inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst H
 
hart
Het hart is de geest als het innerlijk, de kern, het midden; het hart is de geest als het gemoed.
In het stoffelijke hart komt de werkzaamheid van de geest met de geestelijke vermogens onmiddellijk tot uitdrukking. Het waarnemen komt overeen met de werkzaamheid van de rechter boezem, het denken met de rechter kamer, het voelen met de linker boezem, het willen met de linker kamer; de systole komt overeen met de uitgekeerde instelling, de diastole met de ingekeerde instelling.
Net als de geest straalt het hart zijn werkzaamheid om zich heen uit door middel van de bloedvaten van de bloedsomloop, die het hele lichaam met bloed doordringt en die zo met de ziel als uitstraling van de geest overeenkomt.
Doordat het stoffelijke hart een uitdrukking is van de eigenschappen van de geest, komen ook de gemoedsbewegingen van de geest onmiddellijk in de werkzaamheid van het stoffelijke hart tot uitdrukking.
(terug naar index)

hebzucht
De toestand van ònbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan, dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden. Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven. Hoe ziet het waarnemingsvermogen in deze toestand er uit? Door de gehechtheid van de geest aan bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen wordt het waarnemingsvermogen verbonden aan een vaak dwangmatig verlangen daarnaar. Dat verlangen gaat gepaard met de dwingende noodzaak om die dingen of die stoffen, die dat verlangen kunnen bevredigen, ook te bezitten, te hebben. Met andere woorden, door gehechtheid aan het zintuiglijke ervaarbare kan het waarnemingsvermogen worden gekenmerkt door zintuiglijkheid en door hebzucht.
(terug naar index)

heelheid
De geestestoestand waarin de menselijke geest zichzelf heeft verwerkelijkt door de vermogens tot ontwikkeling te brengen en daardoor de hereniging met de geestelijke oorsprong, de algeest, mogelijk heeft gemaakt.
In de zelfverwerkelijkte toestand zijn de vermogens in de ingekeerde instelling tot ontwikkeling gekomen als het geweten, in de uitgekeerde instelling als de deugden. De geestesgesteldheid is daardoor in overeenstemming gekomen met die van de algeest, waardoor de hereniging ermee mogelijk wordt.
De menselijke geest is geboren uit de algeest door een puntvormige verdichting van het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de algeest. De menselijke geest leeft daardoor als een bolvormige wolk van licht en warmte ìn de goddelijke algeest en is er naadloos mee verbonden. De band met de algeest is een wezenlijke eigenschap van de menselijke geest. Zonder de hereniging met de algeest is er daardoor geen sprake van heelheid.
Sommige levensbeschouwingen beperken zich tot de ontwikkeling van de persoon. Dat leidt weliswaar tot een beperkte, persoonlijke heelheid, maar de verbondenheid met het al, de wezenlijke heelheid, wordt daardoor buiten beschouwing gelaten.
(terug naar index)

heelwording
Heelwording is de groei die de menselijke geest meemaakt naar de toestand van heelheid: geestelijke volwassenheid en hereniging met de geestelijke oorsprong.
Iedere menselijke geest die door de leerschool van het stoffelijke bestaan heen gaat, groeit geestelijk doordat de geest zich staande moet houden in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen, door die gebeurtenissen met de eigen geestelijke vermogens te verwerken. Zelfs als de geest door ongeloof deze betekenis van het tijdelijke bestaan afwijst, wordt toch, zij het langzaam, een geestelijke groei doorgemaakt. Déze geestelijke groei naar heelheid overkomt de geest op lijdzame wijze, vandaar het gebruik van het hulpwerkwoord van de lijdende vorm: 'worden'.
Heelwording hangt weliswaar samen met zelfverwerkelijking, maar tussen beide is een wezenlijk verschil. Heelwording is geestelijke groei die lijdzaam en onbewust verloopt, en de geest overkomt louter door de aanwezigheid in het tijdelijke bestaan; terwijl zelfverwerkelijking geestelijke groei is door eigen, bewuste inspanning.
Door de heelwording zullen àlle menselijke geesten uiteindelijk de staat van geestelijke volwassenheid als godenkind en hereniging met de geestelijke oorsprong bereiken, ondanks dat zij aanvankelijk door de noodzakelijke onbewustheid van zichzelf dit feit zullen afwijzen.
Zie ook 'zelfwording'.
(terug naar index)

