Hazrat van Qadian De filosofie van de Islamitische leer

Hazrat Mirza Ghulam Ahmad van Qadian
Stichter van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

The Philosophy of the Teachings of Islam
Translated into Dutch by: Abdul Hamid van der Velden
First published in U.K. in December 1996
Copy right: Islam International Publications Ltd.
Published by:
Islam International Publications Ltd. Islamabad,
Sheephatch Lane
Tilford, Surrey GUI0 2AQ United Kingdom
Printed in U.K. by: The Bath Press, Bath
ISBN 90-71624-09-9

You may contact the following for further information:
Nederlandstalige Ahmadiyya Moslim Gemeenschappen
Nederland, "Mobarak Moskee" Oostduinlaan 79, 2596 JJ Den Haag, Tel: 070-3245902, Fax: 070-3212881
"Baitun Noer" Groenelaantje 20, 8072 DD Nunspeet, Tel: 03412-52282, Fax: 03412- 52282
België, Brusselstraat 3, 1700 Sint-Ulriks-Kapelle, Dilbeek, Tel: 024666856
Suriname, Ephraimszegenweg 67, P. O. Box 2106, Paramaribo, Tel: 81689

Boodschap van Hazrat Mirza Tahir Ahmad, Hoofd van de over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap.
De over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap viert het feit dat het honderd jaar geleden is dat dit bijzondere werk werd uitgegeven.
Het werd oorspronkelijk voorgedragen op een conferentie van godsdiensten die in Lahore werd gehouden van 26 tot 29 december 1896. De verhandeling werd geschreven onder goddelijke zegeningen en van haar unieke succes werd getuigd door profetische openbaringen van God die werden gepubliceerd voordat de conferentie werd gehouden. Ook werden brochures uitgereikt en aanplakbiljetten tentoongespreid op vele openbare plaatsen in Lahore.
Zoals het een gemeenschap van gelovigen betaamt, is onze viering van dankzegging betekenisvol en waardig en vrij van iedere soort van nutteloos en onbeduidend vertoon en gejubel. Wij vieren daarom het eeuwfeest van dit boek door het te vertalen in de meeste belangrijke talen. Wij hopen dat zijn zegeningen aldus op ruime schaal zullen worden gedeeld door de meeste naties van de wereld.
Louter door de genade van God hebben wij tot nu toe de vertaling en publicatie van dit boek voltooid in 52 belangrijke wereldtalen. Bovendien wordt thans gewerkt aan de vertaling in enkele van de overige talen. Wij hopen dat deze met de genade van God voltooid zullen zijn voor het einde van het jaar 1996.
Moge Allah hen belonen die hun vermogen, tijd en inspanning voor de verwezenlijking van deze nobele taak hebben ingezet. Amen.

Mirza Tahir Ahmad, Januari 1996

INHOUD
Inleiding
Groot nieuws voor zoekers naar waarheid
Uit de pers

ISLAM 1
EERSTE VRAAG 3
De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens 5
Drie vormen van menselijke daden 5
De eerste bron: Het innerlijk dat tot kwaad aanzet 5
De tweede bron: Het innerlijk dat zichzelf berispt 6
De derde bron: De ziel in rust 7
De ziel is geschapen 10
De tweede geboorte van de ziel 11
De geleidelijke vooruitgang van de mens 11
Onderscheid tussen de natuurlijke en de morele toestanden en een weerlegging van de leer van de instandhouding van het leven 13
Drie methoden tot hervorming: De komst van de Heilige Profeet in de tijd dat hieraan de grootste behoefte bestaat 15
Het ware doel van de leerstellingen van de Heilige Qor'aan is de hervorming van de drie toestanden: natuurlijke toestanden worden door ordening morele toestanden 16
Het juiste zedelijke gedrag 18
Onderscheid tussen Khalq (schepping) en Khulq (zedelijk gedrag) 19
Natuurlijke toestanden van de mens 20
Waarom is varkensvlees verboden? 24
De morele toestand van de mens 25
Morele eigenschappen die betrekking hebben op het verwerpen van kwaad 26
Vijf remedies tegen onkuisheid 29
Morele eigenschappen die verband houden met het goeddoen 36
Ware moed 42
Waarheidslievendheid 43
Standvastigheid 45
Sympathie voor de mensheid 46
Het zoeken naar een Verheven Wezen 47
De reden voor het verschijnen van de Heilige Profeet in Arabië 50
Wat de wereld aan de Heilige Qor'aan heeft te danken 50
Bewijs voor het bestaan van God 51
Eigenschappen van God 54
Geestelijke toestanden 60
Een uitstekend gebed 63
De betekenis van dranken die zijn bereid uit kamfer en gember 68
De uitwerking van gember 69
Middelen voor het vestigen van een volmaakte geestelijke band met God 74

TWEEDE VRAAG 77
Wat is de toestand van de mens na de dood? 79
Drie opvattingen van de Heilige Qor'aan betreffende het hiernamaals 82
De eerste opvatting 82
Drie soorten kennis 83
Drie toestanden 84
De tweede opvatting 89
De derde opvatting 92

DERDE VRAAG 95
Het doel van het leven van de mens en de middelen om dit te bereiken 97
Middelen om het doel van de mens te bereiken 98

VIERDE VRAAG 105
De werking van de praktische wetsvoorschriften in dit en het volgende leven 107
De filosofie van de eden van de Heilige Qor'aan 109

VIJFDE VRAAG 115
Bronnen van goddelijke kennis 117
De natuur van het menselijke geweten 119
De betekenis van openbaring 122
Een kenmerk van de Islam 125
De spreker wordt geëerd met een goddelijk spreken 125
De bron van volmaakte kennis is goddelijke openbaring 126
Twee stadia in het leven van de Heilige Profeet 129
Het doel van de oorlogen van de Heilige Profeet 133

INLEIDING
Iemand genaamd Swami Sadhu Shugan Chandra had drie of vier jaar van zijn leven getracht om de Kaaisth Hindoe kaste te hervormen. In 1892 kwam hij tot te condusie dat tenzij de mensen onder één dak werden verzameld, zijn inspanningen tevergeefs zouden zijn. Hij stelde daarom voor om een godsdienstconferentie bijeen te roepen. De eerste conferentie vond plaats in 1892 in Ajmer. In 1896 trof hij voorbereidingen voor een tweede dergelijke conferentie, waarvoor hij Lahore een geschikte plaats van samenkomst achtte. Swami Sahib benoemde een comité om toezicht te houden op de organisatie. Meester Durgah Parshad was voorzitter van het comité en Lala Dhanpat Roy, BA, LLB, was eerste secretaris. De datums die voor de conferentie werden gekozen waren 26 tot 28 december 1896 en de volgende zes personen werden benoemd tot moderators:
1. Roy Bahadur Babu Partol Chand Sahib, rechter aan het Hooggerechtshof, Pundjab.
2. Khan Bahadur Sheikh Khuba Baksh Sahib, rechter aan het Kantongerecht, Lahore.
3. Roy Bahadur Pandit Radhma Kishan Sahib Cole, pleiter aan het Gerechtshof Lahore.
4. Hlazrat Maulvi Hakeem Nur-ud-Din Sahib, hofarts.
5. Roy Bhavani Das Sahib, MA Extra Settlement Officer, Jhelum.
6. Sardar Jawahar Singh Sahib, secretaris Khalsa Comité, Lahore.

Het comité nodigde de geleerde vertegenwoordigers van Moslims, Christenen en Arya's uit om de voortreffelijkheden van hun respectieve geloven uiteen te zetten. Het doel van de Conferentie van Grote Godsdiensten, die zou worden gehouden in het gemeentehuis van Lahore, was dat de voortreffelijkheden en de verdiensten van de ware godsdienst zouden worden omhelsd in een bijeenkomst van beschaafde mensen, zodat de liefde ervoor in hun harten zou worden gegrift en zij welbekend zouden worden met zijn argumenten en bewijzen. De wijze godgeleerden van iedere godsdienst zou aldus de gelegenheid worden gegeven om anderen van de waarheid van hun respectieve geloven te overtuigen, terwijl de toehoorders in staat zouden zijn om iedere toespraak te beoordelen in relatie tot de andere en de waarheid te aanvaarden, waar deze ook zou worden gevonden. Geschillen tussen de volgelingen van verschillende godsdiensten hebben aanleiding gegeven tot het verlangen te zoeken naar de ware godsdienst. Dit wordt op de beste manier bereikt door de geleerde predikers en onderwijzers bijeen te brengen, zodat zij, in de context van enkele gepubliceerde vragen, de schoonheden van hun respectieve geloven kunnen uiteenzetten. In zulk een conferentie zal de ware religie van God beslist openbaar worden. Dit is het doel van de conferentie. Iedere geleerde onderwijzer en prediker weet dat hij verplicht is om de waarheden van zijn geloof duidelijk te maken. De conferentie wordt gehouden zodat de waarheid duidelijk moge worden en zij is dus een door God gegeven gelegenheid voor hen (de wijze godgeleerden) om dit doel te vervullen. Zulke gelegenheden zijn voor ons niet altijd voorhanden. Swami Sahib schreef hierover verder:
"Als men iemand ziet lijden aan een dodelijke ziekte en als men vast gelooft dat men de genezing voor de ziekte heeft en als men ook beweert sympathie te hebben voor het menselijke ras, hoe is het dan mogelijk dat men zich met opzet afwendt als op hem een beroep wordt gedaan een geneesmiddel te verstrekken? Mijn hart is vervuld met het verlangen te weten welke godsdienst vol is met waarheid. Ik heb geen woorden om het vuur in mij tot uitdrukking te brengen".

Vertegenwoordigers van de verschillende godsdiensten namen Swami Sahibs uitnodiging aan en de Conferentie van Grote Godsdiensten werd gehouden tijdens de kerstvakantie van 1896. Iedere spreker was verplicht zich bezig te houden met vijf vragen die vooraf door het comité waren gepubliceerd. Het comité bepaalde ook dat iedere spreker, voor zover mogelijk zijn antwoorden moest beperken tot het heilige boek van zijn godsdienst. De vragen waren:

1. Wat zijn de fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens.
2. Wat is de toestand van de mens na de dood, d.w.z. in het hiernamaals?
3. Wat is het ware doel van het bestaan van de mens op aarde en hoe kan dit worden bereikt?
4. Wat zijn de gevolgen van iemands daden in dit leven en het leven hierna?
5. Wat zijn de bronnen van goddelijke kennis?

De conferentie werd gehouden van 26 tot 29 december en werd bijgewoond door vertegenwoordigers van Sanatan Dharm, Hindoeïsme, Arya Samadj, Vrijdenkers, Brahmo Samadj, Theosofische Vereniging, Religie van Harmonie, Christendom, Islam en de godsdienst van de Sikhs. Alle vertegenwoordigers spraken de conferentie toe, maar slechts een van de lezingen verschafte een waar en volledig antwoord op alle bovengenoemde vijf vragen. Woorden kunnen niet de atmosfeer van de conferentie beschrijven toen Maulvi Abdul Karim Sialkoti op zeer welsprekende wijze de lezing gaf. Iedereen, ongeacht zijn godsdienst, moest wel zijn waardering en goedkeuring tonen. Er was niemand die er niet door in beslag werd genomen en die niet in vervoering werd gebracht. De stijl van het houden van de toespraak was uiterst interessant en aantrekkelijk. Welk beter bewijs voor de voortreffelijkheid van de toespraak was er dan het feit, dat zelfs de tegenstanders erover vol lof waren. Ondanks het feit dat de Civil and Military Gazette, Lahore, een Christelijke krant was, beschouwde deze de toespraak als de enige die het waard was te worden genoemd en het was de enige toespraak die zij ten zeerste aanprees.
De toespraak was geschreven door Mirza Ghulam Ahmad van Qadian, de stichter van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Zij kon niet worden voltooid in de twee uren die ervoor waren aangewezen. De conferentie werd daarom verlengd met een extra dag. De krant Punjab Observer vulde kolom na kolom met bijval voor de toespraak. De kranten: Paisa Akhbar, Chaudhvin Sadee, Sadiq-ul-Akhbaar, Mukhbir i Dakkan en General-o-Gohari Asifi uit Calcutta, enz, waren alle unaniem in hun bijval. Niet-Moslims en mensen die niet uit India afkomstig waren, verklaarden allen dat de verhandeling de voortreffelijkste van de conferentie was. De secretaris van de Conferentie, Dhanpat Roy, BA, LLB, pleiter aan het gerechtshof van Pundjab, schreef in zijn "Verslag van de Conferentie van Grote Godsdiensten" (Dharam Mohotsu) het volgende:

"Er was een pauze van een half uur na de toespraak van Pandit Gordhan Das Sahib. Omdat het volgende punt op de agenda een toespraak was die werd voorgedragen namens een beroemde verdediger van de Islam, bleven de meeste mensen op hun plaats zitten. Het grote Islamia College begon reeds geruime tijd voor 13.30 uur vol te stromen. De bijeenkomst telde tussen de zeven- en achtduizend mensen. Ontwikkelde en goed ingelichte mensen van verschillende godsdiensten en naties waren aanwezig en hoewel veel tafels, stoelen en vloerruimte waren verschaft, hadden toch honderden aanwezigen geen andere keuze dan te staan.
Onder de aanwezigen bevonden zich veel hoogwaardigheidsbekleders, leiders uit de Pundjab, geleerden, advocaten, juristen, professoren, leraren en doctoren. Kortom, de verschillende geledingen van de ontwikkelde samenleving waren alle aanwezig. Zij stonden met groot geduld en onverdeelde aandacht vier tot vijf uur te luisteren en dit toont aan hoezeer zij begaan waren met deze heilige zaak. De schrijver van de voordracht was niet persoonlijk aanwezig, maar een van zijn volgelingen, Maulvi Abdul-Karim Sialkoti, was gemachtigd deze tijdens de conferentie voor te lezen. Het comité had voor de verhandeling twee uur gereserveerd: zij kon in deze tijd echter niet worden voltooid. De moderators gingen er gezien de gretige belangstelling die door de toehoorders werd getoond, gaarne mee akkoord de zitting te verlengen tot het einde van de toespraak. Deze beslissing was precies naar de wensen van de deelnemers. Maulvi Abu Yusuf Mubarak Ali ging ermee akkoord afstand te doen van zijn tijd zodat de verhandeling van Mirza Sahib kon worden voltooid. Dit werd door de toehoorders en de moderators zeer op prijs gesteld. De conferentie had moeten eindigen om 16.30 uur, maar met het oog op de wensen van de toehoorders werd zij verlengd tot na 17.30 uur. De verhandeling werd voorgelezen in vier uur en van het begin tot het eind was zij zeer interessant en werd zeer op prijs gesteld."

Nadat hij op 21 december 1896, een paar dagen vóór de conferentie een profetische openbaring van God had ontvangen, verklaarde de stichter van de Ahmadiyya Beweging in het openbaar dat deze verhandeling de meest overweldigende zou zijn. Een vertaling van deze verklaring volgt hieronder:

GROOT NIEUWS VOOR ZOEKERS NAAR WAARHEID
In zijn bekendmaking heeft Swami Shugan Chandra Sahib de vooraanstaande theologen van Moslims, Christenen en Arya's in de naam van God uitgenodigd om de voortreffelijkheden van hun respectieve geloven uiteen te zetten tijdens een conferentie die door hem werd voorgesteld. Wij wensen Swami Sahib mede te delen dat om de naam van God te eren, zoals door hem is genoemd, wij bereid zijn aan zijn verzoek te voldoen en als God het wil zullen wij tijdens de voorgestelde conferentie een voordracht houden.

