|
Verklarende woordenlijst A
|
| |
aandacht
aandoening
aandrift
aanleg
aanpassingsvermogen
aantrekking en afstoting
afgescheidenheid
|
afhankelijkheid
albewustzijn
algeest
algeestvonk
alomtegenwoordigheid
angst
arbeid en zorg
|
aandacht
De aandacht is het door de geest bewust gerichte waarnemingsvermogen.
De geest neemt waar door het innerlijke licht in zichzelf vormbaar open te stellen voor indrukken van buiten. Daardoor kan van gebeurtenissen in de buitenwereld in de geest een lichtbeeld worden gevormd, wat een ervaringsbeeld is. Een ervaringsbeeld is een innerlijke afdruk of kopie in de geest van een uiterlijke gebeurtenis. Daardoor wordt de geest zich van die gebeurtenis bewust.
Door aandachtig te zijn, kiest de geest zelf welk onderwerp zal worden waargenomen en stelt zich dan bewust en beheerst voor alleen dat éne, bepaalde onderwerp open. Door de aandacht vervolgens voldoende lang vast te houden, is de geest in staat dat éne onderwerp volledig in zich op te nemen. Alleen van dat onderwerp wordt de geest zich vervolgens duidelijk bewust.
Door het vermogen de waarneming bewust en beheerst op één onderwerp te kunnen richten, kan de geest voorkomen dat de aandacht over verschillende onderwerpen verdeeld raakt.
Door aandacht te hebben, stelt de geest zichzelf open voor iets of iemand anders en laat die ander zo tot zich toe. Door aandacht te hebben, brengt de geest de persoonlijke verbinding met de ander tot stand, waarna de werkzaamheid
van het denken en voelen pas kan beginnen en de begripsmatige en gevoelsmatige verbondenheid met de ander kan volgen. Aandacht hebben voor een ander (zichzelf voor een ander openstellen) is daardoor het meest wezenlijke, wat de geest een andere geest kan 'schenken'. Aandachtig zijn naar een ander toe betekent het tonen van belangstelling voor de ander en daardoor wordt de persoonlijke band geschapen, waardoor begrip en liefde kunnen volgen. Aandacht is daardoor een
van de deugden: het is het uitgekeerde waarnemingsvermogen in de ontwikkelde, bewust beheerste toestand; waarbij de uitgekeerde instelling wordt gekenmerkt door gemeenschapszin.
Aandacht wordt ook wel aangeduid met het leenwoord 'concentratie'. Dit is afkomstig van het Latijnse 'con-centrare' en betekent: 'in het midden samenbrengen'. De betekenis van 'concentratie' komt daardoor overeen met wat onder 'zelfbezinning' wordt verstaan (zie: zelfbezinning). Wat 'aandacht' betreft beperkt de betekenis van het woord concentratie zich tot de aandacht voor dingen en zaken.
Ook wordt wel het Latijnse leenwoord 'focus' gebruikt, dat echter alleen 'brandpunt' betekent. Dit woord geeft niet weer, wat er in de géést gebeurt. Het gebruik van dit woord komt voort uit de toestand van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, waardoor het líjkt alsof de aandacht naar buiten gaat. In werkelijkheid stelt de geest zich voor het onderwerp open en laat dat zo tot het innerlijk van zichzelf zich toe.
In de zin 'Het staat in het brandpunt van de belangstelling' is het de geest waaruit belangstelling uitgaat naar het onderwerp. In de zin 'Focussen op een onderwerp' wordt de geest niet aangeduid en telt alleen het onderwerp. Het gebruik van dit soort leenwoorden verarmt de Nederlandse taal.
terug naar de woordenlijst - naar boven
aandoening
Een aandoening is het onbeheerste voelen dat als de eigen, onbeheerste gemoedstoestand door de geest innerlijk als een heftige gemoedsbeweging ervaarbaar is.
Een aandoening betekent een verstoring van het geestelijke evenwicht, doordat het gevoel door een bepaalde gebeurtenis wordt overweldigd. Doet de geest niets met de waargenomen gebeurtenis door die niet bewust en beheerst te verwerken met de vermogens denken en voelen, dan kan omgekeerd de ervaring daarna de geest wat aandoen en daardoor in een aangedane gemoedstoestand brengen. De ervaringen 'steken de geest aan' waardoor de gemoedstoestand 'ontstoken' raakt en de geest bijvoorbeeld 'in woede ontsteekt'. De geest beheerst dan niet de gebeurtenissen, maar de gebeurtenissen gaan de geest beheersen. Daardoor wordt de geest er de speelbal van en de aangedane gemoedsgesteldheid is het gevolg.
Aangedane gemoedstoestanden zijn bijvoorbeeld: verdriet, boosheid, ergernis, angst, vrees, maar ook verlangen, begeerte, hartstocht of uitzinnige vreugde.
