|
Verklarende woordenlijst
H |
| |
- hart
- Het hart is de geest als
het innerlijk, de kern, het midden; het hart is de geest als het
gemoed.
In het stoffelijke hart komt de werkzaamheid van de geest met de
geestelijke vermogens onmiddellijk tot uitdrukking. Het waarnemen
komt overeen met de werkzaamheid van de rechter boezem, het denken
met de rechter kamer, het voelen met de linker boezem, het willen
met de linker kamer; de systole komt overeen met de uitgekeerde
instelling, de diastole met de ingekeerde instelling.
Net als de geest straalt het hart zijn werkzaamheid om zich heen
uit door middel van de bloedvaten van de bloedsomloop, die het hele lichaam met bloed doordringt en die zo met de ziel als uitstraling van de geest overeenkomt.
Doordat het stoffelijke hart een uitdrukking is van de eigenschappen
van de geest, komen ook de gemoedsbewegingen van de geest onmiddellijk
in de werkzaamheid van het stoffelijke hart tot uitdrukking.
(terug
naar index)
- hebzucht
- De toestand van ònbewuste
vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand.
Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid
waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint.
Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien
tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde
mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid
is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan,
dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden.
Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst
naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven. Hoe ziet het
waarnemingsvermogen in deze toestand er uit? Door de gehechtheid
van de geest aan bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen wordt het
waarnemingsvermogen verbonden aan een vaak dwangmatig verlangen
daarnaar. Dat verlangen gaat gepaard met de dwingende noodzaak om
die dingen of die stoffen, die dat verlangen kunnen bevredigen,
ook te bezitten, te hebben. Met andere woorden, door
gehechtheid aan het zintuiglijke ervaarbare kan het waarnemingsvermogen
worden gekenmerkt door zintuiglijkheid en door hebzucht.
(terug
naar index)
- heelheid
- De geestestoestand waarin
de menselijke geest zichzelf heeft verwerkelijkt door de vermogens
tot ontwikkeling te brengen en daardoor de hereniging met de geestelijke
oorsprong, de algeest, mogelijk heeft gemaakt.
In de zelfverwerkelijkte toestand zijn de vermogens in de ingekeerde instelling tot ontwikkeling gekomen als het geweten, in de uitgekeerde instelling als de deugden. De geestesgesteldheid is daardoor in overeenstemming gekomen met die van de algeest, waardoor de hereniging ermee mogelijk wordt.
De menselijke geest is geboren uit de algeest door een puntvormige
verdichting van het geestelijke licht en de geestelijke warmte van
de algeest. De menselijke geest leeft daardoor als een bolvormige
wolk van licht en warmte ìn de goddelijke algeest en is er
naadloos mee verbonden. De band met de algeest is een wezenlijke
eigenschap van de menselijke geest. Zonder de hereniging met de
algeest is er daardoor geen sprake van heelheid.
Sommige levensbeschouwingen beperken zich tot de ontwikkeling van
de persoon. Dat leidt weliswaar tot een beperkte, persoonlijke heelheid,
maar de verbondenheid met het al, de wezenlijke heelheid, wordt
daardoor buiten beschouwing gelaten.
(terug
naar index)
- heelwording
- Heelwording is de groei die de menselijke geest meemaakt naar de toestand van heelheid: geestelijke volwassenheid en hereniging met de geestelijke oorsprong.
Iedere menselijke geest die door de leerschool van het stoffelijke bestaan heen gaat, groeit geestelijk doordat de geest zich staande moet houden in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen, door die gebeurtenissen met de eigen geestelijke vermogens te verwerken. Zelfs als de geest door ongeloof deze betekenis van het tijdelijke bestaan afwijst, wordt toch, zij het langzaam, een geestelijke groei doorgemaakt. Déze geestelijke groei naar heelheid overkomt de geest op lijdzame wijze, vandaar het gebruik van het hulpwerkwoord van de lijdende vorm: 'worden'.
Heelwording hangt weliswaar samen met zelfverwerkelijking, maar tussen beide is een wezenlijk verschil. Heelwording is geestelijke groei die lijdzaam en onbewust verloopt, en de geest overkomt louter door de aanwezigheid in het tijdelijke bestaan; terwijl zelfverwerkelijking geestelijke groei is door eigen, bewuste inspanning.
