GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst B
 
beeld
begeerte
begrijpen
begrip
beheersen
beschaving
bestaan
bestaansangst
bewust zijn, zich

bewustwording, de vertraging van de
bewustzijnstoestand
bewustzijnsruimte
bezetenheid
bijna-doodervaring
binnenwereld
boom
bouwstof
buitenwereld


beeld
De menselijke geest is in de ongevormde oertoestand een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte doen zich aan het geestesoog voor als een zacht trillende, beweeglijke toestand. Dit is, wat leven wordt genoemd. Dit leven van de geest houdt het lichaam in beweging en voorkomt de dood ervan.
Door de trillende toestand is er in het licht en de warmte sprake van vormbaarheid, zowel van binnenuit als van buitenaf. Van binnenuit oefent de geest een zelfvormende, scheppende werkzaamheid uit op zichzelf als lichtende warmte; daarnaast kan de geest zich ontvankelijk en vormbaar openstellen voor inwerking van buitenaf. Met de zelfvormende en vormbare eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al waarnemend stelt de geest het licht vormbaar open voor inwerking van buitenaf, waardoor in de geest lichtbeelden als ervaringsbeelden worden gevormd; al denkend vormt de geest het eigen licht tot lichtbeelden, wat dan denkbeelden zijn; al voelend stelt de geest de warmte open voor inwerking van buitenaf, waardoor de warmtetoestand, wat de gemoedsgesteldheid is, in overeenstemming komt met levende wezens in de buitenwereld; al willend vormt de geest de eigen warmtetoestand, wat dan een krachttoestand is, zodanig om, dat de geest in staat is de eigen gedachten en gevoelens in uitspraken en handelingen vorm te geven.
Een geestelijk vermogen doet zich in de geest voor als een trilling; een trilling van licht of van warmte. Doordat het licht trilt en daardoor beweeglijk is, kan de geest zelf verdichtingen en verdunningen van licht in zichzelf of door inwerking van buitenaf laten plaatsvinden, waardoor het licht op sommige plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Zo kunnen lichtbeelden worden gevormd. Een 'beeld' is dat, wat wordt gezien.
Door de toestand van onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met de buitenwereld, ziet de geest met het geestesoog nauwelijks of niet deze lichtbeelden in zichzelf; zij worden overstemd door beelden uit de buitenwereld die de aandacht trekken. Voor de onbewust vereenzelvigde geest lijkt het eigen innerlijk daardoor een donkere leegte; een innerlijke leegte die met het geestesoog wordt ervaren als de stoffelijke ogen worden gesloten voor de buitenwereld.

Het geestelijke licht komt voort uit de geestelijke warmte, als dat voldoende beweeglijk is geworden. De geestelijke warmte is ook een trilling. Als de geest een taal heeft geleerd, dan doet de trilling van de warmte zich aan het geestesoor voor als een innerlijk geluid. Een 'geluid' is dat, wat wordt gehoord. De vorm van dat geluid komt overeen met de betekenis van het wel gevormde, maar min of meer onzichtbare lichtbeeld: de gedachte of ervaring.
Een gedachte komt tot klinken in het innerlijk van de denkende geest. Het denken is niet als een lichtbeeld ervaarbaar voor de denkende geest, maar wel als woorden in de vorm van een innerlijke alleenspraak, waarmee de denkende geest de gedachten in zichzelf benoemt. Aan het in zichzelf tot klinken komen van de eigen gedachten als woorden, kan de geest onmiddellijk de eigen denkwerkzaamheid, de werkzaamheid van het denkvermogen, herkennen.
In het huidige tijdperk, waarin de menselijke geest het verst van God is verwijderd, is de klank van het woord dat de geest in zichzelf vormt door te denken, de énige aanwijzing, waaraan de geest zichzelf, in de vorm van de werkzaamheid van het denkvermogen, onmiddellijk kan herkennen.

terug naar de woordenlijst - naar boven

begeerte
Het werkwoord 'begeren' hangt samen met het werkwoord 'geren': wijder worden. De betekenis van het woord 'begeren' geeft aan, dat als het verlangen van de geest is gericht op iets, wat een tijdelijke werkelijkheid is, dat verlangen nooit kan worden bevredigd en daardoor al maar toeneemt.
Dat, wat het verlangen van de geest kan bevredigen, wat de geest gelukkig kan maken, is alleen datgene, wat met het wezen van de geest overeenkomt. Dit zijn de voortbrengselen van de geestelijke vermogens, zoals: schoonheid, wijsheid, liefde en geestkracht. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) echter, heeft de geest onbewust aandacht en toewijding overgedragen op de tijdelijke wereld, die alleen als doel heeft een leerschool voor geestelijke groei te zijn. Die tijdelijke wereld is alleen een middel. Als de geest door onbewuste vereenzelviging daarmee van die wereld een doel maakt, gaat het verlangen van de geest naar iets onwezenlijks uit, dat niet met het wezen van zichzelf overeenstemt. Daardoor zal de tijdelijke wereld het verlangen van de onbewust vereenzelvigde geest nooit kunnen bevredigen en die zal er nooit een blijvend geluk in kunnen vinden.
Dat heeft tot gevolg dat de geest onbevredigd blijft, waardoor het verlangen blijft bestaan en de geest steeds maar door gaat (zoals de hond voor de hondekar achter de worst aan de hengel rent) en steeds maar meer verlangt en het steeds ergens anders zoekt om toch tot bevrediging te kunnen komen. Daardoor wordt verlangen tot begeerte, een steeds maar toenemend verlangen, waardoor de geest nooit genoeg heeft en het bezit en het gemak voortdurend moet worden vergroot. Aan deze ijver kan het bestaan te gronde gaan.

