David V. Tansley - De kosmische mens

Uniboek BV, Bussum, 1977
ISBN 90 228 4070 0
Vertaling: drs. A.E. Reinders-Reeser


William Blake (19e eeuw, aquarel)
De Zon aan zijn oostelijke Hemelpoort
Inhoud

1. De mens: geest en schaduw 5
2. De geest wordt beschouwd als het wezenlijke 5
3. De tempel van het lichaam 8
4. De drievoudige baan van de ruggegraat 10
5. Het hart: kamer van licht 11
6. Het bloed: de mysterieuze stof 13
7. De klieren: de hiërarchie van het evenwicht 14
    Epifyse en hypofyse
8. De afdaling van de geest in de materie 16
9. Het stralende lichaam 20
10. Vormen en velden 21
11. Chakra's: poorten van het bewustzijn 26
12. Genezing en dynamisch evenwicht 28
13. Meditatie: de innerlijke verheffing 30

Samenvatting van de begrippen 'geest' en 'ziel'

Slotsom: de geest is het werkzame wezen dat in zijn ziel en zijn lichaam woont. De ziel is de 'aura', de uitstraling van de geest en het lichaam het voertuig voor deze wereld.
Als er een uitstraling is, is er een bron die er de oorzaak van is. Die bron is de menselijke geest. Als de geest in zichzelf met zijn geestelijke vermogens werkzaam is, wordt de ziel als uitstraling rondom de geest gevormd. Door de ziel heen is de geest in staat gedachten en besluiten vanuit zichzelf op de hersenen in het lichaam over te brengen en zo het lichaam als voertuig voor deze wereld te gebruiken.
Regelmatig worden 'geest' en 'ziel' verwisseld. Dit wordt veroorzaakt door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, waarin de menselijke geest hier verkeert.
Door vereenzelviging met de inhouden van de ziel, voelt de geest zich één met zijn innerlijke gedachtenwereld. Die gééstestoestand van vereenzelviging met de ziel wordt door veel schrijvers óók 'ziel' genoemd, doordat het lijkt, alsof de geest hetzelfde is als de ziel. Door deze onbewuste vereenzelving wordt het onderscheid niet meer gezien en worden 'geest' en 'ziel' aan elkaar gelijk gesteld en verwisseld.

1. De mens: geest en schaduw
Zolang de mens bestaat, heeft hij geloofd dat zijn fysieke vorm slechts een afspiegeling is van een reeks subtiele lichamen en dat in hun totaliteit deze onzichtbare, in elkaar overlopende vormen een afspiegeling zijn van het wezen van God, de kosmische Mens, gekruisigd aan het kruis van de materie.
De meeste, zo niet alle geestelijke en filosofische geschriften van alle tijden getuigen van deze opvatting. Het is duidelijk dat reeds de Egyptenaren, de Chinezen en de Grieken, en ook de Indianen van Noord-Amerika, de stammen in Afrika en de Polynesische Kahuna's, de Inka's, de vroege christenen, de vedische zieners in India en de alchemisten in de middeleeuwen, allen op de één of andere manier de mens en de studie van de anatomie, zowel fysiek als subtiel, gezien hebben als een sleutel van het wezen van God en van de wereld.
Een der diepste mystieke denkers van India, Shankara, schreef in The Crest Jewel of Discrimination: "De mens is meer dan zijn schaduw"; en honderden jaren later werd dit thema herhaald door de renaissance natuurfilosoof Paracelsus, die zei dat de mens, door het licht van de natuur te volgen, kan leren dat hij een tweede helft heeft: de mens bestaat niet alleen uit vlees en bloed, maar ook uit een lichaam dat niet met mensenogen kan worden gezien. De mens, zegt hij, heeft een zichtbaar en een onzichtbaar lichaam.

De ziener Jacob Boehme geeft in zijn Aurora nog krachtiger uitdrukking aan deze gedachte:
Open uw ogen en beschouw uzelf: de Mens is gemaakt volgens de gelijkenis met en uit de kracht van God in zijn drievuldigheid. Bezie zelf uw innerlijk, dan zult ge dit duidelijk weten, tenzij ge een onwetende zijt of een onredelijk dier; daarom, zie!

Dit verband tussen de mens en het wezen van God ligt ten grondslag aan alle filosofische en religieuze doctrines van de oudheid. De traditionele leer was verdeeld in twee categorieën: een voor hen die slechts de letterlijke uitdrukking van de mysteriën van de natuur verstonden en die de krachten van het heelal aanbaden als goden en godinnen, en de andere voor hen die achter de godenbeelden de abstracte waarheden konden zien en de geestelijke werkelijkheid die zij vertegenwoordigden.
De mensen in de tweede groep vormden vaak scholen of broederschappen waar de innerlijke of esoterische betekenis van de leer werd onderwezen. Deze esoterische inhoud vormde een hoeveelheid kennis die men de Mysteriën noemde en de geheimen hiervan werden door de priesters doorgegeven aan de leerlingen in een symbolische taal, zodat alleen ingewijden toegang hadden tot de geweldige krachten in de natuur, en deze konden gebruiken ten dienste van hun medemensen. Elke beschaving heeft haar eigen Mysteriën en er zijn vele bloeiende esoterische scholen geweest; in het Westen o.a. die van Hermes, Isis, Eleusis en Mithras, van de Druïden en de Rozekruisers.

terug naar de Inhoud

2. De geest wordt beschouwd als het wezenlijke

de ziel (aura): uitstraling van de geest
ontstaat door de werkzaamheid
van de geestelijke vermogens
en heeft de vorm van een torus
bron: B. Brennan, Licht op de aura
De geest - Door studie en contemplatie van de leer kon de leerling inzicht verwerven in zijn relatie tot God, waardoor hij een toestand van bewuste eenwording met de godheid kon bereiken.
In alle mysteriën staat het idee centraal dat de mens, gemaakt naar het beeld van God, een drievoudige aard heeft, bestaande uit geest, ziel en lichaam. De geest wordt beschouwd als de ware essentie
, het onsterfelijke zaad: als een vonk van de Goddelijke Geest, van de Vader in de hemel.

De ziel - Geest is mannelijk van aard en het lichaam is het stoffelijke, vrouwelijke tegendeel. (5) Uit de verbintenis van deze twee tegengestelde polen komt de ziel voort.
Volgens de Griekse traditie is de ziel een stralende lichtmassa, die zij de 'augoeides' noemden, 'stralende vorm'. Damascius schreef over deze lichtmassa:
In de hemel wordt onze stralende augoeides doortrokken met hemelse glans en doorstroomd door een heerlijkheid, die goddelijke kracht geeft. Maar op lagere niveaus verliest hij deze glans en wordt hij als het ware bezoedeld, steeds donkerder wordend en stoffelijker.

Zoals de mystici van alle disciplines, spreekt Damascius ook over het duister worden van het licht van de ziel wanneer deze afdaalt in de grovere niveaus van de materie op zijn weg naar de incarnatie. De bijbel gebruikt de analogie van de schaduw die wordt geworpen tot in het verre land in de gelijkenis van de verloren zoon, en Plato zegt in de Phaedrus dat de ziel [de geest, zie punt 2] gevangen zit in het lichaam als een oester in zijn schelp.
In de veda's, de heilige geschriften van India, wordt de mens genoemd 'de honing-eter' die naar de korf van de ziel komt om van het goddelijke nectar van de geest te proeven. De ziel wordt volgens de Bhagavad Gita verborgen door drie sluiers of lichamen, één van de geest, één van het gevoel en één van de dichte, fysieke stof.
Deze drie niveaus moeten onder de heerschappij van de ziel [de geest, zie punt 2] gebracht worden op de lange reis terug naar het huis van de Vader. Deze onderwerping gebeurt volgens methoden die in elke esoterische leer worden beschreven. Allereerst luidt de opdracht 'Ken uzelve' en vanuit een theoretische kennis van zijn ware natuur kan de leerling door middel van fysieke, emotionele en geestelijke reiniging, door gebed, studie en meditatie en een sober leven, komen tot een directe kennis van de geest en de ziel binnen in hem. Zo kan de leerling het licht van de ziel (de geest, zie punt 2) doen stralen in de duisternis van de drie werelden, en de beperkingen - hem opgelegd door de materie - overwinnen.

In de gehele esoterische traditie vindt men de leer van het bestaan van velerlei lichamen naast het fysieke, hoewel er ten aanzien van het juiste aantal wel enig verschil van opvatting blijkt te zijn. De Kahuna's verdelen bij voorbeeld de mens in drie delen: het lagere, het midden en het hogere; dit hogere noemen zij aumakua: 'de volkomen ware ziel' [de geest, zie punt 2]. Deze drie delen zijn elk weer in drie delen onderverdeeld, samen met het fysieke lichaam zijn er dan tien delen. In de Tarot daarentegen leert men dat de mens drie of vijf, of zelfs zeven lichamen heeft.
Maar al te gemakkelijk krijgt men een verward beeld van het innerlijke wezen van de mens als men het onderwerp op een zuiver intellectuele manier benadert, want een groot gedeelte van de terminologie heeft het karakter van een raadsel dat aan mensen, die intuïtief functioneren, wijsheid brengt, maar hen die niet openstaan voor de innerlijke waarheden slechts in verwarring brengt.

Men moet altijd voor ogen houden dat analogieën, in woord en beeld, van de subtiele anatomie van de mens niet meer zijn dan 'vingers die wijzen naar de maan', richtlijnen die men niet met de werkelijkheid moet verwarren. In de 'Tales of power', door Carlos Castaneda, tekent de tovenaar Don Juan in de as van het vuur een figuur, voorstellende het stralen-lichaam van de mens en zegt hij Castaneda dat hij niet meer aan zichzelf moet denken als een stoffelijk lichaam. Wanneer Castaneda opmerkt dat de tekening niet lijkt op de vorige die hij zich herinnert, zegt Don Juan hem dat de uiterlijke vorm van geen belang is; de tekening is geen lichaam; met andere woorden: laat u niet vangen in symbolen, maar zie door deze de werkelijkheid. Hoewel het belangrijk is ook met het verstand de subtiele lichamen te kennen, moet deze vorm van kennen getranscendeerd worden en omgezet in beleven; alleen hierdoor kan de sleutel worden omgedraaid in de deur die toegang geeft tot de Mysteriën en kan men de ware kennis van zijn innerlijk wezen verwerven.
Er zijn ook mensen die door helderziendheid de subtiele lichamen van de mens kunnen waarnemen, maar deze wijze van zien is aan weinigen voorbehouden. Dit moet men echter niet zien als een beletsel in de bestudering van de innerlijke natuur, maar veeleer als een aansporing om hogere niveaus van waarnemen te ontwikkelen die bovendien nauwkeuriger zijn dan helderziendheid. In The Secret Doctrine van Madame Blavatsky, de stichtster van de Theosofische Beweging, haalt zij een passage aan uit de boeddhistische leer die zeer toepasselijk is bij de bestudering van de subtiele anatomie van de mens:
Boeddha heeft gezegd dat we iets dat wordt gezegd niet moeten geloven alleen omdat het wordt gezegd, noch tradities alleen omdat ze doorgegeven zijn van generatie op generatie, noch geruchten, noch de geschriften van wijzen, alleen omdat ze geschreven zijn door wijze mannen, noch fantasieën waarvan we denken dat een Deva ze in ons heeft opgeroepen (dit is veronderstelde geestelijke inspiratie, ingeving), noch conclusies die getrokken worden uit willekeurig gedane veronderstellingen, noch ogenschijnlijk noodzakelijke analogieën, noch alleen de autoriteit van onze leraren of meesters. Slechts datgene moeten wij geloven in woord of geschrift dat bekrachtigd wordt door ons verstand en ons bewustzijn.
"Want dit heb ik u geleerd," zegt hij, "om niet te geloven in woorden alleen, maar om met het bewustzijn te geloven, en daaruit overvloedig te handelen."