Door de heelwording zullen àlle menselijke geesten uiteindelijk de staat van geestelijke volwassenheid als godenkind en hereniging met de geestelijke oorsprong bereiken, ondanks dat zij aanvankelijk door de noodzakelijke onbewustheid van zichzelf dit feit zullen afwijzen.
Zie ook 'zelfwording'.
(terug
naar index)
- heerszucht
- De toestand van ònbewuste
vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand.
Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid
waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint.
Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien
tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde
mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid
is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan,
dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden.
Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst
naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven.
Hoe ziet het wilsvermogen in deze toestand er uit? Door gehechtheid
aan eigen wilsbesluiten kan het gedrag worden gekenmerkt door handelend
op willen treden. Maar door de vereenzelviging met anderen ook door:
ànderen willen laten handelen naar die eigen besluiten. Met
andere woorden, door gehechtheid aan de wilsbesluiten kan de wilskracht
worden gekenmerkt door dadendrang, onbeheerste ondernemingslust
en heerszucht.
(terug
naar index)
- hereniging
- De hereniging is de geestestoestand
waarin de zichzelf geworden menselijke geest, de algeestvonk, is herenigd met
zijn geestelijke grondslag, de algeest, waar de algeestvonk ooit uit is geboren.
Deze hereniging vindt plaats doordat de geest zelf de eigen geestesgesteldheid
door zelfverwerkelijking en zelfbezinning zodanig heeft omgevormd, dat de
geestesgesteldheid van de menselijke geest in overeenstemming is
gekomen met die van de algeest. De algeest kan daardoor vervolgens
de hereniging tot stand brengen en wel door middel van de heilige
geest en Gods engelen, in wie de algeest op persoonlijke wijze bij de menselijke
geest aanwezig is om die in stilte te begeleiden op het pad naar
zelfverwerkelijking en hereniging.
Door de oefening van zelfbezinning kan de geest zichzelf terugbrengen tot het besef alleen de geest te zijn, alleen de bewuste, vermogende levenskracht te zijn. Hierdoor komt de geest in een toestand van uiterste eenvoud en innerlijke stilte, en deze toestand van eenvoud en stilte is de geestelijke oertoestand.
Het bereiken van deze oertoestand heeft tot gevolg, dat er vanuit de geestelijke oorsprong een kracht op de geest kan gaan inwerken, want door die eenvoud en stilte is de geestesgesteldheid met die van de oorsprong in overeenstemming gekomen. Door deze geestelijke inwerking wordt de geest ontroerd en geestelijk in beweging gebracht, en dit is het begin van de hereniging van de menselijke geest met de goddelijke oorsprong.
Op een gegeven ogenblik zal de geest kunnen ervaren, hoe die vanuit die oertoestand in vervoering raakt en in de geestelijke oorsprong wordt opgenomen. De geest ervaart dan hoe die wordt opgenomen in een hem of haar geheel omstralend en doordringend licht; terwijl de geest wordt doorstroomd door een innige, verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is.
Wat de geest zo ervaart, is, dat geest en kracht, licht en liefde, vrede en waarheid door de geest heen gaan stromen. Wat zo wordt ervaren is het goddelijke. Maar wat de geest zo ervaart, dat is de geest in wezen ook zelf! De menselijke geest ervaart zichzelf als een vonkje geest úit en ìn de goddelijke algeest; de menselijke geest ervaart zichzelf als een brandpunt van licht en warmte in onze God als de alomtegenwoordige, oneindige zee van datzelfde, geestelijke licht en diezelfde, geestelijke warmte.
In deze toestand van hereniging zijn beide geesten volkomen in elkaar opgegaan: de menselijke geest is, wat dàt is en dàt is, wat de menselijke geest is, wat een toestand van volmaakte vereniging is; maar toch is er één verschil gebleven: de menselijke geest is de klèine geest en ervaart zichzelf als een deel van de gróte geest, van onze God als de alomtegenwoordige algeest.
(terug
naar index)
- herinneren,
zich
- Het vermogen van de geest
zich iets te kunnen her-inneren, is het vermogen om door waarneming
van een inhoud van het geheugen deze inhoud 'weer in het innerlijk'
te kunnen opnemen.
Waarnemen is het vermogen het innerlijke licht in een ontvankelijke,
vormbare toestand te brengen, waardoor een voorwerp uit de buitenwereld
zich in dat licht kan afdrukken als de geest de aandacht erop richt.
