken en doop. Het ontbreken van de eerste kon ik begrijpen; dat van de laatste kon slechts inhouden, dat de doop onnodig was, aangezien alleen de gedoopten in de 'hemel' zouden zijn - waar zij vermoedelijk dachten, dat deze kerk was gelegen! Nu gingen we naar binnen en bevonden ons in een heel mooi gebouw, conventioneel van vorm en het meeste bevattend, wat in dergelijke kerken op aarde het geval is. Er waren enige mooie glas-in-lood-ramen, taferelen uit het leven van 'heiligen' uitbeeldend, waardoor het licht gelijkmatig aan alle zijden van de kerk tegelijk binnenstroomde. Dit veroorzaakte een vreemd effect in de atmosfeer door de kleuren van het vensterglas. Voorzieningen voor de verwarming van het gebouw waren natuurlijk geheel overbodig. Er was een mooi orgel aan het einde en het van steen gebouwde hoofdaltaar was rijk gebeeldhouwd. (35) Overigens was het er niet bijzonder mooi, wat echter geenszins afbreuk deed aan de algemene schoonheid van de architectuur. Overal zag men, dat er met grote zorg aan was gewerkt, wat niet te verwonderen is, de plaats in aanmerking genomen waar de kerk zich bevond en wanneer men zich indenkt welk een wonder het is, dat zulk een kerk over het geheel kan bestaan. We gingen een ogenblik zitten en vonden dat er een kalme en vredige atmosfeer in het gehele gebouw hing. Daarna vonden we, dat we alles hadden gezien, wat er te zien viel en gingen naar buiten. IV. HET RUSTHUIS Terwijl we verder wandelden waren minstens twee van ons nog geheel vervuld van wat we hadden gezien en vroegen we ons af wat dit nu verder inhield. Onze jonge vriendin, die ons vertelde dat zij Ruth heette, stelde ons een aantal vragen, maar ik wachtte mij wel te antwoorden, daar ik zelf nog maar een nieuweling was. Dit liet ik over aan mijn vriend, wiens naam Edwin ik tot nu toe heb verzuimd te vermelden. Het bleek, dat Ruth op aarde nooit een ijverige kerkgangster was geweest. Maar het leed geen twijfel, dat zij een vriendelijke ziel was en het was eveneens duidelijk, dat het feit, dat zij niet naar de kerk ging, geen verschil had gebracht in haar uiteindelijke plaats van bestemming, van aards standpunt uit bekeken. Haar geestelijk welzijn was meer gebaat door het dienen van haar medemensen dan elk uiterlijk vertoon van kerkelijk geloof had kunnen doen. Zo dikwijls is er slechts uiterlijk vertoon. Evenals ikzelf was zij zeer verbaasd hier in de wereld van de geest de volledige uitoefening van de rechtzinnige godsdienst te vinden. Edwin vertelde haar, dat zij tot nu toe slechts één voorbeeld er van had gezien maar dat er legio andere waren. Hoe dan ook, wanneer men dit ene had aanschouwd, had men ze min of meer alle gezien. Elke sekte houdt vast aan haar eigen speciale geloofsbelijdenis en formulieren, net als op aarde, met enkele kleinere verschillen, zoals ons juist was gebleken. Zulk een vorm van geestelijk niet-wakker-zijn is niets nieuws in de wereld van de geest. De wereld van de aarde is de schuldige. Godsdienstige naijver en strijd liggen ten grondslag aan alle onwetendheid en gebrek aan kennis, die zo velen meebrengen in deze wereld. Wanneer de geestelijke gesteldheid van zulke mensen koppig is en zij niet in staat zijn werkelijk voor zichzelf te denken, blijven zij aan hun eigen bekrompen godsdienstige opvattingen gekluisterd, menend, dat dit de volledige waarheid is, totdat de dag van geestelijk ontwaken voor hen aanbreekt. (36) Dan zien zij, dat het slaafs aanhangen van hun geloofsbelijdenissen hen niet vooruithelpt. Het is zo te betreuren, dat er voor ieder, die voorgoed deze misleide kerkgenootschappen verlaat, een ander in de plaats komt - tot de tijd zal komen, dat de hele aarde de waarheid over de geestelijke wereld zal kennen. Natuurlijk doen zij op zichzelf hier geen kwaad behalve dan dat zij hun eigen geestelijke vooruitgang tegenhouden. Wanneer zij eenmaal beseffen, wat zij zichzelf aandoen en de eerste schrede voorwaarts zetten, kent hun vreugde geen einde. Zij beseffen dan hoeveel tijd zij klaarblijkelijk hebben verspild. Nu rest de vraag, of met het verkrijgen van kennis en waarheid dit voortzetten van een aardse godsdienst in de geestelijke wereld niet beter over boord geworpen kan worden, maar wat zal men er voor in de plaats stellen? Het klinkt als een veroordelen van een gezamenlijke eredienst. Maar dit is niet zo. We hebben hier onze gezamenlijke eredienst, maar deze is gezuiverd van elk spoor van zinloze geloofsbelijdenissen, leringen en dogma's. Wij eren de Grote en Eeuwige Vader in waarheid, in absolute waarheid. Wij zijn geheel één van zin. En van niemand wordt gevraagd blindelings te geloven - of voor te wenden dit te doen - iets wat voor iedereen volkomen onbegrijpelijk is. Er zijn hier vele, vele dingen, die we niet doorgronden en het zal eeuwen duren voordat we er ook maar een flauw begrip van zullen krijgen. Maar er wordt niet van ons gevraagd ze te begrijpen; er wordt van ons gevraagd ze te aanvaarden zoals ze zijn. Het maakt hoegenaamd geen verschil voor de vooruitgang van onze ziel. We zijn in staat vooruit te komen, ja, héél ver, voordat we ooit zullen behoeven te denken over het begrijpen van zulke dingen. Zo zijn wij eensgezind in ons eren van de Allerhoogste. Dat waren de dingen, die we bespraken - het was Edwin, die uitlegde - terwijl we voortwandelden in de heerlijke lucht van Gods hemel. Ruth ontdekte een vrij statig gebouw op goed beboste terreinen gelegen, dat ook mijn nieuwsgierigheid opwekte. Toen we er onze gids naar vroegen, vertelde Edwin ons, dat het een rusthuis was voor hen, die in de geestelijke wereld waren gekomen na een lange ziekte, of die een gewelddadige dood waren gestorven en die dientengevolge leden van de schok. We vroegen ons af, of het mogelijk zou. zijn daarbinnen een kijkje te nemen, zonder nieuwsgierig te lijken. Hij verzekerde ons, dat daar helemaal geen bezwaar tegen was, omdat hij zich daar verdienstelijk had gemaakt en daarom persona grata was. Daarbij kwam, dat hij wist, dat we de nodige sympathie hadden, die elke gedachte aan nieuwsgierigheid zou uitsluiten. (37) Toen we naderbij kwamen, zag ik, dat het gebouw van buiten in geen enkel opzicht op een 'ziekenhuis' leek, wat ook zijn functies mochten zijn. Het was in de klassieke stijl gebouwd, twee of drie verdiepingen hoog en naar alle zijden geheel open. Dat wil zeggen, het had geen ramen, zoals we die op aarde kennen. Naar de kleur van zijn bouwmaterialen te oordelen was het wit, maar onmiddellijk daarboven zag men een grote straal van blauw licht er op neerdalen, dat het ganse gebouw met zijn uitstraling omgaf, met dat effect, dat het geheel een opvallend blauwe tint kreeg. Deze grote straal was het neerstromen van leven - een genezende straal - uitgezonden naar hen, die hier reeds waren aangekomen, maar nog niet waren