inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst M
 
mannelijkheid
De geest is een geheel van met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende mannelijke en vrouwelijke vermogens. Daarnaast doen zich in dit bestaan en in de geestelijke wereld aan het geestesoog mannelijke en vrouwelijke geesten voor. De mannelijkheid van een mannelijke geest wordt bepaald door de volgorde in het verloop van de geestelijke werkzaamheid, te weten: waarnemen, denken, voelen, willen. De nadruk valt op het denken. Wat wordt waargenomen wordt daardoor eerst verstandelijk beoordeeld en beredeneerd.
De nadruk op het denken werkt door in het vermogen dat ermee overeenkomt, het willen, dat net als het denken een doordringend, zelfvormend vermogen is. Daardoor wordt in de ontwikkelde toestand mannelijkheid gekenmerkt door wijsheid en ondernemingszin.
In het verloop van de werkzaamheid van de mannelijke geest wisselen de ontvankelijke, vormbare vermogens (waarnemen en voelen) en de doordringende, zelfvormende vermogens (denken en willen) elkaar om beurten af. Dat heeft tot gevolg dat het verloop van de werkzaamheid gelijkmatiger is dan bij de vrouwelijke geest; de ervaringen maken een minder diepe indruk en het gedrag en de gezichtsuitdrukkingen zijn gematigd. Doordat er weinig pieken en dalen zijn in de werkzaamheid, wordt het evenwicht niet makkelijk verstoord; er is eerder sprake van een zekere onverstoorbaarheid.
Bij de richting van de geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op de uitgekeerde instelling. De uitgekeerde instelling en de beide doordringende vermogens werken vanuit de geest door in de geestgedaante en van daaruit in het lichaam en geven daardoor aan het mannelijke geslachtsorgaan de uitgekeerde vorm die het heeft (zie ook: geslacht).
Vanuit het denken en willen heeft de mannelijke geest de neiging het lichaam te gebruiken als een werktuig, waar arbeid mee moet worden verricht. Het lichaam wordt gezien als een middel om te handelen.
Het woord 'man' is afkomstig van het Gotische woord 'munan' en het Sanskriet 'manas', wat 'denken' betekent.
(terug naar index)

mening
Het werkwoord 'menen' waar het zelfstandige naamwoord 'mening' van is afgeleid, hangt samen met 'manen' en is gevormd uit het Gotische 'munan' en het Sanskriet 'manas', wat 'denken' betekent (van 'manas' is ook het woord 'man' afgeleid). Een 'mening' is daardoor een gedachte of een oordeel.
Door het verschijnsel van de eenzijdige vereenzelviging met het denken (zie het ingekeerde - en uitgekeerde denken) komt het voor, dat een geest door die eenzijdigheid er bij voorbaat van uitgaat, dat de eigen gedachte of mening, die over een bepaald onderwerp is gevormd, juist is. Door de vereenzelviging met het eigen denken is het vertrouwen daarin zo groot, dat er bij voorbaat niet wordt getwijfeld aan de juistheid ervan. Daardoor ontstaat het verschijnsel van de 'mening', die op gezaghebbende wijze als een onfeilbaar oordeel wordt verkondigd. De vereenzelviging daarmee kan zo krachtig zijn, dat er aan de waarneming van de ervaarbare werkelijkheid voorbij wordt gegaan, ook als daardoor de mening zou moeten worden bijgsteld.
Door een wijsgerige geesteshouding, samenhangend met het ontwikkelde denken, wil de geest juist altijd de waarheid van het eigen denken blijven betwijfelen om zo open te blijven staan voor eventuele verbeteringen en verruiming van het inzicht. Het denken van de ontwikkelde geest blijft verbonden met het waarnemen en datgene, wat wordt waargenomen, wordt aangegrepen om er het denken aan te toetsen; ook als dat betekent, dat de mening over een bepaald onderwerp moet worden herzien.
Dat zelfde geldt voor de wetenschappelijke geesteshouding. Een wetenschappelijk ingestelde geest neemt eerst waar en denkt vervolgens. De ontwikkelde geest beseft dat het denken een bewerken is van feiten, die in de binnen- of de buitenwereld eerst moeten worden waargenomen om er een juiste mening over te kunnen vormen.
Op het gebied van de natuurwetenschappen wordt er in het algemeen naar gestreefd een wetenschappelijke houding aan te nemen bij het vormen van meningen, hoewel de natuurwetenschappen zichzelf een beperking hebben opgelegd door de geestelijke helft van Gods schepping af te wijzen en zich alleen bezig te houden met de stoffelijke helft. De geestelijke helft zou slechts op geloof berusten.
Op het gebied van de geesteswetenschappen houdt men zich wel bezig met het stoffelijke èn geestelijke geheel van Gods schepping, maar daar leven veel meningen, die gestoeld zijn op slechts weinig waarnemingen, die bovendien vaak onvolledig zijn en ook niet berusten op èigen ervaring met de werkelijkheid van de geestelijke wereld.
Deze verschijnselen, die zich voordoen in het gedrag van de menselijke geest, berusten op de eenzijdige vereenzelviging met het denken.
(terug naar index)