De geest heeft op dat ogenblik het voorwerp 'in het innerlijk opgenomen';
de geest heeft door waar te nemen het voorwerp 'geïnnerd'.
Door vervolgens de aandacht op iets anders te richten, onttrekt
de geest de levenskracht aan het voorwerp, waardoor de afbeelding
ervan overgaat in het geheugen in de ziel als het geheel van gedachten en kennis.
Daar blijft het voorwerp als een lichtbeeld, als een geheugeninhoud
bewaard. De geest is het beeld dan weliswaar kwijt, maar heeft wel
een besef van de inhoud van het geheugen; de geest weet dat iets
in het geheugen aanwezig moet zijn, maar heeft op dat ogenblik geen
duidelijk beeld van die inhoud.
De geest kan zich weer bewust worden van die inhoud, door de aandacht
en daarmee de levenskracht op het besef te richten, dat verbonden
is met de inhoud van het geheugen. Door de erop gerichte aandacht
en levenskracht wordt het geheugenbeeld weer helder. De geest haalt
het naar zich toe, 'her-innert' zich het beeld door het door waarneming
'weer in zich op te nemen' en wordt zich er zo weer van bewust.
Het geheugenbeeld is daardoor een herinneringsbeeld geworden.
Het zich herinneren van een beeld uit het geheugen door de aandacht
erop te vestigen en zo het beeld weer 'voor de geest te halen',
is in feite een buitenzintuiglijke waarneming. De geest wordt door
waarneming zich (weer) van iets bewust, zonder van een zintuig gebruik
te maken. Het waarnemen van de inhouden van het eigen geheugen,
binnen de beslotenheid van de eigen binnenwereld, de ziel, is een helderziende
waarneming. Iedere geest ervaart het bestaan van dit verschijnsel
voortdurend, maar beseft niet de betekenis ervan door de toestand
van onbewuste vereenzelviging. Door geestelijke ontwikkeling of
met hulp van de geestelijke begeleiders, kan deze helderziende waarneming
worden uitgebreid naar de geestelijke wereld.
(terug
naar index)
- hersenen
- De hersenen zijn het orgaan,
waarin de geest woont. Dat wil zeggen dat de geest zich in de geestelijke wereld altijd op die plaats bevindt, die overeenkomt met dezelfde plaats in de stoffelijke wereld, zolang de geest in de stoffelijke wereld een lichaam als voertuig heeft.
Met het geestesoog is waar te nemen, dat de geest zich als een vonk in het voorhoofd bevindt. Iedere geest kan dat onmiddellijk in zichzelf nagaan, door de aandacht te richten
op de plaats, waar de geest de gedachten en gevoelens met woorden in zichzelf
tot klinken brengt: in het voorhoofd achter de ogen.
Door middel van de hersenen is de geest met het lichaam verbonden.
Het Latijnse woord 'organum' betekent werktuig. De hersenen
zijn het werktuig, waarmee de geest het lichaam als een voertuig
kan besturen en waarmee de geest de gedachten en gevoelens door
het lichaam heen kan uitdrukken in uitspraken en gedrag.
De hersenen zijn gevormd naar de eigenschappen van de geest. In
het voorste gedeelte van de hersenschors bevinden zich de bewegingsvelden,
overeenkomend met het willen; in het achterste gedeelte bevinden
zich de gewaarwordingsvelden, overeenkomend met het waarnemen; de
linkerhelft van de hersenschors gebruikt de geest om het denken
tot uitdrukking te brengen, de rechterhelft om het voelen tot uitdrukking
te brengen. De in- en uitgaande zenuwbanen komen overeen met de
in- en uitgekeerde instelling.
Net als de geest stralen de hersenen hun werkzaamheid om zich heen
uit door middel van het zenuwstelsel, dat het hele lichaam doordringt
en dat zo met de ziel als uitstraling van de geest overeenkomt.
(terug
naar index)
- huwelijk
- Het woord 'huwelijk' is
samengesteld uit de oude woorden 'huwen': de echtgenoten, en 'laika':
heilig spel, heilige samenwerking. Deze samenwerking tussen de beide echtgenoten berust in wezen op de eigenschappen van de geestelijke vermogens.
