|
Verklarende woordenlijst B |
| |
- beeld
-
- De menselijke geest is in de ongevormde oertoestand een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte doen zich aan het geestesoog voor als een zacht trillende, beweeglijke toestand. Dit is, wat leven wordt genoemd.
Door de trillende toestand is er in het licht en de warmte sprake van vormbaarheid, zowel van binnenuit als van buitenaf. Van binnenuit oefent de geest een zelfvormende, scheppende werkzaamheid uit op zichzelf als lichtende warmte; en de geest kan zich ontvankelijk en vormbaar openstellen voor inwerking van buitenaf. Met de zelfvormende en vormbare eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al waarnemend stelt de geest het licht vormbaar open voor inwerking van buitenaf, waardoor in de geest lichtbeelden als ervaringsbeelden worden gevormd; al denkend vormt de geest het eigen licht tot lichtbeelden, die dan denkbeelden zijn; al voelend stelt de geest de warmte open voor inwerking van buitenaf, waardoor de warmtetoestand, wat dan de gemoedsgesteldheid is, in overeenstemming komt met de buitenwereld; al willend vormt de geest de eigen warmtetoestand, wat dan een krachttoestand is, zodanig om, dat de geest in staat is de eigen gedachten en gevoelens in uitspraken en handelingen vorm te geven.
Een geestelijk vermogen doet zich in de geest voor als een trilling; een trilling van licht of van warmte. Doordat het licht trilt en daardoor beweeglijk is, kan de geest verdichtingen en verdunningen van licht in zichzelf of door inwerking van buitenaf laten plaatsvinden, waardoor het licht op sommige plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Zo kunnen lichtbeelden worden gevormd. Een 'beeld' is dat, wat wordt gezien.
Door de toestand van onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met de buitenwereld, ziet de geest met het geestesoog nauwelijks of niet deze lichtbeelden in zichzelf. Voor de onbewust vereenzelvigde geest lijkt het eigen innerlijk daardoor een donkere leegte; een innerlijke leegte die met het geestesoog wordt ervaren als de stoffelijke ogen worden gesloten voor de buitenwereld.
Het geestelijke licht komt voort uit de geestelijke warmte, als dat voldoende beweeglijk is geworden. De geestelijke warmte is ook een trilling. Als de geest een taal heeft geleerd, dan doet de trilling van de warmte zich aan het geestesoor voor als een geluid. Een 'geluid' is dat, wat wordt gehoord. De vorm van dat geluid komt overeen met de betekenis van het wel gevormde, maar min of meer onzichtbare lichtbeeld: de gedachte of de ervaring.
Een gedachte komt tot klinken in het innerlijk van de denkende geest. Het denken is niet als een lichtbeeld ervaarbaar voor de denkende geest, maar wel als de alleenspraak, waarmee de denkende geest de gedachten in zichzelf benoemt in de vorm van woorden. Aan het in zichzelf tot klinken komen van de eigen gedachten als woorden, kan de geest onmiddellijk de eigen denkwerkzaamheid, de werkzaamheid van het denkvermogen, herkennen.
In het huidige tijdperk, waarin de menselijke geest het verst van God is verwijderd, is de klank van het woord dat de geest in zichzelf vormt door te denken, de enige aanwijzing, waaraan de geest zichzelf, in de vorm van de werkzaamheid van het denkvermogen, onmiddellijk kan herkennen.
(terug naar index)
- begeerte
-
- Het werkwoord 'begeren' hangt samen met het werkwoord 'geren': wijder worden. De betekenis van het woord 'begeren' geeft aan, dat als het verlangen van de geest is gericht op iets, wat een tijdelijke werkelijkheid is, dat verlangen nooit kan worden bevredigd en daardoor al maar toeneemt.
Dat, wat het verlangen van de geest kan bevredigen, wat de geest gelukkig kan maken, is alleen datgene, wat met het wezen van de geest overeenkomt. Dit zijn de voortbrengselen van de geestelijke vermogens, zoals: schoonheid, wijsheid, liefde en geestkracht. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) echter, heeft de geest onbewust aandacht en toewijding overgedragen op de tijdelijke wereld, die alleen als doel heeft een leerschool te zijn voor geestelijke groei. Die tijdelijke wereld is alleen een middel. Als de geest door onbewuste vereenzelviging daarmee van die wereld een doel maakt, gaat het verlangen van de geest naar iets onwezenlijks uit, dat niet met het wezen van de geest overeenstemt. Daardoor zal de tijdelijke wereld het verlangen van de onbewust vereenzelvigde geest nooit kunnen bevredigen en de geest zal er nooit een blijvend geluk in kunnen vinden.