Alice Bailey, die in het voetspoor is getreden van Madame Blavatsky en later de helpster is geworden van de Tibetaanse Meester der Wijsheid Djwal Khul, citeert hetzelfde gedeelte in de inleiding van 'A Treatise on Cosmic Fire', en voegt eraan toe dat de bereidheid om de esoterische leer met sympathie, eerlijkheid en oprechtheid te beschouwen, een grote hulp zal zijn bij het ontwikkelen van intuïtie en geestelijk onderscheidingsvermogen. Haar geschriften vormen een van de helderste technische uiteenzettingen over de subtiele lichamen die tot op de dag van vandaag geschreven zijn.

terug naar de Inhoud

3. De tempel van het lichaam
In vele religieuze tradities wordt de fysieke gedaante, het lichaam van de mens de schepping van de goddelijke Architect genoemd en gesymboliseerd als een tempel. In de bijbel wordt de mens bijvoorbeeld genoemd De Heilige Stad van Ezechiël, de tabernakel in de wildernis, of de Tempels van Salomo en Zerubbabel.
Paulus schrijft: "Weet gij niet dat gij de tempel van de levende God zijt?'' en Jezus zelf zei: "Verwoest deze tempel en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen." Overal ter wereld worden tempels gebouwd in de gestileerde vorm van het menselijke lichaam; de grote Egyptische tempel te Karnak, de Joodse tabernakels en de tempels in India hebben alle deze vorm. De meeste christelijke kerken hebben de vorm van een kruis, waarin men de vorm van een lichaam met uitgestrekte armen herkent. (8)
In de Upanishaden noemen de Indiase zieners het lichaam de Stad van Brahman, een begeerlijke hemelse woonplaats, waar de lotusbloem van het hart woont. Paracelsus schreef ook dat het lichaam het huis van de ziel [de geest, zie punt 2] is. Zowel de oosterse als de westerse filosofieën leren dat de ziel [de geest, zie punt 2] van de mens woont in zijn hart, en hieruit is de verering ontstaan voor het menselijke lichaam als de tempel waarin een godheid woont.

Alle tempels van de ware geestelijke aanbidding hebben drie gedeelten: een buitenste hof, een binnenste hof en een heilige der heiligen. Daarom heeft ook het menselijke lichaam drie delen die hiermee corresponderen. Eerst is er het gebied van de onderbuik, het bekken en het heiligbeen, dat overeenkomt met de buitenste hof van de tempel. Dit vertegenwoordigt de kamer waar de leerling die ingewijd wordt in de Mysteriën deelneemt aan het ritueel dat hem in staat stelt tot zijn eerste belangrijke stap naar bewustzijnsverruiming. In dit stadium van zijn opleiding krijgt hij inzicht in de werking van de geest en het juiste gebruik van 'de lagere niveaus van de geest'. Dit gedeelte van de geest wordt vaak 'de kracht die de werkelijkheid verslaat' genoemd, want als het te actief wordt, leidt het af van de werking van de hogere of intuïtieve geest en kan het de mens tijdelijk afsnijden van de Bron van zijn bestaan.
Door het middenrif gescheiden van de onderbuik volgt dan de op een doos gelijkende ribbenkast. Deze bevat het hart en de longen, de organen van leven en vitaliteit. Het is de binnenste hof of Heilige Plaats in de tempel van Salomo. Het hart wordt vaak de inwijdingskamer genoemd, hoog op het middenrif gelegen, de scheiding tussen de aardse werelden daaronder en die van de ziel en de geest daarboven. Hier leert de ingewijde de kracht van de ziel kennen en de werking van de ziel op het vlak van het abstracte denken. (9)

Het heilige der heiligen is de kamer van het hoofd, met de hersenen, de pijnappelklier en de hypofyse, waarvan de twee laatste lange tijd door de priester-genezers beschouwd werden als de organen van geestelijke waarneming. In deze kamer gaat de ingewijde over naar het derde niveau [de geest, zie punt 2]. De christelijke mysticus Meister Eckhart beschreef waarschijnlijk juist deze ervaring in het onderstaande:
Het verstand is de hoogste macht van de ziel, hiermee kan de ziel het goddelijke goed bevatten. Vrije wil is het vermogen het goddelijke goed te smaken dat door het verstand kenbaar wordt gemaakt. De mens van de ziel, die boven zijn engelenvorm uitstijgt en zich laat leiden door het verstand, dringt door tot de bron [de geest, zie punt 2] waaruit de ziel vloeit. Het verstand blijft achter samen met alle benoemde dingen. Zo wordt de ziel in zuivere eenheid gedompeld.

Bij het hoogaltaar van het hoofd bidt de ingewijde zonder ophouden tot God, want hij is zich nu bewust van de goddelijke aanwezigheid in alle dingen; zijn hele leven wordt een gebed. Nu de ingewijde gekomen is in het heilige der heiligen en geleerd heeft uitdrukking te geven aan de Liefde en de Wil van God door de verbintenis van hoofd en hart, is hij geworden tot een vertegenwoordiger van het hele mensenras. Hij kent nu de betekenis van het oude axioma: "Zoals een mens in zijn hart denkt, zo is hij."

terug naar de Inhoud

4. De drievoudige baan van de ruggegraat
De verbinding tussen de drie hoven van de tempel van het lichaam wordt gevormd door de ruggegraat, een uiterst belangrijk samenstelsel uit esoterisch oogpunt gezien. Aan het begin van de ruggegraat ligt, opgerold, de slang Kundalini. Madame Blavatsky noemde hem de fohatische of elektrische kracht, de oorsprong van alle organische en anorganische stof. Naarmate de mens zich ontwikkelt, ontrolt de slang zich en klimt hij omhoog langs de ruggegraat, hierdoor geestelijke regeneratie brengend op zijn weg van het gebied van de duisternis naar het licht in de geest daarboven.
De Egyptenaren beschouwden de ruggegraat reeds als de verbinding tussen de lagere en hogere hemelen, en als vertegenwoordiger van een dragende levenskracht. [De Indiërs noemden hem de Stok van Brahman.]

Anatomisch gezien is de ruggegraat een buigzame kolom, bestaande uit drieëndertig gedeelten, de wervels, die dienen ter bescherming van het ruggemerg, een belangrijk element in het centrale zenuwstelsel. Aan het getal drieëndertig wordt een diepe geestelijke betekenis verbonden. Drieëndertig was de geheime handtekening van Francis Bacon, die zeer bedreven was in de kennis van de Mysteriën. Het leven van Jezus duurde drieëndertig jaar en de psalmist David bereikte op drieëndertigjarige leeftijd een staat van geestelijke verlichting, waarbij de krachten in zijn hoofd, die de geest vertegenwoordigen, zich op een goede wijze hadden verbonden met die van zijn hart, het symbool van de ziel.
De bijbel beschrijft dit door te vertellen dat David de kracht van lsraël (het hoofd) samenvoegde met die van Juda (het hart) om zo als koning in Jeruzalem te regeren, de Stad van de Vrede, het symbool van een evenwichtig en geïntegreerd mens.
De geschriften van de Rozekruisers beschrijven de relaties tussen de ruggewervels en de planeten in ons zonnestelsel. De zeven halswervels worden in verband gebracht met de volgende planeten: de eerste met Saturnus, de tweede met Jupiter, de derde met Mars, de vierde met de zon, de vijfde met Venus, de zesde met Mercurius en de zevende met de maan. De twaalf wervels van de borstkas stellen de tekenen van de dierenriem voor. De vijf lumbaal-wervels, midden in het lichaam en onderaan de ruggegraat gelegen, stellen de vijf elementen voor, Vuur, Aarde, Lucht, Water en Ether, die alle staan in het teken van de Weegschaal omdat in dit gedeelte van het lichaam het evenwichtspunt ligt.
De vijf wervels van het heiligbeen waar de macht van de Kundalini zich bevindt, zijn samengegroeid; zij staan in het teken van de Schorpioen. Aan het einde van het heiligbeen liggen de vier wervels die samen het stuitbeen vormen, te zamen drieëndertig wervels.

De ruggegraat vertegenwoordigt de verbinding tussen de geest (in het hoofd) en de materie (in het gebied rond het heiligbeen) . Het drievoudige, louterde vuur van Kundalini, waardoor de mens wordt herboren, klimt langs de etherische ruggegraat omhoog onder de astrologische heerschappij van de drie vuurtekenen. De reiniging begint in het buitenste hof, gesymboliseerd door het vruchtbare gebied onder Boogschutter en gaat dan verder naar het hart, het binnenste hof, onder het teken van de Leeuw; vandaar stijgt het naar het heilige der heiligen onder Ram. Naarmate dit heilige vuur groter en intenser wordt, en naar mate het steeds hoger komt, wordt dit één met een lichtende, hemelse substantie, die uit het bloed voortkomt. Door deze samensmelting wordt dan het innerlijk oog van de geest geopend. De leerling wordt dan een levend voorbeeld van de uitspraak: "Indien uw oog één is, zal uw hele lichaam vervuld zijn van licht."
Het licht of de stralen die een mens doorschijnen wanneer hij één wordt met de bron van zijn bestaan, wordt op religieuze voorstellingen weergegeven met een corona of stralenkrans. ln de christelijke kunst komt deze voorstelling vaak voor; de veren van de slang symboliseren in de Indiaanse traditie van Mexico dit zelfde veld van energie of ontlading van de corona rondom de ingewijde of gezalfde, en de prachtige verenhoofdtooien van de stamhoofden in Noord-Amerika, die vaak tot over de rug vallen, zijn een teken van hun geestelijke status en hun wijsheid.

De ruggegraat wordt bekroond met de schedel, die door de antroposofische leermeester Rudolf Steiner werd vergeleken met een opgezwollen wervel. De hersenen zijn gevangen binnen de muren van de schedel, hetgeen volgens Plato een afspiegeling is van de cirkelvormige opbouw van de wereld.
In de Taittireeeya Upanishad lezen we dat plek waar de schedel open is [de fontanel], de poort is naar God; hierdoor treedt de mens uit, roepend, in het vuur, de lucht, de zon en de geest, en in die geest bereikt hij de hemel en overwint hij het verstand.
De schedel is wel genoemd de microkosmische hemel, rustend op de atlas of bovenste nekwervel: hier bevindt zich het kruispunt van het horizontale en het verticale, de schedelplaats Golgotha. De anatomie van de schedel omvat tweeëntwintig botten, veertien hiervan vormen het gezicht en achttien de schedel. Volgens de Kabbala beschrijft de Sepher Yetsirah deze ordening in het gedeelte waar wordt verteld hoe de Heer, gezegend is Hij, de tweeëntwintig Hebreeuwse letters rangschikte tot een muur. In het hoofd bevinden zich de hersenkamers, die de schuilplaatsen symboliseren van kluizenaars en wijzen die langs de heilige rivier van de ruggegraat zijn gekomen.

terug naar de Inhoud

5. Het hart: kamer van licht
Hoewel alle delen van het lichaam rijk zijn aan zinnebeeldige betekenis, heeft het hart wel het allermeest gesproken tot de verbeelding en de aandacht van wijsgeren van alle tijden en culturen. (11) Men zegt dat twee banen van energie de gedaante van een mens verbinden met zijn ziel. De eerste baan is het bewustzijn, verankerd in het hoofd in de pijnappelklier. De tweede baan, ook wel de levensdraad genoemd, is verankerd in het hart in de knoop van Aschoff-Tawara [de atrioventriculaire knoop, AV-knoop] tussen de hartboezems, die de hartslag bepaalt; vaak wordt dit ook de 'pacemaker' genoemd.
[Deze opmerking is niet juist. Het hart trekt samen door een elektrische prikkel die ontstaat in een zenuwknoop in de rechterboezem: de sinusknoop (de pacemaker, gangmaker). Vanuit deze knoop verspreidt de prikkel zich over de boezems. Tussen de boezems en de kamers zit een tweede zenuwknoop: dat is de AV-knoop. Deze houdt de elektrische prikkel heel even vast en verspreidt hem dan snel over de kamers. De werking van de eerste knoop, de sinusknoop, wordt beïnvloed door de vagus, de zenuw van het parasympathische zenuwstelsel, die afkomstig is uit de hersenen. (Freek)]

Zolang zijn levensdraad verbonden is met het hart, leeft en werkt een mens op het fysieke niveau van het bestaan. De baan van het bewustzijn wordt daarentegen steeds onderbroken wanneer men slaapt; hierdoor kunnen de zielekrachten [geestkrachten] in andere werelden functioneren gedurende die tijd.
Deze regels uit de veda's geven het binnentreden in deze andere werelden weer:
Afwerpend in de slaap wat van het lichaam is,
beziet hij zonder te slapen zijn slapende ledematen;
in hun licht keert hij dan weer.
De gouden geest, de eenzame reiziger.