Tijdens de aangedane gemoedstoestand is de geestelijke warmte 'ontstoken' en daardoor zijn de bewegingen van de geestelijke warmte en ook die van het geestelijke licht binnen de geest ongeordend. De geestkracht beweegt onbeheerst en daardoor heeft de geest niet voldoende macht over de eigen vermogens. De geestelijke werkzaamheid verloopt daardoor niet
doelmatig en aangepast. Door de heftige warmtebewegingen in de geest is de beeldvorming in het licht gestoord. De lichtbeelden zijn wazig en de denkbeelden en besluiten zijn daardoor niet duidelijk. Het hieruit voortkomende gedrag is meestal min of meer onbeheerst, driftmatig en onaangepast. In overeenstemming met de heftige warmtebewegingen zijn ook de lichamelijke uitingen en bewegingen heftig en onbeheerst.
Blijft de aangedane gemoedstoestand in de geest te lang bestaan, dan kan zij door de ziel en de geestgedaante heen gaan inwerken op het lichaam. De aangedane gemoedstoestand als gééstelijke aandoening en als verstoring van het geestelijke evenwicht, kan zo tot uitdrukking komen in een lichámelijke aandoening. De geestelijke evenwichtsverstoring komt tot uiting in de verstoring van de werking van organen (die eveneens ontstoken raken) en in de verstoring van de evenwichtige samenwerking van organen in het lichaam.
Het woord 'aandoening' is in onbruik geraakt doordat het is vervangen door het leenwoord 'emotie'. Dit is afkomstig van het Latijnse 'e-movere' en betekent: 'er uit bewegen'. Dit leenwoord zegt aan de ene kant niets over de innerlijke geestesgesteldheid, terwijl aan de andere kant ook een evenwichtige geest álles in zichzelf 'er uit kan bewegen',
tot uitdrukking kan brengen; en niet alleen gevoelens, maar ook kennis, gedachten en wilsbesluiten. Alleen het woord 'aandoening' geeft weer, waar het in wézen om gaat: een gevóelsuitdrukking; maar het is verdrongen door het leenwoord 'emotie'.
De betekenis van het woord 'aandoening' komt wel overeen met de betekenis van het Latijnse 'affectus' en ook met het Griekse 'pathos'. 'Pathos' betekent: dat, wat men ondergaat, zowel lot, leed, smart, gemoedsaandoening, alsook ziekte. Ook in de Oudheid was bekend dat geestelijke gemoedsaandoeningen samenhangen met lichamelijke ziekte.
terug naar de woordenlijst - naar boven
aandrift
De aandrift is een onbeheerste toestand van de geestelijke levenskracht. De levenskracht beheerst in die toestand niet zichzelf, maar wordt gedreven door de gebeurtenissen en door de eigen gewaarwordingen, voorstellingen en aandoeningen, die daarmee samenhangen.
Doet de geest zelf niets met de gebeurtenissen in het dagelijkse bestaan, heeft die er niet zelf greep op, dan kunnen die gebeurtenissen de overhand krijgen en omgekeerd de geest gaan aangrijpen. De geest laat die dan over zich heen komen en wordt er de speelbal van. Wat dan in de geest ontstaat is de onbeheerste, geestelijke werkzaamheid, waarbij de geest wordt geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen die met die gebeurtenissen samenhangen, en wordt gedreven door aandoeningen en aandriften die ontstaan als gevolg van die gebeurtenissen. De onbeheerste werkzaamheid van de vermogens leidt tot een onaangepast, weinig zinvol gedrag.
Dit in tegenstelling tot de beheerste, geestelijke werkzaamheid, waarbij de geest bewust en beheerst de gebeurtenissen om zich heen waarneemt, ze in zichzelf verwerkt door ze te overdenken en te doorvoelen, en er dan iets mee wil gaan doen. Dit leidt tot een aangepast en zinvol gedrag.
Wordt de geest gehinderd de aandrift te uiten, dan wordt zij tot driftigheid. De onbeheerste en daardoor ongeordende toestand van het geestelijke licht en de geestelijke warmte komt dan tot uitdrukking in een onbeheerst, onaangepast en heftig gedrag. Dat heeft meestal nadelige gevolgen voor de geest zelf, waardoor de toestand van kwaad tot erger kan worden.
terug naar de woordenlijst - naar boven
aanleg
De aanleg is het geheel van eigenschappen waar de geest wel over beschikt, maar die nog tot ontwikkeling moeten worden gebracht om ze te kunnen gebruiken.
Doordat de menselijke geest door verdichting uit de algeest is ontstaan, is de menselijke geest een samenballing van hetzelfde geestelijke licht en dezelfde geestelijke warmte als de goddelijke algeest; de geest is daardoor in wezen een algeestvonk. Dat betekent dat alle eigenschappen die de algeest bezit, ook in de menselijke geest, maar in áánleg aanwezig zijn. Deze eigenschappen zijn de geestelijke vermogens: het vermogen om de dingen waar te nemen, ze te overdenken en te doorvoelen, en er vervolgens iets mee te willen doen. In de menselijke geest kan de werkzaamheid van de vermogens naar buiten zijn gericht in de vorm van de uitgekeerde instelling en naar binnen als de ingekeerde instelling.
