inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst L
 
leenwoorden
De behoefte leenwoorden te gebruiken, heeft een aantal oorzaken. Het is een overblijfsel uit de Middeleeuwen, toen Latijn de gebruikelijke taal was om wetenschap te bedrijven. Het had als dode taal het voordeel dat niet één volk zich door het gebruik ervan benadeeld voelde. In de natuurwetenschappen is het gebruik van Latijn handig om ontdekte onderwerpen een naam te kunnen geven, als dat onderwerp nog geen naam heeft (bijvoorbeeld 'atoom').
Doordat Latijn bekend staat als wetenschappelijke taal, kunnen Latijnse woorden ook worden gebruikt om er een (schijn)wetenschappelijke indruk mee te maken bij de toehoorders. Door de bijzondere klank lijkt het alsof een leenwoord een diepere betekenis heeft dan het natuurlijk alledaags klinkende Nederlands, wat slechts schone schijn is. De Romeinen duidden met hun woorden dezelfde dingen aan, die wij nu met onze Nederlandse woorden benoemen. Juist doordat men wordt geboeid door de uiterlijke klank, kan men het gevaar lopen voorbij te gaan aan de diepere betekenis van het Latijnse woord.
Verder wordt er veel vertaald uit het Engels, dat door de honderdjarige oorlog met Frankrijk buitengewoon veel van oorsprong Latijnse woorden in de oorspronkelijk Germaanse taal (het Angel-Saksisch) heeft opgenomen; het hedendaagse Engels is in feite een mengtaal, dubbeltaal. Bij vertalingen worden die woorden in de Nederlandse tekst vrijwel zonder omwegen onvertaald gelaten.

Wie leent geeft daarmee aan te menen zelf armlastig te zijn en van andersmans hulp afhankelijk. De woordenrijkdom van het Nederlands doet echter voor geen enkele taal onder. In het Nederlands en het Duits bestaat bovendien een grote vrijheid om geheel nieuwe woorden te vormen, meer dan bij andere talen. Terwijl het invoeren van leenwoorden tot gevolg heeft dat bepaalde Nederlandse woorden niet meer worden gebruikt, zodat het Nederlands verarmt.
Doordat slechts weinigen de betekenis van het leenwoord in het woordenboek opzoeken, bestaat bij velen slechts een vage voorstelling van de betekenis. Dat is de oorzaak van veel onnodige verwarring en onbegrip. Juist op geestelijk gebied, dat over ontastbare onderwerpen gaat, zou dit moeten worden voorkomen en zou de woordkeuze duidelijk en eenduidig moeten zijn. Daarvoor is kennis van de betekenis van de gebruikte (leen)woorden noodzakelijk.
Een kenmerk van het Latijn is, dat één woord veel betekenissen kan hebben, waardoor bij vertalingen uit die veelheid van betekenissen een keuze moet worden gemaakt; wat daardoor ook voor het Engels geldt. Daardoor is de betekenis van Latijnse woorden vaak onduidelijk. Bij de andere Germaanse talen heeft een woord meestal één of soms twee betekenissen. Daardoor zijn zij veel minder voor tweeërlei uitleg vatbaar, wat de duidelijkheid ten goede komt.
Daarnaast moet in overweging worden gegeven dat Latijn een soldatentaal is; het is de taal van wereldveroveraars. De Romeinen kenden slechts een drietal onbekend gebleven filosofen; de Grieken bijvoorbeeld daarentegen tientallen, die nog steeds gelezen worden omdat zij innerlijke beschaving op aarde brachten.

De bedoeling van geestkunde is het godsdienstige weer tot het alledaagse leven te laten behoren, waar de gewone omgangstaal bij past. Uit de gegeven beschrijving van geestkunde blijkt, dat voor het weergeven van de diepste inzichten geen enkel leenwoord nodig is. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat een tekst het beste wordt begrepen, als die in de moedertaal is geschreven. De Nederlandse wiskundige Simon Stevin (1548-1620) voerde Nederlandse woorden in voor alle begrippen in meetkunde en rekenkunde; daarin is het Nederlands uniek in de wereld. Hij deed het tegenovergestelde van lenen en vertaalde leenwoorden in zijn moedertaal.
In overweging moet worden gegeven dat het vormen van woorden de belangrijkste, zelfscheppende werkzaamheid van de geest is en dat geestelijke zelfwerkzaamheid - ook wat taalgebruik betreft - juist het doel is van geestelijke ontwikkeling. Taal is een geestelijke uiting bij uitstek van iedereen en verdient daarom een uiterste zorgvuldigheid. Wie doordringt tot de kern van zichzelf als geest, voelt zich ook aangetrokken tot taal en tot de bron van de eigen taal. Wie zichzelf is geworden, zal ook de hem of haar eigen taal onvervalst willen spreken.
Een woord is een klank of een woordbeeld op papier, dat een diepere betekenis heeft. De betekenis van een woord beschrijft het begrip àchter het woord, de geestelijke achtergrond, waar het woord een 'teken' voor is. Door die begrippen te kennen, kan worden begrepen wat iemand bedoelt met wat hij of zij zegt of schrijft. Om elkaar te kunnen verstaan is het noodzakelijk de betekenis van de woorden te kennen of aan de ander duidelijk te maken wat met bepaalde woorden wordt bedoeld.
Hieronder volgt de uitleg van enkele leenwoorden die o.a. op geestelijk gebied in zwang zijn geraakt.