Dit diepe nest zou hij met zijn leven beschermen,
En hij zelf stijgt onsterfelijk op van daar;
zonder te sterven gaat hij waarheen hij wil,
De gouden geest, de eenzame reiziger.

Wanneer men in staat is volledig bij bewustzijn te blijven in waken en slapen, kan men zichzelf terug zien glijden in het lichaam. In de bijbel worden de baan van het bewustzijn en de levensdraad samen het zilveren koord genoemd. Bij het doorsnijden van deze twee banen treedt de dood in, de ziel verlaat het lichaam, waarvan de atomen oplossen in de zee van de materie, waar zij rusten tot ze door een ander individu worden meegenomen bij diens terugkeer naar het fysieke leven.
De sinusknoop in de wand van de rechter boezem is verbonden met de vaguszenuw die door Corinne Heline in 'Occult Anatomy and the Bible' genoemd wordt de 'Weg voor de Adem van de Heilige Geest'. Wanneer een leerling de volledige inwijding heeft ondergaan, voelt hij intuïtief een sterke stroom van energie langs de vaguszenuw trekken, die de krachten van hoofd en hart coördineert. De veda's noemen het hart de zetel van Brahma of het onstoffelijke middelpunt van het bewustzijn van de mens; zij vergelijken het met de hangende kelk van een lotusbloem of bananebloesem.
In de holte van het hart leeft God, zeggen de veda's, Hij vult het met licht, onsterfelijkheid en verstand. In de lotusbloem van het hart bevindt zich een kleine ruimte waarin besloten liggen de hemel en de aarde, de zon, de maan en de sterren, en waar 'het licht van het ganse heelal schijnt'.
Shankara zei dat de ziel [de geest, zie punt 2] is als een licht, zo groot als een duim, in de holte van het hoofd. Dit vinden we ook in de Katha Upanishad:
Niet groter dan een duim
Is hier in ons lichaam de purusha,
Meester over het heden en het verleden;
Wie hem kent heeft rust,
Waarlijk, dit is dat.

Als een vlam zonder rook
Niet groter dan een duim is de purusha,
Meester over het heden en het verleden;
Hij is het heden en morgen
Waarlijk, dit is dat.

Paracelsus, de grote geneesheer uit de renaissance, doorkneed in de mystieke tradities van Europa, beschrijft deze 'bewoner van het hart' als een blauwig vlammende substantie, zo groot als een duim. In China vergeleken de taoïsten het hart met een kamer van vuur tussen de hemel (het hoofd) en de aarde (de onderbuik); transmutatie van het hart zou onsterfelijkheid teweegbrengen. In westerse mystieke tradities is het hart de zetel van het Licht van Christus; Jezus heeft zelf zijn discipelen aangespoord in de stilte van deze kamer te treden om direct te communiceren met God de Vader.
Voor helderzienden is het punt waar de levensdraad verankerd is in het hart, omgeven door een fel violetkleurig licht. Manly Palmer Hall schreef in 'Man, Grand Symbol of the Mysteries', dat reeds in de middeleeuwen dit punt bekend was aan theologen als het oostelijk gedeelte van de Hof van Eden, terwijl het hart zelf het Paradijs was, waar de rivieren ontspringen (de slagaderen) met het levende water (het bloed) om het land te drenken, het symbool voor de lichamelijke gedaante van de mens.

terug naar de Inhoud

6. Het bloed: de mysterieuze stof
Vele duizenden jaren sinds de mens is gaan onderzoeken wat zijn plaats is in het heelal en zijn verhouding tot het leven zelf, heeft het bloed, de stromende essentie van het leven, een belangrijke rol gespeeld in zijn zoeken naar de betekenis der dingen, waardoor er hele mythologieën over zijn ontstaan. In de heilige geschriften van de hele wereld staan verwijzingen naar bloed als de drager van het leven. Fysiologisch gezien brengt het een voortdurende stroom voedingsstoffen en zuurstof naar alle delen van het lichaam en voert het afbraakstoffen en gassen af.
Volgens de vedische leerstellingen kan het levensbeginsel dat is verankerd in het hart, samensmelten met het bloed en zo de levenskracht, de prana, naar alle delen van het lichaam doen stromen. Prana is de naam die gegeven is aan de bezielende krachten die van de zon uitgaan. Het hart brengt, samen met de milt, deze zonnekrachten door het hele lichaam.
Het verband tussen bloed en leven is duidelijk. Wanneer het bloed uit het lichaam vloeit, sterft de mens. De maandelijkse vloed van het menstruatie-bloed bij de vrouw houdt op, wanneer er nieuw leven in haar is in de vorm van een kind. Bloed is in zekere zin de essentie van het leven en hierom is ongetwijfeld het bloedoffer ingesteld dat nieuwe kracht en nieuw leven moet brengen.

De Grieken zeiden dat bij het brengen van offers veel geesten aanwezig waren om de levenskracht uit het vergoten bloed in zich op te nemen. Paracelsus schreef dat vergoten bloed zulk een kracht heeft, dat de uitstroming genoeg materie oplevert voor een zichtbaar lichaam, voor een wezen dat geen incarnatie heeft.
Duizenden jaren geleden werden de lichamen van de gestorvenen ceremonieel bedekt met een rode kleurstof, haematitis. Haematitis is een Grieks woord, dat bloedsteen betekent; deze stof werd bij begravingen alom gebruikt. In graven tussen de 20.000 en 45.000 jaar oud, in Siberië en Frankrijk, in Beieren, Wales en Zuid-Afrika zijn duidelijke bewijzen gevonden voor het oude geloof in de levenskrachten van het bloed en de haematitis.
Zowel in Afrika als in Australië zijn er stammen die de legende vertellen van de Moeder Godin Aarde, wier bloed in de aarde werd opgenomen en grote voorraden haematitis vormde. Nog heden ten dage wordt bloedsteen gebruikt om bloedingen te stelpen in de longen en de baarmoeder, als tegengif bij een slangebeet en om bloeddoorlopen ogen weer helder te maken. In Afrika wordt het gebruikt als schmink voor rituele doeleinden, zoals vroeger ook in Amerika en China.

Het bloed in het godsdienstig ritueel is in de moderne tijd vervangen door andere elementen. Het duidelijkst is dit in de Eucharistie, waar men deel heeft aan het lichaam van Christus in de hostie en aan het bloed van Christus in de wijn, die tevoren gewijd zijn met ritueel en gebed. De Rozekruiser Max Heindel schreef dat de ziel het fysieke lichaam bestuurt door het bloed, dat het voertuig is van de ziel. Empodocles schreef in 480 voor Christus 'bloed is leven', en Goethe liet Faust zeggen dat het bloed van de mens vloeibaar vuur is.
Volgens Steiner bevat het bloed van iedere mens de geschiedenis van zijn leven, omdat het elke gedachte en emotie registreert, terwijl het leven van de hemelen wordt doorgegeven door de adem naar de longen en daar een stempel drukt op het bloed. Zoals alle mystici, zegt ook Jacob Boehme dat de Geest van God rondwaart in het bloed van de mens, en iedereen kent de christelijke uitdrukking 'gered door het bloed van Christus'. Hiervoor zijn natuurlijk vele interpretaties, het kan ook betekenen dat de krachten in een mens worden gereorganiseerd als Christus in hem wordt geboren.
Boeddhistische teksten geven technieken aan om de aard van iemands gedachten te leren kennen uit de kleur van het bloed van zijn of haar hart: dit is mogelijk door helderziendheid. Als iemand blijde gedachten heeft, ziet men het heldere rood van een rijpe banyan-vrucht, bij droevige gedachten is de kleur van het bloed zwart en als de gedachten neutraal zijn, zal het bloed op heldere sesam-olie lijken.

terug naar de Inhoud

7. De klieren: de hiërarchie van het evenwicht
De endocrine klieren scheiden hormonen af in de bloedbaan om in de werking van fysieke organen evenwicht te scheppen. Het woord 'hormoon' komt van een Grieks woord 'hormaoo' dat betekent 'opwekken, in beweging zetten'. Er zijn zeven belangrijke endocrine klieren, die de gezondheid van de mens bepalen, zijn lichaamsbouw en zijn gemoedstoestand; zij hebben ook invloed op het zenuwstelsel, de spijsvertering en de algemene gezondheidstoestand van de mens.
De endocrine klieren waren een speciaal onderwerp van studie voor de priester-geneesheren in India; zij beschouwden deze klieren als de regelaars van de mens als lichamelijk, zedelijk en geestelijk wezen. Vijf van deze klieren liggen langs de ruggegraat.
De gonaden bevinden zich onderin de romp; zij produceren hormonen die met de voortplanting te maken hebben. Hierboven, aan weerszijden van de nieren, liggen de bijnieren; hun belangrijkste taak is het produceren van adrenaline, een hormoon dat een rol speelt in het vlucht- of vecht-mechanisme door de werking van het hart te versnellen, de bloedtoevoer naar de ingewanden en de huid af te sluiten en de spieren te voorzien van extra bloed en suiker uit de lever. Oude tradities zagen een relatie tussen deze klieren en de fysieke wil tot leven; de moderne fysiologie steunt deze opvatting, want als de bijnieren worden weggehaald, treedt direct de dood in.
De alvleesklier bevindt zich in het gebied van de plexus solaris, deze regelt de spijsvertering en zorgt ervoor dat de lever daarin opgeslagen suiker in het bloed vrijlaat om het organisme van energie te voor zien.
Boven het middenrif en achter het borstbeen ligt de thymus [dit is in feite geen hormoonklier]. De belangrijke relatie met de levensdraad, verankerd in het hart, is door de geneesheren van vroegere beschavingen niet over het hoofd gezien. De moderne geneeskunst heeft kort geleden deze klier opgenomen in de hiërarchie van de endocrine klieren (?). Men kent nu de werking ervan bij immuunreacties en men vermoedt dat hij samen met de bijnieren in stress-situaties in werking treedt.
De schildklier ligt onderaan de keel, om de luchtpijp heen. De schildklierhormonen werken door het hele lichaam en hebben een grote invloed op de stofwisseling. Vroeger beschouwde men deze klier als het brandpunt van de hogere creatieve krachten van de mens, de tegenpool van de gonaden. Een tekort aan schildklierhormonen veroorzaakt een gebrek aan intelligentie. In de schildklier liggen de bijschildklieren; zij regelen de kalkstofwisseling in het lichaam.

