GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst E
 
eenheid
eenzijdigheid
eerzucht

engelen
ervaring
evenwicht, innerlijk


eenheid
De eenheid waar het al van uit is gegaan, is de geest. De geest is de bewuste levenskracht, die in de geestelijke wereld ervaarbaar is als een lichtende warmte. De geest is de scheppende kracht, die door de warmte als kracht werkzaam te laten zijn in zichzelf licht kan doen stralen. De geest is door de warmte een uit zichzelf stralende lichtbron.
Vervolgens kan de geest zichzelf als licht vorm geven als een innerlijk lichtbeeld, door verdichting en verdunning van het licht in zichzelf, waardoor bepaalde plaatsen in het licht helderder zijn dan andere. De geest is een beeldhouwer die niet buiten zich, maar in zichzelf een innerlijk lichtbeeld schept door zichzelf als scheppende vormkracht werkzaam te laten zijn.
De goddelijke algeest, binnen wie dit scheppende gebeuren in het begin plaatsvond, heeft de verdichting van de geschapen lichtbeelden stapsgewijs in zichzelf voortgezet tot die toestand van verdichting, die in het tijdelijke bestaan door de menselijke geest 'stof' wordt genoemd.
Stof is gestold licht dat is voortgekomen uit de warmte van de goddelijke geestkracht, waardoor stof een grote hoeveelheid kracht vertegenwoordigt (volgens Einstein is E=mc2: de energie E (warmte) in de stof is de massa m maal de lichtsnelheid c (licht) in het kwadraat, wat een groot getal is). Volgens de algemene Eenheidstheorie, die in de natuurkunde wordt uitgewerkt om de schepping vanuit één beginsel te verklaren, is dat ene beginsel: licht. Dat betekent dat de natuurkunde vanuit de stoffelijke wereld naar het eindpunt toewerkt, dat voor geestkunde juist het uitgangspunt is, het beginpunt: de goddelijke algeest als de bewuste kracht, die zich voordoet als een lichtende warmte.
De geest als lichtende warmte is de scheppende eenheid waaruit alles is voortgekomen en waarmee alles ook weer samenhangt als een eenheid.

terug naar de woordenlijst - naar boven

eenzijdigheid
Zie: vereenzelviging, eenzijdige. -  terug naar de woordenlijst - naar boven

eerzucht
De toestand van ónbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien tot een toestand van bewúste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan, dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden. Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewúst naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven.
Hoe ziet het gevoelsvermogen in deze toestand er uit? Door gehechtheid aan het zelfgevoel kan het voelen tot uiting komen als eigenliefde, hoogmoed en eerzucht.

terug naar de woordenlijst - naar boven

engelen
Om Gods godenkinderen, de mensheid, te kunnen begeleiden op hun ontwikkelingsweg naar geestelijke volwassenheid door zelf hun vermogens tot ontwikkeling te brengen, drukt God zichzelf uit in Gods engelen. Deze engelen zijn een weergave van de eigenschappen van de goddelijke, geestelijke vermogens. Zij zijn voor het geestesoog zichtbaar in de vorm van de geestgedaante, die de menselijke gestalte heeft.
Langs drie trappen van verdichting, drie trappen van vermindering van de geestelijke trillingssnelheid, kunnen Gods engelen, Gods krachten, tot de menselijke, kinderlijke geestesgesteldheid afdalen en zich met de ontwikkeling van de menselijke geest bezighouden. Dat doen zij door met hun gedachten en gevoelens op de menselijke geest in te werken en zo langzaam maar zeker, door de werkzaamheid van hun eigen vermogens op de mens over te brengen, het overeenkomstige in de mens zelf tot leven te wekken; waarbij overigens de keuzevrijheid van de menselijke geest blijft gewaarborgd.
Verder laten zij de omstandigheden op aarde zodanig verlopen, dat zich in de tijd als stroom van gebeurtenissen steeds leerzame ervaringen aan de mens voordoen.
Door middel van de engelen als Gods eigen krachten wil God zich al denkend en voelend met de loop van de schepping bezighouden. God leidt de schepping op onmerkbare wijze door die gebeurtenissen te laten ontstaan, die noodzakelijk zijn voor de groei van de menselijke geest. In het Grieks wordt daarom gesproken van 'angelos', wat boodschapper betekent, terwijl in het Hebreeuws wordt gesproken van 'malak Jahweh', wat 'kracht Gods' betekent. Samengevoegd is hier dus sprake van een 'bewuste kracht' die van God uitgaat. In India wordt gesproken van 'dhjany chohans', wat 'geesten die de schepping overdenken' of 'geesten, die zich bezinnen op de schepping' betekent. Het zijn dus krachten die Gods plan met de schepping vertegenwoordigen en dat plan uitvoeren.