ontwaakt. Wanneer zij hun geestelijke gezondheid geheel zouden hebben herkregen, zou er een luisterrijk ontwaken volgen en zouden zij hun nieuwe land worden binnengeleid. Ik merkte op, dat er een groot aantal personen op het gras van de terreinen zat, of er rondwandelde. Zij waren verwanten en vrienden van hen die in het rusthuis een behandeling ondergingen en van wie het ontwaken nabij was. Hoewel deze bezoekers zonder twijfel opgeroepen hadden kunnen worden op het ogenblik, dat zij nodig waren, verkozen zij toch, hun aardse instinct volgend, vlak in de buurt te wachten op het gelukkige moment. Zij waren allen overgelukkig en zeer opgewonden, zoals aan hun gelaatsuitdrukking was te zien. We ontvingen vele vriendelijke glimlachjes terwijl wij ons tussen hen bewogen. Ook naderden velen ons om ons te begroeten, denkend, dat we daar met hetzelfde doel waren gekomen als zij. We vertelden hen echter de werkelijke reden. Zij wensten ons het beste op onze tocht. Ik zag, dat de meesten, die daar in de tuinen wachtten, niet hun aardse kleren droegen. Ik vermoedde, dat de meesten reeds geruime tijd in de geestelijke wereld vertoefden. Dit was niet bepaald noodzakelijk, vertelde Edwin ons. Ze hadden het recht hun geesteskleed te dragen door het feit, dat zij bewoners waren van het gebied, waarin we ons nu bevonden. En de gewaden, die ze droegen, pasten volkomen zowel bij de plaats als bij de gelegenheid. Het is moeilijk dit kostuum te beschrijven, omdat het er op aankomt een of andere vergelijking te geven met een speciale aardse stof. Hier hebben we zulke stoffen niet en onze kleren danken hun voorkomen niet aan de samenstelling van het materiaal, maar aan de soort en graad van het licht, dat de essentie is van een geesteskleed. Die, welke we nu zagen, waren van golvend model en lang en de kleuren - blauw en rose, verschillend in intensiteit - schenen zich met de gehele substantie er van te verweven. Ze schenen zeer prettig te zitten. Zoals met alles hier, behoeft men er niets aan te doen om ze netjes te houden, omdat dit alleen afhangt van de geestelijke gesteldheid van de drager. We droegen alle drie nog onze aardse kleding. (38) Edwin stelde voor, dat we met het oog op onze plannen, zouden overgaan tot een meer toepasselijke dracht. Ik was vanzelfsprekend volkomen bereid elk voorstel van hem op te volgen, waar ik me in alles tot hem wendde bij mijn gebrek aan kennis. Ruth scheen ook zeer verlangend deze verandering te proberen, maar wat we beiden niet wisten, was hoe dit in zijn werk moest gaan. Er zijn mogelijk mensen op aarde, die zouden denken, dat hieraan een ceremonie te pas zou komen, waarbij men formeel werd begiftigd met een geesteskleed in tegenwoordigheid van een aanzienlijk gezelschap van hemelse wezens, die waren gekomen, om getuige te zijn van het uitreiken van onze hemelse beloning en de uitnodiging om onze 'eeuwige rust' in te gaan! Laat ik me haasten te zeggen, dat dit zeer stellig niet het geval was. Wat er gebeurde, was heel eenvoudig dit: onmiddellijk nadat ik de wens had geuit Edwins voorstel op te volgen om mijn aardse dracht af te leggen, verdween deze, loste op, en droeg ik mijn eigen speciale geesteskleed van dezelfde soort als ik om me heen zag. Dat van Edwin was op dezelfde wijze veranderd en ik merkte op, dat het zijne een sterker kleur bleek uit te stralen dan het mijne. Dat van Ruth was net als het mijne. Onnodig te zeggen, dat ze verrukt was over deze nieuwe manifestatie van de geest. Mijn oude vriend had de verandering vroeger meegemaakt, daarom was zijn kostuum niet nieuw voor hem. Maar wat mijzelf betrof - en ik ben er zeker van dat dit ook gold voor Ruth - voelde ik geen ogenblik ook maar enige verwarring, onwennigheid of trots bij deze - zoals het zou kunnen lijken - revolutionaire verandering in onze uiterlijke verschijning. Integendeel, het scheen heel natuurlijk en volkomen in orde en het was ongetwijfeld in overeenstemming met onze tegenwoordige omgeving, wat me direct opviel toen we het rusthuis binnenliepen. Niets zou tegenstrijdiger zijn geweest dan een aardse dracht in zulk een gebouw, waarvan de inrichting en de ruimten zo totaal anders waren dan wat men in zo'n geval op aarde ziet. Toen we binnenkwamen werden we ontvangen door iemand, die Edwin begroette als een oude vriend. Hij legde in het kort zijn komst en onze aanwezigheid daar uit. We werden uitgenodigd om alles te bezichtigen, wat we maar wilden. Een voorportaal aan de buitenzijde leidde naar een indrukwekkende hal van aanzienlijke afmetingen. Op de plaats waar gewoonlijk ramen zijn, stonden rijzige pilaren op enige afstand van elkaar. Dit herhaalde zich langs alle vier de wanden. Er was weinig versiering binnenshuis, maar men moet niet denken, dat het er koud en kazerneachtig uitzag. Allesbehalve. De vloer was bekleed met een zeer zachte bedekking, sober van patroon. (39) Hier en daar hing er een knapgeborduurd wandtapijt aan de muren. De gehele vloer werd ingenomen door zeer gemakkelijk er uitziende rustbedden, op elk waarvan zich een liggende gedaante bevond, heel stil en klaarblijkelijk in diepe slaap. Een aantal mannen en vrouwen bewoog zich daartussen, ingespannen toekijkend op de verschillende rustbedden en hun last. Zodra we deze hal betraden, bemerkte ik, dat we onder de invloed kwamen van de blauwe straal, die een uitgesproken rustgevende uitwerking had en veel energie uitstraalde. Iets anders, wat opviel was, dat men absoluut niet de indruk kreeg in een instituut te zijn met zijn onvermijdelijke staf van personeel. Er was geen sprake van hogere leiding, noch had ik enig gevoel van onder vreemden te zijn. Degenen, die de slapenden verzorgden, deden dit niet maar zo goed en zo kwaad als het ging, maar alsof zij een liefdewerk verrichtten om de pure vreugde van het werk zelf. Dit was inderdaad het geval. Het blijde ontwaken van deze slapende zielen was een steeds weerkerende vreugde voor hen, niet minder dan voor degenen, die waren gekomen om daarvan getuige te zijn. Ik vernam, dat alle 'patiënten' in deze hal langdurige ziekten hadden doorgemaakt vóór hun overgang. Onmiddellijk na hun dood worden zij zacht in een diepe slaap gebracht. In sommige gevallen volgt de slaap onmiddellijk - of praktisch zonder onderbreking - op de lichamelijke dood. Een lange ziekte voor de overgang naar gene zijde heeft een verzwakkende uitwerking op het denken, dat op zijn beurt zijn invloed heeft op het geestelijke lichaam. Dit laatste is niet ernstig, maar het denken heeft korter of langer tijd volslagen rust nodig. Elk geval wordt individueel behandeld en tenslotte altijd met goed resultaat. Gedurende deze slaaptoestand rust het denken volkomen. Men heeft geen onplezierige dromen of ijlkoortsen. Terwijl ik naar deze volmaakte openbaring van de Goddelijke Voorziening