Anthony Borgia, Het leven in de ongeziene wereld 2
Uitgeverij De Torenlaan, Assen 1955

Deel II De ongeziene wereld

Inhoud
I De bloemen 104
II De bodem 108
III Methoden van bouwen 114
IV Tijd en ruimte 121
V De geografische ligging 126
VI De laagste gebieden 132
VII Enkele eerste indrukken 138
VIII Ontspanning 143
IX Geesten - Personalia 148
X De kindersfeer 154
XI Bezigheden 161
XII Beroemde figuren 168
XIII Organisaties 173
XIV De invloed van de geestelijke wereld 180
XV De hoogste regionen 185


I. DE BLOEMEN
Nadat ik aan gene zijde was gekomen, was een van mijn eerste gewaarwordingen, dat ik me van een zekere droefgeestigheid bewust werd, niet van mijzelf, maar van anderen. Ik piekerde er erg over, waar die vandaan kwam.
Edwin zei, dat ze opsteeg van de aarde en werd veroorzaakt door het leed over mijn heengaan. Het hield echter spoedig op. Edwin deelde mij mee, dat de mensen me reeds begonnen te vergeten. Die ondervinding alleen al, mijn goede vriend, is uitstekend geschikt om tot nederigheid te stemmen als men deze te voren niet zou hebben bezeten!
Ik verzeker u, dat ik geen waarde hechtte aan populariteit. Daarom hinderde me de ontdekking in het geheel niet, dat de herinnering aan mijn persoon snel verbleekte in de mensenharten op aarde. Ik had geschreven en gepredikt om het goede zelf, dat dit zou kunnen teweeg brengen en dat was, zoals ik hoorde, microscopisch gering. Men vertelde me, dat velen, die tijdens hun aardse leven zeer in aanzien zijn bij het publiek, ontdekken wanneer zij hun stoffelijke lichaam hebben afgelegd, dat hun roem en aanzien, die hun dagelijks ten deel vielen, zijn verdwenen. Het bedroefde zulke mensen natuurlijk hun aardse belangrijkheid te moeten achterlaten en het gaf hun een zeker gevoel van eenzaamheid, te meer waar die wereld hen spoedig vergat.
Mijn aardse reputatie was niet bijzonder groot geweest, maar ik had mezelf een plaatsje veroverd onder mijn geloofsgenoten.
Mijn overgang was kalm en vredig geweest en had niet onder onaangename omstandigheden plaats gevonden. Ik had mij niet van de aarde behoeven los te scheuren en had er geen andere banden dan mijn werk. Daarom was ik zeer gezegend. Edwin vertelde me over anderen, wier overgang zeer droevig was geweest en wier geestelijke toestand nog veel treuriger was bij hun aankomst hier. Velen, die op aarde zeer voornaam waren geweest, merkten, dat zij maar heel klein waren in de geestelijke wereld. En velen, die op aarde onbekend waren, merkten dat men hen hier zo goed kende, dat het hen bijna overweldigde. (104) Lang niet iedereen is bestemd voor de schone gebieden van eeuwige zonneschijn en zomer. Ik heb u al een vluchtige indruk gegeven van de sferen van gehele of gedeeltelijke duisternis, waar alles koud, verlaten en kaal is en waarin zielen leven, die aan het donker kunnen ontstijgen, als zij dat willen en daartoe alle pogingen in het werk stellen. Velen besteden hun hemelse staat aan het bezoeken van deze duistere regionen en het trachten om enigen van de ongelukkigen, die daar verblijven, uit hun ellende te bevrijden en hen op het pad naar het licht en geestelijke vooruitgang te brengen.
Ik heb het voorrecht gehad met Edwin en Ruth naar deze duistere plaatsen achter de gordel van mist te gaan, die hen van het licht scheidt. Het is niet mijn bedoeling u nu mee te nemen naar die gebieden van ellende en droefheid. Later hoop ik u wat van onze ervaringen daar te vertellen. Op het ogenblik wil ik u graag over andere - aangenamere dingen spreken.
Velen op aarde trachten talrijke geheimenissen van het leven te onderzoeken. Zij opperen allerlei theorieën met de bedoeling dit of dat te verklaren, theorieën, die men in de loop van de tijd als grote waarheden gaat beschouwen. Sommige van deze veronderstellingen zijn zover van de waarheid af als men zich maar kan voorstellen; andere zijn eenvoudig onzinnig. Maar er zijn ook mensen die weigeren zelf na te denken en die hardnekkig aan het idee vasthouden, dat zolang ze op aarde leven, het niet de bedoeling is iets van het leven aan gene zijde, dat hun allen wacht, af te weten. Zij verklaren plechtig, dat het niet Gods bedoeling is, dat men hun van deze dingen iets vertelt en dat zij alles zullen weten als zij aan gene zijde komen.
Dit zijn twee uiterste polen - de theoretici en de voorstanders van de 'gesloten deur'. Beide scholen krijgen een paar ernstige 'shocks', wanneer zij de geestelijke landen binnentreden om daar voor goed te leven. Personen, die er vreemde theorieën op na houden, bemerken, dat deze omver worden geworpen door het simpele feit, dat zij tegenover de zuivere waarheid komen te staan. Zij ontdekken, dat het leven aan gene zijde niet zo ingewikkeld is, als zij denken. In veel opzichten is het veel eenvoudiger dan het aardse leven, omdat wij niet de problemen hebben, die de mensen daar voortdurend kwellen en hinderen; b.v. godsdienstige en politieke problemen, welke door alle eeuwen heen sociale omwentelingen hebben veroorzaakt, die nu nog hun terugslag op aarde hebben. Wie het occultisme bestudeert is geneigd in dezelfde fouten te vervallen als de student in de theologie. Hij verkondigt beweringen, die in elk opzicht net zo dogmatisch zijn als die van de orthodoxe godsdienst en meestal even ver bezijden de waarheid.
De tijd, die ik aan gene zijde heb doorgebracht is niets niets! - vergeleken bij die van sommige grote zielen met wie ik het voorrecht heb gehad te spreken. (105) Maar zij hebben me iets onthuld van hun uitgebreide kennis; dingen, die mijn verstand kon begrijpen. Overigens ben ik - evenals zoveel anderen - er volmaakt tevreden mee de dag af te wachten, waarop mijn intelligentie voldoende zal zijn toegenomen om diepere waarheden te bevatten.
Iets, dat enige verwarring geeft, betreft de bloemen, die we aan gene zijde hebben. Sommigen zullen vragen: waarom bloemen? Wat is de bedoeling daarvan en wat haar betekenis? Misschien een of andere symbolische?
Laten we dezelfde vraag voorleggen aan de mensen op aarde over de aardse bloemen. Hebben de aardse een speciale of symbolische betekenis? Het antwoord op beide vragen is neen! Bloemen zijn aan de aarde geschonken om haar schoonheid te verrijken en tot vreugde van allen, die ze aanschouwen. Het feit, dat zij nog een ander nuttig doel dienen, is een bijkomstige reden voor haar bestaan. Bloemen zijn wezenlijk mooi, voortgekomen uit het Opperste, Scheppende Denken, aan ons gegeven als een kostbaar geschenk. Zij tonen ons in haar kleuren, vorm en geuren een oneindig klein deeltje van de Grote Geest. U hebt deze heerlijkheid op aarde. Moeten wij haar aan gene zijde ontberen, omdat men bloemen als nogal aards beschouwt, of omdat er geen diepzinnige betekenis aan valt toe te schrijven?
We hebben hier de prachtigste bloemen. Sommigen lijken op de oude bekende en zo geliefde op aarde, anderen kent men alleen aan gene zijde, maar alle zijn even schoon en een voortdurende vreugde voor ons allen, die er mee zijn omgeven. Zij zijn Goddelijke scheppingen en elke bloem ademt de zuivere geestelijke lucht in, gedragen door haar Schepper en door ons allen in de liefde, die we voor haar koesteren. Wanneer wij ze niet wensen - een onmogelijke veronderstelling! - zouden ze worden weggevaagd. En wat zouden we er voor in de plaats krijgen? Waar zou anders de grote kleurenweelde vandaan komen, die zij verschaffen?
We hebben hier niet alleen de kleinere bloemen. Men kan zich geen enkele bloeiende boom of struik bedenken, of we bezitten hem, zijn bloemen dragend in overvloed en absolute volmaaktheid evenals de bomen en struiken, die men nergens ziet behalve aan gene zijde. Zij bloeien altijd en verwelken of sterven nooit; hun geuren verspreiden zich in de lucht en werken als een versterkend middel op ons allen. Zij zijn één met ons, zoals wij met haar.
Wanneer we voor het eerst met de bloemen en bomen en al de weelde van de natuur hier in aanraking worden gebracht, merken we dadelijk iets op, dat de aardse natuur nooit scheen te hebben bezeten. Dat is de intelligentie, die onafscheidelijk aan alles wat groeit, is verbonden. Hoewel aardse bloemen leven, gaat er nooit een onmiddellijke persoonlijke reactie van haar uit, wanneer men er dicht bij komt. (106) Maar hier is dat geheel anders. Geestelijke bloemen zijn onvergankelijk en daaruit zou men meteen moeten begrijpen, dat er meer in haar was dan leven alleen. De Grote Vader van het Heelal heeft de bloemen, evenals alle vormen in de natuur, geschapen door zijn helpers in de gebieden van de geest. Deze natuurvormen zijn een deel van de reusachtige levensstroom, die rechtstreeks uit Hem voortvloeit door alles wat in het plantenrijk leeft. Die stroom houdt nooit op, verflauwt nooit en wordt bovendien voortdurend gevoed door de bewondering en liefde, die wij aan gene zijde met dankbaarheid aan zulke uitgelezen gaven van de Vader schenken. Is het dan te verwonderen, dat we, wanneer we de kleinste bloesem in handen nemen, zulk een instromen van magnetische en bezielende kracht voelen, zo'n opheffen van ons wezen, wanneer we in waarheid weten, dat zulke krachten direct uit de Bron van al het goede komen om ons welzijn te bevorderen? Neen, er ligt geen andere bedoeling achter de bloemen aan gene zijde dan de tot uitdrukking gekomen schoonheid van de Vader van het Heelal. Dat is zeker voldoende. Hij heeft geen vreemde symboliek aan Zijn onberispelijke schepping verbonden. Waarom zouden wij dat dan doen?
Het merendeel van de bloemen is niet voor plukken bestemd. Doet men dit toch, dan vernietigt men ze niet, men snijdt echter af wat in onmiddellijk contact is met de Vader. Men kan ze natuurlijk plukken; er zou geen grote ramp volgen als men het deed, maar wie dit doet, zou er stellig heel veel spijt van hebben. Stelt u zich eens voor, dat u een voorwerpje bezat, dat u meer dan al uw andere aardse bezittingen waard was en dat u het opzettelijk zoudt vernietigen. Het zou u zeer verdrietig maken, al zou het verlies zelf eigenlijk heel onbeduidend kunnen zijn. Het zou u evenzo vergaan, wanneer u aan gene zijde achteloos bloemen zoudt plukken, die daarvoor niet zijn bestemd.
Maar er zijn er genoeg speciaal om te plukken en velen van ons doen dat en nemen ze mee naar huis, net als we dat op aarde waren gewend.
De afgesneden bloemen zullen dit net zo lang overleven als we ze wensen te houden. Wanneer onze belangstelling er voor begint te verflauwen lossen zij spoedig op. Er zijn geen onooglijke verwelkte overblijfselen, want er kan geen dood zijn in een land van eeuwig leven. We merken eenvoudig, dat onze bloemen zijn verdwenen en we kunnen ze dan vervangen, als we willen. (107)

II. DE BODEM
Om een juist begrip te. krijgen van de bodem, waarop we lopen en waarop onze huizen en gebouwen zijn opgetrokken, moet u al uw aardse voorstellingen uit uw hoofd zetten. Om te beginnen hebben we geen straten zoals u die op aarde kent. We hebben in onze steden en elders brede, uitgestrekte hoofdwegen, maar ze zijn niet geplaveid of verhard om ze duurzaam te maken voor een aanhoudende stroom van verkeer. Wij hebben geen verkeer. Onze wegen zijn bedekt met het dikste en groenste gras, dat men zich kan voorstellen en zo zacht aan de voeten als een bed van vers mos. Hier lopen we nu op. Het gras wordt nooit langer dan goed onderhouden gras behoort te zijn en toch is het levend. Het wordt altijd op dezelfde gewenste hoogte gehouden, heerlijk om op te lopen en om te zien.
Op plaatsen, waar kleinere paden wenselijk zijn en waar men gras niet geschikt vindt, hebben we plaveisel zoals op aarde. Maar het is van zeer verschillend materiaal gemaakt. De bestrating is voor het merendeel van steen, maar ze heeft niet de gewone saaie, vale kleur. Ze lijkt veel op albastachtig materiaal waarvan zoveel gebouwen in elkaar zijn gezet. De kleuren verschillen, maar zijn alle van fijne pasteltinten.
Deze steen is, evenals het gras, heel prettig om op te lopen, hoewel hij natuurlijk niet zo zacht is. Maar hij heeft een zekere eigenschap, een zekere veerkracht, als men het zo mag noemen, iets van de veerkracht van een bepaalde aardse houtsoort, die men gebruikt voor het leggen van vloeren. Dit is de enige manier, waarop ik u een idee kan geven van het verschil tussen aardse steen en die van onze zijde.
Men ziet natuurlijk nooit een lelijke verkleuring op het oppervlak van deze bestrate wegen. Ze behouden altijd de oorspronkelijke frisheid.
Het plaveisel vertoont vaak een netwerk van prachtige tekeningen, gevormd door het gebruik van verschillend gekleurd materiaal, die harmonisch samenvloeien met hun naaste omgeving.
Wanneer men de grenzen van de hogere regionen nadert merkt men, dat de plaveisels meer doorschijnend worden; zij blijken iets van hun uiterlijke vastheid te verliezen, hoewel zij stevig genoeg zijn!
Wanneer men in de buurt van de grenzen van de lagere sferen komt, gaat de bestrating er zwaar uitzien, ze begint haar tint te verliezen tot zij loodkleurig en ondoorschijnend wordt en een zeer vast voorkomen krijgt - bijna zoals graniet op aarde. (108)
Om onze eigen huizen hebben we grasvelden, bomen en bloembedden, met keurige tuinpaden van steen, veel gelijkend op die, welke ik u juist heb beschreven. Maar van de kale aarde is weinig of niets te zien. Inderdaad kan ik me niet herinneren ergens zulke kale stukken te hebben waargenomen. Hier wordt niets veronachtzaamd door onverschilligheid of traagheid, of door andere oorzaken, die alle te overbekend zijn om ze in bijzonderheden te vermelden. Waar we het recht hebben verworven in de geestelijke wereld een huis te bezitten, hebben we ook de voortdurende wens het te onderhouden en het te verfraaien. Dat is niet erg moeilijk, aangezien schoonheid reageert op onze waardering en er bij gedijt. Hoe meer aandacht en waardering we haar geven, hoe sterker zij zal reageren. Zij trekt zelf nog groter schoonheid tot zich. De schoonheid van de geest is niet iets abstracts, maar een werkelijk levende kracht.
Van mijn huis aan gene zijde uit heb ik het uitzicht over groene velden, over aantrekkelijke huizen, aardig tussen de bossen en tuinen gelegen en een vergezicht op de stad. Maar nergens zijn er lelijke streken met kale, dorre grond. Voor elke zichtbare centimeter wordt gezorgd, zodat het hele landschap één bonte kleurenpracht is, van het prachtigste smaragdgroene gras tot de veelkleurige bloemen in de tuinen, bekroond door het blauw van de hemel daarboven.
Men vraagt zich af waaruit de eigenlijke grond bestaat, waarin de bloemen en bomen groeien - is het een soort aarde?
Er is aarde, zeker, maar zij heeft niet dezelfde minerale bestanddelen als die van uw wereld, want men moet bedenken, dat het leven hier rechtstreeks van de Grote Bron wordt verkregen. De bodem verschilt plaatselijk van kleur en dichtheid net als op aarde. Ik heb hem niet grondiger onderzocht dan ik dit speciaal de aardse grond heb gedaan. Ik kan u echter een klein idee geven, hoe hij er uitziet en wat de eigenschappen er van zijn.
Allereerst is hij dan volkomen droog - ik kon geen spoor van vocht ontdekken. Ik merkte, dat hij ongeveer op dezelfde manier uit de hand liep als droog zand. Zijn kleur wisselt steeds en doorloopt alle tinten, maar benadert nooit de donkere zware kleur van aardse grond. Op sommige plaatsen is hij van een fijne, korrelachtige formatie, terwijl hij op andere uit veel grovere deeltjes bestaat, d.w.z. in verhouding grover.
Een van de niet-verwachte eigenschappen van deze aarde is het feit, dat terwijl men de korrels in de hand kan nemen en deze er vlot en vrij af kunnen lopen, zij volkomen blijven samenhangen, wanneer men ze niet aanraakt en dat ze even stevig steun geeft als de aardse grond aan alles wat er groeit.
109) De kleur van 'de aarde' wordt bepaald door de kleur van het botanische leven, dat zij onderhoudt. Hieraan ligt wederom geen speciale, noch een diepe symbolische betekenis ten grondslag. Het komt alleen omdat de kleur van de aarde de kleur van de bloemen en bomen aanvult en het resultaat, dat niet anders zou kunnen zijn, is van een inspirerende harmonie voor het oog, voor de geest en van de meest kalmerende, welluidende harmonie voor het oor. Kon er een betere reden zijn? En een eenvoudiger?
