Jozef Rulof, Een blik in het hiernamaals Deel II
De Eeuw van Christus, den Haag 6e druk 1982 ISBN 90.70554.08.9
(opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Hoofdstuk I

Op uw aarde heeft men tot nu toe nog geen gebruik van deze zo nuttige krachten weten te maken. De tijd zal evenwel komen, dat de wetenschap zich tot de natuur zal wenden, om aan haar al deze genezende krachten te onttrekken. Er zijn nog zoveel krachten in de kosmos verborgen, welke, zoals ik je reeds eerder vertelde, de mens gegeven zullen worden, wanneer de wetenschap zich eenmaal tot het eeuwige rijk van de geesten zal willen wenden. Het kosmische bewustzijn moet ontwaken, maar om het kosmische reservoir te kunnen openen, moet men eerst kunnen aanvoelen en begrijpen. Dan pas zal men in staat zijn, het zieke lichaam door kosmische stralen - deze gezegende krachten - te voeden. Dan eerst, wanneer de aardse geleerden zich deemoedig buigen, zullen intelligenties uit de hogere gebieden hen inspireren en de verbinding tot stand brengen. (212)

De fysicus zet aan onze zijde zijn studiën voort, in de geest zowel als in de stof. Onze geleerden komen naar de aarde, om haar bewoners met de geestelijke wetten in verbinding te brengen en wanneer dezen geestelijk zouden kunnen zien, dan zouden zij er versteld over staan, dat de geest - de mens van de sferen - zijn onderzoekingen in de stof voortzet, om hen te brengen op een hogere weg, de weg naar de volmaking, de weg naar God. Daarom moet de mens leren aanvoelen en begrijpen wat het leven des geestes is; de geest zal hem dan doen leven, zoals het leven van allen geleefd moet worden, omdat alle leven uit God is. Het leven is die Wetenschap, welke onuitputtelijk is en dit immer zal blijven. Weet, mijn jongen, dat alle wetenschap leven is en in al haar vormen Liefde betekent. En alle leven zal in harmonie moeten worden beleefd, ... (212)

"... in de geest zijn kosmische disharmonieën onmogelijk, daar God Liefde is en Zijn Schepping volmaakt."
Psychische (geestelijke) krachten zijn het, die eeuwig bezit zijn en eeuwig geluk betekenen, terwijl fysische slechts een tijdelijk bestaan hebben.
Het is een heel, heel heilige taak, die op je schouders is gelegd. Daarom moet je deemoedig zijn en stil en de Heilige Geest in je laten werken. Jouw taak is die van de geest. Daarom willen wij je duidelijk maken, wat het schoonste en het heiligste is in je gaven. (213)

Fysische media zijn er dus genoeg te vinden, maar psychische slechts een op duizenden. Wij van onze zijde zoeken steeds naar zulke instrumenten, die bereid zijn ons te dienen, om de mensheid geestelijk te helpen; want alleen dan zullen de aarde en haar bewoners gelukkig kunnen worden, wanneer de laatsten geestelijk stijgen, wat alleen door psychische kracht mogelijk is. Daarom willen wij jouw gaven ontwikkelen voor al het geestelijke, je liefde doen groeien, je gevoel verbinden met alles, wat leeft. Door het experiment van gisterenavond is je duidelijk geworden, dat wij de mensen niet kunnen helpen, wanneer zij niet geholpen willen worden en dat zij - ondanks de grootste wonderen - toch ongelovige Thomassen blijven. (214)

Ons werk zal dus zijn: die mensenkinderen te helpen, die geholpen willen worden. Deze zullen dan voedsel ontvangen voor hun ziel, hun eeuwig lichaam. (215)

Is hij er zich wel volkomen van bewust, dat hij reeds in het nu zijn eeuwigheidsleven moet leven? Dat hij afstand moet doen van alles, wat de aarde toebehoort?
In de geest worden geen halve dingen gedaan. Of alles, of niets; dit had hij in de loop van de jaren wel geleerd. Hij moest of er naar streven een goed ontwikkeld medium te zijn, of hij zou zijn mediumschap verliezen, daar dit een gave Gods is en de Allerhoogste niet met zich laat spotten. (220)

God gaf mij het denkende intellect (denken) en legde in mij wijsheid (denken) en kracht (willen). Hij gaf ons echter één leven en één liefde (voelen). Daarom maakte God ons een. Door het leven en in liefde zijn wij eeuwig verbonden. (M.a.w., door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in jezelf als geest te ervaren, ervaar je onmiddellijk een goddelijke algeestvonk te zijn.)
Zo leven wij in liefde voor God; in rust, in vrede, in geluk en in harmonie door God, omdat wij één leven in ons dragen.
Zouden de mensen op aarde, waar ik eens leefde en waar ik nu weer werk te verrichten heb, kunnen begrijpen, dat wij één zijn? Of zouden zij denken, dat wij dwazen zijn? Wanneer zij maar een weinigje van het geluk kenden, dat wij bezitten, dat wij in ons dragen, dan zouden zij reeds gelukkig zijn en dan zou er vrede heersen op aarde.
Wisten zij maar dat liefde kracht is en leven betekent; dat liefde zeeën kan doen opdrogen. Maar alleen, wanneer zij van goddelijke oorsprong is. Voelden zij maar wat universele liefde is, dan zouden zij, zoals wij, anderen kunnen helpen en steunen.
Wij zullen hen echter helpen Gods heilige kracht te gebruiken, om anderen te doen ontwaken, die het leven nog niet aanvoelen (onbewust zijn van zichzelf), niet weten te beleven, nog niet in leven zijn. Wij zullen hen leren vertrouwen te hebben in Gods heilige kracht. Wij zullen hun vertrouwen in alles versterken.
Konden de mensen op aarde maar meer vertrouwen hebben, dan zouden zij sterk staan in hun strijd.
Gij, hebt vertrouwen; daarom is het leven aan u, is uw leven gevoel geworden, uw gevoel liefde en uw liefde uw leven. Wisten de mensen op aarde maar, dat - door zelfvertrouwen - zij wonderen tot stand zouden kunnen brengen; dat - door zelfvertrouwen - hun liefde zou groeien, bloeien en schoon zijn.
Zèlfvertrouwen is de kracht in aller leven. Zelfvertrouwen is die heilige kracht, welke God leven noemt. Het zelfvertrouwen verbindt de mens met God.
Waarom twijfelt de mens aan een eeuwig leven? Omdat hij zijn eeuwige leven niet voelt, niet begrijpt; omdat hij er zich niet van bewust is (m.a.w. 'voelen' kan de betekenis 'bewust zijn' hebben). (224) Het is nog zijn onbewust bezit. Daarom noemen wij hem een levende dode.
Hij wordt boos wanneer men hem de waarheid vertelt, de waarheid voorhoudt. O, ik zou u zoveel over de aardse mensen kunnen vertellen, maar ik wil uw rust niet verstoren.
De mens op aarde kent onze rust niet, omdat hij in disharmonie leeft en geen harmonie voelt, omdat zijn leven disharmonisch is, omdat hij in disharmonie is met zijn hemelse Vader.
Hoeveel schoons zouden wij hem niet van ons kunnen vertellen! Maar dat zou hij te zoetelijk, te onaards vinden. Zo is zijn geestelijk gevoel (geestelijk bewustzijn) verstoffelijkt.
Wanneer wij hem door onze instrumenten willen onderrichten en deze vragen, dit zó te doen, als wij het zien en voelen, omdat wij leven en wakker zijn, dan denkt hij, dat de media onze slaven zijn geworden. Dit denken voornamelijk degenen, die menen, dat zij iets van geestelijke afstemming afweten. Wanneer zij maar meer vertrouwen in ons hadden, dan zouden wij hen op hun fouten kunnen wijzen, hen op de goede weg brengen en hen verbinden met ons leven, dat eeuwig leven is. Hoeveel zouden wij hen dan kunnen geven! Maar zelfs degenen, die geestelijk zien, die de gave van licht in zich dragen, hebben geen zelfvertrouwen genoeg. Zij wankelen ook nog en zijn aan beïnvloeding onderhevig.
Op aarde zal ik het onbegrijpelijke begrijpelijk maken en de menselijke geest ontwikkelen. Zo wil ik de mensen leiden en hun gevoel op God afstemmen. Dan zal al hun angst en twijfel in zelfvertrouwen veranderen. Leef, leef. Laat het leven, dat in u is, leven. Laat het steeds uw eeuwig geluk, uw eeuwige leven blijven." (225)

"Alleen dàn zul je mij zó zien, wanneer je volkomen op mij zult zijn afgestemd en, zoals nu, in grote, menselijke liefde tot mij komt. Liefde, welke je mij door je angst gaf, omdat je angst liefde was, welke op deze sfeer is afgestemd. Dit bewijs van je liefde voor mij deed mij besluiten, om nu - en voorgoed - een einde te maken aan het gebrek aan vertrouwen dat in je was. Ik kende dit wantrouwen, mijn jongen, en daarom hield ik je buiten alles en was je alleen mijn werktuig. Je zou daar echter niets door hebben geleerd, maar - door je diepe gevoel - heeft jouw liefde zich afgestemd op de mijne. Zo werden wij één en mocht ik je verbinden met die liefde, met die sfeer, waar je rust voelde, welke harmonie in alles brengt, wat geestelijk leven betekent. Ik wilde gedurende Doortjes (een patiëntje) ziekte je zelfvertrouwen sterker maken, om je te tonen dat alleen liefde zelfvertrouwen is. Je zult nu niet meer buiten de waarheid worden gehouden, want ik weet nu, dat alles je heilig is, dat je liefde zal groeien en bloeien en dat wij wonderen zullen verrichten in de naam van de Vader, omdat Hij het Leven van alle leven is. Alles zal je nu duidelijk zijn geworden. Wees er echter steeds voor op je hoede, dat je geen speelbal wordt van je gevoel en vooral ook, dat je niet meent, het beter te weten dan wij, want dat zou eigenwaan betekenen, waarvoor wij je nooit genoeg kunnen waarschuwen. Laat je niet meer verkeerd beïnvloeden; denk daaraan. Ongeloof is het gif, waarmee het mensdom besmet is. Ziehier nu een ander beeld."
André zag Doortje voor zich en hij kon het wel uitschreeuwen van geluk, want het kind leefde. Hij had zich dus nodeloos ongerust gemaakt, omdat hij niet genoeg op Alcar had vertrouwd.
"Voel je nu", vroeg deze, "waarom Jacques en Nel niets mogen weten? Wanneer zij op de hoogte waren van de ernst van de ziekte van hun kindje, dan zouden zij het ons ontnemen, om het in hun angst aan een aardse medicus toe te vertrouwen. In onze handen is het echter veilig en door twee magnetische behandelingen hebben wij het kleine ding van een hersenvliesontsteking mogen redden."
André schrok niet meer van deze mededeling, want zijn vertrouwen op Alcar kon nu niet meer aan het wankelen gebracht worden.
"Alle kwade stoffen zullen nu het lichaampje verlaten; dit zul je weldra bemerken. Ik waak, André. Vertrouw, vertrouw, vertrouw.
En nu nog dit. Acht je niet te hoog, maar vooral ook niet te laag, want hoe zou je je dan van je eigen kracht bewust kunnen zijn en anderen overtuigen van ons weten?
En toon ook dat er liefde van je uitgaat, want liefde doet wonderen. (226)

Al mijn vrienden zijn nu ook reeds lang aan onze zijde en zij helpen en steunen mij bij deze taak. Op uw aarde droegen zij klinkende namen, welke daar nog steeds voortleven en waarop men zich blind staart, terwijl ze voor hen geen waarde meer hebben, omdat wij geleerd hebben dat het alleen de geest is, die waarde aan het leven geeft.
Wanneer men kon aanvaarden, dat wij achter de sluier (de onbewustheid van de geest van zichzelf) met grote liefde voor de mensen werken en trachten hen met alles te helpen, dan zou men ons onze taak zoveel lichter kunnen maken en naar onze wensen handelen, maar daar men meent dat dood dood is, wil men met het leven niets te maken hebben. Daarom zijn wij - ik en zo vele anderen - naar de aarde teruggekomen om de mensheid wakker te schudden en haar ervan te overtuigen dat wij leven, omdat God, die Liefde is, ons en haar een eeuwig leven heeft geschonken, dat - door steeds te evolueren - eenmaal volmaakt zal worden, gelijk de Vader in de Hemelen volmaakt is. Zo heb ik dus een jong leven mogen redden; ik, de ontlichaamde mens met mijn ontwikkeld denkend intellect, terwijl niemand op aarde wist aan welke gevaarlijke ziekte het leed en niemand dus tijdig en afdoende had kunnen ingrijpen, zodat men slechts stof, alleen stof zou hebben overgehouden. (228)

Het (leven) is niet te vernietigen, omdat het Leven God is en Hij Zijn eigen Leven niet vernietigen zal. Wanneer echter het ogenblik daar is, waarop God hem roept en de z.g. dood intreedt, dan moet de mens slechts zijn stofkleed afleggen, zoals hij zo vaak een al of niet versleten kledingstuk aflegt. Dan werpt de geest zijn kluisters af, om naar onbekende gebieden te kunnen opstijgen, steeds hoger, al maar hoger.
Wij, die ons stofkleed reeds zo lang geleden hebben afgelegd, komen tot de mensen om hen dit te vertellen, omdat wij weten dat wij steeds evolueren zullen, om steeds weer hogere bestaansvormen aan te nemen, totdat wij te fijn besnaard, te hoog afgestemd zullen zijn, om ons nog met de aardbewoners te kunnen verbinden.
Tenslotte toonde ik nog aan, dat het magnetisme de gezegende kracht is, welke de mens zal helpen zijn zieken te genezen, omdat het een zuivere, natuurlijke geneeskracht is en alles, wat natuurlijk is en zuiver, de weg bewandelt welke naar het Hogere voert.
Ik, die zo lang geleden op uw aarde leefde, redde een jong leven, omdat dit Gods wil was. Dit zal mij dus alleen maar mogelijk zijn, wanneer mijn kracht niet tegen Gods kracht indruist.
Wij die de Geest veel intenser aanvoelen dan de mens, wij weten wat wij kunnen en mogen doen in afstemming op God.
De mens is geestelijk nog in een diepe slaap verzonken (door onbewuste vereenzelviging met de stof), waaruit hij eerst dàn volkomen wakker geschud zal worden, wanneer hij tot de onzen zal behoren.
Doortje werd door ons gered. Levert dit de mensen niet het bewijs, dat wij tot hen terugkeerden, om in hun midden ons werk te doen? (nee, want 'De mens is geestelijk nog in een diepe slaap verzonken') God schonk ons de genade tot hen te mogen terugkeren. Omdat wij het licht bezitten, zien wij in hun duisternis en zal ons licht hun duisternis verlichten. Mens van de aarde, aanvaard het licht, omdat dit Licht God is (uit God, de geest, voortkomt). Wij binden u de reddingsgordel des geestes om. Weet dat geen stormen op de levenszee u vernietigen kunnen. Drijvende zult u blijven, omdat het eeuwige Leven u drijvende houdt.
In u ligt de heilige Godsvonk (de menselijke geest ìs de heilige godsvonk), de reddende kracht, waardoor u op Hem bent afgestemd. (229)

... zij werken door en voor ons met hun magnetische, d.w.z. levenskracht, een natuurlijk, menselijk tonicum. (233)

Magnetisme is levensfluïde en leven betekent gevoel. (238)

Er zullen zieken bij je komen ... die jouw levensfluïde niet kunnen opnemen. (239)

Door de psychische toestand van de knaap van geestelijk voedsel te voorzien, moest zijn onderbewuste kracht naar boven komen en bewust worden. En door deze plotselinge bewustwording verloor hij zijn evenwicht. Reeds eerder heb ik je duidelijk gemaakt, hoe dit mogelijk is. Onze medicijn moest geestelijk zijn, opdat zijn gevoel ontwikkeld zou worden. Door jouw levenskrachten mochten wij dit resultaat bereiken. Door het toedienen van aardse geneesmiddelen zou dit niet mogelijk geweest zijn, daar deze in verschillende gevallen wel de stof kunnen genezen, maar nooit de geest. Je geeft dus van je eigen levenskracht - je geestelijke goud - aan anderen, mijn jongen, wat je zou kunnen vergelijken met bloedtransfusie. Indien mensen zouden kunnen beseffen dat je hen je geestelijk bloed geeft, zouden zij niet zo luchtig over dit alles denken. Wees er zuinig op, want het is kostbaar en moet naar waarde worden geschat, hoewel elk verlies aan levenskracht uit het kosmische reservoir wordt aangevuld, al naar mate de kracht van de liefde, welke in je is. Je kunt dus geven zoveel je maar wilt, daar je, wanneer je liefde zuiver is, nooit uitgeput zult geraken, want de liefde is onuitputtelijk doordat zij uit God is. Wie dus zijn liefdegevoel ontwikkelt, ontwikkelt ook zijn levensfluïde. (239)

Het was Gods wil; anders zou het ons niet mogelijk geweest zijn deze wonderbare genezing tot stand te brengen. Wij hebben je eerst in een visioen laten beleven, hoe geweldig deze krachten zijn, deze kosmische stralen - Gods eigen uitstraling, welke Zijn ganse Schepping doordringen en zonder welke niets zou kunnen bestaan, geen leven mogelijk zou zijn.
De mensen op aarde kennen de werking van de kosmische stralen nog niet, omdat zij de oorsprong daarvan nog niet kunnen begrijpen noch de betekenis benaderen. (246)


HOOFDSTUK VI

Hemel en Hel (Uittreding)

André wist nu, dat het grote proces een aanvang ging nemen. Hij was zich bewust van alles, wat er om hem heen gebeurde. Duidelijk zag hij in zijn kamer een blauwe waas hangen, dat al dichter en dichter werd. Het zweefde boven zijn hoofd en bleef daar hangen.
In zijn voeten voelde hij iets eigenaardigs, waardoor hij begreep dat Alcar hem van zijn stoflichaam ging bevrijden. Eerst was het prikkelend en daarna kreeg hij een gewaarwording of er uit zijn lichaam iets verwijderd werd. Hij voelde langzaam iets in zich opkomen en omhoog trekken; daarna ging zijn hart sneller kloppen en de bloedsomloop versnelde zich. Het was nu zo heel anders dan bij zijn laatste uittreding. Toen zijn geesteslichaam tot boven de knieën was opgeschoven, zonk hij in een bewusteloze toestand en wist niets van hetgeen er met hem gebeurde. Hij ontwaakte naast zijn stoflichaam. (247)

André voelde dat hij in zijn vorige toestand terugkeerde. Hij hoorde zijn hart duidelijk kloppen en alle stoffelijke voorwerpen werden zichtbaar voor hem. Ook kon hij zijn geestelijke waarnemingen van de stoffelijke onderscheiden.