Het werkwoord 'langen' betekent 'pakken', 'grijpen'; het voorvoegsel 'ver-' heeft o.a. de betekenis dat een toestand te ver gaat. Het werkwoord 'verlangen' heeft daardoor de betekenis: meer willen pakken dan nodig is, niet kunnen ophouden met pakken.
terug naar de woordenlijst - naar boven

begrijpen
De geest kan iets begrijpen als die in staat is een ervaring door te denken in hoofd- en bijzaken te ontleden en die ervaring vervolgens kan verbinden met een groep van vergelijkbare ervaringen in de overeenkomende gedachtenwereld, als die in het geheugen aanwezig is. Daardoor kan de geest de nieuwe ervaring 'plaatsen'. Dit kunnen plaatsen in een van de groepen van overige ervaringen is het kunnen 'begrijpen', het kunnen 'vatten' van de nieuwe ervaring. De geest krijgt daardoor 'greep' op de nieuwe ervaring.
Kan de geest een nieuwe ervaring niet verbinden met overeenkomstige ervaringen of een gedachtenwereld in het geheugen, dan is die nieuwe ervaring iets onbegrijpelijks voor de geest.

terug naar de woordenlijst - naar boven

begrip
Een begrip is een verstandelijke omschrijving van de algemene kenmerken van een groep bij elkaar behorende verschijnselen of ervaringen. Een begrip beschrijft wat in het algemeen onder een bepaald verschijnsel wordt verstaan; het beschrijft de inhoud van een bepaalde voorstelling van zaken als één duidelijk en samenhangend omschreven denkbeeld dat met één bepaald woord wordt aangeduid. De omschrijving van dat denkbeeld wordt de begripsbepaling genoemd.
Begripsverwarring ontstaat als personen zónder ervaring toch menen over bepaalde zaken iets te kunnen zeggen. Dat is bijvoorbeeld uitgebreid gebeurd bij de begrippen 'geest' en 'ziel'. Om begripsverwarring te voorkomen is het noodzakelijk een duidelijke en eenduidige omschrijving te geven van de begrippen, die verbonden zijn met de gebruikte woorden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

beheersen
De geest beheerst iets, als die iets in zijn macht heeft gekregen, iets machtig is geworden of meester is geworden.
Wat de geest kan leren beheersen, zijn de eigen vermogens. Geestelijke groei is het bewust en beheerst gebruik leren maken van de eigen vermogens door ze om te vormen van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid. In de beheerste toestand verschijnen de vermogens in het gedrag in de vorm van het geweten en de deugden.
De geest kan de vermogens leren beheersen zoals een muzikant een muziekinstrument. Hoe beter de muzikant het instrument beheerst, hoe mooier hij of zij uitdrukking kan geven aan de muziek en hoe meer de schoonheid ervan tot zijn recht komt.
Datzelfde geldt voor de geest met betrekking tot de geestelijke vermogens. Hoe beter de geest de vermogens beheerst, hoe evenwichtiger dit in het gedrag naar buiten toe tot uitdrukking komt. In de beheerste toestand zijn de vermogens naar binnen toe werkzaam als het geweten (zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing); naar buiten toe als de deugden (aandacht, begrip, liefde en geduld).
Het beheerste waarnemingsvermogen wordt gekenmerkt door een streven naar schoonheid; het beheerste denken wordt gekenmerkt door een streven naar de waarheid en mondt uit in wijsheid; het beheerste voelen wordt gekenmerkt door een streven naar goedheid en mondt uit in liefde; het beheerste willen wordt gekenmerkt door vastberadenheid in het streven en mondt uit in geestkracht en volharding.
De beheersing van een vermogen neemt toe door oefening in het bewuste gebruik ervan. Dit is volkomen te vergelijken met de oefening van bepaalde spieren van het lichaam, waarvan de beheersing in het gebruik ervan toeneemt door oefening in het bewust gebruiken van die spieren.
Met beheersing wordt niet bedoeld het zich tot elke prijs inhouden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