De wereld aan gene zijde is stellig niet samengesteld uit een verbijsterende serie van diepe en ingewikkelde geheimenissen, die slechts aan enkelen te verklaren zijn. Er bestaan geheimenissen, zeker, net als op aarde. En juist zoals er op aarde grote geesten zijn, die deze geheimen kunnen
ontsluieren, zo zijn er hier nog grotere geesten - onbeschrijfelijk veel groter - die een verklaring kunnen verschaffen, wanneer ons verstand rijp is om deze te ontvangen en te begrijpen.
Maar velen op aarde geloven in alle ernst, dat wij aan gene zijde leven in een staat van vurige godsdienstige emoties, dat elk samengaan in het leven van de geest, elke soort en mate van persoonlijke activiteit, elk atoom waaruit deze geestelijke wereld is samengesteld, een of andere vrome, godsdienstige betekenis moet hebben. Zulk een dom begrip is ver - zeer ver - van de werkelijkheid verwijderd. Doorzoekt de aardse wereld en ziet of de volheid van het leven daar zulke onnatuurlijke ideeën aankleven. Een mooie zonsondergang op aarde heeft geen godsdienstige strekking; waarom zouden onze geestelijke bloemen - om maar een voorbeeld te noemen - een andere reden van bestaan hebben, dan die, welke ik u reeds heb genoemd, n.l. een luisterrijke gift aan ons allen van ons aller Vader tot groter geluk en vreugde.
Er zijn nog vele mensen op aarde die plechtig als een 'geloofsartikel' hooghouden, dat het paradijs zoals zij het noemen, een onafgebroken zingen zal zijn van 'psalmen, hymnen en lofliederen'. Niets is zo fantastisch. De wereld aan gene zijde is er een van activiteit, niet van traagheid, van nuttig zijn, niet van nutteloosheid. Aan gene zijde is niets nutteloos; er is voor alles een gezonde reden en doel. Reden noch doel mag iedereen in het begin duidelijk zijn, maar dat verandert niets aan het feit.
Verveling als algemene toestand bestaat hier niet. Er zijn mensen geweest, die zich gingen vervelen, maar dat veranderde heel gauw in geestelijke vooruitgang, doordat zij een of ander nuttig werk ter hand namen. Er bestaan myriaden van taken, die op vervulling wachten - en myriaden zielen volbrengen die, maar er blijft altijd plaats voor nog iemand. En zo zal het altijd zijn. Leef ik niet in een wereld, die zowel onbeperkt als onbegrensd is? (110)
We wonen niet in een land met alle uiterlijke kenmerken van een eeuwige Zondag! De Zondag bestaat inderdaad niet in het grootse plan van de geestelijke wereld. We hoeven niet met kracht aan de Grote Vader van het Heelal te worden herinnerd door een dag aan Hem te wijden en Hem de rest van de week te vergeten. We hebben geen weken. Bij ons is het eeuwig dag. Wij zijn ons volledig en voortdurend van Hem bewust, zodat wij Zijn hand en Zijn geest kunnen zien in alles, wat ons omringt.
Ik ben wat afgeweken van wat ik u wilde vertellen, maar het is dienstig op bepaalde hoofdzaken van mijn verhaal de nadruk te leggen, omdat zo velen op aarde bijna ontzet zijn te horen, dat de geestelijke wereld een compacte, substantiële wereld is, waarin werkelijke levende mensen wonen! Zij denken, dat dat veel te materialistisch is, veel te veel als de aardse wereld; in feite nauwelijks één stap daarvan verwijderd, met zijn geestelijke landschap en zonneschijn, zijn huizen en gebouwen, zijn rivieren en meren, bewoond door voelende, intelligente wezens.
Dit is geen land van 'eeuwige rust'. Er is rust in overvloed voor wie daaraan behoefte heeft. Maar wanneer de rust de volle levenskracht en gezondheid heeft teruggegeven, ontwaakt de aandrang om een of andere praktische en nuttige taak te vervullen. Daartoe zijn er gelegenheden in overvloed. Om nu terug te komen op de speciale eigenschappen van de grond in de wereld van de geest. Wanneer we de donkere regionen naderen verliest de grond, zoals ik u heb beschreven, zijn korrelige hoedanigheid en zijn kleur. Hij wordt vast, zwaar en vochtig om eindelijk geheel plaats te maken voor steen en daarna voor rotsen. Het gras dat er nog is, ziet er geel en dor uit.
Wanneer we dichter bij de hogere sferen komen, worden de deeltjes van de aarde fijner, de kleuren teerder en enigszins doorschijnend. Wanneer men op de drempel van deze hogere gebieden komt merkt men dadelijk een grotere mate van veerkracht onder het gaan, maar deze veerkracht komt zowel van de aard van dit gebied als van de duidelijk merkbare verandering in de grond.
Bij nauwkeurig onderzoek blijkt deze fijne aarde bijna de eigenschappen van juwelen te bezitten, zowel in kleur als in vorm. De deeltjes zijn nooit misvormd, maar volgens een bepaald geometrisch plan. Ruth en ik staken onze handen in de aarde en lieten er wat van in een klein stroompje tussen onze vingers doorlopen. Terwijl het neerviel stegen er de fijnste tonen uit op, alsof het op een muziekinstrument je viel en aan de toetsen een parelend geluid ontlokte. (111) Een scherp gehoor zal op een aards strand heel wat welluidende klanken vernemen als het water er over af en aan stroomt, maar men heeft geen scherp gehoor nodig om de rijke harmonieën waar te nemen, wanneer men de grond van de geestelijke wereld doet spreken en zingen.
De geluiden, die zo worden voortgebracht, verschillen evenzeer als de kleuren en bestanddelen zelf. Iedereen kan ze horen en men kan ze te voorschijn roepen door de zeer eenvoudige handeling, die ik heb beschreven.
Hoe wordt dit veroorzaakt, zult u vragen. Kleur en geluid - d.w.z. muzikale geluiden - zijn uitdrukkingen, welke men onderling kan verwisselen aan gene zijde. Wanneer men een handeling verricht, die kleur tot gevolg heeft, brengt die ook een klank voort. Als men een muziekinstrument bespeelt, of zingt, schept men kleuren en elke schepping wordt beheerst en beperkt door de vaardigheid en bekwaamheid van de speler of zanger. Wanneer een meester in de muziek zijn instrument bespeelt, zal hij boven zich de schoonste muzikale gedachtevorm opbouwen, die in zijn kleuren en samensmelting van tinten verandert in volstrekte overeenstemming met de muziek die hij voortbrengt. Een zanger kan een zelfde effect bereiken - al naar gelang de zuiverheid van zijn stem en de aard van de muziek. De op deze wijze ontstane gedachtevorm zal niet zo groot zijn. Het is een vorm in miniatuur. Maar een groot orkest, of een aantal zangers, zal een enorme vorm construeren, natuurlijk door dezelfde wet geregeerd.
De muzikale gedachtevorm brengt zelf geen geluid voort. Hij is het resultaat van de klanken en is a.h.w. een op zichzelf staande eenheid. Hoewel muziek kleuren voortbrengt en kleuren muziek, zijn beide beperkt tot de ene daaruit voortkomende vorm. Zij gaan niet dóór elkaar voort te brengen in een constante, eindeloze of geleidelijk afnemende verandering van kleur of klank.
Men moet niet denken, dat onze oren door deze grote kleurenpracht van de honderden bronnen aan gene zijde voortdurend met klanken worden bestormd, dat we feitelijk in een eeuwigheid van muziek leven, die klinkt en her klinkt zonder ophouden.
Er zijn maar weinig hoofden, als die tenminste bestaan, die bij mogelijkheid zo'n voortdurende overdaad van klanken, hoe schoon ook, zouden kunnen verduren. We zouden snakken naar vrede en rust; onze hemel zou ophouden een hemel te zijn. Neen, de muziek is er, maar we zijn volmaakt vrij om er al dan niet iets van te horen, of er naar te luisteren. We kunnen ons geheel voor elk geluid afsluiten, of er ons voor openstellen, of precies dat horen, wat ons het best bevalt..
Op aarde komen er ogenblikken voor, dat men in de verte muziek kan horen zonder daar in het minst door te worden gehinderd. Men kan het integendeel heel aangenaam en kalmerend vinden. Zo gaat het ook ons aan gene zijde. (112) Maar daar is dit grote verschil tussen de beide werelden: onze mogelijkheden voor de meest verheven muziek zijn oneindig groter dan de uwe op het aardse plan. Iemand aan gene zijde die er een grote liefde voor heeft, zal er natuurlijk meer van horen, omdat hij dat wenst, dan iemand die er weinig om geeft.
Om nu terug te komen op het experiment van Ruth en mij, toen we de aarde door onze vingers lieten lopen. We genieten beiden zeer veel van het luisteren naar muziek, Ruth nog veel meer dan ik, omdat zij zich in die kunst heeft bekwaamd, er daardoor een groter waardering voor heeft en de techniek beter kan begrijpen. Ik heb u verteld, hoe we op het moment dat de aarde uit onze hand liep er heerlijke klanken uit hoorden komen. Een ander, die geen speciale muzikale gevoeligheid bezit, zou, wanneer hij hetzelfde deed, zich nauwelijks van enig geluid bewust zijn.
De bloemen en al wat er groeit reageren onmiddellijk op hen, die er van houden en ze waarderen. De muziek die zij uitzenden, werkt onder precies dezelfde wet. Overeenstemming tussen de ontvanger en alles waarmee hij in aanraking komt is een eerste vereiste. Zonder deze aanpassing zou men zich onmogelijk bewust kunnen zijn van de melodieën, die uit de hele geestelijke natuur voortkomen. Met de geestelijke natuur bedoel ik natuurlijk alles, wat groeit, de zee en de meren - inderdaad al het water - de grond en de rest.
Hoe groter iemands vermogen is om schoonheid in haar velerlei vormen te waarderen en te begrijpen, des te groter zal de uitstromende magnetische kracht zijn. Aan gene zijde wordt niets verspild of nutteloos uitgegeven. Men dringt ons nooit iets op, wat we niet nodig hebben, of het nu muziek, kunst, vermaak of wetenschap is. We zijn binnen de grenzen van ons eigen gebied vrij in elke betekenis van het woord.
Het zou een allerverschrikkelijkste gedachte zijn zich voor te stellen, dat het hiernamaals één hels lawaai van muziek zou zijn, dat ononderbroken doorgaat en niet zou zijn te vermijden en dat zich bij elke denkbare gelegenheid, overal en altijd zou voordoen! Neen! De geestelijke wereld wordt op een veel beter manier bestuurd!
De muzikale klanken bestaan er zeer zeker, maar het hangt uitsluitend van onszelf af, of we zullen horen of niet. Persoonlijke aanpassing is het geheim.
Op aarde bestaan er mensen, die het vermogen bezitten om zich geestelijk zo van hun omgeving te isoleren, dat zij alle geluiden, hoe intens ook, om zich heen vergeten. Deze toestand van volkomen geestelijk isolement kan als een goede vergelijking dienen - zij het een nogal eenvoudige - voor het effect, dat we aan gene zijde bij onszelf kunnen teweegbrengen bij het buitensluiten van geluiden, die we niet wensen te horen. (113) We behoeven niet, zoals op aarde, ons daar heel sterk voor te concentreren. Het is slechts een ander proces, net zoals we van de gedachte gebruik maken om onszelf voort te bewegen. We zijn reeds na een kort verblijf aan gene zijde in staat deze verschillende geestelijke functies te volbrengen zonder enige bewuste inspanning. Zij zijn ons een tweede natuur en we gebruiken op ruimer schaal, zonder aardse beperkingen en begrenzingen, geestelijke methoden, die heel gemakkelijk toegepast kunnen worden. Op het aardse plan belette ons stoffelijk lichaam in de zware fysieke wereld het bereiken van enig fysiek resultaat bij dergelijke processen. In de geestelijke wereld zijn wij vrij en ongehinderd. Dergelijke gedachte-activiteiten hebben een onmiddellijk en rechtstreeks resultaat, hetzij dit het zich voortbewegen met de snelheid van het denken is, of het buitensluiten van een gezicht of geluid, dat we niet wensen waar te nemen.
Aan de andere kant kunnen we - en doen dit ook - ons wezen openen en instellen om de vele luisterrijke klanken, die overal om ons heen opstijgen, in ons op te nemen. We kunnen ons wezen openen of sluiten - voor de vele verrukkelijke geuren, die de geestelijke natuur voor ons geluk en ons genoegen verspreidt. Zij werken als een versterkend middel op de geest, maar ze worden ons niet opgedrongen, we nemen er van, als we dat willen. Men moet bedenken, dat de landen aan gene zijde op wetten en regels zijn gegrondvest. Maar de wetten zijn nimmer benauwend, noch de regels hinderlijk, omdat diezelfde wetten en regels hebben geholpen om ons van de ontelbare schoonheden en wonderen van dit hemelse gebied te voorzien.

III. METHODEN VAN BOUWEN
De talloze gebouwen, gewijd aan het verwerven van geleerdheid en het aankweken van de op aarde bekende schone kunsten, behoren niet tot de minst belangrijke onder de vele 'materiële' kenmerken van het gebied, waar ik woon. Deze prachtige bouwwerken vertonen al de tekenen, die men zou verwachten van het voortduren der eeuwigheid. De materialen, waaruit ze zijn samengesteld, zijn onvergankelijk. De oppervlakte van de steen is schoon en fris als op de dag, waarop zij werden opgetrokken. Er is niets om hen vuil te maken, geen zware met rook beladen atmosfeer om op hen in te vreten, geen regen of wind om de uitwendige versieringen te doen verslijten. Hun materialen zijn van de geestelijke wereld en daarom hebben zij een onaardse schoonheid. (114)
Ofschoon deze mooie gebouwen voor de wetenschap alle kentekenen van duurzaamheid hebben, zouden zij vernietigd kunnen worden, wanneer men dit raadzaam of gewenst zou achten. In enige gevallen vond men dit ook. Zulke gebouwen zijn opgeruimd en andere zijn in hun plaats gekomen.
De geestelijke wereld is niet statisch. Zij trilt steeds van leven en beweging. Overpeinst u voor een ogenblik de normale condities van de aardse wereld met de vele veranderingen, die voortdurend plaats vinden - het geleidelijk herbouwen van de steden, de veranderingen in het landschap. Men acht sommige van deze veranderingen niet altijd een verbetering. Hoe dit ook zij, veranderingen worden er gemaakt en men beschouwt de methode als een vooruitgang. Hoe staat het dan met gene zijde? Behoeven er in de wereld, waarin ik leef, geen veranderingen plaats te grijpen? Stellig wel!
We gaan niet zozeer 'met de tijd mee' - om een bekende aardse uitdrukking te gebruiken - omdat wij de tijd altijd een heel eind vooruit zijn! En dat moeten we ook - om tegemoet te komen aan de zware eisen, die de aardse wereld ons stelt.
Laten we een enkel speciaal voorbeeld nemen.
Aangezien de aardse wereld - naar haar eigen oordeel vooruitgaat in beschaving, worden de middelen en methoden van oorlogvoeren verschrikkelijker en massaler. Waar er in de oorlogen van vroeger tijd honderden werden gedood, zijn de verslagenen nu bij honderdduizenden te tellen. Ieder van deze stervelingen heeft met zijn aardse leven afgedaan - maar niet met de consequenties daarvan - en in vele gevallen heeft de aardse wereld ook met hen afgedaan. De enkeling mag als een herinnering voortleven voor hen, die hij heeft achtergelaten; zijn fysieke tegenwoordigheid is verdwenen. Maar zijn geestelijke tegenwoordigheid is onveranderlijk bij ons. De aarde heeft hem aan ons doorgegeven en bekommert er zich dikwijls niet om, wat er met hem is gebeurd. Hij zal hen, die hij heeft liefgehad en die van hem hielden, achterlaten, maar de aardse wereld kan - naar zij meent - niets voor hem doen, noch voor degenen die over zijn heengaan treuren. Wij in de geestelijke wereld zijn het, die voor hem zullen zorgen. Er is bij ons geen sprake van onze verantwoordelijkheid op de schouders van anderen te schuiven en onze eigen weg te gaan. Wij worden hier tegenover de strikte werkelijkheid geplaatst.
De aardse wereld slingert in haar blinde onwetendheid honderdduizenden stervelingen ons land binnen, maar zij, die in de hogere regionen wonen, zijn zich lang voor dat het gebeurt, volkomen bewust van wat er op het aardse plan plaats vindt. Er gaat een bevel uit naar de sferen, die dichter bij de aarde zijn, om zich voor te bereiden op wat er gaat komen. (115) Deze gruwelijke rampen van het aardse plan maken het noodzakelijk steeds meer rusthuizen aan gene zijde te bouwen. Dat is een reden - en misschien de grootste - voor de veranderingen, die hier aldoor plaatsvinden. Maar er zijn ook andere en meer aangename.
Soms maakt een groot aantal zielen de wens kenbaar om een van de gebouwen voor de wetenschap uit te breiden. Er bestaat zelden enig bezwaar tegen zo'n wens, aangezien hij in geen enkel opzicht zelfzuchtig is, want allen zullen er gebruik van kunnen maken en er van genieten.