Dat heeft tot gevolg dat de geest onbevredigd blijft, waardoor het verlangen blijft bestaan en de geest steeds maar door gaat (zoals de hond voor de hondekar achter de worst aan rent) en steeds maar meer verlangt en het steeds ergens anders zoekt om toch tot bevrediging te kunnen komen. Daardoor wordt verlangen tot begeerte, een steeds maar toenemend verlangen, waardoor de geest nooit genoeg heeft en het bezit en het gemak voortdurend moet worden vergroot. Aan deze ijver kan het bestaan te gronde gaan.
(terug naar index)
- begrijpen
-
- De geest kan iets begrijpen
als de geest in staat is een ervaring door te denken in hoofd- en
bijzaken te ontleden en die ervaring vervolgens kan verbinden met een groep van
vergelijkbare ervaringen of met de gedachtenwereld, die in het geheugen
aanwezig is. Daardoor kan de geest de nieuwe ervaring 'plaatsen'.
Dit kunnen plaatsen in een van de groepen van overige ervaringen is het kunnen 'begrijpen',
het kunnen 'vatten' van de nieuwe ervaring. De geest krijgt daardoor 'greep' op de nieuwe ervaring.
Kan de geest een nieuwe ervaring niet verbinden met overeenkomstige
ervaringen of de gedachtenwereld in het geheugen, dan is die nieuwe
ervaring iets onbegrijpelijks voor de geest.
(terug
naar index)
- begrip
-
- Een begrip is een verstandelijke omschrijving van de algemene kenmerken van een groep bij elkaar behorende verschijnselen of ervaringen. Een begrip beschrijft wat in het algemeen onder een bepaald verschijnsel wordt verstaan; het beschrijft de inhoud van een bepaalde voorstelling van zaken als één duidelijk en samenhangend omschreven denkbeeld dat met één bepaald woord wordt aangeduid. De omschrijving van dat denkbeeld wordt de begripsbepaling genoemd.
Begripsverwarring ontstaat als geesten zònder ervaring toch menen over bepaalde zaken iets te kunnen zeggen. Dat is bijvoorbeeld uitgebreid gebeurd bij de begrippen 'geest' en 'ziel'. Om begripsverwarring te voorkomen is het noodzakelijk een duidelijke en eenduidige omschrijving te geven van de begrippen, die verbonden zijn met de gebruikte woorden.
(terug
naar index)
- beheersen
-
- De geest beheerst iets,
als de geest iets in zijn macht heeft gekregen, iets machtig is
geworden of iets meester is geworden.
Wat de geest kan leren beheersen, zijn de eigen vermogens. Geestelijke groei is het bewust en beheerst gebruik leren maken van de eigen vermogens door ze om te vormen van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid.
De geest kan de vermogens leren beheersen zoals een muzikant een muziekinstrument.
Hoe beter de muzikant het instrument beheerst, hoe mooier hij of zij
uitdrukking kan geven aan de muziek en hoe meer de schoonheid ervan
tot zijn recht komt.
Datzelfde geldt voor de geest met betrekking tot de geestelijke
vermogens. Hoe beter de geest de vermogens beheerst, hoe evenwichtiger
dit in het gedrag naar buiten toe tot uitdrukking komt. In de beheerste
toestand zijn de vermogens naar binnen toe werkzaam als het geweten (zelfbeschouwing,
redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing);
naar buiten toe als de deugden (aandacht, begrip, liefde en geduld).
Het beheerste waarnemingsvermogen wordt gekenmerkt door een streven naar schoonheid; het beheerste denken wordt gekenmerkt door een streven naar de waarheid en mondt uit in wijsheid; het beheerste voelen wordt gekenmerkt door een streven naar goedheid en mondt uit in liefde; het beheerste willen wordt gekenmerkt door vastberadenheid in het streven en mondt uit in geestkracht.
De beheersing van een vermogen neemt toe door oefening in het bewuste gebruik ervan. Dit is volkomen te vergelijken met de oefening van bepaalde spieren van het lichaam, waarvan de beheersing in het gebruik ervan toeneemt door oefening in het bewust gebruiken van die spieren.
Met beheersing wordt niet bedoeld het zich tot elke prijs inhouden.
