GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst D
 
dak
denken
denken, het ingekeerde
denken, het uitgekeerde
deugden

dip
dood
drievoudigheid
dromen



dak
Door de verbondenheid met het lichaam is de geest op aarde in een toestand van onbewustheid van zichzelf. Daardoor is alleen het zintuiglijk ervaarbare een werkelijkheid; het buitenzintuiglijke, alles wat met eigenschappen van de geest heeft te maken, is daardoor vaag, schijnbaar werkelijk, eerder iets denkbeeldigs. Woorden die eigenschappen van de geest beschrijven, duiden daardoor voor het gevoel iets aan, dat onwerkelijk schijnt te zijn of in ieder geval 'abstract' (letterlijk: 'af-getrokken', 'er buiten staand') is.
Doordat alleen het zichtbare en tastbare voor de werkelijkheid wordt gehouden, bestaat er de neiging geestelijke zaken met een voorbeeld uit de stoffelijke wereld te omschrijven:
- zo wordt van iets dat 'geestelijk' of 'psychisch' is, gezegd: 'het zit tussen de oren';
- een gemoedstoestand wordt aangeduid met de uitdrukking: 'zij zit niet lekker in haar vel';
- van iemand die somber is of zich neerslachtig voelt, wordt gezegd: 'hij zit in een dip' (een 'dip' is een dal in een grafiek die de gemoedsgesteldheid weergeeft);
- van iemand die zich aan opzwepende muziek overgeeft en daardoor zijn zelfbeheersing verliest, wordt gezegd: 'hij gaat uit zijn dak' (schedeldak) of 'gaat uit zijn bol' (m.a.w. hij treedt uit door de innerlijke opwinding);
- iemand die iets ongelooflijks hoort, 'kan zijn oren niet geloven';
- als iemands aandacht sterk door iets wordt getrokken, kan die 'zijn ogen uitkijken'
- en dat 'staat op zijn netvlies gebrand', zodat hij zich niet van de herinnering eraan kan losmaken.

Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan worden geestelijke zaken overgedragen op iets stoffelijks dat daarmee vergelijkbaar is; geestelijke toestanden worden verstoffelijkt.
Het feit dat dit verschijnsel bestaat en niet gewoon de geestelijke werkelijkheid wordt genoemd, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewuste vereenzelviging. De vereenzelvigde mens lééft in de stof en heeft daardoor het vermoeden dat het geestelijke slechts iets denkbeeldigs is, dat met een tastbaar voorwerp tot iets werkelijks en ervaarbaars moet worden gemaakt. De geestelijke aanduiding op zichzelf heeft gevoelsmatig niet voldoende overtuigingskracht.

terug naar de woordenlijst - naar boven

denken
Denken is het geestelijke vermogen om te werken met wat is waargenomen.
Het denken is het vermogen om het lichtbeeld van een waargenomen onderwerp in de geest vast te houden, het te ontleden in zijn bestanddelen en te verbinden met reeds in het geheugen aanwezige lichtbeelden, die daar in de vorm van kennis en ervaring aanwezig zijn. Daardoor wordt het waargenomene vergeleken met de reeds aanwezige kennis en de gedachtenwereld, waardoor er een begripsmatig oordeel over het waargenomen onderwerp wordt gevormd. Als de geest het waargenomene vervolgens een plaats kan geven in de bestaande gedachtenwereld, dan wordt het waargenomene begrepen.
Door het schéppende denken is de geest in staat in zichzelf denkbeelden te vormen, waarbij wordt doorgewerkt met het reeds bestaande. Het geestelijke licht binnen de geest bevindt zich namelijk in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. Door die beweeglijkheid en de daarmee samenhangende vormbaarheid, kan de geest in zichzelf verdichtingen en verdunningen van licht laten ontstaan, waardoor het licht op sommige plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Door het scheppende denken kan de geest binnen zichzelf bewust en beheerst richting geven aan dit beeldvormende gebeuren, waardoor de geest binnen zichzelf lichtbeelden laat ontstaan, wat denkbeelden zijn.
In de denkende toestand is de geest een scheppende vormkracht, die zichzelf tot de vormen vormt die denkbeelden worden genoemd. Deze denkbeelden kunnen in de ziel, de vormbare uitstraling rondom de geest, worden afgedrukt en daar als lichtbeelden in het geheugen worden bewaard als de gedachtenwereld.
Als de geest een taal heeft geleerd, dan gaat het vormen van denkbeelden ook met een innerlijke, geestelijke klank gepaard, een woord. Door middel van het strottehoofd en de mond kunnen deze van oorsprong ínnerlijke klanken ook in de ruimte van de buitenwereld tot klinken worden gebracht. Hierdoor kan de geest de innerlijke denkbeelden en klanken naar buiten toe tot uitdrukking brengen en zo de geesten in de buitenwereld deelgenoot maken van de eigen, innerlijke denkende werkzaamheid.
In sommige levensbeschouwingen wordt het denkvermogen gelijk gesteld aan 'geest'. Het voelen is dan iets, wat ónder de geest staat en daardoor in de ziel thuishoort. Deze opvatting komt voort uit een eenzijdige vereenzelviging van de geest met het eigen denkvermogen. Voor het innerlijke evenwicht heeft het voelen echter een even grote waarde als het denken.
In de astrologie komt de betekenis van Mercurius overeen met het denken; in de Tarot wordt denken weergegeven door Zwaarden. In de I Tjing (I Ching) komt de betekenis van Tsjen (Zhen) met denken overeen. Tsjen betekent onder andere: 'de heerser, die van zich laat horen, die gezag inboezemt en nauwkeurig is', 'Tsjen zet aan tot vorming en onderzoek'.