Doordat deze vermogens als persoonlijke 'eigen-schappen' alleen die geest 'eigen zijn', is de geest zelf de énige zelfstandigheid, die er gebruik van kan maken. Geen enkele geest kan waarnemen met het waarnemingsvermogen van een andere geest om zo voor die andere geest iets waar te nemen. De ene geest kan wel de andere ertoe aanzetten het waarnemingsvermogen te gebruiken, maar die moet dan wel zélf besluiten dat ook te gaan doen. Eenzelfde overweging geldt voor de overige vermogens.
De geestelijke vermogens kunnen alleen tot ontwikkeling worden gebracht door ze bewust en beheerst te gaan gebruiken. Dat betekent dat ook uitsluitend en alleen de geest zélf de eigen vermogens, die aanvankelijk in aanleg aanwezig zijn, tot ontwikkeling kan brengen. De ene geest kan wel de andere aanmoedigen ze tot ontwikkeling te brengen door ze bewust en beheerst te gaan gebruiken - wat opvoeding wordt genoemd -, maar die moet dan zélf besluiten dat ook te gaan doen.
Dat betekent dat de enige manier waarop God als de goddelijke algeest de menselijke geesten - die als de algeestvonken uit en in God zijn geboren - kan opvoeden, is, door die geesten leerstof aan te bieden en aan hen vervolgens de vrije keuze te laten, die leerstof aan te nemen en er iets mee te doen. Die leerstof bestaat uit de ervaringen en wederwaardigheden, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest toekomen. Besluit de menselijke geest die ervaringen met behulp van de eigen geestelijke vermogens te verwerken, dan wordt de geest door de levenservaringen van buitenaf ertoe aangezet naar eigen vrije keuze een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen vermogens en zodoende op eigen kracht de eigen aanleg te ontwikkelen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
aanpassingsvermogen
Het aanpassingsvermogen is het vermogen om door bewust en beheerst waar te nemen, te denken, te voelen en te willen het eigen oordeel en het eigen gedrag zodanig te wijzigen, dat er innerlijk overeenstemming ontstaat met de gebeurtenissen en de toestand in de omgeving, en daardoor aanvaarding van de loop van het lot.
De tijd is in dit tijdelijke bestaan een stroom van leerzame gebeurtenissen, die geestelijke groei als doel hebben. De gebeurtenissen zijn feiten, die niet zijn te veranderen. Het enige, wat kan worden veranderd, is de houding van de geest er tegenover. Laat de geest zich ertoe aanzetten het aanvankelijke verzet tegen de loop van de gebeurtenissen op te geven en tot bezinning te komen, dan kunnen de ervaringen worden verwerkt door de eigen houding ertegenover te veranderen. Dat kan alleen door een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen geestelijke vermogens en dat betekent geestelijke groei: het doel van de tijd als stroom van gebeurtenissen.
Het aanpassingsvermogen neemt aanzienlijk toe als de geest ertoe overgaat een levensbeschouwing te ontwikkelen waardoor de gebeurtenissen in het tijdelijke bestaan kunnen worden gezien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor krijgen alle gebeurtenissen geestelijke betekenis en zin, ondanks het feit dat de geest de betekenis en de zin ervan nu nog niet kan zien. Deze onwetendheid hangt weer samen met de noodzaak van de vrije keuze, zonder welke er geen geestelijke groei kan plaatsvinden. De vrijheid om te kiezen is er alleen, als de geest níet weet waarmee de huidige gebeurtenissen samenhangen en wat de gevolgen van de keuze zullen zijn. Zou de geest het weten, dan staat de keuze van tevoren vast en is er geen sprake meer van vrijheid.
terug naar de woordenlijst - naar boven
aantrekking en afstoting
De oeraanvang is de toestand, waarin de algeest vanuit rust in beweging komt om de schepping te scheppen.
De oeraanvang van de geestelijke werkzaamheid doet zich om te beginnen aan het geestesoog voor als een toestand van diepe rust, waarin de eeuwige oneindigheid van de algeest zich voordoet als een donkere koelte. Op aarde is deze toestand van donkere koelte vergelijkbaar met een aangename, schaduwrijke koelte. Vanuit de toestand van rust begint de geestkracht te bewegen, waardoor zich uit de donkere koelte door beweging de lichtende warmte ontwikkelt. Deze lichtende warmte is eveneens alomtegenwoordig in de eeuwige oneindigheid.
De lichtende warmte doordringt vervolgens de donkere koelte, die zelf wordt doordrongen, waarbij het licht het donker doordringt en de warmte de koelte. Uit deze vereniging van de doordringende, lichtende warmte, het oermannelijke, met de doordringbare, donkere koelte, het oervrouwelijke, komt een tussentoestand voort, waarin het licht en het donker, en de warmte en de koelte elkaar temperen, elkaar aanvullen en elkaar in evenwicht houden: de toestand van de algeest. De algeest is met andere woorden een eenheid van tegendelen: het huwelijk van het mannelijke en vrouwelijke in God.
De algeest doet zich vervolgens voor als licht en warmte, maar dan als licht en warmte die de eigenschappen van de donkere koelte in zich op hebben genomen. Daardoor kunnen het licht en de warmte in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vrouwelijke, doordringbare, beweegbare en vormbare toestand, en in een mannelijke, zelfbewegende, zelfvormende en doordringende toestand.