stond te staren, viel me de gedachte in aan die belachelijke aardse ideeën van 'eeuwige rust', 'eeuwige slaap' en de vele andere even malle opvattingen. Ik vroeg me af, of deze slaap, die ik nu aanschouwde, toevalligerwijze door de aardse gedachten was verwrongen tot de toestand van eeuwige sluimer, welke alle zielen na de dood doormaken, om daarin talloze jaren de schrikwekkende 'laatste dag' af te wachten - de gevreesde 'Dag des Oordeels'. Hier was de zichtbare weerlegging van zulk een zinloos geloof. Mijn beide vrienden vertelden me, dat zij geen van beiden in dit of een ander rusthuis waren ontwaakt. Evenmin als ik hadden zij een lange ziekte doorgemaakt en het einde van hun aardse leven was heel snel en heel gemakkelijk verlopen. De patiënten op hun rustbedden zagen er zeer vredig uit. (40) Er wordt voortdurend bij hen gewaakt en bij het eerste teken van terugkerend bewustzijn worden anderen gewaarschuwd en is alles gereed voor het volledig ontwaken. Sommigen worden gedeeltelijk wakker en zinken dan weer terug in de sluimer. Anderen schudden hun slaap meteen af en dan wacht de gevorderde zielen, die op hun post staan, misschien nog de moeilijkste taak. Tot op dat ogenblik is het feitelijk in hoofdzaak een kwestie van opletten en wachten. In vele gevallen moet de pas ontwaakte ziel worden uitgelegd, dat hij is 'gestorven' en toch leeft. Gewoonlijk herinneren de patiënten zich hun langdurige ziekte, maar sommigen zijn zich volkomen onbewust, dat zij naar de geestelijke wereld zijn overgegaan en wanneer hen de ware stand van zaken voorzichtig en rustig is uitgelegd, hebben zij dikwijls de vurige wens om terug te gaan naar de aarde, misschien naar hen, die treuren, misschien naar diegenen voor wier zorg en welzijn zij verantwoordelijk waren. Men zegt hen, dat het niets helpt of zij teruggaan en dat anderen met ondervinding zullen zorgen voor hetgeen hen zo verontrust. Zulk ontwaken is niet gelukkig in vergelijking met dat van hen, die ten volle beseffen wat er heeft plaats gehad. Wanneer de aarde meer verlicht was, zou dit vaker het geval zijn en met heel wat minder verdriet voor de pas ontwaakte ziel. De wereld van de aarde meent, dat zij zeer ver gevorderd is, zeer 'geciviliseerd'. Zulk een mening krijgt men door blinde onwetendheid. De aardse wereld met al, wat daarbij behoort, wordt van het allergrootste belang beschouwd en de geestelijke wereld als iets vaags en iets wat ver weg is. Wanneer een ziel daar tenslotte aankomt is het tijd genoeg om er over te gaan denken. Het is niet nodig zich daarover druk te maken tot die tijd aanbreekt. Dat is de instelling van duizenden en duizenden mens geworden zielen. Hier in het rusthuis aanschouwden we mensen, die uit hun geestelijke slaap wakker werden. We zagen vriendelijke en geduldige geesten, die heel hard hun best deden om diezelfde mensen er van te overtuigen, dat zij werkelijk waren 'gestorven'. Het rusthuis is er maar één van de vele, waarin dezelfde diensten zonder onderbreking worden betoond en dat alles, omdat de wereld van de aarde zo'n bijzonder hoog verheven kennis bezit! Men liet ons een andere grote hal zien, die net eender was ingericht, waar zij, wier dood plotseling en gewelddadig was geweest, in een tijdelijke slaap verkeerden. Het was in de regel nog moeilijker om deze gevallen te behandelen, dan die, welke we juist hadden gezien. Het plotselinge van hun heengaan maakte de verwarring van hun denken nog groter. In plaats van geleidelijk over te gaan was het geesteslichaam in veel gevallen met geweld en overijld uit het stoffelijk omhulsel geslingerd. Het sterven was plotseling geweest, zodat het hen scheen, dat er geen onderbreking had plaats gehad. (41) Zulke mensen worden vlug behandeld door scharen van zielen, die al hun tijd en energie wijden aan zulk werk. Indien deze onwetenden slechts een weinig kennis van de geestelijke dingen hadden bezeten, zou hun ontwaken zoveel gelukkiger zijn geweest. Ik verzeker u, dat het geen prettig gezicht is om deze zachtaardige, geduldige helpers geestelijk te zien worstelen - en soms bijna lichamelijk - met mensen, die volslagen onwetend zijn van het feit van hun 'dood'. Het is een heel bedroevende aanblik waarvan ik uit de eerste hand kan getuigen, want ik heb het immers zelf gezien. En wie is de schuld van deze toestand? De meeste van deze zielen beschuldigen zichzelf, wanneer zij hier lang genoeg zijn geweest, om hun nieuwe toestand naar waarde te schatten, of wel zij beschuldigen de wereld, welke zij zo juist hebben verlaten, voor het toelaten van zulke verblindheid en domheid. Edwin liet doorschemeren, dat we nu misschien wel alles hadden gezien, wat we wilden en om de waarheid te zeggen waren Ruth en ik niet rouwig om te vertrekken. Want men moet bedenken, dat wij beiden betrekkelijk nieuwelingen waren en dat we nog niet genoeg ondervinding hadden om ons tegen dingen te verzetten, die op zichzelf benauwend waren. Daarom gingen we weer naar buiten en een pad op, dat langs een grote boomgaard liep, net als die - hoewel veel uitgestrekter - waarin ik voor het eerst had geproefd van het hemelse fruit. Zij was dichtbij voor het gebruik van de pas ontwaakten - en natuurlijk voor ieder ander, die van de opwekkende vruchten wilde eten. Het kwam in me op, dat Edwin een groot deel van zijn tijd aan ons besteedde, misschien ten koste van zijn eigen werk. Maar hij vertelde ons, dat wat hij nu deed in vele opzichten zijn gebruikelijke werk was, niet alleen om de mensen te helpen vertrouwd te geraken met hun nieuwe omgeving, maar om hen te helpen, die juist begonnen zich van hun oude godsdienstige ideeën te ontdoen en zich te bevrijden van het beknellende denken der leden van rechtzinnige gemeenten hier. Ik was blij dit te weten, want het betekende, dat hij onze gids zou blijven. Nu we weer buiten waren was het de vraag, of we ons geesteskleed zouden blijven dragen, of weer tot onze aardse kleding zouden terugkeren. Wat Ruth betrof, zij wilde er niet van. horen om de oude kleren weer aan te doen. Zij verklaarde volkomen tevreden te zijn met wat ze droeg en ze wilde van ons weten, welk aards kostuum beter kon zijn. Tegenover zulk een sterk argument moesten we wel toegeven. Maar wat moest er met Edwin en mij gebeuren? (42) Mijn vriend had alleen zijn aardse toga weer aangetrokken om mij gezelschap te houden en me thuis te doen voelen. Daarom besloot ik te blijven zoals ik nu was - in mijn geesteskleed. Terwijl we voortwandelden begonnen we te babbelen over de verschillende aardse ideeën over het persoonlijk voorkomen van de geesten. Ruth noemde de 'vleugels' in verband met 'engelachtige wezens' en we waren het er dadelijk over eens, dat zulk een idee volkomen ongerijmd was. Kon enige wijze van voortbewegen onhandiger, logger of meer onpraktisch zijn? We