Nu, mijn zoon, keer ik terug tot de gevoelskracht van het wezen, dat ik je wilde verduidelijken. Zij, die op aarde heengaan, voor hen houden deze krachten op te bestaan, omdat het fluïdekoord bij hun overgang breekt. Allen zullen deze gevoelstoestanden overschrijden, maar zijn zich van alles onbewust. Voor de een zal het strijd betekenen, voor de ander niets dan liefde en geluk. Alles voltrekt zich naar hun innerlijke afstemming. Begrijp je nu alles?
Het levenskoord verbindt beide lichamen en houdt de geest in myriaden draden omwikkeld. Het is een zacht fluïdum, waarin het geesteslichaam leeft. Het is alleen door ons waar te nemen. Het is te ontwikkelen door het gevoel in de geest af te stemmen. Dus hoe hoger de mens verbinding heeft, hoe mooier en gemakkelijker zal ook het overgaan voor hem zijn. Alles is dus eenvoudig. Anderen echter, die zich in het leven op aarde hebben vergeten, komen bewusteloos hier aan. Lang duurt het voor zij ontwaken. Hun gevoelsafstemming (bewustzijnstoestand) is op de donkere sferen gericht en daardoor zal hun overgang een schok veroorzaken. Over al deze toestanden zou ik veel kunnen vertellen, omdat de mens op de Kosmos afstemming heeft, maar men moet kosmisch georiënteerd zijn, wil men zich kunnen verbinden. Ik zal nu mijn concentratie weer instellen, waardoor je in een hogere toestand zult komen.

Er zal dan geen doodsangst meer zijn, daar hij de mensen kon vertellen dat het sterven niets anders is dan het afleggen van het stofkleed dat hen al die jaren heeft gediend.

Dit komt, mijn zoon, omdat de scheiding van geestes- en stoflichaam een aanvang heeft genomen. Zo lang de mens in zijn stofkleed leeft, voelt hij aan op de plaats die wij het levenscentrum noemen: de zonnevlecht. Nu echter heeft het geesteslichaam dit punt overschreden. Het versneld kloppende hart, op verre afstand te horen, is het gevolg daarvan, dat het geesteslichaam het bewustwakende levenscentrum is overschreden. En vanaf dit ogenblik gaat de gevoelskracht over in de geest. Is je dat duidelijk?"
André begreep alles, omdat hij voelde, hoorde en zag.
Alcar vervolgde: "Alleen zij kunnen op deze wijze uittreden, die de nodige sensitiviteit ervoor bezitten. Dan is er nog afstemming nodig op de geestelijke toestanden. Dit alles zal het uittreden vergemakkelijken en bespoedigen." (248)

"Je zult hebben opgemerkt, dat het gevoel (het zich bewust zijn) het essentiële in de mens als wezen is. Het gevoel is leven en het leven is liefde, waardoor de mens één kan zijn met God en daardoor goddelijk is. Van dit ogenblik af, mijn zoon, zie om je heen, gaat je gevoel (het zich bewust zijn) over in de geest. Je zult nu alleen kunnen waarnemen door de kracht en de uitstraling van de liefde, omdat liefde licht is aan deze zijde. Liefde is dus gevoel en daardoor zal de mens licht en geluk bezitten, zoals hij innerlijk voelt en afstemming heeft. Nu zweef je tussen twee werelden; je geesteslichaam is nog met de stof verbonden, maar voelt en leeft reeds in de geest. Daardoor hoor je nog op verre afstand je hart kloppen, dat zijn slagen als een echo in de geest laat horen. Dit is een machtig gebeuren, André, dat maar weinigen die nog op aarde zijn, beleven. Tracht nu te zien, dan zul je waarnemen, dat de stof in een dicht waas gehuld ligt. Alles is anders dan wanneer je het in normale toestand ziet. Dat komt doordat je zintuigen bij het stoflichaam behoren, wat echter in de geest geen belemmering zal zijn. Aan deze zijde bevat het gevoel (het zich bewust zijn) alle zintuigen! Het gehoor, het gezicht, de reuk, de smaak, kortom in het leven van de geest is alles één en dat éne is het gevoel (het zich bewust zijn). Het gevoelslichaam is daarom het essentiële. Dat dient de mens te ontwikkelen om in een hogere bestaanstoestand (bewustzijnstoestand) te kunnen overgaan.
Alle stof ligt nu in een grijs waas gehuld. Dit zul je het beste kunnen waarnemen, wanneer je de muren, de schilderijen en alle andere voorwerpen bekijkt. Zij (stoffelijke voorwerpen) zijn van een grove geestelijke substantie, waar je nog niet doorheen kunt zien, omdat je bewustwordingsgevoel (bewustzijnstoestand) half geestelijk, half stoffelijk is. Het veranderen van alle stof komt dus, doordat je tussen twee werelden zweeft, waardoor de stof zich in een halfbewuste levenstoestand bevindt en je waarnemingskracht in de stof is verzwakt. Door mijn concentratie en mee door je eigen kracht en afstemming is het mij gelukt, je op deze hoogte te houden. Wij zullen nu het ontwakingspunt in de geest overschrijden. Let goed op, André, je komt nu weer in een andere toestand."
André kreeg het gevoel dat zijn geesteslichaam hoger werd geschoven, maar ook dat er iets was, dat het hoger gaan belette. Duidelijk voelde hij dat en vond het zeer merkwaardig.
"Wat je nu voelt, mijn zoon, is de tegenwerkende kracht voor dit gebeuren. Het is de aantrekkingskracht van je stoflichaam, hetgeen veroorzaakt wordt door het fluïdekoord, dat beide lichamen verbindt. Het is ook duidelijk, dat je gevoel (bewustzijnstoestand) meer stoffelijk is dan geestelijk en bovendien is er de moeilijkheid, dat je nog op aarde leeft. Dit zijn factoren die tegenwerken, om als aards mens dit overgangspunt, dus van de stof in de geest, te kunnen overschrijden. (249)

Je neemt waar naar de liefdekracht die in je is, omdat liefde, zoals je weet, licht is aan deze zijde. Voor hen zal alles duisternis zijn, die geen liefde in de geest voelen. (250)

Wat je voelt, André, is je verbinding in de geest. Je eeuwigheidsgevoel is ontwaakt en bewust geworden. (251)

Voor de mens, die stoffelijk voelt, zal het ongelooflijk zijn, maar de geest beweegt zich door de kracht van zijn gedachten (denken). Op aarde moet de mens eerst denken, voordat hij handelend kan optreden. Aan onze zijde handelen wij direct, wanneer wij onze concentratie (aandacht) instellen. Is je dat duidelijk?" (252)

"Wij kunnen stijgen en dalen naar believen. Wij bezitten ons denken zoals wij dat op aarde eens hebben gehad. Wij hebben een lichaam dat schoner is dan de mens op aarde bezit, of kent. Wij kunnen ons verbinden met en afstemmen op alles, naar de krachten die in ons zijn, wat de liefde is. Met alles wat leeft, kunnen wij ons verbinden. Wij zijn leven en kunnen één zijn met het leven van allen, met God, omdat God leven is. Wij zouden de mensheid kunnen wijzen op mineralen, die zij niet eens kent, maar het meest nodig heeft. Ja, op onbekendheden in de stof, op alles, wat de aarde verborgen houdt. Wij zouden haar kunnen aantonen waardoor aardbevingen ontstaan, waardoor die storende werkingen zich manifesteren. Wij ontlichaamden kunnen alles."
"En dat alles is, naar dat wij afstemming vinden in de geest, naar de kracht van de liefde die in ons is. Niet hoger kunnen wij komen. Wij zullen wijsheid bezitten zoals ons gevoel is. Maar hoe zal een levende dode het leven op andere planeten begrijpen, wanneer hij zijn eigen leven voelt, noch kent? Niet wil aanvaarden, dat hij eeuwig leeft, noch voelt, noch hoort zijn duidelijke maar zachte innerlijke stem? Wat heeft het voor nut dat zij onbekende luchtlagen bevliegen, wanneer zij hun innerlijk leven vergeten? Hier kent en weet men tot hoever zij kunnen gaan. Hier weten zij, dat er gedeelten zijn waar het aardse leven ophoudt te bestaan, waar alles zal ineensmelten, wanneer zij toch die ruimte willen bevliegen. Hun zielige gevlieg is ons hier bekend. De mens moet handelen naar de krachten, die ìn hem zijn, wat voor de mens op aarde de bestaansmogelijkheid is.
Krachtige concentratie, mijn zoon, betekent verbinding aan deze zijde. Voordat wij aan onze tocht zullen beginnen, heb ik je nog iets mee te delen. In de eerste plaats, André, vraag mij zoveel je wilt. (253)

"Alles is Gods leiding, André. Aanvaard dus, dat zij op tijd overgaan. Maar ook hierin liggen toestanden die geen wetten Gods zijn. Velen komen te vroeg naar hier, zij worden door anderen overgestuurd."

"Wat ik je zal tonen, is al gebeurd en het toont je ook, dat wat de mens op aarde beleeft, blijft." (263)

Hij voelde de ontzaglijke kloof die de mens moest overbruggen. Diep was alles. Die kloof was hun verdriet, hun leed en smart, het was niets dan ellende; dat moest de mens overwinnen. Geen wezen zou er aan ontkomen. Het was het afstemmen op een hoger leven, hetgeen geluk betekende, wanneer zij eenmaal over zouden gaan. En uit dit alles was liefde, niets dan liefde te leren. Men moest liefde bezitten, anders verkeerde men in een diepe duisternis. Was dit niet moeilijk? Was het geen strijd? Geen ellende, geen leed en smart? Hij voelde hoe vreselijk het voor velen zou zijn, maar zij wilden niet vooruit, al zouden zij op aarde honderd jaren kunnen leven. Toch moest het, geen mens ontkwam er aan. Zacht moest de mens zijn, als de geestelijke wind, als het leven zelf.
Dit moest de mens op aarde leren.
Hier was liefde de macht, niets dan geluk, eeuwig, eeuwig geluk. Alcar leerde hem dat het alleen deze weg was, die de mens te volgen had. Liefde te leren geven, dat was de weg. Hoe eenvoudig was het en toch, hoe verschrikkelijk moeilijk. Vijanden moest men kunnen liefhebben (vergeven). Hij vond zichzelf nog nietig, o zo klein!
Alcar was (als) een vader voor hem. En in zijn hart dankte hij zijn leider voor al het schone, dat hij mocht beleven. (266)

Het moederschap
"Zij verkeert dus in een verhoogde geestelijke kracht door het wezen dat zij draagt. Hier kom ik straks op terug.
Het is de verhoogde gevoelskracht (geestkracht, bewustzijnstoestand), die in haar was al die tijd dat zij met haar kind was verbonden. Het was dus de gevoelskracht van het wezen, dat haar dit gevoel deed aanvoelen. Begrijp je wat ik bedoel? Het is het geluk, de grote geestelijke kracht van het wezen. Wanneer deze kracht die in haar ligt, in de geest afstemming vindt, komt de moeder in een verhoogde toestand waardoor zij helderziende kan zijn. De graad van helderziendheid is dus bereikt door haar eigen kracht en die van het wezen dat zij draagt. Deze verhoogde kracht die zij al die tijd heeft gevoeld, kan zij zich eigen maken, maar bij velen gaat deze kracht, de goddelijke gave, verloren. Dit komt doordat de moeder haar concentratie (aandacht) gericht houdt op het wezen, dat geboren wordt en zodoende in haar eigen afstemming terugkeert. De moeder die een geestelijke afstemming bezit, kan door de kracht van het kind in deze graad van helderziendheid verkeren, tijdens het dragen van het kind. (268)

De moeder is door dit gebeuren in staat gesteld haar liefde te ontwikkelen. En hier gaat het mij om. Meer nog dan om de helderziendheid. Het moederschap is het heiligste, dat God een vrouw op aarde kan schenken. Veel moeders voelen zich spoedig van dit één-zijn bevrijd en leven weer zoals haar leven vóór die tijd was. Alles is dan in een onbewuste toestand beleefd. Daarom zal er één moeder zijn onder duizenden, die dit grote en heilige gebeuren van het moederschap begrijpt.
Er zijn er die zich deze liefde eigen maken en deze voelen ook de grote betekenis van dit gebeuren en leven in overgave en aanvaarden wat God haar te dragen geeft. Alle anderen stemmen zich op het wezen af, op het bezit van haar kind. En wanneer haar dit bezit wordt ontnomen, horen en voelen wij haar smeekbeden en dan vinden zij God wreed, koud en hard. Zij begrijpen dan niet, dat alles is voor háár bestwil, om tot hoger inzicht te komen. (269)

De geestelijke kracht van het wezen dat zij draagt, brengt haar in deze verhoogde afstemming. Wanneer echter het kind wordt geboren, keert zij in haar eigen toestand terug. Het kind nu, dat het licht van de aarde niet heeft gezien en in de stof niet heeft geleefd, is een engel in de geest en heeft dus een andere, hogere afstemming dan de moeder." (270)

"Waar ook de mens zich bevindt, André, daar is geestelijke hulp. Daar zijn geestelijke wezens om hun geliefden te helpen, wat je duidelijk wordt, doordat ik je al deze toestanden laat beleven. Er is geen zieke of er zijn geestelijke wezens om hem heen, die zijn pijnen verzachten. Er zijn meer wezens van onze zijde op aarde dan stoffelijke wezens. Waar zich de mensen opsluiten, sluiten geestelijke wezens waarop zij zich hebben afgestemd, zich met hen op. Waar zich de mens bevindt, zijn geestelijke wezens, hetgeen ik je op andere tochten na deze zal aantonen, wanneer wij het leven aan deze zijde zullen beleven. Er wacht je dus nog veel meer; alles zal wijsheid in de geest zijn."(274)

"Wie zijn dat, Alcar?" Hij zag twee geesten, in een geestelijk gewaad gekleed.
"Zij brachten hem hierheen. Geestelijke helpers aan deze zijde." Zij zagen hem liefdevol aan, als begrepen zij waarvoor hij hier aanwezig was.
"Liefdegeesten, André, die in de sfeer van de aarde een taak volbrengen. Zij zullen anderen de ogen openen en hen leren, hoe hoger geluk te verkrijgen is."
"Weten zij wat ik hier doe, Alcar?"
"Ook dat weten zij, omdat zij je uitstraling zien en daardoor alles kunnen vaststellen. Dan nog dit: Deze geesten zijn uit de vierde sfeer, waar niets dan licht en geluk hun bezit is. Maar om in de sfeer der aarde te werken, zullen zij zich met die toestand moeten verbinden, wat betekent dat zij in dat leven overgaan. Het zijn liefdegeesten, al dragen zij ruwe gewaden. Hoe zal een engel des lichts zich in de duisternis kunnen laten zien? Dat is toch niet mogelijk? Verbinding aan deze zijde is overgaan in die andere toestand. Ook dit alles zal je op deze tocht duidelijk worden. Geesten uit het licht dragen hun kracht innerlijk, zij dragen en zijn aan de orde van waarheid verbonden." (275)


Donkere gebieden

"Reeds eerder heb ik duidelijk gemaakt, dat je het leed en de smart van de gehele wereld niet kunt dragen. Nu bevindt mijn zoon zich in een zelfde toestand. Het is droevig, maar wat je voelt is medelijden en medelijden is zelfvernietiging. Ook straks zal je dat duidelijk worden. Voel liefde en blijf in je eigen toestand, dan eerst zul je handelend kunnen optreden." (278)

"Wanneer zij van hieruit de aarde konden zien, zouden velen hun levenswijze veranderen. Hoe nietig zijn wij en zij, vergeleken bij Gods schepping. En toch voelt zich de mens! Elk wezen voelt zich. En wat is de mens in deze ontzaglijke, eeuwige ruimte? Niets! En toch is de vonk van het eeuwige licht in hem (de menselijke geest ìs die vonk) en vindt hij afstemming op God. Daarom is onze spiritualiteit heilig. Op alle hoeken van de aarde wordt geestelijk voedsel uitgestort, opdat de mens zijn leven zal veranderen. Hier wacht hem geluk, niets dan geluk, wanneer hij zich innerlijk, geestelijk ontwikkelt. Dan houdt alle broedermoord op, want dan weten zij dat het leven eeuwig is en niet vernietigd kàn worden."
André zag steeds het hemellicht veranderen. Eindelijk was het veranderd in een roodbruine gloed: het licht van hen, die er leefden. O, welk een ellende zou die duisternis voor hem betekenen!
"Juist, mijn jongen, de hel in het hiernamaals. Niets dan ellende. Op aarde stelt men zich een andere hel voor, althans zij die alles woordelijk aannemen. Hier is de hel zo heel anders en zij bezit het vuur door de hartstocht en het geweld, dat door allen wordt uitgestraald. Hier zullen we plaats nemen vóór wij hen bezoeken."