De oertoestand is de toestand van het oervrouwelijke, de rust van de donkere koelte, waaruit door zelfverwekking het oermannelijke in beweging is gekomen en zich geboren heeft laten worden in de vorm van de lichtende warmte, die daarvóór als het ware in de donkere koelte was opgelost. Deze oergebeurtenis is de eerste verschijning van de tegendelen aantrekking en afstoting, de oertegendelen, waarmee alle andere samenhangen.
De vrouwelijke oertoestand is die van de aantrekking en de saamhorigheid. Het is de middelpuntzoekende kracht. De mannelijke oertoestand is die van de afstoting en de persoonlijke vrijheid. Het is de middelpuntvliedende kracht. Als het goed is, is er in iedere gemeenschap een toestand van evenwicht tussen beide.
In het huwelijk tussen man en vrouw is een evenwicht tussen saamhorigheid en persoonlijke vrijheid een onvermijdelijk vereiste. Alleen daardoor wordt de persoonlijke zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van beiden gewaarborgd, die de evenwichtige wederkerigheid mogelijk maakt die de liefdesband levend houdt.
Door aantrekking en afstoting, door de middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende kracht, blijven electronen en atoomkernen, planeten en zonnen, en het mannelijke en het vrouwelijke voortdurend om elkaar heen draaien. Zolang er evenwicht is tussen beide, is er 'rust in de beweging', is er een voortdurend met elkaar bezig zijn, is er leven.
In de astronomie is aannemelijk gemaakt dat er naast de zwaartekracht als aantrekkende kracht een tweede kracht moet bestaan, nu nog aangeduid met de naam 'donkere energie', die een tegenovergestelde werking heeft en als afstotende kracht twee voorwerpen van elkaar wegduwt. Dit als uitdrukking in de stof van de eigenschappen van de geest.
Zie ook: middelpuntvliedend en middelpuntzoekend.
terug naar de woordenlijst - naar boven
afgescheidenheid
De afgescheidenheid is de geestestoestand waarin de menselijke geest verkeert, wanneer die op aarde tijdelijk een lichaam bezit. Door de betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid van het lichaam, voelt de geest zich zélf ook zo.
De menselijke geest is uit de goddelijke algeest door verdichting tot een algeestvonk ontstaan. Het oorspronkelijke besef en de ervaring van de onlosmakelijke verbondenheid van de menselijke geest met de goddelijke algeest, is door het indalen in een lichaam verloren gegaan. De menselijke geest is zich van die afgescheidenheid echter niet bewust, doordat door de tijdelijke verbondenheid met het tegendeel van zichzelf, de stof, het zelfbewustzijn verloren is gegaan en de geest onbewust is geworden van het eigen bestaan. Deze toestand is echter noodzakelijk om de geestelijke groei naar persoonlijke zelfstandigheid mogelijk te maken en de menselijke geest te laten worden wat de geest in aanleg is: een godenkind.
De goddelijke algeest is alomtegenwoordig en door die eigenschap oneindig en eeuwig. Daardoor is de algeest één. Buiten de algeest kan er geen ander zijn, doordat er geen 'buiten' is. De goddelijke algeest is daardoor volkomen zichzelf, volkomen zelfstandig en onafhankelijk.
Om de goddelijkheid die de menselijke geest in aanleg eigen is, tot ontwikkeling te kunnen brengen, moet de geest in omstandigheden worden gebracht, die met de goddelijke overeenkomen. Die omstandigheid is het één-zijn. Om de menselijke geest als Gods godenkind het één-zijn te kunnen laten ervaren, schiep God, samen met de mens, in de loop der miljoenen jaren de stoffelijke wereld en daarin het menselijke lichaam.
Door de geboorte, het overgeleid worden van de geestelijke naar de stoffelijke wereld, daalt de geest in het lichaam en woont erin gedurende het tijdelijke bestaan. Door de bewoning van de stoffelijke, afgescheiden vorm, ervaart de geest een toestand van betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Daardoor is de geest in de gelegenheid zichzelf te oefenen zelfstandig en onafhankelijk te zijn. Daartoe komen door de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen en
ervaringen op de geest af, die de geest met behulp van de geestelijke vermogens kan verwerken. Daardoor neemt het bewuste en beheerste gebruik dat de geest van de vermogens maakt, toe. Zo groeit de geest, op eigen kracht, naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Deze door eigen kracht bewerkte groei is de zelfverwerkelijking.
De tijdelijkheid van het stoffelijke bestaan levert de oefenstof voor de geestelijke groei. Alle stof is oefenstof, oefenstof voor de geest. Dat is het doel en de zin van dit tijdelijke, stoffelijke bestaan: het is een leerschool voor de geest om de goddelijke eigenschappen, de vermogens waarover de geest in aanleg beschikt, op eigen kracht te kunnen
ontwikkelen. Daartoe is de toestand van tijdelijke, schijnbare afgescheidenheid een onvermijdelijk vereiste.
terug naar de woordenlijst - naar boven
afhankelijkheid
Het woord 'afhankelijk' betekent: 'aan een steunpunt hangen'. Het duidt de toestand aan, dat iets voor zijn bestaan niet zonder iets anders kan, waarmee het is verbonden. Zonder dat andere, valt het en kan niet meer bestaan. 'Afhankelijk zijn' is het tegendeel van 'zelfstandig zijn', wat betekent: 'zelf kunnen staan'.