(terug
naar index)
- beschaving
-
- Innerlijke beschaving is
de eigenschap van een geest, die een bewust beheerst en evenwichtig gebruik van de
vier ontwikkelde vermogens en de beide instellingswijzen heeft leren
maken.
De geestelijke werkzaamheid en het daaruit voortkomende gedrag
wordt door bewuste beheersing van de vermogens gekenmerkt door zin voor schoonheid (waarnemen), het streven naar waarheid (denken) en goedheid (voelen), en door
daadkracht (willen); daarnaast door gemeenschapszin (de uitgekeerde
instelling) en zelfbezonnenheid (de ingekeerde instelling). De ontwikkelde
vermogens komen ingekeerd tot uitdrukking in het geweten: in zelfbeschouwing,
redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing; en uitgekeerd
in de deugden: in aandacht, begrip, liefde en geduld.
Door het ontwikkelde waarnemen zijn de kunstzinnige gaven tot ontwikkeling
gekomen met liefde voor kunst in allerlei vormen; persoonlijke verzorging,
kleding, huisinrichting en tuin getuigen van goede smaak. Door het
ontwikkelde denken is er een ruimhartige levensbeschouwing, een
brede kijk op het leven, worden de antwoorden op de grote levensvragen
gezocht, wordt het denken gekenmerkt door onbevooroordeeldheid en
wijsheid. Door het ontwikkelde voelen wordt de persoon gekenmerkt
door menslievendheid, vredelievendheid, onzelfzuchtigheid, onvooringenomenheid
en hulpvaardigheid. Door het ontwikkelde willen is er zelfbeheersing
en zelfbepaling, inzet voor anderen of de goede zaak, vastberadenheid
en volharding.
De beschaafde, ontwikkelde persoon voelt zich verbonden met het
al en is daardoor een wereldburger die allen als broeders en zusters
beschouwt, als Gods kinderen. De beschaving van een volk wordt in
de eerste plaats uitgemaakt door opvoeding: door het aantal ouders, dat hun eigen
innerlijke beschaving op hun kinderen weet over te dragen. De beschaving van een volk wordt
verder uitgemaakt door het aantal mensen, dat tot innerlijke beschaving
is gekomen en op invloedrijke plaatsen in het openbare leven werkzaam
kan zijn en daardoor de geestesgesteldheid van het volk mede kan bepalen.
(terug
naar index)
- bestaan
- Bestaan betekent: 'er zijn'. Datgene, wat bestaat, wat 'er is', is de menselijke geest en is daarnaast de schepping in de vorm van de stoffelijke wereld. Daarin bestaat de menselijke geest, daarin is de geest aanwezig, zolang de geest daar over een stoffelijke vorm beschikt.
Door middel van de stoffelijke vorm, het lichaam, leeft de geest in het bestaan van de stoffelijke wereld (zie: leven). De geest leeft in de ruimte en met de mogelijkheden, die de stoffelijke wereld biedt en leidt het leven in de omstandigheden van dat bestaan.
Door de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) met dit bestaan, draagt de geest de eigenschappen van zichzelf over het bestaan. Dat gebeurt ook met het leven, dat de geest zelf is door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. Daardoor wordt het 'bestaan', het 'er zijn' ook het 'leven' genoemd.
Door de omkering van waarden die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan, wordt het 'bestaan' het 'leven' genoemd en wordt er gezegd: er komt een einde aan het leven. In werkelijkheid echter komt er alleen een einde aan het bestaan. Het bestaan is eindig, maar de menselijke geest, die het leven heeft geleid in dat tijdelijke bestaan, leeft eeuwig verder. De geest heeft het leven in het tijdelijke bestaan op aarde alleen verwisseld met het eeuwige leven in het eeuwige bestaan bij God.
(terug
naar index)
- bestaansangst
- De geest gaat op aarde door geboorte in een stoffelijke vorm over, het lichaam. Het lichaam is een afbeelding van de eigen geestgedaante, waar de geest zich echter niet bewust van is. Door onbewuste vereenzelviging met het lichaam moet de geest echter bepaalde wèrkingen van het lichaam ervaren, zoals honger en dorst. Door het meemaken van honger en dorst kan de geest in een heftige gemoedsaandoening komen te verkeren. De gemoedsgesteldheid is een gesteldheid van de geest zelf. De heftigheid van de gemoedsgesteldheid heeft tot gevolg, dat de geest zichzèlf gaat beleven. Daardoor wordt de geest zich langzamerhand bewust van zichzelf.