terug naar de Inhoud

Epifyse en hypofyse
In het hoofd bevinden zich de pijnappelklier (epifyse) en de hypofyse. De pijnappelklier ligt onder de hersenschors en achter de tussenhersenen; men heeft hier rudimentair retinaweefsel [oogzenuwweefsel] gevonden. Uit proeven is gebleken dat de pijnappelklier ontvankelijk is voor lichtprikkels. Galenus zei dat de pijnappelklier de gedachten regelde en volgens de Grieken was hier de ziel verankerd. De esoterische traditie leert dat deze klier het brandpunt zou zijn van de mannelijke positieve kracht van de geest.
De hypofyse bevindt zich achterin het dak van de neus in een holte. Deze klier [is de 'meesterklier'], regelt en bestuurt de werking van alle andere endocrine klieren. Als het bloed de juiste hoeveelheid van een bepaald hormoon bevat, rust de hypofyse, maar als er een tekort is aan één bepaald hormoon, dan scheidt deze een zogenaamd 'tropisch hormoon' af in het bloed dat de betreffende klier activeert, zodat het hormonale evenwicht weer wordt hersteld.
Als de hypofyse zeer actief is, stimuleert dit een dynamische en magnetische persoonlijkheid; meestal zijn deze mensen zeer succesvol in zaken en werken zij met veel enthousiasme [?, het is een afwijking]. Vanuit dit punt kan het lagere 'ik' met grote kracht werkzaam zijn. Hier zou de mens volgens oude tradities alle krachten van zijn lagere 'ik' verzamelen om één te worden met de geest.
Goethe voelde deze samenbundeling van krachten toen hij zei: "Mijn hele wezen ligt besloten tussen mijn wenkbrauwen." [Brikuthi]

De pijnappelklier en de hypofyse zijn wel vergeleken met de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen, vanwege hun opbouw. In taoïstische geschriften worden ze vaak afgebeeld als een tijger en een draak, copulerend in de alchemistische ketel van de hersenen, en geboorte gevend aan de éénwording van de hemel en de aarde.
Nu regeert Christus, de Vredevorst, in zijn tempel, en heeft de Zon, symbool van de geest, het licht van de Maan verdreven, en daarmee de krachten van de lagere natuur. Johannes zei hierover: "Hij moet groeien en ik moet afnemen." Deze ervaring, aldus Teilhard de Chardin, is een droevig uur voor onze lagere natuur, maar er ontstaat dan een mens die de diepste geestelijke verlichting heeft ondergaan, die een belangrijke mijlpaal heeft bereikt op de weg terug naar het Huis van de Vader.
Alice Bailey schrijft dat de drie goddelijke aspecten werkzaam zijn door het endocrine stelsel; de Wil [willen] door de pijnappelklier, de Liefde [voelen] door de thymus en de Intelligentie [denken] door de schildklier. Er is een vreemde parallel tussen de geestelijke toestand van de mens en de mate waarin wij de werking van deze drie klieren kennen. Het staat vast dat er veel fysiologisch bewijsmateriaal bestaat dat intelligentie zoals wij die kennen, samenhangt met de werking van de schildklier [?, als thyroxine ontbreekt, remt dat de verstandelijke ontwikkeling]: de menselijke intelligentie is zeer ontwikkeld, daarom weten wij nu zoveel over de klier die het centrum vormt van de werking van de intelligentie (?).
Het aspect van de Liefde wordt nu ook steeds meer geopenbaard; maar de geestelijke Wil in de mens is nog rustend. Hier kan men uit afleiden dat, naarmate de mens leert Liefde en geestelijke Wil uit te drukken, ook meer bekend zal worden over de werking van de schildklier en de pijnappelklier.
De leer van de Rozekruisers noemt de endocrine klieren de 'onzichtbare Wachters' en erkent dat zij de bestuurders en beschermers van het leven zijn die het evenwicht bepalen van de geestelijke en fysieke krachten in de mens. Elke klier heeft bepaalde geestelijke aansluitingen, die duidelijker worden naarmate we meer te weten komen over de krachten die hen beheersen.

terug naar de Inhoud

8. De afdaling van de geest in de materie
Madame Blavatsky schreef dat de materie geest is in zijn laagste verschijningsvorm, en dat geest materie is in zijn hoogste verschijningsvorm. De theosofische leer stelt verder dat de geest is gestorven en zich heeft opgeofferd om in de materie af te dalen om te leren hoe de be perkingen van het lagere 'ik' overwonnen kunnen worden en om daar mee de materie te verlossen en 'op te heffen naar de hemel'.
De geest of het onsterfelijke deel van de mens wordt een vonk van de universele geest genoemd; in India heet hij Atman, het goddelijke beginsel, en de Egyptische priesters noemden hem Ba [Dit is niet juist, de 'ba' is een ziel: de 'ba-ziel', terwijl de geest 'sekhem' (kracht of macht) heet].
In de geschriften van Alice Bailey heet deze innerlijke vonk de Monade [de geest, zie punt 2], en ook Theilhard de Chardin gebruikt deze naam vaak in zijn verhandelingen.
De aard van de Monade wordt als volgt beschreven in de Upanishaden
Eenheid is hij, onsterfelijk, altijd dezelfde
Eeuwig, zonder ontstaan of leeftijd
Verheven boven de ruimte, het grote Zelf.

Ook Boehme zag de geest als een engel die zichzelf opgeofferd had en het Huis van de Vader verlaten had om licht te brengen in het duister van de materie, en om de grote taak te helpen volbrengen waarbij het lichaam van God licht gemaakt wordt, vrij van de banden van de materie.
Altijd werd de mens gezien in zijn relatie tot God, het alomvattende krachtenveld. Als de materie en de geest twee tegengestelde polen zijn, dan zijn er ook tussenliggende niveaus die een geleidelijke overgang weergeven van de ene pool naar de andere en zijn deze niveaus of krachtenvelden het Goddelijke Vlak waarop de mens zich manifesteert
.
Zowel Boehme als Johannes schrijft over een zevenvoudig samenstel en de 'zeven Geesten van God'. De traditionele Indiase leer beschrijft eveneens deze niveaus, en de kabbalistische Sepher Yetshirah zegt:
Deze zeven Dubbele Letters heeft Hij ontworpen, gemaakt en samengevoegt, en met hen heeft hij de planeten gemaakt van dit heelal, de dagen der week, en de Poorten van de ziel in de mens. Van deze zeven heeft hij de zeven Hemelen gemaakt, de zeven aardes en de zeven Sabbatten. Hierom heeft hij het getal zeven gezegend en liefgehad, meer dan alles onder de Hemel.

Madame Blavatsky en Alice Bailey geven dezelfde zeven niveaus als volgt weer: het hoogste niveau is het niveau van Adi; het volgende is het Monadische; dan het Atmische; dan dat van Boeddha dat het niveau is van het Christusbeginsel. Hieronder liggen de drie werelden waarover de Bhagavad Gita spreekt: het geestelijke niveau, onderverdeeld in het abstracte, waar de ziel zich bevindt, en het lagere, concrete niveau waar de rationele en onderscheidende gedachten ontspringen; het astrale of emotionele niveau; en tenslotte het fysieke niveau waar de menselijke gedaante optreedt.
Deze zeven niveaus zijn elk weer onderverdeeld in zeven vlakken, zo dat er negenenveertig in totaal zijn. In hun geheel vormen deze grote vlakken het kosmische, fysieke vlak of het laagste fysieke aspect van het wezen waarin wij leven en ons bewegen. Op deze vlakken wordt de drievoudige mens kenbaar, een zoon van Wijsheid, geboren uit de vonk van de geest, de zonnevonk van de ziel en een vonk ontstaan uit de ervaringen van het lichaam. Wanneer de vonk van het lichaam zich verenigt met die van de ziel en de geest, branden zij als één vuur, en vindt de geestelijke mens bevrijding van de materie.

Om af te dalen in de materie eigent hij zich vijf stabiele krachtencentra toe, die door Alice Bailey krachtatomen worden genoemd; de Rozekruisers noemden dit zaadatomen. Als databanken houden zij de gesublimeerde kern vast van de belevenissen van alle vorige levens; ook bepalen zij de kwaliteit van elk lichaam en de aard van de levenservaring van elke incarnatie. Deze zaadatomen zijn volgens de Rozekruisers het Levensboek van de mens, de arbiters van zijn lot gedurende zijn lichamelijke incarnatie en gedurende de tijd die hij doorbrengt op de innerlijke niveaus van het bestaan. (17)

De samenbundelende kracht van het aspect van de Liefde bestuurt in de geest de werking van de zaadatomen, terwijl de gewone atomen in de verschillende lichamen bezield worden door het aspect van de Intelligentie.
De monade of geest roept de Atmische en Manasische aspecten en dat van Boeddha tot leven; rond elk aspect wordt een etherisch lichaam gevormd op het juiste bewustzijnsniveau. De Bijbel zegt: "God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam" (l Kor. 15:38). Het samensmelten van deze drie zaadatomen doet een gedaante ontstaan die Alice Bailey de 'geestelijke drieëenheid' noemt; de geest van de mens begint dan aan zijn afdaling en is in staat op de hogere niveaus van het geestelijke vlak dat lichtende lichaam te scheppen dat Sol heet, de voorpost van het bewustzijn van vele toekomstige incarnaties.

De Bhagavad Gita geeft een reeks praktische beschrijvingen van de subtiele lichamen van de mens:
"De Verheven geest hier in ons lichaam heet de Aanschouwer, de Denker, de Verdediger, de Proever, de Heer, het Hoogste Zelf. Verlicht door de kracht die in alle zintuigen is, maar vrij van alle losgemaakte krachten van de zintuigen, alles ondersteunend, niet verdeeld in krachten, maar gebruik makend van alle krachten. Buiten en binnenin alle mensen, roerloos en toch bewegend is Dat; het kan niet gekend worden omdat het subtiel is; Dat is ver weg en toch nabij.
Deze tijdelijke lichamen behoren toe aan de eeuwige Heer van het lichaam, de onsterfelijke, onmetelijke. Men zegt dat de krachten van de zintuigen hoger zijn dan de dingen; hoger dan de krachten van de zintuigen is het gevoel; hoger dan het gevoel is het verstand; maar hoger dan het verstand is Hij."

De eerste twee paragrafen gaan over de geest van de mens. De derde behandelt de ziel; het woord 'Dat' wordt vaak in de vedische leer gebruikt voor de ziel of de kracht van de ziel. De vierde en vijfde paragraaf spreken van het lagere 'ik'; de 'krachten van de zintuigen' beduiden hier de fysieke vorm, het 'gevoel' het astrale lichaam en het 'verstand' het geestelijk lichaam. Hoger dan al deze is Hij, de ziel [de geest, zie punt 2] van de mens. Dit thema wordt elders in de Bhagavad Gita verder uitgewerkt:
"Zoals de ene zon de hele wereld verlicht, zo schijnt ook Hij die in het lichaam woont, overal. Zij die met het oog der Wijsheid het verschil zien tussen het veld en de kenner van het veld, en de bevrijding van het zijn van de natuur, gaan naar de Allerhoogste."

Hier wordt het lagere 'ik' in de drie werelden beschreven als het veld, en de kenner is de ziel [de geest, zie punt 2]; door kennis gebaseerd op geestelijk waarnemen, kan de mens zichzelf ontwarren uit de strikken van de illusie en zichzelf kennen als de onsterfelijke.

terug naar de Inhoud

9. Het stralende lichaam
De ziel van de mens komt voort uit dat wat boven is (de geest) en dat wat beneden is (de materie) . Boehme, wiens geestelijke visie een van de duidelijkste beschrijvingen oplevert van de subtiele anatomie van de mens buiten de lndiase leer, drukt dit als volgt uit:
De ziel vindt zijn oorsprong niet alleen in het lichaam, hoewel hij opkomt in het lichaam en zijn eerste begin heeft in het lichaam; toch heeft het daarbuiten ook een bron, door en van de lucht; en zo regeert de Heilige Geest daar, die alle dingen vult en vervult.