Al wat bestaat, is voor het bestaan afhankelijk van de werkzaamheid van Gods geestelijke vermogens. Uit liefde wil God - in de eeuwige oneindigheid van zichzelf als de algeest - voortdurend de schepping denken; zoals ook de mens in zichzelf als geest een denkbeeld denkt. God houdt uit liefde de denkbeelden, waaruit Gods schepping bestaat, in zichzelf levend (zie ook: schepping, liefde oorzaak van de -).
Het is alleen door de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof dat voor de menselijke geest het besef van het onderscheid tussen geest en stof verloren is gegaan en de menselijke geest meent dat de stof een verschijnsel is, dat volkomen op zichzelf bestaat en na de 'oerknal' uit het niets is ontstaan (wetenschappelijk gezien een onmogelijkheid). Deze opvatting van de schepping is het volkomen tegendeel van de werkelijke, geestelijke toestand. Als God één ogenblik zou ophouden de schepping in zichzelf als een denkbeeld te denken en met liefde te belevendigen, zou zij onmiddellijk ophouden te bestaan. Dat dit niet gebeurt, heeft Gods liefde voor het eigen, innerlijke scheppingswerk als oorzaak. Het bestaan van de mens is daardoor voortdurend en volkomen van Gods liefdevolle denken afhankelijk.
De schepping kan ook niet door toeval zijn ontstaan, zoals in sommige levensbeschouwingen wordt geloofd (darwinisme), want wat toevallig ontstaat, heeft een even grote kans toevallig ook weer te vergaan. Door toeval kan wel chaos ontstaan, maar geen kosmos (ook toeval is een onwetenschappelijk uitgangspunt).
Temidden van die volstrekte afhankelijkheid van Gods denken, voelen en willen, heeft de menselijke geest de ruimte gekregen zich te ontwikkelen tot een toestand van innerlijke, geestelijke zelfstandigheid. De menselijke geest heeft de vrijheid gekregen uit te groeien tot een wezen, dat in zichzelf een volkomen zelfstandig gebruik kan leren maken van de eigen, geestelijke vermogens, zoals ook God dat doet. De menselijke geest kan daardoor uitgroeien tot een zelfstandig godenkind, maar altijd zal met God de ouder-kind verhouding blijven bestaan. Afhankelijkheid is een even wezenlijk aanzicht van het bestaan als menselijke geest als zelfstandigheid en zij horen als tegendelen bij elkaar.
Huwelijk en gezin als oerleefgemeenschappen zijn een getrouwe afspiegeling van het huwelijk van God als vader-moeder en van het gezin van God en Gods godenkinderen, de mensheid. In het tijdelijke bestaan kan in deze leefgemeenschappen ervaring worden opgedaan door afhankelijkheid te ondergaan en zelfstandigheid te verwerkelijken. In beide leefgemeenschappen legt de afhankelijkheid van de een, een grote verantwoordlijkheid op aan de zelfstandigheid van de ander en is de les voor de ander, hoe hiermee liefdevol om te gaan. De afhankelijkheid van de een geeft aan de ander de mogelijkheid toe te groeien naar een liefdevolle houding, die met de goddelijke tegenover de mens overeenkomt.
De zelfstandige en afhankelijke toestand wordt bestaan na bestaan afgewisseld; maar ook binnen één bestaan bestaat er op bepaalde gebieden zelfstandigheid en op andere afhankelijkheid voor de ene persoon ten opzichte van de ander. Voor een evenwichtige groei naar innerlijke volwassenheid is het nuttig, dat met beide toestanden ervaring wordt opgedaan.
Een bijzondere vorm van afhankelijkheid op aarde is de geldelijke afhankelijkheid. Deze vorm van afhankelijkheid stelt de afhankelijke persoon in staat een leven te leiden, dat overeenkomt met het leven in de lichte, hemelse gebieden in de geestelijke wereld. Al wat in die toestand op aarde wordt gedaan, wordt gedaan zonder geldelijke beloning, wat die geest in de gelegenheid stelt, zuiver uit líefde voor de ander te handelen. Daardoor is die geest in de gelegenheid, de hemelse toestand op aarde te verwerkelijken! Dat betekent voor die geest een verrijking die níet bij de dood verloren gaat, maar eeuwig zijn waarde behoudt, doordat juist deze geest een volkomen zelfstandig gebruik maakt van de geestelijke vermogens, zonder geldelijke noodzaak.
Als de geest in een vrouwelijke vorm op aarde is, kan deze zorgzame, dienstvaardige houding worden geoefend ten opzichte van man en kinderen, doordat de eigenschappen van de vrouwelijke vorm in het bijzonder hiertoe de gelegenheid bieden. Het nuttige gebruik hiervan in het voordeel van huwelijk en moederschap wordt bevorderd door geldelijke afhankelijkheid. Het is alleen door de onwetendheid die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging, dat op deze afhankelijkheid wordt neergekeken en de eeuwigheidswaarde ervan niet wordt gezien.