terug naar de woordenlijst - naar boven

denken, het ingekeerde
Het denkvermogen is in het algemeen de zin voor inzicht en waarheid, rechtvaardigheid en juistheid. Als het denken op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de ingekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op het overdenken van onderwerpen, die zich in de eigen binnenwereld bevinden. Het ingekeerde denken is het overdenken van zichzelf.
De ingekeerd denkende persoon: is een vrijdenker met persoonlijke inzichten; is zelfscheppend, denkend werkzaam; streeft naar geestelijk inzicht door zelfbeschouwing; streeft ernaar de voortbrengselen van het denken, de gedachten, in de binnenwereld uit te bouwen tot een samenhangend, wijsgerig denkstelsel; durft de waarde van eigen gedachten te betwijfelen om tot dieper inzicht te komen; heeft rust nodig om goed te kunnen nadenken; uit nooit ongevraagd een mening; zegt of doet pas wat als alles grondig is overdacht, wat een bedachtzame zwijgzaamheid tot gevolg heeft en een neiging om handelen uit te stellen; heeft de eigen binnenwereld zodanig op orde, dat met een gerust hart naar andersdenkenden kan worden geluisterd; streeft naar verdieping van inzicht en het begrijpen van het wezen en de grondslag der dingen; maakt van allerlei zaken een diepgaande studie voor er iets over wordt gezegd; streeft naar een volledig inzicht door alles wat over een onderwerp bekend is in zich op te nemen (de wijsgeer, de geesteswetenschapper).
Van de overige vermogens kunnen het waarnemen en willen ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de ingekeerd denkende persoon.
De tegendelen van het ingekeerde denken, het voelen en de uitgekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de ingekeerd denkende persoon ook: een verborgen gebrek aan zelfvertrouwen heeft en voortdurend in stilte twijfelt; zich alleen in de eigen binnenwereld veilig voelt; gevoelens voor zichzelf houdt en naar buiten onverschillig lijkt; een afkeer heeft van persoonlijke betrokkenheid, daardoor onverstoorbaar is en in de houding naar de ander toe afstandelijk tot ongevoelig kan zijn; beter kan luisteren dan spreken; in gezelschap verlegen is en zich stil terugtrekt; hoogmoedig overkomt door steeds bij zichzelf te blijven en zich erover te verbazen dat anderen niet begrijpen, wat zelf zo duidelijk wordt ingezien; angstig wordt als de denkbeelden tot werkelijkheid moeten worden gemaakt in de buitenwereld (de kamergeleerde).
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal zeven (enneagram: vijf), in de Tarot bij de Zegewagen (Zegewagen) en de Koningin van Zwaarden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

