GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst L
 
leerling
leerschool
leervermogen
leven
levensweg
lichaam
licht

liefde
liefdesband
lijden
loslaten
lot
lotsaanvaarding
lotsbestemming


leerling
De menselijke geest is de bewuste levenskracht. Als kracht heeft de geest het vermogen vanuit rust in beweging te komen. De geest komt in beweging door middel van de geestelijke vermogens. Het zijn de geestelijke vermogens waardoor de geest in beweging kan komen en werkzaam kan zijn. Deze vermogens zijn het vermogen de dingen om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens met de gevormde gedachten en gevoelens een besluit te vormen en dat met het willen uit te voeren in de vorm van een uitspraak of handeling.
De aarde is een leerschool voor de mensenlijke geest, waar de geest als leerling in bepaalde omstandigheden wordt gebracht om deze vermogens te oefenen en ze zo tot ontwikkeling te brengen. Die omstandigheden worden gevormd door de tijd als een stroom van gebeurtenissen, die de geest leerzame ervaringen laat meemaken. Door de noodzaak staande te blijven in die stroom, wordt de geest door die gebeurtenissen ertoe aangezet de geestelijke vermogens te gebruiken om ze te verwerken. Daardoor vindt vanzelf geestelijke groei plaats.
Het bijzondere van de toestand van de menselijke geest in dit bestaan is, dat de geest hier een leerling is zonder een zichtbare leraar. De leraar is alleen de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen. De tijd is het leerboek van de geest en de inhoud van dat leerboek zijn de gebeurtenissen, waar de geest zich doorheen moet zien te slaan - alleen met behulp van de eigen, geestelijke vermogens. Steeds wordt de geest daarom voor keuzes gesteld; steeds moet worden gekozen uit de mogelijkheden van handelen om bepaalde ervaringen te verwerken en te boven te komen. Daardoor leert de geest al doende de eigen vermogens bewuste en beheerst te gebruiken en dat is het doel van de aanwezigheid in het tijdelijke bestaan. Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende is geoefend in het omgaan met dat soort ervaringen.
In die school wordt de geest schijnbaar aan zichzelf overlaten en moet de geest de strijd volbrengen zonder zichtbare hulp of beloning. Die bijzondere toestand is noodzakelijk omdat alleen datgene, wat de geest zélf heeft besloten en gedaan door de éigen vermogens te gebruiken, iets éigens is geworden wat de geest heeft verrijkt. Het is iets wat het onvervreemdbare eigendom is geworden van de geest, doordat de geest uit zichzelf en op eigen kracht bepaalde moeilijkheden heeft overwonnen. Daardoor is de geest toegenomen in het vermogen een bewust en beheerst gebruik van de vermogens te maken en dat is de geestelijke ontwikkeling, die een blijvende verrijking betekent.
De geest is daarom een leerling, die al doende zichzelf alles moet leren in de leerschool, die de tijd als de loop van het lot voor de geest is. Het gaat er daarom om de loop van het lot te aanvaarden als de eigen leerschool en zich er niet tegen te verzetten, maar de gebeurtenissen te zien als mogelijkheden om er iets van te leren - hoe moeilijk en voor nu onbegrijpelijk dat soms ook is. Daarbij moet in gedachten worden gehouden dat de beste leerlingen ook de moeilijkste opdrachten krijgen (in de Griekse mythologie wordt dit door Herakles uitgebeeld).
Het woord 'school' is afkomstig van het Egyptische 'she oul a', wat betekent: de eenzame mens die dorst naar kennis. Dat is een nauwkeurige omschrijving van de toestand, waarin de menselijke geest zich op aarde bevindt.