heerszucht
De toestand van ònbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan, dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden. Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven.
Hoe ziet het wilsvermogen in deze toestand er uit? Door gehechtheid aan eigen wilsbesluiten kan het gedrag worden gekenmerkt door handelend op willen treden. Maar door de vereenzelviging met anderen ook door: ànderen willen laten handelen naar die eigen besluiten. Met andere woorden, door gehechtheid aan de wilsbesluiten kan de wilskracht worden gekenmerkt door dadendrang, onbeheerste ondernemingslust en heerszucht.
(terug naar index)

hereniging
De hereniging is de geestestoestand waarin de zichzelf geworden menselijke geest, de algeestvonk, is herenigd met zijn geestelijke grondslag, de algeest, waar de algeestvonk ooit uit is geboren.
Deze hereniging vindt plaats doordat de geest zelf de eigen geestesgesteldheid door zelfverwerkelijking en zelfbezinning zodanig heeft omgevormd, dat de geestesgesteldheid van de menselijke geest in overeenstemming is gekomen met die van de algeest. De algeest kan daardoor vervolgens de hereniging tot stand brengen en wel door middel van de heilige geest en Gods engelen, in wie de algeest op persoonlijke wijze bij de menselijke geest aanwezig is om die in stilte te begeleiden op het pad naar zelfverwerkelijking en hereniging.
Door de oefening van zelfbezinning kan de geest zichzelf terugbrengen tot het besef alleen de geest te zijn, alleen de bewuste, vermogende levenskracht te zijn. Hierdoor komt de geest in een toestand van uiterste eenvoud en innerlijke stilte, en deze toestand van eenvoud en stilte is de geestelijke oertoestand.
Het bereiken van deze oertoestand heeft tot gevolg, dat er vanuit de geestelijke oorsprong een kracht op de geest kan gaan inwerken, want door die eenvoud en stilte is de geestesgesteldheid met die van de oorsprong in overeenstemming gekomen. Door deze geestelijke inwerking wordt de geest ontroerd en geestelijk in beweging gebracht, en dit is het begin van de hereniging van de menselijke geest met de goddelijke oorsprong.
Op een gegeven ogenblik zal de geest kunnen ervaren, hoe die vanuit die oertoestand in vervoering raakt en in de geestelijke oorsprong wordt opgenomen. De geest ervaart dan hoe die wordt opgenomen in een hem of haar geheel omstralend en doordringend licht; terwijl de geest wordt doorstroomd door een innige, verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is.
Wat de geest zo ervaart, is, dat geest en kracht, licht en liefde, vrede en waarheid door de geest heen gaan stromen. Wat zo wordt ervaren is het goddelijke. Maar wat de geest zo ervaart, dat is de geest in wezen ook zelf! De menselijke geest ervaart zichzelf als een vonkje geest úit en ìn de goddelijke algeest; de menselijke geest ervaart zichzelf als een brandpunt van licht en warmte in onze God als de alomtegenwoordige, oneindige zee van datzelfde, geestelijke licht en diezelfde, geestelijke warmte.
In deze toestand van hereniging zijn beide geesten volkomen in elkaar opgegaan: de menselijke geest is, wat dàt is en dàt is, wat de menselijke geest is, wat een toestand van volmaakte vereniging is; maar toch is er één verschil gebleven: de menselijke geest is de klèine geest en ervaart zichzelf als een deel van de gróte geest, van onze God als de alomtegenwoordige algeest.
(terug naar index)

