GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links
























Alla Selawry - Filokalia Ankh-Hermes ISBN 90 202 5398 0

Ten geleide
Inleiding

Ten geleide

Bidden is een verheffen van hart en gedachten tot God. Voortdurend bidden is een voortdurend richten van verstand en hart op Hem. (Theophanes de kluizenaar)
De mare van het voortdurende innerlijke gebed, het 'gebed des harten', klinkt als een boodschap uit een verre - en tegelijk vertrouwde - wereld. In geschriften als De weg van een pelgrim worden de geestelijke ervaringen geschilderd van mensen die hun leven met dit gebed weten te doordringen. Maar dat zijn persoonlijke ervaringen.
De kerk van het Oosten beschikt evenwel over een veelomvattend weten, een beproefde methodiek voor het innerlijke gebed. Hierin openbaren zich de leerstellingen en aanwijzingen van verlichte gebedsbeoefenaars in een begaanbare weg van meditatie die een beroep doet op ons vrije bewustzijn en leidt tot eigen geestelijke ervaringen:
'Het voortdurende bedachtzame gebed des harten is de wetenschap van alle weten, de kunst der kunsten, het werk der werken dat voor iedere eenvoudige mens even toegankelijk is als voor de geletterde.'

Het voortdurende innerlijke gebed vanuit het hart gaat terug op de Heilige Schrift. Jezus Christus zelf leert te allen tijde te waken en te bidden, zonder ophouden te bidden, niet veel woorden te gebruiken, maar - in je hart - in het verborgene - in geest en waarheid - in Zijn naam - tot de Vader te bidden. En apostel Paulus wekt op te bidden in geest en denken, zonder ophouden, en liever vijf woorden overdacht te spreken dan duizenden alleen met de tong.
Je vraagt je af: is dat eigenlijk wel mogelijk? En hoe is dit te verwezenlijken? Inderdaad, het is werkelijk mogelijk en voor een echt christelijk leven onmisbaar. Want de begenadigde dialoog met God in het gebed is de polsslag van de mensenziel.

Sinds het oer-christendom hebben de zoekers naar God gestreefd naar deze voortdurende levende omgang met God en hebben zij zich steeds weer met korte veelvuldige aanroepingen innig en beheerst tot Hem gewend. De geestelijk ervarenen vonden het eenvoudigste en meest werkzame middel voor dergelijke korte aanroepingen in het zogenaamde Jezus-gebed - (9) het gebed van de tollenaar in de tempel, gericht tot Jezus Christus - dat dan luidt: "Jezus Christus, Zoon van God, wees mij, zondaar, genadig!"

Dit gebed bevat alle elementen van een waar gebed: lof, pijnlijke zelfkennis, een bede om redding. Het leent zich er bijzonder goed toe voortdurend je gedachten tot Christus te wenden, je hart voor Hem te verwarmen en te leven in het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid. In zijn eenvoud en bondigheid is het voor een ieder toegankelijk en kan het op elk moment, op elke plaats en bij elke bezigheid worden uitgesproken.
Het Jezus-gebed dient tot innerlijke lering in het voortdurende gebed des harten. De ervaren gebedsbeoefenaars leiden de zoekende volgens een strakke methodiek van het eenvoudige mondelinge gebed van de beginner naar het begenadigde zelfwerkzame gebed van de meer gevorderde en naar een leven volgens het evangelie. Deze weg voert ons langs verschillende fasen: het formulegebed in woorden, het oplettend-verstandelijke gebed, het verstandelijk-innige gebed vanuit ons gemoed en ten slotte het voortdurende innerlijke gebed, het 'gebed des harten'.
In elke fase groeit de gemeenschap met Jezus Christus. Een leven in Gods tegenwoordigheid wekt geestelijke gevoelens op: een groeiende eerbied, pijnlijk zelfinzicht dat gepaard gaat met het zich bewust zijn van eigen zwakheid, het ervaren van vergevende goedheid en van de liefde tot God. Daardoor streeft de mens ernaar de wil van God te vervullen; daartegen komt zijn zelfzucht in het geweer, waartegen hij worstelt in een voortdurende onzichtbare strijd. Zo reinigt zijn innerlijk zich en worden hem, met een fijngevoeliger geweten, inzicht in het eigen hart, goedheid en zelfoverwinning geschonken. Het wezenlijke doel van het innerlijke gebed, het gebed des harten, is het verkrijgen van de genade van de Heilige Geest als een werkelijke ervaring. Want het christelijke leven is een begenadigd leven. Zo vormt het Jezus-gebed de kern van het christelijke leven van de kerk en is het slechts in het totale organisme van dit kerkelijke leven volledig te begrijpen.