terug naar de woordenlijst - naar boven

leerschool
Een leerschool is een oefenplaats voor toename in kennis en bekwaamheid. Het tijdelijke, stoffelijke bestaan is voor de menselijke geest zo'n oefenplaats, die is bedoeld om de eigen vermogens al doende zelf tot ontwikkeling te kunnen brengen en ze bewust en beheerst te leren gebruiken.
Door de geboorte, het overgeleid worden van de geestelijke naar de stoffelijke wereld, daalt de geest in het lichaam in en woont erin gedurende het tijdelijke bestaan. Door de bewoning van de stoffelijke, afgescheiden vorm ervaart de geest een toestand van betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Daardoor is de geest in de gelegenheid zichzelf te oefenen om zelfstandig en onafhankelijk te zijn, en wel door middel van de geestelijke vermogens.
Doordat eigen ondervinding in deze school de leermeester is, leert de menselijke geest door zelf ervaring op te doen en die zelf te verwerken. De menselijke geest leert al doende. Daartoe komen door de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen ervaringen op de geest af, die de geest met behulp van de vermogens kan verwerken. Daardoor neemt het bewuste en beheerste gebruik dat de geest van de vermogens maakt toe; zo groeit die, op eigen kracht, naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid, naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing; dit is wat zelfverwerkelijking wordt genoemd.
Door de menselijke geest in een stoffelijke vorm op te sluiten in een toestand van vereenzelviging, terwijl die stoffelijke vorm voor zijn voortbestaan van de omgeving afhankelijk is, is er de mogelijkheid de omgeving zo te veranderen, dat de geest in leerzame omstandigheden komt te verkeren. De engelen en geleidegeesten kunnen de omstandigheden steeds zo aanpassen, dat de geest lessen kan leren, zonder te beseffen dat het zijn vrienden en vriendinnen zijn, die deze lessen aanbieden. Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het omgaan met dat soort ervaringen.
De tijdelijkheid van het stoffelijke bestaan en de daarmee samenhangende vergankelijkheid, levert de oefenstof voor de geestelijke groei. Alle stof is oefenstof, oefenstof voor de geest. Dat is het doel en de zin van dit stoffelijke, tijdelijke bestaan: het is een leerschool voor de geest om de goddelijke eigenschappen, de geestelijke vermogens waarover de geest in aanleg beschikt, op eigen kracht te kunnen ontwikkelen.
Bij sommige ervaringen kan tijdens dit bestaan al het inzicht groeien in de betekenis, die de gebeurtenis heeft gehad voor de geestelijke groei. Bij andere ervaringen kan het voorkomen, dat die betekenis niet duidelijk is. De geest vindt het onbegrijpelijk waarom hem of haar een bepaalde gebeurtenis heeft moeten overkomen. De betekenis wordt dan pas duidelijk als de geest weer is thuisgekomen in de geestelijke wereld. Dan vindt een terugblik plaats op de afgelegde weg. Tijdens deze naschouw wordt in liefde met de geestelijke begeleiders de betekenis besproken van alle ervaringen, die tijdens het laatste bestaan werden opgedaan.
Door de geestesgesteldheid die samenhangt met de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, wordt dit bestaan juist níet gezien als een middel, namelijk als leerschool voor de geest, maar als een doel op zich. De beweegredenen om werkzaam te zijn, komen dan min of meer voort uit de drift tot zelfbehoud en soortbehoud, en het doel is daardoor het verwerven van gebruiksvoorwerpen, bezit en aanzien. Doordat de tijd als doel heeft steeds nieuwe gebeurtenissen aan te dragen als leer- en oefenmogelijkheden, wordt alles gekenmerkt door tijdelijkheid en vergankelijkheid, ook bezit en aanzien. Door die vergankelijkheid dient de tijd juist een eeuwig doel: de ontwikkeling van de geestelijke vermogens door steeds nieuwe ervaringen te verwerken.
Als de tijd niet een eeuwig doel zou hebben door de geestelijke groei die er het gevolg van is, dan zou het tijdelijke bestaan alleen een aaneenschakeling zijn van ogenblikken van geluk die weer worden overschaduwd door wederwaardigheden en tegenspoed, met een ontluisterende oude dag en de dood als zinloos einde van alle inspanningen. De onbewust vereenzelvigde geest moet dit besef voortdurend van zich af zetten en verdringen door de aandacht krampachtig te hechten aan toch ook weer vergankelijke zaken. Deze verdringing is tegelijk de oorzaak van het verzet tegen geestelijke levensbeschouwingen, doordat hiervoor eerst juist de zinvolle tijdelijkheid van het bestaan en de dood als onvermijdelijk einde ervan, moet worden aanvaard.
In sommige levensbeschouwingen is het gebruikelijk te stellen, dat het tijdelijke bestaan géén leerschool is. Het zou er 'alleen maar' om gaan 'zich alles weer te herinneren' omdat de geest 'de ware aard alleen maar vergeten is' en 'onbewust toch alles al weet'. Deze veronderstelling berust op een eenzijdigheid en wel op de eenzijdige vereenzelviging met het waarnemingsvermogen. Daardoor worden alleen de eigenschappen van het waarnemingsvermogen genoemd als zijnde geestelijke groei: het zich herinneren van kennis die is vergeten, maar die 'onbewust wordt geweten'. Er wordt niet van uit gegaan dat het de geest is die in het middelpunt staat en dat de geest naast het waarnemen ook over het denken, voelen en willen als vermogens beschikt, die bovendien in een uit- of ingekeerde instelling werkzaam kunnen zijn. Het zijn deze vermogens die in aanleg aanwezig zijn doordat de menselijke geest een godenkind is dat een groei naar geestelijke volwassenheid doormaakt door alle geestelijke vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken.
De zin 'onbewust alles al weten' is een tegenspraak. 'Zich bewust zijn' betekent namelijk: 'wetend zijn' en 'onbewust zijn' betekent daardoor: 'onwetend zijn, niet wetend zijn'. De betekenis van de genoemde zin luidt daardoor: 'niet wetend alles al weten'. Als deze ongerijmdheid niet wordt ingezien, is het raadzaam eerst het eigen waarnemingsvermogen tot ontwikkeling te brengen door grondig de betekenis van de gebruikte woorden tot zich door te laten dringen. Bedoeld wordt te zeggen dat de menselijke geest in aanleg alles al in zich heeft om in het klein uit te groeien tot een goddelijke volmaaktheid, doordat de menselijke geest in wezen een algeestvonk is, door God door verdichting uit zichzelf gevormd!