(Is dit) "Aarde, Alcar?" "Aarde, mijn zoon, in geestelijke substantie." André nam het in zijn handen. Ja, het was aarde. Zoals men die op aarde kende. Maar het was vreemd en voelde zeer eigenaardig aan. Hij kon er geen woorden voor vinden.
André zag zijn leider aan, die hem antwoordde: "Vreemd, mijn zoon? Er is geen leven hier, geen warmte, geen liefde, geen zon, niets van alles, wat het leven ons biedt. Zo ook is deze substantie ontdaan van alle kracht; omdat zij geen bestaanstoestand hebben, is ook alles in één zelfde afstemming. Wat de mens voelt (de geestesgesteldheid), zal zijn bezit zijn aan deze zijde. Je voelt zeker hoe droevig het is? Hier groeit en bloeit niets, omdat het leven onnatuurlijk is. Zij missen de levenssappen waardoor het leven groeit, maar zij hebben geen bestaan en daardoor is alles dor en koud." (279)

"Ja, ik wil hem opzoeken en zal hem vinden, waar hij zich ook zal ophouden. Hier beneden zal hij zijn, omdat zijn afstemming een ongelukkige is. In zo'n korte tijd zal hij zich niet zover hebben opgewerkt, dat hij de sferen van licht al zal hebben betreden. Hier zullen wij hem vinden. Veel afstemmingen zal ik je tonen, alle menselijke toestanden. Zoals de liefde is die zij bezitten, zo is hun afstemming in de geest."

"Dit hier is de plaats die ik je heb getoond; zij is echter geen stad, maar een land, waarin je duizenden jaren achtereen verder zou kunnen dwalen. Er komt geen einde, totdat zij zelf haar einde voelen. Ik heb je toen verteld, dat zij oneindig is, althans voor hen, omdat zij het einde niet zien; en zij sluiten zich daarom in hun eigen toestand op. De mensen leven hier in een donkere poel van hartstochten en geweld, en zullen eerst dan boven komen, wanneer zij zich innerlijk daarvan hebben vrij gemaakt, wat de ontwikkeling van hun liefde betekent. Allen zijn zelf aan hun ongeluk schuldig, omdat zij hun aardse leven hebben verknoeid. Zij zullen zichzelf leren kennen, waardoor zij het vreselijke van hun toestand inzien. Daarna zal er verandering komen en zullen zij in een andere afstemming overgaan."

"Blijf waar je bent, wij bevinden ons in een andere toestand, zij kunnen ons niet zien. Deze wezens zijn de gelukkigen onder hen, omdat zij zich vrij hebben gemaakt van het land van haat, waarin zij geruime tijd vertoefden. Zij hebben een lange, droevige weg afgelegd, om zich ervan los te maken. Hun leed is groot geweest en nog hebben zij te lijden. Als je hun leven kent, zal je duidelijk zijn hoever zij reeds op de weg naar volmaking zijn en hoe droevig is nu nog hun toestand. Maar nog meer zullen zij God om vergiffenis moeten smeken, willen zij in een hogere sfeer binnentreden. Zij voelen, dat zij hun leven hebben verknoeid, maar hun wroeging is niet zó intens dat zij kunnen worden verhoord. Langzaam vervolgen zij hun weg. Steeds maar verder, totdat zij een ander leven beginnen." (280)

"Worden ook zij geholpen?" "Hun geliefden, die in een hogere toestand leven, zenden hun gebeden voor hen op tot God, waardoor zij geholpen worden."
"Zijn hier beneden verschillende toestanden?"
"Ja, André. Hierin liggen zeven verschillende toestanden. Dus zeven diepten van hartstocht en geweld, van leed en smart, van vreselijke ellende. Wat voor ons ligt is het land van haat. Dan volgt de demonensfeer, daarna de dierlijke afstemming, om dan in de voordierlijke toestand binnen te treden. Daarna het dal van smarten en onder deze toestanden liggen nog twee andere afstemmingen, die wij op deze reis niet kunnen bezoeken, omdat daarvoor je krachten ontoereikend zijn. Hoe dieper wij afdalen, hoe vreselijker de mensen zijn die er leven. Straks zul je waarnemen dat er mensen aan deze zijde leven, die zich niet meer kunnen voortbewegen. In het dal van smarten weten zij van geen bestaan meer af." (de geest is een bewuste kracht en in die toestand onbewust en krachteloos)

"Zeer goed gevoeld, André. Zij, die hier worden gebracht, zijn gescheiden van hun geliefden, waarmee zij op aarde vele jaren één waren. Het betreuren van hen is het leed van hen, die een hogere afstemming bezitten. Hier leeft hun liefde in duisternis en koude. Levens op aarde gaan voorbij, dan plotseling het einde en dan deze waarheid. Allen hebben het zelf gewild. Op aarde, door het gemak van de stof, zouden zij zich kunnen ontwikkelen, maar door hun bezit zijn zij ten onder gegaan. Hier eerst beseffen zij hoe hun leven daar is geweest. Maar dan is het te laat. Maar wanneer zij zich van dit leven bevrijden, zullen de toestanden veranderen, de sferen schoner zijn en hun wijsheid en kracht zich ontwikkelen."
"Het is toch merkwaardig, Alcar, dat men in deze duisternis nog ziet." "De natuur hier of het licht dat zij bezitten, is niet te vergelijken met het licht van de aarde. De mens ziet door stoffelijke zintuigen, maar innerlijk is hij verlicht of diepe duisternis heerst in hen. Het innerlijk licht nu is de uitstraling, het licht, dat zij bezitten. Men kan dus waarnemen, omdat het leeft, maar in deze afstemming. Is je dat duidelijk? Wanneer wij tot in het diepst van hun leven afdalen, zullen wij toch kunnen waarnemen, omdat het leven is en leven blijft." (281)

"Alles leeft hier tezamen. Koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen, edelen en geleerden, kortom allen zijn hier bijeen, zo ook de armen. Hier beleven zij het leven waarin zij op aarde leefden. Later zul je ook hun leven leren kennen, omdat ik je op deze reis toestanden, afstemmingen en verbindingen wil duidelijk maken."
"Zijn hier ook heersers?" "Dat zijn diegenen, mijn zoon, die de massa kunnen beïnvloeden. De zwakkeren hebben te lijden, maar zij willen dat zelf, omdat zij hen in alles volgen. Hier leven genieën, demonen, heersers en meesters in het kwaad en miljoenen andere wezens. Zo gaan honderden en duizenden jaren voorbij voor zij ontwaken en gedurende al die eeuwen hebben zij vreselijk te lijden. Zelf weten zij van geen ander leven, ze zijn ten onder gegaan in hun diep ongelukkige bestaan. Voor velen betekende rijkdom op aarde de ondergang. Vanaf de hoogste rangen die zij bekleedden, daalden zij af in dit leven, in deze duisternis. Schoonheden van de aarde moesten haar stralenkrans, haar goud en smaragden voor duisternis verwisselen. Hier leven zij als beesten samen en zijn misvormde mensen. Allen dronken te veel van het gif des levens, wat hen allen deed ondergaan.
Nu zullen we afdalen. Nu lopen wij, André, en zo nodig zullen we zweven. Wij blijven echter in onze toestand. Geen wezen zal je zien, tenzij wij ons zouden verbinden. Wanneer ik dit nodig acht, zal ik je van tevoren waarschuwen."
De weg, die zij te volgen hadden, daalde steeds dieper naar het onbekende dat hen wachtte. Daar voor hen lag het land van haat. Daarin leefden mensen. Voor hen bouwde zich een grijze massa op, die zich hemelhoog optrok. Het was onmogelijk voor hen om er doorheen te zien.
"Wat is dat, Alcar?" "De afscheiding tussen beide toestanden. Ik liet je deze afscheiding zien, je zou het anders niet hebben waargenomen. Het is als een vesting, waarachter zij zich verborgen houden. Muren van geestelijke substantie. Stof in de geest, uitstraling, is je dat duidelijk? Deze toestand of substantie is grofstoffelijk. Wanneer wij naar de hogere sferen gaan, worden ze ijler en gaan in elkaar over. Daar zijn de overgangstoestanden tussen wat sferen zijn, niet meer waar te nemen. Maar het is te zien aan de natuur die veranderd is; zo ook aan de mensen die er in leven. Aan deze zijde gaat alles in elkaar over, alle sferen hebben verbinding. Zo hebben de hoogste en de laagste sfeer verbinding in de geest. Zo ook de mens op aarde, in hem is het licht, maar ook diepe duisternis. Deze afsluiting is alleen voor hen zichtbaar, omdat zij deze afstemming bezitten. Anderen die een hogere sfeer als bezit dragen, voelen en zien deze verbindingssferen en kunnen er binnentreden wanneer zij dat willen. Ik heb mij dus met deze overgangstoestand verbonden om het jou te tonen." (282)

"Ja, eens zullen deze sferen ophouden, omdat de mens zich in een hogere afstemming bevindt. Eens zullen hier heiligen leven en zullen deze sferen zijn veranderd in sferen van geluk, omdat de mens zich ontwikkelt en op God is afstemd. Alles is dus eenvoudig, de mens bouwt zich een eigen hemel om in het eeuwige leven gelukkig te kunnen zijn. Ieder wezen heeft zijn eigen geluk in handen. We zijn nu de poorten van de hel, in het leven na de dood, genaderd. Zie André, ik zal je een machtig beeld tonen."
André schrok geweldig ... voor hem lag een brandende stad (de stad Dis). De vlammen laaiden fel ten hemel in rood-gele, groene en licht-rode kleuren. Duivels was het. Zijn hart klopte wild bij het zien van dit afschuwelijke beeld. Hij kon geen adem meer halen, hij dacht te zullen stikken.
"Wat is dat?" "Niets meer en niets minder dan de kracht van hun uitstraling. Liefde-uitstraling, mijn zoon, op dierlijke afstemming. Niets dan hartstocht en geweld. Het zal je nu duidelijk zijn dat men andere krachten moet bezitten, wil men zich met hen kunnen verbinden. Hun opvlammende gloed zal hem vernietigen, die zich van hun kunnen niet bewust is. Nu gaan we verder."
André zag de eerste wezens in deze verschrikkelijke stad. Hij trad het land van haat binnen.

André staarde hen aan en kon zijn ogen niet geloven. Wild, gluiperig waren zij. Dit waren geen mensen meer, het waren roofdieren. Hun met bloed doorlopen ogen puilden uit de kassen. Zij waren misvormd naar lichaam en ziel. Mensen in monsters veranderd. Vernietigend was hun blik. Door het vuur van hun hartstochten verteerden zij. Hoe diep waren zij gezonken. Mannen en vrouwen zag hij samen. Hier leefden schoonheden van de aarde. Hoe verschrikkelijk waren zij nu. In gedachten vertoefde hij op aarde en zag hen in schitterende gewaden gekleed. Hoe schoon kon een vrouw zijn. Hoe waren zij nu? Welk leven hadden zij op aarde geleefd? Waardoor waren zij zo diep gezonken? Hadden zij op aarde hun donkere zielen kunnen verbergen? Hoe was het in vredesnaam mogelijk. (283)

"Hoe is het mogelijk, Alcar, om in deze duisternis te scheppen!" "Voor hen is alles mogelijk; alleen kunnen zij geen hogere sfeer binnentreden, noch hun duisternis in een lichtende toestand veranderen, hun machten zijn beperkt. Hier leven genieën, meesters in het kwade. Het aardse spreekwoord 'Hoe groter geest, hoe groter beest' wordt hier bewaarheid. Hier leven meesters in alle kunsten en wetenschappen. Hun gevoelens zijn vlijmscherp doordacht, maar alles voor het kwaad. Onfeilbaar, zou men denken, maar zij weten dat zij het goede, dat God is, niet kunnen overwinnen. Op aarde hebben zij de genade een gave te bezitten, niet begrepen. Hier kunnen zij hun hartstochten botvieren. Aan alles is het te zien, zo is hun leven. Alles is hun eigen werk. Eens storten al hun maaksels inéén, hun hemelhoge gebouwen hebben in de geest geen waarde, zoals alles, wat zij bezitten, zo ook hun eigen leven. Leven deze wezens niet op aarde? Is op aarde niet de één een vloek voor de ander? Wordt daar niet gemoord om te bezitten? Allen, die hier samen zijn, leefden op aarde. Hier spreekt het tot je, omdat zij zich op aarde achter maskers kunnen verbergen. Hier is niets te verbergen, zij allen zijn naakt, dit is hun afstemming in de geest. Op aarde kunnen zij zich verbergen, daarvoor hebben zij hun paleizen, maar hier is dat onmogelijk. Daar is alles mogelijk, hun maskers bedekken hun donkere zielen. Hier spelen zij hun dierlijke spel, maar een hoger afgestemde ziet en kent hun innerlijke toestand. Hier leven zij samen en keren terug naar de aarde, om anderen te beïnvloeden. En wee hen die zich op hen afstemmen, zij zijn verloren. Wanneer zij daar sterven, zullen zij meegesleurd worden naar hier en zullen aan deze zijde hen dienen. Zij, die op aarde het hogere zoeken, zullen door hogere geesten worden geholpen. Voelt je, André, hoe vreselijk deze wezens zijn? Zij allen hebben nog menselijke vormen en weten, dat zij leven. Zij echter hier beneden weten van geen bestaan meer af."

Hoe was het mogelijk. Daar stroomde een machtige rivier. Een prachtige brug hadden zij er overheen gebouwd. Geweldig was het. Alsof hij op aarde leefde. In het leven na de dood zag hij het evenbeeld van de aarde. Alleen was hier het kwaad verenigd. (284) Op aarde leefden goeden en kwaden bijeen, hier waren het afgestemde wezens, die in één toestand leefden. Aan de overzijde zag hij vele gebouwen, waarvan de torens als spookachtige silhouetten boven de huizen uitstaken. Grillig was dit beeld. Stil was het; in somberheid en in afgrijselijke stilte leefde hier de mens. André voelde het leed van het leven, dat hier geleefd werd. Alles was haat en verwoesting. De rivier stroomde als een machtig spook, als wilde zij hem verslinden. Dood en verderf was alles. Het monster haat lag in diepe rust. O, wanneer het ontwaakte. Daar voor hem, in prachtige stijl opgetrokken, lag de stad, dat was het monster.

"O, mensen, verandert uw leven. Bouwt aan uw innerlijke toestand, maar in de geest. Bouwt aan uzelf en breekt uw eigen voetstukken af; ziet hoe alles zijn voltooiing nadert. Ziet deze waarheid, één zelfde leven wacht u."
Op hetzelfde ogenblik voelde André iets vreselijks in zich opkomen. Een geweldige angst, dat het de duivel in eigen persoon was, overviel hem. Geen gevoel had hij meer. Hij zweefde over bergen en dalen en er scheen geen einde aan te komen. Hij wilde om hulp roepen, maar het was hem onmogelijk, geen woord of geluid kon hij uiten. Hij verzette zich met al zijn krachten, maar het hielp hem niet, steeds dieper voelde hij zich wegzinken en hij kon geen weerstand bieden; hij voelde, dat hij een bezwijming nabij was en zakte ineen. Toen hij zijn ogen opende, zag hij in die van zijn leider.
"Wat beter, André? De duidelijkheid laat niets te wensen over. Je hebt hun krachten gevoeld, ze hebben je concentratie (zelfbewustzijn) vernietigd. Ik liet je zelf handelen, daardoor voel je hoe vreselijk hun haat is. Maar niets kon er geschieden, ik waakte, André,"
"Waar ben ik geweest, Alcar? Het was alsof ik over bergen en dalen zweefde. Zij sleurden mij mee; hoe verschrikkelijk zijn deze wezens." "Je was nergens, André. We bevonden ons hier, aan de rand van deze rivier; je stond daarheen te turen. De kracht van hun invloed deed je opnemen in hun toestand. Het zweven is dus niets anders dan het woeste van hun innerlijke afstemming (hij werd in vervoering gebracht naar hun toestand toe). (285) Het was als een visioen, maar het ontnam je de adem. Alles is eenvoudig. Je concentratiekrachten (zelfbewustzijn) werden overheerst, wat echter niet nodig was, omdat je een andere afstemming bezit dan zij. Ik zal je op deze reis verschillende toestanden laten aanvoelen. Je zult daardoor een zuiver beeld ontvangen, hoe al deze menselijke toestanden zijn. Het over bergen en dalen dwalen betekent ook, dat je nog met het lichaam bent verbonden. Wij, mijn zoon, zijn op alles berekend. Je zult al deze krachten leren kennen. Kom, we gaan verder. Het zal je duidelijk zijn dat men hier niet maar zo kan binnenvallen. Om hier te kunnen werken, om hier staande te kunnen blijven, heeft men een sterke concentratie (zelfbewustzijn) nodig."

