inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst G
 
gebed
Een gebed is een innerlijk gesprek, waarbij de geest zich richt tot de geestelijke begeleiders.
Vanuit de geestelijke wereld wordt de geest op de levensweg door het tijdelijke bestaan begeleid door geestelijke begeleiders. Deze begeleiders kunnen zijn: de broeders en zusters uit de groep met wie de geest ook in de geestelijke wereld altijd al was verbonden (ook gidsen genaamd), Gods engelen (naast de andere engelen uit de rangorde der engelen heeft iedere geest een eigen, persoonlijke beschermengel) of Gods heilige geest.
In een gebed kunnen de omstandigheden worden besproken die de reden zijn om te bidden en kan om hulp worden gevraagd. Het doel waarvoor die hulp moet dienen, moet duidelijk worden omschreven. Als er echter gebeurtenissen moeten plaatsvinden die vast liggen in de lotsbestemming, dan kan een gebed daar niets aan veranderen. Er kan alleen om inzicht en kracht worden gevraagd om vastberaden de levensweg te gaan. Alles wat gebeurt heeft uiteindelijk zin voor de geestelijke groei en moet tot eigen heil worden ondergaan. Hoe onbegrijpelijk de gebeurtenissen soms ook zijn.
In een gebed wordt van hart tot hart een persoonlijke band gevormd met een begeleider. Dat kan alleen door een gebed dat uit het hart komt. Een gebed als opgezegde vaste tekst houdt het gevaar in, dat het niet uit het hart komt. Het wordt dan ook niet door een ander hart ontvangen.
Omdat een gebed een innerlijk gesprek van hart tot hart is, moet de biddende geest eerst zelf in het eigen hart zijn ingekeerd. Pas dan is er sprake van de juiste geestesgesteldheid om te kunnen bidden. Die geestesgesteldheid is te bereiken door eerst de 'zelfbezinning' te oefenen (zie aldaar). De zelfbezinning leidt het gebed in en versterkt het gebed.
Een gebed is niet hetzelfde als een innerlijke tweespraak met zichzelf.
(terug naar index)

gebeurtenis
Een gebeurtenis is iets, wat gebeurt. Het woord 'gebeurtenis' hangt samen met het werkwoord 'beuren'. Het werkwoord 'beuren' betekent 'tillen', 'dragen'. Een gebeurtenis is daardoor een voorval, dat in de belevingswereld van de geest wordt getild, wordt gebeurd.
Een gebeurtenis is een voorval, dat door de tijd als stroom van gebeurtenissen wordt aangedragen. Vanuit de 'toekomst' komt die stroom van gebeurtenissen op de geest toe als dat, wat de geest toekomt en valt dan als een voorval in de belevingswereld van de geest; het valt de geest voor de voeten die er vervolgens op af moet stappen om er iets mee te doen.
Gebeurtenissen kunnen van algemene en van persoonlijke aard zijn. De gebeurtenissen die van persoonlijke aard zijn, horen bij die persoon, zoals ook de tijdelijke persoonlijkheid, waarmee die persoon naar de aarde is gekomen, bij die persoon hoort. Persoonlijkheid en gebeurtenissen horen bij elkaar, tussen hen bestaat een wisselwerking. De persoonlijke gebeurtenissen dragen die levenservaring aan, die de persoon als persoonlijke lessen nodig heeft om, door de verwerking ervan, geestelijk door te kunnen groeien.
(terug naar index)

gedachte
De geest vormt door te denken een gedachte, wat een innerlijk lichtbeeld is. Dit lichtbeeld wordt een denkbeeld genoemd. Dit beeld wordt door de geest zelf door te denken in zichzelf gevormd. Vervolgens kan dat beeld door de geest in de ziel worden afgedrukt en daar bewaard als een gedachte in de vorm van een geheugenbeeld.
Door de denkarbeid kan de ene gedachte in een andere overgaan of kunnen meerdere gedachten met elkaar worden verbonden, waardoor een gedachtenloop of gedachtengang ontstaat, die ook redenering wordt genoemd.
Gedachten zijn de voortbrengselen van de werkzaamheid van het denkvermogen, zoals waarnemingen voortbrengselen zijn van het waarnemen, gevoelens van het voelen en wilshandelingen van het willen.
Voor de woorden 'gedachte' of 'denkbeeld' wordt ook wel het leenwoord 'idee' gebruikt, dat afkomstig is van het Griekse 'idea' met de betekenis: gestalte, vorm, mening, begrip; of 'eidos', met de betekenis: gestalte, vorm, begrip, voorstelling; of 'eidolon' met de betekenis: beeld, voorstelling. Het woord 'denkbeeld' echter geeft onmiddellijk aan wat er in de geest gebeurt: het is een beeld dat door te denken wordt gevormd.
(terug naar index)

geduld
Geduld is de geestestoestand waarin de geest zijn wilskracht zodanig beheerst, dat de geest kan 'dulden', kan toelaten of verdragen, dat bepaalde besluiten door uiterlijke omstandigheden nog niet kunnen worden uitgevoerd. De geest weet zich dan in te houden en kan lijdzaam toezien, dat de omstandigheden nog niet geschikt zijn om te handelen.
Geduld is het vermogen om te wachten met handelen of met het doen van uitspraken tot een meer geschikte tijd.
(terug naar index)

geest
De geest is het wezen als dat, wat ìs. De geest is de bewuste, vermogende levenskracht.
Aan het geestesoog doet de geest als bewuste kracht zich voor als een 'wolk van lichtende warmte', waarbij het licht samenhangt met 'het bewuste' en de warmte met 'de kracht'. Het geestelijke licht en de geestelijke warmte bevinden zich in een voortdurende toestand van beweeglijkheid, levendigheid. Deze beweeglijkheid in de geest is: het leven.
Zowel het licht als de warmte van de geest kunnen in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vrouwelijke, vormbare en in een mannelijke, zelfvormende toestand. Met deze eigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al waarnemend brengt de geest het licht in een vormbare toestand; al denkend brengt de geest het licht in een zelfvormende toestand; al voelend brengt de geest de warmte in een vormbare toestand; al willend brengt de geest de warmte in een zelfvormende toestand. Met deze vermogens kan de geest werkzaam zijn door een onderwerp waar te nemen, het waargenomene in zichzelf te overdenken en te doorvoelen, en daarop afgaande een besluit te willen uitvoeren.
Het woord 'geest' hangt samen met het oude ijslandse woord 'geisa': 'gutsen'; met 'geiser' als een regelmatig werkzame springbron; en met 'gist': het van leven bruisende. Voor het geestesoog ziet de geest er ook werkelijk zo uit. Het woord 'gist' betekent ook het 'wezenlijke'. Het woord 'geest' hangt ook samen met het Gotische woord 'usgeisnan' als datgene, wat kan 'uitgeesten', kan uittreden als zelfstandig wezen.
Zijn de geestelijke vermogens binnen de geest evenwichtig werkzaam, dan wordt de beweeglijkheid van het licht en de warmte gekenmerkt door een rustige kracht. Er is een krachtige bewogenheid en tegelijkertijd een diepe innerlijke rust, als de vermogens een geheel vormen van met elkaar samenwerkende en elkaar aanvullende tegendelen.
Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens straalt de geest een krachtveld uit om zich heen. De geest is de bron van dit krachtveld, waarbinnen de geest zelf woont. Dit krachtveld als uitstraling (aura) van de geest, is de ziel. De oorspronkelijke betekenis van het Gotische woord voor ziel, 'salida' is namelijk: woning, onderkomen, zaal.
De samenhang tussen geest en ziel is: de geest is als de bewuste, vermogende levenskracht de krachtbron; de ziel is de geestelijke uitstraling uit de geest als bron. In het begin van de eeuwenoude ontwikkeling is de ziel als geestelijke uitstraling eivormig, maar als de geest in de loop der tijden de eigen geestelijke vermogens heeft leren beheersen, neemt de ziel steeds meer de vorm aan van de geestgedaante. Deze geestgedaante is gevormd overeenkomstig de eigenschappen van de geestelijke vermogens. Het is de gedaante van de mens.
In de astrologie komt de betekenis van de Zon overeen met de geest, in de I Tjing (I Ching) de gezamenlijke betekenis van Tjièn (Qian) en Koen (Kun).
(terug naar index)