terug naar de woordenlijst - naar boven

leervermogen
Het vermogen om door waarnemen, denken, voelen en willen ervaringen zodanig te verwerken tot kennis, dat zij voor een volgende keer meteen en nuttig kunnen worden gebruikt.
Het leervermogen wordt gevormd door de vier geestelijke vermogens.

terug naar de woordenlijst - naar boven

leven
Het leven is de geest als de bewuste, vermogende levenskracht.
Aan het geestesoog doet de geest als bewuste kracht zich voor als een 'wolk van lichtende warmte'. Zowel het licht als de warmte kunnen in een vormbare en een zelfvormende toestand verkeren. Met deze eigenschappen hangen de vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Waarnemen is vormbaar licht, denken is zelfvormend licht, voelen is vormbare warmte, willen is zelfvormende warmte. Met deze vermogens kan de geest werkzaam zijn door een onderwerp waar te nemen, het waargenomene te overdenken en te doorvoelen, en daarop een besluit te willen uitvoeren.
Het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de geestelijke vermogens bevinden zich in een voortdurende toestand van beweeglijkheid, levendigheid. Deze beweeglijkheid is: hét leven. Het leven dat de geest is, uit zich in de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. Als de geest de eigen vermogens zelfstandig gebruikt, dan lééft de geest (zie ook: bestaan).
De werkzaamheid van de vermogens wordt gekenmerkt door een levendige kringloop, doordat de geest wil blijven waarnemen wat de uitwerking is van de overdachte en doorvoelde besluiten en wilshandelingen, om die uitwerking vervolgens weer opnieuw te overdenken en te doorvoelen. Dat heeft een voortdurende herhaling van de werkzaamheid van de vermogens tot gevolg, waardoor deze kringloop zichzelf versterkt en waardoor de vermogens uit eigen oorzaak door de hen eigen werkzaamheid zichzelf tot ontwikkeling brengen. Door deze zichzelf versterkende kringloop zijn duurzaamheid en ontwikkeling onvervreemdbare eigenschappen van het levende, de geest. Remming en stilstand van die ontwikkeling betekent verstoring van het levende, wat ziekte tot gevolg heeft.
Door de onderlinge samenhang van de vermogens in deze kringloop is dit een beweging, waar geen eind aan komt. De geestelijke vermogens kunnen hierdoor niet anders, dan eeuwig zichzelf voortstuwen. Deze kringloop van zichzelf voortstuwende vermogens is het zelfwerkzame leven van de geest. Doordat zij het leven vormen als een kringloop die niet anders kan dan zichzelf voortstuwen, is dit een afbeelding van het feit, dat leven eeuwig is; dat leven er altijd is geweest en er altijd zal zijn. Dat het leven ís, is nú te ervaren, als de lezende geest door in zichzelf in te keren de werkzaamheid van de eigen vermogens ervaart.
Wie door onbewuste vereenzelviging met dit bestaan buiten zichzelf gaat zoeken naar het 'perpetuum mobile' zal altijd blijven zoeken. Het antwoord op de vraag of er een eeuwigdurende beweging bestaat, is namelijk het wezen van de zoeker zelf: de menselijke geest.

