|
Verklarende
woordenlijst K |
| |
- karma
- Zie: lot. (terug
naar index)
- kennis
- Kennis is dat, wat door
de geest wordt gekend van een bepaald onderwerp.
De geest komt tot kennis door een onderwerp door waarneming in zich
op te nemen en er zo kennis van te nemen, het zo te leren kennen, er weet van te krijgen. Vervolgens bewaart de geest de kennis in het geheugen in zijn uitstraling, de ziel, door het daar door het denkvermogen vast te houden om er verder over te kunnen blijven beschikken.
Iets kennen betekent, dat er zich een lichtbeeld van de waargenomen
ervaringen, gegevens of onderwerpen als een geheugenbeeld in het geheugen bevindt. Hoe
duidelijker het aanvankelijke beeld is geweest dat de geest zich
door waarnemen en denken eigen heeft gemaakt, hoe duidelijker en
makkelijker het beeld vervolgens zich weer is te herinneren, als het een inhoud
van het geheugen is geworden.
Doordat kennis datgene is, wat wordt gekend, is het een verschijnsel dat nooit los kan staan van de kennende zelfstandigheid: de menselijke geest. Kennis is kennis, doordat er een kenner is, de geest, die zich door waar te nemen bewust is geworden van bepaalde zaken; die door waar te nemen tot het besef is gekomen van het bestaan van deze zaken.
In de buiten- of binnenwereld, waar deze zaken zich bevinden, blijven zij voorwerpen op zichzelf als zij niet worden waargenomen, zij blijven dan 'gegevens'; pas ìn de waarnemende geest zelf wòrden zij tot kennis, doordat de geest door waar te nemen in zichzelf een beeld van hen heeft laten vormen. Het bééld nu van het voorwerp of het gegeven, dat door waar te nemen tot inhoud van de geest is geworden als een innerlijk ervaringsbeeld, is kennis. Doordat er zonder de kenner, de kennende geest, geen kennis bestaat, is kennis iets afgeleids en staat de kennende geest in het middelpunt.
Door de aanvangstoestand van onbewustheid van de geest van zichzelf, wordt dit feit in sommige wereldbeschouwingen niet gezien. Dit is er de oorzaak van dat in de natuurwetenschappen (die zich op eenzijdige wijze tot de stoffelijke helft van Gods schepping beperken) wordt gesteld, dat hoe 'objectiever' men is, hoe meer men de waarheid van iets benadert. Door de onbewustheid van zichzelf als geest wordt niet gezien, dat er zonder het kennende subject, de geest, van kennis van het object geen enkele sprake zou zijn.
Kennis is niet 'een inhoud van het bewustzijn', maar een inhoud van de geest, die zelf door waar te nemen 'bewust is geworden', die zich door waar te nemen in een tóestand van 'zich bewust zijn' bevindt. Door waar te nemen stelt de geest zich open voor een bepaalde zaak, waardoor een beeld daarvan in de geest wordt gevormd. De waarnemende geest komt daardoor in een toestand van bewustzijn van de waargenomen zaak. Met andere woorden: zich bewust zijn is een toestand van de geest, die ontstaat door waar te nemen, door ergens 'kennis van te nemen'. Het daardoor in de geest afgedrukte beeld is kennis.
Daar kennis alleen kennis is, doordat het als een beeld in de geest bestaat, hangt het ook onverbrekelijk samen met de overige eigenschappen van de geest. Er kunnen nu twee dingen gebeuren:
a. De geest neemt het waargenomene 'voor kennis-geving aan'. In dat geval blijft de kennis (voorlopig) op zichzelf staan en wordt door het denken niet verbonden en vergeleken met reeds in het geheugen aanwezige kennis. De werkzaamheid van de geest beperkt zich dan tot 'zuiver waarnemen'. Het kan daarna wel komen tot een vastlegging van het ervaringsbeeld in het geheugen, maar het komt niet tot een begrips- of gevoelsmatige beoordeling ervan.
b. De geest begint over het waargenomene te denken door dit verstandelijk te ontleden in hoofd- en bijzaken, deze te vergelijken met overeenkomstige ervaringen en kennis uit het geheugen en het vervolgens door de rede daarmee samen te voegen tot een begripsmatig oordeel over het waargenomene, tot een nieuw denkbeeld over bepaalde, met het waargenomene samenhangende zaken.