De beoefening van het Jezusgebed berust op bijna tweeduizend jaren oude ervaringen van Godzoekers die de menselijke geest kenden. Zij leiden ons in tot het begrijpen ervan en geven richtlijnen voor de juiste toepassing. Deze richtlijnen stammen van kerkvaders, kluizenaars en gebedsbeoefenaars van de oer-kerk en in latere tijden van de Grieks-orthodoxe kerk van het Nabije Oosten en Rusland.
Het Griekse verzamelwerk van de berg Athos, de Philokaleia, omvat de belangrijkste teksten van vijfentwintig verlichte gebedsbeoefenaars uit de derde tot de veertiende eeuw, zoals Makarios en Antonius de Grote van Egypte, Johannes Chrysostomos, Efraïm van Syrië, Johannes Klimakos, Vader Dorotheos, Hesychios van Jeruzalem, Izaäk de Syriër, Philotheos van de Sinaï, Barsonufios en Johannes, Simeon de Nieuwe Theoloog en anderen. Het Russische werk: Wat is het Jezus-gebed volgens de traditie van de orthodoxe kerk? (10) (Walaamklooster, Finland, 1938) leidt in tot het innerlijke wezen van het 'gebed des harten' en zijn beoefening. Het bevat - in chronologische volgorde - de belangrijkste aanwijzingen van de Philokaleia alsmede die van de gebedsbeoefenaars in Rusland vanaf de veertiende tot de twintigste eeuw, zoals Nil Sorski, Dimitri van Rostov, Vassilij van Moldau en Paissij Velitsjkovski, Serafim van Sarov, bisschop Theophanos (de kluizenaar), bisschop Ignatius Brjantsjaninov en Johannes van Kroonstad.
De hier volgende tekst bevat uittreksels uit de Dobratolubije, de Russische bewerking van de Philokaleia, uit het werk uit Walaam en geschriften van Russische gebedsbeoefenaars, en met name van Theophanos de kluizenaar. De originele teksten zijn uit het Russisch vertaald en in vrije volgorde tot hoofdstukken verzameld in overeenstemming met de zinvolle opbouw van het gebed. Hierbij dienen de Walaam-teksten als raamwerk en worden bij aanvullingen en aanhalingen uit andere geschriften de namen van de auteurs achter de betreffende tekstgedeelten vermeld. Deze wijze van werken maakte het mogelijk de leer van de ervarenen in de gebedsbeoefening in hun eigen woorden van vele kanten te benaderen. Daarbij dienen de afzonderlijke onderwerpen - die vanzelfsprekend voor een deel meerdere malen voorkomen - bovenal als onderwerpen voor meditatie en ter opwekking van de geestelijke ontwikkeling.
Zo brengt dit verzamelwerkje in de eenvoudige vorm van uittreksels uit de originele teksten de grondprincipes van het innerlijke gebed en leidt het in tot zijn beoefening. Het wil een poging zijn de lezer toegang te geven tot het innerlijke gebed, het 'gebed des harten', dat tot eigen geestelijke ervaringen leidt. (11)

terug naar het literatuuroverzicht - terug naar boven

Inleiding

De Grieks en Russisch Orthodoxe kerk kent naast het gewone, uiterlijke gebed ook het zogenaamde innerlijke of geestelijke gebed, ook wel genoemd het gebed des harten. Het woord gebed zou tot een misvatting kunnen leiden. Meer op zijn plaats lijkt het woord meditatie en wel zoals speciaal beoefend in de Oosterse religies. Gebed veronderstelt de mens die bidt tot een God, kortom een tweeheid. Bij meditatie valt het accent van de beleving meer op de eenheid. Het onverlichte bewustzijn van degene die mediteert, blijkt in wezen het Verlichte Bewustzijn. Het kleine ik blijkt samen te vallen met de Totaliteit, met Tao. Ik en mijn Geliefde zijn één. God en zijn toegewijde zijn één in wezen. Bij het gewone gebed blijft dikwijls een absolute kloof bestaan, een afgrond, tussen de beperkte, zondige mens en God.
Het geestelijke gebed is in de Orthodoxe kerken reeds vanaf de vroegste christentijd een soort esoterische traditie geweest, die van geestelijke vader op leerling werd overgedragen. Naast alles wat als officieel kerkgebeuren aangemerkt kan worden is er daar die merkwaardige lering, waarvan de christelijke kerken in het Westen geen weet hebben.