geest, etymologie
De etymologische beschrijving van de betekenis van het woord 'geest', komt volkomen overeen met wat met het geopende geestesoog daarover in de geestelijke wereld kan worden waargenomen.
Het Oudnederfrankisch vormt samen met Oudsaksisch en Oudfries de drie bronnen van de Nederlandse taal. Het Oudnederfrankische 'geist' betekent niet alleen 'geest', maar ook 'opgewonden zijn'; de woordstam 'ghei-' betekent: 'aandrijven', 'bewegen' en 'heisteren': 'drukte maken'. In het Middelnederlands hangen de woorden 'geeste', 'geste' en 'yeeste' met elkaar samen. Het Engelse woord 'yeast' betekent niet alleen het 'wezenlijke', maar ook 'gist'.
Het beeld van de werkzame geest hangt samen met de betekenis van 'gist'. Een gistende deegmassa zet uit, zwelt op en schuimt, en dat is een beeld van wat er met de geest gebeurt, als die door werkzaam te worden zijn innerlijke voortbrengselen om zich heen uitstraalt. 'Gist' betekent 'schuim' en het werkwoord 'gisten': 'schuimen', 'bruisen' en 'zieden', maar ook 'hartstocht', 'oproer', wat overeenkomt met de betekenis van 'geist'.
Het woord 'gist' hangt samen met het Oudindische 'yasyati': 'hij wordt warm', 'hij kookt', 'hij is woedend'. Voor het geestesoog wordt een woedende persoon inderdaad gekenmerkt door een heftige, onbeheerste bewogenheid van zichzelf als geest en van de uitstraling daarvan: de geest in die toestand 'bruist van leven', wat ook een betekenis is van 'gist'.
Voor mijn geopende geestesoog verscheen de geest als een 'bruisende bron'. De betekenis van het woord 'geest' hangt daardoor ook samen met het IJslandse werkwoord 'geysa': 'gutsen', 'regelmatig met kracht uitstromen' (letterverwisseling als 'geest' en 'guts' komt regelmatig voor bij woordafleidingen) en met het IJslandse 'geyser': een 'uit zichzelf werkzame springbron'. De geyser als stoffelijk verschijnsel op aarde is een treffend beeld van de zelfwerkzaamheid van de geest, als die zich met regelmaat naar buiten toe bruisend uit en daarna weer in zichzelf tot rust komt.
Met de 'geest' als 'springbron' hangt ook de oorspronkelijke betekenis van het woord 'bron' samen (oude vorm: 'born'); het is afkomstig van het Gotische 'brunna', dat: 'opwellend water', 'bruisen', 'zieden' en 'branden' (vergelijk de 'branding' van golven) betekent. Het werkwoord 'branden' komt van het Gotische 'brannjan', dat 'opborrelen', 'zich heftig bewegen' betekent, wat de beweeglijke eigenschappen van de warmte en het licht binnen de zelfwerkzame geest nauwkeurig weergeeft; de geest kan 'branden van ijver'. Het woord 'bron' hangt samen met het Latijnse 'fons' waar het woord 'fontein' van is afgeleid. De fontein is evenals de geyser een uitgesproken zinnebeeld van de geest.
Het woord 'geest' houdt bovendien verband met het Gotische 'usgeisnan', 'uitgeesten', met de betekenis van: datgene, wat kan 'uittreden' en zich in een geestgedaante aan het geopende geestesoog zichtbaar kan maken en schrik veroorzaakt. Hiervan uitgaande is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'geest': 1. het wezenlijke; 2. de uit zichzelf werkzame, levende bron, het van leven bruisende; 3. het brandende (het vuur); 4. datgene, wat (in onbeheerste toestand) kan woeden, hartstochtelijk kan zijn; 5. datgene, wat kan uittreden en daardoor blijk geeft een zelfstandige eenheid te zijn.
(terug naar index)

geest, de heilige
De heilige geest is een geestestoestand of verschijningsvorm van de geest, zoals ook de algeest dat is.
De algeest is God in de ongevormde oertoestand, waarin de geest zich voordoet als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Er is dan nog geen sprake van een geschapen vorm. Overal in zichzelf en in alle tijden kan God, door verdichting van Gods eigen licht en warmte in zichzelf als de algeest, zichzelf als een algeestvonk laten ontstaan. Deze algeestvonk is het algeestmiddelpunt, dat zich in de algeest als eeuwige oneindigheid overal kan bevinden. Met die bijzondere algeestvonk is de algeest onmiddellijk en in zijn geheel verbonden, doordat deze algeestvonk door verdichting uit de algeest is ontstaan en er naadloos en vloeiend in overgaat en mee blijft samenhangen.
De algeest en die algeestvonk zijn twee verschijningsvormen van één en dezelfde geest. Deze algeestvonk is de verpersoonlijking van de algeest. Deze algeestvonk verkeert blijvend in een zelfde volmaakte ontwikkelingstoestand als de algeest zelf en wordt daarom heilig - heel, volmaakt - genoemd. Dit in tegenstelling tot de menselijke geest, die ook een algeestvonk is, maar dan in een toestand van schijnbare afgescheidenheid, noodzakelijk voor de ontwikkeling van wat in aanleg in de menselijke geest aanwezig is als goddelijke eigenschappen: de geestelijke vermogens.
De heilige geest toont zich aan het geestesoog in de geestgedaante: de gevormde toestand. In de heilige geest is de algeest op persoonlijke wijze bij de menselijke geest aanwezig, als steun voor de geestelijke ontwikkeling naar heelheid, die de algeestvonk als mens nog moet doormaken.
De menselijke geest is zoals de heilige geest een verpersoonlijking van de goddelijke algeest, maar dan in aanleg, in wording. De menselijke geest is de 'nog niet heilige geest', die, onder leiding van God als heilige geest en Gods engelen, onderweg is naar het doel heilig te worden als de heilige geest zelf. Het doel is de leerling te laten worden als de meester.
De heilige geest van God is door Maria heen in een stoffelijke vorm op aarde geboren en zei van tevoren tegen haar 'Jezus' (Jehovashua, of Joshua, wat betekent: God redt) te willen worden genoemd. Als de heilige geest zich tot God richtte, noemde de heilige geest zichzelf de 'Godszoon'; richtte de aandacht zich tot de mensen, dan noemde de heilige geest zichzelf de 'Mensenzoon'. In het Hebreeuws heeft het woord 'zoon' o.a. de betekenis: hij, die iemand toebehoort.
Zoals Jezus is ook de menselijke geest een verpersoonlijking van de goddelijke algeest, maar dan tijdelijk in een stoffelijke vorm op aarde om er door de vrije keuze te oefenen geestelijk te kunnen groeien.
(terug naar index)

geestesgesteldheid
De geest wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van de geestelijke vermogens. De geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door de mate, waarin de geest erin is geslaagd een bewust en beheerst gebruik te maken van die geestelijke vermogens. De geestesgesteldheid geeft de toestand of de graad van ontwikkeling van de geestelijke vermogens weer.
In de onontwikkelde, driftmatige toestand maakt de geest een onbewust en onbeheerst gebruik van de vermogens; in de ontwikkelde, geestdriftige toestand heeft de geest een bewust, beheerst en evenwichtig gebruik leren maken van de vermogens. Tijdens de geestelijke ontwikkeling vindt er een omvorming van de geestesgesteldheid plaats, die loopt van onbewustheid en onbeheerstheid naar bewustheid en beheerstheid, van driftmatigheid naar geestdrift. Het is steeds dezelfde geest, alleen de gesteldheid van die geest verandert.
De geestesgesteldheid komt door uitspraken en gedrag in de persoonlijkheid tot uitdrukking en is daarin onmiddellijk te herkennen.
(terug naar index)

geestesoog
Het geestesoog is het waarnemingsvermogen van de geest. De geest kan in drie gebieden waarnemen: in de geestelijke wereld, in de binnenwereld van de ziel en - door de zintuigen heen - in de stoffelijke wereld.
Verbonden met de geestelijke wereld ziet de geest met het geestesoog onmiddellijk de bewoners ervan en hun levensomstandigheden, wat een helderziende waarneming wordt genoemd.
In de binnenwereld van de ziel schouwt de geest met het geestesoog op buitenzintuiglijke wijze de inhouden van de ziel. De inhouden van de ziel zijn aan de ene kant de gedachten, kennis, ervaringen en herinneringen, die daar als lichtbeelden aanwezig zijn; aan de andere kant is er ook de natuurgetrouwe afbeelding van de indrukken uit de buitenwereld, die door de zintuigen heen in de ziel worden afgebeeld en daar door de geest met het geestesoog worden waargenomen.
In het lichaam verblijvend, kan de geest de voorwerpen in de stoffelijke wereld waarnemen door de zintuigen heen. De zintuigen vangen de indrukken van de voorwerpen op, die door de zenuwen worden doorgegeven aan de hersenschors. Doordat de geprikkelde cellen van de hersenschors een krachtveldje om zich heen gaan uitstralen, wordt er een afbeelding van de voorwerpen in de vorm van een lichtbeeld in de ziel gevormd. Daar neemt de geest die afbeelding waar met het geestesoog.
(terug naar index)