terug naar de woordenlijst - naar boven

levensweg
De levensweg is de geestelijke ontwikkelingsweg van het levende, de geest. Deze weg is een onzichtbare, innerlijke weg. De gang over deze weg bestaat uit een omvorming van de eigen geestesgesteldheid.
Aan het begin van de weg wordt de geestesgesteldheid gekenmerkt door de aanvangstoestand, waarbij de geest een min of meer onbewust en onbeheerst gebruik maakt van de geestelijke vermogens; aan het einde van de weg heeft de zich ontwikkelende geest een bewust en beheerst gebruik leren maken van de vermogens: de zelfverwerkelijkte toestand, waarin de geest de vermogens gebruikt als het geweten en de deugden. Het gaat steeds om dezélfde geest, alleen de wijze waarop de geest van de eigen vermogens gebruik maakt, verandert door toename van bewustheid en beheerstheid.
De persoonlijkheid van de zelfverwerkelijkte geest wordt gekenmerkt door een gewetensvol en deugdzaam gedrag. De geestesgesteldheid is dan zodanig omgevormd, dat die steeds meer in overeenstemming komt met die van de bron, de algeest. Uiteindelijk kan daardoor de algeest de hereniging tot stand brengen.
De levensweg is voor de geest een leergang naar zelfverwerkelijking en hereniging, doel en zin van het tijdelijke bestaan.

terug naar de woordenlijst - naar boven

lichaam
Het lichaam is het stoffelijke omhulsel. De oorspronkelijke betekenis van het Gotische woord 'lic-hamo' is: vlees-hemd.
Het lichaam is een vastgeworden, verstoffelijkte vorm van de geestgedaante, de gevormde uitstraling van de geest. De geestgedaante is namelijk in staat de stof, die door de mond naar binnen wordt gebracht, vast te houden en de eigen vorm ermee tot uitdrukking te brengen in de stoffelijke wereld. Het geestelijke komt zo in het stoffelijke tot uitdrukking.
Het lichaam is het voertuig, waarmee de geest zich in de stoffelijke wereld kan bewegen en het werktuig, waarmee de geest daar zijn besluiten kan uitspreken en uitvoeren. Het lichaam is de tijdelijke oefenpop, waarmee de geest ervaringen op kan doen in de leerschool, die de stoffelijke wereld voor de geest is.
In sommige levensbeschouwingen wordt over de geestgedaante gesproken als het 'levenslichaam' of 'etherlichaam', over de ziel als het 'zielelichaam' en over de geest als het 'ik-lichaam'. Dit wordt veroorzaakt doordat door de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof waarden worden omgekeerd. Daardoor wordt de stóffelijke toestand als uitgangspunt gekozen voor beschrijvingen van de géést. Het lichaam is naar de oorspronkelijke betekenis echter het stoffelijke omhulsel van de geest, dat tijdelijk is. Deze toestand als uitgangspunt kiezen, kan niet anders dan verwarring in de hand werken. Geest en ziel doen zich aan het geestesoog ook zeker niet voor als iets, wat op een 'lichaam' zoals het zich hier aan de mens voordoet, lijkt.
Vanuit God is de géést het enig juiste uitgangspunt om alles te beschrijven, wat er in Gods schepping aanwezig is. Het al is immers uit de algeest voortgekomen en daardoor een uitdrukking van Gods geest.

terug naar de woordenlijst - naar boven

licht
De geest is de bewuste levenskracht. Deze kracht bezit het vermogen om werkzaam te zijn, zich te kunnen bewegen en arbeid te kunnen verrichten.
In rust blijft dit vermogen in aanleg aanwezig. In de rusttoestand openbaart de geest als de levenskracht zich als een trillingstoestand, als een werveling, als een zinderen of als een bruisen van leven. Deze rusttoestand die toch bruist van leven, openbaart zich als de geestelijke warmte.
In de toestand van volkomen rust is de geest wel een warmte, maar donker. Als de geest de eigen trillingstoestand verhoogt, gaat de geest naast warmte ook licht in zichzelf uitstralen. De geest is dan in de toestand van de 'bewuste levenskracht', waarbij de kracht met de warmte samenhangt en het zich bewustzijn met het licht.
De geest als de bewuste levenskracht, die bruist van leven, wordt weergegeven door de betekenis van de naam van de Germaanse oppergod Wodan. De naam 'Wodan' hangt samen met 'woeden' in de betekenis van: bruisen van leven.