denken, het uitgekeerde
Het denkvermogen is in het algemeen de zin voor inzicht en waarheid, juistheid en rechtvaardigheid. Als het denken op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de uitgekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op het overdenken van onderwerpen en zaken, die zich in de buitenwereld en in de maatschappij bevinden. Het uitgekeerde denken is het denken voor de ander.
De uitgekeerd denkende persoon: is verstandig, zakelijk en heeft een rijke, scheppende verbeeldingskracht; kan goed gedachten onder woorden brengen; spreekt de voortbrengselen van het denken, de gedachten, voortdurend naar buiten toe uit in de vorm van verstandelijke oordelen, overtuigingen en meningen; streeft ernaar die gedachten ingang te doen vinden bij anderen; strijd voor rechtvaardigheid en het overwinnen van de waarheid; neemt in vergaderingen meteen het woord om het eigen standpunt te verdedigen en dat van anderen zo nodig aan te vallen; geniet ervan ergens tegen in te gaan en het laatste woord te hebben; streeft naar het besturen van anderen door regels voor hen op te willen stellen; brengt niet alleen de eigen oordelen op strijdbare wijze onder woorden, maar streeft er ook naar het oordeel van anderen uit te lokken door prikkelende opmerkingen en het gebruik van krachttermen, vanwege de behoefte ook anderen tot denken aan te zetten; wijst denkbeelden van anderen bij voorbaat af en weet het altijd beter; streeft met volharding naar wetenschap door verbreding van kennis; is een wetmatige denker (de vader, gezagsdrager, wetgever, politicus, ambtenaar, manager, natuurwetenschapper).
Van de overige vermogens kunnen het waarnemen en willen ook ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de uitgekeerd denkende persoon.
De tegendelen van het uitgekeerde denken, het voelen en de ingekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de uitgekeerd denkende persoon ook: kan worden gekenmerkt door een onredelijke, persoonlijke vooringenomenheid, die naast het redelijke oordeel kan bestaan; een geheime twijfel heeft, die door leerstelligheid wordt onderdrukt; wordt gekenmerkt door een rechtlijnigheid, die wordt veroorzaakt door gebrek aan medegevoel en soepelheid; angst kent voor het eigen innerlijk; overgevoelig is en eerzuchtig, waardoor de behoefte bestaat zich te vergelijken en te meten met anderen, wat tot uiting kan komen als wedijver, minachting, onverdraagzaamheid en afgunst (de eerzuchtige wetenschapper, de minachtende politicus, de eigenmachtige ambtenaar).
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal drie (enneagram: acht), in de Tarot bij de Keizer (Keizer) en de Koning van Zwaarden.

terug naar de woordenlijst - naar boven

deugden
De deugden zijn de vermogens in hun ontwikkelde vorm en in de uitgekeerde instelling. De vermogens komen dan in het gedrag tot uiting als aandacht (waarnemen), begrip (denken), liefde (voelen) en geduld (willen).
Door deugdzaamheid wordt het gedrag - en daarmee de persoonlijkheid - uit liefde gekenmerkt door aandacht, begrip en geduld, en daardoor kan er een hechte samenhang tussen de geest en de medemenselijke geest ontstaan.
Falun Gong: de geest wordt ontwikkeld door 'xinxing', het verbeteren van de deugden. De deugden zijn 'zhen': waarheid, waarachtigheid (denken), 'shan': mededogen, medegevoel (voelen) en 'ren': verdraagzaamheid, geduld en volharding (willen).
Zie ook: geweten.