beschaving
Innerlijke beschaving is de eigenschap van een geest, die een bewust beheerst en evenwichtig gebruik van de vier ontwikkelde vermogens en de beide instellingswijzen heeft leren maken.
De geestelijke werkzaamheid en het daaruit voortkomende gedrag wordt door bewuste beheersing van de vermogens gekenmerkt door zin voor schoonheid (waarnemen), het streven naar waarheid (denken) en goedheid (voelen), en door daadkracht (willen); daarnaast door gemeenschapszin (de uitgekeerde instelling) en zelfbezonnenheid (de ingekeerde instelling). De ontwikkelde vermogens komen ingekeerd tot uitdrukking in het geweten: in zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing; en uitgekeerd in de deugden: in aandacht, begrip, liefde en geduld.
Door het ontwikkelde waarnemen zijn de kunstzinnige gaven tot ontwikkeling gekomen met liefde voor kunst in allerlei vormen; persoonlijke verzorging, kleding, huisinrichting en tuin getuigen van goede smaak. Door het ontwikkelde denken is er een ruimhartige levensbeschouwing, een brede kijk op het leven, worden de antwoorden op de grote levensvragen gezocht, wordt het denken gekenmerkt door onbevooroordeeldheid en wijsheid. Door het ontwikkelde voelen wordt de persoon gekenmerkt door menslievendheid, vredelievendheid, onzelfzuchtigheid, onvooringenomenheid en hulpvaardigheid. Door het ontwikkelde willen is er zelfbeheersing en zelfbepaling, inzet voor anderen of de goede zaak, vastberadenheid en volharding.
De beschaafde, ontwikkelde persoon voelt zich verbonden met het al en is daardoor een wereldburger die allen als broeders en zusters beschouwt, als Gods kinderen. De beschaving van een volk wordt in de eerste plaats uitgemaakt door opvoeding: door het aantal ouders, dat hun eigen innerlijke beschaving op hun kinderen weet over te dragen. De beschaving van een volk wordt verder uitgemaakt door het aantal mensen, dat tot innerlijke beschaving is gekomen en op invloedrijke plaatsen in het openbare leven werkzaam kan zijn en daardoor de geestesgesteldheid van het volk mede kan bepalen.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bestaan
Bestaan betekent: 'er zijn'. Datgene, wat bestaat, wat 'er is', is de menselijke geest en is daarnaast de schepping in de vorm van de stoffelijke wereld. Daarin bestaat de menselijke geest, daarin is de geest aanwezig, zolang de geest daar over een stoffelijke vorm beschikt.
Door middel van de stoffelijke vorm, het lichaam, leeft de geest in het bestaan van de stoffelijke wereld (zie: leven). De geest leeft in de ruimte en met de mogelijkheden, die de stoffelijke wereld biedt en leidt het leven in de omstandigheden van dat bestaan.
Door de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) met dit bestaan, draagt de geest de eigenschappen van zichzelf over op het bestaan. Dat gebeurt ook met het leven, dat de geest zelf is door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. Daardoor wordt het 'bestaan', het 'er zijn' óók het 'leven' genoemd.
Door de omkering van waarden die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan, wordt het 'bestaan' het 'leven' genoemd en wordt er gezegd: er komt een einde aan het leven. In werkelijkheid echter komt er alleen een einde aan het bestaan in de stoffelijke wereld. Dat bestaan is eindig, maar de menselijke geest, die het leven heeft geleid in dat tijdelijke bestaan, leeft eeuwig verder. De geest heeft het leven in het tijdelijke bestaan op aarde alleen verwisseld met het eeuwige leven in het eeuwige bestaan in de geestelijke wereld bij God.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bestaansangst
De geest gaat op aarde door geboorte in een stoffelijke vorm over, het lichaam. Het lichaam is een afbeelding van de eigen geestgedaante, waar de geest zich hier echter niet bewust van is. Door onbewuste vereenzelviging met het lichaam moet de geest echter bepaalde wérkingen van het lichaam ervaren, zoals honger en dorst. Door het meemaken van honger en dorst kan de geest in een heftige gemoedsaandoening komen te verkeren. De gemoedsgesteldheid is een gesteldheid van de geest zelf. De heftigheid van de gemoedsgesteldheid heeft tot gevolg, dat de geest zichzélf gaat beleven. Daardoor wordt de geest zich langzamerhand bewust van de aanwezigheid van zichzelf.
Door de onbewuste vereenzelviging met het lichaam is de allerdiepste gemoedsaandoening angst. Het is bestaansangst als de angst om het lichaam en voor het eigen gevoel daarmee ook het eigen bestaan te verliezen. Door de onbewuste vereenzelviging is deze angst de angst om als persoon ook zélf dood te gaan, op te houden te bestaan, vernietigd te worden. Die angst drijft de geest aan het lichaam te behouden en voedsel en drinken te gaan zoeken, wat de drift tot zelfbehoud is. Doordat de geest zo uit innerlijke noodzaak gedwongen wordt de geestelijke vermogens te gaan gebruiken om in zijn behoeften te kunnen voorzien, wordt de geest werkzaam. Zo wordt de geest door angst ertoe aangezet zélf de geestelijke vermogens bewust en beheerst te gaan gebruiken en zo zichzelf te ontwikkelen.
De drift tot zelfbehoud heeft echter zelfgerichtheid, zelfzucht tot gevolg. Alle anderen worden door deze drift tot mededingers. In de toestand van onbewuste vereenzelviging zijn alle menselijke geesten bij voorbaat bang voor elkaar. Tegenover hen kan de angst overgaan in wedijver, achterdocht, boosheid en woede, wat uit kan monden in geweld om de bevrediging van de eigen driftmatige behoeften veilig te stellen. De anderen worden mededingers doordat voor het eigen gevoel ook zij er immers op uit zijn naar bevrediging te streven en hun bezit veilig te stellen. De anderen moeten dus worden overheerst om zelf veilig te kunnen zijn. Zo ontstaat er heerszucht als een streven om macht over anderen uit te kunnen oefenen. De anderen verkeren echter in dezelfde toestand, wat de oorzaak is van strijd.
Door het hierdoor ontstane geweld en de vernietiging van anderen door moord en doodslag, moet de gewelddadige geest de angst en het leed meebeleven, dat hij of zij de ander aandoet, doordat het niet alleen zichzelf kan overkomen, maar het ook al de zijnen overkomt waarmee hij of zij vereenzelvigd is. Daarin herkent de geest waar hij of zij zelf bang voor is en zelf ook zou kunnen meemaken. Daardoor ontstaat langzaam maar zeker, bestaan na bestaan, schuldgevoel, wroeging, het bij zichzelf te rade gaan wat anderen door eigen gedrag is aangedaan. De mens gaat daardoor over zijn daden nadenken en ze doorvoelen: "Waar ik zelf bang voor ben, de dood, dat doe ik anderen aan!". Waardoor geleidelijk het geweten wakker wordt en de drift tot zelfbehoud wordt omgevormd in geestdrift, in liefde voor de naaste.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bewust zijn, zich
Het 'zich bewust zijn' is een toestand van de geest, een geestestoestand. Het is een geestestoestand van wetend zijn, van weet hebben van, van kennen, waarin de geest kan komen te verkeren door waar te nemen. Het werkwoord 'weten' hangt samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent en met andere woorden met: waarnemen.
De geest komt in de geestestoestand van 'zich bewust zijn' te verkeren, door bewust gewild - op willekeurige wijze - een onderwerp waar te nemen door zich er aandachtig voor open te stellen. De geest kan ook op een onwillekeurige wijze in een toestand van zich bewust zijn komen te verkeren, namelijk door lijdzaam bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen te ondergaan, bijvoorbeeld pijn of harde geluiden.

De geestestoestand van 'zich bewust zijn' wordt gemakshalve ook wel 'het bewustzijn' genoemd. Door dat woordgebruik lijkt het alsof het bewustzijn een zelfstandigheid zou zijn, die zelf iets zou kunnen doen. Bovendien wordt gemakshalve het wederkerende voornaamwoord 'zich' weggelaten, dat altijd terugverwijst naar het onderwerp in de vorm van de handelende persoon. Die handelende persoon is altijd de geest zélf (zie: persoon). Het is daardoor alleen de géést, die 'zich van iets bewust zijn' kan.
De geest 'kan zich van iets bewust zijn', maar is niet zelf 'het bewustzijn'; zoals daarmee overeenkomend: de geest 'kan zich iets herinneren', maar is niet zelf 'de herinnering'.
Het 'zich bewust zijn' is als geestestoestand een gevolg van het waarnemen, zoals een gedachte een gevolg is van het denken. Door waar te nemen vormt de geest ín zich een toestand van 'zich van iets bewust zijn' als gevolg van het waarnemen, zoals de geest door te denken in zich een gedachte vormt als gevolg van het denken.
Als de menselijke geest werkzaam wordt door de vermogens te gebruiken, dan brengt de geest door waar te nemen zichzelf in een waarnemende toestand, waardoor de geest een 'waarneming' doet en zo 'zich van iets bewust wordt'. Als de geest gaat denken dan brengt de geest zichzelf in een denkende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'denking' verricht en zo een 'gedachte' vormt. Als de geest gaat voelen dan brengt de geest zichzelf in een voelende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'voeling' tot stand brengt en zo een 'gevoel' laat vormen. Als de geest gaat willen dan brengt de geest zichzelf in een willende toestand, waardoor de geest een 'willing' tot stand brengt en zo een 'wilsbesluit' gaat uitvoeren.
Met andere woorden: het 'zich bewust zijn' is in wezen een geestestoestand van 'waarnemend zijn'; het is een toestand waarin de geest komt te verkeren door waar te nemen.

In sommige levensbeschouwingen wordt 'het bewustzijn' als een zelfstandigheid gezien en wordt wel gesteld dat 'het bewustzijn voelt' of dat 'het bewustzijn wil'. Als wordt gezegd dat 'het bewustzijn voelt', dan moet het daarmee overeenkomend ook mogelijk zijn om te zeggen dat 'de gedachte voelt'. Dit is echter een onmogelijkheid. Alleen de geest is in de binnenwereld de werkzame zelfstandigheid die iets kan doen met behulp van de geestelijke vermogens, onder andere 'zich van iets bewust worden' door iets waar te nemen en gedachten vormen door te denken.