veronderstelden, dat kunstenaars uit vroeger tijden grotendeels aansprakelijk waren voor deze voorstelling, zo afwijkend van de werkelijkheid. Vermoedelijk dachten zij, dat een of andere vorm van voortbewegen in de hemelse gebieden noodzakelijk was voor de geesten en dat de gewone aardse methode zijn benen te gebruiken veel te aards was om, zelfs als vage veronderstelling, aan te nemen. Daar zij geen enkel begrip hadden van de macht der gedachten hier en haar onmiddellijke toepassing in ons letterlijke voortbewegen door deze gebieden, bleef hen niets anders over dan de hun bekende manier van verplaatsing door de ruimte - het gebruik van vleugels. Men vraagt zich af, of er nog mensen op aarde zijn, die heus geloven, dat we maar ten dele verschillen van de een of andere grote vogel! Het is de moderne wetenschap gelukt enige van deze onwijze, reeds zolang gekoesterde begrippen, te niet te doen. We waren nog niet lang op weg, toen Edwin zich bedacht, dat we het misschien prettig zouden vinden naar de stad te gaan, die we duidelijk en niet zo ver weg konden zien. Ik zeg 'niet ver weg', maar men moet dit niet verkeerd begrijpen door te denken, dat afstand hier van enig belang is. Dit is zeker niet. het geval. Ik bedoel, dat de stad dicht genoeg bij lag zonder ons uit de koers te brengen. Ruth en ik waren het er direct over eens, dat we daar dadelijk naar toe wilden gaan, daar voor ons een stad in de geestelijke wereld op zichzelf al een soort nieuwe openbaring moest zijn. Toen deed de vraag zich voor: zouden we lopen, of zouden we een snellere methode gebruiken? We merkten beiden, dat we juist gaarne zouden proberen wat de gedachtekracht kan doen, maar zoals bij vorige gelegenheden, hadden we geen idee hoe we deze krachten in werking konden brengen. Edwin vertelde ons, dat wanneer we maar eenmaal dit zeer eenvoudige denkproces hadden volbracht, we er in de toekomst nooit meer enige moeite mee zouden hebben. In de eerste plaats was het nodig om vertrouwen te hebben, en in de tweede plaats moest onze gedachteconcentratie geen halve maatregel zijn. Om een aardse zegswijze te gebruiken 'wensen' we ons waar dan ook en daar zullen we ons bevinden! (43) Voor de eerste keren kan het nodig zijn een soort bewuste poging te doen; daarna kunnen we ons bewegen waar we maar willen - men zou bijna zeggen zonder te denken! Om op aardse methoden terug te komen, wanneer men wenst te gaan zitten, lopen, of een of andere van de vele zo vertrouwde aardse handelingen te verrichten, is men zich ook niet bewust, dat men zich daarvoor speciaal moet inspannen om te denken dat te doen. De gedachte, dat men wil zitten, gaat zeer snel door ons hoofd en men zit. Maar men heeft geen aandacht geschonken aan de vele spier bewegingen enz., die bij deze eenvoudige beweging zijn betrokken. Ze zijn een tweede gewoonte geworden. En zo is het net eender met ons hier. We denken alleen maar, dat we op een bepaalde plaats willen zijn en dan zijn we daar. Ik moet er natuurlijk bij zeggen, dat niet alle plaatsen voor ons toegankelijk zijn. Er zijn vele gebieden, waar we niet kunnen binnengaan, behalve onder zeer bepaalde omstandigheden, of alleen wanneer de staat van onze vooruitgang dat toelaat. Dit beïnvloedt hier echter niet de manier van voortbewegen; het beperkt ons slechts in bepaalde, nauwkeurig afgebakende richtingen. Aangezien ik zeer praktisch ben, vroeg ik aan Edwin of we, daar we alle drie bij elkaar wensten te zijn, dan niet allemaal moesten wensen op dezelfde plaats te komen en of we dan niet een duidelijk omschreven plek in ons hoofd moesten nemen om onze gedachten op te richten? Hij antwoordde, dat we op dit speciale ogenblik aan verschillende factoren moesten denken. Eén factor was, dat het onze beginpoging zou zijn tot gedachtelijke voortbeweging en dat hij ons min of meer 'onder zijn hoede' zou nemen. We zouden automatisch dicht bij elkaar blijven, aangezien we deze wens hadden geuit en de bedoeling hadden dit te doen. Deze gezamenlijke feiten waren voldoende om ons een veilige en zekere gezamenlijke aankomst op de gewenste bestemming te verzekeren! Wanneer we deze methode geheel zouden beheersen, zouden we hiermee geen moeilijkheden meer hebben. Men moet bedenken, dat de gedachte zo onmiddellijk werkt als men zich maar kan voorstellen en dat het niet mogelijk is te verdwalen in de onbegrensde ruimte! Ik had mijn eerste ondervinding van het reizen door de ruimte dadelijk na mijn overgang beleefd, maar toen had ik me betrekkelijk langzaam voortbewogen met stevig gesloten ogen. Edwin opperde, dat het aardig voor ons zou zijn nu zelf een experiment te proberen. Hij verzekerde ons, dat er in geen enkel opzicht iets kon gebeuren. Hij stelde voor, dat Ruth en ik ons naar een kleine boomgroep zouden begeven - volgens aardse maatstaf ongeveer een paar honderd meter daar vandaan. We zaten alle drie op het gras en staarden naar ons doel. Hij opperde, dat we, wanneer we ons ook maar enigszins zenuwachtig voelden, elkaars hand zouden vasthouden! Ruth en ik zouden alleen gaan, terwijl hij op het gras zou blijven. (44) We moesten alleen maar denken, dat we bij gindse bomen wilden zijn. We keken zeer geamuseerd naar elkaar, ons afvragend, wat er zou gebeuren, en maakten geen van beiden een begin. Zo zaten we te peinzen tot Edwin zei: "Daar gaan jullie"! Zijn opmerking moet de nodige stimulans hebben gegeven, want ik nam Ruths hand en voor we het wisten stonden we bij de bomen! We zagen elkaar aan zo niet met verbazing, dan toch met iets, wat daar erg veel op geleek. Omziend naar waar we juist vandaan kwamen, zagen we Edwin naar ons wuiven. Toen gebeurde er iets vreemds. Beiden zagen we vlak voor ons gezicht iets, dat op een lichtflits leek. Het was niet verblindend, noch deed het ons ook maar enigszins schrikken. Het trok alleen onze aandacht zoals de aardse zon zou doen, wanneer zij achter een wolk vandaan komt. Zij verlichtte de kleine ruimte vóór onze ogen terwijl we daar stonden. We bleven muisstil, vol verwachting wat er zou gebeuren. Toen hoorden we buiten enige twijfel duidelijk - hetzij met het oor, hetzij innerlijk, dat kon ik niet zeggen - Edwins stem vragen of we van onze korte reis hadden genoten en of we bij hem wilden terugkomen op precies dezelfde manier als waarop we hem hadden verlaten. We maakten allebei een opmerking over het gehoorde: probeerden uit te maken of het werkelijk Edwin was geweest, die we hadden horen praten. Nauwelijks hadden we onze verbazing geuit over deze laatste demonstratie van de geest, of Edwins stem sprak opnieuw, ons verzekerend, dat hij ons had verstaan, terwijl we dit bespraken! We waren zó verbaasd en verrukt over deze nieuwe openbaring van de gedachtekracht, die zo snel volgde op de andere dat we besloten onmiddellijk naar Edwin terug te keren