terug naar de woordenlijst - naar boven

dip
Door de verbondenheid met het lichaam is de geest op aarde in een toestand van onbewustheid van zichzelf. Daardoor is alleen het zintuiglijk ervaarbare een werkelijkheid; het buitenzintuiglijke, alles wat met eigenschappen van de geest heeft te maken, is daardoor vaag, schijnbaar werkelijk, eerder iets denkbeeldigs. Woorden die eigenschappen van de geest beschrijven, duiden daardoor voor het gevoel iets aan, dat onwerkelijk schijnt te zijn of in ieder geval 'abstract' (letterlijk: 'af-getrokken', 'er buiten staand') is.
Doordat alleen het zichtbare en tastbare voor de werkelijkheid wordt gehouden, bestaat er de neiging geestelijke zaken met een voorbeeld uit de stoffelijke wereld te omschrijven:
- zo wordt van iets dat 'geestelijk' of 'psychisch' is, gezegd: 'het zit tussen de oren';
- een gemoedstoestand wordt aangeduid met de uitdrukking: 'zij zit niet lekker in haar vel';
- van iemand die somber is of zich neerslachtig voelt, wordt gezegd: 'hij zit in een dip' (een 'dip' is een dal in een grafiek die de gemoedsgesteldheid weergeeft);
- van iemand die zich aan opzwepende muziek overgeeft en daardoor zijn zelfbeheersing verliest, wordt gezegd: 'hij gaat uit zijn dak' (schedeldak) of 'gaat uit zijn bol' (m.a.w. hij treedt uit door de innerlijke opwinding).
- iemand die iets ongelooflijks hoort, 'kan zijn oren niet geloven';
- als iemands aandacht sterk door iets wordt getrokken, kan die 'zijn ogen uitkijken'
- en dat 'staat op zijn netvlies gebrand', zodat hij zich niet van de herinnering eraan kan losmaken.

Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan worden geestelijke zaken overgedragen op iets stoffelijks dat daarmee vergelijkbaar is; geestelijke toestanden worden verstoffelijkt.
Het feit dat dit verschijnsel bestaat en niet gewoon de geestelijke werkelijkheid wordt genoemd, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewuste vereenzelviging. De vereenzelvigde mens lééft in de stof en heeft daardoor het vermoeden dat het geestelijke slechts iets denkbeeldigs is, dat met een tastbaar voorwerp tot iets werkelijks en ervaarbaars moet worden gemaakt. De geestelijke aanduiding op zichzelf heeft gevoelsmatig niet voldoende overtuigingskracht.