In de eerste stap van verdichting doet de goddelijke werkzaamheid zich voor in het eerste drietal engelen als de Serafim die het voelen vertegenwoordigen, de Cherubim het denken en de Ofanim (Tronen) het waarnemen-willen. Het Hebreeuwse 'seraf' betekent branden (van liefde). De Serafim zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen. Het Hebreeuwse 'cherub' betekent grijpen of begrijpen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke denken. Het Hebreeuwse 'ofan' betekent handelen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke willen en het waarnemen.
De Ofanim worden in het visioen van Ezechiël in het Oude Testament beschreven als 'wielen' (met de betekenis: kracht, bewegen, handelen) die 'ogen' bezitten (met de betekenis van het waarnemingsvermogen). M.a.w. deze wielen met ogen verzinnebeelden een kracht, die zich door waar te nemen van iets bewust kan zijn. De Ofanim zijn weliswaar een eenheid, maar bestaan toch uit de genoemde tweeheid: de tweeheid als de bewuste kracht die de geest is. Zodoende zijn zij er de oorzaak van dat God in werkzame toestand zich weliswaar in de vorm van de drie?enheid van drie engelen aan de geest voordoet, maar tegelijkertijd ook door een viervoudige werkzaamheid wordt gekenmerkt: die van de vier geestelijke vermogens.
Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de twee instellingswijzen, de in- en uitgekeerde instelling, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ín God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal en het viertal, en niet zoals bij de mens door het zevental: de zevenvoudigheid.

De daarop volgende stap van verdichting is het drietal van de Machten, de Heerschappijen en de Krachten.
De Machten heten in het Grieks Exousiai, afkomstig van Grieks 'ousia': huisgezin en 'ous': gehoor. De machten helpen bij het verzoenen van tegenstellingen en bewerken overeenstemming, saamhorigheid en vrede binnen groepen mensen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen. De Heerschappijen heten in het Grieks Kyriotetes, afkomstig van Grieks 'kurioo': bepalen, besluiten, beheersen. De heerschappijen helpen bij het vormen van een oordeel en het nemen van besluiten. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke denken.
De Krachten heten in het Grieks Dynamis, afkomstig van Grieks 'dunameis': macht, kracht, sterkte. De krachten helpen bij de worsteling om inzicht (kennis, waarnemen) en bij het overwinnen van moeilijkheden (willen). Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke waarnemen en willen.

De laatste stap van verdichting is die der Beschermengelen, Aartsengelen en Engelenvorsten. De eersten houden zich in het bijzonder bezig met de mens als persoon, terwijl de anderen zich bezig houden met groepen, steden of volkeren en alleen in sommige gevallen (mystici) met personen.
De Beschermengelen heten in het Grieks Angeloi: boodschappers. Zij begeleiden en ondersteunen het aardse bestaan van de mens als persoon, gedreven door liefde en mededogen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.
De Aartsengelen heten in het Grieks Archangeloi: aartsengelen. Zij begeleiden het aardse bestaan van steden.
De Engelenvorsten heten in het Grieks Archai: oerkrachten. Zij worden gekenmerkt door werkdrang en willen daardoor een werk aanvangen, ondernemen. Zij begeleiden het aardse bestaan van volken. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke willen.