Islam is een geloof dat een ware Moslim voorschrijft een volmaakte gehoorzaamheid te demonstreren als hij ertoe wordt geroepen iets in de naam van God te doen. Wij zullen nu zien hoeveel achting zijn broeders, de Arya's en de Christelijke geestelijken hebben voor de eer van Permeshwar of voor Jezus en of zij gereed zijn aan de conferentie deel te nemen die in naam van de Glorierijke zal worden gehouden. Tijdens de conferentie over de grote godsdiensten die op 26, 27 en 28 december 1896 in het stadhuis van Lahore zal worden gehouden, zal een verhandeling over de voortreffelijkheden en de wonderen van de Heilige Qor'aan, die door deze nederige persoon is geschreven, worden voorgelezen. Deze verhandeling is niet het resultaat van een gewone menselijke inspanning, maar is een teken onder de tekenen van God en is geschreven met Zijn bijzondere steun. Zij zet de schoonheden en de waarheden van de Heilige Qor'aan uiteen en stelt op duidelijke wijze vast dat de Heilige Qor'aan inderdaad Gods eigen Woord is en een Boek is, dat is geopenbaard door de Heer van alle Schepping. Iedereen die naar deze verhandeling luistert, vanaf het begin tot het eind, naar mijn behandeling van al de vijf thema's die voor de conferentie zijn vastgesteld, zal zeker een nieuw geloof ontwikkelen en zal een nieuw licht dat binnenin hem schijnt waarnemen en zal een uitgebreid commentaar op het Heilige Woord van God verkrijgen. Mijn verhandeling is vrij van menselijke zwakheid, lege grootspraak en ijdele beweringen. Ik ben door sympathie voor mijn medeschepselen bewogen om deze aankondiging te doen, zodat zij getuige zouden zijn van de schoonheid van de Heilige Qor'aan en zich zullen realiseren, hoe onze tegenstanders zich vergissen waar zij duisternis liefhebben en licht haten. God, de Alwetende, heeft mij geopenbaard dat één verhandeling de overhand zal hebben over alle andere verhandelingen. Zij is vol van het licht van waarheid, wijsheid en begrip en zal al de andere partijen tot schande maken, tenzij zij de Conferentie bijwonen en van het begin tot het eind naar de verhandeling luisteren. Zij zullen niet in staat zijn om de kwaliteit van de verhandeling met hun geschriften te evenaren, of zij nu Christenen, aanhangers van de Arya Samadj, Sanatan Dharm of anderen zijn. Omdat de Almachtige God heeft bepaald dat de glorie van Zijn Heilige Boek op die dag zal worden gemanifesteerd. Ik zag in een visioen dat uit het ongeziene een hand op mijn woning werd gelegd en dat door de aanraking door die hand een stralend licht uit het huis ontsprong dat zich in alle richtingen verspreidde. Het verlichtte ook mijn handen. Hierop riep iemand die bij mij stond met luide stem uit: God is Groot. Khaibar is gevallen.
De uitleg is dat met mijn woning mijn hart wordt bedoeld, waarop het hemelse licht van de waarheden van de Heilige Qor'aan nederdaalt en dat met Khaibar alle gedegenereerde godsdiensten worden bedoeld die zijn aangetast door heidendom en valsheid waarin de mens is verheven om de plaats van God in te nemen of waarin Goddelijke eigenschappen uit hun verheven plaats zijn omvergeworpen. Aldus werd mij onthuld dat de bekendmaking op grote schaal van deze verhandeling de onwaarheid van valse godsdiensten aan het licht zal brengen en dat de waarheid van de Qor'aan zich geleidelijk over de aarde zal verspreiden tot deze zijn climax bereikt. Van dit visioen bewoog mijn geest zich naar het ontvangen van openbaring en ik ontving de (Arabische) openbaring.

God is met u en God staat waar u staat

Dit is een beeldspraak die de verzekering van goddelijke steun uitdrukt. Ik heb er geen behoefte aan méér te schrijven. Ik verzoek iedereen dringend de Conferentie in Lahore bij te wonen, zelfs als dit enig ongemak met zich brengt en naar deze waarheden te luisteren. Als zij dit doen zullen hun rede en hun geloof hieruit dermate grote voordelen behalen dat deze boven verwachting zijn. Vrede zij met hen die de leiding volgen.

Ghulam Ahmad, Qadian, 21 december 1896


UIT DE PERS

Het is gepast om als voorbeeld bier de meningen van enkele van de kranten uit die tijd weer te geven:

Civil and Military Gazette, Lahore
De deelnemers aan de conferentie toonden een grote belangstelling voor de lezing van Mirza Ghularn Ahmad van Qadian. Zijn verhandeling was een deskundige en onberispelijke verdediging van de Islam. Een groot aantal mensen die tot verschillende geledingen van de maatschappij behoorden. kwamen van heinde en verre om deze te horen. Mirza Sahib kon niet persoonlijk aanwezig zijn. Daarom werd zijn verhandeling voorgelezen door een zeer bekwame student van hem, Maulvi Abdul Karim Sialkoti. Op 27 december las hij gedurende drie uren uit de toespraak voor en deze werd door het oplettende gehoor zeer goed ontvangen. Echter in deze drie uren kon hij slechts één van de vijf vragen behandelen. Maulvi Abdul Karim beloofde dat als hem meer tijd zou worden gegeven, hij de lezing zou voortzetten. De organisatoren en de voorzitter besloten daarom de conferentie met een extra dag te verlengen. (Samenvatting)

Chaudhvin Sadee, Rawalpindi
1 februari 1897. Ruimschoots de beste lezing van de conferentie was de lezing die was geschreven door Mirza Ghulam Ahmad en op een zeer mooie wijze werd voorgelezen door de bekende en welsprekende Maulvi Abdul Karim Sialkoti. De lezing werd gehouden in totaal zes uren, vier uren op 27 december en twee uren op 29 december. Zij besloeg honderd bladzijden. De toehoorders waren als betoverd. Iedere zin kreeg applaus. Nu en dan verzochten de toehoorders om zinnen steeds weer te herhalen. Wij hebben nooit tevoren zo'n aangename lezing gehoord. De vertegenwoordigers van de andere godsdiensten hielden zich inderdaad niet bezig met de vragen die door de conferentie waren opgesteld. De meeste sprekers behandelden voornamelijk de vierde vraag, terwijl zij de andere vragen slechts terloops aanroerden. Een meerderheid van de sprekers sprak veel, maar zei weinig. De uitzondering was de verhandeling van Mirza Sahib. Deze gaf een gedetailleerd en veelomvattend antwoord op elke van de afzonderlijke vragen. De toehoorders luisterden met grote belangstelling en niet onverdeelde aandacht naar een lezing die zij voortreffelijk en markant vonden. Wij zijn geen volgelingen van Mirza Sahib, noch hebben wij enig contact met hem. Wij kunnen echter niet onbillijk in ons commentaar zijn. Bij het beantwoorden van de vragen vertrouwde Mirza Sahib uitsluitend op de Qor'aan. leder Islamitisch hoofdbeginsel werd op een mooie wijze uiteengezet en hiervoor werden logische en overtuigende argumenten gebruikt. Het eerst gebruiken van logische argumenten om het bestaan van God te bewijzen en het dan aanhalen van het woord van God, is een stijl die wij als zeer bekoorlijk ervaren. Niet alleen zette Mirza Sahib de filosofie van de leer van de Qor'aan uiteen, hij verklaarde ook de filosofie en de filologie van de taal van de Qor'aan. Kortom, de lezing van Mirza Sahib was volledig en veelomvattend vol met juwelen van kennis, wijsheid, waarheden en mysteriën. De filosofie van het goddelijke werd zo wonderbaarlijk tot uitdrukking gebracht dat alle toehoorders perplex stonden. Zijn lezing was het drukst bezocht en de zaal was propvol. Alle toehoorders luisterden aandachtig. Om het verschil te illustreren tussen de lezing van Mirza Sahib en de lezingen van andere sprekers, volstaat het te zeggen dat de mensen samenstroomden om zijn voordracht te horen, terwijl zij uit verveling de andere sprekers in de steek lieten. Maulvi Muhanimad Hussain Batalvi's lezing was onbeduidend. Het was niets anders dan het gebruikelijke, alledaagse mullahisme en de lezing was in het geheel niet buitengewoon. Vele mensen verlieten de zaal tijdens de tweede lezing van Maulvi Mansoof, en Maulvi Manduh kreeg zelfs niet een paar minuten extra om zijn toespraak te voltooien. (Samenvatting)

General-o-Gobar Asifi, Calcutta
(Het volgende artikel werd gepubliceerd onder de dubbeltitel "De Conferentie van Grote Godsdiensten" en "De overwinning van de Islam".)
24 januari 1897. Alvorens de conferentie in het algemeen te bespreken willen we er op wijzen dat (zoals onze lezers weten) wij reeds in vorige edities hebben geredeneerd ten aanzien van welke geleerde geestelijke de zaak van de Islam zo krachtig mogelijk verdedigde. Met een eerlijke en onbevangen geest heeft een van onze geachte correspondenten Mirza Ghulam Ahmad van Qadian gekozen als de kampioen van de Islam, en een andere correspondent heeft in een brief aan ons dezelfde mening tot uitdrukking gebracht. Maulvi Fakhruddin Sahib Fakhr betoogt met klem dat Mirza Ghulam Ahmad van Qadian de lijst aanvoert, gevolgd door Sir Syed Ahmad Sahib uit Aligarh. De andere namen die hij suggereerde als mogelijke kampioenen van de Islam waren: Maulvi Abu Saeed Muhammad Hussain Sahib Batalji, Haji Sved Muhammad Ali Sahib Kanpuri en Maulvi Ahmad Hussain Sahib Azeemabadi. Het is hier niet misplaatst te noemen dat een van onze correspondenten (ook de naam suggereerde van Maulvi Abdul Haq Sahib Delhvi, de schrijver van Tafseeri Haqqani. (Samenvatting)
Na een passage uit Swami Shugan Chandra's uitnodiging tot het bijwonen van de conferentie te hebben aangehaald, vervolgt de krant: Van welke van de geleerden was het gevoel van trots ontwaakt om de heilige godsdienst van de Islam te verdedigen nadat zij de pamfletten hadden gelezen die aan de conferentie bekendheid gaven? In hoeverre reageerden zij en doordrongen anderen door logische redenatie, van de majesteit van het Goddelijke? Wij hebben uit betrouwbare bronnen vernomen dat de organisatoren van de conferentie uitnodigingsbrieven hadden gestuurd aan Mirza Ghulam Ahmad Sahib en Sir Syed Ahmad Sahib. Een slechte gezondheid verhinderde Hazrat Mirza Sahib ervan de conferentie persoonlijk bij te wonen, maar hij vaardigde een van zijn voornaamste volgelingen, Maulvi Abdul Karim Sialkoti af, zijn verhandeling op de conferentie voor te lezen. Sir Syed echter woonde de conferentie niet bij en diende ook geen verhandeling in. De reden hiervan was niet zijn hoge leeftijd of andere verbintenissen die hem hiervan weerhielden. In feite beschouwde hij het bijwonen van godsdienstige conferenties voor zich onwaardig. In antwoord op de uitnodiging (wij zullen zijn antwoord in een van onze toekomstige edities publiceren) schreef hij: "Ik ben geen prediker of hervormer, of maulvi. Deze conferentie is voor predikers en hervormers".

Maulvi Syed Muhammad Ali Sahib Kampuri, Maulvi Abdul Haq Sahib Delhvi en Maulvi Alimad Hussain Sahib Azeemabadi toonden niet veel belangstelling voor de conferentie en niet één van het grote aantal andere godsdienstgeleerden van ons land deed enige moeite een verhandeling voor te bereiden die daar zou kunnen worden gepresenteerd. We moeten toegeven dat een of twee mensen de uitdaging aannamen, alleen om hun inspanningen op henzelf te zien terugkaatsen. Zoals ons volgende verslag zal bewijzen, zeiden ze niets ter zake dienende of maakten zij slechts een paar nietszeggende opmerkingen. Het verslag van de conferentie laat zien dat het alleen Hazrat Mirza Ghulam Ahniad van Qadian was die werkelijk de zaak van de Islam verdedigde en dat hij het vertrouwen dat de mensen in hem hadden gesteld om de Islam te vertegenwoordigen niet had beschaamd. Zijn vertegenwoordiging was goedgekeurd door veel sekten van de Islam uit Peshawar, Rawalpindi, Jhelum, Shahpur, Bhera, Khushab, Sialkot, Jammoon, Wazeerabad, Lahore, Anifitsar, Gurdaspur, Ludhiana, Shimla, Delhi, Ambala, Riasat Patialal, Dera Doon, Ilahabad Madras, Bombay, Hyderabad (Dakkan) en Bangalore, enz. in India.

Het is juist te zeggen dat als Mirza Sahibs voordracht niet zou zijn gepresenteerd, de Moslims in vergelijking met andere godsdiensten te schande zouden zijn gemaakt. Als het niet door de machtige hand van de Almachtige zou zijn geweest, dan zou de godsdienst van de Islam niet de overhand hebben gehad. Het was door Mirza Sahibs voordracht dat de glorie van de Islam werd gevestigd. Zowel vrienden als tegenstanders gaven de superioriteit van de voordracht ten opzichte van de andere voordrachten toe. Toen de voordracht eenmaal was afgelopen, waren feitelijk zelfs de vijanden van de Islam gedwongen toe te geven dat de toespraak hen had geholpen de leerstellingen van de Islam te begrijpen en dat de Islam had gezegevierd. De verkiezing van Nfirza Sahib tot kampioen van de Islam is zeer gepast, niemand kan tegen deze verkiezing bezwaar hebben. Hij heeft ons reden gegeven om trots te zijn en hierin ligt de glorie en de grootheid van de Islam.

Dit was slechts de tweede Conferentie van Grote Godsdiensten, maar het formaat van de bijeenkomst en haar hoge intellectuele gehalte overtroffen verre alle andere congressen en conferenties. Grote leiders van de grootste steden van India waren aanwezig, en wij zijn er trots op te zeggen dat de stad Madras ook vertegenwoordigd was. De conferentie bleek zo interessant te zijn dat de organisatoren haar in plaats van de aangekondigde drie dagen, tot vier dagen moest verlengen. De organisatoren hadden het Islamia College als plaats van bijeenkomst gekozen omdat dit de grootste openbare ruimte in Lahore was. Maar zoveel mensen namen deel dat zelfs deze reusachtige ruimte niet toereikend bleek te zijn. Het grote succes van de conferentie kan worden opgemaakt uit het feit dat niet alleen de vooraanstaande burgers van de Pundjab deze bijwoonden, maar de rechters aan het Gerechtshof en het Hooggerechtshof van Allahabad de hoogedelachtbare Babu Chand Partol Sahib en de heer Bannerjee waren ook aanwezig. (Einde van de samenvatting van kranteverslagen)

De voordracht van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad werd gepubliceerd in "Het Verslag van de Conferentie van Grote Godsdiensten", Lahore, en de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap heeft de voordracht gepubliceerd in boekvorm onder de titel "Islam Usulki Philosophy". Dit boek is in het Engels vertaald onder de titel "The Philosophy of the Teachings of Islam". Er zijn veel edities van het boek gedrukt en het is vertaald in het Frans, Nederlands, Spaans, Arabisch, Duits en verschillende andere talen. Veel filosofen en buitenlandse kranten hebben het boek gunstige recenties gegeven en veel Westerse intellectuelen hebben het zeer geprezen. Bijvoorbeeld:

1. The Bristol Times and Mirror schreef: "Zeker, de man die op deze manier Europa en Amerika aanspreekt, kan geen gewoon wezen zijn".
2. De Spiritual Journal, Boston, schreef: "Dit boek is goed nieuws voor het gehele menselijke ras".
3. Theosophical Booknotes schreef: "Dit boek geeft een zeer mooi en sympathiek beeld van de godsdienst van Mohammmed".
4. De Indian Review schreef: "Dit boek presenteert een duidelijk denken en een volmaakte wijsheid en de lezer heeft geen andere keus dan het te prijzen".
5. De Muslim Review schreef: "Iedereen die dit boek leest vindt stelllig vele waarheden die zeer diep zijn en aangenaam voor de ziel".

De schoonheid van de verhandeling is dat deze geen enkele godsdienst aanvalt. Zij verklaart alleen de schoonheid en de verdiensten van de Islam. Alle vragen worden met verwijzing naar de Heilige Qor'aan op een wijze beantwoord die de volmaaktheid van de Islam en zijn superioriteit ten opzichte van alle andere godsdiensten bewijst!

Jalal-ud-Din Shams



De vijf vragen:

1. De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens.
2. Wat is de toestand van de mens na de dood, d.w.z. in het hiernamaals?
3. Wat is het ware doel van het bestaan van de mens op aarde en hoe kan dit worden bereikt?
4. Wat zijn de gevolgen van iemands daden in dit leven en het leven hierna?
5. Wat zijn de bronnen van goddelijke kennis?

De tekst van de toespraak

In de naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Altijd Genadevolle. Wij prijzen Hem en roepen Zijn Zegeningen af over Zijn Edele Boodschapper.

