|
Verklarende woordenlijst M
|
| |
mannelijkheid
mening
mens
|
middelpuntvliedend en middelpuntzoekend
mystiek
|
mannelijkheid
De geest is een geheel van met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende mannelijke en vrouwelijke vermogens. Daarnaast doen zich in dit bestaan en in de geestelijke wereld aan het geestesoog mannelijke en vrouwelijke geesten voor. De mannelijkheid van een mannelijke geest wordt bepaald door de volgorde in het verloop van de geestelijke werkzaamheid, te weten: waarnemen, denken, voelen, willen. De nadruk valt op het denken. Wat wordt waargenomen wordt daardoor eerst verstandelijk beoordeeld en beredeneerd.
De nadruk op het denken werkt door in het vermogen dat ermee overeenkomt, het willen, dat net als het denken een zelfvormend, doordringend vermogen is. Daardoor wordt in de ontwikkelde toestand mannelijkheid gekenmerkt door wijsheid
en ondernemingszin.
In het verloop van de werkzaamheid van de mannelijke geest wisselen de ontvankelijke, vormbare vermogens (waarnemen en voelen) en de doordringende, zelfvormende vermogens (denken en willen) elkaar om beurten af. Dat heeft tot gevolg dat het verloop van de werkzaamheid gelijkmatiger is dan bij de vrouwelijke geest; de ervaringen maken een minder diepe indruk en het gedrag en de gezichtsuitdrukkingen zijn gematigd. Doordat er weinig pieken en dalen zijn in de werkzaamheid, wordt het evenwicht niet makkelijk verstoord; er is eerder sprake van een zekere onverstoorbaarheid.
Bij de richting van de geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op de uitgekeerde instelling. De uitgekeerde instelling en de beide doordringende vermogens werken vanuit de geest door in de geestgedaante en van daaruit in het lichaam en geven daardoor aan het mannelijke geslachtsorgaan de uitgekeerde vorm die het heeft (zie ook: geslacht).
Vanuit het denken en willen heeft de mannelijke geest de neiging het lichaam te gebruiken als een werktuig, waar arbeid mee moet worden verricht. Het lichaam wordt gezien als een middel om te handelen.
Het woord 'man' is afkomstig van het Gotische woord 'munan' en het Sanskriet 'manas', wat 'denken' betekent.
terug naar de woordenlijst - naar boven
mening
Het werkwoord 'menen' waar het zelfstandige naamwoord 'mening' van is afgeleid, hangt samen met 'manen' en is gevormd uit het Gotische 'munan' en het Sanskriet 'manas', wat 'denken' betekent (van 'manas' is ook het woord 'man' afgeleid). Een 'mening' is daardoor een gedachte of een oordeel.
Door het verschijnsel van de eenzijdige vereenzelviging met het denken (zie het ingekeerde - en uitgekeerde denken) komt het voor, dat een geest door die eenzijdigheid er bij voorbaat van uitgaat, dat de eigen gedachte of mening, die over een bepaald onderwerp is gevormd, juist is. Door de vereenzelviging met het eigen denken is het vertrouwen daarin zo groot, dat er bij voorbaat niet wordt getwijfeld aan de juistheid ervan. Daardoor ontstaat het verschijnsel van de persoonlijke 'mening', die op gezaghebbende wijze als een onfeilbaar oordeel wordt verkondigd. De vereenzelviging daarmee kan zo krachtig zijn, dat er aan de waarneming van de ervaarbare werkelijkheid voorbij wordt gegaan, als blijkt dat daardoor de mening zou moeten worden bijgesteld.
Door een wijsgerige geesteshouding, samenhangend met het ontwikkelde denken, wil de geest daarentegen altijd de waarheid van het eigen denken blijven betwijfelen om zo open te blijven staan voor eventuele verbeteringen en verruiming van het inzicht. Het denken van de ontwikkelde geest blijft verbonden met het waarnemen en datgene, wat wordt waargenomen, wordt aangegrepen om er de bestaande gedachten aan te toetsen; ook als dat betekent, dat de mening over een bepaald onderwerp zou moeten worden herzien.
Dat zelfde geldt voor de wetenschappelijke geesteshouding. Een wetenschappelijk ingestelde geest neemt eerst waar en denkt vervolgens. De ontwikkelde geest beseft dat het denken een bewerken is van feiten, die in de binnen- of de buitenwereld eerst moeten worden waargenomen om er een juiste mening over te kunnen vormen.