herinneren, zich
Het vermogen van de geest zich iets te kunnen her-inneren, is het vermogen om door waarneming van een inhoud van het geheugen deze inhoud 'weer in het innerlijk' te kunnen opnemen.
Waarnemen is het vermogen het innerlijke licht in een ontvankelijke, vormbare toestand te brengen, waardoor een voorwerp uit de buitenwereld zich in dat licht kan afdrukken als de geest de aandacht erop richt. De geest heeft op dat ogenblik het voorwerp 'in het innerlijk opgenomen'; de geest heeft door waar te nemen het voorwerp 'geïnnerd'.
Door vervolgens de aandacht op iets anders te richten, onttrekt de geest de levenskracht aan het voorwerp, waardoor de afbeelding ervan overgaat in het geheugen in de ziel als het geheel van gedachten en kennis. Daar blijft het voorwerp als een lichtbeeld, als een geheugeninhoud bewaard. De geest is het beeld dan weliswaar kwijt, maar heeft wel een besef van de inhoud van het geheugen; de geest weet dat iets in het geheugen aanwezig moet zijn, maar heeft op dat ogenblik geen duidelijk beeld van die inhoud.
De geest kan zich weer bewust worden van die inhoud, door de aandacht en daarmee de levenskracht op het besef te richten, dat verbonden is met de inhoud van het geheugen. Door de erop gerichte aandacht en levenskracht wordt het geheugenbeeld weer helder. De geest haalt het naar zich toe, 'her-innert' zich het beeld door het door waarneming 'weer in zich op te nemen' en wordt zich er zo weer van bewust. Het geheugenbeeld is daardoor een herinneringsbeeld geworden.
Het zich herinneren van een beeld uit het geheugen door de aandacht erop te vestigen en zo het beeld weer 'voor de geest te halen', is in feite een buitenzintuiglijke waarneming. De geest wordt door waarneming zich (weer) van iets bewust, zonder van een zintuig gebruik te maken. Het waarnemen van de inhouden van het eigen geheugen, binnen de beslotenheid van de eigen binnenwereld, de ziel, is een helderziende waarneming. Iedere geest ervaart het bestaan van dit verschijnsel voortdurend, maar beseft niet de betekenis ervan door de toestand van onbewuste vereenzelviging. Door geestelijke ontwikkeling of met hulp van de geestelijke begeleiders, kan deze helderziende waarneming worden uitgebreid naar de geestelijke wereld.
(terug naar index)

hersenen
De hersenen zijn het orgaan, waarin de geest woont. Dat wil zeggen dat de geest zich in de geestelijke wereld altijd op die plaats bevindt, die overeenkomt met dezelfde plaats in de stoffelijke wereld, zolang de geest in de stoffelijke wereld een lichaam als voertuig heeft.
Met het geestesoog is waar te nemen, dat de geest zich als een vonk in het voorhoofd bevindt. Iedere geest kan dat onmiddellijk in zichzelf nagaan, door de aandacht te richten op de plaats, waar de geest de gedachten en gevoelens met woorden in zichzelf tot klinken brengt: in het voorhoofd achter de ogen.
Door middel van de hersenen is de geest met het lichaam verbonden. Het Latijnse woord 'organum' betekent werktuig. De hersenen zijn het werktuig, waarmee de geest het lichaam als een voertuig kan besturen en waarmee de geest de gedachten en gevoelens door het lichaam heen kan uitdrukken in uitspraken en gedrag.
De hersenen zijn gevormd naar de eigenschappen van de geest. In het voorste gedeelte van de hersenschors bevinden zich de bewegingsvelden, overeenkomend met het willen; in het achterste gedeelte bevinden zich de gewaarwordingsvelden, overeenkomend met het waarnemen; de linkerhelft van de hersenschors gebruikt de geest om het denken tot uitdrukking te brengen, de rechterhelft om het voelen tot uitdrukking te brengen. De in- en uitgaande zenuwbanen komen overeen met de in- en uitgekeerde instelling.
Net als de geest stralen de hersenen hun werkzaamheid om zich heen uit door middel van het zenuwstelsel, dat het hele lichaam doordringt en dat zo met de ziel als uitstraling van de geest overeenkomt.
(terug naar index)