ISLAM

Het is noodzakelijk dat een aanspraak en de redenen die deze ondersteunen moeten worden uiteengezet met behulp van een geopenbaard boek

Gedurende deze veelbelovende Conferentie, waarvan het doel is dat zij die zijn uitgenodigd eraan deel te nemen, de verdiensten van hun respectieve godsdiensten met betrekking tot de vragen die zijn geformuleerd dienen uiteen te zetten, zal ik vandaag de verdiensten van de Islam uiteenzetten. Voordat ik hiermee aanvang, acht ik het gepast bekend te maken dat ik het mij verplicht stel dat wat ik ook zal verklaren, dit zal zijn gebaseerd op de Heilige Qor'aan, dat het Woord van God Almachtig is. Ik beschouw het als essentieel dat iedereen die een boek volgt en gelooft dat dit is geopenbaard, zijn uiteenzetting op dat boek moet baseren en niet de omvang van zijn verdediging van zijn geloof zodanig moet uitbreiden alsof hij een nieuw boek samenstelt. Omdat het vandaag mijn doel is de verdiensten van de Heilige Qor'aan vast te stellen en zijn uitmuntendheid te demonstreren, ben ik verplicht niets te verklaren dat niet is vervat in de Qor'aan en alles uiteen te zetten op grond van zijn verzen en in overeenstemming met hun betekenis en hetgeen daaruit kan worden afgeleid, zodat zij die de Conferentie bijwonen het niet moeilijk zullen vinden om een vergelijking te trekken tussen de leerstellingen van verschillende godsdiensten. Omdat allen die in een geopenbaard boek geloven zich ook zullen beperken tot verklaringen die zijn vervat in hun respectieve geopenbaarde boeken, zal ik geen verwijzing maken naar de tradities van de Heilige Profeet, aangezien alle ware tradities slechts als uitleg dienen van de Heilige Qor'aan, dat een volmaakt boek is dat alle andere boeken omvat. Kortom, dit is de dag van de manifestatie van de glorie van de Heilige Qor'aan en ik smeek God Almachtig nederig mij in deze onderneming bij te staan. Amen (1)

EERSTE VRAAG

De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens

In de eerste paar bladzijden van deze verhandeling heb ik zekere inleidende zaken uiteengezet die op het eerste gezicht irrelevant zouden kunnen lijken. Toch is het noodzakelijk ten aanzien van deze zaken een duidelijke opvatting te hebben om tot een juist begrip te komen van het antwoord op de vraag die hierboven is gesteld.

Terug naar INHOUD

Drie vormen van menselijke daden

De eerste vraag heeft betrekking op de natuurlijke, de morele en de geestelijke toestanden van de mens. De Heilige Qor'aan heeft drie verschillende bronnen van deze drie toestanden aangegeven. Met andere woorden, de Heilige Qor'aan heeft op drie bronnen gewezen waaruit deze respectieve toestanden voortvloeien.

Terug naar INHOUD

De eerste bron: Het innerlijk dat tot kwaad aanzet

De eerste bron, die de bron is van alle natuurlijke toestanden, wordt door de Heilige Qor'aan de "Nafsi Ammarah" genoemd, hetgeen betekent het innerlijk dat tot kwaad aanzet, omdat de Heilige Qor'aan zegt:
Dit betekent dat het karakteristiek is voor het menselijke 'ik' dat dit de mens tot kwaad aanspoort en het bereiken van volmaaktheid en een morele toestand tegengaat en hem aanspoort tot onwenselijke en slechte wegen. Aldus is de geneigdheid tot kwaad en onmatigheid een menselijke toestand die de geest van iemand overheerst alvorens hij een morele toestand bereikt. Dit is de natuurlijke toestand van de mens zolang hij niet door rede en begrip wordt geleid, maar zijn natuurlijke aanleg volgt bij eten, drinken, slapen, waken, boosheid en provocatie, zoals bij dieren het geval is. Als iemand wordt geleid door rede en begrip, en zijn natuurlijke toestand onder controle brengt en op een juiste wijze ordent, houden deze drie toestanden (5) zoals beschreven, op te behoren tot de categorieën van de natuurlijke toestanden maar worden morele toestanden genoemd.

Terug naar INHOUD

De tweede bron: Het innerlijk dat zichzelf berispt

De bron van de morele toestand kan de mens wordt door de Heilige Qor'aan "Nafsi Lawwama" genoemd. Wij lezen:
Ik roep het 'ik' dat zichzelf berispt tot getuige (75:3).
Dat wil zeggen: Ik roep het innerlijk dat zichzelf voor iedere ondeugd en onmatigheid berispt tot getuige. Dit innerlijk dat zichzelf berispt, is de tweede bron van de menselijke toestand van waaruit de morele toestand wordt voortgebracht. In deze toestand lijkt de mens niet langer op een dier. Als men deze toestand tot getuige roept, doet men dit om deze eer te bewijzen, alsof deze, als men van de toestand van het innerlijk dat vatbaar is voor kwaad, tot de toestand komt van het innerlijk dat zichzelf berispt, naar de goddelijke beoordeling waardig is geworden te worden geëerd. Deze toestand wordt zo genoemd omdat deze de mens berispt bij het begaan van fouten en zich er niet mee verzoent dat de mens zich onderwerpt aan zijn natuurlijke verlangens en een ongebreideld leven leidt zoals de dieren. Deze toestand verlangt dat de mens zich in een goede staat bevindt en een goede moraal beoefent, dat zich in ieder aspect van het menselijke leven geen vorm van onmatigheid manifesteert en dat natuurlijke emoties en verlangens door het verstand moeten worden geregeerd. Omdat deze toestand iedere verkeerde opwelling berispt, wordt hij het innerlijk dat zichzelf berispt genoemd. Hoewel dit innerlijk zichzelf berispt waar het fouten betreft, is de toestand niet ten volle doeltreffend bij het beoefenen van deugdzaamheid en wordt deze soms wanneer men struikelt en valt gedomineerd door natuurlijke emoties. Men is als een zwak land dat niet wil struikelen en vallen maar dit uit zwakte doet en dan berouw heeft over zijn zwakheid. Dit is in het kort de morele toestand van het menselijke innerlijk als dit ernaar streeft in zichzelf hoge morele kwaliteiten te vestigen en een afkeer heeft van ongehoorzaamheid, maar geen volledig succes kan behalen. (6)

Terug naar INHOUD

De derde bron: De ziel in rust

De derde bron die zou moeten worden omschreven als het begin van de geestelijke toestand van de mens wordt door de Heilige Qor'aan "Nafsi Mutmainnah" genoemd, dat wil zeggen "de ziel in rust". Wij lezen in de Heilige Qor'aan :
O ziel in rust, die vertroosting heeft gevonden in God, keer terug tot uw Heer. Terwijl u welbehagen in Hem hebt en Hij welbehagen in u heeft. Voeg u nu bij Mijn uitverkoren dienaren en ga Mijn tuin binnen (89:28-3l).
Dit is het stadium waarin de ziel van iemand, na te zijn bevrijd van alle zwakheden, met geestelijke krachten wordt vervuld en een band aangaat met de Almachtige God, zonder Wiens steun zij niet kan bestaan. Zoals water dat vanaf een hoogte naar beneden stroomt door zijn volume en bij de afwezigheid van een hindernis zich met grote kracht naar beneden stort, zo beweegt zich de ziel in rust op dezelfde wijze naar God. Dit wordt aangegeven door de Goddelijke instructie aan de ziel die vertroosting in God heeft gevonden, om tot zijn Heer terug te keren. Zij ondergaat een grote transformatie in dit leven en haar wordt een paradijs verleend terwijl zij nog in deze wereld is. Omdat dit vers in zijn instructie aan zulk een ziel aangeeft om naar haar Heer terug te keren, wordt zij door haar Heer gevoed en haar liefde tot God wordt haar voedsel en zij drinkt van deze fontein des levens en aldus wordt zij van de dood gered. Dit wordt elders in de Heilige Qor'aan aangegeven, waar wij lezen:
Hij die zijn ziel van aardse hartstochten zuivert, zal worden gered en zal niet ten onder gaan, maar hij die door zijn aardse hartstochten wordt overmand, moet aan het leven wanhopen (9l:10-11).
In het kort mogen deze drie toestanden de natuurlijke, de morele en de geestelijke toestanden van de mens worden genoemd. Omdat de natuurlijke aandriften van de mens erg gevaarlijk worden wanneer zij worden opgewekt en dikwijls de morele en de geestelijke kwaliteiten vernietigen, worden zij in Gods Heilige Boek beschreven als het innerlijk dat tot kwaad aanzet. Men kan (7) vragen wat de houding van de Heilige Qor'aan is ten aanzien van de natuurlijke toestand van de mens, welke leiding hij ten aanzien ervan verschaft en hoe hij deze tracht te sturen. Het antwoord is dat volgens de Heilige Qor'aan de natuurlijke toestand van de mens een zeer sterke verwantschap heeft met zijn morele en geestelijke toestanden en wel in die mate dat zelfs de manier van eten en drinken van iemand zijn morele en geestelijke toestanden beïnvloedt. Als de natuurlijke toestand van iemand wordt bestuurd door de instructies van de goddelijke Wet, dan wordt dit zijn morele toestand en is dit van zeer grote invloed op zijn geestelijkheid zoals wordt gezegd dat als iets in een zoutmijn valt, dit in zout wordt omgezet. Daarom heeft de Heilige Qor'aan met betrekking tot alle aanbidding de nadruk gelegd op lichamelijke reinheid en lichamelijke houdingen en hun ordening en op innerlijke reinheid en geestelijke nederigheid. Overdenking bevestigt dat fysieke toestanden een zeer grote invloed op de ziel hebben. Als bijvoorbeeld onze ogen met tranen zijn gevuld, zelfs als de tranen kunstmatig zijn opgewekt, wordt het hart onmiddellijk beroerd en droevig. Op gelijke wijze begint het hart zich opgewekt te voelen als wij beginnen te lachen, zelfs als de lach kunstmatig wordt opgewekt. Ook is waargenomen dat een lichamelijk zich nederbuigen tijdens het gebed nederigheid in de ziel opwekt. Als wij onszelf daarentegen fysiek optooien, met opgeheven hoofd en de borst vooruit heen en weer stappen, zal deze houding tot een stemming van arrogantie en trots aanleiding geven. Deze voorbeelden tonen duidelijk aan dat fysieke toestanden geestelijke toestanden zeker beïnvloeden. Ervaring toont ook aan dat verschillende soorten voedsel op verschillende manieren van invloed zijn op het verstand en de geest. Een nauwkeurige observatie zal bijvoorbeeld onthullen dat mensen die geheel afzien van het eten van vlees, geleidelijk een teruggang zullen zien in de eigenschap dapperheid. Zij verliezen dapperheid en verliezen aldus een prijzenswaardige gave die hun door God is geschonken. Dit wordt versterkt door het bewijs van de goddelijke natuurwet dat plantenetende dieren niet dezelfde mate van dapperheid bezitten als vleesetende dieren. Ditzelfde geldt voor vogels. Er is dus geen twijfel dat de moraal wordt beïnvloed door voedsel. Omgekeerd zien wij dat zij die zich aan een dieet houden dat voornamelijk uit vlees bestaat en die erg weinig groenten eten, een afnemende mate van zachtmoedigheid en nederigheid tonen. Zij die de middenweg bewandelen, ontwikkelen beide soorten morele eigenschappen. Daarom heeft de Almachtige God in de Heilige Qor'aan gezegd: (8)
Eet en drink, maar wees niet onmatig (7:32).
Dit wil zeggen: eet vlees en ander voedsel. maar eet niets in een buitensporige mate, uit vrees dat uw morele toestand nadelig wordt beïnvloed en uw gezondheid hierdoor lijdt. Zoals de ziel door fysiek gedrag wordt beïnvloed, zo beïnvloedt soms de ziel het lichaam. Als iemand bijvoorbeeld droefheid ervaart, worden zijn ogen vochtig en als iemand blij is, glimlacht hij. Al onze natuurlijke handelingen, zoals eten, drinken, slapen, wakker zijn, zich verplaatsen, rusten, baden, enz., beïnvloeden onze geestelijke toestand. Onze fysieke structuur is nauw verwant met onze gehele menselijkheid. Als een bepaald deel van de hersenen letsel oploopt, verliest men het geheugen onmiddellijk. Letsel aan een ander deel van de hersenen veroorzaakt verlies van het bewustzijn. Giftige lucht beïnvloedt het lichaam en hierdoor de geest en het gehele innerlijke stelsel waaraan de morele prikkels verwant zijn raakt aangetast en het ongelukkige slachtoffer raakt snel buiten zinnen. Fysiek letsel onthult dus dat er een geheimzinnig verband bestaat tussen de ziel en het lichaam, dat buiten de gezichtskring van de mens ligt.
Nadenken toont dat het lichaam de moeder van de ziel is. De ziel daalt niet van buiten neder in de baarmoeder van een zwangere vrouw. Het is een licht dat innig verbonden is met het zaad en dat begint te schijnen met de ontwikkeling van het embryo. Het Woord van de Almachtige God zegt ons dat de ziel zich begint te manifesteren vanuit het kader dat in de baarmoeder uit het zaad wordt bereid. De Heilige Qor'aan zegt:
Dan ontwikkelen wij het tot een nieuwe schepping. Gezegend is dus Allah, de Beste der Scheppers (23:15).
Dit betekent dat God een nieuwe schepping geeft aan het lichaam dat in de baarmoeder wordt bereid en die nieuwe schepping wordt de ziel genoemd. Zeer gezegend is God, Die als Schepper geen gelijke heeft. De bevestiging dat zich uit het lichaam een nieuwe schepping manifesteert is een mysterie dat de werkelijkheid van de ziel onthult en dat wijst op de sterke verwantschap tussen de ziel en het lichaam. Ons wordt hierdoor ook onderricht dat dezelfde filosofie ten grondslag ligt aan de fysieke daden, woorden en bewegingen, als deze zich manifesteren voor de zaak van God, dit wil zeggen dat al deze oprechte daden een ziel wordt gegeven zoals het zaad een ziel wordt gegeven. Als de (9) omlijsting van deze daden zich ontwikkelt, begint de ziel die deze daden wordt gegeven te schitteren, en als deze omlijsting volledig wordt, schittert de ziel erbinnen in haar volledige manifestatie en onthult haar geestelijke aanzien. In dat stadium komen die daden ten volle tot leven. Dit betekent dat als het raamwerk van daden voltooid is er plotseling een schittering uit voortkomt zoals een lichtflits. Dit is het stadium ten aanzien waarvan de Almachtige God in de Heilige Qor'aan zegt:
Als Ik zijn omlijsting heb voltooid en aan al zijn manifestaties van eer heb rechtgedaan en hem Mijn geest heb ingeblazen. Knielt u dan allen in onderdanigheid voor hem neder (15:30).
Dit vers geeft aan dat als het raamwerk van daden voltooid is, er een ziel in schittert die God aan Zichzelf toeschrijft, aangezien dat raamwerk is voltooid ten koste van het wereldse leven. Het goddelijke licht dat dus in het begin zwak is, gaat plotseling schijnen, zodat bij het aanschouwen van deze goddelijke manifestatie het voor iedereen een plicht wordt in onderdanigheid neder te buigen en ertoe (dat licht) te worden aangetrokken. Iedereen die dat licht waarneemt buigt zich in onderdanigheid neder en wordt ertoe op natuurlijke wijze aangetrokken, behalve Iblies die van duisternis houdt.