De vrouw die zich als echtgenote en moeder liefdevol inzet voor man en kinderen, handelt volkomen in overeenstemming met Gods engelen. Ongemerkt en daardoor zonder beloning of dankbaarheid helpen zij uit liefde de mens op aarde bij de vaak moeilijke gang over de levensweg. Alleen geldelijke afhankelijkheid maakt het de vrouw mogelijk zich gelijk Gods engelen uit liefde in te zetten voor hen, die aan haar zorgen zijn toevertrouwd.
terug naar de woordenlijst - naar boven
albewustzijn
Het albewustzijn is de bewustzijnstoestand waarin de menselijke geest verkeert, wanneer die met de geestelijke oorsprong, de algeest, door zelfbezinning en gebed is herenigd.
In deze verheven geestestoestand wordt de uitgekeerde instelling gekenmerkt door gemeenschapszin. Daardoor ervaart de geest zich naar buiten toe verbonden met het al. In ieder geschapen wezen wordt de geest als de bewuste levenskracht herkend als in wezen gelijkwaardig aan zichzelf; ieder geschapen wezen wordt daardoor als een ook uit God levend wezen geëerbiedigd.
In deze verheven geestestoestand wordt de ingekeerde instelling gekenmerkt door zelfbezonnenheid. Naar binnen toe ervaart de geest daardoor de eigen vermogens in zichzelf als een innerlijke schoonheid, die samenhangt met het waarnemen; als een innerlijke beleving van de waarheid, die samenhangt met het denken; als een innerlijke beleving van goedheid, die samenhangt met het voelen; en als innerlijke beleving van de eigen levenskracht, die samenhangt met het willen.
Deze verheven toestand is door zelfbezinning te bereiken, doordat de menselijke geest, door zich op zichzelf te bezinnen, zich tegelijkertijd bezint op de algeestvonk, die de menselijke geest in wezen is. Door lang genoeg de zelfbezinning te oefenen, groeit de zelfbezonnen geestesgesteldheid, die de toestand van albewustzijn met zich meebrengt.
Deze verheven geestestoestand is de uitkomst van een ontwikkeling, die wordt gekenmerkt door de vier bewustzijnstoestanden. Deze ontwikkeling begint bij de aanvangstoestand van onbewustheid en loopt over de toestanden van bewustzijn en zelfbewustzijn uit op het albewustzijn.
terug naar de woordenlijst - naar boven
algeest
De algeest is God als de éne geest, die alomtegenwoordig is en zich onbegrensd uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.
De algeest doet zich aan het geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte.
Door het geestesoog gezien wordt de algeest zoals gezegd gekenmerkt door alomtegenwoordigheid en daardoor door onbegrensdheid, oneindigheid. Door de eigenschap oneindigheid is er geen ruimte om de algeest heen. De algeest zelf is daardoor zonder ruimte, ruimteloos. Dat betekent dat er geen ruimte rondom de algeest is waar iets anders zou kunnen zijn, waar de algeest zelf weer uit zou kunnen zijn voortgekomen. Er is geen 'buiten de algeest' en er kan daardoor buiten de algeest geen oorzaak zijn, die zelf weer de bron is van de algeest. De algeest zelf is daardoor zonder oorzaak, oorzaakloos; met andere woorden, de algeest is de ene oerbron van het al, de algeest is één en ál.
Tijd is een stroom van gebeurtenissen, die in een ruimte plaatsvindt. Als er geen ruimte is, is er geen beweging en daardoor ook geen tijd mogelijk. Daardoor is er ook niet een tijd vóór de algeest, waarin de algeest er niet zou zijn geweest; noch kan er daardoor een tijd ná de algeest zijn, waarin de algeest weer in iets anders zou kunnen opgaan. De algeest wordt daardoor niet alleen gekenmerkt door ruimteloosheid, maar als gevolg daarvan ook door tijdloosheid. De algeest is niet alleen onbegrensd, maar ook eeuwig. De algeest wordt (vanuit de menselijke geest gezien) gekenmerkt door eeuwigheid en oneindigheid, de algeest is in wezen de 'eeuwige oneindigheid'.
Door die ruimteloosheid en tijdloosheid kan er zoals gezegd naast de algeest geen andere geest zijn. Het wezenlijke kenmerk van de algeest is daardoor, dat de algeest één is. Van de algeest is er maar één. De algeest is daardoor een volkomen zelfstandigheid. Daardoor moet de algeest echter alles in zichzelf overleggen en beslissen. Nooit kan de algeest bij iets of iemand anders te rade gaan. De algeest is daardoor ook volkomen zelfwerkzaam, volkomen uit zichzelf scheppend werkzaam.
Met andere woorden: vanuit de eigenschap alomtegenwoordigheid zijn de eeuwige oneindigheid, zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid als wezenlijke eigenschappen van de algeest te beschrijven en te begrijpen.