en een volledige verklaring te vragen. We herhaalden het proces en daar waren we weer, ieder aan een kant van mijn oude vriend gezeten, die vrolijk lachte over onze verwondering. Hij was op de komende aanval voorbereid, want we bestormden hem met vragen - hij vertelde, dat hij expres deze verrassing voor ons had bewaard. Hij zei, dat dit een ander voorbeeld was van de juistheid der gedachte. Wanneer we ons door de kracht van het denken kunnen voortbewegen, dan volgt daaruit, dat we ook in staat moeten zijn onze gedachten alleen uit te zenden, niet gehinderd door afstandsproblemen. Wanneer we onze gedachten richtten op iemand in het hiernamaals, hetzij in de vorm van een bepaalde boodschap, hetzij ze slechts van liefderijke aard zijn, zullen deze zonder mankeren hun doel bereiken en door de daarvoor gevoelige worden opgevangen. Dat gebeurt in de geestelijke wereld. Hoe het plaats vindt, kan ik niet zeggen. Dat is een van de vele dingen, welke we nemen zoals ze zijn en er ons over verheugen. (45) Tot nu toe hadden we in onze gesprekken onze 'spraakorganen' gebruikt. Het was heel natuurlijk en we dachten hierover nauwelijks na. Het was Ruth nóch mezelf ingevallen, dat er hier een of ander middel bestond om op afstand met elkaar in verbinding te treden. We waren niet langer gebonden aan aardse condities, maar tot dusver hadden we niets ontdekt, dat de gebruikelijke aardse manier van communicatie verving. Juist deze afwezigheid zou ons misschien het onverwachte hebben moeten doen verwachten. Hoewel we onze gedachten kunnen uitzenden, moet men niet veronderstellen, dat ons denken als een open boek is, dat iedereen kan lezen. In het geheel niet. Indien we dat willen, kunnen we onze gedachten met opzet voor onszelf houden; maar als we a.h.w. zonder bepaalde bedoeling denken, als we onze gedachten maar onder oppervlakkige controle laten rondzwerven, kunnen anderen ze zien en lezen. Een van de eerste dingen, die men bij aankomst hier moet doen, is beseffen, dat gedachten concreet zijn, dat zij kunnen scheppen en vormgeven en dan is ons volgend pogen om de onze onder juiste en gepaste controle te stellen. Maar als met zoveel in de geestelijke wereld kunnen we, indien we dat willen, snel leren ons bij de nieuwe toestand aan te passen en het zal ons bij al onze moeilijkheden nooit ontbreken aan de meest bereidwillige helpers. Dit laatste hadden Ruth en ik tot onze grote geruststelling en met dankbaarheid ontdekt. Ruth was nu zeer verlangend om de stad te gaan bezoeken en ze drong er op aan, dat Edwin ons daar dadelijk naar toe zou brengen. Daarom stonden we zonder verder uitstel van het gras op en gingen op verzoek van onze gids verder. V. GEBOUWEN DER WETENSCHAP Toen we de stad naderden, konden we ons enig idee vormen van haar uitgestrektheid. Het is nauwelijks nodig te zeggen, dat zij volkomen verschilde van alles, wat ik tot nu toe had gezien. Ze bestond uit een groot aantal statige gebouwen, alle omringd door prachtige tuinen en bomen, met hier en daar vijvers met glinsterend water, helder als kristal, maar er kwamen tevens alle op aarde bekende kleurschakeringen, en vele andere tinten in voor, die men nergens ziet dan in de hemelse gebieden. Men moet zich niet voorstellen, dat deze mooie tuinen ook maar de minste gelijkenis vertoonden met iets van wat er op aarde is te zien. Aardse tuinen op hun best en mooist zijn allerarmzaligst in vergelijking met die, welke we nu met hun rijkdom van volmaakte kleuren en hun uitwaseming van hemelse geuren aanschouwden. We waren geheel onder betovering bij het wandelen over de grasvelden met zulk een overvloed der natuur. (46) Ik had gedacht, dat de schoonheid van de omstreken, waarin ik tot nu toe al mijn ervaringen van de geestelijke landouwen had opgedaan, nauwelijks elders te overtreffen zou zijn. Mijn gedachten waren teruggekeerd naar de nauwe straten en overvolle plaveisels van de aarde; de gebouwen op elkaar gedrongen, omdat ruimte zo waardevol en kostbaar is; de zware, bedorven lucht nog verergerd door het intense verkeer; ik had gedacht aan haast en lawaai, aan al de rusteloosheid van de handel en de roes van voorbijgaand plezier. Ik had geen voorstelling van een stad van eeuwige schoonheid, zozeer verschillend van een aardse als het daglicht van de zwarte nacht. Hier waren mooie, brede straten met volmaakt aangelegde smaragdgroene grasvelden, uitstralend van een centraal gebouw als de spaken van een wiel. Dit was, zoals we konden zien, het middelpunt van de hele stad. Er daalde een grote straal van zuiver licht op de koepel van dit gebouw neer en we voelden instinctmatig - zonder dat Edwin het ons behoefde te vertellen - dat we in deze tempel met elkaar onze dank konden opzenden tot de Grote Bron van alles en dat we daar slechts de glorie van God in Waarheid zouden vinden. De gebouwen waren geen van alle erg hoog, in vergelijking met aardse bouwwerken, maar zij besloegen voor het merendeel een buitengewoon grote oppervlakte. Het is onmogelijk te zeggen van welke materialen ze waren gemaakt, omdat dit essentieel geestelijke maaksels waren. Ze waren alle glad aan de buitenzijde als marmer, maar dit was van de fijnste samenstelling en doorschijnend als albast, terwijl elk gebouw als het ware in de omgeving een stroom van het zachtstgekleurde licht uitzond. Sommige waren gebeeldhouwd met dessins van gebladerte en bloemen, en andere had men bijna onversierd gelaten voor zover het de kleinere gedeelten betrof, die bijna klassiek aandeden. En over alle scheen het licht van de hemel gelijkelijk en ononderbroken, zodat ze nergens donkere gedeelten vertoonden. Deze stad was gewijd aan de beoefening der wetenschap, aan het bestuderen en toepassen van de vele vormen van kunst en aan het genoegen van allen in dit gebied. Hiervan was niemand buitengesloten. Allen konden met gelijke rechten hiervan genieten. Het was hier mogelijk vele van de prettige en vruchtbare bezigheden voort te zetten, waarmede men op aarde was begonnen. Ook konden vele zielen zich hier overgeven aan een of ander aangenaam vermaak, dat hen om een of andere reden was ontzegd toen zij op aarde in het stoffelijk lichaam verkeerden. Het eerste gebouw waar Edwin ons mee naar toe nam, had betrekking op de schilderkunst. (47) Dit was van zeer grote afmetingen en bevatte een groot museum, op welks wanden elk, belangrijk meesterwerk hing, dat de mens bekend is. Zij waren zodanig gerangschikt, dat men elke stap van de aardse vooruitgang in goede orde kon volgen, beginnende bij de vroegste tijden en zo vervolgens tot de huidige dag. Elke stijl van schilderen van alle delen der aarde bijeengebracht, was vertegenwoordigd. Men moet niet denken, dat zulk een verzameling, zoals we nu zagen alleen van belang is voor en ten dienste van personen, die de schilderkunst ten