Terug naar INHOUD

De ziel is geschapen

Het is volstrekt juist dat de ziel een zuiver licht is dat in het lichaam tot ontwikkeling komt en dat in de baarmoeder wordt gevoed. Aanvankelijk is deze verborgen en kan niet worden waargenomen en later manifesteert zij zich. Vanaf het allereerste begin is haar essentie aanwezig in het zaad. Zij is op een mysterieuze wijze verwant met het zaad door het plan, het bevel en de wil van God. Zij vormt een heldere en verlichte eigenschap van het zaad. Men kan niet zeggen dat zij deel uitmaakt van het zaad, zoals materie deel uitmaakt van materie, noch kan men zeggen dat zij van buitenaf komt of op de aarde nederdaalt en dan wordt gemengd met de materie van het zaad. Zij is verborgen aanwezig in het zaad, zoals vuur verborgen aanwezig is in vuursteen. Het Woord van God wil niet zeggen dat de ziel als iets afzonderlijks uit de hemel nederdaalt of uit de atmosfeer op de aarde valt en dan toevallig wordt gemengd met het zaad en hierdoor de baarmoeder binnentreedt. Voor een dergelijke opvatting is geen grond. (10) De natuurwet verwerpt deze. We nemen dagelijks waar dat duizenden insecten onzuiver en oud voedsel infecteren en ontstaan in onverzorgde wonden. Vies linnengoed scheidt honderden luizen af en in de maag van de mens worden allerlei soorten wormen voortgebracht. Men kan niet zeggen dat deze van buiten komen of kunnen worden geacht uit de hemel te zijn nedergedaald. De werkelijkheid is, dat de ziel in het lichaam tot ontwikkeling komt en dit bewijst ook dat zij is geschapen en niet zelfbestaand is.

Terug naar INHOUD

De tweede geboorte van de ziel

Het plan van de Almachtige, Die de ziel met Zijn volmaakte macht uit het lichaam heeft geschapen, schijnt te zijn dat de tweede geboorte van de ziel ook door het lichaam plaatsvindt. De bewegingen van de ziel volgen de bewegingen van het lichaam. Als het lichaam in een bijzondere richting wordt getrokken, volgt de ziel deze richting automatisch. Het is daarom een functie van het Boek van God zich te richten tot de natuurlijke toestand van de mens. Daarom besteedt de Heilige Qor'aan zoveel aandacht aan de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens en geeft aanwijzingen met betrekking tot iedere handeling van hem, zijn lachen, huilen, eten, het zich kleden, zijn slapen, spreken, zwijgen, huwen, ongehuwd blijven, lopen, stilstaan, uiterlijke reinheid, baden, het zich onderwerpen aan tucht bij gezondheid en bij ziekte, enz. De Heilige Qor'aan bevestigt dat de fysieke toestand van de mens zijn geestelijke toestand ten zeerste beïnvloedt. Ik kan geen gedetailleerde uiteenzetting geven van al deze aanwijzingen omdat de tijd hiervoor niet beschikbaar is.

Terug naar INHOUD

De geleidelijke vooruitgang van de mens
Een overdenken van het Heilige Woord van God onthult dat het regels vaststelt voor de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens, hem vervolgens geleidelijk verheft en verlangt hem te verheffen tot de hoogste geestelijke toestand. Eerst wenst God de mens de regels van sociaal gedrag te onderwijzen zoals zitten, staan, eten, drinken, spreken, enz., hem aldus te bevrijden van een toestand van barbaarsheid, hem van de dieren te onderscheiden en hem dus een elementaire morele toestand bij te brengen (11)
die zou kunnen worden beschreven als een sociale cultuur. Vervolgens verlangt Hij zijn elementaire morele gewoonten te reguleren zodat deze het karakter krijgen van hoogstaande morele eigenschappen. Deze beide methoden vormen een deel van hetzelfde proces, omdat zij verband houden met de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens. Tussen deze methoden bestaat alleen een verschil van graad. De Alwijze heeft het morele stelsel zo geordend, dat de mens in staat moet zijn om van een lage tot een hoge morele toestand te rijzen. De derde graad van vooruitgang is dat iemand volledig de liefde van zijn Ware Schepper en het winnen van Zijn welbehagen wordt toegewijd. Zijn gehele wezen moet aan God worden toevertrouwd. Om de Moslims voortdurend te herinneren aan deze graad is hun godsdienst Islam genoemd, hetgeen betekent dat men zich volledig aan God onderwerpt zonder hierbij enige terughoudendheid te betrachten. God, de Glorierijke, heeft gezegd:
Redding betekent dat iemand zich volledig aan God onderwerpt en zichzelf als offer voor de zaak van God moet aanbieden en zijn oprechtheid niet alleen moet bewijzen door zijn motief, maar ook door zijn rechtschapen gedrag. Hij die zich zo gedraagt, zal zijn beloning van God hebben. Zulke mensen zullen geen vrees hebben, noch zullen zij treuren (2:113). Zeg hen: Mijn gebed en mijn opofferingen, mijn leven en mijn sterven zijn alle voor de zaak van God, Wiens voorzienigheid alles omvat en Die geen deelgenoot heeft. Dit is mij bevolen en ik ben de eerste van (12) hen die deze opvatting van de Islam onderschrijven en zich opofferen voor de zaak van Allah (6:163-164). Dit is Mijn rechte pad en volg het dan, en volg geen ander pad dat u wegvoert van Zijn pad (6:154). Zeg hen: Als u God bemint, volg mij dan en wandel op mijn pad zodat God u moge beminnen en u uw zonden vergeven. Hij is de Meest Vergevensgezinde, de Altijd Genadige (3:32).

Terug naar INHOUD

Onderscheid tussen de natuurlijke en de morele toestanden en een weerlegging van de leer van de instandhouding van het leven

Ik zal nu overgaan tot het beschrijven van de drie toestanden van de mens, maar voordat ik dit doe is het voor mij noodzakelijk een herinnering te laten horen dat, zoals is aangegeven in het Heilige Woord van de Almachtige God, de natuurlijke toestand van de mens, waarvan de bron het innerlijk is dat tot kwaad aanzet, niet iets is dat los staat van de morele toestand van de mens. Het Heilige Woord van God heeft de natuurlijke vermogens, de verlangens en de aandriften van de mens gerangschikt als natuurlijke toestanden. Als deze bewust worden geordend en beheerst en op de juiste gelegenheden en plaatsen in werking worden gesteld, worden zij morele hoedanigheden. Op dezelfde wijze staan morele toestanden niet geheel los van geestelijke toestanden. Als morele toestanden een absolute devotie tot God tot ontwikkeling brengen en een volledige reiniging van het innerlijk en leiden tot een zich afsnijden van de wereld, terwijl men zich daarbij volledig tot God wendt en tot een volmaakte liefde, tot een volledige toewijding, een volledige kalmte en tevredenheid en een volmaakte overeenstemmingen met de Goddelijk wil, dan worden zij geestelijke toestanden. Zolang de natuurlijke toestanden van de mens niet worden omgezet in morele toestanden, verdient de mens geen lof aangezien deze natuurlijke toestanden ook worden aangetroffen in andere levende wezens en zelfs ook in vaste stoffen. Op dezelfde wijze geeft het louter verwerven van morele eigenschappen iemand geen geestelijk leven. Iemand die het bestaan van God ontkent, kan toch goede morele eigenschappen tentoonspreiden, zoals nederigheid van het hart, het zoeken naar vrede, het verwerpen van kwaad en het zich verzetten tegen het bedrijven van kwaad. Dit zijn alle natuurlijke toestanden die zelfs kunnen voorkomen bij iemand die geen achting bezit en die volstrekt geen kennis heeft van de bron van redding en hier geen deel aan heeft. Veel dieren bezitten een vriendelijke aanleg en kunnen zodanig worden getraind dat zij (13) geheel en al vreedzaam worden en niet woest reageren op bestraffing. Toch kunnen wij ze niet menselijk noemen, laat staan menselijke wezens met een hoge positie. Op gelijke wijze kan iemand die volledig is misleid en zelfs lijdt aan enkele slechte zedelijke eigenschappen, deze hoedanigheden tentoonspreiden. Het kan zijn dat iemand tot zulke mate genade ontwikkelt dat hij het zich niet zou toestaan de ziektekiemen te doden die in zijn wonden ontstaan of zo voorzichtig zou kunnen zijn in het behouden van het leven dat hij de luizen in zijn haar of de bacterie die in zijn maag, zijn aderen en zijn hersenen ontstaan geen nadeel zou willen berokkenen. Ik kan geloven dat iemands genade hem zou kunnen noodzaken af te zien van het gebruik van honing omdat deze wordt verkregen door de verwoesting van veel levens en door de arme bijen uit hun korven te verdrijven. Ik kan geloven dat iemand het gebruik van muskus zal vermijden omdat dit afkomstig is van een arm dier en wordt verkregen door het te slachten en het van zijn jong te scheiden. Ik ontken niet dat iemand zou kunnen afzien van het dragen van parels of zijde omdat beide worden verkregen door de dood van respectievelijk weekdieren en zijderupsen. Ik kan zelfs begrijpen dat iemand die pijn heeft zou weigeren een aderlating te ondergaan door middel van bloedzuigers en er de voorkeur aan zou geven zelf pijn te lijden dan de dood van arme bloedzuigers te verlangen. Ik kan zelfs geloven dat de genade en achting van iemand voor het leven zo ver gaat dat hij zou weigeren water te drinken om de bacillen die zich in het water bevinden te sparen. Ik kan dit alles accepteren. Maar ik kan niet accepteren dat deze natuurlijke toestanden kunnen worden beschouwd als morele eigenschappen of dat zij van dienst kunnen zijn bij het wegwassen van de innerlijke onzuiverheden die de toenadering van iemand tot God in de weg staan. Ik kan niet geloven dat het onschadelijk worden tot een mate waarin sommige dieren en vogels de mens overtreffen, het middel kan worden tot het verkrijgen van een hoge mate van menselijkheid. Ik beschouw deze houding trouwens als gelijkstaand met verzet tegen de natuurwet en niet in overeenstemming met de hoge morele eigenschap van het zoeken naar het welbehagen van God. Zij verwerpt de gaven die de natuur ons heeft geschonken.
Geestelijkheid kan alleen worden bereikt door het gebruiken van iedere morele eigenschap op haar juiste plaats en bij de juiste gelegenheid en door het met geloof treden op de paden van God en door Hem geheel te zijn toegewijd. Hij die waarlijk van God wordt, kan zonder Hem niet bestaan. Een ware zoeker naar God is als een vis die door de hand van God wordt geofferd terwijl het water waarin de vis zich bevindt de liefde van God is. (14)

Terug naar INHOUD

Drie methoden tot hervorming: De komst van de Heilige Profeet in de tijd dat hieraan de grootste behoefte bestaat

Zoals ik heb verklaard, zijn er drie bronnen waaraan de menselijke toestanden ontspringen, namelijk het innerlijk dat tot kwaad aanzet, het innerlijk dat zichzelf berispt en de ziel die in rust is. Er zijn ook drie methoden tot hervorming. De eerste is dat onwetende, weinig beschaafde mensen elementaire sociale waarden moeten worden bijgebracht die betrekking hebben op eten, drinken, huwelijk, enz. Zij moeten niet naakt lopen of zoals honden kadavers eten, noch enige andere vorm van onbeschaafd gedrag tonen. Dit is een elementair stadium van de hervorming van de natuurlijke toestanden van de soort die zou moeten worden toegepast als het bijvoorbeeld wenselijk is om iemand uit Port Blair die in beschaving is achtergebleven en de elementaire manieren van menselijk gedrag te leren. De tweede methode van hervorming is dat als iemand elementaire menselijke manieren heeft aangenomen, hem hogere morele eigenschappen kunnen worden bijgebracht en hem moet worden onderricht zijn vermogens op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheden te gebruiken. De derde methode van hervorming is dat zij die hoogstaande morele eigenschappen hebben verkregen, kennis moeten maken met iets van de liefde tot en de vereniging met God. Onze heer en meester, de Heilige Profeet, de vrede en de zegeningen van Allah zijn met hem, werd opgewekt in een tijd dat de wereld grondig verdorven was. De Almachtige God heeft gezegd:
Verderf heeft zich over land en zee verspreid (30:42).
Dit betekent dat zowel de mensen van het Boek als zij die geen ervaring met openbaring hadden, allen verdorven waren geworden. Het doel van de Heilige Qor'aan was het doen herleven van de doden, omdat hij zegt:
Weet dat Allah de aarde doet herleven na haar dood (57:18).
In die tijd was het volk van Arabië gedompeld in barbaarsheid. Er was geen overheersend sociaal patroon en men was trots op iedere soort zonde en wangedrag. Een man huwde een onbeperkt aantal vrouwen en zij waren allen verslaafd aan (15) het gebruik van alles wat onwettig was. Zij beschouwden het als wettig om met hun moeders te huwen. Daarom moest de Almachtige God voorschrijven:
Uw moeders zijn voor u onwettig gemaakt (4.24).
Zij aten kadavers en sommigen van hen waren zelfs kannibalen. Er was geen zonde waaraan zij zich niet schuldig maakten. De meesten van hen geloofden niet in een leven hierna. Velen van hen ontkenden het bestaan van God. Zij doodden hun vrouwelijke zuigelingen met hun eigen handen. Zij doodden wezen en ontnamen hen hun bezittingen. Zij hadden de verschijning van menselijke wezens, maar zij waren verstoken van rede. Zij bezaten geen bescheidenheid, geen schaamte en geen zelfrespect. Zij dronken sterke drank alsof het water was. Degene onder hen die zich, zonder onderscheid te maken, te buiten ging aan overspel werd erkend als het hoofd van de stam. Zij waren zo volstrekt onwetend dat hun buurvolkeren hen de ongeletterden noemden. In zo'n tijd en ter hervorming van zo'n volk verscheen onze heer en meester, de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, in Mekka. Dit was de tijd die riep om de drie soorten hervorming die zojuist zijn genoemd. Daarom maakt de Heilige Qor'aan er aanspraak op vollediger en volmaakter te zijn dan alle andere leidinggevende boeken, aangezien de andere boeken niet de gelegenheid boden de drie soorten hervormingen teweeg te brengen, hetgeen wèl het doel was van de Heilige Qor'aan. Het doel van de Heilige Qor'aan was om wilden tot mensen te verheffen en hen uit te rusten met morele eigenschappen en hen tenslotte te verheffen tot het niveau van goddelijke personen. De Heilige Qor'aan omvat dus al deze drie plannen.

Terug naar INHOUD

Het ware doel van de leerstellingen van de Heilige Qor'aan is de hervorming van de drie toestanden: natuurlijke toestanden worden door ordening morele toestanden

Alvorens ik verder ga met een gedetailleerde uiteenzetting van de drievoudige hervormingen die ik juist heb genoemd, is het noodzakelijk erop te wijzen dat er in de Heilige Qor'aan geen leerstelling is, die met dwang wordt opgelegd.
Het gehele doel van de Heilige Qor'aan wordt gevormd door deze drie hervormingen en al zijn leerstellingen leiden tot (16) het doel. Alle andere aanwijzingen zijn de middelen om deze hervormingen te bereiken. Soms moet een chirurg om de patiënt weer gezond te maken een operatie verrichten of een zalf toepassen. Op dezelfde wijze nemen de leerstellingen van de Heilige Qor'aan uit sympathie voor het mensdom ook hun toevlucht tot dergelijke middelen. Het doel van al zijn opvattingen, aanmaningen en aanwijzingen is de verheffing van de mens uit zijn natuurlijke toestand van barbaarsheid tot een morele toestand en hem dan te verheffen van die toestand naar de oneindige oceaan van geestelijkheid.
Wij hebben al uiteengezet dat natuurlijke toestanden zich niet onderscheiden van morele toestanden. Als zij worden geordend en onder de instructie van de rede bij de juiste gelegenheden worden gebruikt, verkrijgen zij een moreel karakter. Voordat zij door rede en begrip worden gecontroleerd, bezitten zij niet het karakter van morele eigenschappen, maar zijn zij natuurlijke aandriften, hoezeer zij ook mogen lijken op morele eigenschappen. Als bijvoorbeeld een hond of een lam genegenheid of volgzaamheid toont jegens zijn meester, kan dit niet als moreel of welgemanierd gedrag worden omschreven. Op dezelfde wijze zal een wolf of een tijger door zijn wildheid niet worden omschreven als ongemanierd. Een morele toestand ontstaat na overdenking en nadat het in acht nemen van tijd en de gelegenheid erbij wordt betrokken. Iemand die zich niet laat leiden door rede en beraadslaging, is als een kind wiens gedachten en intellect nog niet door rede worden bestuurd, of is als een dwaas die zijn rede en zinnen heeft verloren. Een kind of een dwaas gedraagt zich soms op een wijze die lijkt op een morele daad, maar geen zinnig mens noemt zulk gedrag moreel, omdat zo'n gedrag niet voortkomt uit een goed gebruik van het verstand en gepast is, maar een natuurlijke reactie is op de omstandigheden. Een zuigeling zoekt zodra hij is geboren de borst van zijn moeder en een kuiken begint zodra het is geboren korrels te pikken. Op gelijke wijze begint een jonge bloedzuiger zich als een bloedzuiger te gedragen, een jonge slang als een slang en een tijgerwelp als een tijger. Een zuigeling begint direct na de geboorte menselijke reacties te tonen en deze reacties worden steeds opmerkelijker als hij begint op te groeien. Het huilen bijvoorbeeld wordt steeds luider, zijn glimlach wordt een lach en zijn blik wordt gerichter. Op de leeftijd van één tot anderhalf jaar ontwikkelt hij nog een natuurlijke trek. Hij begint zijn genoegen of ongenoegen door middel van zijn bewegingen kenbaar te maken en probeert iemand aan te raken of iets aan iemand te geven. Al deze bewegingen zijn natuurlijke impulsen. Op gelijke wijze toont een barbaar die weinig menselijk gevoel bezit, natuurlijke impulsen in zijn woorden, (17) daden en bewegingen en wordt hij bestuurd door zijn natuurlijke emoties. Er komt niets uit hem voort als gevolg van de beoefening van zijn innerlijke vermogens. Wat ook vanuit zijn binnenste opwelt onder de werking van een natuurlijke impuls en als reactie op uitwendige prikkels, manifesteert zich. Het is mogelijk dat zijn natuurlijke impulsen die worden tentoongespreid als reactie op een uitwendige prikkel niet alle slecht zijn en sommige ervan kunnen zelfs lijken op een goed zedelijk gedrag. maar zij zijn normaliter niet het gevolg van redelijk nadenken en een redelijke beschouwing, en zelfs als dit wel tot op zekere hoogte hun drijfveer is, dan kunnen zij toch niet worden vertrouwd door de overheersing van natuurlijke impulsen.