affirmeren Het Latijnse woord 'affirmare' betekent 'bevestigen'. Door sommigen wordt gesteld dat het langdurig in zichzelf herhalen van bepaalde woorden de betekenis van dat woord zou versterken en de geestesgesteldheid zou beïnvloeden. Vroeger werd dit de 'methode van Coué' genoemd, daarna 'autosuggestie' en nu 'affirmeren'. Door steeds een ander woord te kiezen, wordt de indruk gewekt dat het om iets nieuws zou gaan; ook daarvoor lenen leenwoorden zich.
astraal Het Latijnse woord 'astralis' betekent 'de sterren betreffend'. Het geestesoog ziet namelijk in de uitstraling van de geest (dat is de ziel) tintelende vonkjes, die als kleine sterretjes flonkeren.
aura Het Latijnse woord 'aura' betekent o.a. 'uitstraling', 'windje', 'hemels licht', 'glans'. In geestkunde is beschreven dat door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens de geest een krachtveld om zich heen uitstraalt, de 'uitstraling van de geest', die in geestkunde de 'ziel' wordt genoemd (zie ook de betekenis van 'psyche'). In geestkunde is de aura daarom de ziel.
balans Het woord 'balans' is afkomstig van het Latijnse 'bi lanx': 'twee schalen'; m.a.w. het duidt de 'weegschaal' als weegwerktuig aan. Dit woord zegt niets over de toestand waarin die twee schalen zich bevinden. De betekenis van het Nederlandse woord 'evenwicht' geeft wel duidelijk aan waar het om gaat: aan beide zijden zijn de gewichten even groot. Toch wordt dit betekenisvolle woord langzaam maar zeker verdrongen door het nietszeggende woord 'balans', doordat het gewoon niet wordt vertaald. De Engelsen met hun voorkeur voor Latijn hadden beter kunnen kiezen voor 'equilibrium', dat wel 'evenwicht' betekent.
dimensie Het Latijnse woord 'dimensio' betekent 'afmeting'. Er zijn er drie: lengte, breedte en hoogte, en een vierde, de tijd ('tijd' komt van Gothisch 'timan', 'afmeten'). Het woord wordt nu ook gebruikt om een 'geestelijke wereld' mee aan te duiden. Alle geestelijke werelden zijn echter oneindig, daar zij uit de oneindige algeest zijn voortgekomen. Zij zijn juist zònder afmeting! De oorspronkelijke betekenis van het woord 'dimensie' is het volstrekte tegendeel van datgene, waarvoor het nu wordt gebruikt, namelijk om er een oneindige geestelijke wereld mee aan te duiden. De drie dimensies lengte, breedte en hoogte vormen een ruimte (een wereld), maar door onwetendheid is het begrip 'dimensie' op die ruimte overgedragen.
(In de theoretische natuurkunde doet de M-theorie van de Amerikaan Ed Witten over 'snaren' en 'branen' opgeldt, die 11 dimensies aanneemt. Deze dimensies hebben echter een geheel andere betekenis dan die men er nu in bepaalde kringen buiten de natuurkunde aan geeft. Wel wordt in de theoretische natuurkunde in verband met de M-theorie over 'parallelle universums'(!) gesproken.)
ego Het Latijnse 'ego' betekent 'ik'. Dit is het enige leenwoord, waarnaast het Nederlandse woord zich volledig handhaaft. Dit is niet verwonderlijk, daar aan het woord 'ego' alles is gehecht, wat maar slecht is in een mens. Door er bovendien een zelfstandig naamwoord van te maken in de vorm van 'het ego', kan er nu op een afstandelijke manier en zo op een veilige wijze over al die slechte persoonlijkheidseigenschappen worden gesproken. Daardoor vervaagt het besef, dat 'ik' dat 'ego' zelf ben of zou kunnen zijn. Ook hiervoor kunnen leenwoorden worden gebruikt.
egoïsme Dit is een leenwoord uit het Frans, gevormd uit het Latijnse 'ego'. Door het achtervoegsel 'ïsme' wordt met een zo gevormd woord een bepaalde geestesgesteldheid aangeduid. Door dat achtervoegsel rechtstreeks met het woord 'ego' te verbinden, wordt met 'ego' zo een bepaalde geestesgesteldheid bedoeld. De toch zo betekenisvolle woorden 'ik' en 'ego' hebben door de ongunstige betekenis die met het woord 'egoïsme' is verbonden, geheel ten onrechte zelf óók een ongunstige betekenis gekregen.
In wezen zijn de woorden 'ik' en 'ego' heilige woorden, want de menselijke geest, uit de goddelijke algeest geschapen(!), duidt hiermee zichzelf aan. Ook Jezus en Boeddha duidden zichzelf met het woord 'ik' ('ego') aan.
Het Nederlandse woord 'zelf-zucht' geeft duidelijk aan dat het om een 'ziekelijke zelfgerichtheid' gaat. Dáárnaast kan het woord 'ik' zijn verheven waarde behouden. Het duidelijke woord 'zelfzucht' is echter door het betekenisvervalsende leenwoord 'egoïsme' in onbruik geraakt.
emotie Het woord 'emotie' komt van het Latijnse 'e-movere', dat 'eruit bewegen' betekent. Het woord zegt dus niets over 'gevoelens'; maar er wordt over het algemeen wel een onbeheerste gemoedsgesteldheid, een gemoedsaandoening mee bedoeld. Echter, àlles wat de geest in zichzelf vormt, kan 'eruit bewogen' worden, kan worden uitgedrukt: gedachten, gevoelens, wilsbesluiten.
Het woord 'emotie' is verwisseld met het Latijnse 'affect'. 'Affectus' betekent: gemoedsaandoening. Het Nederlandse woord 'aandoening' zegt nauwkeurig waar het om gaat: de gemoedsgesteldheid wordt 'aangedaan' door alles, waar de geest geen macht over heeft. Toch dreigt dit zo duidelijke woord in onbruik te raken.
Het woord 'emotie' wordt ook gebruikt voor aandoeningen die juist nìet 'er uit worden bewogen', zoals angst en minderwaardigheidsgevoelens. Juist doordat zij nìet worden geuit, zorgen zij voor persoonlijke moeilijkheden.
energie Het woord 'energie' komt van het Griekse 'en erges', dat 'in werking', 'werkend' betekent. Het woord wordt nu gebruikt om er 'kracht' mee aan te duiden. Een kracht heeft echter het vermogen om niet alleen 'werkzaam' te zijn, maar evengoed te 'rusten'! Het begrip 'kracht' is het kernbegrip om de geest aan te duiden. Door aan het woord 'energie' het begrip 'kracht' te verbinden, gaat men voorbij aan de helft van de betekenis van 'kracht', namelijk het vermogen om te rusten.
enthousiasme Dit woord komt van het Griekse 'en thousias' en betekent 'in God zijn'. Hoewel dit woord zeer veel wordt gebruikt, kan de vraag worden gesteld wie werkelijk bewust 'in God is'. Als iedereen de betekenis van dit woord kende en beseft dan te zeggen 'ik ben in God', zou het niet meer worden gebruikt. Het heeft ondertussen wel het Nederlandse 'geestdrift', dat nauwkeurig aangeeft om wat voor geestesgesteld het gaat en wat iedereen ook waarheidsgetrouw zou kunnen gebruiken, verdrongen.
entiteit Dit woord komt van het Latijnse 'entitas' en betekent 'wezenlijkheid'. Het hangt samen met Latijn 'ens', het 'ding' en 'esse', 'zijn'. Een 'entiteit' is daardoor een 'zijnde', 'iets, wat is'. Het heeft daardoor zo'n algemene betekenis, dat het een nietszeggend woord is. Het wordt gebruikt om er een wezen in de geestelijke wereld mee aan te duiden. Als dat 'iets is, wat is', dan moet de gevolgtrekking worden gemaakt, dat de mens in de stòffelijke wereld niet 'iets, wat is' zou zijn, dus 'niets'. Daar de mens op aarde dit woord zelf uitspreekt, kan dit niet anders dan een ongerijmdheid zijn. Wat wordt bedoeld is een 'geestelijk persoon' of 'geestelijk wezen'. De mens op aarde is echter evenzeer een 'entiteit', een geestelijk persoon als een mens in de geestelijke wereld.
ether Dit woord komt van het Griekse 'aither', dat o.a. 'hemelstreek', 'adem' betekent. Het geeft aan dat iets te maken heeft met de geestelijke wereld.
evolutie Het woord 'evolutie' komt van het Latijnse 'e-volvere'. Het betekent: uit-rollen, uit-draaien. Het beeld ervan is het uitrollen van een vloerkleed, zodat dit zichtbaar wordt. Het woord 'ontwikkelen' betekent: het verwijderen van de wikkels waaronder iets anders, bijvoorbeeld een beeld, verborgen was. Dat beeld was eerst in een ingewikkelde toestand. Het was als een aanleg onder die wikkels verborgen en moest worden ontwikkeld om het beeld tevoorschijn te brengen.
Het woord 'ontwikkeling' geeft nauwkeurig aan wat er gebeurt bij de ontwikkeling der soorten. Het zijn de menselijke geesten geweest die vanuit de geestelijke wereld eeuwenlang hun eigen geestelijke ontwikkelingstoestand hebben uitgedrukt in de ontwikkeling der levensvormen op aarde. Uiteindelijk is het beeld, dat in aanleg al aanwezig was, maar dat de menselijke geest grotendeels zelf moest ontwikkelen, in de menselijke vorm, het menselijke lichaam op aarde, in ontwikkelde toestand zichtbaar geworden. Gods engelen hebben hiermee aanvankelijk geholpen i.v.m. de toenmalige onbewuste toestand van de mens. Daardoor is er nu een tijdperk waarin de menselijke vorm tijdelijk verder is ontwikkeld dan de geestesgesteldheid van de mens. Die moet zijn menselijke vorm nu waar gaan maken.
Toeval kan niet de drijvende kracht zijn achter ontwikkeling, want wat toevallig ontstaat, heeft een even grote kans toevallig ook weer te vergaan.
feminisme Dit woord komt van het Latijnse 'femina', dat 'vrouw' betekent. Het woord 'femina' hangt samen met 'femur', 'heup', met 'famulare', 'dienen' en met 'familia'. Hoeveel feministes zijn op de hoogte van deze etymologische samenhang van het woord, waarmee zij zichzelf aanduiden?
focus Het Latijnse woord 'focus' betekent o.a. 'haard', 'brandpunt'. Het wordt echter gebruikt als het woord 'aandacht'. Aandacht is: het op één punt richten van het waarnemingsvermogen. Door het gebruik van het woord 'focus' valt de nadruk niet meer op wat de geest zelf doet (aandacht voor iets hebben), maar op het onderwerp waarop de aandacht wordt gericht, het 'brandpunt'.
Wat eerder bekend was als de analytische psychologie van Jung, is nu onder de naam 'focussen' als iets nieuws op de therapiemarkt gebracht. Ook daar lenen leenwoorden zich voor.
idee Het woord 'idee' kan afkomstig zijn van het Griekse woord 'eidos', dat o.a. 'begrip', 'voorstelling' betekent, of van het Griekse 'idea', dat o.a. 'beeld', 'begrip', 'mening' betekent. Het woord wordt meestal gebruikt met de betekenis van 'gedachte', 'denkbeeld'.
identificeren Het woord 'identificeren' is een samentrekking van het Latijnse 'idem facere', dat letterlijk 'eenzelfde maken' betekent. De betekenis van het woord is dat iemand, die zich met iets 'identificeert', zich schijnbaar voor het gevoel 'tot eenzelfde maakt' als dat onderwerp. Het Nederlandse woord is: zich vereenzelvigen.
impact Dit Latijnse woord betekent 'stootkracht'. Het wordt onjuist gebruikt i.p.v. 'invloed'.
instinct Het woord 'instinct' komt van het Latijnse 'instinctus' en betekent 'aandrift'. Het wordt gebruikt in de betekenis van 'aangeboren gedrag'. Het woord 'instinctief' wordt regelmatig verwisseld met 'intuïtief' (zie 'intuïtie').
individu Het woord 'individu' komt van het Latijnse 'in-dividuus' en betekent 'on-gedeeld'. Het werkwoord 'dividere' betekent namelijk 'verdelen'. Het woord 'individu' geeft een beschrijving van de kenmerken van een zelfstandigheid in ontkennende zin. Het zegt alleen wat die zelfstandigheid nìet is. Dit is weinig zinvol.
