|
Verklarende woordenlijst
E |
| |
- eenheid
- De eenheid waar het al van
uit is gegaan, is de geest. De geest is de bewuste levenskracht, die in de
geestelijke wereld ervaarbaar is als een lichtende warmte.
De geest is de scheppende kracht, die door de warmte als kracht werkzaam te laten zijn
in zichzelf licht kan doen stralen. De geest is door de warmte een uit zichzelf stralende lichtbron.
Vervolgens kan de geest zichzelf als licht vorm geven als een innerlijk lichtbeeld, door verdichting en verdunning van het licht in zichzelf, waardoor bepaalde plaatsen
in het licht helderder zijn dan andere. De geest is een beeldhouwer
die niet buiten zich, maar in zichzelf een innerlijk lichtbeeld
schept door zichzelf als scheppende vormkracht werkzaam te laten zijn.
De goddelijke algeest, binnen wie dit scheppende gebeuren in het
begin plaatsvond, heeft de verdichting van de geschapen lichtbeelden stapsgewijs
in zichzelf voortgezet tot die toestand van verdichting, die in
het tijdelijke bestaan door de menselijke geest 'stof' wordt genoemd.
Stof is gestold licht dat is voortgekomen uit de warmte van de goddelijke
geestkracht, waardoor stof een grote hoeveelheid kracht vertegenwoordigt
(volgens Einstein is E=mc2: de energie E (warmte) in de stof is de massa m
maal de lichtsnelheid c (licht) in het kwadraat, wat een enorm getal is).
Volgens de algemene Eenheidstheorie, die in de natuurkunde wordt
uitgewerkt om de schepping vanuit één beginsel te
verklaren, is dat ene beginsel: licht. Dat betekent dat de
natuurkunde vanuit de stoffelijke wereld naar het eindpunt toewerkt,
dat voor geestkunde juist het uitgangspunt is, het beginpunt: de
goddelijke algeest als de bewuste kracht, die zich voordoet als
een lichtende warmte.
De geest als lichtende warmte is de scheppende eenheid waaruit alles is voortgekomen
en waarmee alles ook weer samenhangt als een eenheid.
(terug
naar index)
- eenzijdigheid
- Zie: vereenzelviging, eenzijdige. (terug
naar index)
- eerzucht
- De toestand van ònbewuste
vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand.
Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid
waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint.
Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien
tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde
mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid
is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan,
dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden.
Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst
naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven.
Hoe ziet het gevoelsvermogen in deze toestand er uit? Door gehechtheid
aan het zelfgevoel kan het voelen tot uiting komen als eigenliefde,
hoogmoed en eerzucht.
(terug
naar index)
- engelen
- Om Gods godenkinderen, de mensheid, te kunnen begeleiden op hun ontwikkelingsweg naar geestelijke volwassenheid door zelf hun vermogens tot ontwikkeling te brengen, drukt God zichzelf uit in Gods engelen. Deze engelen zijn een weergave van de eigenschappen van de goddelijke, geestelijke vermogens. Zij zijn voor het geestesoog zichtbaar in de vorm van de geestgedaante, die de menselijke gestalte heeft.
Langs drie trappen van verdichting, drie trappen van vermindering van de geestelijke trillingssnelheid, kunnen Gods engelen, Gods krachten, tot de menselijke, kinderlijke geestesgesteldheid afdalen en zich met de ontwikkeling van de menselijke geest bezighouden. Dat doen zij door met hun gedachten en gevoelens op de menselijke geest in te werken en zo langzaam maar zeker, door de werkzaamheid van hun eigen vermogens op de mens over te brengen, het overeenkomstige in de mens zelf tot leven te wekken; waarbij overigens de keuzevrijheid van de menselijke geest blijft gewaarborgd.
Verder laten zij de omstandigheden op aarde zodanig verlopen, dat zich in de tijd als stroom van gebeurtenissen steeds leerzame ervaringen aan de mens voordoen.