Terug naar INHOUD

Het juiste zedelijke gedrag

Wij kunnen in het kort geen juist zedelijk gedrag toeschrijven aan iemand die onderworpen is aan natuurlijke impulsen, zoals bij dieren, zuigelingen of dwazen en zij die min of meer als dieren leven het geval is. Het tijdstip van een juist zedelijk gedrag, hetzij goed of slecht, begint als iemands verstand zijn volle ontwikkeling bereikt en hij in staat is om onderscheid te maken tussen goed en slecht en de mate van kwaad en goedheid en spijt begint te krijgen als hij een gelegenheid heeft gemist om goed te doen en berouw heeft als hij iets verkeerds heeft gedaan. Dit is het tweede stadium van zijn leven dat door de Heilige Qor'aan het innerlijk dat zichzelf berispt wordt genoemd. Men dient zich echter te herinneren dat een terloopse waarschuwing niet voldoende is om een barbaar te brengen tot het stadium van het innerlijk dat zichzelf berispt. Het is noodzakelijk dat hij zich tot die mate bewust wordt van het bestaan van God dat hij Zijn schepping niet zonder doel acht, zodat een begrip van het Goddelijke zijn juiste morele eigenschappen stimuleert. Daarom heeft de Almachtige God de aandacht gevestigd op de noodzakelijkheid van het begrijpen van het Goddelijke en de mens verzekerd dat iedere daad en ieder zedelijk gedrag een resultaat voortbrengt dat in dit leven een geestelijk gerief of geestelijke pijn veroorzaakt en in het hiernamaals duidelijk zal worden gemanifesteerd. In het kort wordt iemand in het stadium van het innerlijk dat zichzelf berispt, zoveel rede, begrip en een goed geweten gegeven, dat hij zichzelf berispt als hij iets verkeerds heeft gedaan en ernaar verlangt om goed te doen. Dit is het stadium waarin iemand hoge morele eigenschappen verkrijgt. (18)

Terug naar INHOUD

Onderscheid tussen Khalq (schepping) en Khulq (zedelijk gedrag)

"Khalq" betekent "fysieke geboorte" en "Khulq" betekent "innerlijke geboorte". Omdat de innerlijke geboorte wordt vervolmaakt door een morele ontwikkeling en niet alleen als gevolg van natuurlijke impulsen, betekent "Khulq" "morele eigenschappen" en niet "natuurlijke impulsen". Er dient op te worden gewezen dat de algemene opvatting dat zedelijk gedrag zachtmoedigheid, vriendelijkheid en nederigheid betekent, volledig verkeerd is. De waarheid is dat in overeenstemming met iedere fysieke daad er een innerlijke eigenschap is die zedelijk is. Iemand stort bijvoorbeeld tranen en in overeenstemming met deze handeling is er een innerlijke eigenschap die tederheid wordt genoemd en die het karakter aanneemt van een morele eigenschap als zij, bestuurd door de rede, bij de juiste gelegenheid wordt toegepast. Op gelijke wijze verdedigt iemand zich tegen de aanval van een vijand met zijn handen en in overeenstemming met deze handeling is er de innerlijke eigenschap die dapperheid wordt genoemd. Als deze eigenschap op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheid wordt toegepast, wordt zij een morele eigenschap genoemd. Zo tracht soms iemand de onderdrukten tegen de onderdrukking door tirannen te helpen, of verlangt het voor de behoeftigen en de hongerigen een voorziening te treffen of wenst zijn medeschepselen op een andere manier te helpen en in overeenstemming met een dergelijke handeling is er de innerlijke eigenschap die genade wordt genoemd. Soms straft iemand een overtreder en in overeenstemming met een dergelijke handeling is er de innerlijke eigenschap die vergelding wordt genoemd. Soms wenst iemand degene die hèm aanvalt niet aan te vallen en onthoudt zich ervan om actie te nemen tegen een overtreder en in overeenstemming daarmee is er een eigenschap die verdraagzaamheid of lijdzaamheid wordt genoemd. Soms werkt iemand met zijn handen of voeten of gebruikt zijn gedachten en verstand of zijn rijkdom om het welzijn van zijn medeschepselen te bevorderen en in overeenstemming daarmee is er een innerlijke eigenschap die weldadigheid wordt genoemd. Als iemand dus al deze eigenschappen gebruikt bij de juiste gelegenheden en op de juiste plaatsen, dan worden zij morele eigenschappen genoemd. God, de Glorierijke, heeft zich met de volgende woorden tot de Heilige Profeet (mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn) gewend. (19)
Gij bezit zeer zeker hoge morele voortreffelijkheden (68:5).
Dit betekent dat alle hoogstaande morele eigenschappen zoals weldadigheid, moed, rechtvaardigheid, genade, milddadigheid, oprechtheid, grootmoedigheid, enz., alle werden gecombineerd in de persoon van de Heilige Profeet (vrede zij met hem). Kortom, alle natuurlijke eigenschappen van de mens zoals vriendelijkheid, bescheidenheid, onkreukbaarheid, weldadigheid, waakzaamheid, standvastigheid, kuisheid, vroomheid, billijkheid, medegevoel, dapperheid, edelmoedigheid, verdraagzaamheid, lijdzaamheid, milddadigheid, oprechtheid, getrouwheid enz., kunnen alle als zij worden getoond bij de juiste gelegenheden onder de besturing door rede en nadenken als morele eigenschappen worden beschouwd. In werkelijkheid zijn zij de natuurlijke toestanden en prikkels van de mens en worden tot morele eigenschappen als zij weloverwogen bij de juiste gelegenheden worden aangewend.
Het is tekenend voor de mens dat hij vooruitgang wil maken en dat hij daarom door het volgen van een ware godsdienst, het verkeren in goed gezelschap en het zich richten naar goede leerstellingen, zijn natuurlijke aandriften omzet in morele eigenschappen. Geen ander wezen is begiftigd niet deze kenmerkende eigenschap.

Terug naar INHOUD

Natuurlijke toestanden van de mens

We zullen nu overgaan tot het uiteenzetten van de eerste van de drie hervormingen die door de Heilige Qor'aan wordt ingeprent en die betrekking heeft op de natuurlijke toestand van de mens. Deze hervorming heeft betrekking op wat bekend staat als goede manieren, dat wil zeggen het stelsel van regels dat de natuurlijke toestanden van woeste, onbeschaafde mensen regelt zoals eten, drinken, huwelijk enz. en hen brengt op een juist niveau van sociale waarden en hen redt van een dierlijk bestaan. In dit verband verordent de Heilige Qor'aan:
Verboden zijn u uw moeders en uw dochters en uw zusters en de zusters van uw vaders en de zusters van uw moeders en de dochters van uw broeders en de dochters van uw zusters en uw pleegmoeders en uw pleegzusters en de moeders van uw vrouwen en uw stiefdochters (die onder uw voogdijschap staan) door uw vrouwen met wie gij zijt omgegaan, maar als gij niet met hen zijt omgegaan, zal er geen zonde op u rusten en de vrouwen van uw eigen zonen. Het is u ook verboden twee zusters tezamen te huwen, maar wat voorbij is, is voorbij. Zeker, Allah is de Meest Vergevensgezinde, de Altijd Genadevolle (4:24). Het is niet wettig voor u van vrouwen te erven tegen hun wil (4:20). Het is niet wettig voor u vrouwen te huwen die uw vaders hadden gehuwd, behalve hetgeen in het verleden is gebeurd (4:23). Wettig voor u zijn kuise, gelovige vrouwen en (22) kuise vrouwen uit het midden van hen aan wie het Boek werd gegeven vóór u als u hen hun bruidsschatten geeft, geldige huwelijken sluit, geen overspel pleegt en geen geheime minnaars neemt (5:6).
In de tijd van onwetendheid stonden sommige Arabieren die kinderloos waren het hun vrouwen toe, omgang te hebben met iemand anders met het doel een kind te hebben. De Heilige Qor'aan verbood dit gebruik. De uitdrukking "geheime minnaars" heeft op dit gebruik betrekking. Dan wordt gezegd:
Verwoest uzelf niet (4:30) en doodt uw nageslacht niet (6:152). Treedt niet vrijelijk andere huizen dan de uwe binnen, zoals onbeschaafde mensen, totdat u verlof hiertoe heeft gekregen en als u verlof heeft gekregen en binnengaat, groet dan de bewoners met de groet van vrede. Als u binnen niemand aantreft, gaat dan niet binnen totdat u verlof wordt gegeven. Als u door de bewoners wordt gezegd terug te gaan, ga dan terug (24:28-29). Gaat niet de huizen binnen door over hun muren te klimmen, gaat ze binnen door de deuren (2:190). Als u wordt begroet met een groet, groet dan met een betere groet (4:87). Sterke drank, gokken, afgoden en pijlen die een lot bepalen zijn slechts gruwelen en instrumenten van Satan. Wendt u zich daarom van ieder ervan volledig af (5:9l). Verboden voor u is het vlees van een dood dier, bloed en het vlees van varkens en dat waarover de naam van iemand anders dan Allah is aangeroepen, en het vlees van een dier dat is gewurgd of is doodgeslagen of door een val is gedood of door de horens van dieren is gedood of waarvan een wild dier heeft gegeten of dat op een altaar is geofferd want dit alles is aas (5:4). Als zij u vragen wat wettig voor hen is, zeg hen dan: Alle goede dingen zijn wettig voor u (5:5). Ziet af van hetgeen aas is, of op aas lijkt of onrein is. Als u wordt gevraagd om in uw bijeenkomsten plaats voor anderen te maken, haast u dan plaats te maken zodat anderen kunnen zitten en als er wordt gevraagd om op te staan, staat dan zonder dralen op (58:12). Eet van al hetgeen wettig en gezond is, zoals vlees, groenten en peulvruchten enz., maar wees in geen enkel opzicht onmatig (7:32). Spreek niet in het wilde weg en spreek ter zake (33:71). Houd uw kleding schoon, alsmede uw lichaam en uw straten en de plaatsen waar u zit. Neem regelmatig een bad en beoefen de gewoonte om uw huizen netjes en schoon te houden (74:56). Matig uw stemgeluid en spreek noch luid noch fluister en loop, behalve als dit om andere redenen nodig is, met een gematigde snelheid, noch te snel, noch te langzaam (31:20). Als u op reis gaat, tref alle voorbereidingen en de noodzakelijke voorzieningen, opdat de noodzaak tot bedelen wordt vermeden (2:198). Als u omgaat met uw echtgenoten, reinig u door het nemen van een bad (5:7). Als u eet, geef dan van uw voedsel aan hem die (23) vraagt en ook aan honden, andere dieren en vogels (51:20). Er is geen nadeel in dat u weesmeisjes die aan uw zorg zijn toevertrouwd, huwt, maar als u vreest dat u hen niet behoorlijk zult behandelen omdat zij wezen zijn, huw dan vrouwen die ouders en verwanten hebben die over hen zullen waken, die u zullen respecteren alsmede hen ten aanzien van wie u zorgzaam zult zijn. U kunt twee of drie of vier van hen huwen, mits u hen allen onpartijdig kunt behandelen. Maar als u van mening bent dat u hen niet rechtvaardig zult behandelen, huwt er dan slechts één, zelfs als u behoefte heeft aan meer dan één. De beperking van vier wordt u opgelegd, opdat u niet overeenkomstig uw oude gewoonte zou zijn geneigd een groter aantal, dat honderden kan bedragen, zou huwen en opdat u niet zou neigen naar ongeoorloofd genot. Geef uw vrouwen de bruidsschatten met milde hand (4:45).
Dit is de eerste hervorming door de Heilige Qor'aan waardoor de mens van zijn natuurlijke toestand en ruwe en onbeschaafde manieren wordt verheven tot de positie van een beschaafd sociaal wezen. In deze leerstellingen wordt geen melding gemaakt van de hogere morele eigenschappen. Zij hebben alleen betrekking op het elementaire menselijke gedrag. Deze leer was noodzakelijk omdat de mensen, voor wier hervorming de Heilige Profeet (mogen de vrede en zegeningen van Allah met hem zijn) werd gezonden, zich in een toestand van uiterste onbeschaafdheid bevonden. Het was noodzakelijk dat hen de elementaire regels van sociaal gedrag zouden worden geleerd.

Terug naar INHOUD

Waarom is varkensvlees verboden?

Eén ding dat men in dit verband in het oog moet houden is dat God in de naam van dit dier zelf de reden voor het verbod van zijn vlees heeft aangegeven. Het Arabische woord voor varken is "Khinzier", dat een samenstelling is van "Khanz" en "Ara", wat betekent: Ik zie het als erg vuil. Dus de naam zelf die de Almachtige God in het begin aan dit dier gaf, wijst op zijn onreinheid. Het is een eigenaardige samenloop van omstandigheden dat dit dier in het Hindi "Suar", dat een samenstelling van "Su" en "Ara" is, wordt genoemd. Dit betekent ook: Ik zie het als erg vuil.
Het moet geen verrassing zijn dat het Arabische woord "Su" zijn weg heeft gevonden naar het Hindi. Wij hebben in ons boek "Minaanur Rahman" vastgesteld dat het Arabisch de moeder van alle talen is en dat in alle talen veel Arabische woorden worden aangetroffen. "Su" is dus een Arabisch woord en zijn equivalent in het Hindi is "bad". Dit dier wordt in het Hindi (24) dan ook "bad" genoemd. Het lijdt geen twijfel dat dit dier in de tijd dat het Arabisch de universele taal was, in dit land bekend stond met een Arabische naam die synoniem was met "Khinzier", en dit is tot vandaag zo gebleven. Het is mogelijk dat dit woord in het Sanskrit enige wijziging heeft ondergaan, maar het juiste woord is "Khinzier", dat zijn eigen betekenis verklaart. Het is niet nodig om een gedetailleerde uiteenzetting te geven van de onreinheid van dit dier. Iedereen weet dat het vuil eet en uitermate schaamteloos is. De reden voor het verbod van zijn vlees is dus duidelijk omdat zijn vlees door de natuurwet een onrein effect op het lichaam en de ziel zal hebben van iemand die het eet. Zoals we al hebben aangetoond, beïnvloedt voedsel de ziel van iemand en er kan geen twijfel over bestaan dat het vlees van zo'n onrein dier ook onrein is. Zelfs in prehistorische tijden waren Griekse dokters van mening dat het vlees van dit dier in het bijzonder de eigenschap matigheid benadeelt en schaamteloosheid aankweekt. Het eten van kadavers is volgens de lslamitische wet ook verboden om dezelfde reden, dat wil zeggen het beïnvloedt de morele eigenschappen nadelig en is ook schadelijk voor de fysieke gezondheid. Het bloed van een dier dat is gewurgd of is doodgeslagen, blijft in het lichaam van het dode dier en deze dieren zijn kadavers. Het is duidelijk dat het bloed van zo'n dier spoedig bedorven is en daardoor het gehele vlees doet bederven. Door recent onderzoek is vastgesteld dat de kiemen in zulk bloed een giftig bederf verspreiden in het vlees van het dode dier.