mens
De oorspronkelijke betekenis van het Latijnse woord 'mens' is: geest.
De geest is de bron van een aantal verschijningsvormen, die zich om de geest als kern bevinden. Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in de geest straalt de geest als vormende kracht om zich heen een vormbaar krachtveld uit: de ziel. Een aantal onderdelen van de ziel heeft in de loop van de ontwikkeling van de geest een vorm gekregen overeenkomstig de eigenschappen van de vermogens: de geestgedaante. In de stoffelijke wereld is het de geestgedaante die de stof vasthoudt, die door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in die wereld als een vaste vorm verschijnt: het lichaam.
Dat betekent dat de mens in de stoffelijke wereld verschijnt als de tijdelijke verbondenheid van de geest, de ziel en de geestgedaante, die in een stoffelijke vorm, het lichaam, tot uitdrukking komt.
In de geestelijke wereld verschijnt de mens als het geheel van de geest, de ziel en de geestgedaante.
(terug naar index)

middelpuntvliedend en middelpuntzoekend
De middelpuntvliedende en middelpuntzoekende toestand van kracht zijn twee oereigenschappen van de geest.
De geest is in wezen een bewuste kracht. De geest is de levenskracht, die zich van zichzelf en van onderwerpen om zich heen, bewust kan zijn. In de geestelijke wereld zijn deze oereigenschappen herkenbaar als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarbij de kracht zich voordoet als warmte en het bewust zijn als licht. Als de geest als levenskracht in beweging komt, verschijnt in de geest het licht; met andere woorden: de warmte is de bron van het licht.
Het geestelijke licht en de geestelijke warmte kunnen beide in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vormbare, doordringbare, vrouwelijke toestand van de geest en in een zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand van de geest.
In de ontvankelijke, vormbare, vrouwelijke toestand van de geest oefent de geest een aantrekkende kracht uit op de omgeving. De geest wil zich door de omgeving laten doordringen. In deze toestand is de werkzaamheid van de geest middelpuntzoekend en daardoor ingekeerd. Door de ingekeerde instelling is de werkzaamheid van de geest gericht op het persoonlijke en is daardoor gemeenschapsvormend met andere personen.
In de zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand van de geest oefent de geest een afstotende kracht uit op de omgeving. De geest wil de omgeving doordringen om er een plaats in te nemen. In deze toestand is de werkzaamheid van de geest middelpuntvliedend en daardoor uitgekeerd. Door de uitgekeerde instelling is de werkzaamheid van de geest gericht op de onpersoonlijke, stoffelijke buitenwereld en op een zelfstandige plaats daarin.

Deze wezenlijke eigenschappen van de geest komen tot uitdrukking in de eigenschappen van het atoom, de bouwsteen van de stoffelijke schepping, geschapen door de algeest. De in het midden rustende kern is vrouwelijk, de in de ruimte er omheen bewegende electronen zijn mannelijk. De kern bestaat uit een groep protonen die samen een gemeenschap vormen, de electronen zijn zelfstandig en bewegen zich vrij om de kern. De electronen worden door de kern aangetrokken door de middelpuntzoekende, ingekeerde kracht; de electronen blijven om de kern bewegen door hun afstotende, middelpuntvliedende, uitgekeerde kracht. Zolang beide krachten even groot zijn en daardoor in evenwicht, blijven de electronen om de kern draaien: ze vallen even snel naar de kern terug als ze er door hun beweging vanaf zouden vliegen.
Zie ook: aantrekking en afstoting.
(terug naar index)