Zinvoller is een bevestigende beschrijving, in de vorm van het woord 'persoon'. Helaas is dit ook een leenwoord, maar een overeenkomstig Nederlands woord is er niet. Zie bij 'persoon'.
intelligentie Het woord 'intelligentie' is een samentrekking van het Latijnse 'inter ligere', dat 'er tussen lezen' betekent. Het woord 'intelligentie' betekent: tussen de regels door lezen; begrijpen, wat er staat. De betekenis van het woord 'intelligentie' slaat op het denkvermogen. Dit vermogen kan inderdaad door een test worden gemeten.
Er wordt ook gesproken over 'emotionele intelligentie'. Het 'voelen' wordt hier als bijvoeglijk naamwoord(!) bij 'denken' als zelfstandig naamwoord gebruikt(!). Het voelen zou dus een aanhangsel van het denken zijn. In geestkunde worden voelen en denken als volkomen aan elkaar gelijkwaardige vermogens behandeld.
interesse Het woord 'interesse' is een samentrekking van het Latijnse 'inter esse', 'ertussen zijn', ergens in betrokken zijn. Het Nederlandse woord is: belangstelling, ergens belang in stellen, iets belangrijk vinden. I.t.t. 'ertussen zijn' geeft dit woord duidelijk aan waar het om gaat, maar het wordt wel door 'interesse' verdrongen.
interview Dit woord is een samentrekking van het Latijnse 'inter visus' en betekent 'er tussen kijken'. Een 'interview' is dus een 'tussenkijkje'. Het Nederlandse woord 'vraaggesprek' geeft nauwkeurig weer wat er wel wordt gedaan, maar is vrijwel geheel verdrongen.
intuïtie Dit woord komt van het Latijnse 'intueri', 'naar binnen turen', 'schouwen'. Het woord 'intueri' geeft de 'ingekeerde waarneming' weer. Het wordt echter gebruikt met de betekenis van 'inval', 'ingeving', 'voorgevoel' (wat in het Latijn overeenkomt met 'inspiratie', 'inblazing'). Het woord 'intuïtief' wordt bovendien regelmatig verwisseld met 'instinctief' (zie 'instinct').
meditatie Van het woord 'meditatie' is de betekenis niet te achterhalen. Ieder kan er daardoor zijn eigen betekenis aan geven. Het woordenboek geeft 'overpeinzing'. In geestkunde wordt dit onderwerp beschreven als 'zelfbezinning'. Het enige onderwerp dat de moeite van 'overpeinzing' of 'bezinning' waard is, is de menselijke geest zelf, daar de menselijke geest een vonk is uit en in de goddelijke algeest.
mentaal 'Mentaal' komt van het Latijnse woord 'mens', dat 'geest' betekent. Het woord wordt echter gebruikt met de betekenis 'denken' en is dan het tegendeel van 'emotioneel' (zie 'emotie'). Dit is echter een eenzijdige behandeling van het woord. De geest is niet alleen het denken, maar is de bewuste levenskracht die over de vier vermogens beschikt: waarnemen, denken, voelen en willen. Het woord 'mentaal' is verwisseld met 'rationeel', afkomstig van 'ratio', 'denken'.
mind Het Engelse woord 'mind' hangt etymologisch samen met het Nederlandse 'menen' en het Engelse 'to mean'. De betekenis slaat voornamelijk op het denkvermogen en niet op de geest. De geest is immers de bewuste levenskracht die niet alleen denkt, maar waarneemt, denkt, voelt en wil.
Een mening is een opvatting, denkwijze of gevoelen. Het zelfstandige naamwoord 'the mind' betekent in feite letterlijk: 'de menende', dus 'hij of zij, die een mening heeft'.
monade Het Griekse woord 'monados' betekent 'eenheid'. Er zijn meerdere eindige monaden en één oneindige, die de oorzaak is van de eersten. Bedoeld wordt de 'ondeelbare grondeenheid' (Leibniz). Deze oneindige monade wordt in geestkunde met 'algeest' aangeduid, terwijl de eindige monade de 'geest' is. Dit komt in het Hindoeïsme in volgorde overeen met 'Brahman' en 'Atman'.
mystiek Het Griekse werkwoord 'muoo' waar 'mystiek' van is afgeleid, betekent: 'het sluiten van de ogen'. De bedoeling hiervan is tot zichzelf te komen en zich met God te herenigen.
negativiteit Het woord 'negativiteit' komt van het Latijnse 'negare', dat 'ontkennen' betekent. Dit is een verzamelwoord geworden waarmee ongunstige persoonlijkheidseigenschappen zoals kwaadwilligheid, boosaardigheid, medogenloosheid en misdadigheid van duistere geesten worden aangeduid.
Door dit veelomvattende leenwoord - dat daardoor een vage betekenis heeft - te gebruiken, worden deze kwade geesten niet meer met de naam benoemd naar wat zij werkelijk zijn. Daardoor verdwijnt het besef dat het werkelijk om kwaadwillende geesten kan gaan in de 'anonieme' mistigheid van de 'negativiteit', wat hen juist zeer welkom is. Dit woord is afkomstig uit de electriciteitsleer.
new age New Age wordt meestal vertaald met 'nieuwe tijd', maar de juiste vertaling is: 'nieuw tijdperk'. Dit is de meest nietszeggende uitdrukking om een bepaalde stroming aan te duiden, ooit bedacht. Iedere nieuwe dag is een 'nieuwe tijd'. Deze betekenisloze aanduiding is de ontwikkeling van de geesteswetenschappen die nu plaatsvindt, zoals numerologie, astrologie, Tarot, Enneagram, anthroposofie en ook geestkunde, volkomen onwaardig. Wat nu gaande is, is de ontwikkeling van geesteswetenschap naast natuurwetenschap. Wat zal blijken, is, dat de moderne theoretische natuurkunde (Einstein, Ed Witten) bezig is de waarde van geesteswetenschap te bewijzen. Einstein: "Ik wil onderzoeken hoe God denkt!"
De aanduiding voor deze stroming is weliswaar 'nieuwe tijd', maar wat men daar tot nu toe voornamelijk heeft gedaan, is juist terugkijken naar wat in 'oude tijden' werd gedacht.
persoon Het woord 'persoon' komt van het Griekse 'per-sonare' en betekent: 'er doorheen klinken'. Het woord geeft aan dat het de menselijke geest is die gebruik maakt van de hersenen en de stembanden in het strottehoofd, en zo door de mond heen naar buiten toe tot klinken komt. Daarom: de 'persoon' is de menselijke geest.
power Het woord 'power' komt van het Franse 'pouvoir' en betekent 'kunnen'. Het wordt nu gebruikt in de betekenis 'kracht'.
psyche Het Griekse woord 'psyche' betekent o.a. 'schim', 'ziel', 'bewustzijn', 'verstand', 'gemoed'. Het hiervan afgeleide woord 'psychikos' betekent 'van de ziel', 'natuurlijk', 'ongeestelijk' en is het tegendeel van 'pneumatikos', dat 'geestelijk' betekent. Het Griekse 'pneuma' betekent 'geest'.
Er bestaat een duidelijk onderscheid in betekenis tussen de woorden 'ziel' en 'geest', maar ze worden meestal door elkaar gebruikt. Het verbod van het vierde concilie van Konstantinopel om het woord 'geest' voor leken te gebruiken, heeft de verwarring volledig gemaakt.
reïncarnatie Het woord 'reïncarnatie' komt van het Latijnse 're-in-carnis', dat 'weer in vlees' betekent. Dit woord zegt niets over de betekenisvolle omstandigheden, waarin de geest opnieuw in een lichaam indaalt. Het Nederlandse 'wedergeboorte' doet dat wel.
'Wedergeboorte' geeft duidelijk aan dat het om een geboorte gaat. Geboorte beschrijft het gebeuren dat een geest door de uitstraling van de moeder heen in een stoffelijke vorm indaalt, die door man en vrouw aan de indalende geest wordt geschonken. Daardoor wordt door hen drieën steeds opnieuw Gods schepping van de mens herbeleefd. Door de geboorte komt een kind op aarde en aan een kind is eigen, dat het gaat groeien. Die stoffelijke groei is een weergave van de geestelijke ontwikkeling, die de mens op de aarde als geestelijke leerschool meemaakt.
relatie Het woord 'relatie' komt van het Latijnse 're-lattere', dat 'heen en weer gaan' betekent. De betekenis van het woord is, dat in een verstandhouding tussen twee mensen er op een evenwichtige wijze aandacht, begrip, liefde en inzet voor elkaar 'heen en weer moet gaan' om de verstandhouding goed te houden. Noodzakelijk is een 'evenwichtige wederkerigheid'. Het gebruik van het woord 'relatie' heeft het Nederlandse 'verstandhouding' geheel verdrongen.
religie Het Latijnse woord 'religio' kan samenhangen met 're-ligere', dat 'herlezen' betekent en met 're-ligare', dat 'her-verbinden' betekent. In het eerste geval komt religie niet verder dan boekenwijsheid; in kerken wordt voortdurend de Bijbel herlezen. In het tweede geval komt het overeen met 'mystiek' als een innerlijk streven zich met God te herenigen. In geestkunde is de hereniging het gevolg van zelfverwerkelijking en zelfbezinning. Zelfverwerkelijking en hereniging zijn de beide kernpunten van geestkunde.
spiritueel Het woord 'spiritueel' is afkomstig van het Latijnse werkwoord 'spirare', dat o.a. 'ademen', 'bruisen', 'vol leven zijn', 'uitstromen' betekent. Dit komt overeen met de oorspronkelijke betekenis van de woorden 'geest', 'gist' en 'geiser' in Germaanse talen.
spiritualiteit Het Latijnse woord 'spiritualitas' betekent: 'geestelijkheid', 'geestelijke geaardheid', 'geestelijke gerichtheid'.
spirituologie Het Latijnse woord 'spiritus' betekent o.a.: 'wind', 'adem', 'leven', 'stem', 'geest', 'gezindheid', 'zelfbewustzijn', 'onstoffelijk wezen'; het woord 'logica': 'redeneerkunde'. Spirituologie is de kennis, waarmee de geest kan worden beschreven. Spirituologie is daarmee de Latijnse naam voor 'geestkunde'.
stress Het woord 'stress' komt van het Latijnse werkwoord 'stringere' en betekent 'spannen' en daarmee samenhangend 'spanning'. Er is veel verwarring over de betekenis van het woord 'stress', terwijl toch in het oorspronkelijke werk van de Canadese fysioloog Hans Selye duidelijk te lezen staat: 'stress' is 'spanning' (noodzakelijk voor het leven), 'disstress' is 'gespannenheid' en 'overspanning' (ziekmakend) en 'eustress' is 'ontspanning' (het evenwicht wordt hersteld). Het is altijd aan te raden het oorspronkelijke werk van een schrijver te lezen!
visualiseren Het woord 'visualiseren' komt van het Latijnse woord 'visus': 'het gezicht', 'het zien'. Het heeft de betekenis: 'aanschouwelijk maken', 'verbeelden', 'zich een beeld voor ogen stellen'. Het woord 'visualiseren' is op de therapiemarkt een tijd in de mode geweest, maar wordt nu vervangen door 'focussen'. Door een ander woord te kiezen, wordt de indruk gewekt dat het om iets nieuws zou gaan; ook daarvoor lenen leenwoorden zich.
zelfrealisatie Het werkwoord 'realiseren' komt van het Franse 'realiser', dat samenhangt met het Latijnse 'res', dat 'ding', 'zaak' betekent. Het werkwoord 'realiseren' betekent daardoor: 'tot een ding maken', 'tot een zaak maken'; en 'zelfrealisatie' dus: jezelf tot een ding maken, jezelf tot een zaak maken. De menselijke geest is echter geen 'ding' en geen 'zaak', de menselijke geest is een levend wezen. Het is onmogelijk een levend wezen tot een ding te maken (dat doen alleen totalitaire regimes).
Het Nederlandse 'zelfverwerkelijking' beschrijft nauwkeurig waar het wèl om gaat: jezelf tot een 'werkelijkheid' maken, tot 'iets, wat werkt'. De menselijke geest wordt tot 'iets, wat werkt' door de eigen geestelijke vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken: het waarnemen, denken, voelen en willen, ingekeerd en uitgekeerd. Dit volkomen toepasselijke woord is echter verdrongen door het onjuiste leenwoord 'zelfrealisatie'.
(terug naar index)