André zag dat het steeds donkerder werd. Steeds dieper daalden zij af, totdat zij in een andere toestand aankwamen. Hier was alles diepe duisternis, zelfs geen sprankje licht, maar het wonderlijke was, dat hij toch alles kon waarnemen. "Wij bevinden ons in een gebied dat een tussensfeer is, welke de beide sferen, het land van haat en de dierlijke sfeer, verbindt."
André zag niets anders dan holen en krotten. Daarin leefden mensen. Alles wat hij zag, bevond zich in een slijmachtige toestand. Huizen en gebouwen waren hier niet. De straten als hij het zo noemen wilde, waren gescheurd en overal zag hij spleten, als diepe afgronden. Hier moest men voorzichtig zijn om niet in de diepte te storten, waarin hij geen bodem zag. Modder en slijk in dichte massa's bedekten hier de bodem. Dan was het hierboven heilig te noemen. Hier leefde men in holen en verzadigde zich aan zijn eigen dierlijke leven.
"We zullen ons één maken, André, dan zul je waarnemen. Kom, geef mij je hand, er is veel kracht voor nodig."
André wist, dat wanneer Alcar hiertoe overging, het voor hem te machtig zou worden. Hij beefde reeds van emotie bij de gedachte aan hetgeen hij zou zien.
"Wij zullen dit contact behouden, totdat wij ons met een hogere sfeer verbinden."
Hé, wat hoorde hij daar? Het werd sterker en sterker, groeide aan tot een orkaan, die het leven in zijn kracht deed trillen. Het ging hem door merg en been. Het was nu een hartverscheurend gehuil, waarin hij moord en hartstocht voelde, alsof het éne leven het andere vernietigde. Het maakte hem van streek, hij was niet bestand tegen zoveel ellende.
"Afschuwelijk, Alcar, wat is dat?" "De kracht van hun leven, hun geestelijke afstemming; verderf en vernietiging. Al wat hier leeft, bezit geen sprankje menselijk gevoel meer. Allen zijn verdierlijkt. Je hoort hun dierlijke spel van hartstocht en geweld. Alles echter op halve kracht. Wij kunnen ons niet één maken, je zou het niet uithouden. Geen menselijk gevoel is er op berekend. Kijk, André."
André trachtte door de duisternis heen te zien. Plotseling zag hij verschillende wezens rondkruipen. Waren dit mensen? (286) Het was toch niet mogelijk? Het waren dieren, duizend jaren oud. Handen en voeten zag hij niet. Kruipend moesten zij zich voortbewegen. Hun menselijke gevoel was in het dierlijke overgegaan. Toch leefden zij en waren mensen van de aarde. Eens waren zij schoon en hadden de moederliefde gevoeld. Neen, het was te veel voor hem.
"Waar zijn wij hier, Alcar?" "Ik heb je toch duidelijk gemaakt, waar wij ons bevinden. Je ziet, mijn zoon, dat zij leven. Aanstonds zul je hen zien die in een onbewuste levenstoestand (bewustzijnstoestand) verkeren. Ik wilde, dat je hoorde en zag. Kom, wij gaan verder. Onze weg voert naar de diepte, steeds dieper, totdat wij in die afstemming komen waar het leven in zijn levenssluimering is gezonken. Zij weten van geen bestaan meer af. Kom André, naar het 'dal van smarten'.
Weer voelde André dat hij daalde. Er scheen geen einde aan te komen. Eindelijk waren zij op de plaats waar Alcar wilde zijn. André stond aan de rand van een groot, onafzienbaar dal. Daar in die diepte leefden mensen. Het was nog donkerder geworden. Maar ook hier kon hij waarnemen. Hier waren geen straten en geen vlakten, het was een diepe kloof en ook daar moest zich leven bevinden.
"Eindeloos is ook deze diepte, totdat zij in een andere afstemming overgaan. Steeds dieper gaat het, maar wij zullen hier blijven. Niets dan ellende, mijn zoon, niets dan leed, nameloos leed. In de toestand, waarin wij daarnet waren, kruipt de mens en tracht hij al kruipende een andere levenstoestand te bereiken. Wanneer zij, die je aanstonds zult zien, ontwaken, zullen zij trachten uit deze toestand te komen. Deze toestand heeft verbinding met de dierlijke afstemming en van hieruit gaan zij daarin over. Daar leven zij in holen en daar zullen zij zich opmaken, om in het land van haat te komen, waar hun eigenlijke leven begint."
"Wie zijn dat, Alcar." "Mensen, mijn zoon. Zij, die zijn ontwaakt."
Nog vreselijker dan hier boven waren deze wezens. Traag was hun gang. Zij konden zich nauwelijks voortslepen. Na iedere tred bleven zij enige ogenblikken liggen. Dat waren mensen!
En ook dit beest is goddelijk. Het leven op aarde kan schoon zijn, maar zij allen gingen in de stof ten onder. Wat hebben deze mensen dan toch gedaan, om in zo'n toestand te komen? Kan een mens zoveel kwaad doen?
"Wat weet je, mijn zoon, van het leven van vele mensen? Duizenden mensenlevens zijn afgeslacht en hun harten zijn verscheurd. Ik zou je vele andere gewelddaden kunnen opnoemen, die niet in je brein kunnen opkomen, omdat je aan dat kwaad niet zult denken. Wij zullen ons hier niet verbinden, het is niet mogelijk voor je dit alles te verwerken."
André hield zijn leider stevig vast, in deze duisternis wilde hij Alcar niet loslaten. Het zou alles te machtig zijn. (287)

André voelde zich innerlijk stil worden. Er was hier iets, dat hij niet onder woorden kon brengen. Het benam hem de moed zich nog verder te verdiepen in al deze narigheid. Geen kracht voelde hij meer om verder te kunnen gaan. Het duizelde hem, hij was bedroefd, diep bedroefd over alles, wat hij had mogen zien.
Alcar zag hem aan en zei: "Kun je niet verder, mijn zoon? Zullen wij terugkeren? Als het te veel voor je is, gaan wij terug naar de aarde. Ik help je immers!" "Wat is het Alcar, dat in mij is gekomen?" "Niets dan de invloed uit deze sfeer voelt mijn zoon. Span al je krachten in, André, niet spoedig zul je hier terugkeren. Tracht God om kracht te vragen, je moet het willen, anders houden mijn krachten op te bestaan, ik kan je dan niet helpen. Lang zul je moeten wachten, omdat eerst je geestelijke krachten ontwikkeld zullen worden. Houd je alles uit, dan zal het wijsheid in de geest voor je betekenen. Ik zal je steunen, mijn jongen. Weet dat je veel mensen op aarde zult moeten overtuigen."
André bad in stilte om kracht tot de Vader; hij voelde zich na enige tijd fris worden en met nieuwe moed spande hij zich in om zijn geliefde leider te volgen.
"Gaat het wat beter, mijn zoon?" "Ja, Alcar, ik heb nieuwe krachten gekregen om u te kunnen volgen." "Je bent de enige, want velen die werden meegenomen, moesten terugkeren. Maar ik heb je reeds verteld dat je het leed van vele wezens niet kunt dragen. Verbinding is aanvoelen, maar door het leven aan te voelen, behoeft men niet ten onder te gaan. Het is het bewijs, dat je concentratie (zelfbewustzijn) maar half is ingesteld. Maar dit alles zal je leren." (288)

"Men moet medelijden hebben met hen allen, Alcar." "Medelijden, mijn zoon? Voelt mijn jongen weer medelijden? Hoe vaak heb ik je niet duidelijk gemaakt, dat medelijden vernietiging betekent. Aan deze zijde kennen wij geen medelijden. Hier kent men alleen liefde. Medelijden te voelen betekent zich met een ander wezen te verbinden. Verbinden is overgaan in een ander leven. Wanneer je met dat leven blijft treuren, zul je met dat leven ten onder gaan. Medelijden is zwakte, niets dan zwakte. Medelijden betekent geleefd worden door anderen. Liefde voelen is de weg volgen, die God ons allen aantoont. Het is overgave in alles, waardoor de mens zich zal ontwikkelen. Liefde voelen voor het leven betekent het te steunen in al zijn toestanden. Maar dat is strijd, niets dan strijd. Door leed en smart zal de mens zich op hogere toestanden afstemmen. Medelijden is het overgeven van alles, ook hun eigen leven, dat zij zelf hebben verknoeid."
"Wat voelt u, Alcar, voor deze mensen?" "Wat ik voel, wat ik voor hen zou willen doen, is dit: Wanneer zij zouden willen luisteren, zou ik hen de weg wijzen, die wij allen hebben te volgen. Dat is de weg naar het licht die allen zijn gegaan, die in de hogere sferen leven en die je op deze tocht zult ontmoeten. Maar zij zijn het die moeten willen, anders is mijn hulp overbodig. Maar wanneer ik nu met hen treur omdat het zo moeilijk is, wat zal er dan van ons leven terecht komen? Leed en smart door anderen is de liefde, waardoor het leed kan worden gevoeld. Zij, die geen liefde bezitten, kunnen door anderen niet verongelukken. Voel je wat ik bedoel? Ik sta klaar om te helpen, waar dan ook, maar de mens moet zelf willen, anders is hij niet te bereiken. Dat is liefde. Volg je weg en wanneer je ziet dat zij niet willen, laat hen dan gaan, eens zullen zij toch je hulp nodig hebben. Maar keer niet eerder tot hen terug, voor dat zij innig om hulp smeken, anders sta je weer voor een zelfde toestand. Voel daarom of zij zijn te helpen, anders is en zal het steeds zijn: paarlen voor de zwijnen." (291)

"Voor ons is alles mogelijk André, wanneer wij de liefdekrachten er voor bezitten. Wij kennen hem (een bepaalde persoon) nietwaar en omdat ik hem heb gekend, zal ik hem terugvinden. Wanneer dit niet het geval zou zijn, was het ook voor mij niet mogelijk of ik zou de één of andere invloed moeten bezitten, waardoor ik mij met een andere uitstraling kan verbinden. Maar nu ik hem eerder heb ontmoet, verbind ik mij door concentratie (aandacht) en sterke wil (wilskracht). Je zult ook dit beleven. Wanneer ik mij instel (mijn aandacht op hem richt), volg ik de weg die mij met hem zal verbinden. Het zal je spoedig genoeg duidelijk worden. Dan nog dit. Ik kan mij verbinden met alles, wat beneden mijn eigen afstemming ligt, maar een hogere afstemming is ook voor mij niet mogelijk. Ook die krachten zul je op deze reis leren kennen. Is je dit duidelijk?" (292)

"Ik ben zeer nieuwsgierig Alcar, waar hij zich zal bevinden. Leeft hij in het land van haat?" "Wij zullen het zo aanstonds zien, kom, we moeten hierheen. Ik zie het reeds, hij leeft in een tussensfeer, buiten de massa om. Wij zullen hem in een bewusteloze toestand terugvinden, veroorzaakt door het verbranden van zijn stofkleed (door crematie)."
André zag dat zijn leider een vast doel volgde. Wonderlijk was het voor hem, hoe de geest zich oriënteerde. Overal wist Alcar de weg hier in deze duisternis. Zij gingen ergens binnen, blijkbaar een grot. Het waren onderaardse gangen, waar hij toch kon zien. Vele wezens ontmoette hij. Vele gangen en spelonken gingen zij door. Hij zag in de duisternis anderen die waren ingeslapen, wezenloos lagen zij neer. Overal zag hij deze wezens; zij sliepen de slaap des doods en leefden, leefden in de eeuwigheid. Alles was ellende, niets dan leed en smart. Verknoeide levens waren het. Links en rechts waren inhammen waar zij te ruste waren neergelegd. (292)