Is de geest al denkend werkzaam geworden en heeft de geest een begripsmatig oordeel over het waargenomene gevormd, dan kan de geest met behulp van het gevóel de verkregen kennis ook gevoelsmatig gaan waarderen. Wordt de kennis en de ermee samenhangende gedachten als een waarheid ervaren, dan kan de geest liefde gaan voelen voor deze kennis en zich deze ook persoonlijk eigen gaan maken. Hoe groter het persoonlijke belang van de nieuwe kennis is, hoe inniger de geest zich met deze kennis bewust verbonden zal gaan voelen.
Door deze persoonlijke verbondenheid wordt het kènnen van de kennis ten slotte ook tot een kùnnen. De geest kan met kennis alleen iets gaan dóen, als die er niet alleen begripsmatig, maar ook gevoelsmatig achter staat. De geest kan alleen iets met kennis doen, na die kennis begrìps- en gevóelsmatig te hebben verwerkt tot een redelijk en zedelijk oordeel, en vervolgens een daarmee overeenkomend besluit heeft genomen. Alleen onder dit voorbehoud is kennis macht, doordat het de geest dan in staat stelt er iets mee te doen.
(terug
naar index)
- keuze,
vrije
- Een keuze is een oordeel,
dat gevormd is door een aantal mogelijkheden van handelen te overdenken en te doorvoelen. Na redelijke en zedelijke overwegingen die met behulp van de geestelijke vermogens worden gemaakt, wordt er door de geest een keuze gemaakt uit die mogelijkheden. Door bepaalde redelijke en zedelijke oordelen te vormen wordt vervolgens besloten, volgens welke mogelijkheid de geest gaat handelen: het wilsbesluit. De geest kiest die mogelijkheid door 'er achter te gaan staan'.
De menselijke geest is aanwezig in de leerschool die het tijdelijke
bestaan voor de geest is, om een bewust en beheerst gebruik te leren
maken van de eigen, geestelijke vermogens. Daartoe komen door de tijd als stroom van gebeurtenissen ervaringen op de geest af, die de geest ertoe aanzetten de vermogens te gebruiken om staande te kunnen blijven in die stroom. Steeds wordt de geest voor keuzes gesteld; steeds moet worden gekozen uit de mogelijkheden van handelen om bepaalde ervaringen te verwerken en te boven te komen. Daardoor leert de geest al doende de eigen vermogens bewuste en beheerst te gebruiken en dat is het doel van de aanwezigheid in het tijdelijke bestaan als leerschool.
Die leerschool is een vrije school, doordat eigen ondervinding in deze leerschool de leermeester is. De bijzonderheid van die leerschool is daardoor, dat in die school
de leerling - schijnbaar - aan zichzelf wordt overgelaten. Daardoor
hangt de richting die de ontwikkeling inslaat af van de eigen, vrije
keuze die de zich ontwikkelende geest maakt uit de verschillende mogelijkheden om te handelen.
Die zelfstandigheid is noodzakelijk, omdat alleen dat, wat de geest op eigen kracht en naar eigen, vrije keuze doet, de geestelijke vermogens tot ontwikkeling brengt. Dat vermogen om zelf de eigen vermogens bewuste en beheerst te kunnen gebruiken, wordt daardoor tot een eigendom. Een eigendom van de geest is dat, wat een onvervreemdbare eigenschap is. Een eigendom is iets, wat de geest eigen is, doordat het een aanleg was in de geest zelf, die door eigen inspanning tot ontwikkeling is gebracht. Die aanleg zijn de geestelijke vermogens en zij zijn als aanleg aanwezig, opdat de geest de mogelijkheid heeft ze door eigen inspanning tot ontwikkeling te brengen en zo het vermogen ze bewust en beheerst te gebruiken zich eigen te maken.
Alles, wat de geest verkregen heeft met de hulp van anderen, is
geen eigen verdienste. Daardoor is dat geen eigendom, maar een bezit.
Iets, wat de geest bezit, staat los van de geest, zoals een stoel,
die de geest kan 'bezitten'. Alles echter, wat los is, kan de geest
ook verliezen en zal zeker verloren gaan bij het overlijden. Alleen
dat, wat geestelijk is en door ontwikkeling een geestelijk eigendom is geworden, kan
worden meegenomen naar de geestelijke wereld als een eeuwig eigendom.
Om deze reden is de menselijke geest op aarde in een toestand, waarin
de geest schijnbaar aan zichzelf is overgelaten en daardoor over
een zekere vrijheid beschikt. Dit 'aan zichzelf overgelaten zijn'
waarborgt de vrije keuze die de menselijke geest heeft; die vrije
keuze is een onmisbare voorwaarde om op eigen kracht door middel van de eigen vermogens te kunnen groeien naar geestelijke zelfstandigheid, waardoor alles wat de geest heeft
ontwikkeld eigenschappen zijn geworden, die het onvervreemdbare
eigendom van de geest zijn.