terug naar de woordenlijst - naar boven

dood
Het werkwoord 'doodgaan' betekent oorspronkelijk 'wegkwijnen'. Het verschijnsel 'dood' duidt aan dat een reeks van gebeurtenissen geleidelijk of plotseling tot een einde is gekomen. Er zit geen beweging meer in doordat het leven eruit is verdwenen.
Het feit dat het verschijnsel 'dood' een onvermijdelijk deel uitmaakt van het bestaan, geeft aan dat alles wat er in dit bestaan gebeurt, tijdelijk is. Iedere gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen heeft een begin, maakt een tijd van bloei mee en komt tenslotte aan een einde. Als de geest dit feit duidelijk beseft, dan moet dat gevolgen hebben voor het toekennen van betekenis aan die grote, kosmische reeks van gebeurtenissen, die 'het bestaan' wordt genoemd.
Vanuit de natuurwetenschap geredeneerd, zou de natuur erop gericht zijn het leven steeds verder te ontwikkelen om het beter te kunnen aanpassen aan dit bestaan, met het doel te kunnen overleven(!). Toch is het gevolg van iedere inspanning van het leven op aarde om zich aan aardse omstandigheden aan te passen, de dood. Hoe het leven zich ook inspant zich aan te passen, uiteindelijk blijkt alle moeite nutteloos. Door de onvermijdelijke dood gaan alle eigenschappen die in een moeizame strijd zijn verworvenheden om te kunnen overleven, ooit ook weer verloren.
Hoeveel moeite individuen zich ook getroosten iets voor zichzelf te bereiken, door de dood wordt alles hen weer afgenomen. Als vervolgens wordt beweerd dat individuen hun eigen verworvenheden aan elkaar doorgeven om zo dan toch de soort in stand te houden, dan geldt dat ook soorten uitsterven. De geschiedenis leert dat hetzelfde geldt voor beschavingen en volkeren, planeten, zonnen en sterrenstelsels; en uiteindelijk zal ook het heelal, zoals de natuurwetenschap ons zelf leert, langzaam uitdoven, wegkwijnen, uiteen worden getrokken en in straling opgaan. Alle inspanningen ooit verricht om te overleven, zijn dan vergeefs geweest. Het streven te overleven in natuurwetenschappelijke zin, is bij voorbaat tot mislukken gedoemd.
Het feit dat de dood als natuurverschijnsel bestaat, is volkomen strijdig met het gezichtspunt van de natuurwetenschap. Volgens deze blijft namelijk alleen datgene bestaan wat zijn nut heeft bewezen voor het voortbestaan op aarde en verdwijnt alles, wat nutteloos is geworden. Dit bestaan is duidelijk tijdelijk en ál wat zich hier heeft ontwikkeld, zal uiteindelijk verdwijnen. Doorgeredeneerd volgens het eenzijdige, natuurwetenschappelijke standpunt is daarom het hele tijdelijke bestaan nutteloos. Hoe de natuur zich ook inspant zich aan te passen, uiteindelijk is alle moeite vergeefs en het bestaan van de dood geeft aan dat al die moeite, maar daarmee ook dit bestaan, volkomen nutteloos was.
De redeloosheid van dit standpunt geeft zelf aan, dat het nut van de ontwikkelingen die zich toch duidelijk voordoen in het leven als reeks van gebeurtenissen een andere móet zijn dan het tijdelijke, stoffelijke, blote bestaan op zich. Er is wel een aanpassing aan de omstandigheden in dit bestaan, maar de moeite die het leven zich moet getroosten om dat te doen, heeft een ander doel en nut dan het stoffelijke bestaan op zichzelf.
Het geesteswetenschappelijke standpunt geeft aan, dat het nut van het tijdelijke bestaan gelegen is in gééstelijke groei. Die geestelijke groei brengt de geest in zichzelf tot stand door de inspanningen, die de geest met de eigen geestelijke vermogens moet verrichten om zich aan het tijdelijke bestaan aan te passen. Alleen zo kan de geest staande blijven in de tijd als stroom van gebeurtenissen. Het nut is gelegen in een geestelijke groei die een verrijking voor de geest betekent, doordat de geest een bewust en beheerst gebruik leert maken van de eigen vermogens. Dit is een verrijking die nooit verloren gaat en nuttig is voor de eeuwigheid in de geestelijke wereld. Daartoe is dit tijdelijke bestaan de leerschool.
Het verschijnsel op zich dat er in de mensheid een eenzijdige, natuurwetenschappelijke standpunt kan bestaan, is een aanwijzing voor het bestaan van de 'onbewuste vereenzelviging'. In deze geestesgesteldheid is de geest volkomen onbewust van zichzelf en heeft zich daardoor geheel vereenzelvigd met het tijdelijke bestaan. In deze geestesgesteldheid lijkt de geest op het stoffelijke oog, dat, al ziende, zichzelf niet ziet, waardoor de aandacht geheel in de buitenwereld opgaat. Daardoor wordt de zin van het leven in de buitenwereld gezocht, terwijl die zin in wezen de zoekende geest zelf is. Die zin is de ontwikkeling die de geest kan doormaken door met behulp van de eigen geestelijke vermogens staande te blijven in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen.
De onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan kan zo volledig zijn, dat de natuurwetenschap en de aanhang ervan de dood tracht te ontkennen en te bestrijden als een aan het leven vijandig verschijnsel. Dat ook dit feit als verschijnsel bestaat, wijst nogmaals op de volstrekte onbewustheid van de geest van zichzelf. In de geestesgesteldheid van onbewuste vereenzelviging is de menselijke geest zich volstrekt niet bewust zélf het eeuwig levende te zijn. De dood van de stoffelijke vorm wordt daardoor niet gezien als de poort naar thuis, noch wordt beseft dat als de geest wordt overgeleid naar de geestelijke wereld, pas daardoor vervolgens alleen het lichaam sterft, dood gaat.