Op het gebied van de natuurwetenschappen wordt er in het algemeen naar gestreefd een wetenschappelijke houding aan te nemen bij het vormen van meningen, hoewel de meeste natuurwetenschappers zichzelf een beperking hebben opgelegd door de geestelijke helft van Gods schepping af te wijzen en zich alleen bezig te houden met de stoffelijke helft. De geestelijke helft zou volgens hen louter denkbeeldig zijn en slechts op geloof berusten.
Op het gebied van de geesteswetenschappen houdt men zich wel bezig met het stoffelijke én geestelijke geheel van Gods schepping, maar daar bestaan veel meningen, die gestoeld zijn op slechts weinig waarnemingen, die bovendien vaak onvolledig zijn en ook niet berusten op éigen ervaring met de werkelijkheid van de geestelijke wereld.
Deze verschijnselen, die zich voordoen in het gedrag van de menselijke geest, berusten op de eenzijdige vereenzelviging met het denken.
terug naar de woordenlijst - naar boven
mens
De oorspronkelijke betekenis van het Latijnse woord 'mens' is: geest.
De geest is de bron van een aantal verschijningsvormen, die zich om de geest als kern bevinden. Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in de geest straalt de geest als vormende kracht om zich heen een vormbare krachtruimte uit: de ziel. Een aantal onderdelen van de ziel heeft in de loop van de ontwikkeling van de geest een vorm gekregen die overeenkomt met de eigenschappen van de vermogens: de geestgedaante. In de stoffelijke wereld is het de geestgedaante die de stof vasthoudt, die door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in die wereld als een vaste vorm verschijnt: het lichaam.
Dat betekent dat de mens in de stoffelijke wereld verschijnt als de tijdelijke verbondenheid van de geest, de ziel en de geestgedaante, die in een stoffelijke vorm, het lichaam, tot uitdrukking komt. In de geestelijke wereld verschijnt de mens als het geheel van de geest, de ziel en de geestgedaante. Daar is de geestgedaante het voertuig om zich in die wereld te kunnen bewegen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
middelpuntvliedend en middelpuntzoekend
De middelpuntvliedende en middelpuntzoekende werking van kracht zijn twee oereigenschappen van de geest.
De geest is in wezen een bewuste kracht. De geest is de levenskracht, die zich van zichzelf en van onderwerpen om zich heen, bewust kan zijn. In de geestelijke wereld zijn deze oereigenschappen herkenbaar als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarbij de kracht zich voordoet als warmte en het bewust zijn als licht. Als de geest als levenskracht in beweging komt, verschijnt in de geest het licht; met andere woorden: de warmte is de bron van het licht.
Het geestelijke licht en de geestelijke warmte kunnen beide in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een doordringbare, vormbare, vrouwelijke toestand en in een zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand van de geest.
In de ontvankelijke, vormbare, vrouwelijke toestand van de geest oefent de geest een aantrekkende kracht uit op de omgeving. De geest wil zich door de omgeving laten doordringen. In deze toestand is de werkzaamheid van de geest middelpuntzoekend en daardoor ingekeerd. Door de ingekeerde instelling is de werkzaamheid van de geest gericht op het persoonlijke en is daardoor gemeenschapsvormend met andere personen.
In de zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand van de geest oefent de geest een afstotende kracht uit op de omgeving. De geest wil de omgeving doordringen om er een plaats in te kunnen innemen. In deze toestand is de werkzaamheid van de geest middelpuntvliedend en daardoor uitgekeerd. Door de uitgekeerde instelling is de werkzaamheid van de geest gericht op de onpersoonlijke, stoffelijke buitenwereld en op het verwerven van een zelfstandige plaats daarin.
Deze wezenlijke eigenschappen van de geest komen tot uitdrukking in de eigenschappen van het atoom, de bouwsteen van de stoffelijke schepping, geschapen door de algeest. De in het midden rustende kern is vrouwelijk, de in de ruimte er omheen bewegende electronen zijn mannelijk. De kern bestaat uit een groep protonen en neutronen, die samen een gemeenschap vormen; de electronen zijn zelfstandig en bewegen zich vrij om de kern. De electronen worden door de kern aangetrokken door de middelpuntzoekende, ingekeerde kracht; de electronen blijven om de kern bewegen door hun afstotende, middelpuntvliedende, uitgekeerde kracht. Zolang beide krachten even groot zijn en daardoor in evenwicht, blijven de electronen om de kern draaien: ze vallen even snel naar de kern terug als ze er door hun beweging vanaf zouden vliegen.