Het verschijnsel dat over 'het bewustzijn' als een werkzame zelfstandigheid wordt gesproken, ontstaat door de toestand van onbewuste vereenzelviging. Daardoor vereenzelvigt de werkzame geest zich met de voortbrengselen van de eigen vermogens. Aandacht en toewijding gaan dan door overdracht over in de toestand 'zich van iets bewust te zijn'. Dát wordt nu als de werkzame eenheid ervaren, terwijl de geest zelf verborgen blijft achter de ervaringen of de kennis, waarvan op dat ogenblik de geest 'zich bewust is'. De bewústzijnstoestand wordt daardoor als de werkelijkheid ervaren en als een zelfstandigheid benoemd, alsof het de geest zelf was.
Ook wordt wel gesproken over: 'een inhoud van het bewustzijn'. Het 'zich van iets bewust zijn' is echter een geestestoestand en een toestand kan niet iets bevatten. Wat gebeurt is, dat de geest door waar te nemen het eigen geestelijke licht openstelt en daardoor het waargenomen onderwerp 'in zich opneemt'. Doordat het onderwerp zich in de geest heeft kunnen afdrukken en het een inhoud van de geest is geworden, is de geest zich er bewust van geworden, heeft de geest er weet van gekregen.
Er kan over 'het bewustzijn' worden gesproken als steeds wordt beseft, dat het een geestestoestand is, waarin de geest door waar te nemen weet van iets heeft gekregen.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bewustwording, de vertraging van de
De neurofysioloog Benjamin Libet (1979) liet proefpersonen, die bij bewustzijn een open hersenoperatie ondergingen, een eenvoudige handeling uitvoeren zoals het bewegen van de hand. Met elektroden legde hij de gebeurtenissen in de hersenschors vast en tegelijkertijd vroeg hij zijn proefpersonen wat zij opmerkten.
Zijn proefnemingen, die door andere wetenschappers zijn bevestigd, toonden aan dat:
- de actiepotentiaal (zenuwprikkel) om een handeling uit te voeren 0,55 sec vóór de handeling in de hersenschors ontstaat, maar dat
- de proefpersoon pas 0,2 sec vóór die handeling bewust het besluit hiertoe neemt.

Het lijkt alsof het bewuste besluit om te handelen pas wordt genomen 0,35 sec nádat de actiepotentiaal voor die handeling in de hersenschors al in gang is gezet! Het verschil tussen de actiepotentiaal en het bewuste besluit is 0,35 sec (afgerond 0,5 sec), waarom Libet dit verschijnsel: 'de halve seconde vertraging van de bewustwording' noemde. De actiepotentiaal noemde hij de 'gereedheidspotentiaal': de hersenen zijn dan al gereed voor de handeling, waartoe de persoon zélf echter nog moet besluiten. Niet de persóón lijkt daardoor de aanzet tot het besluit te nemen, maar de hérsenen. Van een 'vrije keuze' ('vrije wil') zou daarom geen sprake zijn, de hersenen zouden de keuze al hebben gemaakt.
De oorzaak van deze vertraging van de bewustwording is de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan. Door de gerichtheid op dit bestaan is de onbewust vereenzelvigde geest zich niet bewust van de eigen werkzaamheid met de geestelijke vermogens in zichzelf als geest. De met de stof vereenzelvigde geest kan zich hiervan pas bewust worden, als de uitingen van de gééstelijke werkzaamheid óók met de stóffelijke wereld zijn verbonden door ze op de hersenschors af te drukken.
Pas als zij zo ook een werkzaamheid van hersencellen zijn geworden en zo zijn verstoffelijkt, kunnen die uitingen een tel later door de geest worden opgemerkt en dan bestaan zij pas voor de vereenzelvigde geest. Dit heeft de vertraging van een halve seconde van de bewustwording van het eigen besluit tot gevolg. Daarvóór heeft de geest onbewust het besluit al in zichzelf gevormd en ongemerkt op de schors afgedrukt, de oorzaak van de gereedheidspotentiaal. Dit is de reden waarom de bron van het besluit, de geest, zeker als het gevoelens betreft, door natuurwetenschappers als 'het onbewuste' wordt aangeduid.

Hetzelfde verschijnsel is ervaarbaar tijdens het spreken. Door de onbewuste vereenzelviging is de geest zich niet bewust van het denken of voelen, de woordkeus en de zinsopbouwende werkzaamheid die de geest in zichzelf verricht en die voorafgaat aan het uiten van de zo gevormde gedachten en gevoelens. De geest merkt de gevolgen van die innerlijke werkzaamheid pas op als zij vanuit de hersenen in de búitenwereld tot klinken komen door ze uit te spreken of op te schrijven. De gesproken of geschreven woorden lijken door de onbewuste vereenzelviging ergens vanachter de persoon uit het niets te komen.
Ook wordt de geest zich van de eigen gemoedstoestand langzamer bewust als de gezichtuitdrukking van gevoelens door geneesmiddelen, zoals botox-injecties, is verstoord. Doordat de gevoelens vertraagd in het gezicht tot uitdrukking kunnen komen en er een wisselwerking tussen geest en lichaam bestaat, wordt de geest zich ook vertraagd van de eigen gevoelens bewust.
Pas in de zelfbewuste toestand is de geest zich er voortdurend van bewust zélf de bron te zijn van de denkende, voelende en woordvormende werkzaamheid, die daarna als een woord wordt uitgesproken of neergeschreven. Voor de zich van zichzelf bewust geworden geest zijn de proefnemingen van Libet een aanwijzing voor het bestaan van het verschijnsel, dat de menselijke geest op aarde in het algemeen onbewust is van zichzelf en vereenzelvigd met de stof.
terug naar de woordenlijst - naar boven