terug naar de woordenlijst - naar boven

drievoudigheid
De kern van het al is de algeest. In de ongevormde oertoestand van rust zijn er in de algeest geen tegendelen werkzaam en daardoor kan er niet iets worden onderscheiden. De algeest in de oertoestand van rust is daardoor de uiterste eenvoudigheid, de toestand van éénheid.
In de daarop volgende toestand van beweging doet de algeest zich voor als de 'bewuste levenskracht', als: de levenskracht, die bewust kan zijn. De algeest komt in de bewuste kracht tot uitdrukking als de tweevoudigheid, de toestand van twééheid. Daardoor is er sprake van een twee-eenheid van bewustzijn en kracht.
Die bewuste kracht doet zich in de geestelijke wereld aan het geestesoog voor als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee in volgorde het bewustzijn en de kracht samenhangen. Dat licht en die warmte kunnen zich vervolgens in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: in een vormbare en in een zelfvormende, zelfscheppende toestand. Met het feit dat licht en warmte zich in die vormbare en zelfvormende toestand kunnen bevinden, hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken is zelfvormend licht, voelen is vormbare warmte en willen is zelfvormende warmte. Zo wordt de innerlijke werkzaamheid van de algeest gekenmerkt door viervoudigheid, door een vier-eenheid.
Als de algeest zich vanuit de ongevormde oertoestand aan de menselijke geest wil openbaren, dan vormt de algeest in zichzelf een punt van verdichting zoals dat ook bij de schepping van de menselijke geest gebeurde. Door dat punt straalt de volheid van de algeest zichzelf uit in de verdichte toestand die met de wereld van de menselijke geest overeenkomt. Die uitstraling wordt vormgegeven in overeenstemming met de eigenschappen van de vier geestelijke vermogens, zodat de algeest in de vorm van de menselijke geestgedaante als de heilige geest van God voor het geestesoog verschijnt.
Maar het bijzondere is dat de algeest zelf in de gevormde toestand zich in de geestelijke wereld ook aan het geestesoog kan voordoen als een drievoudigheid, als een drie-eenheid. Deze drie-eenheid verschijnt als drie volkomen gelijke geestgedaanten, schijnbaar als drie 'personen'. Daardoor komt verwarrend genoeg meer de nadruk te liggen op hun zelfstandigheid en minder op hun eenheid. Toch is het één geest, die zich echter op drievoudige wijze uitdrukt.

Deze drievoudigheid kan ontstaan doordat de algeest in wezen zoals gezegd de 'bewuste kracht' is. De algeest is een kracht en met die kracht hangt het willen samen, terwijl die kracht de bijzondere eigenschap heeft zich bewust te kunnen zijn en wel door het waarnemingsvermogen. De kracht als warmte straalt binnen zichzelf het licht uit, waardoor ín die kracht het zich bewust zijn mogelijk is.
Doordat in God als de algeest alles zich bínnen de goddelijke algeest afspeelt, gebeurt alles binnen de bewuste kracht die God is, waardoor het waarnemen geen afzonderlijk op zichzelfstaand vermogen is, zoals bij de menselijke geest. In de algeest blijft het 'bewust kunnen zijn', het waarnemen, in de oorspronkelijke eenheid met de geestkracht, het willen, bestaan. De algeest blijft dicht bij de oertoestand van eenheid. Doordat het heelal zich binnen de goddelijke algeest afspeelt, is de goddelijke geestesgesteldheid voortdurend die van de zelfbezonnen geestesgesteldheid.
Als God echter werkzaam wil worden, dan is daar wel het goddelijke denken bij nodig als beeldvormende werkzaamheid, terwijl het goddelijke voelen nodig is om het denkbeeld tot leven te kunnen brengen. Met andere woorden, binnen de eenheid van de bewuste kracht die God is als algeest, wordt gedacht en gevoeld. De goddelijke drievoudigheid in de vorm van de drie-eenheid, bestaat daardoor uit het waarnemen-willen, het denken en het voelen. Eén van deze eigenschappen binnen de drievoudigheid, de middelste, is zelf dus weer twee-voudig: het waarnemen-willen.
Dit is er de oorzaak van dat God zich aan het helderziende geestesoog in de geestelijke wereld voor kan doen in de vorm van drie geestgedaanten, die volkomen aan elkaar gelijk zijn. Deze drievoudigheid is er ook de oorzaak van dat er van God uit drie stappen van verdichting zijn die voeren tot de menselijke geest, die als de algeestvonk op aarde is.
Wat in de godgeleerdheid de 'Drie-eenheid' wordt genoemd, is van een andere orde. In het leerstuk dat de 'Drie-eenheid' wordt genoemd, wordt de mening verkondigd dat de Vader, de Zoon en de heilige Geest drie personen zouden zijn, die desondanks een eenheid vormen. Vanuit het geestkundige gezichtspunt zijn zij echter drie verschijningsvormen van geest:
- de 'Vader' vertegenwoordigt de toestand van de algeest op zichzelf;
- de 'heilige Geest' is de toestand waarin de algeest zich in de gevormde toestand voordoet als een geestgedaante;
- terwijl de 'Zoon' de toestand is, waarin de heilige geest van God eenmalig in een stoffelijke vorm op aarde is geweest, geboren uit de maagd Maria, doordat de heilige geest zelf de kiem van die stoffelijke vorm in haar schiep. Van tevoren zei de heilige geest van God tegen Maria 'Jezus' te willen worden genoemd.