Terug naar INHOUD

De morele toestand van de mens

Het tweede deel van de hervorming door de Qor'aan is dat deze de natuurlijke toestanden zodanig ordent dat zij worden omgezet in hoogstaande morele eigenschappen. Dit is een veelomvattend onderwerp. Als we dit in detail zouden uiteenzetten zou deze voordracht zo lang worden dat het tiende deel ervan niet zou kunnen worden voorgelezen in de toegewezen tijd, We moeten ons daarom bij wijze van illustratie beperken tot de uiteenzetting van enkele morele eigenschappen. Morele eigenschappen vallen onder twee hoofden. Ten eerste, die morele eigenschappen die iemand in staat stellen om het kwaad te verwerpen, en (en tweede, die morele eigenschappen die hem in staat stellen om goed te doen. Het kwaad verwerpen omvat die eigenschappen waardoor iemand tracht om het bezit, de eer of het leven van een medemens geen schade toe (25) te brengen door zijn tong, zijn handen, zijn ogen of door een ander orgaan. Ook moet hij niet de bedoeling hebben hem zulk kwaad te berokkenen. Het doen van goed omvat al die morele eigenschappen waardoor iemand tracht door zijn tong, zijn handen, zijn kennis of door enig ander middel een medemens wel te doen met betrekking tot diens bezittingen of eer of waardoor hij besluit om diens glorie en eer duidelijk te maken of een onrecht dat hem is aangedaan over het hoofd te zien en zo degene die kwaad doet weldoet door hem fysieke pijn of financiële belasting te besparen of hem zo'n bestraffing toedient voor het kwaad dat dit in werkelijkheid een genade voor de overtreder is.

Terug naar INHOUD

Morele eigenschappen die betrekking hebben op het verwerpen van kwaad

De morele eigenschappen die de ware Schepper heeft aangewezen voor het verwerpen van kwaad staan in het Mabisch, dat een specifieke naam heeft voor alle menselijke begrippen, gedragingen en moraal bekend met vier namen. De eerste van deze morele eigenschappen wordt "lhsan" genoemd dat wil zeggen: kuisheid. Deze uitdrukking betekent de deugd die verband houdt met het vermogen tot voortplanting van man en vrouw. Die mannen en vrouwen kunnen kuis worden genoemd die volledig afzien van onwettig geslachtelijk verkeer en alle toenadering ertoe, aangezien dit laatste ongenade en vernedering voor beide partijen in deze wereld, kastijding in het hiernamaals en schande en ernstige schade voor degenen die met hen verwant zijn tot gevolg heeft. Als bijvoorbeeld iemand schuldig is aan toenadering tot de vrouw van iemand anders, dat, hoewel het niet zo ver komt als overspel, toch een stap in deze richting is, dan zou het voor de zichzelf respecterende echtgenoot verplicht worden om van haar te scheiden wegens haar bereidheid een dergelijke toenadering toe te staan. Haar kinderen zouden hierdoor ook jammerlijk worden getroffen. De echtgenoot zou dit alles moeten doorstaan door het wangedrag van een gewetenloze persoon. Men moet zich herinneren dat de morele eigenschap van kuisheid in het geding komt als iemand die het vermogen heeft zich aan deze bijzondere ondeugd schuldig te maken, zich ervan weerhoudt eraan toe te geven. Als hij dat vermogen niet heeft omdat hij nog jong is of impotent of gecastreerd of een uiterst hoge leeftijd heeft bereikt, kunnen we hem niet de verdienste toekennen van de morele eigenschap kuisheid. Hij bezit een natuurlijke toestand van kuisheid, maar, zoals wij (26) herhaaldelijk hebben aangeduid, kunnen natuurlijke toestanden niet beschreven als morele eigenschappen. Deze worden morele eigenschappen als zij worden beoefend of kunnen worden beoefend op de gelegenheden onder het bestuur van de rede. Jonge kinderen en impotente personen en zij die zich het vermogen tot geslachtelijk verkeer op de een of ander wijze hebben ontzegd, kunnen niet de verdienste van morele eigenschap worden toegekend, hoewel zij klaarblijkelijk kuise levens lijken te leiden. In al deze gevallen zou hun kuisheid slechts een natuurlijke toestand zijn. Omdat de genoemde verdorvenheid en haar aanloop hiertoe door zowel mannen als vrouwen kan worden beoefend, geeft het Heilige Boek van God in dit verband aanwijzingen voor zowel mannen als vrouwen. Het zegt:
Schrijft de gelovige mannen voor dat zij hun ogen weerhouden van het zó openlijk kijken naar vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren, dat zij door hen sexueel worden opgewonden en dat zij de gewoonte aankweken om hun blikken te beheersen. Zij moeten al hun zinnen in bedwang houden. Zij moeten bijvoorbeeld niet luisteren naar het zingen of de bekoorlijke stemmen van vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren en ook moeten zij niet luisteren naar beschrijvingen van hun schoonheid. Dit is een goede manier om de zuiverheid van hun blikken en (27) harten te bewaren. Schrijf evenzo gelovige vrouwen voor dat zij hun ogen ervan moeten weerhouden naar mannen die niet tot de directe verwanten behoren te kijken en hun oren ertegen moeten beveiligen naar de hartstochtelijke stemmen van zulke mannen te luisteren. Zij moeten hun schoonheid bedekken en moeten deze niet onthullen aan iemand die niet tot de directe verwanten behoort. Zij moeten hun hoofdbedekkingen over hun boezems laten hangen en moeten zo hun hoofden, oren en slapen bedekken. Zij moeten niet zoals dansers met hun voeten op de grond slaan. Dit zijn voorschriften die bescherming bieden tegen een moreel struikelen (24:31-32).
De tweede methode is zich tot God Almachtig te wenden en Hem te smeken tegen struikelen en uitglijden te worden beschermd. Nog een voorschrift is:
Houd u verre van overspel (17:33).
Dit betekent dat men alle gelegenheden moet vermijden die iemands gedachten in die richting kunnen opwinden en alle paden moet schuwen die naar deze ondeugd zouden kunnen leiden. Hij die zich aan deze ondeugd overgeeft gaat met zijn verdorvenheid tot het uiterste. De weg van overspel is een slechte weg omdat deze de vooruitgang van iemand naar het doel belemmert en deze weg is uiterst schadelijk voor het bereiken van het levensdoel. Zij die geen middel om te huwen vinden, moeten zich kuis houden door het volgen van andere wegen (24:34), bijvoorbeeld door te vasten of het zich houden aan een dieet of door lichaamsoefening. De mensen nemen soms het celibaat aan, ondergaan castratie of nemen het kloosterleven aan. God heeft het kloosterleven niet voorgeschreven en daarom blijken zij die dit aannemen niet in staat ernaar te leven (57:28). Dit is een aanwijzing dat als het celibaat en het kloosterleven door God zou zijn voorgeschreven, iedereen deze discipline zou hebben moeten aannemen, ten gevolge waarvan het menselijke ras reeds lang geleden tot een einde zou zijn gekomen. Ook zou als kuisheid door castratie of door enig ander dergelijk middel zou moeten worden bewaard, dit op kritiek op God neerkomen, Die de mens dit vermogen heeft gegeven. Bovendien hangt verdienste af van het in bedwang houden van de uitoefening van een vermogen bij een onjuiste gelegenheid uit vrees voor God en men verkrijgt dus een dubbele verdienste bij een gepaste uitoefening. Door het vermogen te vernietigen ontzegt men zich beide verdiensten. Verdienste hangt af van het bezit van het vermogen en de gepaste ordening ervan. Welke verdienste zou iemand verkrijgen die dat vermogen heeft verloren en als een kind is geworden? Verwerft een kind verdienste door zijn kuisheid? (28)

Terug naar INHOUD

Vijf remedies tegen onkuisheid

In deze verzen heeft de Almachtige God niet alleen een voortreffelijke leer voor het verkrijgen van de eigenschap kuisheid, maar de mens ook voorzien van vijf remedies tegen onkuisheid. Deze zijn het behoeden van de ogen voor het staren naar hen die niet tot de directe verwanten behoren, het behoeden van de oren voor het luisteren naar hun stemmen en naar beschrijvingen van hun knappe uiterlijk, het vermijden van gelegenheden die wat deze ondeugd betreft opwinding zouden kunnen veroorzaken en het zichzelf in bedwang houden gedurende de periode van celibaat door middel van vasten, het houden van een dieet, enz. Wij kunnen er met vertrouwen aanspraak op maken dat deze voortreffelijke leer met al haar middelen die in de Heilige Qor'aan wordt uiteengezet eigen is aan de Islam. Men moet in gedachten houden dat aangezien de natuurlijke toestand van de mens, die de bron van zijn hartstochten is, zodanig is dat hij hiervan niet kan afwijken zonder een volledige verandering in zichzelf, zijn hartstochten wel moeten worden opgewekt, of met andere woorden in gevaar worden gebracht, als zij worden geconfronteerd met de gelegenheid aan deze ondeugd toe te geven. De Almachtige God heeft ons daarom niet opgedragen dat we vrijelijk zouden kunnen staren naar vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren en over hun schoonheid zouden kunnen mijmeren en al hun bewegingen bij het dansen enz. zouden kunnen waarnemen, maar dat we dit met een zuivere blik zouden moeten doen. Noch zijn wij onderwezen te luisteren naar het zingen van deze vrouwen en te luisteren naar de verhalen over hun schoonheid, maar dat we dit met een zuivere bedoeling zouden moeten doen. Ons is uitdrukkelijk opgedragen niet naar hun schoonheid te kijken, hetzij met een zuivere bedoeling of anderszins, noch te luisteren naar hun muzikale stemmen of naar beschrijvingen van hun goede uiterlijk, hetzij met een zuivere bedoeling of anderszins. Het is ons opgedragen dit alles te schuwen zoals we kadavers schuwen, zodat we niet zouden struikelen. Het is bijna zeker dat onze vrije blikken ons vroeger of later zouden doen struikelen. Omdat de Almachtige God verlangt dat onze ogen en onze harten en al onze ledematen en organen moeten voortgaan in een toestand van zuiverheid, heeft Hij ons deze uitstekende leer verschaft. Er kan geen twijfel over bestaan dat ongecontroleerde blikken een bron van gevaar worden. Als we zacht brood voor een hongerige hond plaatsen, zou het ijdel zijn te hopen dat hij er geen aandacht aan zou schenken. De Almachtige God verlangde dus dat de menselijke vermogens geen enkele gelegenheid zouden krijgen (29) voor een heimelijk functioneren en met niets zouden worden geconfronteerd, dat gevaarlijke tendenties zou kunnen oproepen. Dit is de filosofie die ten grondslag ligt aan de Islamitische voorschriften met betrekking tot het dragen van de sluier.
Het Boek van God beoogt niet vrouwen als gevangenen af te zonderen. Dit is de opvatting van hen die niet op de hoogte zijn van het juiste patroon van Islamitische manieren. Het doel van deze voorschriften is mannen en vrouwen ervan te weerhouden hun ogen vrijelijk te laten dwalen en hun knappe uiterlijk en hun schoonheden te tonen, want hierin ligt het goede van zowel mannen als vrouwen. Men moet zich herinneren dat het in bedwang houden van de blik en het alleen kijken naar dat wat is toegestaan, in het Arabisch wordt omschreven met de uitdrukking "ghadde basar", hetgeen de uitdrukking is die in de Heilige Qor'aan in dit verband is gebruikt. Het betaamt iemand die vroom is en die zijn hart zuiver wil houden niet dat hij zijn blikken vrijelijk alle kanten zou laten uitgaan zoals bij dieren het geval is. Het is noodzakelijk dat zo iemand de gewoonte van "ghadde basar" in zijn sociale leven moet cultiveren. Dit is een gezegende gewoonte waardoor zijn natuurlijke impulsen worden omgezet in een hoge morele eigenschap, zonder dat dit zijn sociale behoeften verstoort. Dit is de eigenschap die in Islam kuisheid wordt genoemd. De tweede eigenschap die verband houdt met het verwerpen van het kwaad is de eigenschap die bekend staat als eerlijkheid of integriteit, dat wil zeggen intolerantie voor het toebrengen van schade aan een medemens door op een oneerlijke of onwettige wijze zijn bezit in beslag te nemen. Integriteit is een van de natuurlijke toestanden van de mens. Daarom heeft een zuigeling, die zijn natuurlijke aanleg volgt en die nog geen enkele slechte eigenschap heeft verkregen, zo'n afkeer van iets dat iemand anders toebehoort, dat hij maar met moeite kan worden overtuigd om te worden gezoogd door een min. Als voor hem geen min is aangewezen terwijl hij nog erg klein is en nog geen scherp bewustzijn heeft ontwikkeld, wordt het voor een min erg moeilijk hem te zogen. Hij heeft er een natuurlijke afkeer van te worden gezoogd door een andere vrouw dan zijn moeder. Deze afkeer veroorzaakt hem soms een groot lijden en kan hem in uitzonderlijke gevallen tot aan de rand van de dood brengen. Wat is het geheim van deze afkeer? Het geheim is dat hij er een natuurlijke afkeer van heeft zijn moeder te verlaten en zich te wenden tot iets dat iemand anders toebehoort. Als wij over deze gewoonte van een zuigeling diep nadenken, wordt het duidelijk dat deze gewoonte ten grondslag ligt aan alle vormen van eerlijkheid en integriteit. Niemand kan de eigenschap integriteit worden toegeschreven, tenzij zijn hart wordt (30) vervuld met een afkeer en haat voor het bezit van iemand anders. zoals het geval is bij een zuigeling. Maar een zuigeling past deze gewoonte niet altijd toe bij de juiste gelegenheid en brengt als gevolg groot lijden over zich. Deze gewoonte is slechts een natuurlijke toestand die hij onvrijwillig toont, zij is daarom niet een morele eigenschap, hoewel zij de wortel is van de eigenschap integriteit. Aangezien een zuigeling als gevolg van deze gewoonte niet kan worden omschreven als religieus en betrouwbaar, zo kan ook iemand die deze natuurlijke eigenschap niet bij de juiste gelegenheid toepast, niet deze morele eigenschap worden toegeschreven. Het is erg moeilijk om betrouwbaar en een integere persoon te worden. Tenzij iemand alle facetten van integriteit in acht neemt, kan hij niet worden beoordeeld als werkelijk betrouwbaar of eerlijk. In dit verband heeft de Almachtige God ons in de volgende verzen de verschillende van integriteit geïnstrueerd:
Als er onder u iemand is met bezit, die wees is, of minderjarig, en als wordt gevreesd dat hij zijn bezit door zijn gebrek aan verstand zou verspillen, moet u dit bezit in beheer nemen en niet aan hem overhandigen, aangezien het gehele handelssysteem en de sociale zekerheid afhangt van de juiste zorg voor het bezit. Uit de inkomsten van het bezit moet u het onderhoud van de eigenaar ervan bekostigen, en u moet hem onderrichten (31) in alle billijke waarden die zijn rede en verstand zouden helpen ontwikkelen en hem een juiste training zouden geven, zodat hij niet onwetend en onervaren zou blijven. Als hij de zoon van een koopman is, kan hij worden onderricht in de wijzen van zaken doen en handel, en als zijn vader een beroep had of een andere bezigheid, kan hem training worden gegeven in een gepast beroep. Onderzoek van tijd tot tijd of hij in zijn training vooruitgang maakt. Als hij de leeftijd van volwassenheid bereikt, dat wil zeggen als hij ongeveer 18 jaar is en als u constateert dat hij een voldoende intelligentie heeft verworven om voor zijn bezit te zorgen, overhandig hem dan zijn bezit. Behandel zijn bezit als dit onder uw hoede is niet verkwistend uit vrees dat als hij opgroeit, hij dit u zal ontnemen. Als de beheerder geen financiële zorgen heeft, moet hij voor het beheren van het bezit niets in rekening brengen. Maar als hij arm is, laat hem er dan zoveel van gebruiken als billijk is. Het was de gewoonte onder Arabische beheerders van het bezit van een wees dat het bezit werd gebruikt als handelskapitaal en uit de winstopbrengst een voorziening werd getroffen voor de wees. Het kapitaal werd zo dus niet vernietigd. De beheerder berekende een billijk bedrag voor het zorgen voor het bezit. Dit is het systeem waarnaar in deze verzen wordt verwezen. Dan wordt gezegd:
Als u het bezit aan zijn eigenaar overhandigt, moet u dit doen in aanwezigheid van getuigen (4:67). Zij onder u die waarschijnlijk minderjarige kinderen achterlaten, moeten in hun testament geen aanwijzingen geven die voor de kinderen een onbillijke werking hebben. Zij die het vermogen van wezen onrechtvaardig verbruiken, verteren in hun buiken slechts vuur, en zij zullen een laaiend vuur binnengaan (4:10-1l).
Men moet opmerken hoeveel aspecten van eerlijkheid en integriteit de Almachtige God in deze verzen heeft uiteengezet. Een werkelijk eerlijk persoon is hij die al deze aspecten in gedachten houdt. Als dit niet gebeurt met een volmaakt begrip, zal zijn betrouwbaarheid veel verborgen oneerlijkheid bedekken. Dan wordt bevolen: (32)
En verteert elkanders vermogen niet door bedrog en valsheid, noch biedt uw rijkdom als omkoopgeld aan aan de autoriteiten, zodat u weloverwogen een deel van de rijkdom van andere mensen verkrijgt door middel van onrechtvaardigheid (2:189). Draag het u toevertrouwde over aan hen die er recht op hebben (4:59). Allah houdt niet van hen die oneerlijk zijn (8:59). Geef de volle maat als u weegt en weegt met een zuivere weegschaal (17:36). Geef niet te weinig en loopt niet rond terwijl gij in het land wanorde sticht (26:184). Dit betekent dat u niet in het land moet rondtrekken met een kwade bedoeling om diefstal of overvallen te plegen of zakken te rollen of om het bezit van andere mensen te verkrijgen door onwettige middelen. Geef niet dat wat gebrekkig is in ruil voor dat wat goed is (4:3), dat wil zeggen dat aangezien verduistering onwettig is, ook de verkoop van gebrekkige artikelen, terwijl u het doet voorkomen alsof ze in goede staat zijn, en het ruilen van gebrekkige artikelen voor goede artikelen, onwettig is.
In al deze verzen heeft de Almachtige God alle oneerlijke praktijken op zo'n uitgebreide wijze uiteengezet dat geen voorbeeld van oneerlijkheid is weggelaten. Hij heeft niet enkel diefstal verboden, opdat niet een dom persoon zou overwegen dat, hoewel diefstal is verboden, alle andere ongepaste methodes tot het verkrijgen van bezit zijn toegestaan. Het op een veelomvattende wijze verbieden van alle ongepaste methodes tot het verkrijgen van bezit is ware wijsheid. Kortom, als iemand de eigenschap integriteit niet in al haar aspecten bezit, zal hij niet als eerlijk worden beschouwd, zelfs als hij in bepaalde zaken eerlijkheid aan de dag legt dat zou alleen maar zijn natuurlijke toestand zijn, beroofd van een redelijk onderscheid en een juist inzicht. De derde morele eigenschap die verband houdt met het verwerpen van het kwaad wordt in het Arabisch met "hudnah" of "haun" aangeduid, hetgeen betekent het afzien van het iemand toebrengen van fysiek leed en het zich gedragen op een vreedzame wijze. Vredelievendheid is zonder twijfel een hoge morele eigenschap en is voor de mensheid onontbeerlijk. De natuurlijke prikkel die met deze morele eigenschap overeenstemt en deze als hij wordt geordend, in een morele eigenschap omzet, en die een zuigeling bezit, is aanhankelijkheid. Het is duidelijk dat de mens in zijn (33) natuurlijke toestand niet in staat is vredelievendheid of strijdlust te begrijpen. In die toestand is de prikkel van aanhankelijkheid die hij toont de wortel van vredelievendheid, maar omdat deze niet op een weloverwogen manier wordt beoefend onder controle van de rede of het nadenken, wordt hij niet beschouwd als een morele eigenschap. Hij wordt tot een morele eigenschap als iemand zich weloverwogen ongevaarlijk maakt en de eigenschap vredelievendheid bij de juiste gelegenheid uitoefent en nalaat deze misplaatst te gebruiken. De goddelijke leer is in dit verband:
Tracht overeenstemming onder uzelf te bevorderen (8:2), Vrede is het beste (4:129). Als zij tot Vrede neigen, neigt gij er dan ook toe (8:62). De ware dienaren van de Genadevolle wandelen op aarde in nederigheid (25:64) en als zij iets ijdels aantreffen dat zich tot een strijd zou kunnen ontwikkelen, gaan zij er met waardigheid aan voorbij (25:73), dat wil zeggen dat zij niet over kleinigheden beginnen te twisten en kleine zaken die niet veel schade veroorzaken niet tot een gelegenheid van onenigheid maken.
De uitdrukking 'ijdel' die in dit vers is gebruikt, betekent het moedwillig uiten van woorden of het doen van iets dat weinig schade veroorzaakt en weinig kwaad doet. Vredelievendheid wil zeggen dat men dit soort gedrag over het hoofd moet zien en met waardigheid moet optreden, maar als iemands gedrag werkelijk schade berokkent aan leven, bezit of eer, dan is de morele eigenschap die erbij wordt betrokken niet vredelievendheid, maar standvastigheid, waarop we later zullen terugkomen. Als iemand zich boosaardig tegen u gedraagt, moet u trachten (34) dit af te weren met vredelievendheid waardoor hij die uw vijand is tot uw beste vriend zal worden (41:35). Kortom, vredelievendheid betekent het over het hoofd zien van onbeduidende zaken van ergernis die geen grote schade veroorzaken en die zich min of meer beperken tot het uiten van onzin. De vierde morele eigenschap in verband met het verwerpen van het kwaad is vriendelijkheid of een goed woord. De natuurlijke prikkel die ten grondslag ligt aan deze morele eigenschap is opgewektheid. Voordat een kind in staat is zich in woorden uit te drukken, toont het opgewektheid als een vervanging voor vriendelijkheid en goede woorden. Dit toont aan dat de wortel van vriendelijkheid opgewektheid is, hetgeen een natuurlijke gave is welke wordt omgezet in de morele eigenschap vriendelijkheid door deze bij de juiste gelegenheid te gebruiken. De goddelijke leer in dit verband is:
Zegt tegen de mensen dat wat goed is (2:84). Laat niet een volk een ander volk bespotten: misschien is dit beter dan zij zelf, noch laat een groep vrouwen een andere groep vrouwen bespotten, misschien is laatstgenoemde beter dan de eerstgenoemde. Belaster uw volk niet, noch scheld hen uit (49:12). Schuw te veel achterdocht: spioneer ook niet, noch belaster elkaar (49:13). Beschuldig niet iemand van iets waarvan u geen bewijs hebt, en herinner u dat het oor en het oog en het hart ter verantwoording (35) zullen worden geroepen (17:37).