terug naar de woordenlijst - naar boven

liefde
Liefde wordt gekenmerkt door een streven naar persoonlijke verbondenheid, door een gevoel van eensgezindheid en saamhorigheid.
Liefde is een eigenschap van het vermogen om te voelen, als dat volledig tot ontwikkeling is gebracht binnen een zelfverwerkelijkte geest. Liefde is de meest verheven uiting van het voelen van een geest, waarin alle vermogens als een eenheid van met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende tegendelen werkzaam zijn. Doordat denken en voelen elkaars tegendelen zijn, geldt dat in het bijzonder voor de wijsheid, de meest verheven vorm van het ontwikkelde denken. Liefde is het voelen van een geest, die ook door wijsheid wordt gekenmerkt.
Liefde is de meest verheven gemoedstoestand. Vanuit deze gemoedstoestand van de geest wordt de wilskracht aangezet tot onbaatzuchtige inzet enbelangeloze toewijding voor de ander, met wie de geest zich door liefde verbonden voelt. Daardoor wordt een band gevormd en gevoed tussen twee geesten, wat in wezen de goddelijke toestand is. God zelf wordt namelijk gekenmerkt door alliefde, doordat alle menselijke geesten algeestvonken zijn, die door verdichting van Gods eigen licht en warmte zijn gevormd, en daardoor eeuwig met God verbonden blijven.

terug naar de woordenlijst - naar boven

liefdesband
Een liefdesband ontstaat wanneer twee geesten zich uit liefde wederkerig voor elkaar willen inzetten.
Om de liefdesband levend te houden, is het bevorderlijk als die wederkerigheid evenwichtig is. De voorwaarde voor die evenwichtige wederkerigheid is de persoonlijke zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van beiden. Daardoor wordt liefde niet alleen gekenmerkt door saamhorigheid, maar evengoed door bevordering van de persoonlijke vrijheid en zelfstandigheid van de ander. Liefhebben is vasthouden met open handen.

terug naar de woordenlijst - naar boven

lijden
Lijden betekent: geleid worden, tegen de zin iets moeten ondergaan.
Alles om de geest heen wat de geest zelf niet is, is tijdelijk en vergankelijk. Alleen uit onwetendheid omtrent de eigen ware, geestelijke aard, is de geest ertoe gekomen zich daar toch aan te hechten. Door deze gehechtheid kan echter teleurstelling ontstaan. Want dat, wat vergankelijk is, zal ook eens vergaan; wat tijdelijk is, zal eens ophouden te bestaan; wat stuk kan, gaat ook stuk; wat men kan verliezen, zal ooit verloren gaan.
Als de geest zich hecht aan wat tijdelijk is, zal die zich er onvermijdelijk eens van moeten onthechten. Maar daarnaast is de geest, door zich te hechten aan het vergankelijke, tegelijkertijd ook voorbij gegaan aan het ontwikkelen van het duurzame en blijvende van zichzelf: namelijk zichzelf als de vermogende geest. Daardoor heeft de geest dit bestaan niet leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor heeft de geest niet leren bouwen en vertrouwen op het wezenlijke van zichzelf en is niet gaan leven vanuit het onvergankelijke in het hart; noch heeft die zich van daaruit kunnen herenigen met de goddelijke oorsprong, om op die wijze het eigen, geestelijke bestaan een vaste, duurzame grondslag te geven.
Als echter de binding aan het tijdelijke, wat het ook zij, wordt doorgesneden door de onafwendbare loop van het lot, dan betekent dat teleurstelling en leed. Verdriet is een begrijpelijk gevolg van tegenslagen, van ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen, zeker als het menselijke verhoudingen betreft. Hoe onaangenaam dat echter ook klinkt, toch is dat verdriet ontstaan door eigen vereenzelviging. Het is veroorzaakt door de eigen verknochtheid, de eigen verkleefdheid aan wat vergankelijk is - en door het als gevolg daarvan ontbreken van het wezenlijke, van een krachtig, innerlijk leven, verbonden met de geestelijke werkelijkheid van de goddelijke oorsprong.
Als de geest zo lijdt, dan lijdt die in feite aan zichzelf. De geest lijdt aan de eigen geestesgesteldheid, die van gehechtheid, voortgekomen uit de toestand van onbewuste vereenzelviging met het vergankelijke. De geest lijdt aan het eigen zelfbeeld en aan alles wat daarmee is verbonden, doordat dat is gebouwd op wat vergankelijk is. Ook is het daardoor, dat de geest zelf als het ware innerlijk kan overkomen, wat er uiterlijk met datgene gebeurt, waaraan die zich heeft gehecht.
Wat de geest dan overkomt, is echter het gevolg van de éigen geestesgesteldheid. De diepste oorzaak van het lijden is, dat de geest door onbewuste vereenzelviging en gehechtheid op het wezenloze is gericht, de verkeerde kant opkijkt, van onwezenlijke maatstaven uitgaat en waarden omkeert. Dat de geest zich innerlijk tracht te verenigen met wat het verst van het eigen wezen af staat, namelijk met het stoffelijke en met wat slechts tijdelijk bestaat. Dit is immers het meest onwezenlijke ten opzichte van zichzelf als geest.
De grondoorzaak van leed is tweevoudig: door niet-zelfbewustzijn tracht de geest zich wél te verenigen met wat de geest zelf niet is en streeft daardoor níet naar zelfverwerkelijking en hereniging met datgene, waarmee de geest wezenlijk overeenstemt: de geestelijke bron, God, waaruit de geest oorspronkelijk is voortgekomen!