Bij een goede beschouwing blijkt de traditie van het innerlijke gebed er een, die niet alleen gekend wordt in het Oosterse Christendom. Het Hindoeïsme kent zijn Japa-yoga, de Islam zijn praktijk van de dhikr en het Boeddhisme zijn Nembutsu. Al deze vormen van innerlijk gebed hebben met elkaar gemeen de voortdurende herhaling van een korte spreuk. 'Heer Jezus Christus, Zoon Gods, ontferm U over mij zondaar'of 'Namo Amida Butsu - Geprezen zij de Boeddha van het oneindige Licht en het oneindige Leven' of 'Lâillâhâ illâh-Llâh - Er is geen god dan God'. (13) Hoe kan nu de niet ingewijde lezer tot een begrip komen van de denkwereld, die achter de praktijk van het innerlijk gebed ligt? Met andere woorden: op wat voor wijze moeten we de waarden ervan benaderen?

De mens die zich bewust is geworden van zijn beperktheid, van zijn staat van onwetendheid of eventueel van zijn zonde, probeert hier aan te ontkomen.
De eerste ervaring van het beperkt zijn, brengt met zich mede een, zij het misschien heel verborgen, weten van een onbeperkt zijn. Het komt de betrokkene over als een genade die hij ervaart. Een genade die God hem schenkt. De vage intuïtie van het Licht achter de duisternis van het dagelijkse leven, doet hem verder zoeken. Gewend als wij zijn door ons verstand geleid te worden, hoeft het geen verwondering te wekken, dat bij het op weg gaan op het geestelijke pad de eerste stappen bestaan uit een analyse, een verstandelijke bezigheid, van de situatie waar wij in verkeren. Dit uit elkaar denken onderscheidt dan al gauw het 'ik', dat gebukt gaat onder zijn betrekkelijkheid en beperking, en dan dat onbeperkte, dat zich voordoet als 'het andere'. Ons ik gaat nu pogingen ondernemen om tot dat andere in relatie te komen. Het beperkte zoekt vanuit het onbeperkte steun te ontvangen om aan zijn eigen beperking te kunnen ontkomen. Dit is de fase van het gewone gebed. De mens bidt tot God, die staat voor het Almachtige, de Wijsheid, de vervolmaking van Liefde, voor alomtegenwoordigheid en eeuwigheid.