leerling
De menselijke geest is de bewuste levenskracht. Als kracht heeft de geest het vermogen in beweging te komen. De geest komt in beweging door middel van de geestelijke vermogens. Het zijn de geestelijke vermogens waardoor de geest in beweging kan komen en werkzaam kan zijn. Deze vermogens zijn het vermogen om de dingen om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens met de gevormde gedachten en gevoelens een besluit te vormen en dat met het willen uit te voeren in de vorm van een uitspraak of handeling.
De aarde is een leerschool voor de mensenlijke geest, waar de geest als leerling in bepaalde omstandigheden wordt gebracht om deze vermogens te oefenen en ze zo tot ontwikkeling te brengen. Die omstandigheden worden gevormd door de tijd als een stroom van gebeurtenissen, die de geest leerzame ervaringen laat meemaken. Door de noodzaak staande te blijven in die stroom, wordt de geest door die gebeurtenissen ertoe aangezet de geestelijke vermogens te gebruiken om die gebeurtenissen te verwerken. Daardoor vindt geestelijke groei plaats.
Het bijzondere van de toestand van de menselijke geest in dit bestaan is, dat de geest hier een leerling is zonder een zichtbare leraar. De leraar is alleen de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen. De tijd is het leerboek van de geest en de inhoud van dat leerboek zijn de gebeurtenissen, waar de geest zich doorheen moet zien te slaan - alleen met behulp van de eigen, geestelijke vermogens. Steeds wordt de geest daarom voor keuzes gesteld; steeds moet worden gekozen uit de mogelijkheden van handelen om bepaalde ervaringen te verwerken en te boven te komen. Daardoor leert de geest al doende de eigen vermogens bewuste en beheerst te gebruiken en dat is het doel van de aanwezigheid in het tijdelijke bestaan als leerschool. Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het omgaan met dat soort ervaringen.
In die school wordt de geest schijnbaar aan zichzelf overlaten en moet de geest de strijd volbrengen zonder zichtbare hulp of beloning. Die bijzondere toestand is noodzakelijk omdat alleen datgene, wat de geest zèlf heeft besloten en gedaan door de èigen vermogens te gebruiken, iets èigens is geworden wat de geest heeft verrijkt. Het is iets geworden wat het onvervreemdbare eigendom is geworden van de geest, doordat de geest uit zichzelf en op eigen kracht bepaalde moeilijkheden heeft overwonnen. Daardoor is de geest toegenomen in het vermogen een bewust en beheerst gebruik te maken van de vermogens en dat is de geestelijke ontwikkeling, die een blijvende verrijking betekent voor de geest.
De geest is daarom een leerling, die al doende zichzelf alles moet leren in de leerschool, die de tijd als de loop van het lot voor de geest is. Het gaat er daarom om de loop van het lot te aanvaarden als de eigen leerschool en zich er niet tegen te verzetten, maar de gebeurtenissen te zien als mogelijkheden om er iets van te leren - hoe moeilijk dat soms ook is. Daarbij moet in gedachten worden gehouden dat de beste leerlingen ook de moeilijkste opdrachten krijgen (in de Griekse mythologie wordt dit uitgebeeld door Herakles).
Het woord 'school' is afkomstig van het Egyptische 'she oul a', wat betekent: de eenzame mens dorst naar kennis. Dat is een nauwkeurige omschrijving van de toestand, waarin de menselijke geest zich op aarde bevindt.
(terug naar index)