Door middel van de engelen als Gods eigen krachten houdt God zelf zich al denkend en voelend met de loop van de schepping bezig. God leidt de schepping op onmerkbare wijze door die gebeurtenissen te laten ontstaan, die noodzakelijk zijn voor de groei van de menselijke geest. In het Grieks wordt daarom gesproken van 'angelos', wat boodschapper betekent, terwijl in het Hebreeuws wordt gesproken van 'malak Jahweh', wat 'kracht Gods' betekent. Samengevoegd is hier dus sprake van een 'bewuste kracht' die van God uitgaat. In India wordt gesproken van 'dhjany chohans', wat 'geesten die de schepping overdenken' of 'geesten, die zich bezinnen op de schepping' betekent. Het zijn dus krachten die Gods plan met de schepping vertegenwoordigen en dat plan uitvoeren.
In de eerste stap van verdichting doet de goddelijke werkzaamheid zich voor in het eerste drietal engelen als de Serafim, het voelen, de Cherubim, het denken en de Ofanim (Tronen), het waarnemen-willen. Het Hebreeuwse 'seraf' betekent branden van liefde. De Serafim zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen. Het Hebreeuwse 'cherub' betekent grijpen of begrijpen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke denken. Het Hebreeuwse 'ofan' betekent handelen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke willen en het waarnemen.
De Ofanim worden in het visioen van Ezechiël in het Oude Testament beschreven als 'wielen' (met de betekenis kracht, bewegen, handelen) die 'ogen' bezitten (met de betekenis van het waarnemingsvermogen). M.a.w. deze wielen met ogen verzinnebeelden een kracht, die zich door waar te nemen van iets bewust kan zijn. De Ofanim zijn weliswaar een eenheid, maar bestaan toch uit de genoemde tweeheid: de tweeheid als de bewuste kracht die de geest is. Zodoende zijn zij er de oorzaak van dat God in werkzame toestand zich weliswaar in de vorm van de drieëenheid van drie engelen aan de geest voordoet, maar tegelijkertijd ook door een viervoudige werkzaamheid wordt gekenmerkt: die van de vier geestelijke vermogens.
Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de twee instellingswijzen, de in- en uitgekeerde instelling, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ìn God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal en het viertal, en niet zoals bij de mens door het zevental: de zevenvoudigheid.
De daarop volgende stap van verdichting is het drietal van de Machten, de Heerschappijen en de Krachten.
De Machten heten in het Grieks Exousiai, afkomstig van Grieks 'ousia': huisgezin en 'ous': gehoor. De machten helpen bij het verzoenen van tegenstellingen en bewerken overeenstemming, saamhorigheid en vrede binnen groepen mensen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.
De Heerschappijen heten in het Grieks Kyriotetes, afkomstig van Grieks 'kurioo': bepalen, besluiten, beheersen. De heerschappijen helpen bij het vormen van een oordeel en het nemen van besluiten. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke denken.
De Krachten heten in het Grieks Dynamis, afkomstig van Grieks 'dunameis': macht, kracht, sterkte.
De krachten helpen bij de worsteling om inzicht (kennis, waarnemen) en bij het overwinnen van moeilijkheden (willen). Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke waarnemen en willen.
De laatste stap van verdichting is die der Beschermengelen, Aartsengelen en Engelenvorsten. De eersten houden zich in het bijzonder bezig met de mens als persoon, terwijl de anderen zich bezig houden met groepen, steden of volkeren en alleen in sommige gevallen met personen.
De Beschermengelen heten in het Grieks Angeloi: boodschappers. Zij begeleiden en ondersteunen het aardse bestaan van de mens als persoon, gedreven door liefde en mededogen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.
De Aartsengelen heten in het Grieks Archangeloi: aartsengelen. Zij begeleiden het aardse bestaan van steden.
De Engelenvorsten heten in het Grieks Archai: oerkrachten. Zij worden gekenmerkt door werkdrang en willen daardoor een werk aanvangen, ondernemen. Zij begeleiden het aardse bestaan van een volk. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke willen.
Deze engelen als Gods krachten en boodschappers begeleiden de menselijke geest op de geestelijke ontwikkelingsweg, waarop de mens zelf de eigen zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid tot ontwikkeling kan brengen. Het doel is dat de mens op weg naar boven kan toegroeien naar hereniging met God door met God een liefdesband te vormen. Zelfverwerkelijking en hereniging zijn daarom de beide kernbegrippen van geestelijke groei. Zoals gezegd wordt de mens daarbij onmerkbaar begeleid door Gods engelen.