De menselijke geest is namelijk een eenheid van elkaar aan vullende en met
elkaar samenhangende tegendelen. De grondslag van deze tegendelen
is het verschijnsel, dat het geestelijke licht en de geestelijke
warmte van de geest zich in twee, tegenovergestelde toestanden kan
bevinden. In de ene toestand zijn het licht en de warmte in een
ontvankelijke, doordringbare en daardoor vormbare toestand, wat
de vrouwelijke toestand is; in de andere toestand zijn het
licht en de warmte in een zelfvormende, doordringende toestand,
wat de mannelijke toestand is.
Met deze grondeigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen,
het waarnemen, denken, voelen en willen. Door het eigen licht in
een vormbare toestand te brengen, neemt de geest waar; door het
eigen licht in de zelfvormende toestand te brengen, denkt de geest;
door de eigen warmte in de vormbare toestand te brengen, kan de
geest meevoelen; door de eigen warmte in de vormende toestand te
brengen, wil de geest.
De geest kan de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten
en op de personen met wie een persoonlijke band bestaat: de ingekeerde
instelling; en de geest kan de werkzaamheid op de wijde buitenwereld
richten: de uitgekeerde instelling.
Het waarnemen, voelen en de ingekeerde instelling zijn de vrouwelijke
vermogens; het denken, willen en de uitgekeerde instelling zijn
de mannelijke vermogens. Deze vermogens kunnen alle door de geest
zelf tot ontwikkeling worden gebracht en vormen dan in de geest
de eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende
tegendelen: het denken en voelen, het waarnemen en willen, en de
ingekeerde en uitgekeerde instelling. Dat betekent dat de geest
zelf in wezen een huwelijk is van mannelijke en vrouwelijke vermogens.
Het verschijnsel 'huwelijk' is daardoor de uitdrukking van de vermogens als
de wezenlijke eigenschappen van de geest. Met andere woorden: het verschijnsel huwelijk ligt verankerd in de aard van de geest zelf. Het evenwichtige, gelukkige huwelijk is gegrondvest op het innerlijke, geestelijke evenwicht tussen de vermogens in de geesten van de beide partners.
Daarnaast zijn er mannelijke en vrouwelijke geesten. In de vrouwelijke
geest is de volgorde van de vermogens: waarnemen, vóelen,
denken en willen; in de mannelijke geest is de volgorde: waarnemen,
dènken, voelen en willen. Mannelijke en vrouwelijke geesten
beschikken beiden over àlle vermogens, alleen de vòlgorde van werkzaamheid
is anders: bij de mannelijke geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op het denken, bij de
vrouwelijke geestelijke werkzaamheid op het voelen. De evenwichtige samenwerking van de vermogens bìnnen de geest is een inwendig huwelijk, dat zich - als het goed is - naar buiten toe voortzet in het huwelijk tussen man en vrouw.
Het allereerste en eeuwige huwelijk is dat tussen het mannelijke en vrouwelijke
in de goddelijke algeest. God is in wezen een tweelinggeest die
beiden in een tijdloos, duurzaam huwelijk zijn verenigd. Uit het vruchtbare
samenzijn binnen dat huwelijk is het al van de schepping voortgekomen,
ook alle mannelijke en vrouwelijke geesten. In hen drukt dat goddelijke
huwelijk zich uit in de vorm van de inwendige vermogens binnen de
geest en het uitwendige geslachtsverschil tussen de mannelijke en
vrouwelijke geest.
Het huwelijk is daarmee de grondslag van de schepping. Het is het
oerbeeld van vruchtbare, scheppende werkzaamheid. Het is als oerbeeld
ingeschapen in de menselijke geest. Het zal uiteindelijk tot vervolmaking
komen als het eeuwige huwelijk van de beide tweelinggeesten: in
de vorm van de bij elkaar behorende mannelijke en vrouwelijke geesten,
die als broederzuster uit God als hun vadermoeder zijn
geboren, als beiden hun ontwikkelingsweg hebben volbracht en volwassen geesten zijn geworden.
Met het goddelijke huwelijk is onlosmakelijk het goddelijke gezin
verbonden; het goddelijke gezin als de gehele mensheid, de in wezen
goddelijke kinderen van God als vadermoeder van allen. Ook het gezin is
daarmee een oerbeeld zoals het huwelijk en is verankerd in de aard van de geest
zelf als de voortbrengselen van de eigen, scheppende werkzaamheid van het denken en het voelen. Die voortbrengselen worden in de vorm van gedachten en gevoelens
als 'kinderen' in de geest verwekt en uit de geest geboren in de vorm van uitspraken
en handelingen.
(terug
naar index)
|
|