leerschool
Een leerschool is een oefenplaats voor toename in kennis en bekwaamheid. Het tijdelijke, stoffelijke bestaan is voor de menselijke geest zo'n oefenplaats, die is bedoeld om de eigen vermogens al doende zelf tot ontwikkeling te kunnen brengen en ze bewust en beheerst te leren gebruiken.
Door de geboorte, het overgeleid worden van de geestelijke naar de stoffelijke wereld, daalt de geest in het lichaam in en woont erin gedurende het tijdelijke bestaan. Door de bewoning van de stoffelijke, afgescheiden vorm ervaart de geest een toestand van betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Daardoor is de geest in de gelegenheid zichzelf te oefenen om zelfstandig en onafhankelijk te zijn, en wel door middel van de geestelijke vermogens.
Doordat eigen ondervinding in deze school de leermeester is, leert de menselijke geest door zelf ervaring op te doen en die zelf te verwerken. De menselijke geest leert al doende. Daartoe komen door de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen ervaringen op de geest af, die de geest met behulp van de vermogens kan verwerken. Daardoor neemt het bewuste en beheerste gebruik dat de geest van de vermogens maakt toe. Zo groeit de geest, op eigen kracht, naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid, naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing; dit is wat zelfverwerkelijking wordt genoemd.
Door de menselijke geest in een stoffelijke vorm op te sluiten in een toestand van vereenzelviging, terwijl die stoffelijke vorm voor zijn voortbestaan van de omgeving afhankelijk is, is er de mogelijkheid de omgeving zo te veranderen, dat de geest in leerzame omstandigheden komt te verkeren. De engelen en geleidegeesten kunnen de omstandigheden steeds zo aanpassen, dat de geest lessen kan leren, zonder te beseffen dat het zijn vrienden en vriendinnen zijn, die deze lessen aanbieden.
Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het omgaan met dat soort ervaringen.
De tijdelijkheid van het stoffelijke bestaan en de daarmee samenhangende vergankelijkheid, levert de oefenstof voor de geestelijke groei. Alle stof is oefenstof, oefenstof voor de geest. Dat is het doel en de zin van dit stoffelijke, tijdelijke bestaan: het is een leerschool voor de geest om de goddelijke eigenschappen, de geestelijke vermogens, waarover de geest in aanleg beschikt, op eigen kracht te kunnen ontwikkelen.
Bij sommige ervaringen kan tijdens dit bestaan al het inzicht groeien in de betekenis, die de gebeurtenis heeft gehad voor de geestelijke groei. Bij andere ervaringen kan het voorkomen, dat die betekenis niet duidelijk is. De geest begrijpt dan niet, waarom hem of haar een bepaalde gebeurtenis heeft moeten overkomen. De betekenis wordt dan pas duidelijk als de geest weer is thuisgekomen in de geestelijke wereld. Dan vindt een terugblik plaats op de afgelegde weg. Tijdens deze naschouw wordt in liefde met de geestelijke begeleiders de betekenis besproken van alle ervaringen, die werden opgedaan tijdens het laatste bestaan.
Door de geestesgesteldheid die samenhangt met de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, wordt dit bestaan juist níet gezien als een middel, namelijk als leerschool voor de geest, maar als een doel op zich. De beweegredenen om werkzaam te zijn, komen dan min of meer voort uit de drift tot zelfbehoud en soortbehoud, en het doel is daardoor het verwerven van bezit en aanzien. Doordat de tijd als doel heeft steeds nieuwe, leerzame gebeurtenissen aan te dragen als leer- en oefenmogelijkheden, wordt alles gekenmerkt door tijdelijkheid en vergankelijkheid, ook bezit en aanzien. Door die vergankelijkheid dient de tijd juist een eeuwig doel: de ontwikkeling van de geestelijke vermogens door steeds nieuwe ervaringen te verwerken.
Als de tijd niet een eeuwig doel zou hebben door de geestelijke groei die er het gevolg van is, dan zou het tijdelijke bestaan alleen een aaneenschakeling zijn van ogenblikken van geluk die weer worden overschaduwd door wederwaardigheden en tegenspoed, met een ontluisterende oude dag en de dood als zinloos einde van alle inspanningen. De onbewust vereenzelvigde geest moet dit besef voortdurend van zich af zetten en verdringen door de aandacht krampachtig te hechten aan toch weer vergankelijke zaken. Deze verdringing is de oorzaak van het verzet tegen geestelijke levensbeschouwingen, doordat hiervoor eerst juist de zinvolle tijdelijkheid van het bestaan en de dood als onvermijdelijk einde ervan, moet worden aanvaard.
In sommige levensbeschouwingen is het gebruikelijk te stellen, dat het tijdelijke bestaan géén leerschool is. Het zou er 'alleen maar' om gaan 'zich alles weer te herinneren' omdat de geest 'de ware aard alleen maar vergeten is' en 'onbewust toch alles al weet'. Deze veronderstelling berust op een eenzijdigheid en wel op de eenzijdige vereenzelviging met het waarnemingsvermogen. Daardoor worden alleen de eigenschappen van het waarnemingsvermogen genoemd als zijnde geestelijke groei: het zich herinneren van kennis die is vergeten, maar die 'onbewust wordt geweten'. Er wordt niet van uit gegaan dat het de geest is die in het middelpunt staat en dat de geest naast het waarnemen ook over het denken, voelen en willen als vermogens beschikt, die bovendien in een uit- of ingekeerde instelling werkzaam kunnen zijn. Het zijn deze vermogens die in aanleg aanwezig zijn doordat de menselijke geest een godenkind is dat een groei naar geestelijke volwassenheid doormaakt door alle geestelijke vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken.
De zin 'onbewust alles al weten' is een tegenspraak. 'Zich bewust zijn' betekent namelijk: 'wetend zijn'. 'Onbewust zijn' betekent daardoor: 'onwetend zijn, niet wetend zijn'. De betekenis van de genoemde zin luidt daardoor: 'niet wetend alles al weten'. Als deze ongerijmdheid niet wordt ingezien, is het raadzaam eerst het eigen waarnemingsvermogen tot ontwikkeling te brengen door grondig de betekenis van de gebruikte woorden tot zich door te laten dringen. Bedoeld wordt te zeggen dat de menselijke geest in aanleg alles al in zich heeft om in het klein uit te groeien tot een goddelijke volmaaktheid, doordat de menselijke geest in wezen een algeestvonk is, door God door verdichting uit zichzelf gevormd!
(terug naar index)