Over de ziel heeft men altijd gesproken in termen van stralen en licht. De lndiase leer noemt de ziel de lotusbloem met een centraal krachtpunt, waar het direct verbonden is met de geest door middel van een fijne zilveren draad, de Sutratma, waar de permanente atomen aan zijn geregen 'als parels aan een snoer'. Het centrale punt van licht of vuur wordt de 'Edelsteen in het hart van de lotusbloem' genoemd. Volgens Boehme "Bevat de ziel het eerste beginsel" [namelijk de geest]; een oude uitleg zegt het als volgt: "De Heer van het Leven zelf zit in het hart en houdt de wacht."
De ziel komt voort uit de wisselwerking tussen geest en materie van het abstracte niveau van het verstand, waaruit windingen en wervelingen ontstaan die de leraar van Alice Bailey, Djwal Khul, beschrijft als een lotusbloem met negen bloembladen.
De werking van het centrale punt van het vuur maakt nog drie bloembladen erbij waarin de Edelsteen verborgen is als een bloemknop, en waarin zijn stralende licht verborgen is. Hij zegt ook dat de ziel kan worden beschouwd als negen vibraties die uit een centraal punt [de geest] voortkomen en een diagonale weg volgen tot ze de grens bereiken van de invloed van de ziel, waar zij ombuigen om de sferoïde vorm van het causale lichaam aan te nemen. De ziel kan ook gezien worden als negen spaken in een wiel, die samenkomen bij een centrale naaf waarin de generator [de geest] van alle leven ligt.

De negen bloembladen zijn geschikt in kringen van elk drie bloembladen, de kringen van Kennis, Liefde en Wil. Wanneer de ziel [de geest, zie punt 2] de eerste schreden zet op het pad van de afdaling in de materie, zijn deze bloembladen in rust en hebben zij bijna geen kleur, maar gedurende het proces van opeenvolgende incarnaties komen zij langzaam in werking door de terugkoppeling van energie die door het lagere 'ik' vloeit op het geestelijke, emotionele en fysieke vlak. Eerst komen de drie bloembladen van de Kennis tot leven; dit geschiedt in de 'Hal der Onwetendheid', dit is de fase in de ontwikkeling die overeenkomt met de Buitenste Hof waar het leven fysiek georiënteerd is.
Naarmate het individu [de geest, zie punt 2] zich ontwikkelt en tot volkomen bewustzijn komt, komen de bloembladen van de Liefde tot leven in de Hal van de Kennis of de Binnenste Hof; in deze periode begint de leerling meer weloverwogen en aanhoudend moeite te doen om zijn lagere natuur te vergeestelijken.
Het laatst komen de bloembladen van de Wil, of van het offer, tot leven; dit gebeurt in de 'Hal van de Wijsheid', het heilige der heiligen. Dit ontvouwen geschiedt niet in aparte fasen maar als één gebeurtenis; de voltooiing van iedere fase wordt aangegeven door de drie inwijdingen in de drie hoven van de tempel.

Van een kleurloze, ronde vorm wordt de lotusbloem met de negen bloembladen en het causale lichaam van de ziel langzaam doortrokken van gloed en kleur. De fundamentele kleur is voor helderzienden oranje, irriserend groen, roze, blauw, geel en indigo.
De Chhandogya Upanishad spreekt hierover in de volgende regels:
"Oranje, blauw, geel en rood zijn evenzeer aanwezig in de aderen van de mensen als in de zon. Zoals een lange weg twee dorpen verbindt in de wereld aan gene zijde. Zij vloeien uit de zon, dringen de aderen binnen en stromen terug uit de aderen naar de zon."

De ronde mandala-vorm van de ziel is een archetype dat in alle tradities voorkomt. Zwarte Eland, het Sioux-opperhoofd, zei dat alles wat de kracht van de wereld veroorzaakt in een cirkel gaat. Paracelsus zei vierhonderd jaar geleden:
"Alles wat de mens doet, wat hij onderwijst of wil leren, moet de juiste proporties hebben, het moet zijn eigen lijn volgen en binnen de cirkel blijven, zodat er een evenwicht bewaard blijft en er geen kromme lijnen zijn, en niets buiten de cirkel treedt."

De kracht van de mandala was alom bekend bij de leraren in vroeger tijden en het gebruik ervan trad op de voorgrond in de boeddhistische praktijken, vooral in Tibet. De cirkel die in vele rituelen op de grond wordt getekend, dient ter bescherming tegen de krachten van de elementen die worden opgeroepen. De beoefenaar van witte magie in dienst van Christus staat in de cirkel van dynamische kracht die uitstraalt uit de lotusbloem van zijn ziel en geen uiterlijke tooi behoeft. Voor de Indianen in Noord-Amerika is het leven een cirkel van kind zijn naar kind-zijn, en voor de Eskimo's is de dood van een mens niet het einde maar volgt er een wedergeboorte tot bewustzijn en leven door de ziel, de grote ondoorgrondelijke.
Zo geloven ook de Karanga's en Mashona's in Rhodesië dat de mens naast zijn fysieke lichaam, dat zij een schaduw noemen, een tweede lichaam heeft, onzichtbaar voor de ogen van mensen. Dit noemen zij de mwega, ziel of de witte schaduw. Bij de dood verlaat deze het lichaam, maar soms ook tijdens de slaap of een trance; het heeft zintuigen die veel sterker zijn dan die van het fysieke lichaam.

terug naar de Inhoud

10. Vormen en velden
De ziel, als voertuig van openbaarwording van de geest, moet op haar beurt een reeks gedaanten scheppen waarin het ervaring kan opdoen in de lagere niveaus van de materie en het bewustzijn. De ziel komt tot incarnatie langs de gebogen lijn van de afdaling.
De fysieke incarnatie betrekt de ziel bij een proces dat gelijkt op dat van de geest. Het activeert de geestelijke, astrale en fysieke 'zaadatomen'; zij trekken dan materie aan van de lagere geestelijke, astrale en etherische en fysieke niveaus en vormen lichamen op elk van deze niveaus van bewustzijn, bijeengehouden door de hogere kracht van de ziel.
Wanneer de ziel niet een bepaalde gedaante houdt, wanneer het niet de aandacht houdt van voertuigen voor het lagere 'ik', dan volgt de geboorte van een dood kind, omdat de ziel haar bewustzijn heeft teruggetrokken op haar eigen niveau. Wanneer er een diepe, duidelijk omlijnde gedaante is, wordt een kind geboren. De samenhang en het leven van de gedaanten is afhankelijk van de activiteit van de ziel, niet van de vormen zelf. De ziel krijgt steeds meer macht over de gedaanten die zij heeft geschapen.
Op de leeftijd van zeven jaar is de fysieke vorm stevig verbonden met de aarde, en kwijnt de pijnappelklier, die met de geestelijke wil om te zijn in verband staat, langzaam weg. Rond de leeftijd van veertien jaar treedt de puberteit in; dit is het teken van de greep die de ziel heeft gekregen op het astrale lichaam, en gaat vaak gepaard met een crisis in het leven van het kind. Nu begint de thymus kleiner te worden.
Tegen de leeftijd van eenentwintig jaar is het geestelijke lichaam door de ziel zich toegeëigend, waarbij nieuwe crises kunnen optreden en de ziel wordt doorvorst. Het innerlijke leven kent uiteraard vele crises, die vaak in zevenjaarlijkse cycli voorkomen. Op de leeftijd van achtentwintig jaar is het werk dat de weg van de activiteiten van de ziel in komende jaren moet effenen, in volle gang. Tot vijfendertig jaar worden veel losse ervaringen uit vorige levens verzameld, en wordt de wil van de persoonlijkheid geharmoniseerd met de wil van de ziel. Op de leeftijd van tweeënveertig jaar moet het doel van de ziel voor dat leven duidelijk zijn, al is het maar in het onderbewustzijn en het werk uitgevoerd.

Het geestelijk lichaam wordt gevormd uit de materie van het mentale vlak en is het mechanisme voor rationele, beschouwende en intellectuele denkprocessen. Voor helderzienden is het een ovaal veld, waarvan de omvang afhangt van het geestelijke vermogen van betrokkenen. Op dit vlak vormen de gedachten geometrische patronen van kleuren, die zich rondbewegen binnen het ovaal. Wanneer de gedachten helder en duidelijk zijn, zijn de geometrische vormen vol kleur en helderheid, maar als de gedachten verward zijn en onzeker, zijn de vormen in het geestelijke lichaam dof en onduidelijk. Door deze geestelijke verwarring kan de betrokkene niet meer helder denken, en wordt het licht van de ziel tegengehouden.
Door de yoga-technieken van het tot rust brengen en beheersen van de geest, kan dit lichaam gezuiverd worden, en gedurende dit proces merkt de leerling dat veel van de gedachten die uit zijn eigen geest leken te ontstaan, in werkelijkheid binnendringen uit andere geesten. Door te leren beschouwen en onderscheiden kan hij uiteindelijk de oorsprong van elke gedachte zien die in zijn geest ontstaat, en kan hij opbouwende en weldadige gedachten meer bezielen en aandrijven, zodat ze zijn medemensen kunnen dienen. Tenslotte wordt het geestelijke lichaam zo helder en strak dat het alleen goede gedachten aantrekt en automatisch verderfelijke gedachten terugdringt.

Het astrale lichaam komt voort uit de grovere materie van het astrale niveau; in dit lichaam beleeft de mens de werking van de emoties en voelt hij de pijn en het geluk van het leven. Het astrale lichaam verbindt door het etherische lichaam de geest met de wereld daarbuiten; door deze verbinding worden fysieke gewaarwordingen doorgegeven aan de geest.
Het astrale lichaam van een mens dat niet goed is ontwikkeld, heeft een grove, vage structuur en een doffe kleur. Maar mensen met een actief geestelijk leven hebben een astraal lichaam dat helder is, vol lichtende kleuren. De vormen die zich bewegen op dit vlak zijn de emotionele aspecten van de denkprocessen. De helderheid van het astrale lichaam hangt dus af van de aard van de denkprocessen en van de zuiverheid van het fysieke lichaam.
Door het astrale lichaam kan iemand stemmingen aanvoelen of de sfeer in een kamer. Dit lichaam is zo gevoelig dat sommige mensen gebeurtenissen kunnen waarnemen, in de vorm van astrale materie, die misschien vele eeuwen tevoren plaatsvonden. Tussen het astrale en het fysieke lichaam ligt het etherische lichaam, vaak de etherische dubbelganger genoemd omdat het in vorm veel lijkt op het fysieke lichaam. Het etherische lichaam is samengesteld uit materie uit de 'vier ethers', het subtiele aspect van het fysieke niveau; het ligt ten grondslag aan elke atoom, molecuul en cel van het fysieke lichaam en staat in rechtstreeks verband met het zenuwstelsel dat het voedt, bestuurt en opwekt. Voor helderzienden is het een fijn web van krachtbanen.
Don Juan beschreef het aan Castenada als lichtvezels die op witte spinnenwebben lijken, lichtend en naar alle kanten uitreikend, waardoor de mens met alle dingen in aanraking komt. Deze miljoenen vezels van energie, die door de Indiase wijsgeren nadis genoemd werden, vormen het archetypisch patroon of raamwerk van het fysieke lichaam; Paracelsus beschreef dit lichaam als het sterrenlichaam:
"Daarom heeft de mens ook een dierlijk lichaam en een sterrenlichaam; en beide zijn één en niet verdeeld. De verhoudingen tussen die twee lichamen zijn als volgt. Het dierlijk lichaam, het lichaam van vlees en bloed is op zichzelf altijd dood. Pas door de werking van het sterrenlichaam komt de beweging van het leven in het andere lichaam. Het sterrenlichaam is vuur en lucht, maar het is ook gebonden aan het dierlijke lichaam van de mens. Zo bestaat de sterfelijke mens uit water, aarde, vuur en lucht."