volle waarderen en begrijpen. Niets is minder het geval. Toen we binnenkwamen was er een groot aantal personen in het museum, van wie sommigen rondliepen waar het hen maar inviel. Maar er waren ook veel groepen, die luisterden naar de woorden van bekwame leraren, die over de verschillende fasen in de geschiedenis der kunst betoogden, waarvan op de muren de voorbeelden te zien waren. Ze gaven tegelijkertijd zulk een duidelijke en interessante uiteenzetting, dat deze voor iedereen begrijpelijk was. Ik herkende een aantal van deze schilderijen, daar ik hun 'origineel' in de aardse musea had gezien. Ruth en ik waren verbaasd toen Edwin ons vertelde, dat wat we in de musea hadden aanschouwd in het geheel niet de originelen waren! We zagen nu voor het eerst de originelen. Wat wij hadden gezien was een aards duplicaat, dat vergankelijk was door de gebruikelijke oorzaken als vuur, of het algemene verval door het verloop van de tijd. Maar hier zagen we de onmiddellijke resultaten van de gedachten van de schilder, geschapen in het etherische, vóórdat hij deze werkelijk overbracht op zijn aardse doek. In veel gevallen was het duidelijk te zien, waar het aardse schilderij te kort schoot bij het schilderij van zijn gedachten. Hij had getracht zijn juiste conceptie te reproduceren, maar door fysieke belemmeringen was deze nauwkeurige conceptie hem ontsnapt. In sommige gevallen waren de kleuren onjuist, omdat in de vroegere tijden de kunstenaar niet in staat was geweest zich de speciale kleur, die hij nodig had, té verschaffen of deze aan de dag te brengen. Maar hoewel hij stoffelijk was tekort geschoten, had zijn geest precies geweten, wat hij wilde doen. Hij had het in de geest opgebouwd - en daarvan konden we nu de resultaten zien - terwijl hij had gefaald dit op het stoffelijke doek te doen. Dit was hoofdzakelijk het verschil, dat ik - in vergelijking met wat ik op het aardse plan had gezien - in de schilderijen opmerkte. Een ander groot verschilpunt - en het allerbelangrijkste - was het feit, dat hier al deze schilderijen levend waren. Het is onmogelijk enig idee van dit overwegende verschil te geven. Deze geestesschilderijen moet men zien om het te begrijpen. Ik kan slechts een idee suggereren. Deze schilderijen dan - hetzij landschap of portret - waren nooit vlak; zij schenen niet op een vlak doek te zijn geschilderd. (48) Ze bezaten aan de andere kant al de volmaaktheid van een reliëf. Het onderwerp trad naar voren bijna of het een model was - een model, dat men kon aanvatten - van alles, waaruit het onderwerp van het schilderij bestond. Men voelde, dat de schaduwen werkelijke schaduwen waren, door werkelijke voorwerpen geworpen. De kleuren gloeiden van leven, zelfs bij de zeer vroege werken voordat er nog veel vorderingen waren gemaakt. Er kwam een vraag in me op, voor de oplossing waarvan ik me natuurlijk tot Edwin wendde. Het was dit: aangezien het misschien ongewenst, evenals onuitvoerbaar was in deze musea elk schilderij te hangen, dat afkomstig was van het aardse plan, scheen elke gedachte aan preferente behandeling, gebaseerd op het beoordelen van anderen niet geheel in overeenstemming te zijn met de geestelijke wet, voor zover ik daarmee bekend was. Welk systeem volgt men bij het uitkiezen van schilderijen om op deze muren te hangen? Men zei me, dat deze vraag herhaaldelijk wordt gesteld door bezoekers van dit museum. Het antwoord is, dat de kunstenaar - of hij nu goed, slecht of middelmatig is - tegen de tijd dat hij zich heeft aangepast aan zijn nieuwe leven, zich geen verdere illusies maakt - als hij die al ooit had gekoesterd - over zijn eigen werk. Gewoonlijk treedt er een volkomen gebrek aan zelfvertrouwen in, voortkomend uit de onmetelijkheid en de ongemene schoonheid van dit gebied, zodat er tenslotte eerder te weinig dan te veel waren. Toen we keken naar de portretten van de vele mannen en vrouwen, wier namen - of ze nu in het verleden, of in het heden leefden - wereldvermaardheid hadden, gaf het Ruth en mij een vreemd gevoel te denken, dat wij thans bewoners van dezelfde wereld waren en dat zij evenals wij zelf, zeer levend waren en niet slechts historische figuren in de aardse kronieken. In andere gedeelten van dit gebouw waren kamers, waarin zij, die de kunst bestudeerden, alles konden leren, wat er te leren valt. De vreugde van deze studenten over het bevrijd zijn van hun aardse begrenzingen en lichamelijke beperkingen is groot. Het onderricht is hier gemakkelijk en het verkrijgen en toepassen van kennis eveneens licht voor hen, die wensen te leren. Alle strijd van de student bij het overwinnen van aardse moeilijkheden, zowel van hoofd als handen, is hier verdwenen. Daarom verwerft men zich gemakkelijk en vlug de nodige vaardigheid. Het geluk van al deze studenten deelde zich mede aan allen, die het aanschouwden, want er bestaat geen limiet voor hun arbeid, wanneer de boeman van het aardse leven - de vervlietende tijd - en alle kleine ergernissen voor goed achter ons liggen. Is het te verwonderen, dat alle kunstenaars in dit gebouw - en inderdaad in alle gebouwen van de stad - genoten van de gouden uren van hun geestelijke beloning? (49) Niemand zal dat verwonderen. Een werkelijk grondige studie van alle schilderijen in dit museum zou ons te lang hebben opgehouden met het oog op ons doel, namelijk van dit gebied zoveel mogelijk een veelomvattend idee te krijgen, zodat we er later des te beter thuis zouden zijn en naar de plaatsen konden terugkeren, die ons het meeste aantrokken. Zo dacht Edwin er over en dachten Ruth en ik eveneens. Daarom verwijlden we niet langer in de schilderijenzaal en gingen we verder naar een ander onmetelijk complex. Dit was het gebouw der literatuur en het bevatte elk werk, dat deze naam verdiende. Het was van binnen in kleinere vertrekken verdeeld dan het gebouw der schilderijen. Edwin leidde ons een ruim vertrek binnen, waar de geschiedenis van alle naties op aarde was verzameld. Voor ieder, die bekend is met de aardse geschiedenis, zouden de boeken, die de planken van deze afdeling der grote bibliotheek vulden, zeer verhelderend blijken te zijn. Voor het eerst in zijn leven zou de lezer de waarheid over de geschiedenis van zijn land kunnen horen. Elk woord dat deze boeken bevatten, was de letterlijke waarheid. Het is niet mogelijk iets verborgen te houden, omdat niets dan de waarheid deze gebieden kan binnengaan. Sindsdien ben ik naar deze bibliotheek teruggekeerd en heb ik heel wat nuttige tijd tussen haar talloze boeken doorgebracht. Ik heb me speciaal in geschiedenis verdiept. Ik was verbaasd toen ik begon te lezen. Ik verwachtte natuurlijk dat geschiedenis zou worden behandeld op de ons bekende manier, maar met dit verschil, dat ik nu kennis zou maken met de waarheid omtrent alle historische handelingen