geestgedaante
Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens, straalt de geest een vormbaar krachtveld (aura) om zich heen uit: de ziel. Ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin de voortbrengselen van dat vermogen worden bewaard, bijvoorbeeld kennis in de uitstraling van het waarnemen, gedachten in de uitstraling van het denken, kleuren in de uitstraling van het voelen, wilsbesluiten in de uitstraling van het willen.
De ziel bestaat uit zeven uitstralingen: vier van het waarnemen, denken, voelen en willen; twee van het vermogen de richting van hun werkzaamheid naar binnen of naar buiten te keren, en één uitstraling van de geest als geheel, nodig om de werkzaamheid van de overige zes tot een eenheid te maken en te houden.
In de loop van de onafzienbare tijden dat de menselijke geest al aan de geestelijke ontwikkeling werkt, heeft de geest steeds meer een bewust en beheerst, zelfstandig gebruik leren maken van de eigen vermogens, wat ook het doel is van die ontwikkeling. Daardoor hebben ook de eigenschappen van de vermogens ingewerkt op de uitstraling van de geest en hebben tot nu toe aan een aantal van die uitstralingen een vorm gegeven: de geestgedaante. Een deel van de ziel is gevormd als de geestgedaante, een deel is nog min of meer eivormig.
De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd; de eigenschappen van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik; de eigenschappen van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop; de eigenschappen van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan de skeletspieren en de ledematen; de eigenschappen van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen; de eigenschappen van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het daarmee verbonden zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam een geheel is en blijft.
De menselijke geestgedaante is de onmiddellijke uitdrukking van de eigenschappen van de geest en de geestelijke vermogens. Het is de meest verheven vorm; ook God verschijnt als heilige geest in de vorm van de geestgedaante voor het geestesoog.
In de stoffelijke wereld is het de geestgedaante die de stof vasthoudt, die door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in de stoffelijke wereld als het lichaam verschijnt. Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee in de stoffelijke wereld bewegingen kunnen worden gemaakt en kan worden gesproken en gehandeld.

De geest als bewuste, vermogende levenskracht is de scheppende vormkracht.
De ziel is het van de geest uitstralende vormbare krachtveld, waarin de geest de vóórtbrengselen van de vermogens vast kan houden.
De geestgedaante is het gevormde krachtveld, waarin de èigenschappen van de vermogens tot uitdrukking komen in een vorm.
Het lichaam is de vaste vorm door middel van de stof als de verdichtingstoestand van het licht en de warmte van de algeest (zie: stof), die door de geestgedaante vorm wordt gegeven.
Vanuit de eigenschappen van de geest als bewuste levenskracht en de daaruit voortkomende geestelijke vermogens, zijn alle verschijnselen in de schepping van de mens: geest, ziel, geestgedaante en lichaam als een volstrekt samenhangende eenheid te beschrijven.
Het uitgangspunt van de schepping is immers: God als de algeest.
Het al (en ook de mens) is daardoor: geest in de vorm van ...
(terug naar index)

geestkunde
Geestkunde is zelfkennis als de kennis van de geest van zichzelf.
Geestkunde als zelfkennis betreft de kennis van de eeuwige waarden en eigenschappen van de geest. Door deze kennis op zichzelf toe te passen, kan de geest de eigenschappen van zichzelf als geest verwerkelijken en zich vervolgens met de geestelijke oorsprong, de algeest, herenigen.
Geestkunde is een wetenschap (geesteswetenschap), omdat wie nu zichzelf als geest verwerkelijkt en tot hereniging komt, tot dezelfde ervaringen en wereldbeschouwing komt als zij, de mystici, die dit in het verleden hebben bereikt. Er is van wetenschap sprake als bepaalde veronderstellingen proefondervindelijk worden bevestigd en vervolgens anderen proefondervindelijk tot dezelfde slotsom komen.
Het unieke van geestkunde als wetenschap is, dat het de enige wetenschap is, waarbij het onderwerp van die wetenschap de onderzoekende geest zèlf is. Het bewijs van de waarde ervan is daardoor ook alleen door de naar wetenschap strevende geest ìn zichzelf te ervaren.
Het woord 'kunde' geeft aan dat het een wetenschap is, die kan worden toegepast, met als duidelijk ervaarbaar gevolg de omvorming van de eigen geestesgesteldheid. Een 'kundig' iemand beschikt niet alleen over kennis, maar ook over de bekwaamheid die kennis toe te passen.
Bij veel levensbeschouwingen wordt wel gesproken over het geestelijke licht, maar niet over de geestelijke warmte. De geestelijke warmte is de bron van het licht en die warmte is als kracht de kern van het al. De geest als bewuste levenskracht, die zich voordoet als lichtende warmte, is de grondslag. Kernachtiger dan dat, is er niets; dieper dan dat, gaat er niets; hoger dan dat, reikt er niets.
Naast geestkunde zijn er drie schrijvers, die uitgebreid en met elkaar overeenkomend over licht èn warmte schrijven: Jacob Lorber, Emanuel Swedenborg en Jan van Ruusbroec. Geestkunde vult hen aan en breidt hen uit door te laten zien, dat het licht en de warmte in twee, tegenovergestelde toestanden kunnen voorkomen: de ontvankelijke, vormbare, vrouwelijke toestand en de doordringende, zelfvormende, mannelijke toestand. Hiermee hangen de geestelijke vermogens samen:
waarnemen is vormbaar licht,
denken is zelfvormend licht,
voelen is vormbare warmte,
willen is zelfvormende warmte.
Met deze vermogens heeft de goddelijke algeest het al geschapen en met de eigenschappen van deze vier vermogens en hun in- en uitgekeerde instelling in de menselijke geest, is de betekenis van het al als een volstrekt samenhangende eenheid te begrijpen.
(terug naar index)

gehechtheid
Zie: bewuste vereenzelviging. (terug naar index)

geheugen
De oorspronkelijke betekenis van het woord 'geheugen' is: het geheel van gedachten.
Het geheugen als mogelijkheid om gedachten, kennis en ervaringen te bewaren, is een eigenschap van het vormbare krachtveld, dat de geest om zich uitstraalt: de ziel. Dit krachtveld is een vormbaar licht en de geest kan er de eigen gedachten als lichtbeelden in afdrukken. Hoe krachtiger de begrips- en gevoelsmatige verbinding is tussen de vermogens van de geest en de beelden in de ziel, hoe dichter zij bij de geest staan en hoe helderder en duidelijker zij zijn. Hoe zwakker de verbinding is, hoe verder zij wegzinken, tot de verbinding ophoudt te bestaan. De geest is die onderwerpen dan vergeten.
Afhankelijk van de verbondenheid met de geest, zijn er twee gebieden in de ziel: het toegankelijke en het ontoegankelijke geheugen. Het toegankelijke geheugen is dat gedeelte van de ziel, wat de bewaarplaats is van ervaringen, voorstellingen, gedachten en kennis die de geest willekeurig kan oproepen. Door waarneming kan de geest zich met de inhouden van het toegankelijke geheugen in verbinding stellen, ze daardoor met de eigen geestkracht belevendigen en ze zich vervolgens her-inneren: door waarneming weer in het innerlijk van de geest zelf brengen.
Het ontoegankelijke geheugen bevat verdrongen en vergeten inhouden die verband houden met het huidige bestaan. Daarnaast bevat dit deel van het geheugen alle ervaringen van vorige levens. Hoewel de geest ze nu niet kent, bevinden ze zich wel in de uitstraling van de geest en kunnen daardoor de geest onbewust beïnvloeden. Zij bepalen mede de innerlijke sfeer, waarin de geest leeft en daarmee de gemoedsgesteldheid.
De ervaringen 'komen' door de tijd als stroom van gebeurtenissen vanuit de toekomst 'op de geest toe'. In de geest worden zij opgenomen en verwerkt door de vermogens, waarna de verwerkte ervaringen doorstromen naar de ziel, waar zij in het geheugen worden bewaard. Van daaruit kijkt de geest weer naar de toekomst. Zo verbindt de geest het verleden met de toekomst en het heden. Als de geest deze stroom door zich heen kan laten gaan en aandacht en toewijding er niet aan hecht, blijft de geest zelf verankerd in het eeuwige nú.
(terug naar index)