O, hij begreep alles. Toch waren zij niet zo diep gezonken als zij in het dal van smarten. Hij begreep iedere afstemming en kende de gevoelstoestanden (bewustzijnstoestanden) van al deze verschillende wezens. Alle rassen van de aarde zag hij. Hier was alles één, welk geloof zij ook hadden gekend. Ieder wezen kende en voelde moederliefde. Allen waren Gods kinderen, voor eeuwig. Weer anderen slenterden rond en waren als wilden. Zij zagen hem niet, waar hij uit opmaakte dat Alcar in zijn eigen toestand bleef. Nu bleef zijn leider staan. Zou hij hem gevonden hebben? Hij was zeer nieuwsgierig.
"Zie André, daar ligt onze man, wij hebben hem gevonden."
André zag een wezen, afgescheiden van alle anderen, inééngedoken neerliggen.
"Ken je hem terug, André?"
Ja, hij was het, die hij op aarde had zien verbranden.
"Hij verkeert in een bewusteloze toestand. Mijn vermoeden bevat waarheid. Ik laat je nu alleen achter, omdat ik mij met hem zal verbinden. Daardoor wil ik je duidelijk maken dat hij leeft. Doe niets en blijf in je toestand. Ik ga mij op een zelfde wijze met hem verbinden als op het kerkhof. Je weet hoe dat mogelijk is, niet waar? Luister dus goed, André. Niemand zal jou zien. Zij, die je kunnen zien, zijn hogere geesten, die hier werken om ongelukkigen te helpen. Van hen is geen gevaar te vrezen. Blijf dus in je eigen toestand."
André was alleen. Zijn leider was in de duisternis opgelost. Vreemd, dacht hij, toen Alcar bij mij was zag ik hem, nu is ook hij verdwenen. Wat zou dit weer te betekenen hebben? Telkens beleefde hij andere toestanden. Duizenden waren er. Hè, wat hoorde hij daar? Hij meende iemand te horen kreunen. Vanwaar kwam dat? Weer hoorde hij het. Ik zal iets dichterbij gaan, misschien zie ik wat het is, dacht hij. Zou er iemand hulp nodig hebben? Nog duidelijker hoorde hij het dan zoëven. Hij ging op het geluid af.
Wat was dat? Maar hij had geen tijd om te denken, hij voelde, dat hij werd aangevallen. Een geweldige angst overviel hem. Hij voelde dat men hem beetpakte en opbeurde, om hem ergens neer te smakken. Hij schreeuwde om hulp en voelde daarna, dat hij in onmacht viel. Hoe lang het geduurd had kon hij zich niet herinneren, maar toen hij uit zijn toestand ontwaakte, lag hij in Alcars armen.
"Zo, mijn jongen, wakker? Het kwaad heeft je overmand. Alles zal nog duidelijker tot je spreken, nu je hun krachten leert kennen. Je zult eerst nu begrijpen, hoe gevaarlijk het hier is en dat er concentratie (zelfbewustzijn) voor nodig is om hier te werken."
"Wat is er met mij gebeurd, Alcar? Wie heeft mij overvallen?" "Ik zal je alles duidelijk maken. Wat beter?" "Ja Alcar."
"Luister mijn zoon. Je hoorde zoëven kreunen? Het was van onze vriend. Je dacht wat te naderen en werd overvallen. Is het niet zo? (293) Op hetzelfde ogenblik dat je wilde gaan kijken vanwaar het geluid kwam, was je uit je eigen toestand (zelfbewustzijn) getreden. Het is eenzelfde afstemming als die ik je in het ziekenhuis heb getoond. Nu echter heb je een dergelijke afstemming beleefd. Het uit je toestand (je eigen zelfbewustzijn) treden betekent dus een andere (de bewustzijnstoestand van de ander) binnengaan. Zij, die je zoëven hebt kunnen waarnemen, die hier ronddwalen, zij vielen je aan. Zij zagen aan je afstemming dat je niet in deze sfeer thuishoorde. Je voelde hun krachten en daardoor werd je concentratie (zelfbewustzijn) gebroken. Wanneer je aan je krachten zou hebben gedacht (bewust bij jezelf was gebleven), was er geen mogelijkheid geweest dat zij je zouden kunnen aanvallen. Zij konden dit doen, alleen al door je nieuwsgierigheid. Het beleven van een andere toestand is de overgang in (die andere toestand en in) een andere sfeer. Is je dat duidelijk? Dit toont je dus, dat wij aan deze zijde naar onze innerlijke toestand (geestesgesteldheid, bewustzijnstoestand), naar onze gevoelskracht handelen, ook, dat het geesteslichaam (de geestgedaante) het intellect denken is aan deze zijde (de geestgedaante is het voertuig voor de denkende geest). Toen ik naast je stond, dus voordat ik heen ging, was alles voor je zichtbaar, nietwaar?"
"Daardoor vond ik alles zo vreemd, Alcar."
"Alles werd donker om je heen, hetgeen echter niet nodig was geweest, wanneer je maar op je eigen innerlijke kracht was afgestemd (zelfbewustzijn). Je handelde onbewust. Onbewust handelen is hier niet mogelijk, daar het vernietiging betekent. Toen ik in die andere toestand overging, waarin onze man zich bevond, liet ik je in je eigen afstemming terugkeren, waarvoor ik je toch duidelijk waarschuwde. Door mijn krachten zie je en hoor je alles, wat zich in de donkere sferen bevindt. Overal waar wij zijn geweest, stelde ik mij op jou in, anders zou je in alles geen onderscheid kunnen maken en niet weten waar je je zou bevinden. Het is dus niet mogelijk voor jou hier af te dalen in een voor jou onbekende sfeer. Daarvoor is het nodig al deze overgangstoestanden te kennen. Je zou hier nog niet kunnen werken, omdat je van je krachten geen gebruik weet te maken. Maar laat het je geruststellen, men moet al deze sferen hebben beleefd, wat betekent, door bekwame gidsen te worden geleid, om haar te leren kennen. Zij, die een hogere sfeer als bezit dragen, kunnen door bekwame leiders afdalen om werk te verrichten. Ook zij, die in de hogere sferen leven, hebben deze school moeten volgen. Anderen echter, die hier hebben geleefd, kennen alle overgangen in de duistere gebieden, tot in de diepste diepten toe.
Hier is dus voor nodig ondervinding, de leerschool van het leven van allen (het leermiddel voor geestelijke ontwikkeling is eigen ondervinding).
Hij, die wij wilden opzoeken, bevond zich in een diepere afstemming dan zij die je zijn aangevallen. Wanneer hij ontwaakt, komt en leeft hij in die afstemming. Dat ik en hij dus voor je gezicht verdwenen, kwam doordat hij in een nog diepere toestand leefde, hetgeen van uit jouw afstemming niet was waar te nemen.
Het zijn dus twee toestanden die ineenlopen, evenals hetgeen ik je hier beneden al toonde. Wanneer hij straks ontwaakt, treedt ook hij deze afstemming binnen. Ik heb je in mijn sfeer teruggetrokken en bevrijdde je uit hun handen. Voor de ogen van hen die je zijn aangevallen, loste je op, hetgeen voor hen een wonder zal zijn. (294) Daardoor weten zij dat een hogere geest, als zij die overtuiging bezitten, hier vertoefde.
Alles kost inspanning en kracht aan deze zijde. Hier kunnen geen stukken worden overgeslagen, zoals op aarde. Het leven in de geest is de ondervinding, wat de ontwikkeling van de liefde betekent (het leermiddel voor geestelijke ontwikkeling is eigen ondervinding). Een engel des lichts kan hier onvoorbereid niet afdalen. Zij kunnen afdalen, maar wanneer zij zich niet willen verbinden, zal ook voor hen alles onzichtbaar zijn. Zo zullen wij ons alles eigen kunnen maken, wanneer wij het beleven. Zij, die hier hebben geleefd, zijn de leiders voor deze toestanden. Is het wat beter?"
"Ik ben bereid u te volgen. Hebt u hier geleefd, Alcar?"
Alcar glimlachte. "Omdat ik je dit alles kan duidelijk maken? Ik leefde hier niet, André; maar ik vertoefde vele jaren hier beneden om anderen te helpen. Ik aanvaard dat wij allen, wie dan ook, in deze toestanden hebben geleefd. Door te evolueren bevinden wij ons in een andere afstemming. Maar de weg, die wij hebben afgelegd, zal door de duisternis naar het licht voeren. De spreuk luidt: "Zij, die de duisternis niet hebben gezien, zullen het licht niet waarderen."
"Hier heb ik gewerkt om mijn vrienden te helpen. Wanneer wij in de hogere gebieden zijn aangekomen, zal ik je daarvan vertellen. Kom, volg mij."
Voor de tweede maal zag André de ongelukkige. "Ik zal mij nu met hem verbinden."
André zag, dat zijn leider zich concentreerde. Hij voelde, dat hij zich verbond om de ongelukkige in zijn bewustwording te laten terugkeren. Na een ogenblik gaf hij enig teken. Hoorde hij goed? Het was, alsof hij hem hoorde schreien. Ja, hij kreunde. Arme man. Alcar hield zijn krachten van hem af en het gekreun hield onmiddellijk op.
"Alles is je zeker duidelijk, André. Ik maakte hem bewust, waardoor hij zijn toestand ging aanvoelen. Nog is zijn slaap diep. Wanneer hij ontwaakt, begint eerst zijn leven aan deze zijde en voelt hij de pijnen door de crematie opgedaan. Behalve dus de kwellingen van koude en duisternis, voelt hij de schrijnende pijnen, door de crematie hem opgelegd. In een stoffelijke gevoelstoestand of afstemming (m.a.w. 'gevoelstoestand' is: bewustzijnstoestand) is zijn lichaam verbrand. Geestelijk heeft hij zich vergeten in het leven op aarde (de onbewuste vereenzelviging). Men wil dit op aarde niet aanvaarden. Zijn gevoelslichaam was of verkeerde in een stoffelijke afstemming. Hij zal daardoor in de geest ook alles beleven, omdat hij niet van zijn lichaam was bevrijd. De crematie bracht hem in deze toestand, omdat de schok te groot was voor zijn geestelijke afstemming. Wanneer hij op normale wijze zou zijn begraven, beleefde hij de vertering van zijn stoffelijke kleed. Maar deze toestand is verre te verkiezen boven crematie en wel hierom: De mens die wordt verbrand, worden krachten ontnomen die wij de levensaura ('aura' is uitstraling, m.a.w. levensaura is: levensuitstraling) noemen. Zij dient de geest te steunen bij aankomst hier, voor de eerste tijd van zijn leven. Dit geldt voor alle wezens, al bevinden zij zich op een hogere afstemming. De scheidende geest ontneemt aan het stoflichaam de levensaura, na vijf à zeven dagen, wanneer de stof in het eerste stadium van ontbinding overgaat. (295) Dit kan ook langer duren, het hangt af van de afstemming (geestesgesteldheid) van de mens die overgaat. De aura dient dus voor bewustwording aan deze zijde.
De gelukkige (ontwikkelde) geest is aan geen tijd gebonden, omdat hij zich in een hogere toestand bevindt. Voor hen die een hogere sfeer binnentreden, is de crematie geen belemmering, omdat zij, voordat het lichaam verbrand wordt, al van de stof zijn bevrijd. Ik zei je zoëven dat het onttrekken van de levensaura door ieder wezen dat naar hier komt, zal geschieden, maar de gelukkige geesten doen dat zodra zij het stoflichaam gaan verlaten. Is je dat duidelijk?"
"Ja, Alcar."
"Prachtig. Dan nog dit: Op aarde denkt men nu, dat anderhalf uur verbranden beter is dan jaren lang kwellingen te moeten meemaken. De geest, zo zeggen zij, is toch bevrijd? Maar velen kunnen niet loskomen en voor hen is verbranden een geestelijke schok. Die schok heeft hij ondervonden, die nu daar ligt als een levende dode. De fout van hen is, dat zij geestelijke toestanden stoffelijk aanvoelen, hetgeen natuurlijk verkeerd is. Zij, die overgaan en nog roze wangen vertonen, wat men zo vaak kan waarnemen, bevinden zich in die vreselijke toestand. De stof is door het leven verlaten, of het geesteslichaam heeft het stofkleed afgelegd en de levensaura houdt het afgelegde kleed in leven. Eerst wanneer het eerste vervalstadium intreedt, neemt de stof de lijkkleur aan, dan is alles voorbij en leeft de geest in zijn nieuw bestaan. De levensaura houdt dus het lichaam intact en wanneer de stof verbrand wordt, zal dit een geweldige schok veroorzaken. Vraag aan iedereen die hier leeft, hoe crematie is, zij allen zullen je zeggen, dat het moest worden afgeraden. Het is niet anders dan een kwelling. Een foltering in de geest. Ik raad daarom hen die zich willen laten cremeren, aan, het niet te doen. Denk over dit gebeuren na en kies het zekere voor het onzekere, laat u begraven. Zij, die geleerd zijn op aarde en crematie mooi vinden en schoon, zullen donker zijn in hun ziel, omdat dit mooie en schone stoffelijke duisternis betekent aan deze zijde. De mens op aarde roep ik toe: "Wanneer gij alles hebt gevolgd, maak dan een einde aan uw roekeloosheid en tracht u in de geest te ontwikkelen. Nog is het tijd. Spoedig zult gij overgaan en dan heeft alleen datgene waarde, wat gij innerlijk draagt. Ontwikkel uw gevoel en maak goed wat gij verkeerd hebt gedaan. Wij, die aan deze zijde leven, wij allen, die de aarde hebben verlaten en enige honderden jaren hier zijn, hebben deze waarheid moeten aanvaarden. Wij hebben geleerd dat liefde het hoogste en het heiligste is en licht en geluk betekent in het leven na de dood. Hier vrienden, kunt gij u niet verbergen. Hier alleen heeft liefde waarde. Ontwikkelt die kracht, uw leven, leert lief te hebben. Leert onze taal, de taal van de liefde, die gij bij aankomst hier zult moeten verstaan, anders zal duisternis uw bezit zijn."
"Voordat wij de donkere gebieden verlaten, mijn zoon, zeg ik je: Wanneer wij weer aan deze zijde tezamen zullen zijn, zult gij dit leven leren kennen. (296) Ik zal je tonen, hoe de heersers, de meesters, de genieën in het kwaad leven, hoe zij werken en anderen zullen vernietigen, die zich op hen afstemmen. Ik wil daardoor de mens op aarde bereiken. Je zult beleven hoe ook zij hun feesten van de aarde voortzetten. Kortom, je zult hun leven leren kennen. Wat ik je tot nu toonde en nog tonen zal, zijn toestanden, afstemmingen en verbindingen in de geest. Nu zullen wij de donkere gebieden, de hel in het leven na de dood, verlaten."

Het gevoel en de geestelijkheid van de aarde

Zwevende gingen zij verder. André kon weer ademhalen. Blij was hij, dat het voorbij was. Toch voelde hij zich gelukkig dat hij alles had mogen beleven. Het was wijsheid voor hem in de geest. Wat was alles waar, wat hij tot nu had waargenomen. Hoe groot was Gods macht, die dit alles bestuurde, alles van de mens afwist, tot in de diepste diepten. God peilde en kende al Zijn kinderen. Voor de mens was dit niet mogelijk.
André zag een ander licht dan hij in de duisternis had gezien. "Waar zijn we hier, Alcar?"
"We zijn in het Schemerland en in een andere toestand overgegaan. De mens die hier leeft, bevindt zich in een hogere gevoelstoestand (bewustzijnstoestand) en naar mate wij hoger komen, zullen de sferen en de mensen, kortom alles, veranderen. Steeds zien wij andere gevoelsafstemmingen (bewustzijnstoestanden). Daarom is het gevoel het essentiële in 's mensen bestaan, wat ik je zo vaak duidelijk maakte."
"Kan een geleerde van de aarde het gevoel ontleden?"
"Ja, zeker wanneer hij in de geest afstemming bezit. Maar er zijn er op aarde, die, wanneer zij de mens opereren, nog nooit de ziel hebben gezien. Dat is droevig. Arm aan gevoel zijn zij en toch geleerd. Hun eigen gevoelskracht sluimert en zij zijn levend dood. Het gevoel is leven, is ziel en betekent liefde. En nu wij weten, dat liefde God is en God gevoel betekent, is het immers duidelijk dat zij in een aards lichaam God niet zullen waarnemen. Ik hoor de eerste geleerde reeds uitroepen: "Ik heb God gezien." Anderen verklaren hem voor krankzinnig. Het leven is niet te zien, het leven kan men aanvoelen. Het leven heeft daar, dus na het afleggen van de stof, niets met de aarde te maken. Het keert terug naar de bron van alle leven en dat is God. God legde het leven in alle stof, hetgeen het gevoel is.
Op aarde is het leven één met de stof, maar is toch een apart lichaam. Daarom noemen wij het het geestes- en het zielelichaam (geestgedaante). Het leven is het proto-plasma, de Oerkracht: God is niet te vernietigen, door stoffelijke zintuigen niet waar te nemen, omdat de mens waarneemt wat bij de stof behoort, omdat hij zelf stof is (met de stof is vereenzelvigd). Maar de mens als geest is het gevoelslichaam, waardoor de mens op God afstemming heeft. Zo zal het gevoel, het leven, de ziel (het leven is de geest, die over de geestelijke vermogens beschikt, waarvan er een het voelen is), tot de Vader terugkeren, omdat het gevoel goddelijk is.
Na in (1. de minerale) de (2) voordierlijke, de (3) dierlijke, de (4) grofstoffelijke, de (5) stoffelijke, de (6) geestelijke toestand te zijn overgegaan, zal de mens, althans het leven (de geest), in het (7) goddelijke terugkeren (de hereniging). (297)

In het aardse leven reeds is de mens op God afgestemd, zo ook in alle overige overgangen en toestanden. Laten zij die in het lichaam de ziel willen vinden, zich op ons afstemmen, dan eerst zijn zij op de weg die wij allen bewandeld hebben en nog bewandelen zullen.
Het gevoel is niet wetenschappelijk te ontleden, Wanneer wij kosmische afstemming bezitten, zullen wij het gevoelslichaam kunnen analyseren. Het zijn de meesters aan deze zijde, die het gevoel als goddelijke kracht in directe levensafstemming aanvoelen. En alles, mijn zoon, is liefde. Liefde is gevoel, liefde is God." Steeds zweefden zij verder.
André zag een vreemd land, Het schemerlicht was veranderd en in de natuur voelde hij meer levensvatbaarheid. Het was alsof hier alles ontwaakte.
"Prachtig gevoeld, André. Wij bevinden ons hier in de ontwakingssfeer. De mens, die hier leeft, heeft zijn lange weg uit de duisternis afgelegd en is ontwaakt. Het is reeds een andere afstemming, die echter nog niet te vergelijken is met de eerste geestelijke sfeer. In hun leven komt warmte, wat voor de ontwikkeling nodig is. Toch groeit hier nog niets, geen groen, geen bomen, niets van een bloeiend leven is hier waar te nemen. Dat zien wij eerst in de sfeer hier boven. Nog altijd heeft de mens die hier leeft, afstemming op de donkere sferen en kan dus terugzinken, wanneer hij zich niet met al zijn krachten daartegen verzet. Velen vallen daarom in hun vorige toestand terug."
"Zie daar, Alcar, vele wezens zweven ons voorbij." "Zij zijn de helpende geesten uit hogere gebieden. Zij dalen voor lange tijd af om ongelukkigen te helpen. Vaders en kinderen, broeders bijeen, allen zijn uit hogere sferen en moeten krachtig zijn om daar te kunnen helpen. Je kent nu hun krachten. Zij gaan door tot aan de rand van het land van haat, waar een ieder zijn taak zal ontvangen. Allen staan onder één leiding en worden in groepen verdeeld. Velen zijn daar nog niet geweest en zullen onder bekwame gidsen hun leven leren kennen."
"Worden de ongelukkigen die zij vinden, naar deze sferen gebracht?" "Ja, mijn zoon. Wanneer zij innig om hulp smeken, zullen zij worden geholpen, maar zij moeten dit zelf willen."
"Wat gebeurt hierna, Alcar?" "Hen wordt verteld hoe zij hoger kunnen komen door het goede te willen en wanneer ze niet weten dat zij op aarde zijn overgegaan, worden zij ook daarvan overtuigd. Men neemt hen mee naar de aarde. Hiervoor zijn dan de seances van nut, wat ik je heb getoond. Daarna brengt men hen terug naar deze toestand, om zich verder in de geest te bekwamen. Wanneer zij zich staande houden, zullen zij spoedig een hogere sfeer binnentreden. Dit hoger gaan kunnen zij zich eigen maken door anderen te helpen. Zo vervolgt de mens zijn weg en keert terug tot de Vader, tot God." (298)

"Waar gaan wij nu heen, Alcar?" "Naar de louteringssfeer, een grofstoffelijke toestand. Zij grenst aan de eerste bestaanssfeer in de geest. Daar zien wij licht, maar in een grijze najaarsstemming, met de aarde vergeleken. Alles leeft in een grofstoffelijke afstemming, zo ook de mens die daar leeft. Zij zijn op aarde gestorven, maar zij weten het niet. De mens is zich eerst dan van zijn geestelijke leven bewust, wanneer hij in de eerste geestelijke sfeer is overgegaan: Is je dat duidelijk?" "Ja, Alcar."
André zag dat alles veranderde. Onder hem lag een sfeer, maar zij zweefden steeds verder. Langzaam veranderden de sferen. Hoe verder hij kwam, hoe meer voelde hij leven; hij zag het aan de natuur, zo ook aan het hemellicht. Alles zou ontwaken, dit kon hij duidelijk waarnemen. Er kwam leven in de natuur en in de mens. De koude duistere sferen lagen nu ver achter hem.
"Gaan wij daar rechtstreeks naar toe, Alcar?" "Ja, mijn jongen. Wij zullen trachten enigen tot andere gedachten te brengen. Misschien is het mogelijk. Ik wil dit proberen te doen om je van hun leven te overtuigen, hoe zij voelen en hoe hun leven is. Ook daar is het koud en guur. Het is als een najaarsstemming op aarde, wanneer in de natuur alles uitsterft. Het is het evenbeeld (een uitdrukking) van hun innerlijke gevoelskracht (bewustzijnstoestand). Ook zij voelen de warmte niet die een gelukkige (ontwikkelde) geest voelt. In alles ligt hun grofstoffelijke gevoel."