Als antwoord op een vraag, die ik Edwin deed, vertelde hij me, dat er een nieuwe vleugel aan de grote bibliotheek zou worden toegevoegd, waarin ik zoveel nuttige en vreugdevolle ogenblikken heb doorgebracht sinds ik hier ben gekomen. Hij veronderstelde, dat Ruth en ik misschien graag de gang van zaken bij het oprichten van een gebouw in onze wereld zouden gadeslaan. Wegingen dus op weg naar de bibliotheek in de stad.
Daar was al een hele menigte verzameld met hetzelfde doel. Terwijl we wachtten tot het werk zou beginnen, vertelde Edwin ons iets van de voorafgaande bijzonderheden, welke noodzakelijk zijn alvorens het werk waarlijk een aanvang neemt.
Zodra men een nieuw gebouw verlangt, wordt de bestuurder van het gebied geraadpleegd. Over deze grote geest en anderen van dezelfde aard en capaciteiten wil ik u later vertellen. Aangezien hij zo van nabij de behoeften en wensen van allen in dit gebied kent, komt er nooit een geval voor, waarin een gebouw voor het gebruik en ten dienste van allen nodig is, of het wordt toegestaan. De bestuurder geeft het verzoek dan door aan degenen, die in gezag boven hem staan, die het op hun beurt in handen stellen van nog hogeren. Wij verzamelen ons dan in de hoofdtempel van de stad, waar een, wiens woord wet is, ons ontvangt. Een grote ziel, die het mij vele aardse jaren geleden mogelijk heeft gemaakt op deze wijze met uw wereld in contact te komen. Nu zou de schijnbaar ingewikkelde manier om een verzoek van de een aan de ander door te geven, u kunnen doen denken aan de langdradige methoden van de ambtenarij met hun vertraging en getalm. De methode mag dan enigszins dezelfde zijn, maar de tijd, die de uitvoering vraagt, is heel anders. Het is niet overdreven te zeggen, dat binnen het verloop van een paar aardse minuten ons verzoek uiteengezet is en de toestemming - vergezeld van een minzame zegenwens - is verleend. Bij zulke gelegenheden hebben we reden tot het houden van feestelijkheden en we grijpen die met beide handen aan.
De volgende stap is het raadplegen van architecten. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat we talloze meesters hebben, op wie we onbeperkt kunnen rekenen. (116) Zij werken voor de pure vreugde die het hen geeft bij het scheppen van een of ander gebouw gebruikt te kunnen worden ten dienste van hun kameraden. Deze goede mensen werken op een wijze samen, als op aarde bijna onmogelijk is. Hier worden zij niet beperkt door de beroepsetiquette of door de benepenheid van kleinzielige jalouzie. Iedereen is meer dan gelukkig en er trots op de ander te dienen. Er bestaat nooit tweedracht of meningsverschil door het pogen om persoonlijke ideeën in te voeren of te forceren ten koste van anderen. U zult misschien zeggen, dat zulk een volslagen eensgezindheid ver buiten de grenzen van de menselijke natuur ligt en dat deze lieden niet menselijk zouden zijn, indien zij niet van mening zouden verschillen, of op een andere manier van hun individualiteit blijk zouden geven.
Voordat u mijn bewering afwijst als hoogst onwaarschijnlijk, of als een schildering van een volmaaktheid, die onmogelijk is te bereiken, tenzij voor de allerhoogste van alle sferen, stel ik het eenvoudige feit vast, dat onenigheid en meningsverschil over een onderwerp als we nu beschouwen onmogelijk zou kunnen bestaan in het gebied, waarin mijn tehuis ligt. Wanneer u volhoudt dat dit onmogelijk is, zeg ik neen - het is volkomen natuurlijk. Welke gaven wij in de geest ook mogen bezitten, het is een deel van de essentie van dit gebied, dat we geen opgeblazen ideeën hebben over de macht of de voortreffelijkheid van die gaven. We erkennen ze alleen in nederigheid, zonder eigendunk, bescheiden en onzelfzuchtig en we zijn dankbaar voor de gelegenheid om con amore met onze collegae samen te werken in dienst van de Grote Inspirator.
Dit is het in hoofdzaak wat één van de grote architecten me zelf over zijn werk vertelde.
Nadat de plannen voor de nieuwe gebouwen in overleg met de bestuurder van het gebied zijn ontworpen, heeft er een bijeenkomst plaats met de meester-steenhouwers. Deze waren meestal steenhouwer toen ze op aarde leefden. Ze gaan aan onze zijde voort hun bekwaamheid te oefenen. Ze doen dit natuurlijk, omdat het werk hen aantrekt, evenals toen zij op aarde waren. Hier verrichten zij het onder volmaakte condities. Ze doen dit met groot gemak en met een vrijheid van bewegen, die hen op aarde was ontzegd, maar die hier in de geestelijke wereld hun erfdeel is. Anderen, die geen steenhouwer van beroep waren, hebben sedert hun komst hier de geestelijke methoden van bouwen geleerd, louter om de vreugde van het werk. Ze verlenen waardevolle hulp aan hun meer bedreven confraters. (117)
De steenhouwers en nog één andere figuur zijn de enigen, die bij de eigenlijke constructie zijn betrokken, aangezien geestelijke gebouwen niet veel vereisen, wat voor het zetten van een aards gebouw nodig is, zoals b.v. de nodige voorzieningen voor kunstmatige verlichting en voor verwarming. Ons licht komt van de grote centrale bron van alle licht en warmte en is een van de natuurlijke bestanddelen van dit gebied.
Het deel, dat aan de bibliotheek werd toegevoegd, was een bijgebouwen niet heel groot. Onze geestelijke bibliotheek heeft één ding gemeen met een aardse. Er komt n.l. een tijd, dat de hoeveelheid boeken te groot wordt voor de beschikbare ruimte. Bij ons is dit sneller het geval, omdat wij niet alleen exemplaren hebben van aardse boeken, maar er zijn er ook, die uitsluitend aan gene zijde zijn ontstaan. Hiermee bedoel ik, dat zulke boeken geen duplicaat op aarde hebben. Daaronder zijn werken begrepen, die uitsluitend handelen over het geestelijke leven, de feiten van het leven hier en geestelijke leerstellingen, geschreven door autoriteiten met een feilloze kennis van hun onderwerp. Deze wonen in de hogere sferen. Ook zijn de geschiedkundige gebeurtenissen van de naties vastgelegd, waarvan de feiten in volstrekte overeenstemming met de absolute waarheid zijn en geschreven door mensen, die zich nu bewust zijn, dat dubbelzinnigheid onmogelijk is.,
Het zetten van het bijgebouw was daarom niet wat men een grote prestatie zou noemen en de hulp van betrekkelijk weinigen was er maar bij nodig. Het was een eenvoudig ontwerp en bestond uit twee of drie middelmatig grote kamers.
We stonden vrij dicht bij de groep van architecten en steenhouwers, met aan het hoofd de bestuurder van het gebied. Het viel mij in het bijzonder op, dat ze er buitengewoon blij en opgewekt uitzagen en er deden heel wat grappen de ronde in dit vrolijke troepje.
Het was vreemd voor Ruth en mij - Edwin had zoiets al eerder bijgewoond - ons voor te stellen, dat er binnenkort een gebouw zou verrijzen, omdat ik sinds mijn komst aan gene zijde nergens een spoor van zulke werkzaamheden had gezien. Alle gebouwen en huizen waren er al en het was me nooit ingevallen, dat er verder iets op dit gebied nodig zou kunnen zijn. Een ogenblik nadenken zou natuurlijk aan het licht hebben gebracht dat er aan geestelijke huizen altijd wordt gebouwd, terwijl men andere sloopt, wanneer ze niet langer nodig zijn. De gebouwen voor de wetenschap zagen er alle zo duurzaam uit voor mijn onwennige ogen, zó compleet, dat ik' niet dacht aan de noodzaak om er gedeelten aan toe te voegen.
Tenslotte zag het er naar uit, dat er een begin zou worden gemaakt. (118)
U moet er aan denken, dat het bouwen aan gene zijde in hoofdzaak het werk van de gedachte is. Daarom zal het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat de gebruikelijke materialen en toebehoren van aardse bouwers: steigers, stenen, cement en andere bekende dingen, nergens waren te zien. We zouden in feite een scheppingsdaad - het scheppen door gedachten - bijwonen en daarom vereiste dit geen stoffelijke benodigdheden.
De bestuurder van het gebied deed een paar schreden voorwaarts. Met zijn rug naar ons toe, maar met het gezicht naar de plaats waarop de nieuwe vleugel zou verrijzen, sprak hij een kort maar passend gebed uit. In eenvoudige taal vroeg hij de Grote Schepper om hulp bij het werk, dat zij gingen uitvoeren.
Zijn gebed bracht een ogenblikkelijk antwoord in de vorm van een heldere lichtstraal, die op hem en de anderen, die dicht achter hem stonden, neerdaalde. Zodra dit gebeurde kwamen de architecten en de steenhouwers naast hem staan. Alle ogen richtten zich nu op de open plek naast het hoofdgebouw, waar een tweede lichtstraal naar toe ging, rechtstreeks van de bestuurder en de steenhouwers. Toen de tweede straal de plaats van het bijgebouw bereikte, vormde deze zich op de grond tot een tapijt van louter glans. Dit nam geleidelijk toe in diepte, breedte en hoogte, maar er scheen tot nu toe elke substantie aan te ontbreken. Het kwam overeen in kleur met het hoofdgebouw, maar dat was alles.
Langzaam werd de vorm groter van afmeting tot het de gewenste hoogte bereikte. We konden nu duidelijk zien, dat het, wat de buitenzijde in het algemeen betrof, bij de oorspronkelijke structuur paste; ook de gebeeldhouwde motieven kwamen overeen.
Toen het zover was, naderden de architecten en onderzochten het nauwkeurig. We zagen hen er binnenin rondlopen tot zij ten laatste aan het oog werden onttrokken. Zij waren nauwelijks een ogenblik weg of zij keerden naar de bestuurder terug met de mededeling dat alles in orde was.
Edwin legde ons uit, dat dit tamelijk spookachtige gebouw in werkelijkheid een afschaduwing was van de voltooide structuur, gevormd als nauwkeurige copie, vóór men de gedachten versterkte om een vast en afgewerkt gebouw voort te brengen. Men zou elke vergissing of fout ontdekken zolang het gebouw in deze vage toestand was en men zou die meteen verbeteren.
Daar in dit speciale geval echter geen verbetering nodig was, werd het werk onmiddellijk voortgezet.
Het neerstromen van het licht werd nu nog veel intenser, terwijl de horizontale straal van de bestuurder en zijn medewerkers na verloop van een paar minuten even intens werd. We konden nu waarnemen hoe de nevelachtige vorm een onmiskenbaar vast voorkomen kreeg, terwijl de concentratie van verenigde gedachten laag op laag van groter dichtheid op het schijnbeeld legde. (119) Volgens hetgeen ik waarnam, scheen het op de bestuurder neer te komen om ieder van de steenhouwers te voorzien van juist die hoeveelheid en soort kracht, die elk voor zijn afzonderlijke taak nodig had. Hij trad inderdaad op als een distribueren de tussenpersoon van de magnetische kracht, die rechtstreeks op hem neerdaalde. Deze spatte uiteen in een aantal afzonderlijke lichtstralen van verschillende kleur en kracht, die overeenkwamen met het verzoek, dat hij rechtstreeks tot de Grote Architect richtte. Er was nergens een versagen of verminderen van het aanwenden van de gedachtesubstantie te bespeuren. De steenhouwers zelf schenen met een volmaakte eenheid van concentratie te werken, aangezien het gebouw met een opvallende gelijkmatigheid volledige vastheid verkreeg.
Na wat Ruth en mij een zeer kort tijdsverloop toescheen, hield het gebouw op groter dichtheid aan te nemen. De verticale en horizontale stralen werden afgebroken en daar stond de voltooide vleugel voor ons, volmaakt in elk onderdeel, uitstekend passend bij het hoofdgebouwen een mooie uitbreiding daarvan, goed overeenkomend in kleur en vorm en het hoge doel, waaraan het was gewijd, waardig.
Wij gingen er naar toe om het resultaat van de juist geleverde prestatie van meer nabij te bekijken. We lieten onze handen over de gladde oppervlakte glijden als om er ons van te overtuigen, dat het werkelijk vast was! Ruth en ik waren niet de enigen, die dit deden, want er waren ook anderen, die voor het eerst - en met dezelfde verbazing - getuige waren van de enorme kracht van de gerichte gedachte. De werkwijze bij het bouwen van onze eigen huizen en buitenhuisjes verschilt een beetje van wat ik u zo juist heb beschreven. Een noodzakelijke vereiste voor het bezit van een huis aan gene zijde is het recht om er een te hebben, een recht, dat alleen wordt verworven door het soort leven, dat we op aarde leiden, of door onze geestelijke vooruitgang na de overgang naar het hiernamaals. Wanneer wij dat recht eenmaal hebben verdiend is er niets dat het bezit er van kan verhinderen, als we dat zouden wensen.
Het is reeds vaak gezegd, dat we ons geestelijk huis bouwen gedurende ons aardse leven of daarna. Dat is slechts zo in ruimere zin. Wat we hebben gebouwd is het recht óm te bouwen, want het vereist een deskundige om een huis te doen verrijzen, dat die naam zou rechtvaardigen. Mijn eigen huis was voor me gebouwd tijdens mijn aardse leven door even bekwame bouwers als die het bijgebouw van de bibliotheek hielpen optrekken. Mijn vrienden, aangevoerd door Edwin, hadden voor al de onderdelen, die zulk werk meebrengt, gezorgd. Zij hadden de mensen uitgekozen om de taak op zich te nemen en deze laatsten hadden een mooi stuk werk geleverd. (120) Wanneer de dag zal aanbreken, waarop mijn geestelijke vooruitgang me verder zal brengen, zal ik mijn huis verlaten. Maar het hangt geheel van mezelf af, of ik het zoals het is, zal achterlaten voor anderen om het te betrekken en er van te genieten, of dat ik het zal vernietigen.
Men heeft mij verteld, dat het de gewoonte is het aan de bestuurder van het gebied te geven om er naar zijn goeddunken voor anderen over te beschikken.

IV. TIJD EN RUIMTE
De mensen op aarde denken gewoonlijk, dat tijd en ruimte aan gene zijde niet bestaan. Dat is niet juist. We hebben beide, maar ons begrip daarvan verschilt van het aardse.
Wij gebruiken soms de uitdrukking 'voor de schemering der tijden' om een idee te geven van het verloop van eeuwen, maar we hebben geen begrip van wat er werkelijk in die uitdrukking ligt opgesloten.
Op aarde ontstond het meten van de tijd door het wentelen om haar as. Dit geeft een tijdsverdeling, die bij ons als dag en nacht bekend is. Het terugkeren van de vier jaargetijden gaf de grotere maat, waarin de aarde om de zon draait. De uitvinding van klokken en kalenders bracht een gemakkelijk middel om de tijd te meten binnen ons bereik.
In de geestelijke wereld hebben we geen klokken of andere mechanische vindingen om het voorbijgaan van de tijd aan te wijzen. Het zou de eenvoudigste zaak van de wereld voor onze geleerden zijn om ons daarvan te voorzien als we er behoefte aan gevoelden. Maar we hebben er geen behoefte aan. Wij hebben geen weerkerende seizoenen, geen afwisseling van licht en donker als uiterlijke aanduiding van de tijd en bovendien hebben we niets, dat ons persoonlijk er aan herinnert, zoals honger, dorst en vermoeidheid, benevens het ouder worden van het fysieke lichaam, zoals aardse stervelingen. Kunnen we dan iets van het vervliegen van de tijd merken? Hoe kan tijd dan feitelijk bestaan?
We hebben twee tijdsbegrippen, het ene is evenals op het aardse plan, zuiver relatief. Vijf minuten van, laten we zeggen, acute pijn van het fysieke lichaam zal het denken zo beïnvloeden, dat de voorbijgaande ogenblikken een eeuwigheid lijken, maar vijf minuten van intense vreugde en geluk schijnen voorbij te vliegen als eenzelfde aantal seconden.
Degenen onder ons, die aan gene zijde in de sferen van geluk en voortdurende zomer leven hebben geen reden om te vinden dat de tijd 'kruipt'. In dit opzicht zijn we ons eenvoudig niets van zijn voorbijsnellen bewust.
In de duistere sferen is het omgekeerde het geval. (121) De periode van duisternis zal eindeloos lijken voor haar bewoners. Hoezeer zulke zielen ook mogen snakken naar de komst van het licht, toch komt dit nooit tot hen. Zijzelf moeten noodgedwongen de eerste stap naar het licht doen, dat hen buiten hun lage sfeer wacht. Een bestaansperiode in deze donkere regionen, die gelijk staat met niet meer dan een paar jaar van de aardse tijd, zal een eeuwigheid lijken voor de lijdenden. Indien we normaal geen van de gebruikelijke middelen bezitten om de tijd te meten, omdat we daaraan geen behoefte hebben, kunnen we teruggaan - en we doen dat ook - om met het aardse plan in contact te komen en ons van de juiste tijd van de dag, de dag van het jaar en het jaar zelf te vergewissen. Sommigen, die dit anders niet zouden doen, zijn uitsluitend naar de aarde teruggekeerd met het doel om hun nieuwsgierigheid ten opzichte van het aantal jaren dat zij aan gene zijde hebben doorgebracht, te bevredigen. Ik heb met enigen gesproken, die dit hebben gedaan en zij waren allemaal verbaasd te ontdekken, dat er zóveel jaren waren verlopen sinds hun overgang.