geloof
Het geloof is het gevoel van vertrouwen dat de geest heeft in dat deel van de eigen gedachtenwereld, dat nog op aannames berust. De geest heeft dan een vast vertrouwen in de waarde ervan. Van dat gedeelte van de gedachtenwereld, dat op persoonlijke ervaring berust, wéét de geest de waarde. Dat is daardoor wetenschap geworden.
Door het geloof, dat een toestand van vertrouwen is in bepaalde gedachten die de vorm van een leer hebben gekregen, wordt er niet meer zelfstandig over die gedachten nagedacht. Integendeel, die gedachten, die leer wordt krachtig verdedigd en gehouden zoals die is, want die leer is immers de grondslag van het gevoel van zelfvertrouwen. Daardoor ontstaat gehechtheid aan die gedachten, gehechtheid aan de leer en gehechtheid aan het 'geloof'. Die leer wordt vervolgens aanbeden als het hoogste goed.
Die gehechtheid is er weer de oorzaak van dat het eigen geloof krachtig wordt verdedigd tegenover andere geloven. Deze worden alleen maar als een bedreiging gezien voor het eigen gevoel van vertrouwen, dat immers afhankelijk is van het eigen geloof in de aanbeden leer. Daardoor kan geloof wantrouwen, onverdraagzaamheid, verwijdering, strijd en uiteindelijk oorlog veroorzaken. Geloof leidt tot stilstand en dood.
Wetenschap echter, zoals geestkunde als geesteswetenschap, is altijd op zoek naar nieuwe ervaringen en inzichten. Het is namelijk een vreugde om eraan te werken een wetenschap steeds meer in overeenstemming te laten komen met de waarheid van de ervaarbare werkelijkheid. Daardoor blijft die wetenschap in een toestand van ontwikkeling en levendigheid. Dat geldt zowel voor de geestelijke alsook voor de stoffelijke werkelijkheid. Het is de waarheid van de ervaarbare werkelijkheid die vervolgens gevoelens van blijdschap en vertrouwen in die inzichten tot gevolg heeft. Geesteswetenschappen staan open voor verandering en verbetering en hebben daardoor nooit strijd tot gevolg, noch leiden zij op een dood spoor zoals geloof.
(terug naar index)

geluid
De menselijke geest is in de ongevormde oertoestand een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte doen zich aan het geestesoog voor als een zacht trillende, beweeglijke toestand. Dit is, wat leven wordt genoemd.
Door de trillende toestand is er in het licht en de warmte sprake van vormbaarheid, zowel van binnenuit als van buitenaf. Van binnenuit oefent de geest een zelfvormende, scheppende werkzaamheid uit op zichzelf als lichtende warmte; en de geest kan zich ontvankelijk en vormbaar openstellen voor inwerking van buitenaf. Met de zelfvormende en vormbare eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al waarnemend stelt de geest het licht vormbaar open voor inwerking van buitenaf, waardoor in de geest lichtbeelden als ervaringsbeelden worden gevormd; al denkend vormt de geest het eigen licht tot lichtbeelden, die dan denkbeelden zijn; al voelend stelt de geest de warmte open voor inwerking van buitenaf, waardoor de warmtetoestand, wat dan de gemoedsgesteldheid is, in overeenstemming komt met de buitenwereld; al willend vormt de geest de eigen warmtetoestand, wat dan een krachttoestand is, zodanig om, dat de geest in staat is de eigen gedachten en gevoelens in uitspraken en handelingen vorm te geven.
Een geestelijk vermogen doet zich in de geest voor als een trilling; een trilling van licht of van warmte. Doordat het licht trilt en daardoor beweeglijk is, kan de geest verdichtingen en verdunningen van licht in zichzelf of door inwerking van buitenaf laten plaatsvinden, waardoor het licht op sommige plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Zo kunnen lichtbeelden worden gevormd. Een 'beeld' is dat, wat wordt gezien.
Door de toestand van onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met de buitenwereld, ziet de geest met het geestesoog nauwelijks of niet deze lichtbeelden in zichzelf. Voor de onbewust vereenzelvigde geest lijkt het eigen innerlijk daardoor een donkere leegte; een innerlijke leegte die met het geestesoog wordt ervaren als de stoffelijke ogen worden gesloten voor de buitenwereld.
Het geestelijke licht komt voort uit de geestelijke warmte, als dat voldoende beweeglijk is geworden. De geestelijke warmte is ook een trilling. Als de geest een taal heeft geleerd, dan doet de trilling van de warmte zich aan het geestesoor voor als een geluid. Een 'geluid' is dat, wat wordt gehoord. De vorm van dat geluid komt overeen met de betekenis van het wel gevormde, maar min of meer onzichtbare lichtbeeld: de gedachte of de ervaring.
Een gedachte komt tot klinken in het innerlijk van de denkende geest. Het denken is niet als een lichtbeeld ervaarbaar voor de denkende geest, maar wel als de alleenspraak, waarmee de denkende geest de gedachten in zichzelf benoemt in de vorm van woorden. Aan het in zichzelf tot klinken komen van de eigen gedachten als woorden, kan de geest onmiddellijk de eigen denkwerkzaamheid, de werkzaamheid van het denkvermogen, herkennen.
In het huidige tijdperk, waarin de menselijke geest het verst van God is verwijderd, is de klank van het woord dat de geest in zichzelf vormt door te denken, de enige aanwijzing, waaraan de geest zichzelf, in de vorm van de werkzaamheid van het denkvermogen, onmiddellijk kan herkennen.
(terug naar index)

geluk
Geluk is een gevoel van welbevinden dat ontstaat, wanneer de geest een bepaald doel heeft bereikt of een bepaalde taak heeft volbracht. De opzet is dan gelukt, de geest kan zich gerust voelen en dat veroorzaakt het geluksgevoel.
Doordat geluk een gevóel van geluk is, is het een gemoedstoestand ìn de geest zelf. Geluk is daardoor alleen in de geest zelf te vinden en de geest kan alleen volkomen gelukkig zijn, wanneer de geest gelukkig is met zichzelf.
In het aardse, tijdelijke bestaan is het geluksgevoel min of meer vergankelijk. Daarbij geldt dat hoe meer de geest voor het geluksgevoel afhankelijk is van anderen, van aardse omstandigheden of van bezit of macht, hoe vergankelijker en brozer dat geluk is. Hoe meer de geest echter onafhankelijk is van iemand of iets anders en hoe meer de geest dat geluk in zichzelf vindt, hoe duurzamer het geluk is.
Duurzaam geluk vindt de geest door het doel van het bestaan op aarde te verwerkelijken. Dit doel is een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de eigen, geestelijke vermogens door zoveel als mogelijk is de wederwaardigheden, die in de loop van de tijd op de geest toekomen, te aanvaarden en te verwerken.
De wezenlijke eigenschappen van zichzelf als geest zijn die geestelijke vermogens. De geestelijke vermogens - het waarnemen, denken, voelen en willen, die kunnen zijn ingekeerd tot zichzelf en uitgekeerd naar buiten - zijn de kerneigenschappen waardoor de geest wordt gekenmerkt. Het enige wat de geest kan doen, is door middel van de werkzaamheid van de eigen, geestelijke vermogens. Deze werkzaamheid moet de geest echter in zichzelf leren ontplooien door de dagelijkse ervaringen te verwerken.
Is de geest erin geslaagd de werkzaamheid van de geestelijke vermogens volledig in zichzelf tot ontwikkeling te brengen, dan heeft de geest zichzelf verwerkelijkt. De geest heeft dan zichzelf tot een werkelijkheid gemaakt, tot dat, wat werkt. De geest heeft dan een ontwikkelingstoestand bereikt, van waaruit hij of zij zelfstandig en uit zichzelf scheppend werkzaam kan zijn.
Het doel van het bestaan als zelfstandige persoon is dan bereikt. Het is gelukt de bijzondere opdracht van de menselijke geest in dit bestaan te volbrengen. Die opdracht is zichzelf te ontwikkelen door zelfstandig keuzes te maken door de eigen vermogens bewust en begeerst te gebruiken. Door die ontwikkeling is de geest geheel zichzelf geworden. Daardoor ontstaat een innerlijke toestand van weerbaarheid tegenover de dagelijkse wederwaardigheden. Er is een innerlijk evenwicht ontstaan, dat door niets meer kan worden verstoord en mocht dat toch nog eens gebeuren, dan is dat evenwicht ook snel weer hersteld. Met die innerlijke evenwichtstoestand van zichzelf voelt de geest zich gelukkig.
In de zichzelf geworden geest is de werkzaamheid van de tot ontwikkeling gekomen vermogens herkenbaar als het geweten en de deugden. De vermogens komen in het gedrag tot uiting als de zin voor schoonheid van het waarnemen, het streven naar wijsheid van het denken, de liefde van het voelen en de vastberadenheid van het willen. De uitgekeerde instelling doet zich voor als de gemeenschapszin, de ingekeerde als bezonnenheid. Dit zijn de eigenschappen van de gelukkige geest.
Doordat de geest de eigen vermogens bewust en beheerst heeft leren gebruiken, heeft de geest een volstrekt vertrouwen gekregen in zichzelf. Dit gevoel van zelfvertrouwen is de grondslag van een duurzaam geluksgevoel.
Het enige wat de geest aan het einde van het tijdelijke bestaan mee kan nemen naar de geestelijke wereld, is de ontwikkelingstoestand van zichzelf, van de eigen, geestelijke vermogens. Daardoor kan ook alleen geestelijke ontwikkeling als het bewust en beheerst gebruik leren maken van de geestelijke vermogens, een blijvende zin aan het tijdelijke bestaan op aarde geven en voor duurzaam geluk zorgen. Ieder geluk dat afhankelijk is van tijdelijke zaken gaat altijd gepaard met een - al dan niet verdrongen - angst dat tijdelijke eens te zullen verliezen of los te moeten laten, wat het geluksgevoel onzeker maakt en daardoor verstoort.

