inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst O
 
oefenen
Oefenen is: toenemen in bekwaamheid door het voortdurend herhalen van bepaalde werkzaamheden.
De oefenschool voor de geest is het tijdelijke bestaan. Door de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen komen voortdurend ervaringen op de geest toe. Door die ervaringen te verwerken, kan de geest het zelfstandige gebruik van de geestelijke vermogens oefenen. De menselijke geest leert al doende de vermogens te gebruiken. Alleen daardoor kan de geest de eigen geestesgesteldheid omvormen, wat leidt tot zelfverwerkelijking. De geest maakt zichzelf daardoor tot een zelfstandige eenheid, die uit zichzelf werkt.
Door de zelfverwerkelijking komt de geestesgesteldheid ten slotte in overeenstemming met die van de algeest, waardoor de hereniging ermee kan plaatsvinden.
Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het omgaan met dat soort ervaringen.
(terug naar index)

oeraanvang
De oeraanvang is de toestand, waarin de algeest vanuit rust in beweging komt om de schepping te scheppen.
De oeraanvang van de geestelijke werkzaamheid doet zich om te beginnen aan het geestesoog voor als een toestand van diepe rust, waarin de eeuwige oneindigheid van de algeest zich voordoet als een geestestoestand van donkere koelte. Deze donkere koelte is op aarde ervaarbaar als een toestand van aangename, schaduwrijke koelte. Vanuit de toestand van rust begint de geestkracht te bewegen, waardoor zich uit de donkere koelte door beweging de lichtende warmte ontwikkelt. Deze lichtende warmte is eveneens alomtegenwoordig in de eeuwige oneindigheid. De lichtende warmte doordringt vervolgens de donkere koelte, die zelf wordt doordrongen, waarbij het licht de donkerte doordringt en de warmte de koelte.
Uit deze vereniging van de doordringende, lichtende warmte, het oermannelijke, met de doordringbare, donkere koelte, het oervrouwelijke, komt een tussentoestand voort, waarin het licht en de donkerte, en de warmte en de koelte elkaar temperen, elkaar aanvullen en elkaar in evenwicht houden: de toestand van de algeest. De algeest is met andere woorden een eenheid van tegendelen: het huwelijk van het mannelijke en vrouwelijke in God. De algeest doet zich voor als licht en warmte, maar dan als licht en warmte die de eigenschappen van de donkere koelte in zich op hebben genomen. Daardoor kunnen het licht en de warmte in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vrouwelijke, doordringbare, beweegbare en vormbare toestand, en in een mannelijke, doordringende, zelfbewegende en zelfvormende toestand.
Door de vereniging van de mannelijke en vrouwelijke tegendelen in God worden uit de algeest de menselijke geesten geboren, als vonken in de algeest, als brandpunten van datzelfde licht en diezelfde warmte, die alle eigenschappen van de beide ouders in zich verenigen. Het begin van de schepping is de geboorte van de menselijke geesten als Gods godenkinderen uit het huwelijk van de goddelijke vader en moeder in het goddelijke gezin: het geheel van God als vader en moeder en de mensheid als al Gods godenkinderen.

Met de geestelijke oereigenschappen: het licht en de warmte, die beide vormbaar en zelfvormend kunnen zijn, hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Waarnemen is: het licht van buitenaf door de omgeving laten vormen tot een ervaringsbeeld; denken is: het licht van binnenuit zelf vormen tot een denkbeeld; voelen is: de warmte van buitenaf laten vormen tot een gevoel; willen is: de warmte van binnenuit zelf vormen tot wilskracht. Met behulp van deze vermogens kunnen ervaringen worden waargenomen, overdacht en doorvoeld en kan er vervolgens iets mee worden gedaan, waardoor zij worden verwerkt en er aanpassing aan veranderde omstandigheden kan plaatsvinden.
Door de eigenschappen en de werkzaamheid van deze vermogens is de geest een uit zichzelf scheppende vormkracht en een bron van uitstraling om zich heen, in de vorm van krachtvelden: de ziel. De èigenschappen van de geestelijke vermogens komen in deze uitstraling ieder in een bepaalde vorm tot uitdrukking in het vormenkrachtveld. Dit vormenkrachtveld doet zich voor als de geestgedaante. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor de mens in de stoffelijke schepping zichtbaar wordt als het lichaam.
(terug naar index)