Deze engelen als Gods krachten en boodschappers begeleiden de menselijke geest op de geestelijke ontwikkelingsweg, waarop de mens zelf de eigen zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid tot ontwikkeling kan brengen. Het doel is dat de mens op weg naar boven kan toegroeien naar hereniging met God door met God een liefdesband te vormen. Zelfverwerkelijking en hereniging zijn daarom de beide kernbegrippen van geestelijke groei. Zoals gezegd wordt de mens daarbij onmerkbaar door Gods engelen begeleid.

terug naar de woordenlijst - naar boven

ervaring
De tijd is een stroom van gebeurtenissen, waarin de geest zich staande moet zien te houden. Door die noodzaak wordt de geest er door de gebeurtenissen toe aangezet de geestelijke vermogens te gebruiken. Alleen door met de vermogens die gebeurtenissen te verwerken, kan de geest zichzelf staande houden en voorkomen erdoor te worden overweldigd. Daardoor zijn de gebeurtenissen de lessen die de geest kan aangrijpen om de vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken en zo geestelijk te groeien.
In de tijd als stroom van gebeurtenissen zijn er vele, die de geest niet of nauwelijks aangaan en langs de geest heengaan. Een aantal gaat de geest wel aan. Deze gebeurtenissen worden door de geest ervaren en worden zo tot ervaringen. 'Ervaren' betekent: een gebeurtenis gewaarworden, ondervinden, meemaken.
De gebeurtenissen die worden ervaren betekenen voor de geest het lot als datgene, wat de geest toevalt. Het zijn de lotgevallen als de levenservaringen, die als de levenslessen evengoed bij de geest horen als de tijdelijke persoonlijkheid, waarmee de geest in dit bestaan naar de aarde is gekomen. Zoals het voor de geest 'mijn persoonlijkheid' is, zo zijn het evengoed 'mijn levenservaringen'. Persoonlijkheid en levenservaring horen bij elkaar en staan met elkaar in wisselwerking.
Hoe onbegrijpelijk het soms ook is door de onwetendheid die gepaard gaat met de aanwezigheid in dit bestaan, toch zijn de gebeurtenissen die op de geest betrekking hebben geen blind noodlot, maar zinvolle levenslessen die bij de geest horen; als die later weer thuis is, zal alles duidelijk worden doordat dan de samenhang met de eeuwige levensweg zichtbaar wordt.

terug naar de woordenlijst - naar boven

evenwicht, innerlijk
De menselijke geest is in wezen een bewuste kracht, die zich voordoet als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. De geest als bewuste kracht kan werkzaam zijn met behulp van de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen, waarvan de instelling ingekeerd of uitgekeerd kan zijn. Het waarnemen en denken hangen samen met het licht; het voelen en willen hangen samen met de warmte. Het licht en de warmte kunnen ieder door de geest weer in een ontvankelijke en een scheppende toestand worden gebracht.
Als de geest waarneemt, dan brengt die zichzelf als licht in een ontvankelijke toestand; als de geest denkt, dan brengt die zichzelf als licht in een scheppende toestand; als de geest voelt, dan brengt die zichzelf als warmte in een ontvankelijke toestand; als de geest wil, dan brengt die zichzelf als warmte in een scheppende toestand.
Door waar te nemen stelt de geest zich open voor inwerking vanuit de buitenwereld, door te willen werkt de geest zelf in op de buitenwereld; door te denken is de geest scheppend werkzaam met denkbeelden (lichtbeelden) door die in zichzelf met elkaar te verbinden, door te voelen stelt de geest de eigen gemoedstoestand (warmtetoestand) open voor een andere geest, waardoor twee gemoederen met elkaar worden verbonden; door de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf en de eigen persoonlijke wereld, door de uitgekeerde instelling op anderen en op de buitenwereld.
Deze eigenschappen zijn er de oorzaak van, dat de geest in wezen een eenheid is van tegendelen. De geest is in aanleg een eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen: het waarnemen en het willen; het denken en het voelen; de ingekeerde en de uitgekeerde instelling.
Innerlijk evenwicht wordt bereikt wanneer de geest de eigen vermogens zodanig tot ontwikkeling brengt, dat er sprake is van een evenwichtige samenwerking van de vermogens. Dit innerlijke evenwicht van de vermogens komt naar buiten toe tot uitdrukking in het gedrag, waardoor er sprake is van een evenwichtige persoonlijkheid.

I.p.v. het woord 'evenwicht' wordt vaak het woord 'balans' gebruikt. Het woord 'balans' heeft als enige betekenis: 'weegschaal'; het is afkomstig van het Latijnse 'bi-lanx': 'twee-schaal', het weegwerktuig. Het woord 'balans' zegt niets over de toestand waarin de schalen verkeren, terwijl 'evenwicht' duidelijk aangeeft dat op beide evenveel gewicht rust.

terug naar de woordenlijst - naar boven