Is de geest er, naast de ontwikkeling van de geestelijke vermogens, ook in geslaagd de hereniging met zijn of haar geestelijke begeleiders in de geestelijke wereld tot stand te brengen, dan is de geest volkomen zelfstandig geworden. De geest is dan in zichzelf gelukkig geworden doordat het uiteindelijke doel, de geestelijke zelfstandigheid èn de hereniging met de grondslag, is bereikt. De geest is voor het geluksgevoel daardoor onafhankelijk geworden van wie of wat ook in de tijdelijke wereld, doordat de geest zijn of haar grondvest heeft gevonden in zichzelf en in de oorsprong van zichzelf, God als de algeest.
(terug naar index)

gemoed
Het gemoed is de geest als het vermogen om te voelen; het gemoed is de geest als het (geestelijke) hart.
In sommige levensbeschouwingen wordt wel gesteld dat het 'gemoed' gelíjk is aan de geest. In plaats van de geest wordt dan het gemoed als de zelfstandigheid beschreven, die werkzaam is met behulp van de geestelijke vermogens, bijvoorbeeld: het gemoed denkt, het gemoed wil. Dit berust op de eenzijdige vereenzelviging van de geest met één van de vermogens, in dit geval het voelen. Dit is eenzelfde soort van eenzijdigheid als die, waarbij wordt gesteld dat de geest gelijk is aan het denken.
De ervaarbare werkelijkheid is dat de geest de bewuste levenskracht is, die zowel kan denken als voelen; terwijl met het bewust zijn van de bewuste levenskracht het waarnemen en met de levenskracht het willen samenhangt.
(terug naar index)

gemoedstoestand
De gemoedstoestand is een geestestoestand of geestesgesteldheid, die wordt gekenmerkt door de hoedanigheid van het gevoel.
Hoe de geest zich voelt, hangt samen met de toestand waarin de geestelijke warmte in de geest verkeert. Is er sprake van warmte en een evenwichtige werkzaamheid van de vermogens, dan voelt de geest zich goed, vredig; het hart is gerust. De geest kan dan warme gevoelens voor iemand koesteren.
Is de gemoedstoestand koel en is er wel een rustige werkzaamheid van de overige vermogens, dan kan het gedrag afstandelijk, zakelijk, berekenend zijn. De verstandhoudingen kunnen worden gekenmerkt door koelheid.
Is er sprake van een koele gemoedstoestand en een onevenwichtige werkzaamheid van de vermogens, dan voelt de geest zich angstig, weifelend, onzeker.
Is de gemoedstoestand verhit en zijn de vermogens onevenwichtig werkzaam, dan voelt de geest zich boos, geërgerd, woedend. De geest wordt 'heethoofdig' en er ontstaan verhitte gesprekken.
(terug naar index)

geslacht
Het geslachtelijke als verschijnsel vindt zijn oorsprong in de eigenschappen van de geest. Het geestelijke licht en de geestelijke warmte kunnen namelijk in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vormbare, ontvankelijke, vrouwelijke toestand en in een zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand. Het waarnemen en voelen zijn daardoor de vormbare, vrouwelijke vermogens; het denken en willen zijn de zelfvormende, mannelijke vermogens. Voor het geestelijke evenwicht zijn alle vier vermogens gelijkwaardig en onmisbaar.
De menselijke geest is uit de goddelijke algeest geboren als een tweeling: een mannelijke en een vrouwelijke geest, die onafscheidelijk bij elkaar horen: de tweelinggeesten. In de mannelijke geest is de volgorde van de geestelijke werkzaamheid: waarnemen, dènken, voelen, willen; de nadruk valt daardoor op het denken. In de vrouwelijke geest is de volgorde van de geestelijke werkzaamheid: waarnemen, vóelen, denken, willen; de nadruk valt daardoor op het voelen.
Zowel de mannelijke als de vrouwelijke geest zijn werkzaam, maar zij werken ieder op een eigen wijze. Door de eigenschappen van het denken wordt de werkzaamheid van de mannelijke geest gekenmerkt door arbeiden: het werken aan kennis, zaken en dingen; door de eigenschappen van het voelen wordt de werkzaamheid van de vrouwelijke geest gekenmerkt door zorgen: het werken voor het welzijn van de geesten in mensen, dieren en planten.
In het tijdelijke bestaan kan een mannelijke geest in een vrouwelijke stoffelijke vorm wonen en omgekeerd. Dit om het andere geslacht goed te leren kennen. Bovendien kan in de tijdelijke persoonlijkheid waarmee de geest op aarde komt, bij een mannelijke geest een vrouwelijk vermogen de nadruk hebben gekregen en omgekeerd. Door dit verschijnsel ontstaat veel verwarring over het mannelijke en het vrouwelijke en kan de uitspraak worden gedaan, dat er geen wezenlijk verschil is en dat beide aan elkaar gelijk zouden zijn.
Het woord 'geslacht' hangt samen met de werkwoorden 'slaan' en 'klieven'. Het geeft aan dat iets, wat in wezen een eenheid is, in tweeën is gedeeld (zie ook: tegendelen).
(terug naar index)

gespannenheid
Gespannenheid is een krachtsophoping binnen de geest, die tot ontlading zou moeten komen in een uitspraak of handeling, maar wat door de omstandigheden wordt verhinderd.
De menselijke geest is in zichzelf werkzaam met behulp van de geestelijke vermogens, door gebeurtenissen om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens te willen handelen naar de door het denken en voelen gevormde wilsbesluiten. Door een uitspraak te doen of door te handelen vloeit de geestkracht naar buiten uit en kan de geest inwerken op de gebeurtenissen, die daardoor een andere richting krijgen. De handelende geest wil nu blijven zien (waarnemen) of de gevolgen van de uitspraaken of handelingen (willen) in overeenstemming zijn met de overdenkingen en doorvoelingen.
Daardoor ontstaat er in de geestelijke werkzaamheid een kringloop van uitwendige gebeurtenissen en innerlijke, geestelijke werkzaamheid. Gebeurtenissen zetten de geest aan tot werkzaamheid, waardoor de geest invloed kan uitoefenen op de loop van die gebeurtenissen, wat de geest dan weer wil volgen door die veranderingen waar te willen nemen.
Wanneer de gedachten en gevoelens door remmende omstandigheden niet kunnen uitvloeien in een bevrijdende en daardoor ontspannende handeling, blijft de geest met die gedachten, gevoelens en wilsbesluiten zitten. De kringloop van uitwendige gebeurtenissen en innerlijke, geestelijke werkzaamheid wordt verstoord. Alleen de innerlijke werkzaamheid blijft over.
Dat heeft tot gevolg dat gedachten en gevoelens nu alleen in de geest in een kringloop gaan ronddraaien. Iedere keer zetten dezelfde gedachten en gevoelens de wilskracht weer aan om te handelen. Zolang dat handelen door de omstandigheden wordt verhinderd, blijven de gedachten en gevoelens levend en hoopt de wilskracht die bij die gedachten en gevoelens hoort, zich op, doordat de geest iets wil, maar het niet kan doen. Dat zich ophopen van ongebruikte geestkracht is de oorzaak van innerlijke gespannenheid.
(terug naar index)

gesprek
Een gesprek is een uitwisseling van gedachten en gevoelens. Een goed gesprek is daardoor een samenspraak. Het is een evenwicht tussen spreken en luisteren, een samen denkend en voelend bezig zijn met hetzelfde onderwerp, waardoor een gezamenlijke gedachtengang of gevoelshouding kan ontstaan of de standpunten met eerbied voor elkaar uiteen kunnen worden gezet.
Een goed gesprek is in feite een voortdurende oefening van al de geestelijke vermogens. Het kan zo'n oefening zijn wanneer goed en rustig wordt geluisterd, en wordt getracht de woorden van de ander zuiver waar te nemen door rustig op zich in te laten werken wat er wordt gezegd en hoe dat gebeurt. Pas als dat goed is doorgedrongen, wordt ertoe overgegaan het gezegde onbevooroordeeld te overdenken en het gevoel te laten werken door ze ook gevoelsmatig tot zich toe te willen laten. Terwijl dat wordt gedaan, wordt getracht datgene wat er is gezegd te eerbiedigen als iets, wat de uiting is van de geest in een ander mens. Het gesprek kan daarna voortgang vinden door de eigen gedachten en gevoelens als antwoord onder woorden te willen brengen.