en gebeurtenissen. Ik ontdekte spoedig, dat het laatste het geval was, maar ik deed nog een andere ontdekking, die me in het eerst deed ontstellen. Ik ontdekte, dat tegelijk met de pure feiten van alle daden van bekende figuren uit de geschiedenis van staatslieden in wier handen het bestuur van hun land was gelegd, van koningen, die aan het hoofd van diezelfde landen stonden, de naakte waarheid omtrent elke drijfveer was vermeld, die hun vele daden had beheerst of er aan ten grondslag had gelegen - de onbetwistbare waarheid. Veel van die motieven waren nobel, vele, vele waren zeer laag, vele waren verkeerd uitgelegd, vele verwrongen. De ware verslagen over duizenden en duizenden menselijke wezens, die tijdens hun aardse reis levendig hadden deelgenomen aan de belangen van hun land, waren in deze geestelijke annalen onuitwisbaar vastgelegd. Sommigen waren het slachtoffer van de trouweloosheid en laagheid van anderen; anderen waren van die zelfde trouweloosheid en laagheid de oorzaak. Niemand werd gespaard, niemand overgeslagen. (50) Het was daar voor iedereen te zien - de waarheid, en niets vergoelijkt, niets verdoezeld. Deze verslagen hielden met niemand rekening, of het nu een koning of een gewoon persoon was, een dienaar van de kerk of een leek. De schrijvers hadden slechts de ware geschiedenis neergeschreven, zoals die was. Deze vroeg geen opsiering, noch commentaar. Zij sprak voor zichzelf. Ik was voor één ding uiterst dankbaar - n.l. dat deze waarheid voor ons verborgen was gehouden tot de tijd dat we ons bevonden, waar we nu waren en ons bevattingsvermogen enigszins was voorbereid voor dergelijke openbaringen. Tot dusver heb ik alleen maar de politieke geschiedenis genoemd, maar ik doorvorste ook de kerkelijke. Wat me in dat opzicht werd geopenbaard, was echter niet beter dan op het politieke gebied. Het was zelfs erger, in aanmerking genomen in wiens Naam de vele duivelse daden waren bedreven door mensen, die er naar buiten aanspraak op maakten God te dienen en die in werkelijkheid het instrument waren van even laaghartige lieden als zijzelf. Edwin had me van te voren gewaarschuwd voor hetgeen ik kon verwachten, wanneer ik deze geschiedenissen zou raadplegen, maar ik had nimmer verwacht, dat het zo erg zou zijn als de ware feiten vermeldden. De veronderstelde motieven volgens onze aardse geschiedenisboeken verschilden bij ontelbare gelegenheden hemelsbreed van de ware drijfveren! Hoewel deze boeken getuigden tegen de bedrijvers van veel duistere daden van de aardse historie, spraken zij tevens van vele grote en nobele daden. Zij waren er niet speciaal met de bedoeling om gegevens vóór of tegen te verstrekken, maar omdat de literatuur met het menselijk leven is samengeweven. De mensen houden van lezen. Is het dan niet geheel in overeenstemming met dit leven, dat er boeken voor ons bestaan? Ze mogen dan al niet precies eender zijn als de boeken op aarde, maar ze zijn geheel met alles hier in harmonie. Het blijkt, dat het streven naar kennis hier veel groter is dan op aarde, aangezien het niet langer nodig is onze gedachten te wijden aan de dringende behoeften en eisen van het grofstoffelijke leven. We doorliepen verschillende andere kamers, waar boeken over alle mogelijke onderwerpen allen ter beschikking stonden, die ze wilden bestuderen. Een van de belangrijkste onderwerpen is misschien wel, wat door de een of andere waarlijk verlichte ziel 'psychische wetenschap' is genoemd - want dit is wetenschap. Ik stond versteld van de rijkdom aan literatuur op dit gebied. Er waren boeken op de planken, die het bestaan van de geestelijke wereld en het feit van het terugkeren van de geest ontkenden. Vele van hun schrijvers hebben sindsdien gelegenheid gehad opnieuw hun werken te bekijken - maar met zeer verschillende gevoelens! (51) Zijzelf waren nu levende getuigen geworden tegen de inhoud van hun eigen werken. We waren aangenaam verrast door de mooie banden, het materiaal waarop de boeken waren gedrukt en de stijl van opdruk. Ik vroeg Edwin inlichtingen hierover. Hij vertelde me, dat het reproduceren van boeken in de geestelijke wereld niet op dezelfde manier geschiedt als bij schilderijen. Ik had zelf gezien hoe de waarheid in de aardse boeken was verzwegen, hetzij opzettelijk, hetzij door onbekendheid met de werkelijke feiten. In het geval van de schilderijen had de schilder om zo te zeggen de waarheid willen weergeven, maar dit was hem buiten zijn schuld niet gelukt. Daarom had hij geen onwaarheid vereeuwigd; integendeel, zijn denken had dat vastgelegd, wat volkomen waar was. Een auteur zal wel nooit een boek schrijven met bedoelingen, die lijnrecht staan tegenover die, welke er in verkondigd worden. Wie schrijft dan het ware boek in de geestelijke wereld? De auteur van het aardse schrijft dit - wanneer hij in de wereld van de geest is gekomen. En hij is blij het te kunnen doen. Het wordt zijn werk en door dit werk kan hij de vooruitgang van zijn ziel verwerven. Hij zal geen moeite met de feiten hebben, want ze liggen hier voor hem klaar om te vermelden, en hij doet dit, maar ditmaal naar waarheid. Het heeft geen zin te veinzen - dit zou in feite nutteloos zijn. Wat het drukken van de boeken aangaat - zijn er op aarde geen drukmachines? Natuurlijk zijn die er! Dan zullen wij hier in dit opzicht toch zeker niet minder goed zijn voorzien? We hebben onze methoden van drukken, maar ze verschillen volkomen van de aardse. We hebben onze deskundigen, die ook kunstenaars zijn in hun vak en zij doen dit werk gaarne, anders zouden zij er zich niet mee bezig houden. De methode van reproduceren is geheel en al een denkproces, zoals alles. Auteur en drukker werken samen in volkomen harmonie. De boeken, die door deze hechte samenwerking ontstaan, zijn kunstwerken; schone scheppingen, die, geheel afgescheiden van hun literaire inhoud, mooi zijn om te zien. Het inbinden is het werk van een ander deskundig proces, door meer kunstenaars uitgevoerd in wonderschone materialen, die men nooit op aarde ziet, aangezien zij alleen in de geestelijke wereld voorkomen. Maar de zo vervaardigde boeken zijn geen dode dingen, die de concentratie van de gehele geest vergen. Zij leven net zo sterk als de schilderijen. Een boek opnemen en dit beginnen te lezen betekent ook met de geest kennisnemen van de hele geschiedenis, zoals die wordt verteld, of het nu over geschiedenis, wetenschap, of kunst handelt, en dat op een wijze, zoals op aarde niet mogelijk is. Wanneer de lezer het eenmaal ter hand heeft genomen reageert het op hem vrijwel op dezelfde manier zoals de bloemen reageren, wanneer men (52) ze van dichtbij nadert. Het doel is natuurlijk verschillend. Het groot aantal boeken, dat we zagen, was voor allen om er op hun gemak en van ganser harte van te genieten. Er bestonden geen