Wat mezelf betreft heb ik gemerkt, dat de tijd snel is vergaan sedert ik in de geestelijke wereld ben gekomen, maar ik heb gedurende die hele periode altijd geweten welk jaar van de Christelijke jaartelling we hadden. In mijn geval was dat eenvoudig omdat mij was beloofd, dat ik eens op een dag in staat zou zijn met de aardse wereld in verbinding te treden. Daarom had ik met zo'n grote belangstelling, tezamen met de grote zielen, die daar nauw bij waren betrokken, uitgekeken naar de aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke met andere dingen zouden leiden tot de vervulling van mijn wens.
Edwin, die mij op de drempel van onze wereld had ontmoet en me naar mijn nieuwe tehuis had geleid, kende op dezelfde wijze het verloop van de tijd, want hij had op zijn beurt mij gadegeslagen!
Men zou kunnen denken, dat de tij d, in de zin van een gemeten opeenvolging van het bestaan, weinig of geen invloed heeft buiten het aardse plan. Maar hij heeft zeer zeker invloed op het geestelijke plan.
Alle aardse gebeurtenissen, hetzij ze naties of individuen betreffen, zijn ondergeschikt aan en worden beheerst door de tijd. En in zover als die gebeurtenissen van toepassing zijn, of zich uitstrekken tot de geestelijke wereld, komen wij aan gene zijde onder zijn invloed, of zijn werking. We kunnen het Kerstfeest als het eenvoudigste en meest voor de hand liggende voorbeeld nemen. We vieren dit feest in de geestelijke wereld op dezelfde tijd als u. Of de 25ste December historisch de juiste datum is voor de gebeurtenis, die wij dan gedenken, is een vraag waarmee wij voor ons huidige doel niet hebben te maken. (122) Wat er op aan komt is, dat de beide vieringen, de uwe en de onze, jaar op jaar samenvallen en terugkeren. Wij zijn hierin niet aan de aarde ondergeschikt; ons doel is uitsluitend op de samenwerking gericht.
In normale tijden stijgt er in die periode van het jaar over de gehele wereld een grote kracht op van goede wil en vriendelijkheid. Velen, die in de andere seizoenen tot vergeten zijn geneigd, herinneren zich herhaaldelijk diegenen van hun familie en vrienden, die naar de geestelijke landen zijn overgegaan en zij zenden hun gedachten van genegenheid toe, welke wij in het hiernamaals altijd zo blij zijn te ontvangen en te beantwoorden. De viering van Kerstmis wordt altijd voorafgegaan door gedachten van vreugdevolle verwachting. Als er niets anders was om ons te leiden, zouden deze alleen reeds voldoende zijn om ons te zeggen, dat de tijd voor het feest nadert. Het is hier heel gewoon de een tot de ander te horen zeggen: 'Kerstmis nadert op aarde'. Maar de zo toegesprokene kan zich van dit feit in het geheel niet bewust zijn.
Voor dit bijzondere voorbeeld van Kerstmis hangen we niet geheel af van het aardse plan om te weten, dat de geboortedag van Jezus nadert. Bij deze speciale gelegenheid krijgen wij altijd bezoek van de grote geesten uit de hogere gebieden. Wanneer alle andere middelen ons in de steek zouden laten, zou dit een onfeilbare aanduiding zijn dat er weer een jaar van aardse tijd is voorbijgegaan.
Degenen onder ons, die in nauwe en voortdurende verbinding met de aarde staan, zullen natuurlijk, evenals u, het jaar, de maand en de dag kennen. Wij kennen ook het juiste uur van de aardse tijd. In dit opzicht zijn er geen moeilijkheden, noch is er enig mysterie. Wanneer wij ons in uw omstandigheden verplaatsen, kunnen we van dezelfde middelen gebruik maken, die u ten dienste staan - en wat kan er eenvoudiger zijn? Als regel is het voor ons niet nodig aldoor precies dag en uur te weten, of deze bij te houden. Wanneer we werkelijk met u samenwerken, zijn uw gedachten een voldoende aanwijzing voor ons dat een zeker ogenblik terugkeert, waarop wij elkaar ontmoeten om samen te werken of te praten. Zulke gedachten zijn alles, wat we nodig hebben. Het ligt bij ons in de gewone gang van zaken, dat we in het algemeen gesproken, alle besef verliezen van de regelmatige voortgang van de tijd, zoals u die kent. We laten het daarbij, tenzij we reden hebben het anders te doen. Wanneer we uitzien naar de komst in onze wereld van een familielid of een vriend, bepalen we ons denken bij die gebeurtenis, niet bij het jaar, waarop zij zal plaats vinden.\
Tot dusver heb ik u enige feiten gegeven, die me uit eigen ondervinding bekend zijn en daarom heeft mijn relaas betrekking op de speciale sfeer, waarin ik leef. (123)
Van de hogere weet ik niets uit de eerste hand en alle inlichtingen, die ik heb afgeleid uit de gesprekken met de bewoners van die gebieden, zijn geheel afhankelijk van mijn eigen vermogen om ze te begrijpen. Alles, wat ik daarom kan zeggen over de tijd in de hogere regionen, is, dat we in die gebieden in een zeer verheven staat komen, waar kennis, evenals vele andere eigenschappen, op een buitengewoon hoog peil staat. Personen uit die sferen hebben me meer dan verbaasd doen staan door de juistheid van hun voorkennis van gebeurtenissen, die op aarde zouden plaatsvinden. De wijze, waarop zij deze inlichtingen verkrijgen, ligt ver boven ons begrip in deze sfeer. Het is voor het ogenblik voldoende dit feit te vermelden en dat de tijd dus niet is beperkt tot gebieden van minder verheven geestelijke vooruitgang.
Wanneer we aan het onderwerp ruimte komen, zien we, dat we, in het algemeen gesproken, tot op een zeker punt onder dezelfde wet leven als op het aardse plan. Wij hebben een eeuwigheid van tijd, maar we hebben ook een oneindigheid van ruimte.
Er moet ruimte bestaan in de geestelijke wereld. Neem mijn eigen sfeer tot voorbeeld. Wanneer ik voor het raam sta van een van de bovenkamers van mijn huis, kan ik de enorme ruimten zien, waarin vele huizen en grote gebouwen zijn gelegen. In de verte zie ik de grote stad met nog veel meer grote gebouwen. Over het ganse wijde uitzicht liggen bossen en weiden, rivieren en stromen, tuinen en boomgaarden verspreid en zij nemen alle een plaats in, zoals in de aardse wereld. Zij doordringen elkaar niet meer dan op het aardse plan. Zij vullen elk het voor hen gereserveerde gedeelte van de ruimte. En terwijl ik uit mijn raam staar weet ik, dat er ver buiten mijn gezichtsveld en nog veel verder daarachter nog meer gebieden zijn, die allen tezamen de oneindigheid van de ruimte vormen. Ik weet, dat ik zonder onderbreking door enorme gebieden van de ruimte kan reizen, gebieden die veel groter zijn dan driemaal de grootte van de aarde, of nog groter. Tot nu toe heb ik nog geen fractie van de hele uitgestrektheid van mijn eigen sfeer doorkruist, maar ik ben vrij om dit te doen, wanneer ik maar wil. Goede vrienden uit de hogere gebieden hebben me verteld, dat ik zelfs tot die ijlere rijken zou kunnen doordringen, wanneer de omstandigheden dat zouden eisen. Men zou mij de faciliteiten en de beschermende mantel geven, die in dergelijke gevallen nodig zijn om de reis te maken, zodat het gebied waarin ik me kan bewegen dus buitengewoon groot is.
Wanneer men dit onmetelijke gebied slechts met aardse ogen zou bezien, zou het klaarblijkelijk buiten het bereik van de meeste mensen vallen, omdat het doorkruisen van zulke ruimten op aarde beperkt zou worden door de vervoermiddelen, die hen ter beschikking staan, evenals om andere redenen. (124) Duizend kilometer is op aarde een grote afstand en deze af te leggen neemt een aanzienlijke tijd in beslag, wanneer men van de langzamere transportmiddelen gebruik maakt. Zelfs met de vlugste moet er een zekere tijd verlopen, voordat het einde van een reis van duizend kilometer is bereikt. Maar aan gene zijde verandert de gedachte de hele toestand. We hebben ruimte en enig begrip van de tijd in zijn verhouding tot de ruimte. De gedachte kan de tijd teniet doen in zijn verhouding tot de ruimte, maar zij kan de ruimte niet vernietigen. Ik kan voor mijn huis staan en me bedenken, dat ik de bibliotheek in de stad graag zou willen bezoeken, die ik op enige kilometers afstand in de verte kan zien. Nauwelijks is deze gedachte me duidelijk door het hoofd gegaan, of ik bevind me - wanneer ik dat wens - voor de boekenkasten, die ik wil raadplegen. Ik heb mijn geestelijk lichaam - en dat is het enige wat ik bezit! - door de ruimte laten gaan met de snelheid van de gedachte en dat gaat zo vlug, dat het gelijk staat met er ogenblikkelijk te zijn. Wat heb ik nu gedaan? Ik heb de tussenliggende afstand in een ogenblik afgelegd, maar de ruimte blijft met alles wat zij bevat, ofschoon ik geen begrip had van de tijd of zijn voorbijgaan.
Als ik mijn bezoek aan de bibliotheek heb beëindigd, ontmoet ik enige vrienden op de stoep. Die stellen voor om naar het huis van een van hen te gaan. In dit prettige vooruitzicht besluiten we door de tuinen en de bossen te wandelen. Het huis is 'een eind weg', maar dat doet er niet toe, omdat we nooit last hebben van 'lichamelijke' vermoeidheid. We hebben niets anders te doen. We wandelen gezellig pratend samen voort, en na verloop van enige 'tijd' komen we bij het huis van onze vriend aan. We hebben de tussenliggende afstand te voet afgelegd. Op de tocht van mijn huis naar de bibliotheek legde ik de afstand daartussen af en ik deed de tijd voor die gelegenheid teniet. Op de terugweg onderging ik een intuïtief begrip van tijd door langzaam te lopen. Ik bracht de gewaarwording van afstand tot mijn bewustzijn terug door over de vaste grond en de graslanden van dit gebied te wandelen.
Tijd - in de geestelijke betekenis - en ruimte zijn relatief aan gene zijde, net zoals op het aardse plan. Maar ons begrip er van verschilt zeer veel, omdat het uwe wordt begrensd door de aardse beschouwing van zonsop- en -ondergang en de verschillende manieren van vervoer. Wij hebben een altijddurende dag en we kunnen ons langzaam voortbewegen door te lopen, of we kunnen ons onmiddellijk verplaatsen waarheen we maar willen. Op deze wijze kan de tijd tot stilstand worden gebracht! En we kunnen ons besef er van weer terugbrengen door kalm te rusten of te lopen. We brengen ons algemeen besef van tijd terug, niet het verlopen daarvan. (125) Maar wanneer we uw gedachten vormen van de aardse wereld ontvangen, die ons vertellen, dat u gereed is voor onze komst, dan zijn we ons opnieuw weer volkomen bewust van het voorbijgaan van de aardse tijd.
En u zult moeten toegeven, dat we ons altijd stipt aan onze afspraken met u houden!

V. DE GEOGRAFISCHE LIGGING
Hoe is de geografische ligging van de geestelijke wereld met betrekking tot de aardse? Velen hebben zich dit op verschillende tijdstippen afgevraagd - ikzelf inbegrepen!
Dit leidt tot een volgende vraag ten opzichte van de ligging van andere sferen dan die waarover ik u enige bijzonderheden heb gegeven.
Ik heb u verteld hoe ik, bij het aanbreken van het kritieke moment op mijn laatste ziekbed, tenslotte een onweerstaanbare drang gevoelde om op te rijzen en dat ik me met gemak en goed gevolg aan die drang overgaf. In dit speciale geval was de grenslijn zeer subtiel tussen het einde van mijn aardse en het begin van mijn geestelijke leven, omdat ik in het volle bezit van mijn zinnen was, helder bewust. De eigenlijke overgang van de ene wereld in de andere was in dit opzicht niet te merken.
Maar ik kan de dingen nog verder terugbrengen door u eraan te herinneren, dat er een ogenblik kwam, waarop de lichamelijke gevoelens, die met mijn laatste ziekte gepaard gingen, me plotseling verlieten en in de plaats daarvan een heerlijk gevoel van lichamelijk welbehagen en vrede des harten me geheel vervulde. Ik voelde, dat ik diep wilde ademhalen en deed dit ook. De aandrang om van mijn bed op te rijzen en het verdwijnen van alle fysieke gewaarwordingen gaven het ogenblik van mijn lichamelijke 'dood' en mijn geboorte in het hiernamaals aan.
Maar toen dit gebeurde, was ik nog in mijn eigen aardse slaapkamer en daarom moet de geestelijke wereld de aardse ten minste ten dele doordringen. Deze speciale belevenis zal ons enigszins een uitgangspunt geven voor onze geografische verkenningen.
De volgende gebeurtenis bij mijn overgang was de komst van mijn goede vriend Edwin en onze ontmoeting na het verlopen der jaren. De ontmoeting had naar het schijnt in de slaapkamer plaats. Toen stelde Edwin voor, nadat we elkaar hadden begroet en een ogenblikje hadden gebabbeld, onze tegenwoordige omgeving te verlaten, die onder deze omstandigheden nogal somber was. Hij greep mijn arm, zei me de ogen te sluiten en ik voelde me zachtjes door de ruimte gaan. Ik had geen duidelijk gevoel van richting. Ik wist alleen dat ik voortging maar het was me onmogelijk te zeggen of dat op- of neerwaarts of in horizontale richting gebeurde. (126) Onze snelheid nam toe, tot mij tenslotte werd gezegd de ogen te openen. En toen merkte ik, dat ik voor mijn geestelijk tehuis stond.
Sinds die dag heb ik veel geleerd. Een van mijn eerste lessen ging over de kunst van het zich persoonlijk voortbewegen op een andere manier dan door lopen. Er zijn hier enorme afstanden af te leggen. Soms is het voor ons nodig om dat in een ogenblik te doen. Zoals ik u reeds heb uitgelegd, gebeurt dit door gedachtekracht. Maar het was in het begin allervreemdst te merken, dat wanneer ik me door de ruimte verplaatste met groter snelheid dan bij het gewone lopen, ik geen besef had van een absolute richting maar alleen van beweging. Wanneer ik verkoos mijn ogen te sluiten onder het me met gematigde snelheid voortbewegen, sloot ik alleen het landschap uit, of wat overigens mijn omgeving was. Men moet niet denken, dat men kan verdwalen. Dat is uitgesloten!
Het ontbreken van richtingsgevoel belemmert op generlei manier het aanvangen van de gedachtefunctie bij de persoonlijke voortbeweging. Wanneer we eenmaal hebben besloten naar een bepaalde plaats te gaan, zetten we onze gedachten aan het werk en zo brengen deze op haar beurt het geestelijke lichaam onmiddellijk in beweging. Men zou haast kunnen zeggen 'het is niet nodig om er aan te denken'. Ik heb met anderen over deze dingen gesproken en in het algemeen onze gegevens vergeleken - het is iets wat wij allemaal doen als we pas aan gene zijde komen; het ontbreekt ons in onze moeilijkheden nooit aan hulpvaardige vrienden. Ik heb gemerkt, dat het bij allemaal voorkomt, dit nietwaarnemen van richting, wanneer men zich snel verplaatst. Wanneer we ons ogenblikkelijk verplaatsen, is er geen 'tijd' om enig voorwerp te zien. Er is geen merkbaar tijdsverloop tussen het ogenblik dat we vertrekken en dat waarop we onze bestemming bereiken.
Men zal uit deze factor van het niet onderkennen van richting, als ik het zo mag noemen, begrijpen, dat het moeilijk is een juiste ligging aan de geestelijke wereld met betrekking tot de aarde toe te schrijven. Inderdaad betwijfel ik of een betrekkelijke nieuweling aan gene zijde bij mogelijkheid daarvan de geografische ligging zou kunnen gissen! Natuurlijk zijn er mensen te over, die nooit hun hoofd over zulke dingen breken. Zij hebben alle verbinding met de aarde verbroken en willen er voor goed niets meer mee te maken hebben. Ze weten zeker, dat ze leven en aan gene zijde zijn, maar het is niet hun bedoeling zich om de juiste ligging van hun wereld te bekommeren. Maar in ons eigen geval is het anders. (127) Ik sta in een zeer levendige verbinding met de aardse wereld en ik geloof, dat het van belang kan zijn te proberen er enig idee van te geven waar de geestelijke landen zich aan gene zijde nu eigenlijk wel bevinden. Welnu, de geestelijke wereld is verdeeld in sferen of gebieden. Deze twee woorden zijn gangbaar geworden onder de meesten op aarde, die bekend zijn met de communicatie met onze wereld en deze beoefenen. In mijn gesprek met u heb ik deze woorden afwisselend gebruikt. Zij zijn geschikt voor ons doel - men zou geen betere kunnen bedenken.