terug naar de woordenlijst - naar boven

loslaten
Kwetsende, onverwerkte ervaringen uit het verleden kunnen pas worden losgelaten na een ingespannen, geestelijke arbeid, door deze ervaringen alsnog te verwerken. Het verwerkingsvermogen is het vermogen van de geest om door waarnemen, denken, voelen en willen de éigen houding tegenover onverwerkte ervaringen zodanig om te vormen, dat zij kunnen worden aanvaard.
Ervaringen in het algemeen en ook onaangename ervaringen zijn feiten en kunnen niet worden veranderd; veranderen kan alleen de geest zichzelf door de eigen vormbaarheid, plooibaarheid. Alleen de geest zelf kan leren de kijk op zaken te verruimen en de betekenis van alles wat gebeurt en in het verleden is gebeurd, te leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor kan het komen tot lotsaanvaarding en kunnen die ervaringen worden losgelaten. Daardoor wordt ook beseft dat alles, wat in het tijdelijke bestaan gebeurt, tijdelijk is. Er komen daarna ook weer andere tijden.
Zelfs de meest ingrijpende en onaangename gebeurtenissen krijgen betekenis als wordt beseft, dat alle levenservaringen de geestelijke groei als doel hebben. Als de betekenis die levenservaringen hebben nú niet wordt gezien, dan wordt dat wel duidelijk als zij bij de naschouw na het overlijden vanuit de geestelijke wereld worden bezien. Zij worden dan samen met de geestelijke begeleiders in liefde beoordeeld en de zin ervan, gezien in het licht van het grote geheel, wordt besproken.
Voor wie dit door onwetendheid en ongeloof - veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan - niet zo kan zien, zijn alle wederwaardigheden die de geest in dit tijdelijke bestaan kunnen treffen, zinloze rampen, die in feite onaanvaardbaar zijn en daardoor niet te begrijpen en te verwerken.