"Leeft ook daar alles bijeen?" "Dit éénzijn is voor iedere toestand aan deze zijde (alle geestverwanten leven in één sfeer). Waar je zult binnentreden, daar leven alle standen en rangen bijeen. Zij die één afstemming bezitten, wat de liefde is, zullen één zijn (zij leven in 'gezelschappen' (E. Swedenborg)). Dit heeft met aardse geleerdheid en titels niets te maken. Hier heeft alleen liefde waarde, het gevoel, dat afstemming vindt in de geest. Wanneer hun liefde niet geestelijk is, is alles waardeloos."
"Wat men op aarde leert, heeft dat alles geen betekenis aan deze zijde?"
"Maar natuurlijk, André. Ik zeg toch duidelijk, wanneer hun gevoel in de geest ontwikkeld is, kunnen zij hun aardse geleerdheid ook hier aanwenden of (omgekeerd) bij terugkomst op aarde. Juist zij kunnen de mens op aarde bereiken, door hun kennis van verschillende toestanden en wetenschappen van de aarde. Velen worden daarheen gezonden om de stofmens (de onbewust vereenzelvigde) te helpen. Zij werken dan op hen in en geven hen door, wat zij van het eeuwige leven afweten. Het zijn zij die zich op aarde niet hebben vergeten (zelfbewust zijn gebleven). Maar eerst dan zullen zij kunnen terugkeren, wanneer zij de derde sfeer hebben bereikt."
,,Is het moeilijker om op aarde te werken dan aan deze zijde?" "Op aarde is het moeilijker voor ons om de stofmens te kunnen bereiken. De moeilijkheid ligt hierin: Op aarde leven de mensen als geesten in de stof. Zij zien dus alles door stoffelijke zintuigen. (299) De moeilijkheid voor hen en voor ons is, om hen in de stof het geestelijke te laten aanvoelen. Aan deze zijde overtuigen wij hen door hen een toestand te laten beleven. Op aarde is dat niet zo eenvoudig, omdat de meesten onder hen één stoffelijke afstemming bezitten. Hoe kan de mens geestelijk aanvoelen wanneer hij die gevoelskracht niet bezit? Het is dus niet mogelijk en wij moeten telkens terugkeren. Hier echter kunnen wij hen beelden tonen en wanneer zij zien, geven zij zich gewillig over. Het is dus eenvoudiger op de geest (de hemellingen) geestelijk in te werken, dan geestelijk op de stof (de aardlingen). Beïnvloeding in de stof is niet eenvoudig, omdat de mens stoffelijk waarneemt. Dan moet de mens willen. Is dit niet het geval, dan zijn zij voor ons niet te overtuigen. Op aarde moet men geloven, hier gelooft men niet meer, wij weten. Dit is het grote en machtige verschil, om op aarde iets te bereiken. Ons werken daar wordt vergemakkelijkt, wanneer de mens van een eeuwig voortleven af weet. Dan eerst begint ons eigenlijke werk op aarde. De mens ziet zijn eigen wereld, de zon, de maan en de sterren, en dit alles behoort bij de stof. Zij moeten door dit alles heenzien, willen zij door de sluier heendringen om in ons leven te kunnen waarnemen. Dat is de moeilijkheid om op aarde in te werken. Is je dit ook duidelijk?"
"Ja, Alcar, ik begrijp u in alles. Zijn de wezens waarheen wij nu gaan, allen uit de donkere sferen afkomstig?" "Ja en neen, André, beide dus. Velen komen van de aarde hier aan, anderen hebben de lange weg vanuit de duisternis tot het licht afgelegd. Zij, die van de aarde zijn gekomen, leven in een onbewuste toestand en zijn dus levend dood, omdat zij denken nog op aarde te leven; van hieruit begint dus hun ontwikkeling. Is je ook dit duidelijk? Dan nog dit: Vraag mij zoveel je wilt. Jouw vraag, begrijp dit goed, is mijn verbinding. Ik houd mij aan een vast plan en wijk daar niet van af. Wanneer je nu graag iets zou willen weten, vraag het gerust, naar mijn krachten zal ik je antwoorden. Hoe dieper jij ingesteld bent, hoe meer wijsheid in de geest het zal betekenen. Je zult dus vragen naar je voelt, dan zal ik je antwoorden. Vraag dus voor alle mensen op aarde, die het graag zouden willen, maar het niet kunnen, omdat zij deze gave niet bezitten. Vergeet nooit, dat jouw gave hun gave is en zal blijven." "u zei mij zoëven, dat zij, die hier boven leven, niet weten, dat zij op aarde zijn gestorven. Wat is dat vreselijk, zij zijn toch in de eeuwigheid?"
"Deze toestanden zijn verschrikkelijk, maar het is de waarheid. Op aarde wilden zij zich niet verheffen, in één zelfde afstemming komen zij naar hier. Het gevoel is (bepaalt) het geesteslichaam (de geestgedaante); zij komen in die toestand hier aan, zoals zij voelen. Wanneer dus de mens hier aankomt, is en blijft alles zoals hij voelt. Niets zal veranderen. Het is niet mogelijk. Zoals zij voelen, zullen zij licht en geluk bezitten."
"Worden ook zij geholpen?" "In iedere sfeer vindt men geestelijke hulp, waar ook de mens zich bevindt, overal, in iedere toestand, tot in de hoogste hemelen. (300)

"Het is, helaas, de waarheid. Ze zijn op aarde vastgeroest in hun dogma's en volgen blindelings hun predikanten in hetgeen zij verkondigen. Zij, die een andere godsdienst belijden, worden veracht en wanneer zij het zouden durven, verscheurd. De geestelijken met hen, allen zijn koud en dor. En nu wij weten dat de mens voelt naar hij zich uit, doet en zal handelen, zijn allen ongelukkige, koude wezens. Hoe zou het anders kunnen zijn? Wanneer zij een God van geweld kennen, willen zij geen Vader van liefde zien, noch voelen. Zo zullen zij in het leven hier, één zelfde afstemming bezitten als zij op aarde hadden. Zij voelen het zo en willen nu eenmaal niet anders." (301)

"In de derde plaats wil ik je aantonen, dat op aarde geen heiligen kunnen leven. Luister goed en tracht mij te begrijpen. Aan deze zijde kent men de mentaliteit die de aarde bezit, op kosmische afstemming. Dit is dus de gevoelskracht op universele afstemming van het leven, dat op de planeet aarde leeft. In het universum zijn zeven graden van geestelijke liefde, hetgeen de universele afstemming is. Het leven nu, dat in de zevende graad leeft, gaat van daar uit in het Al over. Maar aanstonds hierover meer.
In het universum bevinden zich duizenden andere planeten en lichamen waarop leven leeft, dus het leven dat een hogere graad, ook een lagere graad, van geestelijke afstemming bezit en waarin allen één zijn, wat betekent, op God afstemming te vinden.
Dit alles betekent de kringloop van de ziel. Het is de loop die het leven volgt, om terug te keren naar de oorsprong van alle leven. Elk leven heeft dus zijn eigen afstemming, dat wil zeggen, bevindt zich in één gevoelstoestand, die één geestelijke afstemming is, maar op God afstemming heeft en daarom goddelijk kan zijn. Het zijn dus verschillende geestelijke toestanden, op kosmische afstemming.
De aarde, dat wil zeggen, het leven dat op de planeet aarde leeft, heeft de derde graad van ontwikkeling bereikt (Volgens Steiner en Heindel de vierde graad). Er zijn dus twee diepere toestanden, met andere woorden, er leven in het universum wezens, die een eerste en tweede mentaliteit bezitten en zich nog onder de gevoelskracht (bewustzijnstoestand) van het leven, dat op aarde heerst, bevinden." (304)

"Prachtig. Wanneer ik in mijn afstemming leef, kan ik het leven van nog hogere toestanden niet waarnemen, omdat zij weer een hogere graad van ontwikkeling hebben bereikt. Ook dat is je duidelijk? Wanneer dus zij, die in de mentale gebieden leven, op andere planeten overgaan en ook daar weer sterven, komen zij aan deze zijde en leven in deze toestand verder, totdat zij weer op andere lichamen overgaan, hetgeen de kringloop van de ziel betekent. Zo leeft hier tot de hoogste mentaliteit, alle afstemmingen dus, omdat dit het Universum is. Nu leeft in onze toestand ook de hoogste mentaliteit: de zevende kosmische afstemming. Dus, wanneer je dit alles voelt, leven wij in en met God, zijn wij tezamen met God, maar zijn nog ver verwijderd van Zijn goddelijk leven. Hier en waar dan ook de mens zich bevindt, daar zijn de diepste en ook de hoogste afstemmingen tezamen. Het zegt je, -dat-goeden kwaad één zijn, één toestand vormen: de mens. In ons i,s God,. maar ook zijn in ons de donkerste machten, die wij moeten overwinnen om onze heilige Vader te naderen. In ons leeft God; in ons is het licht, maar ook diepe duisternis. (306)

Wat had hij nog te leren! Hoe nietig was alles wat hij bezat, dat zijn ik betekende. En hoe nu de mens op aarde? Wat was aardse geleerdheid, waar bleef alles, bij deze waarheid? Het was nog niets en niets bleef er van over. Het leven dat op aarde leefde, wist niet eens, dat het leefde; hoe ver nog waren zij van deze wetenschap verwijderd. Nu begreep hij, dat er op aarde geen reine liefde kon gegeven worden. Wij waren nog niet zo ver, voelden die warmte en kenden die krachten niet, die zo'n liefde zou bezitten. Alles wat de mens en ook hij voelde, was egoïsme, niets dan eigenliefde. Het menselijke peil was een derde graad van ontwikkeling. Die graad betekende liefdekracht. Wat wist men op aarde van graden, van geestelijke graden af? Niets wisten zij, zij kenden noch voelden kosmische graden van verschillende mentaliteit. Dat alles was voor de mens onzichtbaar, zoals voor hem Alcars liefdekrachten onzichtbaar en onvoelbaar waren.
Wat was universele liefde? Kon men dat op aarde omvatten, of omranden? Het was niet mogelijk, omdat zij hun eigen leven niet eens kenden. Men sprak daar van vier dimensionale toestanden - en kende zijn eigen afstemming niet eens en begreep ook niet wat het zou betekenen en voorstellen. Men raadde er naar, zoals zij, die het heelal wilden uitrekenen en voor getallen kwamen te staan, die zij niet eens konden uitspreken. Het waren duizenden en miljoenen cijfers, die men jaren achtereen kon uitspreken, zonder aan het einde te komen. Zo ver lag die wetenschap van hen af. maar toch wisten zij cijfers te noemen. En zover lag universele liefde van de mens op aarde af. Ook hij kende geen dezer toestanden en Alcar zei ook, dat hij nog een kind was in liefde.
André begreep, dat de grootste studie van de mensen was, om zichzelf te leren kennen. Alcar had hem een spiegel voorgehouden, waarin hij het leven had leren kennen. En welk een leven! Hij duizelde ervan. En was het geen waarheid? 'Voelde niet elk wezen, dat het zo kon zijn? (307)

Alcar zag hem aan en zei: "Het zal nog wat duren, mijn jongen, voor het grote geluk voor je komen zal. Wij hebben nog veel mensen te overtuigen, dat het sterven niets dan geluk betekent. Het zal de mensen duizelen wanneer zij dit horen, maar laat ik hen dan toeroepen, dat er voor ons ook machten zijn die ons doen nederbuigen voor Hem, Die dit alles regeert. Wij zijn op weg om ons te ontwikkelen, ook zij, die zich in de hoogste hemelen bevinden. En eerst dan, wanneer wij de mentale gebieden hebben bereikt, zullen wij veel wat nu nog onbegrijpelijk voor ons is, aanvoelen én in ons opnemen, waarnaar wij handelen zullen. Alles zal dan wijsheid in de geest zijn. Al dat andere is ook voor ons nog duister. Nu zijn wij in een andere sfeer, daar waar de levende doden van de aarde leven."
André zag een land dat op de aarde geleek, zoals zijn leider het hem duidelijk had gemaakt. Het lag in een grijs waas gehuld. Koud en guur was het hier. Hier was weer meer leven dan in die andere sferen, toch was alles nog in een onnatuurlijke toestand. Op aarde was alles groen, hier was het een grijs gewaad, waarin de natuur lag.
Hij zag mensen, allen waren oud, met gekromde ruggen. Zij droegen het leed van de aarde. Het drukte op hun schouders. Zij gingen er aan ten onder. Jonge, frisse mensen zag hij niet, die waren hier niet te vinden. Hier leefden alleen ouden, zij waren innerlijk oud en afgeleefd. Kinderen waren hier ook niet. Vreemd was het, niets dan ouden te zien. Waar mensen leefden, daar leefde toch alles, ook kinderen, ook jonge mensen? Het was voor hem zeer vreemd. Hoe kon het eigenlijk, was dit mogelijk? Wat was de betekenis hiervan? Vreselijk was het hen zo te zien.
Nu dacht hij aan Alcars uitlegging van alle andere sferen. Zij droegen deze ouderdom innerlijk. Het was hun geestelijke afstemming (geestesgesteldheid). Hij zag ook veel huizen en gebouwen. Ook kerken zag hij en in de verte zag hij een kleine stad. Kaal en oud was alles. Op aarde was alles schoner en dan te weten, dat hij in de eeuwigheid was. Droevig was deze toestand. Op aarde hadden zij het honderdmaal beter dan in de eeuwigheid. (309)

Vele wezens slenterden rond, hun hoofden gebogen alsof zij dachten iets te vinden. Droevig was het hen zo te zien.
"Wat zoeken zij, Alcar?" "Zij zoeken niets, André. Het zijn zij, die spoedig naar een hogere sfeer zullen gaan. Zij voelen zich ongelukkig. Zij voelen wroeging en willen alles goed maken wat zij misdeden. Straks wordt hen gelegenheid geboden om goed te doen. Zij zonderen zich van alle anderen af; zij walgen van hun leven, zij voelen een hoger en ander leven. Daarvoor komen helpende geesten hierheen, die hen zullen helpen en hen de weg wijzen om over te kunnen gaan. Anderen echter leven in volkomen geluk, wat duidelijk aantoont, dat zij hun eigen leven niet kennen en niet overtuigd zijn van hun armoedige bestaan."
De hemel lag in een grijs waas gehuld, geen wolkje was te bespeuren. Waar was het prachtige blauw, dat men aan de hemel op aarde zag? Treurig was alles, wat hij in deze sfeer waarnam. Ook bergen zag hij en vlakten. Alles wachtte op warmte; geen zon, die door haar stralen het leven deed ontwaken. Alles wachtte op die eerste stralen, waardoor het leven zou leven, zou veranderen in warme, zachtere tinten. Alles was omfloerst, doods was alles, zo ook zij die hier leefden.
Arme mensen waren zij. Zielig was het hen zo te zien. Hier zou hij zich niet gelukkig kunnen voelen, dan was het beter op aarde. Zij, die hij zo vaak op aarde hoorde zeggen, wanneer hij over het hiernamaals met hen sprak, dat zij maar liever daar bleven, omdat zij nu wisten wat zij hadden en maar moesten afwachten wat zij zouden terugontvangen, hadden gelijk. Wanneer zij in deze toestand zouden komen, was het beter op aarde. Velen waren er gelukkig. Zij voelden niets van hun eentonig bestaan. Zij hadden het goed, wilden niet anders. Daarom waren zij ook dood. Hij begreep hun levend-dood-zijn eerst goed, nu hij hen waarnam.
"Zie André, daar zijn de bewoners van deze sfeer."
André zag een groot dal, waar honderden bijeen waren. Wat voerden zij daar uit? Hij zag vrouwen en mannen bijeen, allen oud en verschrompeld.
"Wij treffen het", zei Alcar, "er worden bijeenkomsten gehouden. Ook op aarde doen zij dat. Je ziet, hoe natuurlijk hun leven is. We zullen hier blijven, misschien luisteren zij naar ons. Ik wil trachten hen toe te spreken en jij, mijn jongen, zal mij daarmede helpen, niet waar?" André zag zijn leider aan, als wilde hij zeggen: moet ik hen toespreken? "Ja, André, zou je hen niet willen vertellen, wat ik je heb getoond en tonen zal. Wanneer het ons gelukt, stel je dan open, ik zal je helpen. Ik wil zien, of je in al die jaren, dat wij bijeen waren, hebt geleerd. Ook of je moeilijkheden kunt overwinnen. (310) Wanneer wij één wezen kunnen overtuigen, zal reeds ons werk beloond zijn, omdat wij daardoor tonen hoe dankbaar wij zijn, dat God ons al dit schoons heeft geschonken. Span al je krachten daarvoor in, André. Werk op hen in en tracht de één met de ander te verbinden. Laat hen je liefde voelen, voer hen omhoog en verbind hen met het leven en tracht hun koude harten te ontdooien. Denk erom, André, alles hangt van je overtuiging, je concentratie en sterke wil (aandacht en wilskracht) af anderen iets te geven. Voel vooral geen vrees. Laat hun voelen wat je voelt, zien wat je ziet en horen wat je hoort."
André voelde zich zenuwachtig. Wat zou er van alles terecht komen? Alcar zei hem: "Nu, mijn zoon, ben je reeds onder hun invloed. Laat hen denken zoals zij verkiezen, sluit hen in je hart, neem hen op in je gevoel. Voel liefde voor hen, liefde doet wonderen. Wanneer je twijfelt, moeten wij verder gaan, omdat ook zij ons zullen aanvallen, daar zij ons als indringers beschouwen. Waarom angst, André? Kunnen zij je iets leren? Schat je zelf niet te hoog, maar vooral niet te laag. Het zal je ondergang betekenen. Niets is te vrezen, wanneer je meer liefde voelt dan zij. Ik ga nu."