omdat/doordat
Het gebrek aan inzicht in het verschil tussen de betekenis van 'omdat' en 'doordat' is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewuste vereenzelving, die ook in het taalgebruik tot uiting komt.
'Omdat' betekent: om reden dat; terwijl 'doordat' betekent: door de oorzaak dat. Voorbeelden zijn: 'Ik blijf thuis, omdat (om reden dat) mijn vrouw jarig is' en 'De weg is glad, doordat (door de oorzaak dat) het heeft gevroren'. Bij het gebruik van 'omdat' is er sprake van een redenering of van een verstandelijk of gevoelsmatig oordeel, van waaruit de géést besluit iets al of niet te doen. 'Omdat' verwijst naar een werkzaamheid van de menselijke geest. Bij het gebruik van 'doordat' daarentegen is de oorzaak van een gebeurtenis in de uiterlijke omstandigheden gelegen, dus búiten de geest.
Door de toestand van onbewuste vereenzelviging echter zijn aandacht en toewijding vanuit de geest overgedragen op de omgeving. Door de onbewustheid van de geest van zichzelf is het onderscheid tussen innerlijke rede en uiterlijke oorzaak verloren gegaan. Door de overdracht van zichzelf zijn er voor het gevoel van de geest ook buiten zichzelf overal 'innerlijke redes' werkzaam. Vandaar dat overwegend 'omdat' wordt gebruikt, ook voor uitwendige oorzaken.
Hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij 'waarom' en 'waardoor'.
Het feit dat de taal desondanks wel de noodzakelijke woorden bezit om het juiste onderscheid te kunnen maken, duidt erop dat de oorsprong van het verschijnsel 'taal' een zeer verheven oorsprong is. De oorsprong van taal is de algeest zelf. Taal is de onmiddellijke uitdrukking van de scheppende werkzaamheid van de geest. Om die reden zou met gepaste waardering met het verschijnsel taal moeten worden omgegaan.
(terug naar index)

omvorming
Geestelijke ontwikkeling is de omvorming van de geestesgesteldheid van één en dezelfde geest.
Het is de geest die met behulp van de eigen geestelijke vermogens - het waarnemen, denken, voelen en willen - een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar zelfverwerkelijking en hereniging met de algeest, de geestelijke oorsprong.
Deze ontwikkeling betreft het bewuste en beheerste gebruik dat de geest leert maken van de eigen vermogens. Deze ontwikkeling begint met een toestand waarin de geest onbewust is van de eigen vermogens en er een onbeheerst gebruik van maakt, en eindigt met een toestand waarin de geest er een bewust en beheerst gebruik van heeft leren maken. Het gaat met andere woorden om een omvorming van de geestesgesteldheid van onbewustheid naar bewustheid en van onbeheerstheid naar beheerstheid. Het gaat om een toenemen van de mate van zelfbewustzijn en zelfbeheersing van steeds een en dezelfde geest, in wie de èigenschappen, die in aanleg aanwezig zijn, tot ontplooiing komen.
Deze ontwikkeling begint met een remmende aanvangstoestand, waarin de geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, door de gehechtheid daaraan en door een eenzijdige vereenzelviging met een van de vermogens. Deze toestand is de oorzaak van zoveel moeilijkheden, dat de geest zich daar bewust van begint te worden en gaat streven naar inzicht in zichzelf, en een heilig verlangen gaat koesteren zich hieruit te bevrijden. Dat vergt arbeid aan zichzelf en door dat werken aan zichzelf komen de geestelijke vermogens tot ontwikkeling, waardoor uiteindelijk het gedrag wordt gekenmerkt door het geweten en de deugden en de vermogens worden gekenmerkt door een streven naar schoonheid, waarheid en goedheid.
Door deze vorming is de geestesgesteldheid vanuit een ongevormde toestand omgevormd naar een welgevormde toestand, waardoor de geest de vorm heeft gekregen, die in aanleg al aanwezig was.
(terug naar index)