Wanneer de ander dingen verkondigt die niet geheel overeenkomen met de eigen denkwijze of die tegen eigen gevoelens indruisen, moet toch worden getracht rustig en beheerst aan te horen wat de ander heeft te zeggen. Daarbij wordt het al moeilijker zichzelf vrij te houden van opkomende gedachten en daarnaast de eigen gemoedsrust te bewaren. Om een goed gesprek gaande te houden, moet worden getracht te voorkomen dat het gezegde in de ziel meteen onder de eigen gedachten en gevoelens wordt bedolven, waardoor nauwelijks meer naar de ander kan worden geluisterd of de aandrang kan worden beheerst hem of haar met de eigen mening in de rede te vallen.
Als de geest door gehechtheid niet vrij staat tegenover de eigen meningen, kan de houding ontstaan de woorden van de ander niet in hun waarde te laten. De geest is dan integendeel geneigd om wat wordt gehoord te veranderen, te verbeteren of er iets tegenin te brengen, om zo de uitspraak van de ander aan de eigen mening ondergeschikt te maken; of om in ieder geval het laatste woord te hebben. Deze behoefte zou echter kunnen voortkomen uit een geheime twijfel aan zichzelf en een verdrongen angst, dat de mening van de ander waardevoller zou kunnen zijn dan die van zichzelf; of dat de ander iets zou kunnen gaan zeggen, waar zelf nog niet eens aan is gedacht. Toegeven dat de ander iets zinnigs of waardevols zegt, stelt de geest in feite onder de ander en dat zou een verborgen minderwaardigheidsgevoel wakker kunnen maken - de oorzaak van de neiging om nooit eenvoudig eens iets te kunnen bevestigen of met de ander in te stemmen.

De meeste misverstanden ontstaan, doordat niet goed naar elkaar wordt geluisterd of dat zelfs helemaal niet wordt gedaan - terwijl luisteren voor een goed gesprek even belangrijk is als spreken. Een gesprek is immers een onderlinge uitwisseling van gedachten en gevoelens, met het doel de ander te leren kennen. De geest is daarbij pas in staat die denkbeelden en gevoelens naar voren te brengen die met het onderwerp hebben te maken, als het onderwerp van gesprek, door goed te luisteren, zuiver is waargenomen. Alleen daardoor kan de loop van het gesprek als een zinvolle uitwisseling gaande blijven.
Om een gesprek goed te laten verlopen, moet worden getracht zich erin te oefenen de ander geheel uit te laten spreken, ook al brandt er een weerwoord op de lippen. Iemand het woord ontnemen door hem of haar ruw in de rede te vallen, is een uiting van het ongeduld van de eigen onbeheerste geestesgesteldheid. Tracht aandacht over te hebben voor de ander, door de ander met belangstelling vragen te stellen, in plaats van alleen over zichzelf te willen vertellen. Tracht er steeds bewust van te zijn of de eigen woorden wel van belang zijn voor het gehoor. Tracht te voorkomen dat er een vraag wordt gesteld met de geheime bijbedoeling zelf uitgebreid over dat onderwerp te kunnen vertellen. Heeft iemand het woord, dan moet erop worden gelet dat het gesprek niet ontaardt in een alleenspraak - wat geen gesprek, maar een toespraak is. De ander krijgt dan niet de gelegenheid zijn of haar bijdrage aan het gesprek te leveren. Daaruit zou bovendien een gebrek aan vertrouwen in de verstandelijke vermogens van de toehoorders kunnen blijken en eveneens gebrek aan eerbied voor hun persoonlijkheid.
Als de geest zich door zuiver te willen waarnemen openstelt voor de omgeving, dan stelt de geest zichzelf kwetsbaar op. Anderen zouden - bewust of onbewust - misbruik kunnen maken van de bereidwilligheid tot luisteren. Als de geest echter de hereniging met de gezamenlijke, geestelijke bron heeft bewerkstelligd, dan is de wezenlijke, duurzame grondslag voor zichzelf als geest verkregen. Vanuit die geestesgesteldheid kan in alle rust voortdurend worden opengestaan voor medemensen om een klankbord voor hen zijn.
(terug naar index)

gevoel
De geest vormt door te voelen een gevoel. Een gevoel is een gemoedstoestand in de geest zelf. Deze gemoedstoestand doet zich voor als een toestand van de geestelijke warmte binnen de geest. De geest ervaart de eigen warmtetoestand als een gevoel, als een stemming.
Het gevoel kent twee hoofdgroepen, die tegendelen van elkaar zijn: gevoelens van instemming en ontstemming.
Gevoelens van instemming zijn bijvoorbeeld: vreugde, liefde, hoogachting, vriendschappelijkheid, medegevoel, dankbaarheid, vertrouwen, hoop, vrede.
Gevoelens van ontstemming zijn de tegendelen daarvan, in volgorde: verdriet, haat, minachting, vijandigheid, onverschilligheid, ondankbaarheid, angst, wanhoop, boosheid.
Een gevoel kan alleen in de geest zelf worden ervaren en zetelt daarom ook alleen in de geest. Een gevoel kan niet in de ziel worden vastgehouden in het geheugen. In de ziel verschijnt wel een kleur als de uitstraling van de gemoedstoestand van de geest en een geheugenbeeld van de omstandigheden, waarin bepaalde gevoelens werden ervaren. Als de geest zich deze omstandigheden weer herinnert, dàn komt de geest zelf weer in de ermee samenhangende gemoedstoestand.
Gevoelens zijn de voortbrengselen van de werkzaamheid van het voelen, zoals waarnemingen voortbrengselen zijn van het waarnemen, gedachten van het denken en wilshandelingen van het willen.
(terug naar index)

gewaarwording
Een gewaarwording is een bewustwording die ontstaat, doordat een zintuiglijke prikkel door de ziel heen de aandacht van de geest trekt.
Een gewaarwording is een bewustwording die de geest van buitenaf overkomt. De geest is met het lichaam verbonden doordat de geest in de hersenen van het lichaam woont; maar daardoor is de geest ook overgeleverd aan de werking van de zintuigen, die nu eenmaal altijd open staan om indrukken vanuit de buitenwereld op te nemen en door middel van de hersenen door te geven aan de ziel, het vormbare krachtveld van de geest. In de ziel móet de geest de indrukken waarnemen, zeker als het een krachtige indruk betreft, zoals pijn. Daardoor wordt de aandacht van de geest op een bepaald onderwerp gevestigd of de geest nu wil of niet.
Een gewaarwording is daardoor een onwillekeurige bewustwording, terwijl een waarneming een bewustwording is die willekeurig ontstaat, doordat de geest een bewust en beheerst gebruik wil maken van het waarnemingsvermogen, na al denkend en voelend te hebben besloten de aandacht op een bepaald onderwerp te willen richten.
Gewaarworden is zich bewust worden doordat de geest van een bepaald onderwerp een gewaarwording 'krijgt'; waarnemen is zich bewust worden doordat de geest een bepaald onderwerp waar wil 'nemen'. Gewaarworden is een lijdzaam ondergaan; waarnemen is een wilshandeling. Gewaarworden is daardoor geen geestelijk vermogen; gewaarworden is een uiterlijke dwang die op een geestelijk vermogen - het waarnemingsvermogen - wordt uitgeoefend.
(terug naar index)