Zolang het verstand de boventoon blijft voeren in het bewustzijn, kan de mens niet echt tevreden uit het gebed tevoorschijn komen. Vele zaken laten zich rationeel benaderen en vele problemen komen zo tot een oplossing. Sinds de mens gegeten heeft van de boom van de kennis van het goede en het kwade - men leze in het eerste boek van de bijbel het allegorische verhaal over de zondeval - gaat het hem goed af als subject te denken over objecten. De paradijselijke éénheid werd opgebroken doordat de mens deel kreeg aan de kennis van goed en kwaad, d.w.z. aan die wijze van denken, die alle zaken goed weet uiteen te denken en tegenover elkaar te zetten. Hier wordt het verstandelijke, rationele denken ingevoerd in het bijbelverhaal. Een groot besef van rechten en plichten, begeleid door geboden en verboden is hiervan het gevolg. De ervaring van het paradijs echter, van de eenheid van alle dingen, is voorbij.
De mens ontdekte dat hij naakt was, Adam zag dat hij man was en Eva dat zij vrouw was. Het menselijke bewustzijn had zijn oorspronkelijke eenheid en vrijheid verloren en vertoonde zich alleen nog maar in een beperkte zelfidentificatie. Het begrip van de totaliteit, het besef van 'wij' had plaatsgemaakt (14) voor de mens die zichzelf aanwijst als 'ik' en over zijn medemens spreekt als over 'de ander'. De oorspronkelijke nondualiteit van het hogere - paradijselijke - bewustzijn gaat verloren in een durende scheiding tussen subject, denker, en object, dat of diegene waar over wordt gedacht. De kleine ik-zegger ziet zich niet meer met alles verbonden, maar ervaart zichzelf als gesteld tegenóver alles. Hij valt samen met zijn beperking. En dat wordt een treurige, smartelijke toestand. Niet langer zijn licht en duister, manlijk en vrouwelijk, goed en kwaad, actief en passief, leven en dood, facetten van hetzelfde wezen. De mens valt samen met één van beide, gedrongen door de werking van zijn uit elkaar denkende, rationele bewustzijn. Het innerlijke overzicht is hij kwijtgeraakt.
Dat wat hij als niet-eigen ervaart, maakt hem bang. Zo ontstaat de grote angst van de levende mens voor de dood, de angst van de mens die in het licht verkeert voor de duisternis maar ook de angst van de mens die in het duister zit voor het licht. Ook de mens die met zijn manzijn samenvalt wordt onrustig wanneer hij zijn tegenstelling, de vrouw ontmoet. De oorspronkelijke harmonie en vrede lijkt uiteen te vallen in gedeeltelijk begeerte, gedeeltelijk haat en afkeer. De ratio, het verstand dat zo nauw betrokken is bij het verhaal van de zondeval, lijkt nauwelijks het instrument waarmede wij hier onze kennis moeten vergaren. Er is echter nog een ander kennisinstrument en dat is het geëigende dat wij moeten gebruiken bij alle zaken die te maken hebben met het geestelijke, religieuze, innerlijke gebied. Ondanks zondeval, ondanks zijn verstandelijke instelling blijft de mens zijn vage intuïtie van de totaliteit, en wanneer zijn bewustzijn geraakt wordt door de Liefde, blijkt deze intuïtie niet langer vaag en onduidelijk te zijn. Er komt als het ware een weten van 'Ik en mijn geliefde zijn één'.

Paulus, geraakt door de Liefde, die hem verschijnt op de weg naar Damascus in de gestalte van Christus roept uit: 'Dood, waar is uw prikkel'. Van hem af valt de beperking, het samenvallen met maar een deel van de totaliteit. Hij heeft de ervaring van Christus als pleroma, de volledigheid van de Liefde, als de vervulling van de wet die zich tenslotte alleen maar met het goede en het kwade bezig houdt.
Hegel gebruikt in zijn filosofie naast het manlijke woord: der Verstand, het verstand, het vrouwelijke woord: die Vernunft, de rede. Gabriël Mareel spreekt over de innerlijke concentratie die een ruimer kennen met zich meebrengt dan het verstandelijke begrijpen. De mens wordt dan bijvoorbeeld voor de denker een présence' en is niet langer een object zonder meer. (15) Karl Jaspers, een andere belangrijke existentialistische denker zegt duidelijk: "Wir philosophieren nicht aus der Einsamkeit, sondern aus der Kommunikation. Kommunikation ist ein liebender Streitkampf. Philosofiert wird aus dem Umgreifenden. Das ist Sein über Subjekt und Objekt hinaus, ein beides Umgreifendes."
Berdjajef, de grote Russische existentialistische denker, zegt van het juiste filosoferen: "De filosofische kennis is een kennis die door een integrale geest wordt verkregen. Hierbij is het verstand een vereniging aangegaan met de wil en het gevoel."
Thomas van Aquino vat het geheel zeer simpel, maar ook zeer doeltreffend samen: "Res tantum cognoscitur, quantum diligitur" - De mate waarin wij iets kennen hangt af van de mate waarmee we iets liefhebben. Een nieuw kennisinstrument komt hierbij naar voren. Het is niet die éne faculteit van de mens, het verstand, waarmede we gaan werken, maar het totale wezen van de mens wordt erbij betrokken. Het is de kennis van de liefde, van het hart, de geestelijke intuïtie. Niet langer is hierbij de blik naar buiten gericht, zij is integendeel naar binnen gekeerd.

Bepaalde zaken zijn problemen, d.w.z. zij zijn vóór ons neergelegd - het Griekse werkwoord 'proballo'. Hun oplossing geschiedt door het verstand. Andere zaken zijn mysterie - mustèrion, samenhangend met het Griekse werkwoord 'muo', de ogen sluiten. Mysterie is dus datgene wat zich binnen in het hart van de mens afspeelt, en niet iets dat van buitenaf in ons bewustzijn binnenkomt. Hier heeft het verstand niets op te lossen. Het mysterie wordt ervaren en wel in het hart door de mens als totaliteit, en niet door het verstand alleen. Nu wij weten hoe wij deze denkwereld moeten benaderen, rest ons nog een antwoord op de vraag wat de inhoud van deze denkwereld is.