Het etherische lichaam heeft drie belangrijke taken, die in nauw verband met elkaar staan. Het is de ontvanger, assimilator en zender van de prana. De prana is universele levenskracht, die alle vormen van leven in de natuur bezielt. Deze kracht, die uit de zon voortkomt, wordt opgenomen in het etherische lichaam in kleine centra van kracht en doorgezonden naar de milt, waar de levenskracht van de zon wordt onderworpen aan een proces van versterking of verzwakking al naar gelang de toestand van het lichaam, om uiteindelijk in omloop te komen in het lichaam en het leven te geven. Daarom is het etherische lichaam van de mens wel beschreven als negatief of ontvankelijk voor zonnereacties, en als positief of afwerend voor het fysieke lichaam.
Wilhelm Reich noemde deze levenskracht of prana orgone energie en zei te geloven dat alle leven, van atoom tot planeet, hiervan afhankelijk was voor het behoud van zijn vorm. Op heldere, zonnige dagen kan men de orgone spikkels zien tegen de blauwe lucht, rondtollend in een stille dans en komend en verdwijnend in een wit, elektrisch licht. Deze spikkels tonen een nauwkeurige overeenkomst met de levensbolletjes waar de theosofen over spreken, die de milt in het lichaam tot activiteit aanzetten. Shankara zei dat de ademhaling, de bloedsomloop en voedsel, die alle het lichaam verkwikken, functies zijn van de prana.
Annie Besant benadrukt in haar boek 'Man and his Bodies' dat de krachten van geest en gevoel en beweging niet huizen in het etherische of fysieke lichaam, maar activiteiten van de ziel zijn, die door prana in deze lichamen werkzaam zijn. Prana stroomt langs de zenuwen en is de actieve energie van het 'ik'.

Een goede gezondheid hangt af van het juiste functioneren van het etherische lichaam en dit voertuig kan worden verfijnd door de levenskrachten, die liggen in een juiste voeding, waarbij de nadruk ligt op fruit, groenten, noten, vruchtensappen, honing en water. Voedsel zonder kracht, roken en alcohol veroorzaken alleen verstoppingen in de nadis of kanalen, en veroorzaken zo een slechte gezondheid. Lichaamsbeweging en voldoende frisse Iucht, gecombineerd met een goede ademhaling, reinigen het etherische lichaam; en de gedachten spelen wat dit betreft ook een belangrijke rol, hierdoor wordt het functioneren van de vijf zintuigen beïnvloed, belangrijke contactpunten met de buitenwereld, en wordt de mens ook in staat gesteld de innerlijke werelden te registreren en in een bewust contact te komen met zijn ziel.
In het etherisch lichaam zijn drie grote energiestromen. Eén stroomt verticaal langs de as van de wervelkolom, en induceert andere energiestromen die horizontaal circuleren, die op hun beurt talloze andere energiestromen induceren om verticaal te circuleren. De verticale stroom staat in verband met autonome regulatie en de horizontale stroom absorbeert levenskracht uit de atmosfeer en voert die met zich mee, en ruimt etherische afgewerkte stoffen uit de weg.

Het woord 'aura' komt van het Griekse 'avra' dat lucht of wind betekent [Latijn 'aura': uitstraling, glans]. De aura-gebieden rond het astrale en geestelijke lichaam strekken zich véél verder uit van het fysieke lichaam dan dat van het etherische, dat slechts 1 tot 2 cm groter is. De golvende stroom en de ritmisch flikkerende kleuren van de geestelijke en astrale gebieden wekken de indruk te worden bewogen door de wind. Misschien is de beste analogie van dit steeds bewegende kleurenspel wel de aurora borealis, het Noorderlicht, dat in grote vlakken licht straalt en gloeit boven de pool.
Deze analogie is veel nauwkeuriger dan men op het eerste gezicht zou denken en wel om de volgende reden. De zon symboliseert de ziel [de geest, zie punt 2] van de mens, en de aarde zijn lagere lichamen. De aurora treedt op wanneer zonnestormen elektronen en protonen in onze atmosfeer brengen en in magnetische velden waar zij botsen met stikstof- en zuurstofmoleculen, waardoor uitbarstingen van kleuren ontstaan van adembenemende schoonheid. In het menselijke lichaam gaan bij intensieve activiteit van de ziel [de geest, zie punt 2], in meditatie of gebed of in ogenblikken van diepe geestelijke inspiratie, de krachten van ziel [de geest, zie punt 2] (of de zonne-engel, zoals de ziel wel genoemd wordt) stromen door de gebieden van de geestelijke, astrale en etherische lichamen, zodat hun afmetingen groter worden en hun kleuren schitterender. (25)

terug naar de Inhoud

11. Chakra's: poorten van het bewustzijn
De eenwording van geest en de materie manifesteert zich als het bewustzijn. De ziel vervult de gemanifesteerde lichamen met bewustzijnsinhouden en houdt ze door bepaalde brandpunten bijeen in een samenhangend functioneel geheel. Deze punten of krachtcentra worden in de Indiase traditie 'chakra's' genoemd; dit woord betekent in het Sanskriet: 'wiel'.
Zij lijken op ronde draaikolken van energie, die geestelijke, astrale en etherische materie bevatten. In een mens met een hoog ontwikkelde geest draaien zij heel snel rond en worden uiteindelijk sferen van stralende energie. Zij worden met de woorden van de bijbel 'wielen die draaien binnenin wielen' genoemd. In mensen met een minder ontwikkeld geestelijk leven zijn de centra niet zo actief, en lijken zij op ronde kuilen op het oppervlak van het etherische lichaam.

De chakra's worden vaak lotusbloemen genoemd, waarbij elk bloemblad bepaalde energieën symboliseert. De Rozekruisers gebruiken de zeven rozen als symbool van ditzelfde centrum van kracht. Zoals er ogenschijnlijke onenigheid heerst in de verschillende mystieke leren over het juiste aantal lichamen dat de mens heeft, zo is er ook verschil in het aantal chakra's in deze lichamen. Tibetaanse geschriften spreken vaak van zes krachtencentra, andere noemen er acht, tien of zelfs twaalf. Oude taoïstische teksten vertonen rechtstreekse overeenkomsten met de Tibetaanse aanduiding van zes centra, terwijl andere Chinese yoga- en medische geschriften afbeeldingen bevatten met wel dertig centra langs de hele ruggegraat en vierentwintig langs de voorkant van het lichaam.
Volgens theosoof C.W. Leadbeater bevinden de chakra's zich aan de voor- en achterkant van het lichaam; en Gichtel, een leerling van Boehme, geeft ook deze plaatsen aan. Daarentegen plaatsen Tibetaanse en Indiase geschriften de chakra's langs de lijn van de wervelkolom en zegt de meester Djwal Khul dat hun juiste ligging negen centimeter achter de ruggegraat is. In Openbaringen schrijft Johannes over de zeven regels op de achterkant van het boek des levens, die verwijzen naar deze krachtencentra en hun juiste ligging.

Het bestaan van deze volkomen tegengestelde opvattingen over de plaats van de chakra's kan men beter begrijpen, wanneer men de aard van de krachten die een helderziende gebruikt, probeert te doorgronden. Als hij een astraal medium is, zal hij vaak gebruik maken van astrale krachten die zich binnenwaarts ontwikkelen en die maken dat hij de chakra's aan de voorkant van het lichaam ziet. Als hij een geestelijk medium is, werkt hij in een materie die ijler is en evolueert en zal zijn innerlijke blik hem tonen dat de centra langs de ruggegraat liggen.
Symbolisch gezien stromen de binnenwaartse krachten in de mens van het hoofd langs de voorkant van het lichaam naar de schaamstreek en de evoluerende krachten omhoog langs de ruggegraat van het heiligbeen naar het hoofd. Het is duidelijk dat de leerling zijn aandacht moet richten op de neergaande stroom van krachten en zich zo moet identificeren met de poorten van de weg naar eenwording met de ziel op het hogere niveau van de geest.

De chakra's zijn wel genoemd brandpunten of de veelvuldig concentrische openbaringen in de ruimte van het dynamische levensbeginsel. God wordt dan gezien als een reeks in elkaar overlopende concentrische velden, en de mens als microkosmos die dit patroon weerspiegelt.
Boehme schrijft hierover in zijn Aurora:
Dit wiel nu heeft zeven wielen alle in elkander, met één naaf die in alle wielen past, en al de zeven wielen draaien aan die ene naaf: zo is God één God, met zeven bepalende of oorsprong-gevende geesten die in elkaar zijn gelegen en elkaar doen ontstaan, en is Hij toch één God, zoals de zeven wielen één wiel zijn.

Uit deze woorden kan men opmaken dat er zeven krachtcentra zijn en dat zij langs het middenpad of de as van de ruggegraat liggen. De kabbalisten zeiden dat er zeven poorten van de ziel zijn in de mens, en in onze tijd heeft C.G. Jung gezegd dat chakra's de poorten van het bewustzijn in de mens zijn en ontvangstpunten voor energieën uit de kosmos en de geest en de ziel van de mens.

1. De eerste poort is de Muladhara, of lage chakra (stuitchakra), gelegen in het gebied van het heiligbeen. Het komt in het fysieke lichaam overeen met de bijnieren en bestuurt de werking van de nieren en de wervelkolom. Volgens de vedische zieners voerde dit centrum de energieën van de fysieke levenswil naar het fysieke lichaam [het is de drift tot zelfbehoud door adrenaline en cortisol].

2. Hierboven ligt aan het begin van de lumbale ruggegraat de Svadhisthana of heilige chakra (miltchakra). Het komt in het lichaam overeen met de gonaden en bestuurt de werking van de geslachtsorganen [het is de drift tot soortbehoud].

3. De Manipura of zonnevlecht-chakra (navelchakra) ligt vlak onder de schouderbladen en het middenrif. Het komt overeen met de pancreasklier [energiehuishouding] en bestuurt de werking van de maag, lever, galblaas en delen van het zenuwstelsel. Dit centrum wordt beschouwd als het grote zuiveringsstation voor alle energieën onder het middenrif, voordat zij naar de bovenliggende centra worden gevoerd [geestelijk vermogen: willen].

4. Het vierde centrum is de Anahata of hartchakra, gelegen tussen de schouderbladen; de tegenhanger in het lichaam is de thymus. Het regelt de werking van het hart, het bloed en de bloedsomloop, en heeft invloed op de vaguszenuw. Door dit centrum leert de mens de energieën van liefde die van zijn hart stromen, uit te stralen in de wereld [geestelijk vermogen: voelen].

5. De Vishuddla of keelchakra ligt bij de eerste ruggewervels onderaan de nek. Het werkingspunt van deze chakra is de schildklier en het regelt de werking van de longen, het bronchiale gedeelten en de stembanden, en het slokdarm. Door deze chakra worden de creatieve gaven van de mens tot uiting gebracht [geestelijk vermogen: denken].

6. Van de twee centra in het hoofd ligt de Ajna op het voorhoofd en vertegenwoordigt de epifyse [zie bij punt 7(!)]. De dubbele bloembladen van de lotus die het symbool zijn van dit centrum vertegenwoordigen de linker en rechter kwab van de epifyse. Het bestuurt hoofdzakelijk de lagere functies van hersenen [tussenhersenen] en zenuwstelsel, de oren, de neus en het linker oog, het oog van de persoonlijkheid of het lagere 'ik'. De Ajna symboliseert idealisme en verbeeldingskracht [geestelijk vermogen: waarnemen].