geweten
Als de geest de vermogens tot ontwikkeling brengt door ze bewust en beheerst te leren gebruiken, dan ontplooit zich ook een bijzondere eigenschap van de vermogens. Het is het vermogen om de werkzaamheid van de vermogens niet alleen te richten op een ander of op een bepaald onderwerp buiten de geest, maar die werkzaamheid ook op zichzelf te richten en de eigen werkzaamheid als onderwerp van beschouwing, overdenking en doorvoeling te nemen. Daardoor blijft het weten van de geest niet beperkt tot het uiterlijke, maar gaat het weten zich ook uitstrekken tot het innerlijke, waardoor het weten tot een geheel wordt, een geweten (zoals ook het geheugen het geheel is van wat men zich kan heugen).
Het geweten is geestelijke zelfbespiegeling en zelfbeheersing. In de ingekeerde instelling zijn de vermogens dan werkzaam als zelfbeschouwing (waarnemen), redelijke (denken) en zedelijke (voelen) zelfbeoordeling en zelfbeheersing (willen). Dit is mogelijk doordat de geest de eigen geestelijke werkzaamheid weer op het eigen denken, voelen en willen kan richten en zo ook de waarde van de èigen werkzaamheid - tegelijkertijd of achteraf - kan beoordelen: de gewetensvolle zelfbeoordeling.
De gewetensvolle geestesgesteldheid begint met de vraag: "Wat heb ik gedaan?", "Hoe heb ìk mij tegenover de ànder gedragen?" Door de aandacht op de ander te richten en zich met het eigen voelen in de ander te verplaatsen, kan de geest zèlf ervaren wat er door het eigen gedrag de ànder is aangedaan. Door deze gewetensvolle houding aan te nemen, strekt het weten zich niet alleen uit tot zichzelf, maar ook tot de ander. Daardoor wordt het weten een 'geheel', het weten wordt een 'ge-weten'.
Kan de geest door de gewetensvolle beoordeling van het eigen gedrag ermee instemmen, dan is de geest door het geweten te gebruiken gerustgesteld. Er ontstaat dan gemoedsrust. Kan de geest na een gewetensvolle beoordeling van zichzelf niet met het eigen gedrag instemmen, dan 'gaat het geweten spreken': het geweten als de zelfbeoordeling blijft werkzaam en is niet tot zwijgen te brengen.
Gaat het geweten spreken, dan kan de geest in een strijd met zichzelf verwikkeld raken: de gewetensvolle zelfstrijd. Als de geest daarbij naar de gewetensbezwaren luistert, komt het tot een toestand van zelfverwijt: het besef iets te hebben misdaan. De geest voelt zich dan schuldig ten opzichte van zichzelf en schaamt zich ten opzichte van de gemeenschap.
Na een gewetensvolle zelfbeoordeling van het gedrag kan de geest in een gemoedsgesteldheid van berouw komen te verkeren. Berouw is een pijnlijke bewustwording van eigen feilbaarheid, een gevoel van minachting voor zichzelf. De geest voelt dan spijt zich op een bepaalde wijze te hebben gedragen en veroordeelt het eigen gedrag. Berouw leidt tot de onbedwingbare behoefte om schuld te vereffenen en te boeten, weer goed te maken, wat is misdaan.
Door het geweten - als een van de hoogste vormen van tot ontwikkeling gekomen vermogens - is de menselijke geest een volkomen zichzelf regelende eenheid geworden, die zichzelf de wet stelt. Alles wat de menselijke geest in deze toestand doet, is goed ten opzichte van God en medeschepselen.
Zie ook: deugden.
(terug naar index)

gezin
Het woord 'gezin' hangt samen met het werkwoord 'zenden' en betekent: zij, die samen gezonden zijn; zij, die gezamenlijk onderweg zijn. De betekenis van het gezin hangt samen met de oorsprong van Gods schepping.
Aan de ervarende menselijke geest doet de ongeschapen oertoestand van de algeest zich voor als een geestestoestand van diepe, weldadige rust. Deze rust doet zich aan het geestesoog voor als een toestand van aangename, donkere koelte. Vanuit deze rusttoestand van donkere koelte ontwikkelt zich vervolgens een beweeglijke toestand. Deze beweeglijkheid doet zich voor als een lichtende warmte. Daarna verenigt deze lichtende warmte zich weer met de donkere koelte, waar hij eerst uit is voortgekomen. Het licht van de lichtende warmte doordringt daarbij de donkerte en de warmte doordringt de koelte.
Het gevolg van deze vereniging is een nieuwe toestand, een tussentoestand die een evenwicht is tussen licht en donkerte en tussen warmte en koelte. Deze tussentoestand doet zich weliswaar voor als een lichtende warmte, maar dan als een, die de eigenschappen van de donkere koelte in zich heeft opgenomen. Deze nu àlle eigenschappen in zich bevattende lichtende warmte is alomtegenwoordig, het is een oneindige zee van licht en warmte; het is met andere woorden de algeest in de toestand, waarin alle geestelijke eigenschappen werkzaam zijn geworden.
In de algeest als die alomtegenwoordige, lichtende warmte, bevindt zich als een gevolg van de vereniging ook de menselijke geest en wel in de vorm van een brandpunt, een vonk van datzelfde geestelijke licht en diezelfde geestelijke warmte. Dit brandpunt is voortgekomen uit de vereniging van de donkere koelte met de aanvankelijk daaruit voortgekomen lichtende warmte, door verdichting van het licht en de warmte in de tussentoestand. Doordat de menselijke geest door verdichting uit de goddelijke algeest is ontstaan, is er een naadloze overgang tussen de menselijke geest en de algeest. In dit brandpunt van licht en warmte ervaart de menselijke geest zichzelf als zijnde de 'bewuste levenskracht'.
De donkere koelte is zoals gezegd doordringbaar en de lichtende warmte doordringend. Doordringbaarheid is de vrouwelijke eigenschap van de geest en doordringing de mannelijke eigenschap. Deze beide eigenschappen zijn door de vereniging van de donkere koelte en de aanvànkelijke lichtende warmte ook aanwezig in de eruit voortgekomen tùssentoestand van lichtende warmte. Daardoor doordringen ook de algeest en de menselijke geest als het brandpunt elkaar wederkerig: de algeest is in de menselijke geest en de menselijke geest is in de algeest.

Deze geestelijke toestanden van licht en warmte hebben geen bepaalde vorm. Zij doen zich vormloos voor als enkel tóestanden van licht en warmte, donkerte en koelte. Deze eigenschappen kunnen evenwel ook in een bepaalde vorm verschijnen, waardoor zij (in de geestelijke wereld) ervaarbaar worden als een bepaalde geestgedaante.
De doordringbare rust van de donkere koelte, als de vrouwelijke eigenschappen van de geest, doet zich dan voor in de geestgedaante van de goddelijke moeder.
De doordringende beweeglijkheid van de lichtende warmte, als de mannelijke eigenschappen van de geest, doet zich dan voor in de geestgedaante van de goddelijke vader.
Uit hun beider vereniging, die zich in de vormloze toestand voordoet als de lichtende warmte van de algeest, wordt ook door verdichting het brandpunt van die lichtende warmte geboren. Dit brandpunt doet zich in een geestgedaante voor als hun beider goddelijke kind, de menselijke geest.
Uit God als de goddelijke vader en moeder wordt echter niet één kind geboren, maar twee. Uit God als vader en moeder wordt, als uitdrukking van hun beider geslacht, een tweelinggeest geboren als een goddelijke zoon en goddelijke dochter. Voor elkaar zijn zij broeder en zuster. Zo zijn de ontelbare geesten van de mensheid als tweelinggeesten uit God geboren.
Deze goddelijke vader, goddelijke moeder en deze goddelijke kinderen vormen samen de 'godheid'. De godheid is 'al het goddelijke'. God doet zich binnen de godheid voor als de geestelijke vader en de geestelijke moeder; de menselijke geesten als hun beider kinderen doen zich binnen de godheid voor als hun godenkinderen. De godheid is daarom in wezen een gezin: de godheid als vader, godenkinderen, moeder. Dat betekent dat de menselijke geest 'de godheid als het kind' is.
De menselijke geest, als zijnde 'de godheid als het kind', moet, omdat deze geest een kind is, een ontwikkeling naar volwassenheid doormaken om redenen van de liefde (zie: schepping, liefde oorzaak van de). Deze geestelijke ontwikkeling naar volwassenheid is mogelijk door de geestelijke vermogens en door de opvoeding van die vermogens, die plaats kan vinden door de wisselwerkingen in het gezin.
Het verschijnsel 'gezin' in het tijdelijke bestaan is als begrip de onmiddellijke uitdrukking van de oorsprong van de schepping. Vader en moeder, zoon en dochter beelden samen de oervorm van samenleving uit als het gezin, de grondslag van Gods schepping.
Het tijdelijke huwelijk en het gezin dat man en vrouw op aarde kunnen vormen, is een leerschool. Deze leerschool is bedoeld om de menselijke geest - bestaan na bestaan - steeds weer in de gelegenheid te stellen, kennis te laten maken met het goddelijke gezin als oervorm van goddelijke scheppingskracht en samenleving. In huwelijk en gezin komt de geest op aarde in omstandigheden, die een onmiddellijke uitdrukking zijn van de innerlijke, geestelijke eigenschappen en verhoudingen. Daardoor leert de geest zich daarvan bewust te worden en ermee om te gaan, totdat uiteindelijk de daardoor evenwichtig en volwassen geworden geest het eigen, innerlijke evenwicht tot uitdrukking kan brengen in een evenwichtig en gelukkig huwelijk.
(terug naar index)