Sommigen, die dit onderwerp bestuderen, hebben deze sferen nummers gegeven van de eerste, die de laagste is, tot de zevende, de hoogste. Het is onder ons de gewoonte dit systeem van nummering te volgen. Het idee is van onze zijde afkomstig, naar men me heeft gezegd en het is een zeer bruikbare en gemakkelijke methode om inlichtingen te geven over onze positie op de trappen van geestelijke evolutie. De geestelijke sferen zijn in een reeks van ringen gerangschikt die een aantal concentrische cirkels om de aarde vormen. Deze cirkels strekken zich tot in de oneindige ruimte uit en zijn onzichtbaar verbonden met de aardse wereld in de kleinere wenteling om haar as en voorts in haar grotere om de zon. De zon heeft geen enkele invloed op deze wereld. We zijn ons helemaal niet van haar bewust aangezien zij zuiver stoffelijk is.
Er wordt ons een verklaring van de concentrische cirkels gegeven door ons b.v. te vertellen, dat er een bezoeker van de hogere sferen tot ons afdaalt. Hij is relatief boven ons, zowel geestelijk als plaatselijk.
De lage gebieden van duisternis zijn dicht bij het aardse plan gelegen en doordringen dit op hun diepste gedeelte. Hier ging ik met Edwin doorheen, toen hij me kwam halen om me naar mijn geestelijk tehuis te brengen. En dit was de reden dat hij me aanraadde mijn ogen stevig gesloten te houden tot hij me zou zeggen ze weer te openen. Ik was anders wakker genoeg - te zeer zelfs, omdat ik volkomen bewust was - om niet iets van de afzichtelijkheid te zien, die de aarde in deze duistere plaatsen heeft afgeworpen.
We zien, dat de sferen zijdelings zo zijn onderverdeeld, dat zij in het algemeen aansluiten bij de verschillende volkeren op aarde en dat de geestelijke wereld bestaat uit een opeenvolging van concentrische cirkels, die de aarde tot middelpunt hebben.
Elke onderverdeling ligt onmiddellijk boven het volk waarmee het verwant is. Wanneer men de enorme verscheidenheid beschouwt van de nationale temperamenten en eigenschappen, die over de aarde zijn verspreid, is het niet te verwonderen, dat de mensen van elk volk zich aangetrokken voelen tot degenen van dezelfde aard aan gene zijde, net zoals toen zij nog op het aardse plan leefden. Persoonlijke keuze staat natuurlijk iedereen vrij; men mag naar keuze in elk gedeelte van zijn eigen sfeer wonen. (128) Er zijn hier geen vastgestelde grenzen om de volkeren te scheiden. Deze scheppen hun eigen onzichtbare grenzen van temperament en gewoonten, maar de mensen van alle aardse volkeren zijn vrij om zich te vermengen in de geestelijke wereld en te genieten van een onbelemmerde en aangename omgang. De kwestie van de taal levert geen moeilijkheden op, omdat wij niet genoodzaakt zijn hardop te spreken. We kunnen onze gedachten op elkaar overbrengen met de volle zekerheid dat de persoon tot wie we ons geestelijk richten, ze zal opvangen. Zo levert de taal dus geen hinderpaal op.
Elk van de nationale onderverdelingen aan gene zijde heeft de eigenaardigheden van zijn aardse -duplicaat. Dat is heel natuurlijk. Mijn eigen huis ligt in een omgeving, welke me vertrouwd is en die over het algemeen in uiterlijk een copie is van mijn aardse tehuis. Deze omgeving is geen nauwkeurig evenbeeld van de aardse. Ik bedoel daarmee, dat het landschap om mijn geestelijk tehuis mij en mijn geestesvrienden vertrouwd is.
Deze verdeling in volkeren strekt zich slechts tot een zeker aantal gebieden uit. Daarbuiten houdt nationaliteit als zodanig op te bestaan. Daar behouden wij alleen onze uitwendige en zichtbare kentekenen, zoals de huidskleur, of die geel, blank of zwart is. We houden op ons van onze nationaliteit bewust te zijn zoals op aarde en tijdens ons verblijf in de minder hoge sferen. Onze huizen dragen niet langer een bepaald nationaal karakter maar een meer zuiver geestelijk.
U zult zich herinneren, hoe ik u bij het oprichten van het bijgebouw heb voorgesteld aan de bestuurder van de sfeer. Elke sfeer heeft zo'n leider, hoewel de term bestuurder eigenlijk niet goed is, omdat deze geneigd is een verkeerde indruk te geven. Het zou veel beter en veel juister zijn te zeggen, dat hij het gebied presideert.
Hoewel elke sfeer zijn eigen inwonende bestuurder heeft, behoren alle bestuurders tot een hogere dan die, welke zij presideren.
Het is n.l. zo, dat er nobele eigenschappen voor vereist zijn. Het ambt wordt slechts bekleed door hen, die lang aan gene zijde hebben vertoefd. Velen van hen zijn hier duizenden jaren geweest. Een hoge geestelijke gesteldheid alleen is niet voldoende; er zijn vele sublieme zielen, die het ambt met waardigheid zouden kunnen bekleden. Maar een bestuurder moet veel kennis en ondervinding van de mensheid hebben en daarbij moet hij altijd in staat zijn de verschillende zaken, die hem worden voorgelegd, met oordeel des onderscheids te behandelen. (129) Al de ondervinding en kennis, al de sympathie en het begrip van de bestuurder staan ter beschikking van de inwoners van zijn sfeer, terwijl zijn vriendelijkheid en eindeloos geduld immer weer naar voren komen. Deze grote ziel is altijd bereikbaar voor allen, die hem wensen te raadplegen, of die tot hem komen voor het oplossen van hun problemen.
Wij hebben even goed onze problemen als u op aarde, ofschoon de onze zeer verschillend zijn van de uwe. De onze zijn nooit van dezelfde aard als de kwellende zorgen van de
aardse wereld. Wat mijzelf betreft was spoedig na mijn overgang mijn eerste probleem, hoe ik kon rechtzetten, wat ik naar mijn mening verkeerd had gedaan, toen ik nog in de stof leefde. Ik had een boek geschreven, waarin ik de waarheid over de communicatie met de aardse wereld zeer onbillijk en niet eerlijk had behandeld. Toen ik hierover met Edwin sprak had hij - zonder dat ik dit wist - raad gevraagd aan de bestuurder van het gebied met het resultaat, dat een andere verheven ziel de zaak met me was komen bespreken en me hulp en raad had aangeboden voor mijn moeilijkheid. Wat tenslotte een einde aan mijn moeilijkheid maakte was in de eerste plaats het feit, dat de bestuurder op de hoogte was van mijn aangelegenheden.
Men zal hieruit begrijpen hoe uitgebreid de kennis van de bestuurder is van de mensen over wie hij presideert. Opdat men niet zal denken, dat het menselijkerwijs onmogelijk is voor iemand om zoveel af te weten van de velen, die in één sfeer leven, moet men begrijpen, dat het denken van de sterveling in zijn gebied van actie wordt beperkt tot het fysieke brein. In de geestelijke wereld hebben we geen physiek brein dat ons kan belemmeren. We kunnen alle kennis, welke tot ons komt, vasthouden. We vergeten de dingen niet, die we in onze wereld hebben gehoord, of het nu geestelijke lessen of eenvoudige feiten zijn. Maar het kost tijd, zoals u zult zeggen, om te leren. Daarom hebben de bestuurders der sferen vele duizenden aardse jaren aan gene zijde doorgebracht, voordat ze zoveel mensen onder hun beheer krijgen. Want de bestuurders moeten hen leiden en hen de weg wijzen, hen bij hun werk helpen en zich bij hen voegen bij hun ontspanning om hen te inspireren en tegenover hen te handelen als een toegewijde vader in elke betekenis van het woord. Het bestaat niet, dat men zich in deze sfeer ongelukkig voelt - alleen al niet omdat het onmogelijk zou zijn met zulk een edel wezen om onze zorgen te verdrijven.
Elke sfeer is volkomen onzichtbaar voor de bewoners van de lager gelegen gebieden en in dit opzicht schept ze althans haar eigen grenzen.
Wanneer men naar een lagere sfeer reist, ziet men het terrein geleidelijk aan degenereren.
Als we naar een hogere trekken, gebeurt er precies het tegenovergestelde: we zien het land om ons heen meer hemels, verfijnder worden. (130) Het vormt een natuurlijke slagboom voor diegenen van ons, die nog niet voldoende zijn vooruitgegaan om inwoners van die sfeer te kunnen zijn.
Nu heb ik u reeds verteld hoe de sferen boven elkaar liggen. Hoe gaat men dan van de ene naar de volgende, hetzij daarboven of er onder? Er moeten dus in elk gebied een of meer plaatsen zijn waar er een duidelijke neiging opwaarts naar de ene, en neerwaarts naar de andere is. Hoe simpel dit ook moge klinken, toch is dit precies het geval.
Het is niet moeilijk zich een wellicht geleidelijke afdaling in te denken naar minder heilzame regionen. We kunnen onze aardse ervaringen te hulp roepen en ons rotsachtige plaatsen herinneren, waarheen we zouden kunnen gaan en er afdalen. Deze zijn verraderlijk en voeren ons naar beneden in donkere, koude, vochtige en afstotende spelonken, waar we ons allerlei soort walgelijke dingen kunnen voorstellen, die daar op ons loeren. We kunnen ons dan herinneren, dat boven ons, hoewel buiten ons gezichtsveld, de zon schijnt, die warmte en licht over de aarde verspreidt, terwijl wij toch geheel en al in een andere wereld schijnen te zijn. We zouden door ondergrondse holen kunnen dwalen tot we de weg kwijt raken en volkomen van het land boven ons zijn afgesloten. Maar we weten, dat er tenminste een weg naar boven is, als we die maar kunnen vinden en wanneer we maar volhouden te proberen om het gevaarlijke, rotsachtige pad te beklimmen.
Wanneer we met onze geestelijke wereld beginnen in de laagste schuilhoek van dit aardse beeld van ondergrondse holen, kunnen we zien, hoe elke sfeer in verbinding staat met het daar onmiddellijk boven gelegen gebied. De aardse overeenkomst is natuurlijk maar eenvoudig, maar het proces en het principe zijn hetzelfde. De overgang van de ene sfeer naar de andere in de geestelijke wereld is letterlijk - even letterlijk als het gaan uit een donkere spelonk naar het zonlicht daarboven, even letterlijk als het lopen van de ene kamer in uw huis naar een andere, hetzij op de bovenverdieping of beneden.
Wanneer ik me van de sfeer, waarin ik woon, begeef naar de volgende hogere, zal ik merken, dat ik over langzaam stijgende grond loop. Wanneer ik voortga, zal ik alle onmiskenbare tekenen zien - en voelen - van een sfeer van groter geestelijke verfijning. Er zal tenslotte een punt komen, waar ik niet verder kan gaan, omdat ik me geestelijk heel onbehaaglijk zal gevoelen. Wanneer ik zo dwaas zou zijn om deze gevoelens te trotseren, zou ik op het laatst merken, dat ik geen stap voorwaarts meer kon doen, omdat ik het onmogelijk langer zou kunnen uithouden. Ik zou niet meer in staat zijn iets voor me uit te zien, alleen maar wat achter me lag. (131) Maar of we nu aan een van de grenzen staan of goed en wel binnen die van onze eigen sfeer, er komt een zeker punt op de brug daartussen, waar de hogere onzichtbaar wordt voor minder geestelijke ogen. Net zoals zekere lichtstralen onzichtbaar zijn voor aardse ogen en bepaalde geluiden en klanken het aardse oor ontgaan, zo zijn de hogere gebieden onzichtbaar voor de bewoners van de lagere.
En de reden is, dat elke sfeer een hogere trillingsgraad heeft dan het daaronder gelegen gebied en daarom niet is te zien of te horen voor hen, die daaronder leven.
Zo kunnen we zien, dat er nog een natuurlijke wet werkt voor ons eigen bestwil.

VI. DE LAAGSTE GEBIEDEN
Er bestaat aan gene zijde een heel heldere en schone sfeer, die de schilderachtige en zeer toepasselijke naam 'Zomerland' heeft gekregen.
De duistere gebieden zou men bijna het 'Winterland' kunnen noemen, behalve dat de aardse winter een eigen grootsheid bezit, terwijl alles in de lagere sferen van de geestelijke wereld afschuwelijk is.
Tot nu toe heb ik de duistere gebieden slechts terloops aangeroerd en u maar even over de drempel gevoerd, maar in gezelschap van Edwin en Ruth ben ik werkelijk diep in die regionen doorgedrongen. Het is geen prettig onderwerp, maar ik heb de raad gekregen de feiten bekend te maken, niet met de bedoeling om de mensen aan het schrikken te brengen dit zijn niet de methoden noch het doel van de wereld van de geest - maar om te laten zien, dat zulke plaatsen alleen bestaan krachtens een onverbiddelijke wet, n.l. de wet van oorzaak en gevolg, het oogsten in de geest, dat volgt op wat men op aarde heeft gezaaid; om aan te tonen, dat wanneer men aan de morele gerechtigheid op het aardse plan ontsnapt, een strikte en onverbiddelijke gerechtigheid aan gene zijde ons wacht.
Wanneer we langzaam voortgaan van onze eigen sfeer naar deze duistere landen, zullen we geleidelijk aan de schoonheid van het landschap zien afnemen. De bloemen worden schaars en schraal, en zien er uit of ze moeite hebben om in leven te blijven. Het gras is verdroogd en geel, totdat het eindelijk met het laatste overblijfsel van ziekelijk er uitziende bloemen helemaal verdwijnt, om plaats te maken voor kale rotsen. Het licht neemt gestadig af, totdat we in een grauw land zijn en dan komt het duister - diepe, zwarte, ondoordringbare duisternis; ondoordringbaar, d.w.z. voor hen die geestelijk blind zijn. Bezoekers van een hogere sfeer kunnen in dit donker zien zonder zelf door de bewoners te worden waargenomen, tenzij het gebiedend noodzakelijk wordt daardoor hun aanwezigheid kenbaar te maken. (132)
Onze bezoeken hebben ons gevoerd naar wat we waarlijk geloven het laagste plan van het menselijk bestaan te zijn. We begonnen onze afdaling bij het passeren door een gordel van mist, die ons tegemoet kwam toen de grond hard en kaal werd. Het licht nam snel af, er waren minder en minder woningen en er viel nergens een levende ziel te bekennen. Grote streken van granietachtige rotsen strekten zich voor ons uit, koud en afschrikwekkend en de 'weg' die we volgden was ruwen zeer steil. Nu had het duister ons omhuld, maar we konden onze omgeving nog heel duidelijk zien. Het is nogal een vreemde gewaarwording - dit kunnen zien in het donker - en wanneer men die voor het eerst ondergaat lijkt het onwezenlijk. Maar het is inderdaad wezenlijk genoeg.
Toen we door een van de ontelbare spleten in de rotsen afdaalden, kon ik het walgelijke slijm zien en voelen, dat hen geheel bedekte. Het was vuilgroen van kleur en stonk vreselijk. Er bestond geen gevaar voor vallen. Dat zou onmogelijk zijn voor bewoners van onze gebieden.
Nadat we naar het scheen een heel eind naar beneden waren gegaan - ik zou me kunnen voorstellen dat het ongeveer een kilometer volgens aardse maatstaf moet zijn geweest bevonden we ons in een reusachtige krater, vele kilometers in omtrek, waarvan de zijden verraderlijk en dreigend boven ons uit torenden.
Dit hele gebied was bezaaid met kolossale rotsmassa's, alsof een of andere aardverschuiving of aardbeving ze van de bovenste kraterrand had losgescheurd en ze in de diepte beneden had geworpen om zich daar in alle richtingen te verspreiden en er natuurlijke grotten en tunnels te vormen. In onze tegenwoordige positie waren we een heel eind boven deze zee van rotsen en we zagen, dat er een sombere wolk van giftige damp uit opsteeg, alsof er een vulkaan onder lag, die op het punt stond uit te barsten. Wanneer we niet ruimschoots beschermd waren geweest, zouden deze uitwasemingen ons hebben verstikt en gedood. Nu lieten ze ons volkomen ongedeerd, hoewel we met onze intuïtieve vermogens het boosaardige van de hele plaats konden waarnemen. Door deze ongezonde uitwaseming heen konden we iets zien, dat op menselijke gestalten zou kunnen lijken. Ze kropen als vuile
beesten over de bovenste rotsen. Ruth en ik konden ons niet voorstellen, dat het mensen waren, maar Edwin verzekerde ons, dat ze eens als mens op aarde hadden rondgelopen, dat ze hadden gegeten en geslapen en de aardse lucht hadden ingeademd en zich met anderen op aarde hadden vermengd. Maar ze hadden een geestelijk onrein leven geleid. Na de dood van hun aardse lichaam waren ze naar hun ware verblijfplaats en hun ware staat aan gene zijde gegaan. (133) De opstijgende damp scheen hen enigszins aan onze blik te onttrekken. We daalden af tot we op gelijke hoogte met de rotsen waren.
Aangezien ik me bereid had verklaard me door Edwin te laten meevoeren naar elke plaats, die hij meende dat het best mijn doel zou dienen en daar ik wist, dat ik alles, wat ik zou zien, zou kunnen verdragen, begaven we ons dichter naar enige van deze afzichtelijke wezens toe. Ruth vergezelde. ons en het behoeft geen betoog, dat het haar nooit zou zijn toegestaan deze verderfelijke gebieden te betreden, wanneer er maar de minste twijfel bestond dat ze volledig over de uiterste zelfbeheersing en grootste zielskracht beschikte. Ik was niet alleen verbaasd over haar kalmte, maar uitermate dankbaar haar bij me te hebben.