Er wordt ook wel gesproken over: 'vrije wil'. De wilskracht is de
levenskracht die het de geest aan de ene kant mogelijk maakt de
geestelijke vermogens te kunnen gebruiken als een innerlijke wilshandeling:
immers de geest wil waarnemen, wil denken en wil voelen. Aan de andere kant
kan de geest met de wilskracht de daardoor gevormde gedachten en gevoelens
naar buiten toe uiten in uitspraken en gedrag als een uiterlijke
wilshandeling. De wil is ingebed in een volstrekte samenhang
met de overige geestelijke vermogens. De wil kan daarom niet 'vrij'
zijn. De wil zou door vrijheid de sturing van de overige vermogens
missen en een volkomen ordeloos en zinloos werkende kracht worden.
Dat het verschijnsel van de uitspraak 'een vrij wil' mogelijk is,
wordt veroorzaakt door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan.
In deze toestand is de geest onbewust van zichzelf als de eenheid
scheppende zelfstandigheid en spreekt daardoor over de vermogens
alsof zij zelf zelfstandigheden zouden zijn, die los van elkaar werkzaam
kunnen zijn. Er wordt in die toestand gezegd dat 'de wil dit of
dat doet' in plaats van te zeggen dat het de géést is die dit
of dat wil en het daarop doet. Alleen vanuit deze onbewust vereenzelvigde
toestand kan er worden gezegd, dat 'de wil vrij is', dat er een
'vrije wil' zou bestaan.
In deze toestand is de geest onbewust van zichzelf en van de eigen werkzaamheid
en draagt daardoor alle aandacht en toewijding uit zichzelf over
op de vóórtbrengselen van de eigen werkzaamheid. In
het geval van het willen zijn dat de wilsbesluiten en wilshandelingen.
Daardoor wordt de aan het wilsbesluit voorafgaande werkzaamheid
van het waarnemen, denken en voelen bij het vormen van de keuze
en het besluit, niet gezien. Daardoor wordt er niet van een vrije
keuze, maar van een 'vrije wil' gesproken.
Alleen het begrip 'keuze' als de 'vrije besluitvorming' verwijst
naar de geestelijke werkzaamheid van de vermogens als een geheel
van werkzaamheden binnen de geest.
(terug
naar index)
- kracht
- Een kracht bezit het vermogen
om te rusten en om werkzaam te zijn. Aan het geestesoog doet geestkracht
zich voor als warmte. Deze warmte is in een voortdurende toestand
van beweeglijkheid, die wordt gezien als trilling.
Deze beweeglijkheid is: leven.
Zijn de geestelijke vermogens met elkaar in evenwicht, dan wordt
de geestesgesteldheid gekenmerkt door rust. Hoe krachtiger en evenwichtiger
de geest is, hoe dieper de innerlijke rust. Door de kracht van het
innerlijke evenwicht laat deze rust zich door niets verstoren. De
toestand is te vergelijken met een stromende bron. Het water dat
uit de bron stroomt, gaat gelijkmatig en rustig voort; toch is er
een grote kracht in verborgen.
De geest is een kracht, die de eigenschap bezit zich bewust te kunnen
zijn. De toestand van bewustzijn doet zich aan het geestesoog voor
als licht. Dat licht komt voort uit de warmte. Dat is er de oorzaak
van dat de geest als lichtende warmte een bewuste kracht
is.
Met de geest als kracht die zich als geestelijke warmte voordoet,
is het vermogen om te willen verbonden; met de geest als bewustzijnstoestand
die zich als geestelijk licht voordoet, is het vermogen om waar
te nemen verbonden.
De kèrn van het al is de geest als de bewuste levenskracht.
De geest als die bewuste levenskracht is ook de bròn van
het al.
De stelling: De geest is de bewuste levenskracht, die zich voordoet als lichtende warmte, is het kernbegrip van geestkunde.
Daaruit is al het andere af te leiden en te beschrijven.
In sommige levensbeschouwingen duidt het woord 'energie' een kernbegrip
aan. Er wordt daardoor bijvoorbeeld wel gesteld: 'alles is energie'.