Terug naar INHOUD

Morele eigenschappen die verband houden met het goeddoen

De tweede soort morele eigenschappen zijn die welke verband houden met goeddoen. De eerste hiervan is verdraagzaamheid of vergevensgezindheid. Hij die tegen een ander een vergrijp pleegt, veroorzaakt hem leed of nadeel en hij verdient het te worden gestraft òf door het toepassen van de wet met gevangenschap of boete, òf rechtstreeks door de gekrenkte persoon. Hem te vergeven, als vergevensgezindheid gepast zou zijn, staat gelijk aan hem goed te doen. In dit verband is de leer van de Heilige Qor'aan:
Zij die hun kalmte bewaren als zij worden geprikkeld en die de fouten van de mensen door de vingers zien als dat gepast is (3:135). De vergelding van een onrecht is een straf die ermee in verhouding staat, maar hij die vergeeft en daardoor een hervorming bij de overtreder teweegbrengt terwijl geen leed wordt beoogd, dat wil zeggen, bij de juiste gelegenheid vergevensgezindheid toepast, zal zijn beloning bij Allah hebben (42:41).
Dit vers toont aan dat de Qor'aan niet bij alle gelegenheden het niet weerstand bieden aan het kwaad leert, of dat onruststokers en overtreders nooit zouden moeten worden gestraft. Zijn leer is dat men in overweging moet nemen of de gelegenheid vraagt om vergevensgezindheid of om straf en dat de weg moet worden gevolgd die het beste is in het belang van zowel de overtreder, als het publiek. Soms keert een overtreder zich van het kwaad doen af als gevolg van het feit dat hem wordt vergeven, en soms spoort vergevensgezindheid hem aan tot een voortzetting van het kwaad doen. Daarom beveelt de Almachtige God dat wij niet de gewoonte moeten ontwikkelen om bij alle gelegenheden blindelings te vergeven, maar zorgvuldig moeten overwegen of vergevensgezindheid of straf het meest gepast is, een deugd derhalve, in ieder afzonderlijk geval, en dat dit de weg is die wij moeten volgen. Sommige mensen zijn zo wraakzuchtig dat zij het onrecht dat hun vaders is aangedaan generaties lang onthouden en er zijn anderen die verdraagzaamheid en vergevensgezindheid tot het uiterste doorvoeren, soms zelfs tot de grens van schaamteloosheid. Zij passen zulk (36) een zwakheid, vergevensgezindheid en verdraagzaamheid toe dat deze volkomen tegenstrijdig is met waardigheid, eer, waakzaamheid en kuisheid. Hun gedrag is een vlek op het goede karakter en het gevolg van hun vergevensgezindheid en verdraagzaamheid is dat de mensen van hen walgen. Daarom voegt de Heilige Qor'aan de voorwaarde toe van een juiste tijd en plaats voor de beoefening van iedere morele eigenschap en keurt het misplaatst beoefenen van een morele eigenschap af. Men moet zich herinneren dat vergevensgezindheid op zich geen morele eigenschap is. Zij is een natuurlijke impuls die ook bij kinderen wordt aangetroffen. Een kind vergeet een letsel snel als dit hem ten onrechte is toegebracht, en benadert de persoon die hem het letsel heeft toegebracht weer met genegenheid, zelfs als een dergelijke persoon de bedoeling zou hebben het te doden. Het kind is blij met zijn bekoorlijke woorden. Zo'n vergevensgezindheid is in geen enkel opzicht een morele eigenschap. Zij zou een morele eigenschap worden als zij wordt beoefend op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheid. Anders zou zij slechts een natuurlijke prikkel zijn. Er zijn weinig mensen die een onderscheid kunnen maken tussen een natuurlijke prikkel en een morele eigenschap. Wij hebben herhaaldelijk het onderscheid aangetoond tussen een ware morele eigenschap en een natuurlijke toestand: dit is dat een morele eigenschap wordt bepaald door het zich aanpassen aan plaats en gelegenheid, terwijl een natuurlijke prikkel vaak niet op zijn plaats erbij wordt betrokken. Een koe is ongevaarlijk en een geit is nederig, maar we kennen deze eigenschappen niet aan deze dieren toe omdat zij niet de beschikking hebben over een gevoel van tijd en plaats. De Goddelijke wijsheid en Gods ware en volmaakte Boek hebben iedere morele eigenschap voor een juiste uitoefening onderworpen aan tijd en plaats. De tweede morele eigenschap in deze categorie is rechtvaardigheid de derde is weldadigheid en de vierde is goedgunstigheid zoals die tussen verwanten. God, de Glorierijke, heeft gezegd:
Dit betekent dat ons wordt bevolen om goed met goed te vergelden en weldadigheid te beoefenen als dit wordt vereist en om met een natuurlijke ijver goed te doen, zoals tussen verwanten. als dat gepast zou zijn (16:91).
De Almachtige God verbiedt overtreding, of dat u misplaatst weldadigheid (37) beoefent of zou nalaten deze te beoefenen als het wordt vereist of dat u in gebreke zou blijven bij de juiste gelegenheid goedgunstigheid zoals tussen verwanten te betrachten, of deze buiten haar gepaste grens te betrachten. Dit vers zet drie graden van goeddoen uiteen. De eerste is het goed met goed vergelden. Dit is de laagste graad en zelfs een gemiddelde persoon kan deze graad dat hij hen die hem hebben goedgedaan moet goeddoen. gemakkelijk verkrijgen. De tweede graad is wat moeilijker dan de eerste. Deze houdt in dat men het initiatief neemt bij het goeddoen uit zuivere weldadigheid. Dit is de middelste graad. De meeste mensen treden jegens de armen weldadig op, maar er is een verborgen gebrek in weldadigheid, namelijk dat de persoon die weldadigheid beoefent zich hiervan bewust is en als antwoord op zijn weldadigheid dankbaarheid of gebed verlangt. Als bij een bepaalde gelegenheid de ander zich tegen hem zou keren, beschouwt hij hem als ondankbaar. Bij gelegenheid herinnert hij hem aan zijn weldadigheid of legt hem een zware last op. Zij die weldadig zijn, zijn door de Almachtige God vermaand:
Maakt uw aalmoezen niet nutteloos door verwijten of krenking (2:265).
Het Arabische woord voor aalmoezen (sadaqah) is afgeleid van een wortel (sidq), die oprechtheid betekent. Als het hart niet wordt geïnspireerd door oprechtheid bij het schenken van aalmoezen, houden deze op aalmoezen te zijn en wordt dit schenken tot een louter vertoon. Daarom zijn zij die weldadigheid betrachten door de Almachtige God aangespoord hun weldadigheid niet nutteloos te maken door verwijten of krenking. De derde graad van goeddoen is goedgunstigheid zoals deze bestaat tussen verwanten. De Almachtige God instrueert dat er bij deze graad geen idee van weldadigheid of enig verlangen naar dankbaarheid moet zijn, maar het goeddoen uit zulk een warme sympathie moet geschieden zoals bijvoorbeeld een moeder haar kind goeddoet. Dit is de hoogste graad van goeddoen welke niet kan worden overtroffen. Maar de Almachtige God heeft al deze graden van goeddoen onderworpen aan hun gepaste tijd en plaats. Het vers dat hierboven is aangehaald, toont duidelijk aan dat als deze deugden niet op de juiste plaatsen worden beoefend, zij ondeugden zouden worden. Als bijvoorbeeld rechtvaardigheid haar grenzen overschrijdt, zou zij een ongezond aspect aannemen en zou onfatsoenlijk worden. Op dezelfde wijze zou het verkeerd gebruiken van weldadigheid een vorm aannemen die door de rede en het geweten zou worden (38) verworpen en op dezelfde wijze zou goedgunstigheid als tussen verwanten tot overtreding worden. Het Arabische woord voor overtreding is "baghy" dat een overvloedige regen die de oogst verwoest betekent. Een tekort bij de vervulling van een verplichting of een overdaad bij de vervulling, zijn beide "baghy". In het kort, als een van deze drie eigenschappen niet op haar plaats wordt beoefend, wordt deze besmet. Daarom worden al deze drie eigenschappen bepaald door het gepast in acht nemen van plaats en gelegenheid. Men moet niet vergeten dat rechtvaardigheid, weldadigheid of goedgunstigheid tussen verwanten niet op zichzelf morele eigenschappen zijn. Zij zijn de natuurlijke toestanden en vermogens van de mens die zelfs door kinderen voordat zij hun verstand ontwikkelen, worden tentoongespreid. Verstand is een voorwaarde voor het beoefenen van een morele eigenschap en er is ook een voorwaarde, dat iedere morele eigenschap moet worden beoefend op haar juiste plaats en bij de juiste gelegenheid. Er zijn verschillende andere aanwijzingen, die in de Heilige Qor'aan zijn uiteengezet, die betrekking hebben op weldadigheid en die alle zijn onderworpen aan de voorwaarde van plaats en tijd. Wij lezen: (39)
O gij die gelooft, besteedt bij wijze van edelmoedigheid of weldadigheid, of liefdadigheid dat van uw rijkdom dat u op wettige wijze heeft verkregen dat wil zeggen, geen deel van hetgeen is verkregen door diefstal, of omkoperij, of oneerlijkheid of verduistering of overtreding. Kiest niet voor liefdadigheid uit hetgeen nutteloos of onrein is (2:268). Maak uw (40) aalmoezen niet nutteloos met verwijten of krenking dat wil zeggen, herinnert uw begiftigde er nooit aan dat u hem iets had geschonken, noch krenk hem, want in zulke gevallen zal uw liefdadigheid nutteloos worden, noch besteedt uw geld louter uit vertoon (2:265). Weest weldadig voor uw medeschepselen, want Allah houdt van hen die weldadig zijn (2:196). De ware deugdzamen zullen uit een beker (een drank) gemengd met kamfer drinken (76:67). De verwijzing naar kamfer betekent dat hun harten zullen worden gereinigd van alle brandende verlangens naar, en onzuivere prikkels voor de wereld. De wortel van het Arabische woord voor kamfer betekent onderdrukking of uitwissing, hetgeen betekent dat hun ongeoorloofde emoties zullen worden onderdrukt en zij zuiver van hart zullen worden en de koelte van het begrip zullen genieten. Vervolgens wordt gezegd dat zij van een bron zullen drinken die zij zullen doen ontspringen aan de aarde door hun inspanningen. Dit duidt op een diep mysterie in de filosofie van het paradijs. Laat hem die begrip heeft dit begrijpen. De ware deugdzamen voeden de armen, de wees en de gevangene uit liefde voor Allah, met zulk voedsel als zij zelf eten, terwijl zij hen verzekeren: Wij leggen u niet enige verplichting op, maar voeden u slechts om Allah's welbehagen te winnen. Wij wensen geen tegenprestatie of dank van u (76:9-10). Dit is een aanwijzing dat zij de derde graad van het goeddoen beoefenen die voortkomt uit zuiver medegevoel. De ware deugdzamen hebben de gewoonte om hun rijkdommen uit liefde voor God te besteden voor hun verwanten en voor het opvoeden en opleiden van wezen en voor het treffen van een voorziening voor de armen en voor het verschaffen van gerief aan reizigers en voor hen die vragen (bedelaars) en voor de invrijheidstelling van slaven en het verlichten van de lasten van hen die schulden hebben (2:178). Zij zijn noch verkwistend, noch vrekkig, maar houden hiertussen een evenwicht (25:68). Zij verbinden dat wat Allah heeft geboden te worden verbonden en zij vrezen hun Heer (13:22). Op hun rijkdom hebben zij die vragen en zij die niet kunnen vragen een recht (51:20). Met zij die niet kunnen vragen worden dieren bedoeld zoals honden, katten, mussen, ossen, ezels, geiten, en andere dieren die hun behoeften niet in woorden kunnen uitdrukken. Zij zijn niet terughoudend in tijden van schaarste of hongersnood, maar blijven ook in zulke tijden overeenkomstig hun vermogen uitgeven (3:135). Zij geven zowel in het geheim als openlijk uit aan liefdadigheid (13:23), in het geheim zodat zij zichzelf mogen behoeden voor een vertoon van hun liefdadigheid en openlijk zodat zij anderen tot voorbeeld kunnen zijn dat wat opzij wordt gelegd voor liefdadigheid moet aan de armen en de behoeftigen worden (41) besteed en aan hen die zich bezighouden met de inzameling en verdeling hiervan, en het moet worden besteed om hen te helpen die van een bepaald kwaad moeten worden gered en om de vrijheid van slaven te verkrijgen en voor hen die gebukt gaan onder schulden, en hen die bedroefd zijn en voor andere doeleinden die zuiver voor de zaak van God zijn, en voor hen die streven voor de zaak van Allah (9:60). U kunt niet de hoogste graad van deugdzaamheid bereiken tenzij u voor de behartiging van het welzijn van uw medeschepselen dat deel van uw rijkdom besteedt dat u dierbaar is (3:93). Geeft aan de armen wat hun toekomt en ook aan de behoeftigen en de reiziger, maar behoedt u voor verkwisting (17:27). Dit is een aanwijzing om mensen ervan te weerhouden onnodig te besteden aan huwelijken, luxe en bij de gelegenheid van de geboorte van een kind enz. Weest weldadig voor ouders en verwanten en wezen en de behoeftigen en de buur die een verwant is en de buur die geen verwant is en de reiziger en uw bedienden en uw paarden en uw vee en de andere dieren die u bezit. Dit is wat God liefheeft. Hij heeft degenen niet lief die achteloos en zelfzuchtig zijn en degenen die vrekkig zijn en andere mensen aansporen vrekkig te zijn en die hun rijkdom bewaren en hen die behoeftig zijn vertellen dat zij niets hebben dat zij hun kunnen geven. (14:37-38).