huwelijk
Het woord 'huwelijk' is samengesteld uit de oude woorden 'huwen': de echtgenoten, en 'laika': heilig spel, heilige samenwerking. Deze samenwerking tussen de beide echtgenoten berust in wezen op de eigenschappen van de geestelijke vermogens.
De menselijke geest is namelijk een eenheid van elkaar aan vullende en met elkaar samenhangende tegendelen. De grondslag van deze tegendelen is het verschijnsel, dat het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de geest zich in twee, tegenovergestelde toestanden kan bevinden. In de ene toestand zijn het licht en de warmte in een ontvankelijke, doordringbare en daardoor vormbare toestand, wat de vrouwelijke toestand is; in de andere toestand zijn het licht en de warmte in een zelfvormende, doordringende toestand, wat de mannelijke toestand is.
Met deze grondeigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen, het waarnemen, denken, voelen en willen. Door het eigen licht in een vormbare toestand te brengen, neemt de geest waar; door het eigen licht in de zelfvormende toestand te brengen, denkt de geest; door de eigen warmte in de vormbare toestand te brengen, kan de geest meevoelen; door de eigen warmte in de vormende toestand te brengen, wil de geest.
De geest kan de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten en op de personen met wie een persoonlijke band bestaat: de ingekeerde instelling; en de geest kan de werkzaamheid op de wijde buitenwereld richten: de uitgekeerde instelling.
Het waarnemen, voelen en de ingekeerde instelling zijn de vrouwelijke vermogens; het denken, willen en de uitgekeerde instelling zijn de mannelijke vermogens. Deze vermogens kunnen alle door de geest zelf tot ontwikkeling worden gebracht en vormen dan in de geest de eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen: het denken en voelen, het waarnemen en willen, en de ingekeerde en uitgekeerde instelling. Dat betekent dat de geest zelf in wezen een huwelijk is van mannelijke en vrouwelijke vermogens. Het verschijnsel 'huwelijk' is daardoor de uitdrukking van de vermogens als de wezenlijke eigenschappen van de geest. Met andere woorden: het verschijnsel huwelijk ligt verankerd in de aard van de geest zelf. Het evenwichtige, gelukkige huwelijk is gegrondvest op het innerlijke, geestelijke evenwicht tussen de vermogens in de geesten van de beide partners.
Daarnaast zijn er mannelijke en vrouwelijke geesten. In de vrouwelijke geest is de volgorde van de vermogens: waarnemen, vóelen, denken en willen; in de mannelijke geest is de volgorde: waarnemen, dènken, voelen en willen. Mannelijke en vrouwelijke geesten beschikken beiden over àlle vermogens, alleen de vòlgorde van werkzaamheid is anders: bij de mannelijke geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op het denken, bij de vrouwelijke geestelijke werkzaamheid op het voelen. De evenwichtige samenwerking van de vermogens bìnnen de geest is een inwendig huwelijk, dat zich - als het goed is - naar buiten toe voortzet in het huwelijk tussen man en vrouw.
Het allereerste en eeuwige huwelijk is dat tussen het mannelijke en vrouwelijke in de goddelijke algeest. God is in wezen een tweelinggeest die beiden in een tijdloos, duurzaam huwelijk zijn verenigd. Uit het vruchtbare samenzijn binnen dat huwelijk is het al van de schepping voortgekomen, ook alle mannelijke en vrouwelijke geesten. In hen drukt dat goddelijke huwelijk zich uit in de vorm van de inwendige vermogens binnen de geest en het uitwendige geslachtsverschil tussen de mannelijke en vrouwelijke geest.
Het huwelijk is daarmee de grondslag van de schepping. Het is het oerbeeld van vruchtbare, scheppende werkzaamheid. Het is als oerbeeld ingeschapen in de menselijke geest. Het zal uiteindelijk tot vervolmaking komen als het eeuwige huwelijk van de beide tweelinggeesten: in de vorm van de bij elkaar behorende mannelijke en vrouwelijke geesten, die als broederzuster uit God als hun vadermoeder zijn geboren, als beiden hun ontwikkelingsweg hebben volbracht en volwassen geesten zijn geworden.
Met het goddelijke huwelijk is onlosmakelijk het goddelijke gezin verbonden; het goddelijke gezin als de gehele mensheid, de in wezen goddelijke kinderen van God als vadermoeder van allen. Ook het gezin is daarmee een oerbeeld zoals het huwelijk en is verankerd in de aard van de geest zelf als de voortbrengselen van de eigen, scheppende werkzaamheid van het denken en het voelen. Die voortbrengselen worden in de vorm van gedachten en gevoelens als 'kinderen' in de geest verwekt en uit de geest geboren in de vorm van uitspraken en handelingen.
(terug naar index)