leervermogen
Het vermogen om door waarnemen, denken, voelen en willen ervaringen zodanig te verwerken tot kennis, dat zij voor een volgende keer meteen en nuttig kunnen worden gebruikt.
Het leervermogen wordt gevormd door de geestelijke vermogens.
(terug naar index)

leven
Het leven is de geest als de bewuste, vermogende levenskracht.
Aan het geestesoog doet de geest als bewuste kracht zich voor als een 'wolk van lichtende warmte'. Zowel het licht als de warmte kunnen in een vormbare en in een zelfvormende toestand verkeren. Met deze eigenschappen hangen de vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Waarnemen is vormbaar licht, denken is zelfvormend licht, voelen is vormbare warmte, willen is zelfvormende warmte. Met deze vermogens kan de geest werkzaam zijn door een onderwerp waar te nemen, het waargenomene te overdenken en te doorvoelen, en daarop een besluit te willen uitvoeren.
Het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de geestelijke vermogens bevinden zich in een voortdurende toestand van beweeglijkheid, levendigheid. Deze beweeglijkheid is: hèt leven. Het leven dat de geest is, uit zich in de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. Als de geest de eigen vermogens zelfstandig gebruikt, dan lééft de geest (zie ook: bestaan).
De werkzaamheid van de vermogens wordt gekenmerkt door een levendige kringloop, doordat de geest wil blijven waarnemen wat de uitwerking is van de overdachte en doorvoelde besluiten en wilshandelingen, om die uitwerking vervolgens weer opnieuw te overdenken en te doorvoelen. Dat heeft een voortdurende herhaling van de werkzaamheid van de vermogens tot gevolg, waardoor deze kringloop zichzelf versterkt en waardoor de vermogens uit eigen oorzaak door de hen eigen werkzaamheid zichzelf tot ontwikkeling brengen. Door deze zichzelf versterkende kringloop zijn duurzaamheid en ontwikkeling onvervreemdbare eigenschappen van het levende, de geest. Remming en stilstand van die ontwikkeling betekent verstoring van het levende, wat ziekte tot gevolg heeft.
Door de onderlinge samenhang van de vermogens in deze kringloop is dit een beweging, waar geen eind aan komt. De geestelijke vermogens kunnen hierdoor niet anders, dan eeuwig zichzelf voortstuwen. Deze kringloop van zichzelf voortstuwende vermogens is het zelfwerkzame leven van de geest. Doordat zij het leven als een kringloop vormen die niet anders kan dan zichzelf voortstuwen, is dit een afbeelding van het feit, dat leven eeuwig is; dat leven er altijd is geweest en er altijd zal zijn. Dat het leven ìs, is nú te ervaren, als de lezende geest door in zichzelf in te keren de werkzaamheid van de eigen vermogens ervaart.
Wie door onbewuste vereenzelviging met dit bestaan buiten zichzelf gaat zoeken naar het 'perpetuum mobile' zal altijd blijven zoeken. Het antwoord op de vraag of er een eeuwigdurende beweging bestaat, is namelijk het wezen van de zoeker zelf: de menselijke geest.
(terug naar index)

levensweg
De levensweg is de geestelijke ontwikkelingsweg van het levende, de geest. Deze weg is een onzichtbare, innerlijke weg. De gang over deze weg bestaat uit een omvorming van de eigen geestesgesteldheid.
Aan het begin van de weg wordt de geestesgesteldheid gekenmerkt door de aanvangstoestand, waarbij de geest een min of meer onbewust en onbeheerst gebruik maakt van de geestelijke vermogens; aan het einde van de weg heeft de zich ontwikkelende geest een bewust en beheerst gebruik leren maken van de vermogens: de zelfverwerkelijkte toestand. Het gaat steeds om dezèlfde geest, alleen de wijze waarop de geest van de eigen vermogens gebruik maakt, verandert door toename van bewustheid en beheerstheid.
De persoonlijkheid van de zelfverwerkelijkte geest wordt gekenmerkt door een gewetensvol en deugdzaam gedrag. De geestesgesteldheid is dan zodanig omgevormd, dat die steeds meer in overeenstemming komt met die van de bron, de algeest. Uiteindelijk kan daardoor de algeest de hereniging tot stand brengen.
De levensweg is voor de geest een leergang naar zelfverwerkelijking en hereniging, doel en zin van het tijdelijke bestaan.
(terug naar index)

lichaam
Het lichaam is het stoffelijke omhulsel. De oorspronkelijke betekenis van het Gotische woord 'lic-hamo' is: vlees-hemd.
Het lichaam is een vastgeworden, verstoffelijkte vorm van de geestgedaante, de uitstraling van de geest. De geestgedaante is namelijk in staat de stof, die door de mond naar binnen wordt gebracht, vast te houden en de eigen vorm ermee tot uitdrukking te brengen in de stoffelijke wereld. Het geestelijke komt zo in het stoffelijke tot uitdrukking.
Het lichaam is het voertuig, waarmee de geest zich in de stoffelijke wereld kan bewegen en het werktuig, waarmee de geest daar zijn besluiten kan uitspreken en uitvoeren. Het lichaam is de tijdelijke oefenpop, waarmee de geest ervaringen op kan doen in de leerschool, die de stoffelijke wereld voor de geest is.
In sommige levensbeschouwingen wordt over de geestgedaante gesproken als het 'levenslichaam', over de ziel als het 'zielelichaam' en over de geest als het 'ik-lichaam'. Dit wordt veroorzaakt doordat door de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof waarden worden omgekeerd. Daardoor wordt de stòffelijke toestand als uitgangspunt gekozen voor beschrijvingen van de géést. Het lichaam is naar de oorspronkelijke betekenis echter het stoffelijke omhulsel van de geest, dat tijdelijk is. Deze toestand als uitgangspunt kiezen, kan niet anders dan verwarring in de hand werken. Geest en ziel doen zich aan het geestesoog ook zeker niet voor als iets, wat op een 'lichaam' zoals het zich hier aan de geest voordoet, lijkt.
Vanuit God is de géést het enig juiste uitgangspunt om alles te beschrijven, wat er in Gods schepping aanwezig is. Het al is immers een uitdrukking van Gods geest.
(terug naar index)

licht
De geest is de bewuste levenskracht. Deze kracht bezit het vermogen om werkzaam te zijn, zich te kunnen bewegen en arbeid te kunnen verrichten.
In rust blijft dit vermogen in aanleg aanwezig. In de rusttoestand openbaart de geest als de levenskracht zich als een trillingstoestand, als een werveling, als een zinderen of als een bruisen van leven. Deze rusttoestand die toch bruist van leven, openbaart zich als de geestelijke warmte.
In de toestand van volkomen rust is de geest wel een warmte, maar donker. Als de geest de eigen trillingstoestand verhoogt, gaat de geest naast warmte ook licht in zichzelf uitstralen. De geest is dan in de toestand van de 'bewuste levenskracht', waarbij de kracht met de warmte samenhangt en het zich bewustzijn met het licht.
De geest als de bewuste levenskracht, die bruist van leven, wordt weergegeven door de betekenis van de naam van de Germaanse oppergod Wodan. De naam 'Wodan' hangt samen met 'woeden' in de betekenis van: bruisen van leven.
(terug naar index)

liefde
Liefde wordt gekenmerkt door een streven naar persoonlijke verbondenheid, door een gevoel van eensgezindheid en saamhorigheid.
Liefde is een eigenschap van het vermogen om te voelen, als dat volledig tot ontwikkeling is gebracht binnen een zelfverwerkelijkte geest. Liefde is de meest verheven uiting van het voelen van een geest, waarin alle vermogens als een eenheid van met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende tegendelen werkzaam zijn. Doordat denken en voelen elkaars tegendelen zijn, geldt dat in het bijzonder voor de wijsheid, de meest verheven vorm van het ontwikkelde denken. Liefde is het voelen van een geest, die ook door wijsheid wordt gekenmerkt.
Liefde is de meest verheven gemoedstoestand. Vanuit deze gemoedstoestand van de geest wordt de wilskracht aangezet tot onbaatzuchtige inzet en belangeloze toewijding voor de ander, met wie de geest zich door liefde verbonden voelt. Daardoor wordt een band gevormd en gevoed tussen twee geesten, wat in wezen de goddelijke toestand is. God zelf wordt namelijk gekenmerkt door alliefde, doordat alle menselijke geesten algeestvonken zijn, die door verdichting van Gods eigen licht en warmte zijn gevormd, en daardoor eeuwig met God verbonden blijven.
(terug naar index)

