GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst N
 
negenvoudigheid
nu
normen en waarden





negenvoudigheid
Als de menselijke geest werkzaam wordt met behulp van de geestelijke vermogens, dan komt de werkzaamheid van de vermogens naar buiten toe in de persoonlijkheid tot uitdrukking en wel in de samengestelde toestand. Als de geest bijvoorbeeld in de denkende toestand werkzaam is, dan is het een noodzakelijkheid om er bij te zeggen of dat in de ingekeerde of in de uitgekeerde toestand geschiedt; of dat het een op het ander volgt. Het denken op zich bestaat alleen op denkbeeldige wijze.
Niet alleen in de enkelvoudige, niet samengestelde toestand (zie: zevenvoudigheid), maar ook in de samengestelde toestand is er sprake van een evenwicht van tegendelen; tegendelen die met elkaar samenhangen en elkaar aanvullen. Het tegendeel van het uitgekeerde waarnemen is het ingekeerde willen, het tegendeel van het uitgekeerde denken is het ingekeerde voelen, van het uitgekeerde voelen is het ingekeerde denken en van het uitgekeerde willen is het ingekeerde waarnemen (zie aldaar). In de samengestelde toestand is er sprake van vier paren tegendelen, waardoor er met deze vermogens acht persoonlijkheden kunnen worden beschreven; daarboven is er één persoonlijkheid, de negende, die een samenvatting is van de acht andere. In deze samengestelde toestand wordt de werkzaamheid van de menselijke geest gekenmerkt door negenvoudigheid.
De geestelijke vermogens verkeren in de enkelvoudige, niet samengestelde toestand (de zevenvoudigheid) in een geheel andere toestand dan in de samengestelde toestand (de negenvoudigheid). De beschrijving van de kerneigenschappen van het denken in de niet samengestelde toestand is een andere dan die van de werkzame toestand van het denken in de samengestelde toestand, want de in- of uitgekeerde instelling komt daar dan nog bij en dat geeft een bepaalde kleur aan dat vermogen, waardoor het denken in de uitgekeerde toestand op een geheel andere wijze tot uitdrukking komt dan in de ingekeerde toestand. Daardoor zijn de vermogens in de enkelvoudige toestand (zie bij: waarnemen, denken, voelen, willen) niet te vergelijken met de vermogens in de samengestelde toestand (zie bij: het ingekeerde waarnemen en het uitgekeerde waarnemen, het ingekeerde denken en het uitgekeerde denken, enzovoort).
Als de geest wil doordringen in de geheimen van zichzelf als menselijke geest, zal er rekening mee moeten worden gehouden dat bij de beschrijving van de geestelijke vermogens wordt aangeven of dit in de enkelvoudige, niet samengestelde toestand is, die algemeen omschrijvend is of in de samengestelde toestand, die tot uitdrukking komt in de ervaarbare eigenschappen van de persoonlijkheid.
Doordat de geest de scheppende kern is van het al, zijn alle verschijnselen die zich voordoen in de schepping uitingen van geestelijke eigenschappen. Zo zijn ook de getallen een tot en met negen uitingen van geestelijke eigenschappen, die er de grondslag van zijn. De beschrijving van de eenzijdige persoonlijkheden, zoals die samenhangen met de vermogens in de samengestelde toestand, komen overeen met de beschrijving van de betekenis van de numerologische getallen een tot en met negen (bij het enneagram worden dezelfde persoonlijkheden beschreven, alleen zijn daar in het verleden een aantal getallen verwisseld: drie en acht, vijf en zeven).