terug naar de woordenlijst - naar boven

dromen
Tijdens de slaap treedt de geest uit het lichaam. De graad van uittreding in de geestelijke wereld, wordt in de stoffelijke wereld het 'slaapstadium' genoemd. Er zijn vier slaapstadia te onderscheiden; deze zijn in het elektro-encephalogram (EEG) te zien als vier verschillende groepen van hersengolven, die met de mate van uittreding en daardoor met de diepte van de slaap samenhangen.
Tijdens de uittreding neemt de helderziendheid van de uittredende geest toe. Eerst worden de inhouden van de ziel, de eigen binnenwereld waargenomen, wat de inhouden van het geheugen zijn; vervolgens wordt de geestelijke wereld waargenomen en ten slotte kan de geest in de geestgedaante reizen meemaken in de geestelijke wereld.
Tijdens deze uittreding blijft de geest door de geestelijke levensdraad met het slapende lichaam verbonden. Als de geest tijdens de uittreding iets meemaakt, waarvan het nuttig is dat die zich dat tijdens de waaktoestand overdag herinnert, dan wordt deze ervaring door de levensdraad heen afgedrukt in de cellen van de hersenschors, waar zich het stoffelijke deel van het geheugen bevindt. Dit afdrukken wordt op het encephalogram gezien als een levendige werkzaamheid, alsof de geest wakker was. Deze toestand wordt daarom zowel de 'droomslaap' alsook de 'paradoxale slaap' genoemd, ook wel Rapid Eye Movement slaap.
Het woord 'droom' betekent oorspronkelijk 'jubel', 'vreugde' en wel 'vreugde door een uittreding'. Een droom krijgen betekende oorspronkelijk: een bericht krijgen van thuis, van de vrienden en vriendinnen in de geestelijke wereld. Er zijn door de mate van uittreding in grote lijnen drie soorten dromen te onderscheiden. Neemt de geest helderziende de inhouden van de eigen binnenwereld waar, dan worden de daardoor optredende dromen gekenmerkt door 'dagresten', ervaringen die in de tijdelijke wereld zijn meegemaakt en al dan niet zijn verwerkt. Deze dromen zijn vaak vaag en kunnen verward zijn.
Neemt de geest de geestelijke wereld waar, dan kunnen de geestelijke begeleiders aan de geest een reeks van betekenisvolle zinnebeelden tonen, die een boodschap bevatten voor het verblijf in de stoffelijke wereld. Deze dromen hebben de kenmerken van een samenhangend verhaal en maken een zodanig diepe indruk op de geest, dat deze de volgende morgen de aandrang voelt de droom aan anderen te vertellen. Deze dromen vragen om een uitleg en dat is ook de bedoeling, want al zoekend naar de betekenis ervan kan de geest zich van bepaalde zaken zélf bewust worden.
Een derde groep van dromen vertegenwoordigen ervaringen, die de geest meemaakt tijdens het verblijf in de geestelijke wereld. Deze dromen worden gekenmerkt door een grote werkelijkheidsbeleving door de ervaring persoonlijk iets te hebben meegemaakt en anderen daadwerkelijk te hebben ontmoet.
Vlak voor het inslapen, wanneer de toestand van helderziendheid begint en vlak na het ontwaken, wanneer er nog een laatste rest van de helderziende toestand bestaat, kunnen ook boodschappen door geestelijke begeleiders aan de geest worden doorgegeven. In die toestanden bevindt de geest zich even in beide werelden, waardoor die zich in de stoffelijke wereld verblijvend bewust kan worden van berichten die uit de geestelijke wereld afkomstig zijn.

terug naar de woordenlijst - naar boven