Terug naar INHOUD

Ware moed

Een van de natuurlijke toestanden van de mens is die welke op moed lijkt, zoals een klein kind soms zijn hand in het vuur tracht te steken door zijn natuurlijke toestand van onbevreesdheid. In die toestand biedt een mens zonder vrees weerstand aan tijgers en andere wilde beesten en komt alleen naar voren om een groot aantal mensen te bevechten. Zo iemand wordt als erg dapper beschouwd. Maar dit is slechts een natuurlijke toestand die we zelfs vinden in wilde beesten en in honden. Ware moed, die een van de hoogstaande morele eigenschappen is. wordt bepaald door plaats en gelegenheid welke als volgt worden genoemd in het Heilige Woord van God: (42)
Zij die standvastig zijn in tegenspoed en smart en in de strijd (2:17-81),
hun standvastigheid heeft als doel de gunst van Allah en niet het tonen van dapperheid (13:23). Zij worden ermee bedreigd dat de mensen zich hebben verzameld om hen te vervolgen en zij zouden bang voor hen moeten zijn, maar het vermeerdert slechts hun geloof en zij zeggen: Allah is voor ons voldoende (3:174). Hun moed en dapperheid zijn dus niet zoals die van honden en wilde dieren, die voortkomen uit natuurlijke hartstochten en slechts eenzijdig zijn. Hun moed heeft twee aspecten. Soms strijden zij uit persoonlijke moed tegen de hartstochten van henzelf en overwinnen deze en soms, als zij van mening zijn dat het gepast is om tegen een vijand te vechten, komen zij naar voren om hem te ontmoeten, niet door enige aandrang die in henzelf is opgewekt, maar ter ondersteuning van de waarheid. Zij zijn niet van zichzelf afhankelijk, maar vertrouwen op God en gedragen zich moedig. Zij komen niet onbeschaamd uit hun huizen tevoorschijn om door de mensen te worden gezien. Hun enige doel is het winnen van het welbehagen van God (8:48). Deze verzen illustreren dat ware moed is afgeleid van standvastigheid. Standvastig zijn tegen iedere persoonlijke hartstocht of tegen welke rampspoed ook die aanvalt als een vijand en niet uit lafheid weglopen, is ware moed. Er is dus een groot verschil tussen menselijke moed en de moed van een wild beest. Een wild beest wordt alleen in één richting bewogen als het wordt aangespoord, maar een mens die ware moed bezit verkiest òf confrontatie, òf verkiest het zich niet te verzetten, naar gelang de gelegenheid dit vraagt.

Terug naar INHOUD

Waarheidslievendheid

Een van de natuurlijke eigenschappen van de mens is waarheidslievendheid. Normaliter wil iemand tenzij hij wordt bewogen door een zelfzuchtig motief, geen leugen vertellen. Hij heeft een afkeer van valsheid en is er afkerig van hiertoe zijn toevlucht te nemen. Hij is ontevreden over iemand van wie is bewezen dat hij een leugen heeft verteld en ziet op hem neer. Maar deze natuurlijke neiging kan niet worden gerekend tot de morele eigenschappen. Zelfs kinderen en krankzinnigen (43) tonen deze neiging. Tenzij iemand die doelen die hem van het vertellen van de waarheid wegvoeren, verwerpt, kan hij niet als waarheidslievend worden beschouwd. Als iemand de waarheid vertelt waar geen persoonlijk belang in het geding is en klaar staat zijn toevlucht te nemen tot onwaarheid waar het zijn eer, bezit of leven betreft en nalaat de waarheid te vertellen, is hij niet beter dan een kind of iemand die krankzinnig is. Spreken niet geesteszieken en kinderen dit soort waarheid. Er is nauwelijks iemand in de wereld die zonder enig doel een leugen zou vertellen. De waarheid die zou kunnen worden verlaten om aan enig dreigend verlies te ontsnappen, is geen morele eigenschap. De juiste gelegenheid voor het spreken van de waarheid is als men verlies van leven, bezit of eer vreest. In dit verband is de goddelijke leer:
Vermijd de gruwel van afgoden en vermijd alle woorden van onwaarheid (22:3l).
Dit toont aan dat onwaarheid ook een afgod is en hij die erop vertrouwt, houdt op om op God te vertrouwen. Door dus een leugen te uiten verliest men God. Als u wordt geroepen om van de waarheid te getuigen, doe dit dan zeker (2:283), en verbergt geen waar getuigenis, hij die dit verbergt heeft een zondig hart (2:284). Als u spreekt, zeg de (44) waarheid en houd de schalen in evenwicht, al is de betrokkene een verwant van u (6:153). Weest strikt in het in acht nemen van rechtvaardigheid en leg alleen getuigenis af voor de zaak van Allah, zelfs als dit u of uw ouders, verwanten of zonen, enz. verlies zou kunnen veroorzaken (4:136). Laat niet de vijandigheid van een volk jegens u, u aansporen tot onrechtvaardigheid of onwaarheid (5:9). Waarheidslievende mannen en waarheidslievende vrouwen zullen bij Allah een grote beloning hebben (33.36). Zij sporen elkaar aan om aan de waarheid vast te houden (10:4). Zij die niet in het gezelschap van de onwaarachtigen verkeren (25:73).

Terug naar INHOUD

Standvastigheid

Een van de natuurlijke eigenschappen van de mens is standvastigheid gedurende ziekte en smart, waartoe hij zijn toevlucht neemt na veel klagen en treuren. Het is natuurlijk dat iemand gedurende smart schreeuwt en zucht en zich tenslotte, na aan zijn smart uiting te hebben gegeven, terugtrekt. Deze beide toestanden zijn natuurlijk, maar vormen in geen enkel opzicht deel van een morele eigenschap. In dit verband is de toepasselijke morele eigenschap dat als men een verlies lijdt men dit moet beschouwen alsof men dat aan God teruggeeft, wat Hij heeft geschonken en men moet hierover geen klacht uiten. Men moet bevestigen dat het een gave van God was die Hij heeft teruggenomen en dat men is verzoend met Gods welbehagen. In dit verband vermaant de Heilige Qor'aan ons:
Wij zullen u zeker beproeven met iets van vrees, honger, verlies van rijkdom, levens, de vruchten van uw arbeid en soms zullen uw geliefde kinderen sterven. Geef dan blijde tijdingen aan de standvastigen, die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt, niet de moed verliezen, maar bevestigen: Wij behoren tot God en wij zijn Zijn dienaren en tot Hem (45) zullen wij terugkeren. Dit zijn degenen op wie de zegeningen en de barmhartigheid van hun Heer rusten en dit zijn degenen die de rechte weg volgen (2:156-157). Deze morele eigenschap wordt standvastigheid of verzoening met de Goddelijke wil genoemd. Vanuit één gezichtspunt zou deze billijkheid of rechtvaardigheid kunnen worden genoemd. De Almachtige God manifesteert duizenden zaken in overeenstemming met de wensen van iemand en schenkt hem talloze gaven, zodat het zijnerzijds bij zulke gelegenheden als God hem roept om zich aan Zijn wil te onderwerpen, onbillijk zou zijn dat hij zich zou afwenden, en niet blij zou zijn met de wil van God en kritiek zou hebben of het geloof zou verliezen of op het verkeerde pad zou geraken.

Terug naar INHOUD

Sympathie voor de mensheid

Tot de aangeboren eigenschappen van de mens behoort zijn sympathie voor de medeschepselen. De volgelingen van iedere godsdienst hebben een aangeboren sympathie voor hun eigen volk en velen van hen handelen onder de aandrang van zulke sympathie onrechtvaardig jegens andere mensen alsof zij hen niet als menselijke wezens beschouwen. Deze toestand kan niet worden omschreven als een morele eigenschap. Dit is een natuurlijke aandrang die zelfs door vogels wordt getoond. Als bijvoorbeeld één kraai sterft komen honderden kraaien tezamen. Deze eigenschap zou tot een hoogstaande morele eigenschap worden gerekend als zij op een juiste en onpartijdige wijze bij de juiste gelegenheid wordt beoefend. De eigenschap die zowel in het Arabisch, als in het Perzisch sympathie wordt genoemd, zou een prachtige morele eigenschap zijn. Hiernaar wordt door Allah, de Verhevene, verwezen in de Heilige Oor'aan. De Almachtige God heeft in de Heilige Qor'aan bevolen: (46)
Staat elkander bij in vroomheid en rechtschapenheid en staat elkander niet bij in zonde en overtreding (5:3). Verslapt niet in het dienen van uw medeschepselen (4:105). Strijdt niet namens hen die als verraders zijn (4:106). Pleit niet namens hen die in hun ongeloof volharden. Allah bemint hen die verraderlijk zijn niet (4:108).

Terug naar INHOUD

Het zoeken naar een Verheven Wezen

Een van de natuurlijke toestanden van de mens is zijn zoeken naar een Verheven Wezen tot Wie hij een inherente aantrekkingskracht heeft. Dit wordt bij een kind gemanifesteerd vanaf het moment van zijn geboorte. Zodra het is geboren toont het een geestelijk kenmerk dat het zich tot zijn moeder neigt en door liefde tot haar wordt geïnspireerd. Naarmate zijn vermogens worden ontwikkeld en zijn natuur zich openlijk begint te ontplooien, wordt deze inherente eigenschap steeds sterker getoond. Het vindt nergens gemak behalve in de schoot van zijn moeder. Als het van haar wordt gescheiden en zich op een afstand van haar bevindt. wordt zijn leven bitter. Vele giften slagen er niet in het van zijn moeder, op wie al zijn vreugde is geconcentreerd, weg te lokken. Zonder haar kent het geen vreugde. Wat is dan de aard van de aantrekkingskracht die het kind zo sterk voelt tot zijn moeder? Het is de aantrekkingskracht die de ware Schepper in de natuur van de mens heeft gelegd. Dezelfde aantrekkingskracht speelt een rol als iemand liefde heeft voor een ander. Dit is een weerspiegeling van de aantrekkingskracht tot God die onafscheidelijk is verbonden met de natuur van de mens, alsof hij op zoek is naar iets dat hij mist en waarvan hij de naam heeft vergeten en dat hij in (Hier noemt Hazur twee categorieën van verzen. Tot de eerste categorie behoren die verzen die mededogen voor de schepping van God behandelen en de idee van samenwerking bij het doen van goede daden. Bij de tweede categorie is het onderwerp van bespreking de bestraffing van de overtreder als de situatie dit vraagt. De boodschap die hier wordt overgebracht, is, dat sympathie voor het mensdom niet betekent dat de misdadiger alleen wordt gestraft voor zijn overtredingen, om aldus de rest van de samenleving te beveiligen tegen zijn overtredingen. In feite is zijn bestraffing een aspect van sympathie voor de mensheid. (De uitgevers)) (47) het een of andere voorwerp dat hij van tijd tot tijd optilt, tracht te vinden. De liefde van iemand voor rijkdom of nakomelingen of zijn echtgenote of de aantrekkingskracht van zijn ziel tot een vrouwelijke stem, zijn alle aanwijzingen voor zijn zoeken naar de Ware Geliefde.
Een mens kan het niet waarneembare Wezen dat zoals de eigenschap van vuur latent in iedereen aanwezig is, maar is verborgen, niet met zijn fysieke ogen zien, noch kan hij Het door het louter beoefenen van de onvolmaakte rede ontdekken. Hij is in zijn zoeken smartelijk misleid en heeft Zijn positie ten onrechte aan anderen toegekend. De Heilige Qor'aan heeft in dit verband een uitstekende illustratie gegeven, namelijk dat de wereld als een paleis is waarvan de vloer is geplaveid met gladde platte stenen van glas en waaronder een snelle stroom water vloeit. leder oog dat deze vloer ziet stelt zich ten onrechte voor dat het stromend water is. Men zou vrezen op de vloer te lopen uit angst op stromend water te lopen, hoewel in werkelijkheid de vloer slechts is geplaveid met gladde transparante platte stenen van glas. Zo zijn die hemellichamen als de zon en de maan, enz