God
God is de algeest als de éne geest, die alomtegenwoordig is en zich onbegrensd uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.
De algeest doet zich aan het geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte.
Door het geestesoog gezien wordt de algeest zoals gezegd gekenmerkt door alomtegenwoordigheid en daardoor door onbegrensdheid, door oneindigheid. Door de eigenschap oneindigheid is er geen ruimte om de algeest heen. De algeest zelf is dus zonder ruimte, ruimteloos. Dat betekent dat er geen ruimte rondom de algeest is waar iets anders zou kunnen zijn, waar de algeest zelf weer uit zou kunnen zijn voortgekomen. Er is geen 'buiten de algeest' en er kan daardoor buiten de algeest geen oorzaak zijn, die zelf weer de bron is van de algeest. De algeest zelf is daardoor zonder oorzaak, oorzaakloos; met andere woorden, de algeest is de ene oerbron van het al, de algeest is één en àl.
Tijd is een stroom van gebeurtenissen, die in een ruimte plaatsvindt. Als er geen ruimte is, is er geen beweging en daardoor ook geen tijd mogelijk. Daardoor is er ook niet een tijd vóór de algeest, waarin de algeest er niet zou zijn geweest; noch kan er daardoor een tijd ná de algeest zijn, waarin de algeest weer in iets anders zou kunnen opgaan. De algeest wordt daardoor niet alleen gekenmerkt door ruimteloosheid, maar als gevolg daarvan ook door tijdloosheid. De algeest is niet alleen onbegrensd, maar ook eeuwig. De algeest wordt (vanuit de menselijke geest gezien) gekenmerkt door eeuwigheid en oneindigheid, de algeest is in wezen een 'eeuwige oneindigheid'.
Door die ruimteloosheid en tijdloosheid kan er zoals gezegd naast de algeest geen andere geest zijn. Het wezenlijke kenmerk van de algeest is daardoor, dat de algeest één is. Van de algeest is er maar één. De algeest is daardoor een volkomen zelfstandigheid. Maar daardoor moet de algeest alles in zichzelf overleggen en beslissen. Nooit kan de algeest bij iets of iemand anders te rade gaan. De algeest is daardoor ook volkomen zelfwerkzaam, volkomen uit zichzelf scheppend werkzaam.
Met andere woorden: vanuit de eigenschap alomtegenwoordigheid zijn de eeuwige oneindigheid, zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid als wezenlijke eigenschappen van de algeest te beschrijven en te begrijpen.
De goddelijke zelfwerkzaamheid van de algeest hangt samen met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Door de alomtegenwoordigheid worden de geestelijke vermogens van de algeest gekenmerkt door alwetendheid (waarnemen), alwijsheid (denken), alliefde (voelen) en almacht (willen). God als de algeest heeft het al in zichzelf en is daardoor alwetend; God kan alles in zichzelf met elkaar verbinden en is daardoor de alwijsheid; door de alomtegenwoordigheid verbindt God alles met zichzelf en is daardoor alliefhebbend; doordat God de enige algeest is, heeft God als volkomen zelfstandige de vrijheid alles in zichzelf te voltrekken en is daardoor almachtig.

In de ongevormde oertoestand doet God als de algeest zich voor als de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Overal in zichzelf kan de algeest zich verdichten tot een algeestvonk: het punt dat overal het algeestmiddelpunt is. Met deze algeestvonk blijft de algeest volledig verbonden en deze vonk is daardoor de heilige algeestvonk: de eerst geschapen vorm. In deze gevormde toestand doet God als de algeest zich voor als de heilige geest, die aan de menselijke geest verschijnt in de vorm van de geestgedaante. Algeest en heilige geest zijn twee verschijningsvormen van één en dezelfde geest.
Deze heilige geest van God is door Maria heen met de naam Jezus in een lichaam op aarde geboren om zo het leven van de zich ontwikkelende algeestvonken, de menselijke geesten, zelf mee te maken, hen daardoor als een lichtend voorbeeld te kunnen onderwijzen en hen weer met zichzelf te kunnen verbinden.
De oorspronkelijke betekenis van het woord 'god' is: het aanbidwaardige.
(terug naar index)

godheid
De godheid is: al het goddelijke. Goddelijk is alles, wat uit de goddelijke algeest is voortgekomen. Daartoe behoren de menselijke geesten als Gods godenkinderen, geboren uit God als hun goddelijke vader en moeder. In wezen is de godheid het goddelijke gezin; en de menselijke geest 'is er een van God'.
Binnen het goddelijke gezin zijn Gods gedachten, gevoelens en bewuste wilshandelingen werkzaam, die in de vorm van Gods engelen bij Gods godenkinderen zijn en hen begeleiden. De engelen zijn werkzaam als ouderlijke bemoediging, aansporing en vermaning. Zij helpen Gods godenkinderen op hun weg naar zelfverwerkelijking en hereniging. Zij verschijnen voor het geestesoog in dezelfde geestgedaante als de heilige geest.
De werelden van Gods schepping dienen als behuizing voor het goddelijke gezin.
(terug naar index)

godsdienst
Godsdienst betekent 'dienst aan God'. De menselijke geest dient God door de geestelijke vermogens, die God uit zichzelf aan de menselijke geest als goddelijke eigenschappen heeft meegegeven, tot ontwikkeling te brengen, door ze bewust en beheerst te leren gebruiken.
In de ontwikkelde toestand komen de vermogens in het gedrag tot uiting als het geweten en de deugden, waardoor de samenhang met alle andere menselijke geesten tot stand kan komen; door dat gedrag worden Gods schepselen gediend.
Door zelfbezinning, door de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf als geest te richten, komt de geestesgesteldheid in overeenstemming met die van de algeest, waardoor de samenhang met God, de hereniging, tot stand komt; daardoor wordt God als de algeest gediend.
Voor godsdienst wordt ook het woord 'religie' gebruikt. Dit is afkomstig van het Latijnse 'religare', dat 'her-verbinden' betekent: de verbinding met God herstellen. Dit komt overeen met het begrip 'hereniging', het doel van godsdienst. Religie wordt ook wel in verband gebracht met 'religere': herlezen. Of dit tot het doel voert, is twijfelachtig.
(terug naar index)

goed
Het goede is de eigenschap van het gedrag dat voortkomt uit een geest, in wie de geestelijke vermogens zijn uitgegroeid tot een eenheid van elkaar aanvullende en evenwichtig met elkaar samenhangende tegendelen.
Als de menselijke geest zichzelf als werk ter hand heeft genomen en een bewust en beheerst gebruik heeft leren maken van de eigen geestelijke vermogens, dan zijn de vermogens een eenheid geworden. In deze eenheid vullen de vermogens elkaar aan en worden zij op een evenwichtige wijze door de geest gebruikt. Naar binnen toe door de ingekeerde instelling worden zij gekenmerkt door het geweten; naar buiten toe door de uitgekeerde instelling worden zij gekenmerkt door de deugden. Het gedrag dat vanuit deze kern door de persoonlijkheid naar buiten komt, is het gedrag van een goed mens.
Door het geweten wordt een goed mens gekenmerkt door zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling, en zelfbeheersing; terwijl de ingekeerde instelling wordt gekenmerkt door zelfbezonnenheid.
Door de deugden wordt een goed mens gekenmerkt door aandacht, begrip, liefde en geduld; terwijl de uitgekeerde instelling wordt gekenmerkt door gemeenschapszin.
De uiterste goedheid is het kenmerk van de goddelijke geest. Alle geesten zijn op weg hiernaar toe. Het is het doel van hun levensweg en het doel van Gods schepping.
Het goede komt voort uit de orde van het evenwicht tussen de ontwikkelde vermogens; het kwade komt voort uit de wanorde door de onontwikkeldheid en onevenwichtigheid van de vermogens, en daarmee samenhangende zelfzuchtigheid.
(terug naar index)