We liepen dichter naar een van de onmenselijke gestalten toe, die op de rotsen lag uitgestrekt. De overblijfselen van zijn kleding konden gevoeglijk worden gemist, aangezien zij uit de smerigste vodden bestonden, die op een of andere onbegrijpelijke manier aan elkaar hingen en die door de gaten heen het levenloos er uitziende vlees vertoonden. De ledematen waren zo dun met huid bedekt, dat men stellig verwachtte de kale botten er door te zullen zien steken. De handen hadden de vorm van klauwen van een of andere roofvogel en de nagels waren zozeer gegroeid, dat zij echte klauwen waren geworden. Het gezicht van dit monster was zo vertrokken en misvormd, dat het nauwelijks menselijk was. De ogen waren klein en doordringend, maar de mond was enorm en weerzinwekkend, met dikke vooruitstekende lippen en kaken en verborg nauwelijks de gruwelijke slagtanden.
We staarden ernstig en lang naar dit droevige wrak van wat eens een menselijke gestalte was en ik vroeg me af, welke aardse misdaden het tot deze afschuwelijke staat van degeneratie hadden gebracht.
Edwin die veel ondervinding op dit gebied had, vertelde ons, dat we mettertijd door ons werk een zekere kennis zouden verkrijgen, welke ons in staat zou stellen uit de gezichten en gestalten van deze schepsels af te lezen, waardoor ze tot hun tegenwoordige toestand waren gekomen. Het zou niet nodig zijn hen aan te spreken om iets van hun levensgeschiedenis te weten te komen, want deze stond daarop geschreven en was voor de mens met ondervinding te lezen. Hun uiterlijk zelf zou een betrouwbare gids zijn om te weten, of zij hulp nodig hadden, of dat ze nog tevreden waren in hun diepgezonken staat.
Het sujet, dat daar voor ons lag, waarborgde weinig medegevoel, omdat hij nog in zonde baadde en blijkbaar niet het minste teken van berouw toonde over zijn walgelijke aardse leven. Hij was verbijsterd over het verlies van zijn lichamelijke energie en piekerde er over wat er met hem was gebeurd. (134) Op zijn gezicht stond te lezen, dat hij, wanneer hij de kans kreeg, met het laatste beetje kracht, dat hem overbleef zijn lage praktijken zou voortzetten.
Aan de weinige en verscheurde resten van zijn kleding, die op vroeger eeuwen duidde, was te zien, dat hij al verscheidene honderden jaren aan gene zijde was. Hij had het grootste deel van zijn aardse leven geestelijk en fysiek de mensen gekweld, die het ongeluk hadden gehad in zijn klauwen te vallen. Elke misdaad, die hij tegenover anderen had begaan, was tenslotte tot hem teruggekeerd en over zijn eigen hoofd gekomen. Hij leefde nu - en reeds honderden jaren - in de onuitwisbare herinnering van alle slechte daden, welke hij tegenover zijn medemensen had begaan.
Toen hij op aarde was, had hij gehandeld alsof hij het recht voorstond, onder valse voorwendsels. In waarheid was zijn rechtvaardigheid slechts schijn geweest. Nu zag hij eerst wat ware gerechtigheid betekende. Hij zag niet alleen zijn eigen verdorvenheid voortdurend voor zich, maar de gelaatstrekken van zijn vele slachtoffers, die geschapen werden door diezelfde herinnering en feilloos, onuitwisbaar in het onderbewustzijn staan opgetekend, trokken steeds aan hem voorbij. Hij kan nimmer vergeten, hij moet zich altijd herinneren. En zijn toestand werd verergerd door woede, omdat hij zich als een gevangen dier voelde.
We stonden in een groepje van drie bij elkaar, maar we konden geen greintje sympathie voor dit onmenselijke monster gevoelen. Hij kon niets daarvan in ons opwekken. Hij kreeg zijn verdiende loon - niets meer en niets minder. Hij had zichzelf gevonnist en veroordeeld en nu onderging hij de straf, die hij uitsluitend en alleen aan zich zelf had te danken. Dit had niets te maken met een wrekende God, die een zondaar de welverdiende straf oplegt. De zondaar was er inderdaad, maar hij was de zichtbare manifestatie van de niet te veranderen wet van oorzaak en gevolg. De oorzaak lag in zijn aardse leven, het gevolg manifesteerde zich in zijn geestelijke bestaan.
Hadden we slechts een sprankje licht kunnen ontdekken en we zien het werkelijk als een licht - dat een onmiskenbaar teken is van het begin van geestelijk leven, dan zouden we iets voor hem hebben kunnen doen. Zoals het nu met hem was gesteld konden we alleen maar hopen, dat op een goede dag dit verschrikkelijke wezen in alle ernst om hulp zou roepen. Zijn roep zou zeker worden beantwoord.
We gingen weg. Edwin leidde ons door een opening in de rotsen naar min of meer vlak terrein. We konden dadelijk zien, dat er in dit gedeelte van de krater meer mensen woonden - als men het woord 'mensen' voor deze schepsels ten minste kan bezigen. (135)
De bewoners waren met verschillende dingen bezig; sommigen zaten op kleine keistenen. Het had er alle schijn van dat zij samenzweerden, maar het was onmogelijk te zeggen over welke duivelse plannen. Anderen mishandelden in kleine groepen op een onuitsprekelijke wijze de zwakkeren onder hen, die op een of andere manier waren slaags geraakt met hun kwelgeesten. Het was ondraaglijk om naar hun kreten te luisteren. Daarom sloten we daarvoor stevig en afdoende onze oren. Hun ledematen waren onbeschrijfelijk verwrongen en misvormd en in sommige gevallen waren hun gezichten en hoofden ontaard tot een ware bespotting van het menselijk gelaat. We zagen weer anderen voorover op de grond liggen, alsof zij uitgeput waren door de ondergane folteringen, of omdat ze hun laatste kracht hadden besteed ze anderen aan te doen. Nu lagen ze nieuwe kracht te verzamelen om opnieuw met hun barbaarsheden te beginnen. Over het grote terrein verspreid lagen poelen van de een of andere vloeistof. Deze zag er dik, kleverig en onuitsprekelijk vies uit, wat ze dan ook was. Edwin vertelde ons, dat de van deze plassen afkomstige stank in overeenstemming was met al het andere, dat we hier hadden gezien. Hij waarschuwde ons ernstig er niet aan te denken zelf het goedje te proeven. We volgden zijn raad onvoorwaardelijk op.
We waren ontzet in sommige poelen tekenen van beweging te zien en we raadden, zonder dat Edwin het ons vertelde, dat de bewoners herhaaldelijk uitglijden en er in vallen. Ze kunnen niet verdrinken, omdat zij niet zijn te vernietigen, evenmin als wij zelf.
We aanschouwden alle soorten van beestachtigheid en grofheid en zulke barbaarsheden en wreedheden als men nauwelijks kan bedenken. Het is niet mijn bedoeling noch mijn wens u een uitvoerig verslag te geven van wat wij zagen. We hadden nog lang niet de bodem van deze verdorven put bereikt, maar ik heb u meer dan genoeg bijzonderheden gegeven van wat er in de duistere sferen is te vinden.
En nu zult u vragen: hoe ontstaat dit alles? Hoe of waarom wordt het bestaan van zulke oorden toegelaten?
Misschien zal de zaak u duidelijker worden, wanneer ik u vertel, dat iedereen, die in deze afschrikwekkende gebieden woont, eens op aarde leefde. Het is een vreselijke gedachte, maar men kan de waarheid niet veranderen. Denkt u geen ogenblik, dat ik heb overdreven bij de beschrijving van deze regionen. Ik verzeker u van niet. Ik ben feitelijk beneden de waarheid gebleven. Deze walgelijke oorden bestaan in hen geheel krachtens dezelfde wetten, die de schone en vreugdevolle gebieden regeren.
De schoonheid van de geestelijke wereld is de uiterlijke en zichtbare uitdrukking van de geestelijke vooruitgang van haar bewoners. Wanneer we het recht hebben verkregen om mooie dingen te bezitten, worden ze ons geschonken door de scheppingskracht. (136) In dit opzicht kan men zeggen, dat we ze zelf hebben geschapen. Schoonheid van geest en van daden kan niet anders dan schoonheid voortbrengen. Daarom hebben we bloemen van hemelse pracht, bomen en weiden, rivieren, stromen en zeeën van zuiver, glinsterend, kristalhelder water, mooie gebouwen tot vreugde en heil van ons allen evenals onze eigen huizen, waar we ons met nog meer schoonheid kunnen omringen en genieten van de vreugden van de aangename omgang met onze kameraden.
Maar lelijke gedachten en daden kunnen niet anders dan het lelijke voortbrengen..De op aarde gezaaide zaden der afzichtelijkheid zullen onherroepelijk leiden tot het oogsten van afzichtelijkheid aan gene zijde. Deze duistere sferen zijn door de mensen van het aardse plan opgebouwd, evenals zij de sferen van schoonheid hebben geschapen.
Niemand wordt gedwongen in de sferen hetzij van licht, of van duisternis binnen te gaan. Niemand zou bij mogelijkheid kunnen protesteren tegen iets, wat hij in zijn lichtsfeer vond, aangezien ontevredenheid of afkeuring, ongemak of verdriet daar niet kunnen voorkomen. We zijn een uiterst gelukkige en eendrachtige menigte en we leven tezamen in volkomen harmonie. Daarom kan niemand zich 'misplaatst' voelen.
De bewoners van de duistere sferen hebben zichzelf allemaal door hun aardse leven veroordeeld tot de staat, waarin zij nu verkeren. Het is de onvermijdelijke wet van oorzaak en gevolg; even onfeilbaar als op aarde de nacht op de dag volgt. Wat helpt het dan om genade te smeken? De geestelijke wereld is van een strikte rechtvaardigheid, een rechtvaardigheid, die niet valt om te kopen, een rechtvaardigheid, die we onszelf toemeten. Strikte rechtvaardigheid en genade kunnen niet samengaan. Hoe we ook van gans er harte en oprecht het ons aangedane kwaad mogen vergeven, het is ons niet gegeven genade te schenken in de geestelijke wereld. Elke slechte daad moet worden verantwoord door degene, die haar heeft bedreven. Het is een persoonlijke zaak, die alleen moet worden opgelost, evenals men alleen door de werkelijke gebeurtenis van de lichamelijke dood moet heengaan. Niemand kan dit voor ons volbrengen, maar door de grote beschikking, waarop deze en alle werelden zijn gegrondvest, kunnen we gerede en kundige bijstand in onze beproeving ontvangen. Dit gebeurt ook. Iedereen, die in deze vreselijke, duistere sferen woont, heeft in zichzelf de kracht uit de laagheid op te stijgen naar het licht. Hij moet persoonlijk de poging doen, hij moet zijn eigen verlossing uitwerken. Niemand kan dit voor hem doen. Elke centimeter van de weg moet hij zwoegen. Er wacht hem geen erbarmen, maar gestrenge rechtvaardigheid. (137) Maar de gulden gelegenheid van geestelijke verbetering is er en wacht hem. Hij hoeft maar blijk te geven van de ernstige wens zich een fractie van een centimeter te bewegen in de richting van de lichtsferen boven hem en hij zal een leger van onbekende vrienden vinden, die hem zullen helpen het hem toekomend erfdeel te ontvangen, dat hij in zijn dwaasheid heeft verworpen.

VII. ENKELE EERSTE INDRUKKEN
Het is in het begin een overweldigende ervaring te bemerken, dat men plotseling is herschapen in een blijvende bewoner van de geestelijke wereld. Hoeveel men ook mag hebben gelezen over de toestanden van het leven aan gene zijde, toch blijft er nog een nagenoeg onbeperkt aantal verrassingen voor iedereen over.
Degenen onder ons, die naar de aarde zijn teruggevoerd om over ons nieuwe leven te vertellen, komen voor de moeilijkheid te staan om in aardse termen te beschrijven wat in wezen van geestelijke aard is. Onze beschrijvingen moeten bij de werkelijkheid tekort schieten. Het is moeilijk zich een staat van groter schoonheid voor te toveren, dan die, welke we ooit op aarde hebben ervaren. Vergroot de schoonheid, waarover ik u heb verteld, honderdvoudig en u zult nog ver van de ware schatting af zijn.
Daarom kan misschien de volgende vraag bij velen rijzen: waardoor werd u het sterkst en het aangenaamst getroffen, toen u voor het eerst aan gene zijde kwam en wat waren uw eerste indrukken?
Laat ik me in de plaats stellen van iemand, die inlichtingen verlangt en onze oude vrienden Edwin en Ruth ondervragen. Edwin en ik waren, zoals u zich zult herinneren, op aarde beiden geestelijke. Edwin wist niet meer van het onderwerp 'terugkeren van overgeganen' dan wat ik hem van mijn eigen ervaringen had verteld. Hij was een van de weinigen, die werkelijk sympathiek tegenover mijn psychische moeilijkheden stond, d.w.z. die me geen orthodoxe, kerkelijke leerstellingen in het gezicht slingerde. Later heeft hij me gezegd, dat hij daar heel blij om was. Toen hij op aarde leefde, was het 'toekomstige leven' een volslagen geheimenis voor hem - zoals het dit nodeloos voor velen is. Hij paste zich op natuurlijke wijze aan bij de leer van de Kerk, gehoorzaamde haar 'geboden', nam zijn plichten waar en
hoopte er - zoals hij ook eerlijk heeft toegegeven - verder het beste van, wat dat beste ook zou mogen zijn. Maar zijn aardse leven had niet uitsluitend bestaan uit godsdienstige oefeningen; hij had anderen bij elke voorkomende gelegenheid geholpen waar hij maar kon. Deze op bescheiden wijze verleende diensten hadden hem enorm geholpen, toen de tijd voor hem aanbrak de aarde te verlaten. (138) Deze goede daden hadden hem in het land van schoonheid en eeuwige zonneschijn gebracht.
Zijn eerste indrukken bij het ontwaken aan gene zijde waren - om zijn eerste woorden te gebruiken - adembenemend. Hij had zich, misschien onderbewust, een voorstelling gemaakt van een soort nevelige staat als de toestand van het toekomstige leven, waar veel 'gebed en lofspraak' zou zijn. Hij twijfelde aan de geloofwaardigheid van zijn ogen, toen hij merkte, dat hij zich in een gebied van onuitsprekelijke schoonheid bevond met al de heerlijkheid van de aardse natuur, maar gereinigd van haar aardsheid, verfijnd en vergeestelijkt en een enorme kleurenrijkdom om zich heen. Toen hij de kristallen zuiverheid van de rivieren en beken zag, evenals de bekoring van de landelijke woningen, de grootheid van de tempels en centra voor de wetenschap in de stad, kon hij niet geloven, dat hij waarlijk te midden van al deze pracht was. Hij had niet het flauwste idee van wat zo voor hem gereed had gelegen. Hij dacht dat hij midden in een of andere mooie, maar fantastische droom was verzeild, waaruit hij binnenkort weer in zijn oude vertrouwde omgeving zou ontwaken. Hij bedacht, hoe hij deze droom zou vertellen, wanneer hij weer tot bewustzijn zou zijn gekomen. Toen overwoog hij hoe dat ontvangen zou worden - zonder twijfel als heel mooi, maar als niet meer dan een droom.
Hij stond maar naar al de overvloed van schoonheid te staren. Dat was volgens Edwin zijn eerste en grootste indruk. Hij had alles, wat daaraan voorafging, als een deel van dezelfde droom beschouwd, alles, wat hem had geleid tot dit in verbazing uitzien over het tafereel, dat zich bijna tot in het oneindige voor hem uitstrekte. Hoe hij was ontwaakt op een gemakkelijk rustbed in een zeer bekoorlijk huis en een oude vriend naast zich zag zitten, die bij Edwin dezelfde taak vervulde, als Edwin bij mij had gedaan toen hij me kwam afhalen.
Zijn vriend leidde hem naar buiten om de nieuwe wereld te zien. Toen kwam voor deze vriend de moeilijke taak - om Edwin te overtuigen, dat hij was 'gestorven' en toch nog leefde. In het begin hield hij zijn vriend en diens uiteenzetting n.l. voor een gedeelte van dezelfde droom. Hij wachtte zenuwachtig of er iets zou gebeuren, dat de droom zou veranderen in het terugkerende aardse bewustzijn. Edwin gaf toe, dat het enige tijd kostte hem te overtuigen, maar zijn vriend was eindeloos geduldig met hem.
Op het ogenblik, dat hij er van verzekerd was, dat hij zich werkelijk en voor goed aan gene zijde bevond, kende zijn vreugde geen grenzen. (139) Hij begon - net als ik later in gezelschap van Ruth - de landen van dit nieuwe leven te bereizen in het gevoel van lichamelijke en geestelijke vrijheid, die tot het ware wezen van het geestelijke leven behoort. Wat op Ruth het meeste indruk maakte bij haar eerste ontwaken aan gene zijde, was, naar ze zei, de enorme overvloed van kleuren.
Haar overgang was kalm en vredig geweest en ze was daarom ook na een zeer korte slaap kalm en zacht ontwaakt. Ze had, net als Edwin, zich in een heerlijk huis bevonden, klein, netjes en beknopt en helemaal voor haarzelf. Een oude vriend zat naast haar, bereid om haar te helpen met de onvermijdelijke verwarringen, welke met zo menig ontwaken aan gene zijde gepaard gaan. Ruth is van nature tamelijk gereserveerd, in het bijzonder, zoals ze zei, wanneer het er op aan komt om over zichzelf te spreken. In Edwins geval wist ik zoveel van zijn aardse leven, dat ik me gemakkelijk kon verlaten op wat ik over hem wist. Ruth had ik echter nooit gezien, totdat we elkaar hier ontmoetten aan het meer. Na veel overreding gelukte het me een paar bijzonderheden over haar aardse leven uit haar te krijgen.