André was alleen. Daar voor hem waren honderden wezens tezamen en in de verte kwamen er nog meer naar deze plaats. Zouden zij zich hier verzamelen? Zij waren levend dood. Hij, als aards mens, wist meer van de eeuwigheid af dan zij. In het Zomerland had hij zijn tante gezien, die oud de aarde had verlaten en verjongd en schoon daar was aangekomen. Dadelijk, toen zij haar stofkleed had afgelegd, had zij haar geestelijke toestand aangenomen. Zij was schoon en jong in dit leven en hoe waren zij? Deze wezens hadden gekromde ruggen, waren oud en dat alles door gebrek aan liefde. O, hij verlangde reeds, dat het zo ver was, dat hij zou mogen beginnen. Vurig verlangde hij er naar, hen de ogen te mogen openen. Hij voelde zich kalm worden, een heerlijke rust kwam over hem. Daar voor zich zag hij een groot mens, als een aardse geestelijke gekleed. Was hij één van die wezens, die ook hier over hel en verdoemenis predikten? Hij verwijderde zich van alle anderen en nam op een verhoogd voetstuk plaats. Zou ook hij spreken? En waar was Alcar? Nergens zag hij zijn leider. De geestelijke zag hem aan en André voelde, dat hij in hem een vreemde zag, die hier niet hoorde. Het was als vroeg hij hem, wat hij hier zo alleen uitvoerde. Strak was zijn blik, als wilde hij hem doorboren. Hij weerstond die wrede blik en voelde hoe koud het in hem was.
Daar was Alcar, uit hun midden kwam zijn leider te voorschijn. Alcar trad op de geestelijke toe en wisselde enige woorden met hem. Duidelijk hoorde hij Alcar zeggen: "Mogen wij uw gemeente toespreken?" De geestelijke zag zijn leider vanaf zijn verhoogd voetstuk tartend aan, de armen over de borst gekruist, en het duurde enige seconden, voor hij antwoordde.
André had wel op hem af willen vliegen en hem toeroepen: "Ziet gij niet, wie daar voor u staat?" Moest die man zijn leider zo met minachting behandelen? Het was toch niet nodig. O, hoe zou Alcar zich voelen? Eindelijk sprak hij en nors was zijn vraag. (311) "Wie bent u?"
"Wij", hoorde hij Alcar zeggen, "zijn broeders van u en komen uit een ander land tot u, in liefde in de ware betekenis van het woord." De geestelijke glimlachte sarcastisch. Hij stond daar nog steeds en keek op hem neer, gelijk destijds Nero op Rome. Diepe rimpels lagen in zijn oude gelaat. Eindelijk sprak hij. Het was een spannend ogenblik. Hoe eenvoudig was Alcar en in al zijn eenvoud wachtte hij af wat zijn beslissing zou zijn. André voelde in Alcars handeling een levensles, alleen in liefde zou men iets kunnen bereiken.
"Komt u uit naam van God?" Deze woorden striemden zijn ziel, omdat ze zo koud werden uitgesproken. Deze ongelukkige vroeg aan zijn leider of hij uit naam van God kwam. Zie, dat was de mens. Hoe voelde hij zich. Alcar zag hem eerbiedig aan en antwoordde: "Wij komen uit naam van God tot u, zoals ik u reeds zei, in de ware betekenis van het woord." "Ik geef u een half uur," was zijn antwoord. André dacht, dat is niet veel, die tijd zou zijn leider zelf nodig hebben. In ieder geval, hij vond het goed, de kogel was door de kerk en Alcar kwam tot hen en sprak de menigte toe: "Zusters en broeders. Van uw leider heb ik toestemming verkregen om u toe te spreken. Wanneer u allen wilt plaats nemen, kunnen wij beginnen."
De wezens zagen hem aan, alsof Alcar een wonder was. Ook de geestelijke was merkbaar veranderd. Alcar sprak hen toe met zijn zachte, maar klankvolle stem: "Waarom, lieve vrienden, is de mens schuld aan zijn eigen ongeluk? Waarom, vraag ik u, kent de mens zichzelf niet, terwijl Godhem een denkend intellect (op andere plaatsen het' intellecte denken') gegeven heeft? God stelde de mens boven het dier en het dier voelt waar het thuis behoort, de mens echter niet. Het dier zal niet afdalen, het zal steeds zo leven, zoals het voelt, want zijn gevoel wijst hem de weg en zegt hem hoe die te volgen. En hoe handelt de mens? De liefde van het dier is een liefde, die in volle kracht wordt gegeven. Maar wat doen wij? Geven wij steeds onze reine liefde? Geven wij haar op volle kracht? Neen immers. Ligt niet in ons een kracht, die ons telkens terug voert tot onszelf? En is dat niet ons eigen ik? God stelde de mens boven het dier en gaf hem een goddelijke kracht, een verstand, in meerdere of mindere mate. En gebruiken wij steeds dit verstand om onze weg te volgen? Geen onzer doet het. Dwalen wij niet steeds van onze weg, om het goede te doen, af? Geeft dan het dier geen mooiere liefde dan wij, dan de mens in het algemeen? Heb ik te veel gezegd? Kent het dier zichzelf dan niet beter dan wij onszelf kennen? Leeft het dier niet bewuster? En zijn wij ons bewust van onze eigen toestand? Is het niet vreselijk, niet droevig, dat wij zo vaak het dier niet kunnen benaderen? Voelen wij niet heel vaak deze tekortkomingen, ligt dit niet aan onszelf? God gaf ons een denkend intellect, een kracht zoals Hij zelf is. God gaf ons de genade om een eigen persoonlijkheid te zijn, een goddelijke genade, die elk mens ontvangt. Maar wij moeten er voor waken dat wij niet ten onder gaan. God gaf ons verstand. En dient dit verstand tot het kweken van ons eigen ik? (312) Dient het tot vorming van een aureool van eigenliefde en egoïsme? Is het niet de ondergang van ons zelf? Zegt het ons niet, dat wij het leven niet begrijpen en ons te veel op de voorgrond plaatsen. Willen wij niet de persoon zijn, waar alles om draait, maar waardoor wij ons evenwicht verliezen? Naar gelang onze ervaringen zijn, zullen wij ons naar de waarheid terugvoeren. Daardoor leren wij ons zelf kennen. Zou u mij niet willen toegeven, dat God dit verstand heeft gegeven met andere doeleinden? Wij zeggen zo heel vaak: mens, gebruik je verstand! en dit verstand dient om ons te verbinden met God. God bedoelt daar dan mee: mens, maak gebruik van de goddelijke gave, die gij hebt ontvangen om uw weg naar het licht te zoeken, naar Zijn heilig land van eeuwige liefde. God gaf ons het denkend intellect en plaatste ons boven het dier om voor anderen iets te zijn. Maar is ons verhoogd gevoel niet het ongeluk voor ons zelf? Mens, voel uw goddelijke genade en leef door het leven. Gebruik uw verstand niet voor u zelf, maar voel uw eigen toestand aan en handel naar uw hogere inzicht. Mens, leef. Ontwaakt, vrienden! God gaf u die grote genade, om u op Hem af te stemmen, wat alleen mogelijk is door Zijn heilige kracht, die in ons ligt. Vrienden, verscherpt uw verstand voor elkeen, voor alles wat leeft, tracht u boven het dier te verheffen. Behoud uw verstand niet voor uw persoonlijke egoïsme, maar wordt altruïsten van de mensheid, om het leven te dienen. Gebruikt uw krachten om uw ziel, uw menselijke egoïsme van hartstocht en geweld te redden en tracht daaruit als overwinnaars te voorschijn te treden. In elk leven is strijd, strijd om u zelf te leren kennen. In u moet liggen de drang om hoger te komen. Het is uw geestelijk leven, om u dichter bij God te brengen. Het is de strijd om de hogere sferen te kunnen binnentreden. Steeds moet de mens hoger. Maar velen zijn een weg ingeslagen die naar de diepe duisternis voert. Zij hebben hun verstand verkeerd gebruikt. Hun wegen waren wegen, die niet tot God leidden. Zij lopen in een kringetje rond, waar zij met hun verstand niet uitkomen.
Maar hoe meer gij u oefent en uw verstand leert gebruiken, des te meer zal uw gevoel ontwikkelen, wat voor u geluk zal zijn en licht zal betekenen. Mens, gebruik uw verstand, om uw gevoel in de geest te ontwikkelen. (M.a.w. het bewust en beheerst leren gebruiken van je geestelijke vermogens betekent geestelijke ontwikkeling)
Baan u een weg, vrienden, door alles heen en weet, dat God u alle moeilijkheden op uw weg heeft gelegd en dat gij die moeilijkheden moet overwinnen. (De tijd is een stroom van leerzame gebeurtenissen die de mens met zijn geestelijke vermogens moet verwerken) Weet, vrienden, dat mooiere en schonere sferen u wachten, waarvan mijn broeder u zo aanstonds zal vertellen, die gij kunt bereiken, wanneer gij de krachten weet te gebruiken, die God u heeft gegeven. Vecht, vrienden, voor uw eigen ik, maar gaat er niet aan ten onder. Tracht u zelf te overwinnen. Weet, dat Gods heilige kracht in u is, dat Hij u Zijn heilig leven heeft gegeven.
Ontwaakt, want uw leven is eeuwig. Ontwaakt uit uw diepe slaap. God is in u. Roept om hulp, vraagt God om kracht om u te helpen uw weg te vinden. (313) En wanneer gij u in deemoed buigt en alles aan Gods voeten neerlegt, dan zal ook alles voor u anders mogen worden. Bid vrienden, bid veel, vraagt om de krachten, die in u zijn, te mogen leren kennen. Bid dat Gods licht u steeds moge beschijnen, dat gij eens zult zien in volle kracht.
Het is Gods wil dat Zijn liefde wordt gebruikt om anderen te helpen, om anderen te verwarmen, die Zijn liefde nog niet voelen. Weet vrienden, dat er een hoger gaan mogelijk is. God gaf u een denkend intellect, de genade om eeuwig te leven. Leert uw verstand gebruiken in dienst van God, al valt het u nog zo moeilijk. Leert vertrouwen dat God, in Zijn oneindige goedheid, u allen zal helpen om u het eeuwige geluk te doen toekomen. Amen."

Diepe stilte heerste onder hen. Allen zagen vol verwondering Alcar aan. Diepe eerbied voelden zij voor alles.
Als een flits kwam tot André: "Spreek over de natuur en verbind hen met het leven." Onmiddellijk begon hij en hij voelde, dat hij werd geholpen.
"Zusters en broeders! Wij komen uit een ander land om u te vertellen, hoe schoon het bij ons is en wij vragen u, om ons land te bezoeken. In ons land is het prachtig, ook de natuur is er anders dan hier. De hemel is licht gekleurd en overal groeien en bloeien bloemen, die nooit verwelken, maar eeuwig fris blijven.
Wij bouwen onze eigen huizen, zoals wij het zelf wensen. Zij hebben geen van alle een zelfde architectuur. Dat komt, doordat ook ieder wezen anders is en een eigen persoonlijkheid bezit. Zoals wij ons huis innerlijk voorstellen, zo zal het zijn. We kunnen naar eigen wens, tussen bergen of op vlakten, langs water en rivieren ons huis bouwen. Maar wij kunnen uit geen ander land de benodigdheden daarvoor betrekken. Alles kunnen wij aanwenden wat in ons land groeit en leeft. Ook weten wij dat het in andere landen, waar ook mensen leven, niet mogelijk is, om uit andere landen bouwstoffen te betrekken. Wij zijn aan wetten gebonden. Die wetten zijn overeenkomstig de innerlijke toestand van de mens, die daar leeft. Dit betekent, dat wij niet boven onze krachten mogen of kunnen gaan. Wij kunnen niet de benodigdheden uit andere landen verwerken, om de eenvoudige reden, dat er bij ons een ander klimaat heerst, waardoor alles ineen zou storten.
Wij leven als zusters en broeders tezamen. In liefde leven wij voor elkander en we zullen elkander nooit voorliegen of bedriegen, zelfs niet in gedachten. Wat gij vreemd zult vinden, is, dat wij het onmiddellijk zouden weten, omdat wij de gedachtengang van anderen kunnen volgen. Daarom zijn allen eerlijk en is een broeder of zuster open, geheel open, voor alle anderen. Wanneer wij een zuster of broeder zien, zien wij ons zelf, omdat wij één liefde bezitten en in liefde één zijn, waardoor ons leven niets dan geluk is.
Wij doen aan kunst naar verkiezing en spelen met elkander als kinderen. We maken pret en hebben plezier, zo schoon is ons leven. (314) We gaan naar feesten in prachtige gewaden gekleed, zo ook naar concerten, waar verschillende meesters bijeen zijn en concerteren. Zij spelen niet van geschreven muziek, maar volgens de natuur, die in verschillende kleurennuances uitstraalt. De meesters zijn één met de natuur en zoals al het leven zich voelt, geven de meesters het weer door hun prachtige instrumenten. Wonderlijk is het bij ons en in vergelijking met uw land is het onze een paradijs te noemen. Wij hebben prachtige tempels en gebouwen en wat voor u ongelooflijk zal zijn, onze tempels echoën. Dat betekent dat het geluid wordt verspreid, zodat men, ook al bevindt men zich niet in de tempel, het concert toch kan volgen. Het verspreidt zich duizenden mijlen ver, omdat alles één is en leven betekent.
Wij kennen en bezitten vele wonderen die wij allen begrijpen, omdat wij het wonder innerlijk voelen. Zo zijn er voor ons geen geheimen meer, omdat een geheim een ander leven is en wanneer wij dat leven beleven, zullen wij het ons eigen maken en zal het ons toebehoren. Zo gaan wij steeds verder, steeds meer omhoog, en danken onze God voor alles, aan ons gegeven.
Het geluk lacht ons in alles toe. Wij bidden in de natuur, nooit in gebouwen of in tempels, omdat de natuur God is en wij door het leven, dat in de natuur leeft, God beter kunnen naderen, omdat het Gods heilige kracht is, die in alles ligt. En daarmede verbinden wij ons en zullen in niets worden gestoord, omdat ons samenzijn één is en wij ons in eenvoud en natuurlijkheid willen verbinden.
Zo voelen wij God en trachten onze almachtige Vader in liefde te naderen. Liefde is voor ons het heiligste, het schoonste en het machtigste door God geschapen en aan ons mensen gegeven. Het is de heilige kracht, die God zelf is en wanneer wij anderen kunnen liefhebben, naderen wij God, omdat God niets dan liefde is. Dan straalt alles ons toe en zullen we steeds gelukkig blijven.
Nooit worden wij oud. Ouderdom kennen wij bij ons niet. Een ouderdom, gelijk gij hier bezit, is ons onbekend. Wij zijn als de bloemen, steeds, ja eeuwig fris. Wanneer ik u een ander wonder zal vertellen, dan zeg ik u van tevoren, dat u het ongelooflijk zult vinden, maar ik zeg u ook, dat het waarheid is, zo waar als gij leeft. Wij en vele anderen bij ons, zijn reeds duizenden jaren oud en toch jong, toch schoon en wij kunnen kinderlijk zijn, in de schone betekenis van het woord. Is het niet ongelooflijk? Toch spreek ik de waarheid. Wij kunnen niet meer oud worden. Innerlijk zijn wij oud, maar uiterlijk zijn we jong. Onze ouderdom is onze wijsheid, die elk wezen bij ons bezit. Wie u ook bij ons zult zien of spreken, allen bezitten wijsheid, die zij innerlijk dragen. Onze wijsheid is ons gevoel, omdat wij het leven, dat in alles ligt, aanvoelen en daardoor alles begrijpen. Ik zou u nog duizenden andere wonderen kunnen opnoemen.
Bij ons waren vele vreemdelingen die ons kwamen bezoeken, maar niet meer tot hun familieleden wilden terugkeren. (315) Onze schoonheid hield hen gevangen. Zij begrepen maar niet, waarom wij allen zo jong waren en wilden graag weten, hoe dat te bereiken was.
Onze meesters, die bij ons alles besturen, hebben hen gezegd hoe het voor hen mogelijk kon zijn, in ons land te mogen blijven en een jong leven te kunnen bezitten. Zij vertelden hen het volgende: "Wij allen, die hier leven, leefden eens in een ander land. Toen wij nog daar waren, werden wij door vreemdelingen, die ons kwamen opzoeken, overtuigd van een schoner land, dat zij het land van liefde noemden. Zij zeiden tot ons, dat wij allen moesten optrekken om aan onze pelgrimstocht te beginnen. Zij maakten ons duidelijk hoe te gaan en door hun hulp zijn wij met duizenden opgetrokken, om hun land van liefde te bereiken. Zij vertelden ons ook dat het moeilijk zou zijn, daar wij onderweg veel te lijden zouden hebben. Maar eens daar aangekomen, zou alles niets dan geluk betekenen."
Met duizenden zijn wij heengegaan, slechts enkelen keerden terug. Wij vroegen God om kracht, om ons te steunen op onze moeilijke en zware tocht. Zo trokken wij verder, steeds verder en het wonderlijke geschiedde: wij werden steeds jonger, naarmate wij het land van liefde naderden. Onderweg deelden wij in alles. In liefde waren wij bijeen en hen, die niet meer verder konden, hielpen wij en wij steunden hen met alle krachten die in ons waren. Toen wij een eind gevorderd waren, ontwaakten wij en begrepen, wat de vreemdelingen bedoelden, omdat wij ons zelf zouden leren kennen. Velen begrepen reeds, hoe zij innerlijk voelden, hoe hun afstemming was en dat zij zich niet hadden gekend, omdat zij het leven niet hadden gevoeld, dat God in alles heeft neergelegd. Nu leerden wij het leven en ons eigen leven kennen (zelfbewustwording), door leed en smart, door moeilijkheden te overwinnen (het leermiddel voor geestelijke groei). Het was niets dan strijd, strijd en nog eens strijd, maar wij volgden en begrepen, dat ons hoger geluk wachtte. Dit was te zien door alles waarin wij ons bevonden, omdat wij verjongden, te midden van strijd. Zo kwamen wij in een ander land, dat echter nog niet het beloofde liefdeland was, waar de vreemdelingen leefden. Allen waren wij gelukkig, dat wij ons eigen land hadden verlaten. Hoe koud was alles bij ons, vergeleken met dat waar wij reeds waren. Toch was het in het land van liefde nog schoner. En met frisse moed gingen wij verder, steeds verder, totdat wij op een schone morgen het land van liefde binnentraden.
Hoe gelukkig waren wij. O, die eerste ogenblikken, toen wij als het ware ontwaakten, het was alsof wij droomden toen wij voelden, hoe groot Gods machten wel waren, hoeveel schoons God voor al Zijn kinderen heeft weggelegd.
Toen wij Gods heilige licht mochten aanschouwen, knielden wij allen neer en dankten God voor al dat schoons. Lang baden wij, ons hoofd diep gebogen voor al het schone, dat ons werd gegeven. Allen, door strijd, door leed en smart, hebben wij het land van liefde verdiend (het leermiddel voor geestelijke groei). Wij allen begrepen dat God niets dan liefde is. God is (een bron van) licht, God is leven. Allen waren wij jong, fris en schoon. (316) Allen, niet één uitgezonderd, riepen uit volle borst: God is liefde, God is licht, God is leven, eeuwig, eeuwig leven. Allen waren gelukkig."
André had vol vuur gesproken. Allen waren in gedachten met hem verbonden. Ook de geestelijke straalde, zijn oude gelaat weerspiegelde het geluk en het verlangen om dit schone te mogen bezitten.
Hun smachtende blikken ontroerden hem diep. Hij voelde daardoor, dat allen onder zijn invloed verkeerden en ook hij voelde, dat hij op dit ogenblik bergen zou kunnen verzetten. Vol vuur ging hij verder. "Onze meesters zeiden tot ons: "Gaat terug naar uw land en volg de weg die wij en vele anderen hebben gevolgd. Wijs hen de weg, hoe zij die te volgen hebben en steunt elkander op uw moeilijke tocht. Alles ligt aan u zelf. Gij hebt uw eigen geluk in handen. En wanneer gij ten koste van veel leed en smart volhoudt, kunt gij spoedig hier zijn, waar duizenden u zullen opwachten en wij zullen zorgen, dat alles gereed is om u te ontvangen. Allen die onze weg volgen, kunnen hier binnentreden. Voor ieder wezen is hier geluk, niets dan geluk. Eeuwig, heilig geluk wacht u. Maar vergeet niet, dat u hier nooit kunt binnentreden als je uw weg niet in liefde hebt gevolgd en niet alles hebt liefgehad, wat gij op uw weg zult ontmoeten."
André zag, dat de geestelijke van zijn voetstuk afdaalde en op Alcar toetrad. André ging verder:
"De vreemdelingen keerden terug naar hun eigen land en duizenden trokken op om het land van liefde te bereiken, om hun pelgrimstocht te beginnen. En u, vrienden, u allen roep ik toe: verlaat ook gij dit koude land, er wacht u ander, een hoger geluk. Verlaat dit tranendal en volgt de weg die zij bewandeld hebben en allen bewandelen zullen omdat het de weg is, die God ons aanwijst en steeds aanwijzen zal. Staat op, vrienden, volgt de weg van liefde. Volgt de weg, die u zal brengen naar het land van eeuwig geluk, waar uw vrienden die er reeds zijn, leven."'
André voelde, dat hij op dit ogenblik nog verder mocht gaan en riep hun vol vuur toe: "Vrienden, ik zal u nog meer vertellen, het is de waarheid, zoals alles waarheid is. Luister, luister goed en vergeet het nimmer. Gij leefde allen op aarde en bent daar gestorven. Gij leeft in de eeuwigheid, maar hebt uw aards leven verknoeid, omdat uw leven stoffelijk was, waardoor gij in deze toestand bent gekomen; gij weet van een geestelijk leven niets af, omdat gij u voor dat leven hebt afgesloten. Bid dat God u de ogen zal openen.
Waar zijn uw kinderen? Ook zij leven hier aan deze zijde, maar in andere landen. Zij zijn schoner en reiner zodat gij hen niet kunt zien, omdat zij die hogere afstemming bezitten. Voelt uw onnatuurlijke toestand aan en vergelijk uw leven met een hoger, een geestelijk leven, waar gij eens eeuwig zult leven. Nu komt gij in botsing met alles, wat zich in dat land bevindt, ook met uw eigen kinderen. (317) Niet hier, nooit of te nimmer, zult gij uw kinderen terugzien. Daar, waar niets dan geluk is, daar zult gij hen terug vinden, in hemelse schoonheid. Gods wil is, vrienden, dat gij Zijn weg volgt. God is liefde, vrienden, God is licht, geluk en leven."