liefdesband
Een liefdesband ontstaat wanneer twee geesten zich uit liefde wederkerig voor elkaar willen inzetten.
Om de liefdesband levend te houden, is het bevorderlijk als die wederkerigheid evenwichtig is. De voorwaarde voor die evenwichtige wederkerigheid is de persoonlijke zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van beiden. Daardoor wordt liefde niet alleen gekenmerkt door saamhorigheid, maar evengoed door bevordering van de persoonlijke vrijheid van de ander. Liefhebben is vasthouden met open handen.
(terug naar index)

lijden
Lijden betekent: geleid worden, tegen de zin iets moeten ondergaan.
Alles om de geest heen wat de geest zelf niet is, is tijdelijk en vergankelijk. Alleen uit onwetendheid omtrent de ware, geestelijke aard, is de geest ertoe gekomen zich daar toch aan te hechten. Door deze gehechtheid kan echter teleurstelling ontstaan. Want dat, wat vergankelijk is, zal ook eens vergaan; wat tijdelijk is, zal eens ophouden te bestaan; wat stuk kan, gaat ook stuk; wat men kan verliezen, zal ooit verloren gaan.
Als de geest zich hecht aan wat tijdelijk is, zal de geest zich er onvermijdelijk eens van moeten onthechten. Maar daarnaast is de geest, door zich te hechten aan het vergankelijke, tegelijkertijd ook voorbij gegaan aan het ontwikkelen van het duurzame en blijvende van zichzelf: namelijk zichzelf als de vermogende geest. Daardoor heeft de geest dit bestaan niet leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor heeft de geest niet leren bouwen en vertrouwen op het wezenlijke van zichzelf en is niet gaan leven vanuit het onvergankelijke in het hart. Noch heeft de geest zich van daaruit kunnen herenigen met de goddelijke oorsprong, om op die wijze het eigen, geestelijke bestaan een vaste, duurzame grondslag te geven.
Als echter de binding aan het tijdelijke, wat het ook zij, wordt doorgesneden door de onafwendbare loop van het lot, dan betekent dat teleurstelling en leed. Verdriet is een begrijpelijk gevolg van tegenslagen, van ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen, zeker als het menselijke verhoudingen betreft. Hoe hard dat echter ook klinkt, toch is dat verdriet ontstaan door vereenzelviging. Het is veroorzaakt door de eigen verknochtheid, de eigen verkleefdheid aan wat vergankelijk is - en door het als gevolg daarvan ontbreken van het wezenlijke, van een krachtig, innerlijk leven, verbonden met de geestelijke werkelijkheid van de goddelijke oorsprong.
Als de geest zo lijdt, dan lijdt de geest in feite aan zichzelf. De geest lijdt aan de eigen geestesgesteldheid, die van gehechtheid, voortgekomen uit de toestand van onbewuste vereenzelviging met het vergankelijke. De geest lijdt aan het eigen zelfbeeld en aan alles wat daarmee is verbonden, doordat dat is gebouwd op wat vergankelijk is. Ook is het daardoor, dat de geest zelf als het ware innerlijk kan overkomen, wat er uiterlijk met datgene gebeurt, waaraan de geest zich heeft gehecht.
Wat de geest dan overkomt, is echter het gevolg van de èigen geestesgesteldheid. De diepste oorzaak van het lijden is, dat de geest door onbewuste vereenzelviging en gehechtheid op het wezenloze is gericht, de verkeerde kant opkijkt, van onwezenlijke maatstaven uitgaat en waarden omkeert. Dat de geest zich innerlijk tracht te verenigen met wat het verst van het eigen wezen af staat, namelijk met het stoffelijke en met wat slechts tijdelijk bestaat. Dit is immers het meest onwezenlijke ten opzichte van zich zelf als geest.
De grondoorzaak van leed is tweeërlei: door niet-zelfbewustzijn tracht de geest zich wèl te verenigen met wat de geest zelf niet is en streeft daardoor níet naar zelfverwerkelijking en hereniging met datgene, waarmee de geest wezenlijk overeenstemt, met de geestelijke bron, God, waaruit de geest oorspronkelijk is voortgekomen!
(terug naar index)

loslaten
Kwetsende, onverwerkte ervaringen uit het verleden kunnen pas worden losgelaten na een ingespannen, geestelijke arbeid, door deze ervaringen alsnog te verwerken. Het verwerkingsvermogen is het vermogen van de geest om door waarnemen, denken, voelen en willen de èigen houding tegenover onverwerkte ervaringen zodanig om te vormen, dat zij kunnen worden aanvaard.
Ervaringen in het algemeen en ook onaangename ervaringen zijn feiten en kunnen niet worden veranderd; veranderen kan alleen de geest zichzelf door de eigen vormbaarheid, plooibaarheid. Alleen de geest zelf kan leren de kijk op de dingen te verruimen en de betekenis van alles wat gebeurt en in het verleden is gebeurd, te leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor kan het komen tot lotsaanvaarding en kunnen die ervaringen worden losgelaten. Daardoor wordt ook beseft dat alles, wat in het tijdelijke bestaan gebeurt, tijdelijk is. Er komen daarna ook weer andere tijden.
Zelfs de meest ingrijpende en onaangename gebeurtenissen krijgen betekenis als wordt beseft, dat alle levenservaringen de geestelijke groei als doel hebben. Als de betekenis die levenservaringen hebben nú niet wordt gezien, dan wordt dat wel duidelijk als zij bij de naschouw na het overlijden vanuit de geestelijke wereld worden bezien. Zij worden dan samen met de geestelijke begeleiders in liefde beoordeeld en de zin ervan, gezien in het licht van het grote geheel, wordt besproken.
Voor wie dit door onwetendheid en ongeloof - veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan - niet zo kan zien, zijn alle wederwaardigheden die de geest in dit tijdelijke bestaan kunnen treffen, zinloze rampen, die in feite onaanvaardbaar zijn en daardoor niet te begrijpen en niet te verwerken.
Ervaringen kunnen pas worden verwerkt, als ze eerst tot de geest zijn toegelaten door ze waar te nemen en zich er zo bewust van te worden. Zijn ze op deze wijze met de geest verbonden, dan kunnen ze verstandelijk worden behandeld met het denken, waardoor er inzicht kan worden verkregen in de betekenis van die ervaringen en er een redelijk oordeel over kan worden gevormd. Door ervaringen zodanig tot zich toe te laten dat er ook ook een gevoel door wordt opgewekt, kan de geest er een gevoelsoordeel over vormen. Aan die oordelen kan een bepaald besluit worden verbonden, dat met de wilskracht kan worden uitgevoerd door middel van een daarop aansluitende uitspraak of handeling.
Iets verwerken wordt gedaan door een bepaalde, bijvoorbeeld kwetsende ervaring op deze wijze zo lang te overdenken en te doorvoelen, tot alle aanzichten ervan begripsmatig èn gevoelsmatig zijn benaderd, behandeld en zo weer opnieuw zijn beleefd. Door de verwerking ontstaat er overeenstemming met de overige gedachten en gevoelens en pas dan kunnen die ervaringen worden losgelaten.
Een ervaring is begripsmatig verwerkt, als niet meer de aandrang wordt gevoeld erover te denken of te praten en de oorzaak van de moeilijkheden of een bepaald vraagstuk in een kort oordeel kan worden samengevat. De geest is dan in staat het betrekkelijke ervan in te zien en het onderwerp te beschouwen, zonder dat het de geest wat aandoet. Gevoelsmatig is iets verwerkt, als de geest ertoe is gekomen een bepaalde ervaring te aanvaarden door niet meer in opstand te komen tegen de onvermijdelijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Iets is verwerkt als er bijvoorbeeld begrip is gekomen voor en er kan worden meegeleefd met de persoonlijke achtergronden van degene, die de oorzaak was van de ervaren kwetsingen en de geest erin is geslaagd de daardoor ontstane boosheid op te heffen door vergevingsgezindheid. Om dat te bereiken moet de geest leren 'bij zichzelf te blijven', pas dan kan de innerlijke band met de ander worden verbroken.
Iets is verwerkt als wordt gevoeld dat de noodzaak van bewerking met de vermogens ophoudt te bestaan, als er geen nieuwe gezichtspunten, verbanden, gedachten of gevoelens meer ontstaan door bezinning op het onderwerp. Dit is dan uitgeput en verdwijnt langzaam maar zeker naar het geheugen, zonder dat de behoefte wordt gevoeld zich er verder nog mee bezig te houden. Iets is verwerkt wanneer de toestand is ingetreden, dat het onderwerp niet meer de aandacht trekt of opwinding veroorzaakt als er zelf de aandacht op wordt gevestigt. De geest beheerst de inhouden van de ziel, als daar geen onderwerpen meer in zijn die de geest uit het evenwicht kunnen brengen of boos kunnen maken. Het is rustig geworden in het hart als de inhouden van de ziel door verwerking ervan zijn geplaatst in een geordend geheel van overige levenservaringen en ze kunnen worden gezien in het licht van de eeuwigheid.
Is daarentegen een onderwerp nog niet voldoende verwerkt, dan blijft het steeds min of meer vaag op de rand van het bewustzijnsveld aanwezig, waar het door de ermee verbonden wanorde innerlijke onrust veroorzaakt. Het blijft dan steeds weer de aandacht trekken, al naar de gevoelswaarde ervan of de verstandelijke noodzaak, het vraagstuk tot een oplossing te brengen. Zolang bepaalde ervaringen onverwerkt blijven, is de herinnering eraan in staat het gemoed te ontstemmen en de geest weer in dezelfde ongunstige gemoedstoestand als vroeger terug te brengen. Die ervaringen kunnen dan niet worden losgelaten, de geest blijft ermee zitten en blijft zich het slachtoffer voelen van wat hem of haar is aangedaan.
(terug naar index)