In de eerste plaats vinden we daar de mens die getroffen is door de zondeval. Het is de door zijn verstandelijke denken beperkte en gevangen, onvrije mens. Daarnaast worden we geconfronteerd met het begrip van het onbeperkte, vrije zijn: God en wel als heilige drie-eenheid. Tenslotte blijkt er een relatie tussen deze God en deze mens. Zij staan niet zomaar zonder meer tegenover elkaar. Er is een relatie tussen beiden die het gewone bestaan bevrijdt van zijn beperking. Over de door de zondeval getroffen mens vormden we reeds op de vorige bladzijden onze mening. Het begrip God laat zich onderscheiden in God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. God de Vader staat hier filosofisch gezien voor het totale bewuste Zijn. Het is de totaliteit van het Zijn op bewuste wijze - dus niet zoals een steen bijvoorbeeld is -, evenals het Brahman bij de Hindoes of het (16) Tao van het Taoïsme.
God de Zoon, de Logos, het Woord, stelt hierbij voor het beeld in de mens van dit bewuste Zijn. Het is het verbeelde bewuste Zijn, de idee - denk aan het Griekse woord eidos, het innerlijk geschouwde, het Hogere Bewustzijn in de mens.
God de Heilige Geest stelt voor de werking van de Vader door de Zoon in de mens. Het is het Hogere Bewustzijn dat in de mens is gewekt en op volle gang is gebracht, zodat de mens als wezen der verlichting zegenend door de wereld gaat.

De Vader is niet te kennen door de mens, behalve wanneer Hij 'verbeeld', dus vorm gegeven is. Dit beeld, de Zoon, wordt beschouwd als het wezenlijke van het menselijke bewustzijn: het hogere Bewustzijn. De omzetting van de mens door dit hogere Bewustzijn tot een totaal bewust Zijn is de werking van de Heilige Geest. Dit voert op zijn beurt naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Van fundamentele betekenis is hier het begin van het Johannes Evangelie: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen."
De Zoon als Verlosser krijgt hier zijn diepste betekenis. Centraal staat hier niet op de eerste plaats Jezus Christus als historische figuur, maar Jezus Christus als mythe. Mythe heeft hier de betekenis van het gesproken woord waarin zich de eeuwige waarheid openbaart. Op deze wijze wordt ook duidelijk wat Jezus van zichzelf zegt: "Eer Abraham was, ben ik". Waar Christus genoemd wordt het Licht der Wereld, wordt bij het innerlijk gebed graag gesproken over de aanschouwing van het ongeboren Licht, hetwelk duidt op het Hogere - en dus bovenrationele - bewustzijn in de mens. Wanneer we dan lezen: "Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon", dan weten we dat we niet met ons rationele denken tot de bevrijding of opstanding kunnen komen maar door dat Hogere Bewustzijn in ons. In de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 5 vers 11, lezen we dan ook: "God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet".
Het wezenlijke kenmerk van dit Hogere Bewustzijn is de liefde. In dezelfde brief van Johannes, hoofdstuk 4 vers 7, lezen we: "Een ieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin is de liefde Gods jegens ons (17) geopenbaard, dat God zijn enig geboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem".

