|
Verklarende woordenlijst F
Franse en Engelse invloed op het Nederlands
Het Nederlands is een Indo-Europese taal, die ontstaan is in de vroege Middeleeuwen en drie Oudgermaanse dialecten als bron heeft: het Oudfries, Oudsaksisch en Oudnederfrankisch. Het heeft voldoende eigen taalkenmerken om het als een zelfstandige taal te zien; die kenmerken liggen in tussen het Duits (Frankisch) en Engels (Angel-Saksisch).
Het Nederlandse taalgebied is klein en ligt geografisch ingeklemd tussen drie veel grotere taalgebieden: het Duits, Engels en Frans. Doordat Nederlanders door de ligging van hun land op de handel zijn gericht en het spreken van de taal van de handelspartner bevorderlijk is voor het drijven van handel, hebben Nederlanders altijd opengestaan voor die vreemde talen... maar daardoor ook voor de invloeden daaruit.
Die taalinvloeden worden door periodes gekenmerkt: in de vroege Middeleeuwen was er een grote Latijnse en Griekse invloed, en door de eeuwen heen zijn veel Duitse woorden overgenomen; er is ook een Duitse tijd geweest (Jugendstil) en een Franse tijd, toen de Franse cultuur in Europa overheerste - en in deze tijd is er een Engelse periode.
Zo'n periode hangt samen met de geest van de tijd. Heeft de tijdsgeest een voorkeur voor het Engels, zoals heden ten dage het geval is, dan hoor je in de dagelijkse omgangstaal nauwelijks nog Franse woorden gebruiken; het omgekeerde was in de Franse tijd met het Engels het geval.
Een mens kan het treffen op een zodanig tijdstip te zijn geboren, dat je twee periodes van taalinvloed kunt meemaken. Vóór en een tijdje na de Tweede Wereldoorlog had Frans de voorkeur (er werd toen gesproken over een 'helicoptère', daarna pas over 'helicopter'). Tientallen Franse woorden werden dagelijks door haast iedereen gebruikt. Een aantal voorbeelden:
Bij een ontmoeting was het 'bonjour' (goedendag) en bij een afscheid 'au revoir' (tot ziens) of 'adieu!' Het was 'bon ton' (goed gebruik) om een ander te bedanken met 'merci!' (dank).
Als men een fout maakte, was het 'pardon!' (neem me niet kwalijk!) of 'excusé!' (verontschuldig mij!). Om aan de ander te laten zien dat men niet boos was, zei men 'sans rancune!' (zonder boosheid). Had iemand iets verdienstelijks gedaan, dan zei men: 'chappeau!' (hoed af). Men vroeg niet naar de weg, maar naar de 'route'.
Men moest over zaken 'prakkizeren' (practiser, nadenken) of men ging iets 'uitvigelieren' (uitzoeken), waarbij men 'à bout portant' (op de man af) op een 'fait accompli' (voldongen feit) stuitte, dat men 'coûte que coûte' (koste wat kost) wilde begrijpen en dat uiteindelijk 'simple comme bonjour' (heel eenvoudig) bleek te zijn.
Als men tot een slotsom kwam, zei men 'enfin' (verbasterd tot 'afijn'). Een samenspanning heette een 'intrige' (verwikkeling) waarbij werd gezocht naar de 'clou' (het punt waar het om gaat, het plot). Men werd niet ergens het slachtoffer van, maar de 'pineut' of de 'dupe'.
Regelmatig werden gezegdes gebezigd, zoals 'l'histoire se répète' (de geschiedenis herhaalt zich), 'les extrèmes se touche' (uitersten trekken elkaar aan) en 'on y sois qui mal y pense!' (hij is het zelf die er kwaad van denkt).
Sommige woorden uit die tijd zijn gebleven, zoals 'cadeau', 'cheque', 'condoleance', 'controle', 'diner', 'jus d'orange', 'ragout', 'ampère', 'café', 'enquête', 'première', 'scène', 'dedain', 'depot' en 'epoque'. Veel bestuurlijke termen komen uit het Frans.
Als heden ten dage iemand zijn of haar taal zou doorspekken met Franse woorden zoals dat één tot twee generaties geleden gebruikelijk was, zou die persoon nu stomverbaasd worden aangekeken en als een zonderling worden aangemerkt. Maar dat nú iemand op dezélfde manier als toen zijn taalgebruik vermengt met Engelse woorden, wordt als heel gewoon ervaren. Niemand kijkt ervan op, in tegendeel, als iemand een nog niet eerder gehoord Engels woord wat vaker gebruikt ('focus' (aandacht) en 'impact' (invloed) bijvoorbeeld, wat trouwens Latijnse woorden zijn), denken anderen dat het erbij hoort en wordt dat onmiddellijk en klakkeloos overgenomen. Het gebruik van vreemde woorden verspreidt zich als een infectieziekte.
Wordt dat niet 'de waan van de dag' genoemd?!
Het Nederlands is een volwassen en zelfstandige taal, waarin men zich volledig kan uitdrukken. In de loop van de afgelopen eeuwen heeft het Nederlands bewezen over voldoende levenskracht te beschikken om tijdperken van buitenlandse invloeden te doorstaan en zichzelf te blijven.
Dat een persoon in het Nederlandse taalgebied wordt geboren, heeft voor dit bestaan een levensbestemming, het is een lotsbepaling. Aan die levensbestemming wordt het beste voldaan door zoveel als mogelijk is zich in de eigen taal uit te drukken.
Het vermogen in zichzelf als geest eigen gedachten en gevoelens onder woorden te brengen en die vervolgens te uiten, is een wezenlijk, geestelijk vermogen. Wie ernaar streeft zichzelf te worden, moet leren bij zichzelf te blijven. Daardoor ontstaat niet alleen het verlangen alles wat tot de persoon behoort tot ontwikkeling te brengen, maar ook de taal die niet zonder reden de 'moedertaal' wordt genoemd. Die is weliswaar van buitenaf gekomen, maar is evengoed tot dat eigene, persoonlijke gaan behoren.
Achting voor de eigen taal bevordert de groei naar persoonlijke zelfstandigheid.
Dit wordt door wetenschappelijk onderzoek bevestigd. Emigranten die hun eigen taal verloochenen en alleen nog maar de taal van het emigratieland spreken (wat veel Nederlanders in den vreemde doen), hebben op latere leeftijd meer last van psychische stoornissen dan zij die tweetalig zijn geworden en thuis hun moedertaal zijn blijven spreken. De eersten zijn door eigen toedoen 'ontworteld' geraakt, met alle gevolgen van dien.
terug naar de woordenlijst - naar boven
|
|