7. De Sahasrara of kruinchakra ligt op de bovenkant van het hoofd. Het komt tot uiting in de hypofyse, het brandpunt van de levenswil [het is de 'meesterklier', die anatomisch gezien aan de top van de neuraalbuis ligt] en dat de grote hersenen en het rechter oog bestuurt.
Binnen de kruinchakra zijn equivalenten van alle zeven hoofd-chakra's [dit komt overeen met het kenmerk 'meesterklier' van de hypofyse];
wellicht is dit wat Boehme bedoelde toen hij sprak van de zeven wielen die één wiel zijn, of Meister Eckehart toen hij schreef:
"In zijn hoofd draagt de mens een beeld van God, dat daar zonder ophouden straalt."

Het Ajna-centrum wordt vaak in verband gebracht met wat wordt genoemd het derde of hemelse oog en soms wordt dit beweerd van de pijnappelklier met het rudimentaire optische weefsel dat zich daar bevindt. Het schijnt dat dit derde oog gaat werken wanneer de energievelden of aura's van de hypofyse en de pijnappelklier op harmonieuze wijze samensmelten. Wanneer dit gebeurt, heeft de ziel [de geest, zie punt 2] een directe baan van waarneming in de drie werelden en is zij niet langer afhankelijk van de weergave van de vijf zintuigen. (27) Op haar beurt wordt de ziel het derde oog van de Monade [de geest, zie punt 2], dan heeft hij zelf een onbelemmerd uitzicht op de wereld waarin haar schaduw zich beweegt.

terug naar de Inhoud

12. Genezing en dynamisch evenwicht
Bijna 2500 jaar geleden ondernam Hippocrates stappen die de kunst van het genezen zouden scheiden van de andere wetenschappen van de Tempel. Hij baseerde deze aanpak op waarneembare feiten in de natuur en hij leidde de artsen van zijn tijd weg van een systeem van genezen, dat vertroebeld was geraakt door allerlei bijgeloof. Hij is feitelijk een materialistische benadering tot genezen begonnen en hierdoor werden de grondslagen voor de moderne geneeskunde gelegd.
Tegenwoordig ziet men, ondanks de dominerende positie van orthodoxe traditie die oorspronkelijk van Hippocrates afkomstig is, een blijvende belangstelling voor die oudere opvattingen van genezen, die ons zijn overgeleverd door de eeuwen heen: methoden als acupunctuur, kruidengeneeskunde, massage, hand-op-legging, geestelijke heelkunde en ruggegraatmanipulatie (samen met chirurgie werd dit in de middeleeuwen door de Paus verboden).
Al deze zogenaamde onorthodoxe, alternatieve geneeswijzen hebben een aantal facetten gemeen; in de eerste plaats houden zij zich bezig met het genezen van de oorzaken van de ziekte en niet alleen maar het wegwerken van de symptomen, en in de tweede plaats is hun belangrijkste doel het in evenwicht brengen van energiesystemen in het lichaam door methoden, waarbij de mens niet slechts als een fysiek lichaam wordt gezien. Het doel van deze methoden is de totale mens te genezen en hem in harmonie te brengen met de wereld waarin hij leeft.

Een van de oudste geneeswijzen die duizenden jaren geleden in China werd ontwikkeld en die heden nog wordt gebruikt, is de acupunctuur. De Chinezen zeiden dat de twee grote krachten die het heelal regeren, ook de mens regeren. Deze krachten heten Yin en Yang; wanneer zij in evenwicht zijn, is de mens gezond, bij een verstoring van hun evenwicht wordt de mens ziek. Alle organen in het lichaam werden ingedeeld in Yin- en Yang-organen, en werden gezond gehouden door een kracht die ki of levenskracht heet.
Deze kracht stroomt van het ene orgaan naar het andere door speciale banen die meridianen worden genoemd. Daarlangs liggen de acupunctuurpunten die kunnen worden gestimuleerd of gekalmeerd teneinde de energie-systemen in de organen in evenwicht te brengen. Dit gebeurt met dunne naalden die in een punt worden ingebracht op bepaalde diepte en dan heen en weer bewogen. Deze punten kan men ook eenvoudig warm maken of indrukken met de vinger. De behandeling is bedoeld om een vrije, onbelemmerde circulatie van ki-energie te bevorderen en het lichaam in staat te stellen deze energie uit de kosmos te ontvangen.
Ki is wellicht dezelfde energie als prana, die volgens de Indiase priesters door de chakra's wordt opgenomen; als dat het geval is, zijn de acupunctuurpunten een fijn netwerk van heel kleine chakra's, die energie ontvangen en doorgeven naar het organisme, afkomstig uit het energieveld van de omringende wereld.

Ondanks het ogenschijnlijk fysieke karakter van ruggegraatmanipulatie, heeft ook deze methode een zeer grote invloed op het evenwicht van de energievelden van de mens. De belangrijkste chakra's liggen langs de ruggegraat, en iedere blijvende verdraaiing of vervorming van de ruggegraat zal het functioneren van de chakra's belemmeren zodat ze energieën niet goed kunnen ontvangen en doorgeven.
Djwal Khul zegt in 'Treatise on Cosmic Fire' van Alice Bailey dat de arts zich in de toekomst zal bezighouden met twee elementaire factoren wanneer hij met ziekte te maken krijgt. Een daarvan is te controleren of de ruggegraat recht is, want deze neemt een centrale plaats in, zowel in de fysieke gestalte van de mens als in zijn geestelijke ontwikkeling. De tweede is congesties in de milt op te ruimen, zodat de smeulende vuren in het lichaam van de mens kunnen samenvloeien met de krachten van prana, die van de zon komen. In principe is dit hetzelfde doel als wat de acupuncturist beoogt, het in evenwicht brengen van de energie-circulatie; alleen verschilt de methode.
Massage, vaak gebruikt te zamen met ruggegraatmanipulatie, is ook een goede methode om de energieën in de mens in evenwicht met elkaar te brengen, vooral wanneer de geneesheer zich ervan bewust is dat zijn handen tijdens de behandeling binnen het etherische lichaam van de patiënt zijn.

Misschien nog ouder dan acupunctuur en manipulatie zijn die methoden, die het gebed en handoplegging gebruiken. Deze methoden vereisen een contact van de geneesheer met de hogere krachten en het vermogen die krachten in goede banen te leiden voor zijn patiënt. Hij moet een beroep kunnen doen op de genezende kracht van zijn eigen ziel [geest, zie punt 2] en als katalysator kunnen werken in het genezingsproces, zonder te worden aangeraakt of gestimuleerd door de krachten die door hem naar de patiënt stromen.
Bij handoplegging worden verschillende methoden gebruikt. Soms zal de genezer alleen zijn handen op de zieke plek leggen en in zijn verbeelding krachten ernaar toe sturen; vaak ontstaat er een gevoel van warmte wanneer dit gebeurt. Als de genezer hiertoe in staat is, zal hij zijn hart-chakra met zijn ziel verbinden, de energie die hieruit voortkomt naar zijn hart doen stromen en vandaar naar de Ajna chakra. Hij legt dan zijn rechterhand over die chakra in het lichaam van de patiënt die de plaats van de pijn beheerst, en de linkerhand daar tegenover, aan de andere kant van het lichaam. De energieën worden dan uit het Ajna centrum gestuurd door de kleine chakra's in de handen. De genezende werking vindt plaats zolang de genezer de verbinding tussen de centra en zijn ziel in stand kan houden. Wanneer ten slotte de genezing is voltooid, worden de energieën teruggestuurd uit het Ajna centrum naar de ziel, zodat de driehoek die voor deze methode nodig is, voltooid is.

Met de handen kunnen de aura's van de patiënt worden afgetast en de chakra's opgezocht en hun werkzaamheid beoordeeld. Deze methode van diagnosestellen wordt door veel artsen gebruikt om te bepalen waar het evenwicht is verstoord in de subtiele lichamen van de patiënt. De genezing vindt ook plaats door de handen; door in de geest energie door de handen te sturen naar die delen waar het evenwicht is verstoord zonder het lichaam ook werkelijk aan te raken. Afstanden vormen geen enkel beletsel voor een arts om het lichaam van een patiënt te onderzoeken. Als dit gebeurt met gesloten ogen, in een rustige omgeving, zullen de gebieden waar het evenwicht is verstoord zich voor de ogen van de arts aftekenen; de genezing kan evenzo plaatsvinden.
Ongetwijfeld zal de arts in de toekomst een grote kennis hebben van de subtiele lichamen van de mens en de energieën die kunnen worden gebruikt om hen in evenwicht te brengen. Door hiernaast een uitgebreide kennis te vergaren van anatomie, fysiologie en pathologie, zal hij zowel op het esoterische en het orthodoxe gebied bevoegd zijn. Hij zal zeer bewust moeten functioneren als een ziel [geest, zie punt 2], en zo de volle verantwoordelijkheid op zich nemen voor wat hij doet, wanneer hij zijn patiënt probeert te genezen.
Er zijn steeds meer artsen, masseurs en osteopaten die in staat zijn de energievelden van hun patiënten te zien en af te tasten zoals hier boven is beschreven. In Japan heeft men elektronische instrumenten ontwikkeld die de elektrische impulsen van de acupunctuur-meridianen doorgeven aan een computer, die dan een diagnose geeft. Dit wordt samen met gegevens verkregen uit een ander instrument, de chakra-scanner, bekeken en hieruit krijgt men een compleet beeld van de gezondheid van de patiënt in termen van energetische aflezingen.

In 1935 kwamen Northon en Burr met hun theorie van de dynamische grondslag van het leven, waarin alle vormen van leven worden bestuurd en gehandhaafd door een elektro-dynamisch veld dat eraan ten grondslag ligt. Burr noemde dit het L(evens)-veld, en hij toonde in zijn experimenten aan dat het elektro-dynamisch veld van de mens gemeten kon worden voor het stellen van diagnoses, zowel in de fysieke als de psychiatrische geneeskunde. Hij vergeleek het L-veld met een gietvorm, waarin de moleculen en de cellen van het lichaam bewaard worden in een herkenbare vorm en het vitaliseert, zodat het organisme kan functioneren. Zijn beschrijving van het L-veld stemt zeer nauw overeen met de vedische opvatting van het etherische lichaam en metingen met een vacuum-tube-voltmeter tonen duidelijk aan, dat het elektro-dynamische veld van de ene mens een grote invloed kan hebben op dat van iemand anders.
Burr zei dat spoedig elke arts een voltmeter zou hebben, omdat men in de geneeskunde zou gaan inzien dat de oorzaak van ziekte allereerst ligt in de energievelden van de mens, en dat deze velden gemeten moeten worden om tot een goede diagnose te komen. Misschien zal er dan meer geloof worden gehecht aan het bestaan van de subtiele lichamen van de mens, zoals die zijn beschreven door de zieners en genezers uit vroeger eeuwen, en zullen we een algehele terugkeer zien van geestelijke waarden in de geneeskunde.

terug naar de Inhoud

13. Meditatie: de innerlijke verheffing
Gebed, contemplatie en meditatie zijn de methoden waardoor de mens - door steeds groter en verfijnder wordende sferen van bewustzijn - tot eenwording met de Godheid in het binnenste van zijn wezen komt. Er zijn meerdere technieken ontwikkeld voor de vervulling van deze taak en het is duidelijk dat kennis van de esoterische gesteldheid van de mens tot op zekere hoogte samenhangt met al deze technieken.
De taoïstische monniken leerden hun leerlingen hun bewustzijn te richten op het gebied van de navel en door bewuste visualisering en ademhalingsoefeningen de energieën omhoog te brengen naar de zonneknoop in het hoofd, zodat de Gouden Bloem of lotus van de ziel [de menselijke geest] tot bloei komt.
De monniken van de Grieks en Russisch Orthodoxe kerk hebben eeuwenlang het 'gebed van het hart' of het 'Jezus gebed' zoals het algemeen wordt genoemd, gebruikt. De techniek bestaat eruit de aandacht in het hart-centrum te concentreren en steeds te herhalen, met aandacht voor de betekenis van de woorden: "Heer Jezus Christus, zoon van God, wees mij genadig." Het is een eenvoudig gebed dat door iedereen kan worden gebeden, op elk moment, om de geest tot rust te brengen en op het hart van zijn wezen te richten.
Andere scholen zeggen dat de aandacht moet worden gericht op het hoofd in het gebied van de kruinchakra of Ajnachakra. Het richten van het bewustzijn op een speciaal gebied is bedoeld om geestelijke groei te bewerkstelligen. Om deze reden kan meditatie het best worden geleerd onder deskundige leiding, zodat de reële gevaren die op dit innerlijke pad liggen, kunnen worden vermeden.