Zie ook: aantrekking en afstoting.
terug naar de woordenlijst - naar boven
mystiek
Het woord 'mystiek' is afkomstig van het Griekse werkwoord 'muoo', dat 'zich inkeren' en 'zichzelf hervinden' betekent. Er wil mee worden gezegd, dat het kenmerkende van de mysticus is, dat hij of zij zich naar binnen richt wanneer het gaat om het beleven van het geestelijke, godsdienstige. De mysticus is esoterisch (naar binnen gericht), in tegenstelling tot het exoterische (naar buiten gerichte) van de uitwendige vormendienst door priesters in kerkgebouwen of tempels.
De Nederlandse mystiek is alomvattend. In de 13e, 14e en 15e eeuw maakte de mystiek in de Lage Landen een grote bloei door. De bekendste namen zijn: Beatrijs van Nazareth, Hadewijch, Jan van Ruusbroek, Jan van Leeuwen, Hendrik Herp, Geert Groote, Thomas van Kempen, Gerlach Peters, Zuster Bertken, een anonieme schrijfster uit Oisterwijk en Frans Vervoort. Het peil van hun werk is vergelijkbaar met welke andere mystieke stroming dan ook in Oost en West, en wordt in het bijzonder gekenmerkt door een indringende eenvoud en duidelijkheid. Over hun leven is niet zo veel bekend en ook zij zelf vestigen in de eerste plaats de aandacht op hun innerlijke ervaringen.
Er is een rechtstreekse samenhang met het Christendom. Voor de mysticus is de innerlijke ervaring van de samenhang met het goddelijke het doel van zijn streven. Uitgaande van die ervaringen beschrijven Nederlandse mystici hoe God als onze Vader de schepping en daarmee ook de menselijke geesten, baart of 'uitgeest' zoals zij zeggen; hoe God als Jezus vervolgens als leraar tot de mensheid kwam; en hoe God nu in de vorm van de heilige Geest bij ons en in ons is. Jezus als mensheidsleraar betekent voor de mysticus het voorbeeld van de door Jezus voorgeleefde Weg; de heilige Geest, die van God uit Gods schepping doordringt en die in stand houdt, betekent de mogelijkheid om door over die Weg te gaan het goddelijke in zichzelf te ervaren door zich ervoor open te stellen.
Zoals Jezus immers zegt (Johannes Evangelie) zal hij "ons niet als wezen achterlaten". Ook Jezus ziet zichzelf daarom als onze Ouder. Hij belooft verder "een andere Trooster te zenden". Jezus ziet zichzelf daarom ook als heilige Geest. Deze 'trooster', 'helper' of 'aanmoediger', wat het Griekse 'parakleitos' onder andere betekent, zal volgens hem "bij ons en in ons zijn". Met andere woorden, de heilige Geest is al bij ons en in ons, en wij als menselijke geesten zijn daarom in de heilige Geest en worden door die heilige Geest doordrongen.
Vervolgens bidt God als Jezus tot God als onze Vader: "Laat hen één zijn, zoals wij". Het enige en heilige doel van de mysticus is nu rechtstreeks dat 'bij ons en in ons zijn' van de heilige Geest te ervaren en de eenheid ermee te bereiken. Hij beseft uit God te zijn voortgekomen en verlangt ernaar zich te herenigen met Dat, waaraan hij in wezen gelijkwaardig is.
Om die eenheid te bereiken is volgens de Nederlandse mystici noodzakelijk: onthechting, zelfbezinning en gebed. Het innerlijk moet worden geordend en de neigingen worden beheerst. Met kracht moet het denken, voelen en willen van zichzelf als de persoon rechtstreeks op God worden gericht. De mens moet de strijd aanbinden met zichzelf. De geest moet de dingen van de aarde gebruiken, maar tegelijkertijd de blik leren afwenden van al het geschapene en van elk schepsel, om die in vrijheid te kunnen richten op God, die het scheppende is. Het mystieke doel eist van de mens een onthechting van de stof en een verheffing van de geest, die heel de persoon, het denken, voelen en streven omvat.