Door de onbewuste vereenzelviging met het lichaam is de allerdiepste gemoedsaandoening angst. Het is bestaansangst als de angst om het lichaam en daarmee het bestaan te verliezen. Door de onbewuste vereenzelviging is deze angst de angst om als persoon ook zèlf dood te gaan, op te houden te bestaan, vernietigd te worden. Die angst drijft de geest aan het lichaam te behouden en voedsel en drinken te gaan zoeken, wat de drift tot zelfbehoud is. Doordat de geest zo uit innerlijke noodzaak gedwongen wordt de geestelijke vermogens te gaan gebruiken om in zijn behoeften te kunnen voorzien, wordt de geest werkzaam. Zo wordt de geest door angst ertoe aangezet zèlf de geestelijke vermogens bewust en beheerst te gaan gebruiken en zo zichzelf te gaan ontwikkelen.
De drift tot zelfbehoud heeft echter zelfgerichtheid, zelfzucht tot gevolg. Alle anderen worden door deze drift tot zelfbehoud tot mededingers. In de toestand van onbewuste vereenzelviging zijn alle menselijke geesten bij voorbaat bang voor elkaar. Tegenover hen kan de angst overgaan in wedijver, achterdocht, boosheid en woede, wat uit kan monden in geweld om de bevrediging van de eigen driftmatige behoeften veilig te stellen. De anderen worden mededingers doordat ook zij er immers op uit zijn naar bevrediging te streven en hun bezit veilig te stellen. De anderen moeten dus worden overheerst. Zo ontstaat er heerszucht als een streven om macht over anderen uit te kunnen oefenen. De anderen verkeren echter in dezelfde toestand, wat strijd veroorzaakt.
Door het hierdoor ontstane geweld en de vernietiging van anderen door moord en doodslag, moet de gewelddadige geest de angst en het leed meebeleven, dat hij of zij de ander aandoet, doordat het niet alleen zichzelf kan overkomen, maar het ook al de zijnen overkomt waarmee hij of zij vereenzelvigd is. Daarin herkent de geest waar hij of zij zelf bang voor is en zelf ook zou kunnen meemaken. Daardoor ontstaat langzaam maar zeker, bestaan na bestaan, schuldgevoel, wroeging, het bij zichzelf te rade gaan wat anderen is aangedaan. De mens gaat daardoor over zijn daden nadenken en ze doorvoelen: "Waar ik zelf bang voor ben, de dood, dat doe ik anderen aan". Waardoor geleidelijk het geweten wakker wordt en de drift tot zelfbehoud wordt omgevormd in geestdrift, in liefde voor de naaste.
(terug
naar index)
- bewust
zijn, zich
- Het 'zich bewust zijn' is
een toestand van de geest, een geestestoestand. Het is een
geestestoestand van wetend zijn, van weet hebben van, van kennen,
waarin de geest kan komen te verkeren door waar te nemen. Het werkwoord 'weten' hangt samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent en met andere woorden met: waarnemen.
De geest komt in de geestestoestand van 'zich bewust zijn' te verkeren,
door bewust gewild - op willekeurige wijze - een onderwerp waar te nemen door zich er aandachtig voor open te stellen. De geest kan ook op een onwillekeurige wijze
in een toestand van zich bewust zijn komen te verkeren, namelijk
door lijdzaam bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen te ondergaan,
bijvoorbeeld pijn of harde geluiden.
De geestestoestand van 'zich bewust zijn' wordt gemakshalve ook
wel 'het bewustzijn' genoemd. Door dat woordgebruik lijkt het alsof
het bewustzijn een zelfstandigheid zou zijn, die zelf iets zou kunnen doen.
Bovendien wordt gemakshalve het wederkerende voornaamwoord 'zich'
weggelaten, dat altijd terugverwijst naar het onderwerp in de vorm
van de handelende persoon. Die handelende persoon is altijd de geest zèlf
(zie: persoon). Het is daardoor alleen de géést, die 'zich
van iets bewust zijn' kan.
De geest 'kan zich van iets bewust zijn', maar is niet zelf 'het bewustzijn'; zoals daarmee overeenkomend: de geest 'kan zich iets herinneren', maar is niet zelf 'de herinnering'.