Ze zei, dat ze nooit een ijverige kerkgangster was geweest, niet omdat zij iets tegen de Kerk had, maar omdat haar eigen opvatting van het 'hiernamaals' niet overeenkwam met wat haar eigen Kerk leerde. Ze zag, dat er te veel vertrouwen werd vereist en te weinig feiten werden gegeven. Over het geheel was ze met zoveel moeilijkheden en zorgen van anderen in haar dagelijks leven in aanraking gekomen dat ze instinctief voelde, dat het vage maar nogal schrikwekkende beeld van de toekomstige wereld, de vreselijke 'Dag des Oordeels', die haar steeds in de leer van de Kerk werd voorgehouden, onjuist was. Ze voelde dat ook de zo sterk op het woord 'zondaar' gelegde nadruk met de bijna algemene verdoemenis evenmin juist was. Ze verklaarde niet zo dwaas te zijn om te geloven, dat we allemaal heiligen zijn, maar aan de andere kant zijn we niet allen zondaars. Van de vele mensen, die ze kende kon ze er zich niet één herinneren, die in de godsdienstige betekenis ooit zo gebrandmerkt en verdoemd kon zijn. Waar zouden deze mensen dan allemaal heengaan, nadat zij waren 'gestorven'?
Ze kon zichzelf niet voorstellen de vierschaar spannend over deze stervelingen, hen veroordelend als 'zondaar'. Bovendien was het belachelijk, voegde Ruth er aan toe, te denken, dat zij 'barmhartiger' zou zijn dan God. Dat was ondenkbaar. Daarom had zij voor zichzelf een eenvoudig 'geloof' opgebouwd - een praktijk, die een theoloog onmiddellijk voor zeer gevaarlijk zou verklaren en die stellig nooit voor een moment zou moeten worden aangemoedigd. Hij zou hebben gesproken over het gevaar dat haar 'onsterfelijke ziel' zou lopen, wanneer ze zulke ideeën huldigde. Maar Ruth beschouwde haar 'onsterfelijke ziel' geen ogenblik 'in gevaar'. (140) Ze ging integendeel vrolijk haar weg en leidde een leven in overeenstemming met de ingevingen van haar zachtmoedige natuur. Ze hielp anderen in haar dagelijks leven en bracht een beetje zonneschijn in hun saaie bestaan. Ze was er vast van overtuigd, dat wanneer voor haar de tijd zou komen om de aarde te moeten verlaten, dat ze dan de genegenheid van haar vele vrienden met zich zou mogen meenemen in het nieuwe leven.
Ze was niet bang voor de dood van het fysieke lichaam, noch kon ze zich voorstellen, dat het de schrikaanjagende ervaring zou zijn, die zovelen verwachten en vrezen. Ze had geen vaste grond voor dit geloof, maar ze is later tot de slotsom gekomen, dat ze er intuïtief toe aangetrokken moet zijn geweest.
Behalve door de luisterrijke kleuren van de sfeer, waarin ze zich bevond, werd Ruth sterk getroffen door de verwonderlijke helderheid van de atmosfeer. Op aarde was zoiets nergens te zien. De atmosfeer was volkomen vrij van alle wazigheid en haar eigen gezichtsvermogen scheen zoveel intenser en verderreikend te zijn, dat het enorme kleurengamma dubbel levendig werd. Ze had van nature oog voor kleuren en ze had zich veel in muziek geoefend toen ze op aarde was. Toen ze aan gene zijde was gekomen, hadden deze beide gaven zich samengevoegd en de kleuren en de muziek van het nieuwe land hadden zich met al de weelde van hun verheven schoonheid over haar uitgestort.
In het begin kon ze nauwelijks haar zintuigen geloven, maar haar vrienden hadden haar spoedig uitgelegd, wat er was gebeurd. En aangezien ze zo weinig vastomlijnde ideeën over het toekomstige leven bezat, had ze maar zo weinig af te leren. Maar ze zei, dat het haar verscheidene dagen had gekost voor ze volledig alle wonderen om zich heen kon begrijpen en in zich opnemen. Toen ze zich eenmaal ten volle de betekenis van haar nieuwe leven had gerealiseerd en het feit, dat de hele eeuwigheid voor haar lag, waarin ze uit al de wonderen van dit land ervaringen op kon doen, kon ze haar opwinding bedwingen en zo ze zei 'het wat kalmer aan doen'.
Wij ontmoetten haar het eerst toen ze hiermee bezig was. Toen we eens met zijn drieën in de tuin bijeenzaten en gezellig over allerlei praatten, ontdekten we een gestalte, die het tuinpad opliep. Hij was Edwin en mij goed bekend. Op aarde was hij onze geestelijke meerdere geweest. Hij was geweest wat men onder een 'kerkvorst' verstaat en droeg nog zijn gebruikelijke kledij. We waren het er allen over eens - toen we elkaar later onze wederzijdse bevindingen meedeelden - dat ze uitmuntend paste zowel bij de plaats als bij de omstandigheden. De lengte en de rijke kleuren van het gewaad vloeiden zeer harmonisch tezamen met alles om ons heen. Er was niets ongerijmds aan. (141) En aangezien hij vol komen vrij was dit gewaad in de geestelijke wereld te dragen, deed hij dit ook; niet wegens zijn vroegere positie, maar door jarenlange gewoonte en omdat hij voelde hierdoor een weinig te kunnen bijdragen tot de kleurenpracht van zijn nieuwe verblijf.
Hoewel het hoge ambt, dat hij op aarde met waardigheid had bekleed, geen tegenhanger, noch betekenis aan gene zijde heeft, kenden toch velen hem hier van naam, gezicht en reputatie. Dit was nog een goede reden om zijn aardse wijze van kleden aan te houden, tenminste voor het ogenblik. Maar hij had de achting, welke zijn positie op aarde altijd te voorschijn had geroepen, volkomen over boord gegooid, toen hij aan gene zijde kwam. Hij wilde er niets meer ,van weten en hij stond er op, dat allen zich in dit opzicht strikt aan zijn wensen hielden.
Op aarde was hij zeer geliefd geweest. Het is niet meer dan natuurlijk, dat met zijn komst in de geestelijke landen allen die hem kenden hem dezelfde achting zouden betonen als vroeger. Achting is één ding, want we eerbiedigen elkaar allemaal in deze sferen, maar eerbied, die men behoort te geven aan anderen met verder gevorderde geestelijkheid is heel iets anders. Hij had dit zeer spoedig ingezien, naar hij ons zei, en zijn ingeboren nederigheid kennende, kon ik me indenken, dat dit bij hem het geval moest zijn.
Onze eerste ontmoeting leidde tot volgende en bij vele gelegenheden - we zullen in de toekomst nog van vele genieten - kwam hij bij Edwin, Ruth en mij in de tuin zitten, of we wandelden met elkaar. Op een van die gezamenlijke wandelingen vroeg ik aan onze vroegere meerdere, of hij mij een korte schets van zijn eerste indrukken in de geestelijke wereld wilde geven.
Wat hem zo sterk had getroffen, toen hij zich pas hier bevond, was niet slechts de enorme uitgestrektheid en schoonheid van deze wereld geweest, maar haar wezen in verhouding tot de aardse en speciaal tot het leven, dat achter hem lag. Allereerst kreeg hij een bijna verpletterend gevoel zijn aardse leven te hebben verspild aan schijnbaar onnodige, niet ter zake dienende dingen en veel nutteloze rituelen en vormendienst. Maar vrienden waren hem geestelijk te hulp gekomen en hadden hem verzekerd, dat het gebruik van de tijd zelf niet verspild was, hoewel zijn leven omgeven was geweest van de pracht en de praal van zijn ambt. Hoezeer de mensen om hem heen daarin waren opgegaan, toch had hijzelf ze nooit een absorberende factor in zijn leven laten worden. Hij putte veel troost uit deze gedachte.
Maar wat hem geestelijk het meest van streek had gebracht was de zwakheid van de leer, die hij noodgedwongen had hooggehouden. Veel daarvan viel in puin om hem heen. (142) Maar hij vond opnieuw vrienden om hem te leiden en zij deden dit op een eenvoudige en rechtstreekse manier, die tot zijn wakkere geest sprak, namelijk: de godsdienstige leerstellingen van het aardse leven te vergeten en bekend te worden met het geestelijke leven en zijn wetten. Het oude af te leggen en het nieuwe te aanvaarden. Hij had zijn uiterste best gedaan om deze raad op te volgen en was daarin volkomen geslaagd. Alles, wat niet op de waarheid was gegrondvest, vaagde hij uit zijn denken en kwam tot de zeer aangename ontdekking, dat hij zich eindelijk ten volle in een zeer algehele geestelijke vrijheid kon verheugen. Hij merkte, dat het zoveel gemakkelijker was de natuurlijke wetten van het hiernamaals te gehoorzamen, dan de 'geboden' van de Kerk en het dat heel prettig was om van de formaliteiten van zijn aardse positie te zijn bevrijd. Eindelijk kon hij vrij spreken zoals zijn hart het hem ingaf en niet bij monde van de Kerk.
Alles bij elkaar genomen, zei onze vroegere meerdere, vond hij zijn sterkste indruk bij zijn aankomst hier, het heerlijke gevoel van vrijheid, allereerst van de geest en dan van het lichaam. Zij was des te sterker in de geestelijke wereld naarmate ze in de aardse had ontbroken.

VIII. ONTSPANNING
Ik heb een paar maal het woord 'ontspanning' gebruikt, maar ik heb u nog geen bijzonderheden gegeven over dit betrekkelijk belangrijke onderwerp.
De aanduiding alleen al, dat we aan gene zijde ontspanning zouden hebben, zal stellig velen een onaangename schok geven. Deze lieden toch zullen onmiddellijk denken aan de vele en vele soorten van sport en ander tijdverdrijf, waaraan men zich op aarde tot zijn nut en voordeel overgeeft Het is ondenkbaar zulke in de grond aardse dingen a.h.w. over te brengen in een zuiver geestelijke wereld. Misschien ondenkbaar, omdat het hele idee vergezocht is, of omdat men de geestelijke wereld als een hogere staat zou moeten beschouwen, waar we al onze aardse gewoonten zullen achterlaten en voortdurend in een toestand van hoge geestvervoering leven. We zullen ons slechts bekommeren om die vage, onstoffelijke dingen, waarop onze respectievelijke godsdiensten zinspeelden als beloning voor het goede.
Zulke vermoedens over dit leven te koesteren betekent, dat het blote feit van ons komen aan gene zijde ons meteen in de tegenwoordigheid van God zou plaatsen, of dat we tenminste in de sfeer zijn, waarin God woont en dat daarom alles, wat maar in de verste verte zweemt naar aardse gewoonten of manieren streng zou worden geweerd als te onheilig om te worden toegelaten. (143) Dergelijke ideeën zijn natuurlijk nonsens, aangezien God ons niet meer nabij is aan gene zijde dan in de aardse wereld. Wij zijn dichter bij Hem, omdat we o.a. duidelijker de Goddelijke Hand en de uitdrukking van Zijn Geest in deze wereld kunnen zien. Dit is echter een diepzinniger onderwerp waarop we nu niet nader willen ingaan.
Velen onder ons vinden ontspanning in een andere vorm van arbeid. We hebben hier geen last van vermoeidheid, lichamelijk noch geestelijk, maar wanneer we zonder ophouden met een of andere bezigheid zouden doorgaan zonder zo nu en dan een afwisseling te hebben, zouden we ons spoedig geestelijk onvoldaan en onrustig gaan voelen. Ons vermogen om ons van een opgelegde taak te kwijten is enorm groot, maar we trekken een zeer duidelijke grenslijn voor alle werkperioden met betrekking tot het geheel en daar gaan we niet buiten. We ruilen onze tegenwoordige taak voor een ander soort arbeid, we kunnen helemaal met werken ophouden en onze tijd doorbrengen met rusten in onze huizen of ergens anders; we kunnen ons met studie bezighouden, of met vrolijk vermaak, dat in overvloed in deze sferen is te vinden.
Wanneer we voor het ogenblik met ons werk klaar zijn, verkeren we vrijwel in dezelfde positie als u, die nog op aarde bent. Wat gaat u doen om zich te amuseren? U zoudt het gevoel kunnen hebben, dat het nodig is uw lichaam rust te geven en daarom geneigd zijn tot geestelijke ontspanning. Zo is het precies eender met ons hier. Er is overvloed van geestelijke ontspanning van allerlei aard in de wetenschapscentra, omdat studeren op zichzelf een ontspanning kan zijn.
Ruth en ik hebben menig gelukkig uur in de bibliotheek en in het gebouw voor kunst doorgebracht, maar het is talloze malen voorgekomen, dat we behoefte hadden aan iets anders en dan zijn we naar de zee gelopen en aan boord gegaan van een van de mooie schepen en hebben daarmee een bezoek gebracht aan een van de eilanden. Aan het strand hebben we een van onze pittigste soorten van sport.
Ik heb u reeds verteld hoe schepen aan gene zijde worden voortgestuwd, namelijk door een gedachteproces en ik heb er verder op gewezen, dat het niet veel tijd kost om bedreven te worden in de kunst van het persoonlijk toepassen van dit aandrijven. Men verkrijgt tenslotte die vaardigheid, maar we kunnen onze vooruitgang toetsen en waardevolle hulp krijgen bij ons streven door deel te nemen aan wedstrijden op het water.
Men moet duidelijk onderscheid maken tussen zulke wedstrijden op het aardse plan en die welke in de geestelijke wereld gespeeld worden. Hier zijn we gerust, omdat we weten, dat alle wedijver zuiver vriendschappelijk is. (144) Er is niets bij te winnen behalve ondervinding en het verkrijgen van groter vaardigheid en er zijn geen prijzen om voor te vechten. Aan het einde van elke race kunnen we zeker zijn van grote hulp om ons meer bedreven te maken in het opvoeren en regelen van de snelheid van ons vaartuig.
Een speciaal vermaak, dat hier zeer bij ons in de smaak valt is het geven van toneelvoorstellingen van verschillende soort. We hebben mooie schouwburgen in een even schone omgeving, waardige gebouwen, gewijd aan een waardig doel. De architecten, die de gebouwen ontwerpen, doen dat met dezelfde angstvallige, nauwgezette zorgvuldigheid, die in al hun pogingen tot uiting komt en de resultaten onthullen als gewoonlijk de mate van samenwerking, die er tussen de meesters van het vak bestaat. De inwendige bekleding is het product van de bekwame artiesten uit het gebouw van de textiel, aan de tuinen daarbuiten wordt dezelfde toegewijde zorg besteed. Het resultaat verschilt zo hemelsbreed van een aardse schouwburg als men zich maar kan voorstellen.
Voordat ik verder over dit onderwerp doorga, zou ik graag de opmerking maken dat ik me volkomen bewust ben dat er op aarde mensen zijn, die schouwburgen en alles wat daarbij hoort in zijn geheel afkeuren. In de meeste gevallen komt zo'n afkeer voort uit de godsdienstige opvoeding. Ik kan de waarheid, zoals ik die bij ons heb gevonden, niet veranderen om haar in overeenstemming te brengen met zekere godsdienstige opvattingen, die de nog op aarde levende mensen er op na houden. Ik spreek van dingen, waarvan ik in gezelschap van duizenden anderen getuige ben geweest. Het feit van de sterke tegenzin van mensen op aarde tegen hetgeen volgens mijn beschrijvingen aan gene zijde bestaat, bewijst in geen enkel opzicht, dat dit niet bestaat en dat mijn bewering onjuist is. Mijn plaats van waarneming is onvergelijkelijk ver boven de hunne verheven, omdat ik de aardse wereld heb verlaten en een bewoner van de geestelijke ben geworden. Wanneer we de beschrijving van de wereld, welke wij nu bewonen, moesten wijzigen, zodat zij elke persoonlijke smaak en elke voorstelling van hoe het hiernamaals behoort te zijn, zou aanstaan, konden we beter meteen ophouden er verder enige beschrijving van te geven, omdat die, nadat zij zo was gereduceerd, waardeloos zou zijn. Laat ik om geen verkeerde indruk te wekken hieraan toevoegen, dat iemand, die zijn afkeuring zou uitspreken over alle, of enige vorm van ontspanning, die hij hier zou aantreffen, nooit gevraagd zou worden er zich aan over te geven. Tezamen met anderen van dezelfde opvatting zou hij deel uitmaken van een kleine aparte gemeenschap en daarin veilig buiten het bereik van alle veronderstelde aardse dingen blijven en in staat zijn in een plaats te wonen, zoals hij meent dat de 'hemel' behoort te zijn. (145) Ik heb zulke mensen ontmoet en het duurde in de regel niet lang, of zij verlieten hun zelf gemaakte hemel en wandelden weg de mooiere, grotere hemel binnen, die het werk is van de Grootste Geest.
Elke schouwburg in deze sfeer is ons vertrouwd door het soort stuk dat er wordt opgevoerd. De stukken zelf verschillen gewoonlijk zeer veel van die, waaraan men op aarde gewend is. Wij hebben niets van laag allooi en de auteurs zijn er evenmin op uit hun gehoor te kwellen of te pijnigen. We kunnen veel stukken zien, die de sociale problemen van de aarde behandelen, maar in tegenstelling met de aardse brengen onze stukken een oplossing - een oplossing waarvoor de aarde te blind is om die aan te nemen.