bewustzijnstoestand
De bewustzijnstoestand is de graad en de omvang van de bewustheid waardoor de geest wordt gekenmerkt. Daarin zijn de vier bewustzijnstoestanden te onderscheiden: onbewustzijn (onbewustheid), bewustzijn (wakker zijn), zelfbewustzijn en albewustzijn.
De levensweg als pad van geestelijke groei wordt gekenmerkt door de vier bewustzijnstoestanden als in elkaar overvloeiende stappen tijdens die geestelijke groei. Die groei bestaat uit het bewust en beheerst gebruik leren maken van de eigen geestelijke vermogens, door die om te vormen van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bewustzijnsruimte
De bewustzijnsruimte is het werkgeheugen. De bewustzijnsruimte is dat gedeelte van de ziel wat die inhouden bevat, waarvan de geest zich op een bepaald tijdstip bewust is of mee aan het werken is.
De bewustzijnsruimte bevat die denkbeelden en ervaringsbeelden, waarmee de geest door middel van de geestelijke vermogens is verbonden. Door de aandacht op die inhouden van het geheugen (als deel van de ziel) te richten, worden deze beelden weer met de geest verbonden. Daardoor worden zij door de geest van geestkracht voorzien, waardoor zij in de ziel tot leven komen en de geest weer duidelijk voor het geestesoog komen te staan.
De bewustzijnsruimte bevat al die onderwerpen, die in een bepaalde tijd in de belangstelling van de geest staan. Het is als het ware een lijst van onderwerpen waar aandacht aan moet worden besteed en waar iets mee moet worden gedaan.
De bewustzijnsruimte wordt gevormd doordat de geest die om zich heen uitstraalt door met de vermogens in zichzelf werkzaam te worden. De ruimte is daardoor bolvormig, zoals de geest zelf. Het woord 'bewustzijnsveld' is daardoor misleidend; het verschijnsel heeft niets met een 'veld', dat vlak is, te maken. Datzelfde geldt voor het woord 'magneetveld'; dit is een trillend elektromagnetisch verschijnsel dat zich in werkelijkheid gelijkmatig in de rúimte uitstrekt.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bezetenheid
Om inzicht te kunnen verkrijgen in het wezen van de bezetenheid (psychose), is het noodzakelijk het onderscheid te kennen dat bestaat tussen geest, ziel en lichaam, en tevens hun onderlinge wisselwerking te begrijpen.
De menselijke geest is niets meer of minder dan een bewuste kracht, die weliswaar onzichtbaar is, maar een volstrekte zelfstandigheid bezit. De geest is de bewuste kracht, die de oorzakelijke kracht is achter de woorden die je uitspreekt en de handelingen die je uitvoert. De geest is de bewuste kracht, die zichzelf aanduidt met de naam 'ik'. De geest beschikt over de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Het enige wat je in feite kunt en ook de hele dag door doet, is het waarnemen van je zintuiglijke gewaarwordingen en ervaringen die je opdoet, het beoordelen van die ervaringen door ze te overdenken of te doorvoelen, en daarna het door middel van de wilskracht uitvoeren van de redelijke en zedelijke besluiten, die je door te denken en te voelen hebt gevormd.
Je bent als geest aanwezig in je ziel, je inwendige wereld. Je kunt jezelf in je ziel als bewuste kracht ervaren door tegen jezelf te spreken. Buiten je mond en buiten je oren om, vorm je dan je woorden, als een uitdrukking van je gedachten en gevoelens, en neem je ze zelf onmiddellijk waar. Je ziel is een inwendige ruimte, een vormbare krachtruimte dat je van jezelf uitstraalt en dat een overdrachtsmiddel is tussen lichaam en geest. De geest als kracht kan door middel van de vormbare krachtruimte van de ziel inwerken op het lichaam, in het bijzonder op de hersenschors (zoals ook de zwaartekracht inwerkt op een stoffelijk voorwerp), terwijl omgekeerd de zintuiglijke gewaarwordingen vanuit de hersenschors worden omgezet in ermee overeenkomende 'voorstellingen' in de ziel, die daar 'voor de geest worden gesteld', en daar als 'voorstelling' door de geest worden waargenomen.
Het lichaam is letterlijk het 'vlees-hemd' ('lic' is vlees, 'haam' is hemd). Het is het stoffelijke omhulsel, waarmee ziel en geest in een gebied in de hersenen (in het voorhoofd) zijn verbonden. Het is aan de ene kant het werktuig, waarmee de geest ervaringen opdoet in het dagelijkse bestaan d.m.v. de zintuigen, die die ervaringen doorgeven aan de ziel, waar ze door de geest worden waargenomen; het is aan de andere kant het werktuig, waarmee de geest zijn wilsbesluiten kan omzetten in handelingen door de spieren ervan in beweging te brengen.
Bijvoorbeeld: op het netvlies van je oog valt het beeld van een boom. Het netvlies vormt dit beeld om in zenuwprikkels, die door de oogzenuw naar het achterste gedeelte van de hersenschors worden geleid. Deze stroom prikkels eindigt in de buitenste cellen van de schors; de elektrische stroom in deze cellen veroorzaakt een trillende, magnetische uitstraling om de cel, waarmee de ziel gaat meetrillen. Zo worden deze prikkels omgezet in een met de uiterlijke boom overeenkomend beeld in de vormbare krachtruimte van je ziel, de inwendige wereld. Ook jij als de geest bevindt je in de ziel, en jij neemt nu dit inwendige beeld van de uiterlijke boom waar, waardoor je je er bewust van wordt. Je ziet niet onmiddellijk de uiterlijke boom, maar je ziet de boom door middel van je zintuigen en je ziel. Het is alleen door jouw onbewustheid van dit gebeuren, dat je meent dat je oog de boom ziet. Je begint je bestaan namelijk in een toestand, dat je onbewust bent van het bestaan van jezelf als de zelfstandige geestkracht, waardoor je je onbewust met je lichaam vereenzelvigt.
In je ziel, na het waarnemen van het beeld van de boom, ga je nu bijvoorbeeld de eigenschappen van de boom met je denken beoordelen. Dat denken is een ontledende, vergelijkende en samenvattende geestesarbeid, die je verricht aan de inhouden van je ziel. Je vormt je hierdoor van de boom een verstandelijke beoordeling, die je bijvoorbeeld doet besluiten, dat je de boom nader wilt gaan bekijken om het soort ervan vast te stellen.
Je bent nu als geest in staat om dat verstandelijke besluit: 'Ik wil de boom bekijken', op het voorste gedeelte van je hersenschors af te drukken, waar de motorische velden zich bevinden. Je bent als geest in staat met je geestkracht de ziel op die plaats in beweging te brengen. Die beweging veroorzaakt een elektrisch stroompje in de cellen van de hersenschors waardoor ze worden geprikkeld, waarna die prikkels over de ermee verbonden zenuwbanen naar die spieren lopen, die je benen de loopbeweging laten maken. Je laat je lichaam, jou als geest met zich mee voerend, naar de boom bewegen, waarna je je volgende besluit kunt gaan uitvoeren door je ogen naar de kenmerken van de boom te bewegen, waarna jij kunt waarnemen en vaststellen, tot welke soort de boom behoort.
Heb je dit door te denken vastgesteld, dan ben je in staat om dit verstandelijke oordeel op dezelfde wijze op je spraakcentrum af te drukken, wat tot gevolg heeft dat die spieren van je spraakorganen in beweging komen, die dat oordeel omvormen in klanken, woorden, die een uitdrukking zijn van het oordeel.
Met andere woorden, de gewaarwordingen van je zintuigen kunnen door de hersenschors in de ziel tot een gewaarwordingsbeeld worden omgevormd; die ervaring kan door jou als de geest met behulp van je vermogens worden waargenomen en verwerkt tot een besluit; dat besluit kan door jou als geest weer met de wilskracht op de hersenschors worden afgedrukt, waarna je lichaam in beweging wordt gebracht om aan het besluit uitvoering te geven.