Nu waren allen veranderd. Hij hoorde de geestelijke uitroepen: "God is liefde, wij willen de weg van liefde volgen". Allen riepen dooreen: "God is liefde, wij willen naar het land van liefde, wij willen onze kinderen terugzien." Het was een groots einde, dat hij niet van te voren had durven verwachten. Velen schreiden, tranen rolden over hun wangen. Nu waren allen ontdooid, hun harten waren gesmolten, Liefde stroomde binnen, de koude moest plaats maken voor een warmer en schoner gevoel. Het was het nieuwe in al zijn schoonheid.
Alcar zei hem, op te houden en dat zij voor hun ogen zouden verdwijnen. Als een flits kwam tot hem: ook jou zal ik overtuigen van wat liefde vermag, wat liefdekrachten zijn.
"Maak je gereed, André, en geef mij je hand als contact." André voelde niets dan geluk in zich.
"Waar ik je in de donkere sferen over heb gesproken, zal nu geschieden. Concentreer je op mij, alle krachten zijn gewenst." De geestelijke stond voor zijn parochie en uit honderden kelen hoorden zij: "God is liefde, wij willen naar het land van liefde en geluk, wij willen onze kinderen terugzien."
Voor het laatst zagen zij naar hen; toen hoorde André tot zich zeggen zich gereed te houden, hij voelde zich in een andere toestand optrekken en zij waren voor hun ogen verdwenen. Nog klonk hen in de oren: "Een wonder is geschied, Christus was in ons midden, Christus was hier, Christus heeft zich met een apostel vertoond. God is liefde, niets dan liefde."
"Hoort hen, mijn zoon! Zij denken dat Gods heilig kind in hun midden was. Het is de kracht van de liefde die een mens kan bezitten en waardoor hij zich voor lagere toestanden en afstemmingen onzichtbaar kan maken. Het is dus niets anders dan liefdekracht, op geestelijke afstemming."
Hand in hand zweefden zij verder, een andere sfeer tegemoet.

Eerste, tweede en derde sfeer

"Hoe moet ik u danken Alcar, voor al uw hulp, aan mij gegeven." "Dank niet mij, mijn zoon, dank God, Die je deze genade heeft gegeven, dat je dit alles hebt mogen beleven."
"Hoe is het mogelijk, Alcar, om deze wonderen te verrichten?"
"Het zijn geen wonderen, André. Ik heb je toch duidelijk gemaakt, dat het niets dan liefdeafstemming is in de geest. Christus manifesteerde zich op deze wijze op aarde aan zijn apostelen. Christus maakte zich één met de stof, Hij, die zich met planeten en sterren kon verbinden. (318) Ook de mensen op aarde dachten een wonder te zien, maar het komt hier op neer, dat het de kracht is van het wezen, dat liefde voelt en bezit. Wanneer wij dit kunnen, hoe groot is dan de kracht niet van Gods volmaakt kind. En Hem sloeg men aan het kruis, omdat de mensen deze heilige krachten niet kenden, niet begrepen. Alles wat zij niet kennen, verwerpen zij. Zo gaan vele en heilige waarheden verloren. Alles is eenvoudig. Hier zijn geen wonderen, alle wonderen liggen in een menselijke afstemming en toestand. Dus het wonder zijn we zelf, in ons ligt en kan die heilige liefde zijn. Dan zijn we in staat om voor hen, die nog niet zo ver zijn, wonderen te verrichten. In een verwonderde toestand hebben wij hen achtergelaten, maar hoe is alles, wanneer men het weet?
Liefdekracht, het geestelijk goud in het leven na de dood, dat te bezitten, zal voor anderen wonderlijk zijn en voor hen die haar bezitten, niets dan geluk.

De eerste sfeer
Nu gaan wij naar de eerste geestelijke bestaanssfeer in de geest. Zij die daar leven, André, weten, dat zij op aarde zijn overgegaan. Zij weten dat zij in de eeuwigheid leven, al is hun gevoel stoffelijk. De sfeer is daarom gelijk aan de aarde, maar in geestelijke substantie. Het is daarom de eerste bestaanssfeer, wat betekent, dat zij waarlijk zich in de geest afstemmen. Hier dus een natuurlijke toestand. Wat daar leeft is waar, is echt, omdat het een bestaanstoestand is. Is je dat duidelijk?
Vandaar beginnen zij dus hun ontwikkeling in de geest en volgen de weg, die allen, die nu onder deze afstemming leven, te volgen hebben. Daar leven mannen en vrouwen bijeen, zo ook jongere mensen, maar geen kinderen. De kinderen leven in andere sferen, waarop de kleinen afstemming vinden, om later in een bestaanstoestand binnen te treden wanneer zij de leeftijd daarvoor hebben bereikt.
De kindersferen liggen in de hogere gebieden die wij zullen bezoeken. Anderen echter, ik bedoel de jongere wezens, hebben de leeftijd van veertien jaren bereikt en zijn van de aarde hier aangekomen. Zij, die onder deze leeftijd zijn, en dat zijn zij van zeven tot veertien jaren, leven weer in andere sferen dan de nog kleinere wezens die de aarde hebben verlaten. Wij hebben dus verschillende toestanden voor de kleinen, namelijk verbindingssferen, die tussen de derde en vierde en vijfde sfeer in liggen. De jongeren, die in de eerste sfeer leven, zijn, wanneer hun ouders geen andere en hogere sferen bezitten, bijeen. Wanneer dus ouders een andere afstemming bezitten of omgekeerd, zijn ze alleen, totdat zij zich één afstemming hebben veroverd, één liefde bezitten, wat hun afstemming is in de geest. Maar wij weten dat er moeders alleen zijn, kinderen en vaders alleen, evenals verschillende vrienden en familieleden, om later voor eeuwig tezamen te zijn, in geluk, in liefde, in volmaakt heilig geluk. Maar niet eerder dan dat zij de eerste gelukkige sferen in de geest hebben bereikt. Velen wachten daarom met ongeduld het ogenblik af. dat zij verbonden zullen worden. (319)
Zo komt de mens van de aarde naar hier en denkt zijn geliefden te ontmoeten, die dan in andere sferen leven. Dan zijn zij droevig en er spelen zich treurige tonelen af. Er is niets zo vreselijk dan wanneer de mens in de donkere sferen moet afdalen. Toch kunnen zij niet tezamen zijn."
"Zien zij elkander dan helemaal niet?" "Zeer zeker; de hogere afstemming kan zich met een lagere verbinden. Dit is mogelijk, maar ook wij zijn aan wetten gebonden. Je zult hebben opgemerkt, dat het hemellicht steeds verandert, totdat wij de eerste sfeer binnentreden, waar het licht is, zoals men op aarde bezit. Zie, wij zijn reeds in de eerste sfeer. In niets zul je enig verschil zien met de aarde. Het is de aarde, maar in de 'geest'.
André zag een land, zoals Alcar zei, dat op de aarde geleek. De hemel was bewolkt en er waaide een straffe wind. Hij zag vogels en bloemen, bomen en groen, alles zag hij, wat men ook op aarde in de natuur kende. "Hoe is het mogelijk, Alcar, een gene zijde en toch op aarde."
"Juist, André. De mens weet, dat hij in de geest leeft, maar zijn gevoel (bewustzijnstoestand) vindt afstemming op de stof. Zij bevinden zich in het eerste stadium van geestelijke ontwikkeling. Zij zijn overtuigd dat alles, wat de aarde toebehoort, geen waarde heeft in de geest. Allen trachten een hogere sfeer te bereiken, waar zij alleen zullen en kunnen komen wanneer zij anderen helpen om voor anderen iets te kunnen zijn, wat de gevende liefde is en betekent. Is je dat duidelijk?"
"Ja, Alcar, alles." "Straks, wanneer wij de tweede sfeer binnentreden, zal je duidelijk zijn, hoe ingespannen hun leven is, om een hogere sfeer binnen te mogen gaan."
Hij zag vele oude en ook jonge mensen tezamen. Niets vreemds was aan hen te zien. Zij droegen gewaden van grove stof en enkelen waren er onder, die reeds een schoon gewaad droegen. Hij voelde wat dat betekende. Deze zouden misschien spoedig een hogere afstemming binnentreden.
"Zeer goed gevoeld, André. Zij leven reeds in de tweede sfeer en wachten af, totdat zij mogen overgaan. Allen strijden hun zware geestelijke strijd om hoger te komen, zij zullen niet rusten voordat zij het Zomerland hebben bereikt, de eerste gelukkige sfeer. Daarom zijn de eerste, de tweede en de derde sfeer louteringssferen, waarin de mens zijn stoffelijk gevoel aflegt. Eerst in de derde sfeer voelen zij zich van de stof bevrijd en maken zij zich gereed om het Zomerland in te gaan, waar je op je vorige tocht bent geweest. Hun strijd is dus de strijd om zichzelf te overwinnen. Je voelt zeker hoe moeilijk het is, omdat zij zichzelf stuk voor stuk moeten afbreken. Alle aardse voetstukken vallen ineen aan deze zijde. Eerst moeten zij afbreken wat zij dachten te bezitten. Hun aards bezit is niets anders dan belemmering in het leven aan deze zijde.
Velen keren van hieruit naar de aarde terug, om geliefden, die zij hebben achtergelaten, in de stof te helpen. (320) Zij overtuigen hen van hun eeuwige voortleven en sporen hen aan, zich in de geest te ontwikkelen. Anderen weer dalen naar de donkere gebieden af om de ongelukkigen te helpen en werken zo aan zichzelf, omdat zij voor anderen iets willen zijn. Aan deze zijde kan de mens zich alleen ontwikkelen door te geven, wat de dienende liefde is. Hij, die eist, staat in ontwikkeling stil. Het leven op aarde dus is niet te vergelijken met dit leven, al is de sfeer met de aarde te vergelijken. Vergeet niet dat aardse toestanden geen betekenis hebben in de geest. Hier leeft de één voor de ander. Op aarde dient de mens de mens. Hij, die veel bezit heeft, laat zich bedienen, hier is dat alles afgelopen. Allen die dus de eerste sfeer hebben bereikt, zijn innerlijk van hun geestelijke leven overtuigd.
Dan liggen ook in deze sfeer andere toestanden, ook weer tussensferen, waar de mens leeft die zich ook op aarde in eenzaamheid opsluit. Zij leven hier eenzelfde leven, omdat hun gevoelsafstemming eenzelfde is. Maar wanneer wij hen op hun toestand wijzen, dan krijgen wij ten antwoord: "Ik leef gelukkig, heb ik geen licht?" Natuurlijk hebben zij licht, maar wat is hun licht vergeleken met het licht van diegenen die in de hogere sferen leven? Maar als zij op deze weg voortgaan, zullen er honderden jaren voorbij gaan en al die tijd leven en blijven zij in één en dezelfde afstemming. Hun ontwikkeling staat stil, omdat zij zich voor het leven afsluiten. Je ziet aan al deze toestanden dat alleen zij gelukkig zullen zijn, die één zijn met aller leven, wat de weg van liefde is, die zij te volgen hebben."
"u zei mij, Alcar, dat een hoger afgestemde tot een lagere sfeer mag afdalen; mogen zij daar dan niet blijven?" "Zij mogen en kunnen doen, zoals zij het zelf willen. Maar wanneer zij met hen treuren om het niet één zijn, gaan beiden ten onder; met andere woorden, ook hun ontwikkeling wordt verhinderd, omdat zij medelijden voelen voor hen, die in een lagere toestand leven. Ook hierin ligt duidelijk dat medelijden te voelen ondergang kan zijn. Het van tijd tot tijd weerzien van hun geliefden zal hen aansporen aan zichzelf te werken. Ook zij moeten opwaarts en zullen zich van hun toestand los maken."
"Dan is een geestelijke scheiding moeilijker voor de mens dan de aardse, niet waar?"
"Zeer goed gevoeld, André. Op aarde leeft de mens tijdelijk, hier zijn zij in de eeuwigheid. De scheiding op aarde kan kort zijn, hier kan het honderden jaren duren."
"Kan men zich hier sneller ontwikkelen dan op aarde?" "Op aarde is het gemakkelijker om zich geestelijk te ontwikkelen dan aan deze zijde. En wel hierom: zich op aarde geestelijk geluk eigen te maken in een stoffelijke toestand vergt een zware strijd, kost inspanning en kracht. De stof is het middel, door de stof kan men het bereiken. Het leven op aarde is niet moeilijk wanneer men alles heeft wat het leven doet veraangenamen. Door de stof kan men zich ontwikkelen door anderen te helpen. (321) Dat is, zich los maken van alle bestaande stoffelijke toestanden. Velen echter gaan door de stof ten onder.
Het loskomen van de aarde, dus in een stoffelijke toestand zich geestelijk verrijken, dat is de bedoeling, dat wil God van al Zijn kinderen (de aarde biedt de weerstand die de geest moet overwinnen m.b.v. zijn geestelijke vermogens, die daardoor worden ontwikkeld). Velen, zoals ik zei, worden door de stof geleefd. In het leven op aarde kan men door één daad een mens gelukkig maken. Eén daad in liefde volbracht, is de ontwikkeling van het leven. De aarde bevindt zich in diepe duisternis; om van duisternis tot het licht te komen, kost kracht. Zij die dat kunnen, zullen licht zien wanneer zij overgaan! Zij zien het licht, dat zij innerlijk dragen en zullen hier hun afstemming vinden. Hoe wordt er op aarde geleefd? Het is ons hier bekend. Waarom bezoeken zij van hier uit de aarde? Om anderen te helpen. Op aarde is het een grote moeilijkheid om de mens te bereiken. Ik heb je dat reeds duidelijk gemaakt, toen wij in het Schemerland waren. We zullen nu verder gaan naar de tweede sfeer."
"Zie daar, Alcar, vele geesten zweven ons voorbij. Waar gaan zij heen?"
"Zij bezoeken toestanden, om de wetten des geestes te leren kennen. Zij allen zijn studerenden. De wetenschap, waaraan zij op aarde begonnen zijn, kunnen zij hier vervolgen en zich daarin verder ontwikkelen. Maar eerst hebben zij te leren hoe verbindingen tot stand worden gebracht. Allen zijn gelukkige geesten. Op aarde kan men zich iedere studie eigen maken, maar hier is dat niet mogelijk. Hier moet men liefde bezitten en een zekere graad hebben bereikt, voordat men zich voor de éne of andere studie kan bekwamen. Zij zouden de psychische wetten niet kunnen aanvoelen. Alle wijsheid is dus aan deze zijde liefde, niets dan liefde. En liefde is wijsheid in de geest. Het leven hier is niet met het aardse te vergelijken. Hier is