De zelfbezinning door geestelijke inkeer - in feite de betekenis van het woord mystiek - die daarop moet volgen, is volgens de Nederlandse mystici de grondwet van het inwendige leven. De geestelijke vermogens bestaan volgens hen uit de vermogens van het waarnemen (memorie genoemd), het verstand, het gevoel en de wil. Het zijn deze krachten, die de mens moet inkeren tot een eenheid in het hart. Dit hart wordt beschouwd als het middelpunt van het innerlijk. In het hart is de mens als geest aanwezig, als de 'wezenheid der ziel' en in zichzelf als geest wortelen de geestelijke vermogens. Die vermogens moeten door zelfbezinning op zichzelf worden gericht, dan keert de mens als geest in tot een persoonlijke eenheid, welke de mens in overeenstemming brengt met de goddelijke geestesgesteldheid. Het kernpunt van Ruusbroecks leer is, dat God als heilige Geest tegelijkertijd met de menselijke geest in het hart aanwezig is en daar door de mens, als de zich op zichzelf bezinnende geest te ervaren is, als de mens zichzelf in de juiste gemoedstoestand brengt.
Die godservaring wordt mogelijk gemaakt door wat Hendrik Herp noemt: het verzuchtende gebed. Deze gebedsoefening bestaat uit het stil voor zichzelf herhalen van bepaalde 'verzuchtingen', innige, korte, zelfgekozen gebeden. Volgens Herp brengt dit gebed de mens in die geestesgesteldheid, die een 'gelijkendheid' met de goddelijke geest mogelijk maakt, waardoor de mystieke hereniging met de heilige Geest kan worden ervaren.
Als biddende geest ervaart de mens dan hoe die door een kracht van buitenaf in beweging wordt gebracht. Verder ondervindt de mens het instromen van de vrede Gods, die de gemoedsgesteldheid in een toestand van weldadige, onaardse rust brengt. Vervolgens begint het innerlijk in beweging te komen, wat merkbaar is aan de stromen van kleuren, die aan het geestesoog in het innerlijk voorbijtrekken. Die kleuren hangen duidelijk samen met de gemoedsgesteldheid en zijn voornamelijk blauw en goudgeel. Uiteindelijk kan de mens ervaren dat het goddelijke Licht binnenstroomt, de mens geheel omgeeft en in zich opneemt, terwijl de geest een innerlijk licht is geworden. De mens ervaart dan zelf de belofte van Jezus, dat de heilige Geest 'bij' en 'in' de mens zal zijn. In de Bijbel wordt God omschreven als Geest, Kracht, Licht, Liefde, Vrede en Waarheid. Door de beoefening van het 'verzuchtende gebed' kan ieder, die zich daarvoor wil inspannen, deze eigenschappen in zichzelf onmiddellijk ervaren.
Door deze zelfbezinnings- en gebedsoefeningen keert de mens in tot de bron, waar allen uit zijn voortgekomen en die allen in leven houdt door de kracht van de heilige Geest, die eruit voortkomt. Die bron begint door deze oefeningen ook in het hart te stromen en de mens kan dan niet anders meer dan medemensen vriendschappelijk en op voet van wezenlijke gelijkwaardigheid tegemoet te treden. Alleen wie zichzélf zoekt door 'meditatie' wordt wereldvreemd, maar wie God zoekt door gebed na tot zichzelf te zijn gekomen door zelfbezinning, kan niet anders dan zich inzetten voor zijn medemensen, omdat allen immers uit dezelfde bron zijn voortgekomen. Naastenliefde wordt dan een natuurlijke, innerlijke aandrang vanuit het eigen geweten.
Die naastenliefde is ook een kenmerk van het kerkelijke Christendom, maar de grondgedachte van de Nederlandse mystiek is de 'voorbeeldigheid'. Hiermee wordt bedoeld, dat de menselijke geest is geschapen naar het voorbeeld van de goddelijke geest. In de menselijke geest wordt het beeld van de heilige Drievuldigheid weerspiegeld, doordat de kenmerken van de drie 'personen' te herkennen zijn in de vermogens van de menselijke geest. Jezus vertegenwoordigt als wijsheidsleraar het denken, de heilige Geest is als Trooster, Helper en Bemoediger het liefdevolle voelen, de Vader is als bewust scheppende kracht het waarnemen (waardoor bewustwording mogelijk wordt) en het willen (als scheppingskracht).
terug naar de woordenlijst - naar boven
|
|