Het doel van de meditatie is het reinigen van de lagere voertuigen van ongewenste inhouden en hen te richten op de ziel [de geest, zie punt 2], zodat een duidelijke weg ontstaat voor de uitdrukking van het doel en de energië van de geestelijke bron van alle kracht, die binnenin de mens ligt. De overgave van het lagere aan het hogere wordt dan gekenmerkt door perioden van diepe innerlijke crises, maar hieruit komt een groter bewustzijn voort.
Vivekananda bereikte in een bepaald stadium van zijn meditatie een punt waarop alles wat hij zag, in vlammen leek gehuld, zelfs de rijstkorrels in zijn kom. Zijn leermeester, Sri Ramakrishna, haalde hem van dit bewustzijnsniveau terug en vertelde hem dat hij een taak in de wereld had, en dat hij niet op dit niveau van bewustzijn mocht blijven omdat hij anders binnen drie weken zou sterven, verteerd door de energieën die door hem heen stroomden.
Nijinski, de Russische balletdanser was zonder een geestelijk leider minder fortuinlijk en schreef tot het laatst van zijn leven steeds in zijn dagboek: "God is vuur in het hoofd." De weg naar de verlichting kan gevaarlijk zijn, maar het is ook een weg van vreugde die uitmondt in de innerlijke straling, die tot uitdrukking komt in de subtiele lichamen van de mens. Volgens de lndiase leren kunnen deze crises leiden tot innerlijke hervorming die geschiedt als een reeks overdrachten uit de illusies van de wereld waarin het lagere 'ik' woont. Zonder twijfel moet de leerling, welke weg naar de wijsheid hij ook kiest, de risico's van tevoren bekijken en weten dat er veel werk en offers van hem zullen worden gevraagd.

T.S. Elliot vat dit alles zo samen in de laatste regels van 'Little Gidding':
Een staat van ware eenvoud
(Die niet minder dan alles kost),
En alles zal goed zijn en
Alle dingen zullen goed zijn
Wanneer de tongen van vuur ingevouwen zijn
In de kroon van vuur
En het vuur en de roos één zijn.

terug naar de Inhoud

Samenvatting van de begrippen 'geest' en 'ziel'

Slotsom: de geest is het werkzame wezen dat in zijn ziel en zijn lichaam woont. De ziel is de 'aura', de uitstraling van de geest en het lichaam het voertuig voor deze wereld.
Als er een uitstraling is, is er een bron die er de oorzaak van is. Die bron is de menselijke geest. Als de geest in zichzelf met zijn geestelijke vermogens werkzaam is, wordt de ziel als uitstraling rondom de geest gevormd. Door de ziel heen is de geest in staat gedachten en besluiten vanuit zichzelf op de hersenen in het lichaam over te brengen en zo het lichaam als voertuig voor deze wereld te gebruiken.
Regelmatig worden 'geest' en 'ziel' verwisseld. Dit wordt veroorzaakt door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, waarin de menselijke geest hier verkeert.
Door vereenzelviging met de inhouden van de ziel, voelt de geest zich één met zijn innerlijke gedachtenwereld. Die gééstestoestand van vereenzelviging met de ziel wordt door veel schrijvers óók 'ziel' genoemd, doordat het lijkt, alsof de geest hetzelfde is als de ziel. Door deze onbewuste vereenzelving wordt het onderscheid niet meer gezien en worden 'geest' en 'ziel' aan elkaar gelijk gesteld en verwisseld.

Samenvatting uit het boek

Het verband tussen de mens en het wezen van God ligt ten grondslag aan alle filosofische en religieuze doctrines van de oudheid.

De geest - Door studie en contemplatie van de leer kon de leerling inzicht verwerven in zijn relatie tot God, waardoor hij een toestand van bewuste eenwording met de godheid kon bereiken.
In alle mysteriën staat het idee centraal dat de mens, gemaakt naar het beeld van God, een drievoudige aard heeft, bestaande uit geest, ziel en lichaam. De geest wordt beschouwd als de ware essentie, het onsterfelijke zaad: als een vonk van de Goddelijke Geest, van de Vader in de hemel.

De ziel - Geest is mannelijk van aard en het lichaam is het stoffelijke, vrouwelijke tegendeel. Uit de verbintenis van deze twee tegengestelde polen komt de ziel voort.

Zowel de oosterse als de westerse filosofieën leren dat de ziel [de geest, zie punt 2] van de mens woont in zijn hart, en hieruit is de verering ontstaan voor het menselijke lichaam als de tempel waarin een godheid woont.

Naarmate de mens zich ontwikkelt, ontrolt de slang (Kundalini) zich en klimt hij omhoog langs de ruggegraat, hierdoor geestelijke regeneratie brengend op zijn weg van het gebied van de duisternis naar het licht in de geest daarboven.

... de psalmist David bereikte op drieëndertigjarige leeftijd een staat van geestelijke verlichting, waarbij de krachten in zijn hoofd, die de geest vertegenwoordigen, zich op een goede wijze hadden verbonden met die van zijn hart, het symbool van de ziel...

De ruggegraat vertegenwoordigt de verbinding tussen de geest (in het hoofd) en de materie (in het gebied rond het heiligbeen).

Naarmate dit heilige vuur groter en intenser wordt, en naar mate het steeds hoger komt, wordt dit één met een lichtende, hemelse substantie, die uit het bloed voortkomt. Door deze samensmelting wordt dan het innerlijk oog van de geest geopend.

De ruggegraat wordt bekroond met de schedel, die door de antroposofische leermeester Rudolf Steiner werd vergeleken met een opgezwollen wervel. De hersenen zijn gevangen binnen de muren van de schedel, hetgeen volgens Plato een afspiegeling is van de cirkelvormige opbouw van de wereld.
In de Taittireeeya Upanishad lezen we dat plek waar de schedel open is [de fontanel], de poort is naar God; hierdoor treedt de mens uit, roepend, in het vuur, de lucht, de zon en de geest, en in die geest bereikt hij de hemel en overwint hij het verstand.

Afwerpend in de slaap wat van het lichaam is,
beziet hij zonder te slapen zijn slapende ledematen;
in hun licht keert hij dan weer.
De gouden geest, de eenzame reiziger.

Shankara zei dat de ziel [de geest, zie punt 2] is als een licht, zo groot als een duim, in de holte van het hoofd.

Ook Boehme zag de geest als een engel die zichzelf opgeofferd had en het Huis van de Vader verlaten had om licht te brengen in het duister van de materie, en om de grote taak te helpen volbrengen waarbij het lichaam van God licht gemaakt wordt, vrij van de banden van de materie.
Altijd werd de mens gezien in zijn relatie tot God, het alomvattende krachtenveld. Als de materie en de geest twee tegengestelde polen zijn, dan zijn er ook tussenliggende niveaus die een geleidelijke overgang weergeven van de ene pool naar de andere en zijn deze niveaus of krachtenvelden het Goddelijke Vlak waarop de mens zich manifesteert.

Op deze vlakken wordt de drievoudige mens kenbaar, een zoon van Wijsheid, geboren uit de vonk van de geest, de zonnevonk van de ziel en een vonk ontstaan uit de ervaringen van het lichaam. Wanneer de vonk van het lichaam zich verenigt met die van de ziel en de geest, branden zij als één vuur, en vindt de geestelijke mens bevrijding van de materie.

De monade of geest roept de Atmische en Manasische aspecten en dat van Boeddha tot leven...

... de geest van de mens begint dan aan zijn afdaling en is in staat op de hogere niveaus van het geestelijke vlak dat lichtende lichaam te scheppen...

De Bhagavad Gita geeft een reeks praktische beschrijvingen van de subtiele lichamen van de mens:
"De Verheven geest hier in ons lichaam heet de Aanschouwer, de Denker, de Verdediger, de Proever, de Heer, het Hoogste Zelf.

De ziel van de mens komt voort uit dat wat boven is (de geest) en dat wat beneden is (de materie). Boehme, wiens geestelijke visie een van de duidelijkste beschrijvingen oplevert van de subtiele anatomie van de mens buiten de lndiase leer, drukt dit als volgt uit:
De ziel vindt zijn oorsprong niet alleen in het lichaam, hoewel hij opkomt in het lichaam en zijn eerste begin heeft in het lichaam; toch heeft het daarbuiten ook een bron, door en van de lucht; en zo regeert de Heilige Geest daar, die alle dingen vult en vervult.

Over de ziel heeft men altijd gesproken in termen van stralen en licht. De lndiase leer noemt de ziel de lotusbloem met een centraal krachtpunt, waar het direct verbonden is met de geest door middel van een fijne zilveren draad, de Sutratma, waar de permanente atomen aan zijn geregen 'als parels aan een snoer'. Het centrale punt van licht of vuur wordt de 'Edelsteen in het hart van de lotusbloem' genoemd. Volgens Boehme "Bevat de ziel het eerste beginsel" [namelijk de geest]; een oude uitleg zegt het als volgt: "De Heer van het Leven zelf zit in het hart en houdt de wacht."
De ziel komt voort uit de wisselwerking tussen geest en materie van het abstracte niveau van het verstand, waaruit windingen en wervelingen ontstaan...

Hij zegt ook dat de ziel kan worden beschouwd als negen vibraties die uit een centraal punt [de geest] voortkomen...

De ziel, als voertuig van openbaarwording van de geest,...

...gedurende dit proces merkt de leerling dat veel van de gedachten die uit zijn eigen geest leken te ontstaan, in werkelijkheid binnendringen uit andere geesten. Door te leren beschouwen en onderscheiden kan hij uiteindelijk de oorsprong van elke gedachte zien die in zijn geest ontstaat...

Het astrale lichaam verbindt door het etherische lichaam de geest met de wereld daarbuiten; door deze verbinding worden fysieke gewaarwordingen doorgegeven aan de geest.
Het astrale lichaam van een mens dat niet goed is ontwikkeld, heeft een grove, vage structuur en een doffe kleur. Maar mensen met een actief geestelijk leven hebben een astraal lichaam dat helder is, vol lichtende kleuren. De vormen die zich bewegen op dit vlak zijn de emotionele aspecten van de denkprocessen. De helderheid van het astrale lichaam hangt dus af van de aard van de denkprocessen en van de zuiverheid van het fysieke lichaam.

Zij lijken op ronde draaikolken van energie, die geestelijke, astrale en etherische materie bevatten. In een mens met een hoog ontwikkelde geest draaien zij heel snel rond en worden uiteindelijk sferen van stralende energie.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^