onbewustheid
Onbewustheid is een geestestoestand van onwetendheid.
Door een onderwerp waar te nemen, komt de geest in een toestand te verkeren 'zich bewust te zijn' van dat onderwerp. De geest heeft er dan 'weet van gekregen' of heeft er 'kennis van genomen' en daardoor is de geest de 'wetende' of de 'kenner' geworden.
In wezen is de geest in de hele schepping de enige eenheid die 'zich van iets bewust kan worden' door iets waar te nemen. Door waar te nemen, wordt de geest de 'bewuste' geest of de 'wetende' geest. Maar daardoor is de geest ook de enige, die in de tegenovergestelde toestand kan verkeren, namelijk als degene, die 'zich niet van iets bewust is' doordat de geest iets niet kan waarnemen. In dat geval is de geest de 'onwetende' of de 'onbewuste' geest en verkeert daardoor in de geestestoestand van onbewustheid.
Met ander woorden: alleen de geest kan een 'bewuste geest' oftewel een 'wetende geest' zijn door iets waar te nemen en alleen de geest kan een 'onbewuste geest' oftewel een 'onwetende geest' zijn als iets niet waarneembaar is. 'Bewust zijn' of 'onbewust zijn' zijn uitsluitend eigenschappen van de geest.

In sommige levensbeschouwingen wordt gesproken over een 'bewuste inhoud' of over een 'onbewuste inhoud' van het geheugen. Dit is een onmogelijkheid, daar niet een inhoud, maar alleen de geest over een waarnemingsvermogen beschikt om zich van iets bewust te worden; een inhoud kan niet waarnemen en daardoor ook niet een 'bewust inhoud' oftewel een 'wetende inhoud' worden.
Dat dit verschijnsel toch bestaat, wordt veroorzaakt door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar). In die toestand draagt de geest een eigenschap van zichzelf ( het 'bewust kunnen zijn') over op iets anders buiten zich, in dit geval een inhoud van het geheugen. De geestelijke eigenschap 'zich bewust kunnen zijn' wordt overgedragen op die inhoud, die daardoor een 'bewuste inhoud' wordt genoemd. Bedoeld wordt te zeggen: een 'bekende' inhoud (een inhoud die de geest bekend is) in het geval er sprake is van bewustheid van de geest en een 'onbekende' inhoud (een inhoud die de geest onbekend is) in het geval van onbewustheid.
Ook wordt wel de hele groep van inhouden, waarvan de geest zich niet bewust is, door overdracht van zichzelf het 'onbewuste' genoemd, terwijl in feite wordt bedoeld: het 'onbekende' als dat geheel van inhouden, dat de geest niet kent. Het 'onbewuste' wordt dan beschreven alsof het een aanwijsbare 'laag' zou zijn, waar inhouden in kunnen verzinken en weer uit tevoorschijn kunnen komen.
Ook wordt wel gesproken over het 'onderbewuste'. Nu is al datgene, waarvan de geest zich niet bewust is, onbekend voor de geest. De eigenschap van 'onbekendheid' is juist, dat de geest er door die onwetendheid niets over kan zeggen en daardoor ook niet kan zeggen dat het zich ergens 'onder' zou bevinden. Datzelfde geldt voor de bewering dat er een 'bovenbewuste' zou bestaan. Dat er dan evengoed een voor- en achterbewuste en een links- en rechtsbewuste moet bestaan, laat de ongerijmdheid van deze aanduidingen zien. In het geval van 'onderbewuste' en 'bovenbewuste' is er geen sprake van onbewuste vereenzelviging en overdracht, maar van denkbeeldigheid.
De ervaarbare werkelijkheid is, dat er om de geest heen een binnenwereld en een buitenwereld bestaat. In die beide werelden kunnen zich zaken bevinden waarvan de geest 'zich bewust is' door ze waar te nemen, waardoor die zaken de geest 'bekend' zijn; en waarin zich zaken bevinden waarvan de geest zich niet bewust is doordat ze niet zijn waar te nemen, waardoor die zaken 'onbekend' zijn voor de geest.
Met het woord 'onderbewuste' wordt het geheugen bedoeld, als het geheel van inhouden waarvan de geest zich pas weer bewust wordt door ze waar te willen nemen. Met de aanduiding het 'collectieve onbewuste' wordt de geestelijke wereld bedoeld, waarvan de geest zich niet bewust kan zijn zolang de toestand van helderziendheid niet is bereikt. Met het 'bovenbewuste' wordt die geestesgesteldheid bedoeld waarin de geest is komen te verkeren na een bewust en beheerst gebruik van de vermogens te hebben leren maken, waardoor de geest zich heeft omgevormd van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid, die uiteindelijk uitloopt op zelfbewustzijn en albewustzijn.
Hier doet zich hetzelfde feit voor als bij het gebruik van 'het ik' en 'het zelf' (zie aldaar). Door een eigenschap van zichzelf op een denkbeeld over te dragen, gaat de geest op een afstandelijke, schijnwetenschappelijke wijze over zichzelf spreken. Daardoor wordt de weg naar binnen, waar de geest zich bewust zou kunnen worden van zichzelf door zichzelf als werkzame, vermogende zelfstandigheid te ervaren, versperd.
(terug naar index)