(terug
naar index)
- ervaring
- De tijd is een stroom van
gebeurtenissen, waarin de geest zich staande moet zien te houden.
Door die noodzaak wordt de geest er door de gebeurtenissen toe aangezet
de geestelijke vermogens te gebruiken. Alleen door met de vermogens
die gebeurtenissen te verwerken, kan de geest zichzelf staande houden
en voorkomen door de gebeurtenissen te worden overweldigd. Daardoor
zijn de gebeurtenissen de lessen die de geest kan aangrijpen om
de vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken en zo geestelijk
te groeien.
In de tijd als stroom van gebeurtenissen zijn er vele, die de geest
niet of nauwelijks aangaan en langs de geest heengaan. Een aantal
gaat de geest wel aan. Deze gebeurtenissen worden door de geest
ervaren en worden zo tot ervaringen. 'Ervaren' betekent:
gewaarworden, ondervinden, meemaken.
De gebeurtenissen die worden ervaren betekenen voor de geest het
lot als datgene, wat de geest toevalt. Het zijn de lotgevallen
als de levenservaringen, die als de levenslessen evengoed
bij de geest horen als de tijdelijke persoonlijkheid, waarmee
de geest in dit bestaan naar de aarde is gekomen. Zoals het voor
de geest 'mijn persoonlijkheid' is, zo zijn het evengoed 'mijn levenservaringen'.
Persoonlijkheid en levenservaring horen bij elkaar en staan met
elkaar in wisselwerking.
De gebeurtenissen die op de geest betrekking hebben, zijn geen blind
noodlot, maar zinvolle levenslessen die bij de geest horen; hoe
onbegrijpelijk dat soms ook is, gezien vanuit de onwetendheid die
gepaard gaat met de aanwezigheid in dit bestaan. Later als de geest
weer thuis is, zal alles duidelijk worden doordat de samenhang met
de eeuwige levensweg dan zichtbaar wordt.
(terug
naar index)
- evenwicht,
innerlijk
- De menselijke geest is in
wezen een bewuste kracht, die zich voordoet als een bolvormige
wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. De
geest als bewuste kracht kan werkzaam zijn met behulp van de geestelijke
vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen, waarvan de instelling
ingekeerd of uitgekeerd kan zijn. Het waarnemen en denken hangen
samen met het licht; het voelen en willen hangen samen met de warmte. Het licht en de warmte kunnen ieder door de geest weer in een ontvankelijke en in een scheppende toestand worden gebracht.
Als de geest waarneemt, dan brengt de geest zichzelf als licht in
een ontvankelijke toestand; als de geest denkt, dan brengt de geest
zichzelf als licht in een scheppende toestand; als de geest voelt,
dan brengt de geest zichzelf als warmte in een ontvankelijke toestand;
als de geest wil, dan brengt de geest zichzelf als warmte in een
scheppende toestand.
Door waar te nemen stelt de geest zich open voor inwerking vanuit
de buitenwereld, door te willen werkt de geest zelf in op de buitenwereld;
door te denken is de geest scheppend werkzaam met denkbeelden (lichtbeelden)
door die in zichzelf met elkaar te verbinden, door te voelen stelt
de geest de eigen gemoedstoestand (warmtetoestand) open voor een
andere geest, waardoor twee gemoederen met elkaar worden verbonden;
door de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid van
de vermogens op zichzelf en de eigen persoonlijke wereld, door de
uitgekeerde instelling op anderen en op de buitenwereld.
Deze eigenschappen zijn er de oorzaak van, dat de geest in wezen
een eenheid is van tegendelen. De geest is in aanleg een
eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen:
het waarnemen en het willen; het denken en het voelen; de ingekeerde
en de uitgekeerde instelling.
Innerlijk evenwicht wordt bereikt wanneer de geest de eigen vermogens zodanig tot ontwikkeling brengt, dat er sprake is van een evenwichtige samenwerking van de
vermogens. Dit innerlijke evenwicht van de vermogens komt naar buiten
toe tot uitdrukking in het gedrag, waardoor er sprake is van een evenwichtige
persoonlijkheid.
(terug
naar index)
|
|