Het 'zich bewust zijn' is als geestestoestand een voortbrengsel
van het waarnemen, zoals een gedachte een voortbrengsel is van het
denken. Door waar te nemen vormt de geest ìn zich een toestand
van 'zich van iets bewust zijn' als voortbrengsel van het waarnemen, zoals de geest door te denken in zich een gedachte vormt als voortbrengsel van het denken.
Als de menselijke geest werkzaam wordt door de vermogens te gebruiken, dan brengt de geest door waar te nemen zichzelf in een waarnemende toestand, waardoor de geest een 'waarneming' doet en zo 'zich van iets bewust wordt'. Als de geest gaat denken dan brengt de geest zichzelf in een denkende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'denking' verricht en zo een 'gedachte' vormt. Als de geest gaat voelen dan brengt de geest zichzelf in een voelende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'voeling' tot stand brengt en zo een 'gevoel' laat vormen. Als de geest gaat willen dan brengt de geest zichzelf in een willende toestand, waardoor de geest een 'willing' tot stand brengt en zo een 'wilsbesluit' gaat uitvoeren.
Met andere woorden: het 'zich bewust zijn' is in wezen een geestestoestand van 'waarnemend zijn'.
In sommige levensbeschouwingen wordt 'het bewustzijn' als een zelfstandigheid gezien en wordt wel gesteld dat 'het bewustzijn voelt' of dat 'het bewustzijn wil'. Als wordt gezegd dat 'het bewustzijn voelt', dan moet het daarmee overeenkomend ook mogelijk zijn om
te zeggen dat 'de gedachte voelt'. Dit is echter een onmogelijkheid.
Alleen de geest is in de binnenwereld de werkzame zelfstandigheid
die iets kan doen met behulp van de geestelijke vermogens, onder
andere 'zich van iets bewust worden' door iets waar te nemen en
gedachten vormen door te denken.
Het verschijnsel dat over 'het bewustzijn' als een werkzame zelfstandigheid
wordt gesproken, ontstaat door de toestand van onbewuste vereenzelviging.
Daardoor vereenzelvigt de werkzame geest zich met de voortbrengselen
van de eigen vermogens. Aandacht en toewijding gaan dan door overdracht
over in de toestand 'zich van iets bewust te zijn'. Dàt
wordt nu als de werkzame eenheid ervaren, terwijl de geest zelf verborgen
blijft achter de ervaringen of de kennis, waarvan op dat ogenblik
de geest 'zich bewust is'. De bewùstzijnstoestand wordt daardoor
als de werkelijkheid ervaren en als een zelfstandigheid benoemd, alsof het de geest zelf was.
Ook wordt wel gesproken over: 'een inhoud van het bewustzijn'. Het
'zich van iets bewust zijn' is echter een geestestoestand
en een toestand kan niet iets bevatten. Wat gebeurt is, dat de geest
door waar te nemen het eigen geestelijke licht openstelt en daardoor
het waargenomen onderwerp 'in zich opneemt'. Doordat het onderwerp
zich in de geest heeft kunnen afdrukken en het een inhoud van de
geest is geworden, is de geest zich er bewust van geworden, heeft
de geest er weet van gekregen.
Er kan over 'het bewustzijn' worden gesproken als steeds wordt beseft,
dat het een geestestoestand is, waarin de geest door waar te nemen
weet van iets heeft gekregen.
(terug
naar index)
- bewustzijnstoestand
- De bewustzijnstoestand is
de graad en de omvang van de bewustheid waardoor de geest wordt
gekenmerkt. Daarin zijn de vier bewustzijnstoestanden te onderscheiden: onbewustzijn (onbewustheid), bewustzijn (wakker zijn), zelfbewustzijn en albewustzijn.
De levensweg als pad van geestelijke groei wordt gekenmerkt door de vier bewustzijnstoestanden als in elkaar overvloeiende stappen tijdens die geestelijke groei. Die groei bestaat uit het bewust en beheerst gebruik leren maken van de eigen geestelijke vermogens, door die om te vormen van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid.
(terug
naar index)
- bewustzijnsveld
- Het bewustzijnsveld is het werkgeheugen. Het bewustzijnsveld is dat gedeelte van de ziel wat die inhouden bevat, waarvan de geest zich op een bepaald tijdstip bewust is of mee aan het werken is.