beperkende bepalingen, geen vervelende regels en voorschriften. Met deze enorme rijkdom van kennis om ons heen stond ik versteld van mijn eigen onwetendheid, en Ruth voelde hetzelfde. Edwin stelde ons echter gerust met de mededeling, dat we ons niet door het gezicht van zoveel kennis uit het veld moesten laten slaan, aangezien we de gehele eeuwigheid voor ons hadden! Het was troostrijk daaraan te worden herinnerd en vreemd genoeg een feit, dat men geneigd is over het hoofd te zien. Het vergt tijd om tenslotte het gevoel van het tijdelijke, het vergankelijke af te schudden, dat zo nauw is verbonden met het aardse leven. We voelden daarom, dat we alles zo gauw mogelijk moesten zien, ondanks het feit, dat de tijd had opgehouden een levende factor in ons leven te zijn. Edwin vond, dat het nu Ruth toekwam haar iets te tonen, wat haar speciaal zou interesseren en nam ons dus mee naar het gebouw van de textiel. Dit was eveneens ruim, maar de vertrekken waren van groter afmeting dan van de beide gebouwen, die we juist hadden gezien. Het bevatte enorme hoeveelheden prachtige stoffen, geweven gedurende vele eeuwen, waarvan op aarde praktisch niets meer bestaat. Men kan hier stalen zien van stoffen, waarover men leest in verhalen en kronieken, in de beschrijving van plechtige ceremoniën en feestelijke gelegenheden. En wat in de loop der eeuwen de verandering in stijl en smaak betreft, heeft de aarde een groot gedeelte van haar kleuren verloren ten koste van een saaie grauwheid. De kleuren van vele oude stoffen waren eenvoudig prachtig, terwijl de kostelijk bewerkte patronen ons een kunst toonden, die op aarde verloren is gegaan. Hoewel vergankelijk op aarde zijn ze onvergankelijk in de geestelijke wereld. Het hemelse van deze stoffen in aanmerking nemend - door haar aanwezigheid in het hiernamaals - konden we ons toch levendig voorstellen hoe rijk deze weefsels er in hun aardse toestand moeten hebben uitgezien. Hier kon men weer de geleidelijke vooruitgang aanschouwen in het ontwerpen en vervaardigen en ik moest erkennen, voor zover ik dit kan beoordelen, dat deze vooruitgang zich voortzette tot het punt, waarop een achteruitgang merkbaar werd. Ik spreek natuurlijk in het algemeen. Een kamer met wandtapijten bevatte enige zeer schone voorbeelden van het genie der kunstenaars. De aardse kopieën hebben reeds lang opgehouden te bestaan. Aan dit vertrek grensden kleinere kamers, waar vele gelukkige, vlijtige zielen de weefkunst bestudeerden en beoefenden, terwijl even gelukkige zielen steeds bij hen waren om hen te helpen en (53) aanwijzingen te geven. Dit was geen vervelend samenwerken van leerling en leraar, maar men genoot er van met louter plezier en beide partijen konden, wanneer zij maar wilden, er mee ophouden om iets anders te gaan doen. Ruth zei, dat ze dolgraag met een van deze groepen zou willen meedoen, die met een groot wandtapijt bezig was en ze vernam, dat ze dit kon doen, wanneer ze maar wilde en dat ze van harte welkom zou zijn in deze vriendenkring. Zij zou echter voorlopig op onze onderzoekingstochten bij ons blijven. Men zou denken, dat we tot nu toe niet anders dan hemelse musea hadden gezien, die weliswaar prachtige exemplaren bevatten, zoals niet op aarde voorkomen, maar die niettemin musea waren. Nu zijn de aardse tamelijk ongezellig. Ze ruiken muf en naar chemische, conserverende middelen, omdat hun tentoongestelde voorwerpen beschermd moeten worden tegen bederf en verval. Zij moeten tevens beschermd worden tegen de mens door afstotende vitrines. Maar hier bestaan er geen restricties. Men kan alle voorwerpen in deze zalen vrij bekijken en in handen nemen. Het is er niet duf en de schoonheid van de voorwerpen zelf verspreidt menige tere geur, terwijl het licht van de hemel aan alle kanten binnenstroomt om de glorie van 's mensen handwerk te verhogen. Neen, dit zijn geen musea, verre van dat. Het zijn meer tempels, waarin wij mensen van de geest ons bewust zijn van de eeuwige dankbaarheid, verschuldigd aan de Grote Vader 'voor de overvloed van geluk, die Hij ons schenkt in een land, waarvan zovelen op aarde het bestaan ontkennen. Zij zouden dit alles willen wegvagen - waarom? Ze weten het niet. De aarde bevat zeer veel schoonheid, maar wij in de geestelijke wereld zouden die niet mogen hebben! Misschien heeft men daarom zo met ons te doen, wanneer we overgaan, omdat we voorgoed al het schone moeten achterlaten om naar een staat van leegte, een hemels vacuüm te gaan. Al het mooie zou dan slechts de aarde toebehoren. De intelligentie van de mens zou overbodig zijn geworden, wanneer hij hier naar toe zou zijn gegaan, omdat hij haar hier nergens voor zou kunnen gebruiken! Alleen maar een leegte! Geen wonder dat zij, die een eeuwigheid van hemels niets-doen verwachten, met een schok tot het besef komen van de werkelijkheid en de ontzagwekkende volheid van de wereld hier! Het is van het grootste belang te begrijpen, dat elke bezigheid en elke taak door alle bewoners van dit en van hogere gebieden gaarne wordt volbracht, voor het zuivere genoegen en nooit uit verplichting 'of men het prettig vindt of niet.' Men kan niet tot een taak worden gedwongen. Dat wil niet zeggen, dat men tracht het onmogelijke te doen. We zullen het resultaat van een of andere handeling kunnen voorzien - wanneer ons dat niet mogelijk is, zijn er anderen met groter wijsheid en kennis, die dat wel kunnen (54) en we zullen beseffen, of we onze taak kunnen aanvangen, of er voorlopig mee moeten wachten. We hebben hier nooit gebrek aan hulp en raad. Denkt u maar aan mijn vroegere voorstel om te proberen met de aarde in contact te komen ten einde enige dingen in mijn leven recht te zetten en Edwins suggestie om later raad te vragen over de uitvoerbaarheid daarvan. Men kan dus met recht zeggen, dat de wens om te handelen en te dienen hier de hoofdtoon vormt. Ik vertel dit, opdat men een beter begrip zal krijgen van het gebouw, waarheen Edwin ons bracht, nadat we dat van de stoffen hadden verlaten. Dit was geheel ingericht als school voor die zielen, die zo onfortuinlijk waren geweest de gelegenheid te missen een of andere aardse kennis te vergaren en die deze nu hier konden opdoen. Kennis, geleerdheid en opvoeding betekenen geen geestelijke waarde en wanneer men niet kan lezen en schrijven houdt dit niet in, dat men die waarde niet bezit. Maar wanneer de ziel naar dit leven is overgegaan en de grote geestelijke heerweg voor zich ziet openliggen met zijn vele en verschillende mogelijkheden, begrijpt zij ook, dat kennis haar op haar geestelijk pad kan helpen. Zij zal b.v. niet kunnen lezen. Zullen dan al die prachtige boeken voor altijd voor haar gesloten moeten blijven nu zij de gelegenheid heeft om te lezen, alleen omdat zij dit niet kan? Men zal misschien zeggen, dat het in d |