De goddelijke zelfwerkzaamheid van de algeest hangt samen met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Door de alomtegenwoordigheid worden de geestelijke vermogens van de algeest gekenmerkt door alwetendheid (waarnemen), alwijsheid (denken), alliefde (voelen) en almacht (willen). God als de algeest heeft het al in zichzelf en is daardoor alwetend; God kan alles in zichzelf met elkaar verbinden en is daardoor de alwijsheid; door de alomtegenwoordigheid verbindt God alles met zichzelf en is daardoor alliefhebbend; doordat God de enige algeest is, heeft God als volkomen zelfstandige de vrijheid alles in zichzelf te voltrekken en is daardoor almachtig.
In de ongevormde oertoestand doet God als de algeest zich voor als de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Overal in zichzelf kan de algeest zich verdichten tot een algeestvonk: het punt dat overal het algeestmiddelpunt is. Met deze bijzondere algeestvonk blijft de algeest volledig verbonden en deze vonk is daardoor de heilige algeestvonk: de eerst geschapen vorm. In deze gevormde toestand doet God als de algeest zich voor als de heilige geest, die aan de menselijke geest verschijnt in de vorm van de geestgedaante. Algeest en heilige geest zijn twee verschijningsvormen van één en dezelfde geest.
Deze heilige geest van God is door Maria heen met de naam Jezus in een lichaam op aarde geboren om zo het leven van de zich ontwikkelende algeestvonken, de menselijke geesten, zelf mee te maken, hen daardoor als een lichtend voorbeeld te kunnen onderwijzen en hen weer met zichzelf te kunnen verbinden door hen in zijn uitstraling op te nemen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
algeestvonk
De menselijke geest is in wezen een vonk van geestelijk licht en geestelijke warmte, die door verdichting uit de goddelijke algeest is gevormd en die zich als algeestvonk in de goddelijke algeest bevindt en daarin leeft.
Aan het geestesoog doet de menselijke geest zich voor als een brandpunt, als een bolvormige wolk van licht en warmte, die uit het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de algeest door verdichting daarvan is gevormd. Door de verdichting uit de algeest is er geen grens tussen de algeest en de algeestvonk, maar er is een naadloze, geleidelijke overgang tussen de algeest, God, en de algeestvonk, de menselijke geest. Het is alleen door de toestand van onbewuste vereenzelviging met de omgeving op aarde, dat de menselijke geest zich van de eeuwige verbondenheid met God hier niet meer bewust is.
De menselijke geest als geestelijke zelfstandigheid wordt voortdurende door God gedacht en als goddelijke gedachte in de algeest vastgehouden en wordt voortdurend door Gods liefde doorstroomd en zo als zelfstandige eenheid in leven gehouden. De goddelijke algeest wil de menselijke geest voortdurend denken en met Gods liefde belevendigen, omdat de menselijke geest als Gods godenkind de meest wezenlijke uitdrukking is van Gods denken en voelen over zichzelf als vadermoeder.
terug naar de woordenlijst - naar boven
alomtegenwoordigheid
Door het geestesoog gezien wordt de algeest gekenmerkt door alomtegenwoordigheid en daardoor door onbegrensdheid, door oneindigheid.
Door de eigenschap oneindigheid is er geen ruimte om de algeest heen. De algeest zelf is dus zonder ruimte, ruimteloos. Dat betekent dat er geen ruimte rondom de algeest is waar iets anders zou kunnen zijn, waar de algeest zelf weer uit zou kunnen zijn voortgekomen. Er is geen 'buiten de algeest' en er kan daardoor buiten de algeest geen oorzaak zijn, die zelf weer de bron is van de algeest. De algeest zelf is daardoor zonder oorzaak, oorzaakloos, met andere woorden: de oerbron.
Tijd is een stroom van gebeurtenissen, die in een ruimte plaatsvindt. Als er geen ruimte is, is er ook geen tijd mogelijk. Daardoor is er ook niet een tijd vóór de algeest, waarin de algeest er niet zou zijn geweest; noch kan er daardoor een tijd ná de algeest zijn, waarin de algeest weer in iets anders zou kunnen opgaan. De algeest wordt dus niet alleen door ruimteloosheid gekenmerkt, maar als gevolg daarvan ook door tijdloosheid. De algeest is niet alleen onbegrensd, maar ook eeuwig. De algeest wordt gekenmerkt door eeuwigheid en oneindigheid, de algeest is in wezen de eeuwige oneindigheid. De algeest heeft daardoor geen verleden en geen toekomst, maar kent alleen een heden. De algeest verkeert in een altijd durend nú.
Door die ruimteloosheid en tijdloosheid kan er zoals gezegd naast de algeest geen andere geest zijn. Het wezenlijke kenmerk van de algeest is daardoor, dat de algeest een is. Van de algeest is er maar één. De algeest is daardoor een volkomen zelfstandigheid. Maar daardoor moet de algeest alles in zichzelf overleggen en beslissen. Nooit kan de algeest bij iets of iemand anders te rade gaan. De algeest is daardoor ook volkomen zelfwerkzaam, volkomen uit zichzelf werkzaam. Naast de eeuwige oneindigheid zijn zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid daardoor wezenlijke eigenschappen van de algeest. Die zelfwerkzaamheid hangt weer samen met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
angst
Angst is een verlammend gevoel van onmacht en onzekerheid, wat een gevoel van dreigend onheil vanuit de buitenwereld tot gevolg heeft.