Wat is nu de heilsweg die betreden wordt bij het innerlijke gebed? De beperkte zelfidentificatie van de mens met zijn verstandelijke bewustzijn - ik ben dat wezen dat door tijd en ruimte bepaald is - dient vervangen te worden door een ruimer bewustzijn. Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten: "Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij". Aan de Corinthiërs schrijft hij in zijn eerste brief hoofdstuk 15: "Er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt." En iets verder: "Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen."
Hoe zal dit proces van verandering van onze zelfidentificatie zich voltrekken?
In de eerste plaats moeten wij geloven dat er een bewustzijn bestaat dat ruimer is dan het beperkte door het verstand bepaalde. Ergens ligt dit geloof in iedere mens. Immers, hoe kunnen we zo goed onze beperking kennen, wanneer wij niet ergens een intuïtie zouden hebben van het onbeperkte zijn? In het Johannes Evangelie, hoofdstuk 11, zegt Christus: "Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven." Met dit geloof moeten wij nu ons innerlijk oor te luisteren leggen. Het is de inkeer, de bekering van de mens. We brengen ons verstandelijke denken tot rust en tot zwijgen. We proberen te luisteren naar hogere bovenrationele aspecten van ons wezen, het Hogere Bewustzijn in ons. "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, wie Mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij heeft gezonden, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven." Johannes 5:24.
Eenzelfde procédé speelt zich af in de Oosterse meditatiesystemen. Met de aandacht naar binnen gekeerd houden wij de lampen brandende in afwachting van de komst van de Meester. Zijn komst is het ontwaken van het hogere Bewustzijn in ons. Op dat moment, bij het doorbreken van de verlichting in onze onwetendheid, ervaren we pas werkelijk de betekenis van de tekst uit de Evangeliën: "De Meester is daar en Hij roept U!" Dan zal ons bewustzijn geheel opgaan in dat van het Hogere Bewustzijn. Johannes 6:53: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U, tenzij U het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. (18) Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en Ik in hem... Wie dit brood eet, zal in eeuwigheid niet sterven." Het bloed verbeeldt hier het leven, de geest van Gods Zoon, het vlees de vormgeving aan deze geest. De vergoddelijkte mens realiseert zich zijn 'God-zijn', zijn Liefde-zijn. Hij realiseert dit, hij maakt dit waar door deze liefde te hebben, door deze te zijn en door deze uit te dragen. Zo zal de oude wereld een nieuwe wereld worden.
Voor het oude door het verstandelijk denken bepaalde bewustzijn betekent dit de dood. Maar het is de opstanding van het door de liefde bepaalde bewustzijn. In Johannes 12:24 lezen we dan ook: "Voorwaar, voorwaar ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf, maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort. Wie zijn leven liefheeft maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven." Het vergankelijke doet zo onvergankelijkheid aan, het sterfelijke doet zo onsterfelijkheid aan. En dat is het waarom het bij het innerlijke gebed gaat.

Het geestelijke gebed nu houdt zich bezig met het levend maken van deze ervaring. Door de methode van training van het bewustzijn - het herhaaldelijk uitspreken van hetzelfde korte gebed - verliest het verstandelijk denken zijn superioriteit in het menselijke bewustzijn. De dualiteit tussen het ik en het andere, tussen subject en object van het denken vervaagt. Niet langer roept de zondaar Christus aan als een buitenstaander. Beiden vloeien ineen en op een gegeven moment is het duidelijk dat het de Christus zelf is die het gebed zegt. Het ik valt samen met de Christus. Voor de Boeddhist wordt de oude spreuk waar die zegt: 'Gij zijt Boeddha'.
De intuïtie van onbeperktheid, die van de totaliteit, wordt tot een weten. Het beperkt zijn valt samen met de onbeperktheid, het sterfelijke met het eeuwige. "Niet langer zien wij als in een toverspiegel, maar van aangezicht tot aangezicht; niet langer kennen wij ten dele, maar wij kennen ten volle, zoals wij zelf zijn gekend." Aldus Paulus in zijn beroemde hooglied van de liefde in zijn eerste brief aan de christengemeente te Corinthe. Het innerlijke gebed is gebaseerd op de uitspraak van Christus: "Het Koninkrijk der hemelen is in Ulieden". De Kracht en de Heerlijkheid, zij liggen in de menselijke ziel, maar versluierd. Het innerlijke gebed neemt deze sluiers weg en voert ons tot onze ware Zelfidentificatie, hetzij door de naam van Boeddha, van Allah of van Christus. Doordat elke tegenstelling wegvalt, bereikt ook de dualiteit Schepper ‑ schepping de eenheid. De mens gaat nu pas de taal van de (19) schepping verstaan. In: 'De weg van een pelgrim' (uitgegeven bij Servire), een beschrijving van een beoefenaar van het innerlijke gebed, lezen wij hoe voor deze de mogelijkheid tot werkelijkheid wordt om met alle schepselen Gods, hoe verschillend ook, in volledig begrip om te gaan. Ook tijd en ruimte blijken hun beperkingen voor het bewustzijn te hebben verloren volgens dit verhaal.