Het woord 'energie' is afkomstig van het Griekse 'en ergon': in
werking. Dit woord vertegenwoordigt één aanzicht van
'kracht': alleen beweging; de rust ontbreekt eraan. Het begrip 'kracht'
is daarom wezenlijker dan het begrip 'energie'. Energie is een afgeleid
begrip. In de geest en in God is rust een even belangrijke eigenschap
als werking, beweging. Beweging en rust zijn twee tegendelen, die
elkaar in evenwicht houden. De een kan niet zonder de ander bestaan.
De aanname dat 'alles energie is', berust op een eenzijdige vereenzelviging
met het begrip 'beweging'.
(terug
naar index)
- kwaad
- Het kwade in Gods schepping
komt voort uit de noodzaak de menselijke geest vrijheid van handelen
te geven, hóe de ontwikkelingstoestand van die geest ook
is. Die vrijheid van handelen is nodig om de geest in de gelegenheid
te stellen naar eigen, vrije keuze te kunnen kiezen voor geestelijke
ontwikkeling, dat wil zeggen: te kunnen kiezen voor een toegroeien
naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing, en naar hereniging met God.
Die vrijheid van keuze is een onvermijdelijk vereiste voor geestelijke
groei, doordat alleen datgene wat de geest zich uit vrije keuze
en op eigen kracht èigen maakt, een onvervreemdbaar
eigendom wordt van de geest. Alleen wat de geest zèlf tot
stand heeft gebracht, voegt blijvende waarde toe aan de eigenheid
en aan de geestesgesteldheid van die geest. Alleen wat de geest
op eigen kracht heeft bereikt, wordt tot eigendom en betekent een
blijvende verrijking van de geest. Wat de geest van anderen heeft
geleend of wat door anderen is aangegeven of aangeleerd, blijft
alleen een bezit wat verloren kan gaan en wordt nooit een eigendom;
of de geest moet het zich alsnog eigen maken.
Alleen wat de geest zèlf heeft geschapen, is het eigendom
van de geest. Dat geldt in het bijzonder voor geestelijke groei.
Geestelijke groei is de zelfverwerkelijking. Het is het herscheppen
van de geest van zichzelf door al die eigenschappen, die in aanleg
in de geest aanwezig zijn, uit eigen vrije keuze en op eigen kracht
zelf tot ontwikkeling te brengen. Die eigenschappen zijn: de geestelijke
vermogens.
Zolang de geest hier niet voor kiest, blijft de geestesgesteldheid
die van de aanvangstoestand van de geestelijke ontwikkeling. Het
kwade komt voort uit de menselijke geest, zolang die in de aanvangstoestand
van onbewuste vereenzelviging, gehechtheid en eenzijdigheid blijft
staan.
In de toestand van onbewuste vereenzelviging verkeren de vermogens
in de toestand van de onbeheerste werkzaamheid, waarbij de geest
wordt geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en wordt gedreven
door aandoeningen en aandriften.
In de toestand van gehechtheid is de werkzaamheid van de vermogens
op zelfzuchtige wijze op zichzelf gericht. In die toestand wordt
de werkzaamheid van de geest gekenmerkt door hebzucht en regelzucht,
door eerzucht en heerszucht.
In de toestand van eenzijdigheid wordt de persoonlijkheid erdoor
gekenmerkt, dat de eigenschappen van één der vermogens
op overdreven wijze aanwezig zijn, maar de eigenschappen van het
tegendeel van dat vermogen juist op pijnlijke wijze in de persoonlijkheid
ontbreken.
Deze ontwikkelingstoestanden van onbewuste vereenzelviging, gehechtheid
en eenzijdigheid van de menselijke geest, zijn de oorzaak van al
het kwade, van al het leed en verdriet, dat mensen elkaar en zichzelf
aandoen. Maar de ongunstige, kwade gevolgen van deze ontwikkelingstoestand
zijn een onvermijdelijk vereiste om de geest een prikkel te geven ten slotte uit zichzelf te kiezen voor het goede, voor de weg van zelfverwerkelijking
en hereniging, om zo een einde te maken aan de oorzaak van het kwade,
de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging.
De weg van zelfverwerkelijking en hereniging, de levensweg, leidt
naar het goede. Het goede hangt samen met die geestestoestand, waarin
de geest de eigen vermogens zodanig heeft ontwikkeld, dat zij een
eenheid zijn geworden van elkaar aanvullende en evenwichtig met
elkaar samenhangende tegendelen. Het gedrag, dat vanuit deze kern
door de persoonlijkheid heen naar buiten komt, wordt gekenmerkt
door het geweten en de deugden (zie aldaar). Het is het gedrag van een goed mens.
(terug
naar index)
|
|