Je begint dit bestaan door wedergeboorte, waarbij je als ontwikkelde geest vanuit de geestelijke wereld opnieuw afdaalt in de stoffelijke wereld, om er opnieuw ervaringen op te doen voor je verdere ontwikkeling. Door de onderdompeling in het stoffelijke vergeet je je afkomst uit de geestelijke wereld en je geestelijke zelfstandigheid. Doordat je niet jezelf kent, maar door de indrukken, die de uiterlijke wereld op je zintuigen maakt, wel de stoffelijke wereld, verkeer je als geest in een aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met je lichaam en je ziel. Je verkeert daardoor in de mening, dat je je lichaam bent. Er is aanvankelijk immers niets, dat jou je geestelijke bestaan bewust zou kunnen maken door de aandacht op jezelf als geest te richten. Pas later kun je je, door zelfbezinningsoefeningen en gebed, bewust worden van jezelf als de menselijke geest.
Je treedt dit stoffelijke bestaan binnen als in een school, waar je ervaringen kunt opdoen in het dagelijkse bestaan; ervaringen, die je kunt verwerken met je geestelijke vermogens, waardoor je beheersing over je vermogens toeneemt. Dit betekent geestelijke ontwikkeling. Het peil dat je hebt bereikt is blijvend; in de loop van je wedergeboortes verlies je alleen steeds de opgedane kénnis, niet de graad van ontwikkeling van je vermogens.
In de begintoestand verkeren je vermogens in een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid. Het verloop van je geestelijke verwerking is dan het ogenblikkelijke op elkaar volgen van de zintuiglijke gewaarwording, de innerlijke voorstelling ervan, de onbeheerste gemoedsaandoening die ermee kan samenhangen en de daarop volgende aandrift tot handelen, de begeerte. In die toestand wordt de menselijke persoon min of meer gekenmerkt door een grondtoestand van zelfzucht, waar heb- en heerszucht uit kunnen voortkomen.
Heb je als geest een langdurige ontwikkeling meegemaakt, met veel tussenstappen, dan kun je de geestelijke verwerking leren beheersen. In de bewuste en beheerste eindtoestand, die van het waarnemen, denken, voelen en willen, in evenwicht met elkaar, schenkt het waarnemingsvermogen je dan schoonheidszin, het denken wijsheid, maakt het voelen je liefderijk, terwijl het willen je ondernemingszin geeft. Het vermogen je vermogens naar buiten te keren verleent je een instelling van gemeenschapszin, het vermogen ze op jezelf te richten zelfbezinning.
Dit is de zin en de betekenis van het alledaagse bestaan in deze stoffelijke wereld, als zijnde een leerschool voor de menselijke geest. In deze school zitten we allen in één klas, waardoor de hoogst ontwikkelde geest de buur kan zijn van de laagst ontwikkelde. In de geestelijke wereld, voor de geboorte en na het overlijden, gebeurt in overeenstemming met de ontwikkeling het volgende. De geest beweegt zich, door de ontwikkelingsarbeid op aarde aan zichzelf, van onder naar boven door 7 duistere sferen of 'gebieden', gebieden van onbewustheid en onbeheerstheid (de 'hellen') en door 7 lichte gebieden, gebieden van zelfbewustzijn en zelfbeheersing (de 'hemelen'). Er zijn daar 14 klassen. De aardse toestand, één klas, is een tussengebied tussen de hellen en hemelen.
Alleen op aarde is de geest belichaamd, in de duistere en lichte gebieden is de geest onbelichaamd. De geesten uit de bovenste duistere en de onderste lichte gebieden kunnen naar de aarde toe komen en zich mengen tussen de door geboorte belichaamde geesten. Er bevinden zich op aarde een groot aantal belichaamde geesten, maar nog veel meer onbelichaamde geesten, zowel uit de lichte als uit de duistere gebieden, die onzichtbaar zijn voor de belichaamde geesten, de mensen. De lichte geesten zijn hier om de mens te helpen in zijn strijd om het bestaan en zijn geestelijke ontwikkeling aan te moedigen, te bevorderen; de duistere geesten echter zijn zich niet bewust van de zin van het aardse bestaan. Zij verkeren nog in de toestand dat zij onbewust zijn van zichzelf en onbeheerst, en onbewust van de geestelijke ontwikkeling, die ook zij moeten doormaken; een onbewuste toestand, waarin zij worden gedreven door lust en macht.
Vanuit de duisternis waarin zij zich bevinden, verlangen zij echter naar het licht en de warmte, die zij in vorige bestaanstoestanden op aarde hebben meegemaakt. Daardoor zijn zij, hoewel onbelichaamd, nog steeds aan de aarde en aan het stoffelijke gehecht. Door deze gehechtheid trachten zij zich te verbinden met het stoffelijke bestaan, om zo, door middel van een ander, het stoffelijke bestaan opnieuw te kunnen beleven. Dat kunnen zij echter alleen doen door het lichaam dat een belichaamde geest toebehoort, in bezit te nemen. De belichaamde geest komt daardoor in een toestand van 'bezetenheid' te verkeren. De duistere geest kan dit echter alleen uitvoeren bij een mens, die om wat voor reden dan ook in eenzelfde geestesgesteldheid verkeert als hij of zij, in het bijzonder wat betreft de gemoedsgesteldheid. De duistere geest wordt aangetrokken door een belichaamde geest, wanneer die in een met die geest overeenkomende gemoedsgesteldheid verkeert, vanwege de wet: soort zoekt soort.
Wanneer bijvoorbeeld een mens kwetsende, onverwerkbare ervaringen heeft opgedaan in de jeugd, dan moeten die ervaringen worden verdrongen in dat deel van de ziel, dat het ontoegankelijke geheugen wordt genoemd. Wat verdrongen is, is echter niet verdwenen, ook al merk je er ogenschijnlijk niets meer van. Vanuit het geheugen be?nvloedt de verdrongen, ongunstige ervaring ongemerkt de gemoedsgesteldheid in ongunstige zin. De gehele geestesgesteldheid zal hiermee in overeenstemming zijn. Door het 'soort zoekt soort' zal de duistere geest zich hiertoe aangetrokken voelen en zich met die mens willen verenigen, waardoor de toestand van bezetenheid ontstaat.