terug naar de woordenlijst - naar boven

nu
De geest, die door het bezit van een stoffelijke vorm aanwezig is in het tijdelijke bestaan op aarde, is daardoor ondergedompeld in de tijd als stroom van gebeurtenissen. Die stroom komt als het ware uit de toekomst op de geest toe, gaat door de geest heen als een stroom ervaringsbeelden die in het heden door de geest worden beleefd en verwerkt, en verdwijnt in de binnenwereld - als een reeks vervagende beelden - als het verleden in het geheugen. Het verleden bestaat alleen in het geheugen van de geest. De geest kan zich zo nodig de gebeurtenissen uit het verleden weer herinneren en zo in zichzelf het verleden met het heden verbinden.
In het innerlijk van de geest zelf wordt de geest zich bewust van de gebeurtenissen door ze waar te nemen. Vervolgens worden de ermee samenhangende ervaringen verwerkt door ze te overdenken en te doorvoelen, en ten slotte worden naar aanleiding van de gevormde gedachten en gevoelens de besluiten gevormd, die met de wilskracht als uitspraken en handelingen worden uitgevoerd. Binnen in zichzelf, waar de geest werkzaam is met de geestelijke vermogens, beleeft de geest het tijdstip in het heden, dat het 'nu' wordt genoemd.
Als de geest erin slaagt bij zichzelf te blijven en aandacht en toewijding niet over te dragen op verwachtingen die samenhangen met de toekomst of op onverwerkte gebeurtenissen, die in het verleden hebben plaatsgevonden, maar aandacht en toewijding er vanuit zichzelf bewust op te richten, dan leeft de geest voortdurend in het 'nu'. Doordat dit 'nu' in de geest zelf het punt is waar de tijd doorheen stroomt, doordat de geest de gebeurtenissen ervan in zichzelf verwerkt, is dit punt zelf tijdloos. De geest die zelfbezonnen bij zichzelf blijft en de tijd als stroom van gebeurtenissen door zich heen laat gaan, blijft bij zichzelf als het tijdloze, eeuwige en werkzame leven, doordat de geest in wezen als algeestvonk met het eeuwige leven van de algeest is verbonden.
Werkelijk is datgene, wat werkt. De toekomst moet nog gebeuren en is daardoor nog geen werkelijkheid, het verleden is gebeurd en is daardoor geen werkelijkheid meer, maar uitgewerkt. Het enige wat werkelijk is als datgene, wat werkt, is de werkzame menselijke geest op het ogenblik, dat de werkzaamheid daadwerkelijk plaatsvindt: in het 'nu' waarin de ervaringen bewust worden verwerkt of waarin bewust wordt gedacht en gevoeld. Draagt de geest aandacht en toewijding over op toekomstverwachtingen of op herinneringen uit het verleden, dan leeft de geest niet in de werkelijkheid van zichzelf, maar in iets wat nog werkelijkheid moet worden of het al is geweest.
Het woord 'nu' hangt samen met 'nieuw', wat de betekenis heeft: 'pas ontstaan'. Het woord duidt op het feit dat iets ontstaat door een scheppende werkzaamheid en die scheppende werkzaamheid is de werkzaamheid die de menselijke geest in zichzelf verricht met behulp van de geestelijke vermogens.

terug naar de woordenlijst - naar boven

normen en waarden
In het algemeen kan worden gesteld dat als er op een bepaald gebied een aantal waarden mogelijk zijn, er één van die waarden als norm kan worden gekozen, waarmee alle andere kunnen worden vergeleken. Die vergelijking t.o.v. de gekozen norm, is het uitspreken van een oordeel over die andere waarden, waardoor zij kunnen worden ingedeeld. De vraag doet zich nu voor welke waarde in een bepaalde gemeenschap als de norm wordt gekozen.
Om normen en waarden te kunnen omschrijven, moet eerst worden vastgesteld voor welk gebied bepaalde normen en waarden moeten gelden. Aangezien het tijdelijke bestaan een leerschool is voor geestelijke ontwikkeling, waar menselijke geesten zich kunnen ontwikkelen door te leren met elkaar om te gaan, is dat gebied het menselijke gedrag. Vervolgens moet worden vastgesteld: welke waarden zijn de norm voor menselijk gedrag, welke waarden nemen wij als maatstaf om te kunnen zeggen, dat een bepaald gedrag een mens waardig is.
Kortom, in de verhouding tussen normen en waarden moet de vraag worden gesteld: welke waarde is voor ons de norm?

De waarden
Gedrag is een persoonlijke wijze van doen, die samenhangt met de persoonlijkheid. De persoonlijkheid wordt gevormd door de wijze waarop de persoon - en dat is de menselijke geest - een bewust en beheerst gebruik maakt van de geestelijke vermogens. De mate waarin de persoon erin is geslaagd de geestelijke vermogens bewust en beheerst te gebruiken, komt in de persoonlijkheid tot uitdrukking als de eigenschappen van de persoonlijkheid.
De waarden waar het om gaat, zijn deze persoonlijkheidseigenschappen. Deze eigenschappen worden bepaald door de eigenschappen van de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al naar de mate waarin de persoon deze vermogens bewust en beheerst heeft leren gebruiken, bevinden zij zich in een bepaalde graad van ontwikkeling. De graad van ontwikkeling van de vermogens is de geestelijke ontwikkeling, die tot uitdrukking komt in de innerlijke geestesgesteldheid. Deze innerlijke geestesgesteldheid komt als de eigenschappen van de persoonlijkheid naar buiten toe tot uitdrukking in het gedrag, zoals: medeleven, vriendschappelijkheid, onverschilligheid, zelfgerichtheid, vijandigheid. Zij vormen de waarden.