We kunnen komediestukken gaan zien, waar - dat verzeker ik u - het gelach altijd veel hartelijker en meer algemeen is dan men ooit in een aardse schouwburg te horen krijgt. Aan gene zijde kunnen we ons veroorloven om over veel te lachen, dat we eens, toen we nog op aarde waren, met de grootste plechtigheid en ernst behandelden!
We hebben grote historische vertoningen bijgewoond, die de belangrijke momenten van een volk lieten zien en we hebben ook de geschiedenis aanschouwd, zoals zij werkelijk heeft plaats gehad, niet zoals die in de geschiedenisboeken dikwijls zo fantastisch wordt beschreven! Maar het maakt stellig de meeste indruk en het is tevens de interessantste ervaring tegenwoordig te zijn bij een van deze vertoningen, waar de originele deelnemers zelf de gebeurtenissen opnieuw opvoeren, waarbij zij betrokken zijn geweest; eerst zoals men in het algemeen dacht dat ze hadden plaats gehad en dan zoals zij werkelijk zijn gebeurd. Deze voorstellingen behoren hier tot de drukst bezochte. Nooit zijn er oplettender en verrukter leden van het publiek dan de acteurs, die tijdens hun aardse leven op de planken de rol vervulden van de beroemde personen, die nu 'in levende lijve' voor hen optreden.
In zulke vertoningen worden de ruwere, verdorven en vernederende gebeurtenissen geheel weggelaten, omdat zij antipathiek voor de toehoorders en inderdaad voor allen in deze sfeer zouden zijn. Men vertoont ons evenmin tonelen, die in de voornaamste voorvallen uit niet anders dan gevechten, bloedvergieten en geweld bestaan.
In het begin krijgt men een vreemd gevoel, als men in eigen persoon de dragers van over de hele wereld beroemde namen aanschouwt, maar na enige tijd went men daar volkomen aan en wordt het een deel van het normale bestaan.
Het duidelijkst merkbare verschil tussen onze beide werelden op het gebied van ontspanning vindt zijn oorzaak in onze respectievelijke behoeften. Wij hebben hier geen behoefte aan lichaamsbeweging van energieke of andere aard en evenmin om de 'frisse lucht' in te gaan. Ons geestelijk lichaam is altijd in uitstekende conditie. (146) We hebben geen last van kwalen en de lucht, die niet anders dan fris kan zijn, dringt in elk hoekje van onze huizen en gebouwen door, waar ze haar volle zuiverheid behoudt. Zij kan onmogelijk bederven of verontreinigd worden. Daarom is het te verwachten, dat onze ontspanning meer op geestelijk dan op 'fysiek' gebied ligt.
Aangezien bij de meeste spelen buitenshuis een bal te pas komt, zal men begrijpen dat hier, waar de wet van de aantrekkingskracht onder andere condities werkt dan de uwe, vele wijzen waarop een bal geslagen zou kunnen worden volkomen hopeloze gevolgen zou hebben. Ik spreek nu van spelen waarbij wedstrijden te pas komen.
Op het aardse plan verkrijgt men bedrevenheid in het spel door het heersen van de geest over de spieren van het lichaam, wanneer dit laatste eerst in een gezonde toestand is gebracht. Maar hier zijn we altijd gezond en onze spieren staan altijd onder de volledige en algehele controle van onze geest. Men krijgt snel de bekwaamheid, hetzij voor het bespelen van een muziekinstrument, het maken van een schilderij of voor enige andere bezigheid, die het gebruik van de ledematen vraagt. U zult daarom begrijpen, dat de meest voorkomende spelen doelloos zouden zijn.
Men moet niet vergeten, dat buitens- en binnenshuis hier voor ons precies hetzelfde is. Ook hebben we geen verandering van weer bij de wisseling der jaargetijden. De grote centrale zon schijnt altijd; het is dan ook altijd heerlijk warm. We voelen nooit behoefte aan een stevige wandeling om ons bloed beter te laten circuleren. Onze huizen zijn geen noodzakelijkheid, maar een aanvulling van een toch al prettig leven. U vindt hier veel mensen, die geen tehuis bezitten. Ze zullen u zeggen, dat zij er geen behoefte aan hebben, want de zon schijnt voortdurend en de temperatuur is steeds warm. Ze zijn nooit ziek of hongerig en hebben nooit' iets nodig. Ze hebben de hele schone sfeer om in rond te zwerven. Men moet ook bedenken, dat de opvattingen zeer veranderen wanneer men hier komt te wonen. Wat we zo bijzonder belangrijk achtten, toen we nog in de stof leefden, blijkt lang zo gewichtig niet meer te zijn als we aan gene zijde komen. En veel van onze vroegere aardse spelen lijken nogal saai en onbeduidend vergeleken bij de aanzienlijke groei van onze geestelijke vermogens. Het feit, dat we ons ogenblikkelijk door de ruimte kunnen verplaatsen is voldoende om de grootste atletische prestaties op aarde tot iets onbelangrijks terug te brengen. Ditzelfde is het geval met onze aardse soorten van sport en spelen. Onze ontspanning is meer geestelijk gericht.
We hebben nooit het gevoel dat een of andere inspannende handeling ons bovenmatige fysieke inspanning kost, want onze energie houdt steeds gelijke tred met onze behoeften. (147) We merken dat we veel hebben te leren. En leren is op zichzelf zo'n genoegen, dat we geen behoefte hebben aan zoveel verschillende vermaken als u. Wij hebben een overvloed van muziek om naar te luisteren; er bestaan zulke wonderen in dit land, waarover we alles willen weten, er is zoveel prettig werk te doen, dat er geen reden is om bedrukt te zijn bij het vooruitzicht, dat er maar weinig soorten aardse sport en tijdverdrijf aan gene zijde bestaan. Er is zulk een overvloedige aanvulling van veel interessante dingen om te zien en te doen, dat een groot gedeelte van de aardse ontspanning volkomen onbeduidend blijkt te zijn.

IX GEESTEN - PERSONALIA
Wat voor gevoel is het om een geestelijk wezen te zijn?
Deze vraag is bij velen gerezen. Wanneer ik omgekeerd zou vragen: wat voor gevoel is het om een aards iemand te zijn? - zoudt u geneigd kunnen zijn te antwoorden, dat het nogal een dwaze vraag is, 'omdat ik eens zelf op aarde heb geleefd en het daarom behoor te weten'. Maar laten we, voordat we de vraag als dwaas terzijde stellen, zien wat er op valt te antwoorden.
Beschouw allereerst het fysieke lichaam. Het is aan vermoeidheid onderhevig. Daarom is het van het grootste belang rust te nemen. Het wordt hongerig en dorstig en het moet van voedsel en drinken worden voorzien. Het kan pijn lijden en martelingen ondergaan door allerlei ziekten en kwalen. Het kan zijn ledematen verliezen door ongelukken of andere oorzaken. De zintuigen kunnen verzwakken door het toenemen van de jaren, of wel een ongeluk kan het van het gezichtsvermogen of het gehoor beroven. Of het fysieke lichaam kan op aarde worden geboren zonder één of beide van deze zintuigen en bovendien kan het niet in staat zijn te spreken. Het fysieke brein kan zo zijn aangetast, dat we niet tot enige verstandige handeling in staat zijn. Anderen zullen dientengevolge voor ons moeten zorgen.
Wat een droefgeestig beeld, zult u zeggen! Dat is ook zo, maar iedereen kan tenslotte het slachtoffer worden van deze lijst van euvelen, die ik heb opgenoemd. Ten minste drie er van zijn iedereen op aarde bekend - honger, dorst en vermoeidheid. Daarmee is de lijst nog lang niet afgelopen. Maar deze zijn voldoende voor ons doel.
Laat nu al deze onplezierige ongemakken, die ik heb opgesomd, geheel buiten beschouwing. Sluit eens en vooral hun oorzaak uit. Dan zult u enigszins een idee hebben wat voor gevoel het is om een geestelijk wezen te zijn! (148)
Toen ik op aarde was, leed ik aan enige kwalen, die de meesten van ons bekend zijn, kwalen, die niet direct ernstig zijn en die we min of meer als vanzelfsprekend aanvaarden, de minder belangrijke pijntjes, die de meeste stervelingen te eniger tijd leren verdragen. Behalve door die lichtere kwalen was ik me natuurlijk van mijn stoffelijk lichaam bewust door de stoornissen van honger, dorst en vermoeidheid. De laatste ziekte - de ernstige - was te veel voor mijn fysieke lichaam en mijn overgang vond plaats. Ik voelde onmiddellijk wat het betekent een geestelijk wezen te zijn.
Terwijl ik met Edwin stond te praten voelde ik me physiek als een reus, ondanks het feit, dat ik juist van een ziekbed was verrezen. Na verloop van tijd gevoelde ik me zelfs beter. Ik had geen greintje pijn en ik voelde me licht in gewicht. Het had er inderdaad niets van of ik in een lichaam was gehuld! Mijn denken was klaar en ik was me slechts in zover van mijn lichaam bewust, dat ik mijn ledematen en mezelf kon bewegen zoals ik wilde, blijkbaar zonder een van de spierbewegingen, die me nog maar zo kort te voren vertrouwd waren geweest. Het is uiterst moeilijk u een idee te geven van dit gevoel van volmaakte gezondheid, omdat zoiets op aarde is uitgesloten. Daarom heb ik niets om u ter vergelijking, of iets dat daarmee overeenkomt te geven. Deze toestand behoort uitsluitend tot de geest en tart elke beschrijving in aardse termen. Men moet het ondervinden. Dat zult u niet kunnen, totdat u zelf één van ons wordt.
Ik zei, dat mijn geest wakker was. Dat is te weinig gezegd. Ik ontdekte, dat mijn denken een ware voorraadschuur van feiten betreffende mijn aardse leven was. Ik merkte, dat elke daad, die ik had bedreven, elk woord, dat ik had geuit, elke indruk, die ik had gekregen, elk feit, waarover ik had gelezen en elk voorval, dat ik had bijgewoond allemaal onuitwisbaar in mijn onderbewustzijn waren geregistreerd. Dat is doodgewoon voor iedereen, die op aarde heeft geleefd. Men moet niet veronderstellen, dat we a.h.w. voortdurend worden achtervolgd door een wilde reeks van droombeelden van afwisselende gedachten en indrukken. Dat zou een ware nachtmerrie zijn. Neen. Onze geest is als een volledige biografie van ons aardse leven, waarin elk klein onderdeel over onszelf is vastgelegd, op een ordelijke manier gerangschikt en waarin niets is weggelaten. Normaal is het boek gesloten, maar het is altijd bij de hand om er gebruik van te maken; we roepen ons de voorvallen slechts weer voor de geest als we dat willen. Ik spreek nu voor mezelf, maar zo gaat het ook mijn sfeergenoten.
De beschrijving, die ik u gaf van het geheugen van de bijzondere ziel in de laagste regionen, brengt andere wetten in werking, zoals ik u probeerde te tonen. Ik kan niet zeggen hoe het gebeurt, ik kan u alleen vertellen wat er geschiedt. (149) Het encyclopedische geheugen, waarmee wij zijn begiftigd, is niet zo moeilijk te begrijpen wanneer u even nadenkt over uw eigen gemiddelde aardse geheugen. U wordt ook niet voortdurend lastig gevallen door de gebeurtenissen van uw hele leven, maar u heeft ze eenvoudig maar terug te roepen, wanneer en waar u wilt, en ze kunnen oprijzen uit de aanleiding van het ogenblik. Een voorval zal een reeks van gedachten in beweging brengen, waarin het geheugen zijn aandeel heeft. Soms kunt u zich niet herinneren, wat er in uw geheugen is, maar aan gene zijde kunnen we ons iets onmiddellijk herinneren, zonder enige inspanning en feilloos. Het onderbewustzijn vergeet nooit. Dientengevolge worden onze vroegere daden ons tot een verwijt, of tot iets gunstigs - al naar gelang ons aardse leven is geweest. De getuigenissen op de wastafeltjes van ons werkelijke bewustzijn kunnen niet worden uitgewist. Ze zijn daar voor eeuwig, maar het is niet noodzakelijk dat ze ons achtervolgen, omdat op die wastafeltjes ook de goede daden, de vriendelijke daden, de vriendelijke gedachten en alles, waarop we met recht trots kunnen zijn, zijn vastgelegd. En wanneer ze in grotere en sierlijker letters zijn geschreven dan de dingen, waarover we spijt hebben, zullen we daarover des te gelukkiger zijn. Wanneer we aan gene zijde zijn, is ons geheugen natuurlijk blijvend sterker. Als we een leergang over een of ander onderwerp volgen, zullen we merken, dat we gemakkelijk en vlug leren, omdat we zijn bevrijd van de beperkingen, die het stoffelijk lichaam de geest oplegt. Als we kennis vergaren, zullen we die zonder mankeren vasthouden. Wanneer we met iets bezig zijn, dat behendigheid van de handen vereist, zullen we merken, dat ons geestelijk lichaam onmiddellijk en precies reageert op de drang van onze gedachten. Leren schilderen, of een muziekinstrument bespelen, om maar een paar bekende aardse bezigheden te noemen, is iets, wat in een minimum van de tijd kan worden volbracht die er voor nodig zou zijn wanneer we op aarde leefden. Wanneer we b.v. leren een geestelijke tuin aan te leggen, of een huis te bouwen, zullen we merken, dat de nodige kennis even gemakkelijk en vlug verkregen wordt - voor zover onze intelligentie dit toelaat, want we zijn niet allemaal met een helder verstand begiftigd op het ogenblik, dat we ons fysieke lichaam afschudden. Als dat het geval was, zouden deze sferen bewoond zijn door volmaakte mensen en daar zijn we nog ver vandaan! Maar onze intelligentie kan toenemen; dat is een deel van onze vooruitgang, want deze is niet alleen van geestelijke aard. Ons denken heeft onbegrensde hulpbronnen voor intellectuele ontwikkeling en verbetering, hoe we ook ten achter mogen zijn bij onze aankomst in de geestelijke wereld. Onze intellectuele vooruitgang zal zeker en gestadig voortgaan in overeenstemming met onze wens onder de geleerde en deskundige meesters van alle takken van wetenschap. (150) Bij onze studie zullen we worden bijgestaan door ons feilloos vasthoudend geheugen. We zullen niet kunnen vergeten.
Om nu tot het geestelijke lichaam zelf te komen: dit is in het algemeen gesproken een tegenbeeld van ons aardse. Wanneer we aan gene zijde komen zijn we te herkennen. Maar we laten al onze fysieke onvolkomenheden achter. We zijn in het volledig bezit van onze ledematen, ons gezichtsvermogen en gehoor; in feite werken al onze zintuigen volkomen. Onze zintuigen, zoals we die op aarde kennen, worden inderdaad heel wat intenser wanneer we in de geestelijke wereld zijn. Elke conditie - hetzij boven of onder het normale - van het fysieke lichaam, zoals buitengewone dikte of magerte, verdwijnt wanneer we in deze gebieden aankomen en we verschijnen, zoals we dat op aarde hadden behoren te doen, indien niet verscheidene aardse redenen er de oorzaak van waren geweest, dat dit niet zo gebeurde.
Er is een episode in ons leven, die we kennen als de bloei van het leven. Daar gaan we allen heen. Degenen onder ons, die oud of ouder waren bij hun overgang naar gene zijde, zullen terugkeren naar die bloeiperiode. Anderen, die jong zijn, zullen naar die periode toegroeien. We behouden allemaal onze natuurlijke eigenaardigheden; die verlaten ons nooit. Maar we merken, dat we vele minder belangrijke fysieke trekjes, die we gevoeglijk kunnen missen, tegelijk met ons aardse lichaam afschudden - zekere lichamelijke onregelmatigheden, waarmee we misschien zijn geboren, of die we in de loop van de jaren hebben gekregen. Ik vraag me af, hoevelen van ons tijdens hun stoffelijk bestaan niet een of andere kleine verbetering zouden kunnen bedenken, die zij graag in dat fysieke lichaam zouden aanbrengen, indien dat slechts mogelijk was! Allen denk ik! Ik heb u verteld hoe de bomen in deze sfeer opgroeien in' een volmaakte toestand - recht, er schoon uitziend en goed gevormd, omdat er geen stormen of winden zijn om de jonge takken te buigen en te verwringen tot ze misvormd worden. Het geestelijke lichaam is hier aan gene zijde onderworpen aan dezelfde wet. De stormen des levens kunnen het fysieke lichaam verwringen en wanneer dat leven geestelijk lelijk is geweest, zal het geestelijke lichaam net zo verwrongen zijn. Maar wanneer het aardse leven geestelijk gezond is geweest, zal het geestelijke lichaam dienovereenkomstig gezond zijn. Menige schone ziel bewoont een gekromd, menige slechte ziel een goed gevormd aards lichaam. De wereld van de geest onthult de waarheid, opdat allen haar kunnen zien.
U zult vragen hoe de geestelijke verschijning er anatomisch uitziet. Eigenlijk net zo als uw lichaam. (151) Wij hebben spieren, beenderen en zenuwen, maar zij zijn niet van de aarde; zij zijn zuiver geestelijk. Wij lijden niet onder kwalen - dat zou aan gene zijde onmogelijk zijn. Daarom vraagt ons lichaam geen voortdurende zorg om het goe