Ervaringen kunnen pas worden verwerkt, als ze eerst tot de geest zijn toegelaten door ze waar te nemen en zich er zo bewust van te worden. Zijn ze op deze wijze met de geest verbonden, dan kunnen ze verstandelijk worden behandeld met het denken, waardoor er inzicht kan worden verkregen in de betekenis van die ervaringen en er een redelijk oordeel over kan worden gevormd. Door ervaringen zodanig tot zich toe te laten dat er ook ook een gevoel door wordt opgewekt, meestal in de vorm van een aandoening, kan de geest er een gevoelsoordeel over vormen. Aan die oordelen kan een bepaald besluit worden verbonden, dat met de wilskracht kan worden uitgevoerd door middel van een daarop aansluitende uitspraak of handeling.
Iets verwerken wordt gedaan door een bepaalde, bijvoorbeeld kwetsende ervaring op deze wijze zo lang te overdenken en te doorvoelen, tot alle aanzichten ervan begripsmatig én gevoelsmatig zijn benaderd, behandeld en zo weer opnieuw zijn beleefd. Door de verwerking ontstaat er overeenstemming met de overige gedachten en gevoelens en pas dan kunnen die ervaringen worden losgelaten.
Een ervaring is begripsmatig verwerkt, als niet meer de aandrang wordt gevoeld erover te denken of te praten en de oorzaak van de moeilijkheden of een bepaald vraagstuk in een kort oordeel kan worden samengevat. De geest is dan in staat het betrekkelijke ervan in te zien en het onderwerp te beschouwen, zonder dat het de geest wat aandoet. Gevoelsmatig is iets verwerkt, als de geest ertoe is gekomen een bepaalde ervaring te aanvaarden door niet meer in opstand te komen tegen de onvermijdelijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Iets is verwerkt als er bijvoorbeeld begrip is gekomen voor en er kan worden meegeleefd met de persoonlijke achtergronden van degene, die de oorzaak van de ervaren kwetsingen was en de geest erin is geslaagd de daardoor ontstane boosheid op te heffen door vergevingsgezindheid. Om dat te bereiken moet de geest leren 'bij zichzelf te blijven', pas dan kan de innerlijke band met de ander worden verbroken.
Iets is verwerkt als wordt gevoeld dat de noodzaak van bewerking met de vermogens ophoudt te bestaan, als er geen nieuwe gezichtspunten, verbanden, gedachten of gevoelens meer ontstaan door bezinning op het onderwerp. Dit is dan uitgeput en verdwijnt langzaam maar zeker naar het geheugen, zonder dat de behoefte wordt gevoeld zich er verder nog mee bezig te houden. Iets is verwerkt wanneer de toestand is ingetreden, dat het onderwerp niet meer de aandacht trekt of opwinding veroorzaakt als er zelf de aandacht op wordt gevestigt. De geest beheerst de inhouden van de ziel, als daar geen onderwerpen meer in zijn die de geest uit het evenwicht kunnen brengen of boos kunnen maken. Het is rustig geworden in het hart als de inhouden van de ziel door verwerking ervan zijn geplaatst in een geordend geheel van overige levenservaringen en kunnen worden gezien in het licht van de eeuwigheid.
Is daarentegen een onderwerp nog niet voldoende verwerkt, dan blijft het steeds min of meer vaag op de rand van de bewustzijnsruimte aanwezig, waar het door de ermee verbonden wanorde innerlijke onrust veroorzaakt. Het blijft dan steeds weer de aandacht trekken, al naar de gevoelswaarde ervan of de verstandelijke noodzaak, het vraagstuk tot een oplossing te brengen. Zolang bepaalde ervaringen onverwerkt blijven, is de herinnering eraan in staat het gemoed te ontstemmen en de geest weer in dezelfde ongunstige gemoedstoestand als vroeger terug te brengen. Die ervaringen kunnen dan niet worden losgelaten, de geest blijft ermee zitten en blijft zich het slachtoffer voelen van wat hem of haar ooit is aangedaan.

terug naar de woordenlijst - naar boven

lot
Het lot is letterlijk: datgene, wat iemand toevalt. Het lot is de terugkoppeling op de geest van de gevolgen van handelingen, die in een vorig bestaan of in dit bestaan zijn verricht. Langs een omweg komen de gevolgen van handelingen altijd bij de geest terug, later in dit bestaan of in een volgend bestaan.
Door de terugkoppeling worden nu ervaringen ondervonden, waarvan de oorzaak in het verleden kan liggen en waardoor de geest zich niet meer bewust is van die oorzaak. Hierdoor ontstaat de vraag naar het 'waarom': "Waarom moet mij dit overkomen?".
Door de toestand van afgescheidenheid waarin de geest zich bevindt door de verbondenheid met het lichaam, is die zich niet bewust van het bestaan van de geestelijke wereld. Daardoor beseft de geest ook niet de algehele verbondenheid van alle levende wezens met elkaar door de goddelijke algeest. Alle levende wezens zijn door puntvormige verdichting van het licht en de warmte van de algeest ontstaan. Daardoor blijven zij naadloos met de algeest en daardoor in wezen ook met elkaar, verbonden.
Verstoort een geest deze onderlinge verbondenheid door liefdeloos gedrag, dan wordt daardoor de goddelijke orde van de schepping verstoord. Door die verstoring ontstaat er een spanning tussen twee geesten die zo lang blijft bestaan, tot de verstoring is opgeheven doordat een van hen 'het weer goed maakt': het 'boeten' (letterlijk 'weer goed maken') van de verstoorde band. Wordt de fout niet meteen hersteld, dan blijft de spanning in de geestelijke wereld bestaan, net zolang tot zich nieuwe omstandigheden op aarde voordoen, waarin de fout kan worden hersteld. Dat kan ook zijn in een volgend bestaan.
De afgescheidenheid die de menselijke geesten op aarde ervaren, is slechts schijnbaar. In de algeest zijn alle levende wezens onafscheidelijk met elkaar verbonden doordat zij algeestvonken zijn, uit en in de goddelijke algeest. Pas als alle spanningen die binnen die verbondenheid bestaan door de veroorzakende geest weer zijn opgelost, kan die verdergaan op de levensweg naar hereniging met de algeest. Zo niet, dan blijft die geest door de verstoring in de ontwikkeling geremd.
Het woord 'karma' heeft dezelfde betekenis als 'lot', als datgene, wat een mens toevalt. Het Sanskriet 'karma' hangt samen met het Griekse 'drama' en betekent 'handeling'. Het betekent dat de gevolgen van een handeling langs een omweg door de tijd op een gegeven ogenblik altijd weer bij de betreffende persoon terugkomen, die dat als 'mijn lot' ervaart.