De verschijnselen die hierbij horen, zijn alle te begrijpen uit het feit dat een tweede geest, de duistere geest, zich tracht te verenigen met de mens en daardoor de aanwezigheid van de oorspronkelijke menselijke geest in het lichaam en de beheersing die die geest over het eigen lichaam heeft, verstoort. Dit komt in het bijzonder tot uiting in de vier geestelijke vermogens en in het vermogen deze naar buiten (gemeenschapszin) en naar binnen (zelfbezinning) te keren. Doordat de geest met het lichaam verbonden is door middel van de hersenen, tracht de duistere geest nu ook bezit te nemen van de hersenen, om zo de stoffelijke wereld te kunnen ervaren. Daardoor wordt voor de oorspronkelijke menselijke geest de mogelijkheid, om met zijn vermogens in te werken op de eigen hersenschors, verminderd, terwijl omgekeerd de zintuiglijke prikkels niet meer goed aan de menselijke geest kunnen worden doorgegeven. Dat heeft tot gevolg, dat de gewaarwordingen en de in de ziel gevormde voorstelling ervan, niet meer goed, maar gebrekkig door de geest kunnen worden waargenomen en niet meer goed worden herkend, waardoor er sprake is van een toestand van verminderd bewustzijn van de omgeving, van 'bewustzijnsvernauwing'.
Doordat het spraakcentrum met moeite te bereiken is, valt het daardoor ook moeilijk om de gedachten goed onder woorden te brengen, waardoor het denken wordt vertraagd. Het gevoelsleven is daardoor niet meer goed tot uitdrukking te brengen, omdat dit moet gebeuren over de rechter schors, waardoor gevoelens niet op de gewone wijze in lichaamstaal kunnen worden uitgedrukt, het gezicht een masker wordt en het gevoelsleven vervlakt.
Ook de wilskracht kan niet meer goed op de schors inwerken, waardoor de bewegingen traag worden en de ondernemimgszin wordt geremd. De naar buiten gekeerde instelling van de vermogens in de vorm van de gemeenschapszin wordt geremd, waardoor mensenschuwheid en teruggetrokkenheid ontstaat, de naar binnen gekeerde instelling wordt bemoeilijkt, waardoor de zelfbezinning vermindert en er een gevoel van zelfvervreemding ontstaat.

De oorzaak van deze geestestoestand van bezetenheid wordt gevormd door de onverwerkte, de persoonlijkheid kwetsende, ontmoedigende en vernederende, verdrongen jeugdervaringen en de daarmee verbonden boosheid. De genezing moet daarom worden gezocht in het opheffen van de verdringing, de bewustwording van de boosheid en de verwerking hiervan, door deze ongunstige gemoedsgesteldheid in evenwicht te brengen door er een gunstige tegenover te stellen. Dit is een moeizame weg, die kan worden begaan door eerst een verstandelijk begrip op te bouwen voor de achtergronden van diegenen, die zich kwetsend gedroegen, om daarna te trachten een gezindheid van vergeving te kweken door te beseffen, dat alleen wie zelf ongelukkig is, ongelukkig kan maken.
Wat verder bevorderlijk is voor de verwerking, is het zien van dit stoffelijke bestaan in het licht van de geestelijke ontwikkeling, waardoor er een doelgerichtheid ontstaat, die noodzakelijk is om de gerichtheid op het verleden en de daardoor mogelijke verstarring van de ontwikkeling, in evenwicht te brengen.
Het uiteindelijke doel van deze ontwikkeling, die weer op gang wordt gebracht door jezelf als werk ter hand te nemen, is de hereniging, de hereniging van de menselijke geest met de goddelijke algeest. De weg begint bij jeugdmoeilijkheden, bij onopgeloste vraagstukken, ontstaan door onze onbewustheid en onbeheerstheid en leidt over bewustwording, bevrijding en zelfverwerkelijking naar de uiteindelijke, bewuste hereniging met onze bron, ons ware tehuis, waar wij eens, in een toestand van onbewustheid, die de oorzaak is van al onze moeilijkheden, van uit zijn gegaan.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bijna-doodervaring
De menselijke geest heeft gezond werkende hersenen nodig om zich er duurzaam mee te kunnen verbinden tijdens het bestaan op aarde. Vermindert de bloedtoevoer of komt deze helemaal tot stilstand, dan krijgen de hersenen te weinig glucose en zuurstof, waardoor de hersenwerkzaamheid wordt gestoord. Wanneer de hersenwerkzaamheid tot een bepaalde graad verminderd is, dan kan de geest niet langer in de hersenen blijven en moet die zich ervan losmaken. Dit verschijnsel heet uittreding (door Nederlandse mystici 'uitgeesten' genoemd).
De uittreding kan geleidelijk verlopen. Tijdens het uittreden gaat de geest eerst door de eigen binnenwereld heen, waarin zich het geheugen bevindt dat samenhangt met dit bestaan. Daardoor kan de geest een terugschouw op dit bestaan ervaren. Als de geest los begint te komen van de tijdelijkheid van het lichaam, is de geest zelf weer in de toestand van het eeuwige, tijdloze leven. Daardoor kan de gehele inhoud van dat geheugen in één oogwenk worden gezien (zie ook: dromen).
Als de uittreding verder gaat, komt de geest in de eigen uitstraling, de geestgedaante, los van het lichaam. Dan is de geestgedaante het voertuig, waarmee de geest zich in de geestelijke wereld kan bewegen. Zolang de levensdraad tussen de geestgedaante en de stoffelijke vorm op aarde blijft bestaan, gaan de hersenen en daarmee het lichaam niet dood. De hersenen blijven, zij het zeer verzwakt, werkzaam, want anders zou de geest niet terug kunnen keren. De ervaringen die de geest tijdens de uittreding opdoet, kunnen later ook alleen worden herinnerd, als de geest ze door de levensdraad heen heeft kunnen afdrukken op de hersenschors.
Door de uittreding komt de geest in de geestelijke wereld en kan vandaar uit eerst ook nog de stoffelijke wereld waarnemen. De geest ziet daardoor wat er met het lichaam gebeurt. Doordat de geest bevrijd is van de remmingen, veroorzaakt door de stoffelijkheid van het lichaam, is de bewustzijnstoestand van een onaardse helderheid en lichtheid. De geest neemt daardoor duidelijk waar, kan alles ongestoord en rustig overdenken en doorvoelen, en als de wil krachtig genoeg is ook zelf de geestgedaante bewegen.
Gaat de geest verder, dan volgt in de geestelijke wereld de ontmoeting met de geestelijke begeleiders. Dat kunnen de geestelijke broeders en zusters zijn die tot dezelfde groep behoren, verder Gods engelen en ook Jezus, in wie de goddelijke algeest op persoonlijke wijze bij de menselijke geest aanwezig kan zijn. Hier kan een duidelijk aanwezige grens worden overschreden, waarna terugkeer naar de tijdelijke wereld niet meer mogelijk is.
Al naar de eigen geestesgesteldheid, kan de geest met de ermee overeenkomende werelden worden verbonden: met de werelden van licht en warmte, waar muziek klinkt; en met de werelden van schaduw en kilte, waar gekrijs klinkt. De geest komt thuis in die wereld, die bij de geest hoort.