Het bewustzijnsveld bevat die denkbeelden en ervaringsbeelden, waarmee
de geest door middel van de geestelijke vermogens is verbonden. Door de aandacht op die inhouden van het geheugen (als deel van de ziel) te richten, worden deze beelden weer met de geest verbonden. Daardoor worden zij door de geest van geestkracht voorzien, waardoor zij in de ziel tot leven komen en de geest weer duidelijk voor het geestesoog komen te staan.
Het bewustzijnsveld bevat al die onderwerpen,
die in een bepaalde tijd in de belangstelling van de geest staan. Het is als het ware een lijst van onderwerpen waar aandacht aan moet worden besteed en waar iets mee moet worden gedaan.
(terug
naar index)
- bijna dood ervaring
- De menselijke geest heeft gezond werkzame hersenen nodig om zich er duurzaam mee te kunnen verbinden tijdens het bestaan op aarde. Vermindert de bloedtoevoer of komt deze helemaal tot stilstand, dan krijgen de hersenen te weinig glucose en zuurstof, waardoor de hersenwerkzaamheid wordt gestoord. Wanneer de hersenwerkzaamheid tot een bepaalde graad verminderd is, dan kan de geest niet langer in de hersenen blijven en moet zich ervan losmaken. Dit verschijnsel heet uittreding (door de Nederlandse mystici 'uitgeesten' genoemd).
De uittreding kan geleidelijk verlopen. Tijdens het uittreden gaat de geest eerst door de eigen binnenwereld heen, waarin zich het geheugen bevindt dat samenhangt met dit bestaan. Daardoor ervaart de geest een terugschouw op dit bestaan. Als de geest los begint te komen van de tijdelijkheid van het lichaam, is de geest zelf weer in de toestand van het eeuwige, tijdloze leven. Daardoor kan de gehele inhoud van dat geheugen in één oogwenk worden gezien (zie ook: dromen).
Als de uittreding verder gaat, komt de geest in de eigen uitstraling, de geestgedaante, los van het lichaam. Dan is de geestgedaante het voertuig, waarmee de geest zich in de geestelijke wereld kan bewegen. Zolang de levensdraad tussen de geestgedaante en de stoffelijke vorm op aarde blijft bestaan, gaan de hersenen en daarmee het lichaam niet dood. De hersenen blijven, zij het zeer verzwakt, werkzaam, want anders zou de geest niet terug kunnen keren. De ervaringen die de geest tijdens de uittreding opdoet, kunnen later ook alleen worden herinnerd, als de geest ze door de levensdraad heen heeft kunnen afdrukken op de hersenschors.
Door de uittreding komt de geest in de geestelijke wereld en kan vandaar uit eerst ook nog de stoffelijke wereld waarnemen. De geest ziet daardoor wat er met het lichaam gebeurt. Doordat de geest bevrijd is van de remmingen, veroorzaakt door de stoffelijkheid van het lichaam, is de bewustzijnstoestand van een onaardse helderheid en lichtheid. De geest neemt daardoor duidelijk waar, kan alles ongestoord en rustig overdenken en doorvoelen, en als de wil krachtig genoeg is ook zelf de geestgedaante bewegen.
Gaat de geest verder, dan volgt in de geestelijke wereld de ontmoeting met de geestelijke begeleiders. Dat kunnen de geestelijke broeders en zusters zijn die tot dezelfde groep behoren, verder Gods engelen en ook Jezus, in wie de goddelijke algeest op persoonlijke wijze bij de menselijke geest aanwezig is. Hier kan een duidelijk aanwezige grens worden overschreden, waarna terugkeer naar de tijdelijke wereld niet meer mogelijk is.
Al naar de eigen geestesgesteldheid, kan de geest met de ermee overeenkomende werelden worden verbonden: met de werelden van licht en warmte, waar muziek klinkt; en met de werelden van schaduw en kilte, waar gekrijs klinkt. De geest komt thuis in die wereld, die bij de geest hoort.
Slagen de artsen op aarde er niet in de hartswerking, daardoor de bloedsomloop en als gevolg daarvan de hersenwerking weer op gang te brengen, dan raken de hersenen ongeschikt om zich er als geest weer mee te verbinden. De levensdraad breekt, het lichaam gaat dood en de geest 'overlijdt', dat wil zeggen, de geest wordt door de geestelijke begeleiders 'overgeleid' naar de geestelijke wereld.