De norm
De vraag is nu: welk graad van ontwikkeling van de geestelijke vermogens kan als de norm worden gesteld voor wat als menselijk gedrag wordt ervaren. De norm voor menselijk gedrag is die ontwikkelingsgraad, waarbij de geestelijke vermogens bewust en beheerst door de menselijke geest worden gebruikt. De eigenschappen van de vermogens zijn dan zodanig ontwikkeld, dat zij in het gedrag tot uiting komen als het geweten en de deugden.
In de deugden komen de ontwikkelde vermogens samen met de uitgekeerde instelling tot uitdrukking. De deugdzame mens wil zich vanuit de deugdzame geestesgesteldheid uit liefde (voelen) met aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (willen) gedragen naar medemensen toe.
In het geweten komen de ontwikkelde vermogens samen met de ingekeerde instelling tot uitdrukking. De gewetensvolle mens wil vanuit de gewetensvolle geestesgesteldheid eerst de blik op zichzelf en het eigen gedrag richten door zelfbeschouwing (waarnemen), redelijke - (denken) en zedelijke (voelen) zelfbeoordeling en zo nodig zelfzelf beheersen (willen) vóór het tot handelen komt, of het daarna doen als later blijkt dat het gedrag kwetsingen heeft veroorzaakt.
De ontwikkeling van de geestelijke vermogens tot het geweten en de deugden leidt tot een menswaardig gedrag. De ontwikkelde vermogens geven die waarden aan het gedrag waardoor de mens waardigheid verkrijgt en van waarde wordt voor de opbouw van de samenleving.

Het gaat bij de vraag over welke waarden de norm moeten zijn om een verandering in de menselijke geestesgesteldheid. Het gaat om die verandering in de geestesgesteldheid en het daaruit voortkomende gedrag, waardoor een samenleven met anderen mogelijk wordt en de mensengemeenschap letterlijk een 'samenleving' wordt. De vraag is met andere woorden: welke waarden zijn de norm voor een evenwichtige samenleving. Die waarden zijn uiteindelijk het gedrag dat wordt bepaald door de geestelijke vermogens in hun ontwikkelde vorm. Zij komen dan in het gedrag als het geweten en de deugden tot uiting.
Het begrip 'verandering' duidt aan dat er sprake kan zijn van een ontwikkeling. Die ontwikkeling betreft de geestelijke vermogens, die in de persoonlijkheid tot uitdrukking komen. Voor die ontwikkeling is de omgang met medemensen in het dagelijkse bestaan de leerschool.

Welke waarden zijn het tegendeel van de norm? Dat zijn de persoonlijkheidskenmerken die samenhangen met de geestesgesteldheid van 'onbewuste vereenzelviging' en 'bewuste vereenzelviging'.
In de ontwikkelingstoestand van onbewuste vereenzelviging worden de geestelijke vermogens en daarmee het gedrag bepaald doordat de geest wordt geboeid door zintuiglijke gewaarwordingen (waarnemen) en zintuiglijke voorstellingen (denken), en wordt gedreven door aandoeningen (voelen) en aandriften (willen).
In de ontwikkelingstoestand van bewuste vereenzelviging - de gehechtheid - worden de geestelijke vermogens en daarmee het gedrag bepaald doordat de geest wordt gekenmerkt door gehechtheid aan zintuiglijke gewaarwordingen, wat leidt tot hebzucht en pronkzucht (waarnemen); door gehechtheid aan voorstellingen en denkbeelden, wat leidt tot eigenzinnigheid, regelzucht en bemoeizucht (denken); door gehechtheid aan het eigen zelfgevoel, wat leidt tot eigenliefde en eerzucht (voelen); en door gehechtheid aan de eigen wilsbesluiten, wat leidt tot heerszucht en het streven naar macht door geweld (willen).
De geestesgesteldheid die samenhangt met een gebrek aan beheersing van de vermogens, leidt tot een mensonwaardig gedrag. De waarde van dit gedrag is het verst verwijderd van de norm: het geweten en de deugden.

terug naar de woordenlijst - naar boven