De geest of het bewustzijn dat deel heeft aan deze zaken wordt in de oorspronkelijke Griekse tekst van de verzamelde geschriften over het innerlijke gebed, de Philokaleia - vertaald: de Liefde tot het Schone - aangeduid met 'Nous'. Deze 'Nous' heeft de eigenschap van directe kennis of intuïtie van de Waarheid of Werkelijkheid. Dit bewustzijn ervaart de totaliteit als zodanig: "De ziel wordt omkleed met God en wordt in zekere zin God zelf. Zij transcendeert de stoffelijke dualiteit en gaat de wetten te boven in de liefde. Daar verenigt zij zich met de alles te bovengaande en de leven gevende Drievuldigheid, door het licht licht ontvangend en zich voortdurend verheugend in een eeuwige vreugde".
Niet alleen wordt de totaliteit als zodanig ervaren. Elk deel hiervan wordt ervaren als corresponderend met alle andere delen, terwijl zij alle tegelijkertijd de totaliteit weergeven. In de woorden van de Philokaleia: "Daar hebben de heiligen innerlijke omgang met elkaar, terwijl de Heilige Geest door hen spreekt".
Deze ervaringen corresponderen wonderwel met die uit het Mahayana-boeddhisme en beschreven in de Hua-yen filosofie van Fatsang. Van de bedrevene in het innerlijke gebed wordt gezegd: "Hij is zonder bepaalde gedachten, omdat hij één is geworden met Hem, die boven elke gedachte is". Deze 'Hij' wordt verder aangeduid als de Godheid, als het goddelijke, oneindige of innerlijke Licht. Dit is zonder vorm, niet geschapen, zonder begin en de oorzaak van alles wat is.
Het innerlijke gebed zorgt er voor dat: "De mens de verschillende en onderscheiden dingen achter zich laat en zich één maakt met de Ene, de Enige, de Eenmakende. Dit is een vereniging die het verstand te boven gaat". "Het Licht van de Godheid begint te schijnen in het bewustzijn, wanneer dit vrij is van alle zaken en volledig ledig van elke vorm. Daar de Heer niet woont in tempels door mensenhanden gemaakt, zo woont hij ook niet in verbeeldingen of fantasieën van het bewustzijn welke de menselijke ziel omringen als een muur waardoor deze machteloos is de Waarheid direct te aanschouwen en doorgaat met zich te hechten aan spiegels en waarzeggerij". (20) Bij het innerlijke gebed is niet langer sprake van een of andere antropomorfe vorm van mystiek, maar van mystiek van de zuiverste en dus ook universele soort. Bij herhaling wordt gesproken van het Licht, de verlichting en de beeldloze Godheid, die boven alle tegenstelling verheven is.

Met alle meditatiepraktijken uit het Oosten heeft de beoefening van het geestelijke gebed gemeen de aandacht die gegeven wordt aan een goede, geregelde en natuurlijke ademhaling. Vervolgens dient het bewustzijn geplaatst te worden, en wel in het hart. Dan volgt de concentratie op het gebed - de mantram - dat de goddelijke naam bevat als het van de Totaliteit vervulde symbool. Hieraan vooraf, of nog beter uitgedrukt, hierbij vindt tegelijkertijd plaats het ledigmaken van het bewustzijn (kenosis). Aan indrukken opgedaan door de werking van onze zintuigen en verwerkt door het verstand wordt geen verdere aandacht besteed. Zij vervagen. Hier speelt het niet-gehecht zijn aan deze beelden een belangrijke rol. Het zich vervuld weten van het goddelijke (Theosis) - het albewustzijn - vormt hierop de aanvulling. De begrippen Sunyata en Prajna uit het Boeddhisme zijn hier direct naast te leggen.
Het innerlijk gebed, door de aanroep ook wel 'Jezus-gebed' genoemd, en gebaseerd op de geestelijke ervaringen van kerkvaders, kluizenaars en gebedsbeoefenaars van de oude Christelijke kerk, later de Grieks-orthodoxe kerk en nog later de Russisch-orthodoxe kerk, voert de mens van de duisternis naar het Licht, van het onware naar het ware en van de dood naar het leven.

'Heer, Jezus Christus, Zoon Gods, ontferm U over mij, zondaar.' Ernst Verwaal


terug naar het literatuuroverzicht - terug naar boven