Slagen de artsen op aarde er niet in de hartwerking, daardoor de bloedsomloop en als gevolg daarvan de hersenwerking weer op gang te brengen, dan raken de hersenen ongeschikt om zich er als geest weer mee te verbinden. De levensdraad breekt, het lichaam gaat dood en de geest 'overlijdt', dat wil zeggen, de geest wordt door de geestelijke begeleiders 'overgeleid' (de oude betekenis van het woord 'overlijden') naar de geestelijke wereld.
Slagen de artsen er wel in de hartwerking weer op gang te brengen, dan neemt de hersenwerking weer toe en kan of moet de geest weer terugkeren, afhankelijk van het lot, de levenssbestemming. Doordat de levensdraad is blijven bestaan, heeft de geest de ervaringen in de geestelijke wereld ook kunnen afdrukken op de hersenschors, waardoor de geest, terug in de stoffelijke wereld, zich deze ervaringen weer kan herinneren. Daar kan de geest op een muur van ongeloof in de omgeving stuiten, die wordt veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) met het stoffelijke bestaan.
Vanuit de stoffelijke wereld geredeneerd, wordt dit verschijnsel een 'bijna-doodervaring' genoemd, doordat alleen naar het lichaam wordt gekeken. Vanuit de geestelijke wereld geredeneerd, door de ervárende geest zelf, is dit een 'ik blijf leven ervaring'. Voor de onbewust vereenzelvigde geest, die alleen de stoffelijke vorm ziet, is dit een onbegrijpelijke uitspraak. De ermee samenhangende afwijzende houding is er de oorzaak van, dat aan de ondervindingen van de ervárende geest, voorbij wordt gegaan.

terug naar de woordenlijst - naar boven

binnenwereld
De binnenwereld is de inwendige ruimte van de ziel; de geest bevindt zich in het midden daarvan. De ziel is een door de geest uitgestraalde krachtruimte, de 'aura'; de uitstraling wordt veroorzaakt door de eigen innerlijke werkzaamheid met de geestelijke vermogens.
Naast de geest in het midden kan de binnenwereld gevuld zijn met gewaarwordingsbeelden van buiten, voorstellingen, denkbeelden, kennis en herinneringen. Deze omringen de geest en worden daar door de geest waargenomen als die er de aandacht op richt. De binnenwereld is een overgangsgebied tussen de stoffelijke en de geestelijke wereld; de geest is voortdurend, maar meestal onbewust, met de inhouden daarvan verbonden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

boom
De boom

De boom verenigt in zich de vier elementen van de schepping: het vuur van de zon met zijn warmte en licht voor de bladeren, dat de boom doet leven en groeien; de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en die hem houvast geeft; en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren in de vier jaargetijden de vier levenstijdperken van al wat in de schepping leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en dood; en in de winter het verblijf in de geestelijke wereld.

Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en ze weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven door de tijdelijke en eeuwige wereld.

Wat de boom van zichzelf laat zien, is daardoor een zinnebeeld van het eeuwige leven.

terug naar de woordenlijst - naar boven

bouwstof
De bouwstof waarmee de geest vormen vormt, is geestelijk licht. De geest is in staat het levende licht, dat de geest in wezen zelf is, in zichzelf te verdichten en te verdunnen, zodat het licht op bepaalde plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Daardoor worden in het licht van de geest lichtvormen gevormd door de vormkracht, die de geest ook zelf is. De geest vormt zichzelf tot innerlijke beelden, die lichtbeelden zijn. Deze lichtbeelden worden denkbeelden, gedachten genoemd.
De geest als bewuste levenskracht is een lichtende warmte, die door de warmte als scheppende vormkracht in zichzelf vorm geeft aan die scheppende werkzaamheid in de vorm van deze innerlijke lichtbeelden. De geest denkt door zichzelf tot denkbeelden om te vormen. Deze denkbeelden komen in de geest tot klinken als de geest een taal heeft geleerd. Zij kunnen vervolgens worden afgedrukt in het geheugen als 'het geheel van gedachten' (de oude betekenis van het woord) in de ziel of naar buiten toe worden uitgedrukt in handelingen en uitspraken.

Op dezelfde wijze denkt de goddelijke algeest in zichzelf door in zichzelf het eigen licht om te vormen tot een van de werelden, waarin de menselijke geest, ook een denkbeeld van God, woont. De menselijke geest leeft in Gods denkbeelden, die door de menselijke geest 'Gods schepping' wordt genoemd. Het licht in Gods schepping wordt wereld na wereld steeds verder verdicht, totdat de toestand van verdichting wordt bereikt, die in deze wereld 'stof' wordt genoemd.
Stof is Gods gestolde licht (Einstein vond dit langs natuurwetenschappelijke weg als de formule E=mc2, waarin c2 de lichtsnelheid in het kwadraat is). Stof is licht als bouwstof van de schepping, die in deze wereld door de zintuigen als 'vast' wordt ervaren. De natuurwetenschap heeft aangetoond dat wat hier stof wordt genoemd, in werkelijkheid voornamelijk bestaat uit inwendige krachten, die uiterst kleine 'deeltjes' (protonen, neutronen en electronen) bij elkaar houden. Wat als 'vaste stof' wordt ervaren, heeft nauwelijks massa, maar bestaat voornamelijk uit kracht: de geestkracht van de algeest die door de algeest door te denken in een bepaalde vorm wordt gehouden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

buitenwereld
De buitenwereld is datgene, wat de ziel, met daarin de geest, omgeeft. De ziel is een uitstraling van de geest en behoort daardoor tot de geest.
Vanuit de geest gezien, behoort het lichaam tot de buitenwereld. Het is geheel uit de buitenwereld afkomstig en wordt daar, als de geest bij het overlijden weer naar huis gaat, ook achtergelaten en aan de aarde teruggegeven.

terug naar de woordenlijst - naar boven