Slagen de artsen er wel in de hartswerking weer op gang te brengen, dan neemt de hersenwerking weer toe en kan of moet de geest weer terugkeren, afhankelijk van de lotsbestemming. Doordat de levensdraad is blijven bestaan, heeft de geest de ervaringen in de geestelijke wereld ook kunnen afdrukken op de hersenschors, waardoor de geest zich deze ervaringen, terug in de stoffelijke wereld, weer kan herinneren. Daar stuit de geest op een muur van ongeloof in de omgeving, die wordt veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) met het stoffelijke bestaan.
Vanuit de stoffelijke wereld geredeneerd, wordt dit verschijnsel een 'bijna dood ervaring' genoemd, doordat alleen naar het lichaam wordt gekeken. Vanuit de geestelijke wereld geredeneerd, door de ervárende geest zelf, is dit een 'ik blijf leven ervaring'. Voor de onbewust vereenzelvigde geest, die alleen de stoffelijke vorm ziet, is dit een onbegrijpelijke uitspraak. De ermee samenhangende afwijzende houding is er de oorzaak van, dat aan de ondervindingen van de ervárende geest, voorbij wordt gegaan.
(terug
naar index)
- binnenwereld
- De binnenwereld is de inwendige
wereld van de ziel. De geest bevindt zich in het midden van zijn
eigen binnenwereld, die een uitgestraald krachtveld is, veroorzaakt
door de eigen geestelijke werkzaamheid.
De binnenwereld kan verder gevuld zijn met gewaarwordingsbeelden
van buiten, voorstellingen, denkbeelden, kennis en herinneringen.
Deze omringen de geest en worden daar door de geest waargenomen.
De binnenwereld is een overgangsgebied tussen de stoffelijke wereld
en de geestelijke wereld, waarmee de geest voortdurend, maar meestal
onbewust, is verbonden.
(terug
naar index)
- bouwstof
- De bouwstof waarmee de geest vormen vormt, is geestelijk licht. De geest is in staat het levende licht, dat de geest in wezen zelf is, in zichzelf te verdichten en te verdunnen, zodat het licht op bepaalde plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Daardoor worden in het licht, dat de geest zelf is, lichtvormen gevormd door de vormkracht, die de geest ook zelf is. De geest vormt zichzelf tot innerlijke beelden, die lichtbeelden zijn. Deze lichtbeelden worden denkbeelden genoemd, gedachten.
De geest als bewuste levenskracht is een lichtende warmte, die door de warmte als scheppende vormkracht in zichzelf vorm geeft aan die scheppende werkzaamheid in de vorm van innerlijke lichtbeelden. De geest denkt door zichzelf tot denkbeelden om te vormen. Deze denkbeelden komen in de geest tot klinken als de geest een taal heeft geleerd. Zij kunnen vervolgens worden afgedrukt in het geheugen als 'het geheel van gedachten' in de ziel of naar buiten toe worden uitgedrukt in handelingen en uitspraken.
De goddelijke algeest denkt in zichzelf door in zichzelf het eigen licht om te vormen tot de werelden, die door de menselijke geest worden waargenomen. De menselijke geest leeft in Gods denkbeelden, die door de menselijke geest 'Gods schepping' wordt genoemd. Het licht in Gods schepping wordt wereld na wereld steeds verder verdicht, totdat de toestand van verdichting wordt bereikt, die in deze wereld 'stof' wordt genoemd.
Stof is gestold licht (Einstein vond dit langs natuurwetenschappelijke weg als de formule E=mc2, waarin c2 de lichtsnelheid in het kwadraat is). Stof is licht als bouwstof van de schepping, die in deze wereld als 'vast' wordt ervaren. De natuurwetenschap heeft aangetoond dat wat hier stof wordt genoemd, in werkelijkheid voornamelijk bestaat uit inwendige krachten, die uiterst kleine massadeeltjes (protonen, neutronen en electronen) bij elkaar houden. Wat als 'vaste stof' wordt ervaren, heeft nauwelijks massa, maar bestaat voornamelijk uit kracht: de geestkracht van de algeest die door de algeest door te denken in een bepaalde vorm wordt gehouden.
(terug
naar index)
- buitenwereld
- De buitenwereld is datgene,
wat de ziel, met daarin de geest, omgeeft. De ziel is een uitstraling
van de geest en behoort daardoor tot de geest.
Vanuit de geest gezien, behoort het lichaam tot de buitenwereld. Het is geheel uit de buitenwereld afkomstig en wordt daar, als de geest bij het overlijden weer naar
huis gaat, ook aan teruggegeven.
(terug
naar index)
|
|