terug naar de woordenlijst - naar boven

lotsaanvaarding
Het tijdelijke bestaan op aarde is een leerschool, waarin de tijd een stroom van leerzame gebeurtenissen is, die vanuit de onbekende toekomst op de geest toekomt als ervaringen en wederwaardigheden, en als de levensbestemming. Deze leerzame gebeurtenissen en omstandigheden op aarde kunnen vóór de geboorte bewust worden gekozen, doordat de geest in de geestelijke wereld zich bewust is geworden welke persoonlijke tekortkomingen ter hand moeten worden genomen en welke persoonlijke kwetsingen weer aan anderen moeten worden goedgemaakt. Doordat tekortkomingen en kwetsingen de goddelijke orde van de schepping verstoren, remmen zij de geest op de levensweg, de ontwikkelingsweg van zelfverwerkelijking en hereniging.
Vanuit de geestelijke wereld heeft de geest zichzelf ertoe bestemd een bepaald lot te ondergaan en bepaalde leerzame ervaringen mee te maken. In het tijdelijke bestaan echter is de geest door de onbewuste vereenzelviging ermee, zich niet meer bewust van zichzelf als geest en van de geestelijke betekenis, die alle ervaringen en wederwaardigheden hebben. Deze onbewustheid is noodzakelijk, omdat de geest anders niet meer de persoonlijke vrijheid bezit om volkomen zelfstandig en uit eigen, vrije keuze, bepaalde besluiten te nemen en uit te voeren. Als de geest al zou weten wat alles wat gebeurt voor betekenis heeft, dan is door die voorkennis de keuze die moet worden gemaakt niet moeilijk en niet meer volkomen vrij. De grootste geestelijke groei naar zelfstandigheid wordt echter bereikt door de geest in dit bestaan - schijnbaar - geheel aan zichzelf over te laten in een toestand van onwetendheid en daardoor zelfstandig beslissingen te laten nemen.
Door die onwetendheid van de geestelijke zin van het stoffelijke bestaan, is de geest zich niet bewust van de eeuwigheidswaarde die álle ervaringen en wederwaardigheden hebben. Door de noodzaak staande te blijven temidden van de druk die de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest uitoefent, wordt de menselijke geest ertoe aangezet de eigen geestelijke vermogens bewust en beheerst te gebruiken, en dat betekent een verrijking van de geest die eeuwig zijn waarde behoudt. Door weer in het reine te komen met bepaalde medemensen door goede daden te doen, worden remmingen die op de levensweg bestaan, opgeheven.
Als dit door onbewustheid van de samenhangen in Gods schepping niet zo wordt gezien, dan kan het tijdelijke bestaan door de onwetende geest als een aaneenschakeling van zinloze wederwaardigheden worden ervaren, doordat alle inspanningen uiteindelijk met de dood eindigen en daardoor nutteloos lijken. Vanuit de levensbeschouwing die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging, is het haast onmogelijk het lot te aanvaarden als iets, wat een bepaalde zin zou hebben.
Vanuit het inzicht dat samenhangt met de geesteswetenschappen of vanuit het geloof dat samenhangt met een godsdienstige geestesgesteldheid, wordt het tijdelijke bestaan gezien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor groeit het vertrouwen dat niets voor niets gebeurt en alle gebeurtenissen en ervaringen een diepere, geestelijke betekenis hebben. Daardoor kan het lot worden aanvaard als tijdelijke ervaringen, die onafwendbaar met de persoon en met de geestelijke groei van de persoon, samenhangen. Hoe onbegrijpelijk de loop van het lot vaak ook is en hoe onnavolgbaar Gods wegen ook zijn, alles wat gebeurt heeft een bepaalde betekenis en betekent uiteindelijk een verrijking voor het eeuwige leven.

terug naar de woordenlijst - naar boven

lotsbestemming
De lotsbestemming verwijst naar de gebeurtenis die de geest in het huidige, tijdelijke bestaan moet overkomen om een handeling uit het verleden of uit een vorig bestaan af te maken of weer goed te maken.
terug naar de woordenlijst - naar boven