lot
Het lot is letterlijk: datgene, wat iemand toevalt. Het lot is de terugkoppeling op de geest van de gevolgen van handelingen, die in een vorig bestaan of in dit bestaan zijn verricht. Langs een omweg komen de gevolgen van handelingen altijd bij de geest terug, later in dit bestaan of in een volgend bestaan.
Door de terugkoppeling worden nu ervaringen ondervonden, waarvan de oorzaak in het verleden ligt en waardoor de geest zich niet meer bewust is van van die oorzaak. Hierdoor ontstaat de vraag naar het 'waarom': "Waarom moet mij dit overkomen?".
Door de toestand van afgescheidenheid waarin de geest zich bevindt door de verbondenheid met het lichaam, is de geest zich niet bewust van het bestaan van de geestelijke wereld. Daardoor beseft de geest ook niet de algehele verbondenheid van alle levende wezens met elkaar door de goddelijke algeest. Alle levende wezens zijn door puntvormige verdichting van het licht en de warmte van de algeest ontstaan. Daardoor blijven zij naadloos met de algeest en daardoor in wezen ook met elkaar, verbonden.
Verstoort een geest deze onderlinge verbondenheid door liefdeloos gedrag, dan wordt daardoor de goddelijke orde van de schepping verstoord. Door die verstoring ontstaat er een spanning tussen twee geesten die zo lang blijft bestaan, tot de verstoring is opgeheven doordat een van hen 'het weer goed maakt': het 'boeten' (letterlijk 'weer goed maken') van de verstoorde band. Wordt de fout niet meteen hersteld, dan blijft de spanning in de geestelijke wereld bestaan, net zolang tot zich nieuwe omstandigheden op aarde voordoen, waarin de fout kan worden hersteld. Dat kan ook zijn in een volgend bestaan.
De afgescheidenheid die de menselijke geesten op aarde ervaren, is slechts schijnbaar. In de algeest zijn alle levende wezens onafscheidelijk met elkaar verbonden doordat zij algeestvonken zijn in de goddelijke algeest. Pas als alle spanningen die binnen die verbondenheid bestaan door de veroorzakende geest weer zijn opgelost, kan die geest verdergaan op de levensweg naar hereniging met de algeest.
Het woord 'karma' heeft dezelfde betekenis als 'lot', als datgene, wat je toevalt. Het Sanskriet 'karma' hangt samen met het Griekse 'drama' en betekent 'handeling'. Het betekent dat de gevolgen van een handeling langs een omweg door de tijd op een gegeven ogenblik altijd weer bij de betreffende persoon terugkomen, die dat als 'mijn lot' ervaart.
(terug naar index)

lotsaanvaarding
Het tijdelijke bestaan op aarde is een leerschool, waarin de tijd een stroom van leerzame gebeurtenissen is, die vanuit de onbekende toekomst op de geest toekomt als ervaringen en wederwaardigheden, en als de lotsbestemming. Deze leerzame gebeurtenissen en omstandigheden op aarde kunnen vóór de geboorte bewust worden gekozen, doordat de geest in de geestelijke wereld zich bewust is geworden welke persoonlijke tekortkomingen ter hand moeten worden genomen en welke persoonlijke kwetsingen weer moeten worden goedgemaakt. Doordat tekortkomingen en kwetsingen de goddelijke orde van de schepping verstoren, remmen zij de geest op de levensweg, de ontwikkelingsweg van zelfverwerkelijking en hereniging.
Vanuit de geestelijke wereld heeft de geest zichzelf ertoe bestemd een bepaald lot te ondergaan en bepaalde leerzame ervaringen mee te maken. In het tijdelijke bestaan echter is de geest door de onbewuste vereenzelviging ermee, zich niet meer bewust van zichzelf als geest en van de geestelijke betekenis, die alle ervaringen en wederwaardigheden hebben. Deze onbewustheid is noodzakelijk, omdat de geest anders niet meer de persoonlijke vrijheid bezit om volkomen zelfstandig en uit eigen, vrije keuze, bepaalde besluiten te nemen en uit te voeren. Als de geest al zou weten wat alles wat gebeurt voor betekenis heeft, dan is door die voorkennis de keuze die moet worden gemaakt niet meer volkomen vrij. De grootste geestelijke groei naar zelfstandigheid wordt echter bereikt door de geest in dit bestaan - schijnbaar - geheel aan zichzelf over te laten in een toestand van onwetendheid en daardoor zelfstandig beslissingen te laten nemen.
Door die onwetendheid van de geestelijke zin van het stoffelijke bestaan, is de geest zich niet bewust van de eeuwigheidswaarde die àlle ervaringen en wederwaardigheden hebben. Door de noodzaak staande te blijven temidden van de druk die de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest uitoefent, wordt de menselijke geest ertoe aangezet de eigen geestelijke vermogens bewust en beheerst te gebruiken, en dat betekent een verrijking van de geest die eeuwig zijn waarde behoudt. Door weer in het reine te komen met bepaalde medemensen door goede daden te doen, worden remmingen die op de levensweg bestaan, opgeheven.
Als dit door onbewustheid van de samenhangen in Gods schepping niet zo wordt gezien, dan kan het tijdelijke bestaan door de onwetende geest als een aaneenschakeling van zinloze wederwaardigheden worden ervaren, doordat alle inspanningen uiteindelijk met de dood eindigen en daardoor nutteloos worden. Vanuit de levensbeschouwing die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging, is het haast onmogelijk het lot te aanvaarden als iets, wat een bepaalde zin zou hebben.
Vanuit het inzicht dat samenhangt met de geesteswetenschappen of vanuit het geloof dat samenhangt met een godsdienstige geestesgesteldheid, wordt het tijdelijke bestaan gezien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor groeit het vertrouwen dat niets voor niets gebeurt en alle gebeurtenissen en ervaringen een diepere, geestelijke betekenis hebben. Daardoor kan het lot worden aanvaard als tijdelijke ervaringen, die onafwendbaar met de persoon en met de geestelijke groei van de persoon, samenhangen. Hoe onbegrijpelijk de loop van het lot vaak ook is en hoe onnavolgbaar Gods wegen ook zijn, alles wat gebeurt heeft een bepaalde betekenis en betekent uiteindelijk een verrijking voor het eeuwige leven.
(terug naar index)

lotsbestemming
De lotsbestemming verwijst naar de gebeurtenis die de geest in het huidige, tijdelijke bestaan moet overkomen om een handeling uit het verleden of uit een vorig bestaan af te maken of weer goed te maken.
(terug naar index)