Angst is een gemoedstoestand, die wordt gekenmerkt door een verlammend gevoel van zelfwantrouwen. Zelfwantrouwen is een gebrek aan vertrouwen in het bewuste en beheerste gebruik, dat de geest van de eigen vermogens zou kunnen maken, wat onzeker maakt. Daardoor ontbreekt het gevoel van vertrouwen om ervaringen, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest afkomen, aan te zullen kunnen door ze te verwerken. Daardoor ontstaat angst als een benauwend gevoel te zullen falen, waardoor toekomstige gebeurtenissen de geest zullen kunnen overweldigen en de geest er aan ten onder zal gaan. Dat heeft angst voor de toekomst tot gevolg, waardoor de angstige geest zich nergens veilig en voortdurend opgejaagd voelt.
Angst is een van tevoren bestaand gevoel van zelfwantrouwen, waarbij de oorzaak van de angst vaag is, doordat de toekomst onbekend is. De geest is zich wel min of meer bewust voortdurend in een angstige gemoedstoestand te verkeren,
maar weet niet duidelijk waardoor, doordat de oorzaak een gebrék is. Het is het ontbreken van vertrouwen in zichzelf, het ontbreken van de zekerheid de eigen vermogens zinvol te zullen kunnen gebruiken bij het oplossen van zich aandienende moeilijkheden, die daardoor overal worden vermoed. Daardoor verkeert de angstige geest in een kwellende toestand van onzekerheid.
Het woord angst hangt samen met 'eng', 'nauw'; de angstige geest voelt zich benauwd, klein en van alle kanten onder druk gezet. De angstige geest is 'bang', wat afkomstig is van 'be-angst'.
Angst als een vage gemoedstoestand is het tegendeel van vrees; daarbij is er sprake van een duidelijke oorzaak, waartegenover de geest zelfwantrouwen voelt; bijvoorbeeld hoogtevrees. Alleen op hoogten verblijvend, slaat de angst toe; weer beneden is de angst tot grote opluchting geheel verdwenen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
arbeid en zorg
De menselijke geest kan op twee wijzen werkzaam zijn, die tegendelen van elkaar zijn: de mannelijke en de vrouwelijke wijze van werkzaamheid.
De wijze van werkzaamheid in de geest hangt samen met de volgorde van de geestelijke vermogens. In de mannelijke geest is de volgorde van de vermogens: waarnemen, dénken, voelen en willen; in de vrouwelijke geest is de volgorde: waarnemen, vóelen, denken en willen.
Doordat in de mannelijke geest het denken voorop staat, is de werkzaamheid van de mannelijke geest in de eerste plaats gericht op de onderwerpen van het denken: op kennis, zaken en voorwerpen. De mannelijke werkzaamheid wordt daardoor gekenmerkt door de begrippen arbeiden en ondernemen. De werkwijze wordt gekenmerkt door het behandelen van kennis, zaken en voorwerpen.
Doordat in de vrouwelijke geest het voelen voorop staat, is de werkzaamheid van de vrouwelijke geest in de eerste plaats gericht op de onderwerpen van het voelen: op levende wezens in het algemeen, personen, dieren en planten. De vrouwelijke werkzaamheid wordt daardoor gekenmerkt door de begrippen zorgen, begeleiden en dienen. De werkwijze wordt gekenmerkt door overgave aan de behoeften van anderen, in het algemeen van levende wezens.
Het onderscheid in de werkzaamheid van de mannelijke en de vrouwelijke geest is te beschrijven aan de hand van het balspel. Zoals het spel zich aan de waarnemer voordoet, doen beiden schijnbaar hetzelfde; maar in de bedoeling van het spelen met de bal is een wezenlijk onderscheid. De mannelijke geest ontvángt de bal met het doel weer te kunnen spélen, de vrouwelijke geest spéélt de bal met het doel weer te kunnen ontvángen. Alleen daardoor blijft het spel gaande. Het spelen van de bal hangt samen met het behandelen van de bal, het ontvangen met de overgave aan de bal.
Het doel van de arbeid als de mannelijke werkzaamheid zijn zaken en dingen, het doel van het zorgen als de vrouwelijke werkzaamheid zijn de noden van levende wezens, met andere woorden de noden van de geest. De vrouwelijke werkzaamheid richt zich daarmee op het wezenlijke: de geest, die aanwezig is in mensen, dieren en planten.
Toch wordt door de eenzijdigheid, die ontstaat door de onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, aan de arbeid, die zich richt op het voortbrengen van stoffelijke gebruiksvoorwerpen en vergankelijke dingen, veel meer waarde gehecht in de vorm van geldelijke waardering dan aan de zorg, die, door het gezichtspunt van de onbewuste vereenzelviging, 'alleen maar geld kost'; terwijl alleen zíj gericht is op het wezenlijke en eeuwige: de geest!
Het Latijnse woord voor 'man' is 'mas', dat samenhangt met 'musculus', spier, en daardoor met arbeid. Het woord voor 'vrouw' is 'femina', dat samenhangt met 'femur', heup en met 'famulare', dienen, en daardoor met zorg.
terug naar de woordenlijst - naar boven
|
|