ongeluk
Het verschijnsel 'ongeluk' hangt als volgt samen met de groei van de menselijke geest naar innerlijke volwassenheid. In de ongevormde oertoestand is de menselijke geest in wezen een vonk van geestelijk licht en geestelijke warmte in de goddelijke algeest. De menselijke geest is rechtstreeks uit de goddelijke algeest ontstaan, doordat de algeest in zichzelf in een punt van zichzelf het eigen licht en de eigen warmte verdichtte tot de vonk, die de menselijke geest is. De menselijke geest is een algeestvonk. Daardoor is de menselijke geest voor zijn bestaan in feite alléén afhankelijk van de algeest, God.
In de gevormde toestand doet de algeest zich in de verpersoonlijkte vorm voor als de heilige geest van God. Gods heilige geest is in wezen een tweelinggeest, die als éénheid verschijnt als God de vader, die God de moeder in zich heeft opgenomen en die als twééheid voor de menselijke geest verschijnt als de goddelijke vader en de goddelijke moeder. De menselijke geest zelf ervaart zichzelf als hun beider kind, als hun godenkind. De ervaring van de verbondenheid met God is het grootste geluk. Het is de ervaring van het wezenlijke van zichzelf als Gods godenkind, verbonden met God als vader/moeder.
De menselijke geest als kind maakt echter een ontwikkeling door naar volwassenheid, een groei naar een toestand als volwassen godenzoon en godendochter. Die ontwikkeling vindt plaats in een toestand van schijnbare afgescheidenheid van God. Die afgescheidenheid is noodzakelijk, omdat de algeest zelf één is, daardoor bij niemand te rade kan gaan en geheel op zichzelf is aangewezen. Om geheel zichzelf te kunnen worden als godenkind moet de menselijke geest tijdens de groei naar volwassenheid in een zelfde toestand als God komen te verkeren, een toestand waarin de menselijke geest schijnbaar aan zichzelf is overgeleverd. Die toestand is het tijdelijke bestaan als geest in een stoffelijke vorm, het lichaam in de stoffelijke wereld. Daardoor is de geest verbonden met het volstrekte tegendeel van zichzelf, de stof, waardoor de geest onbewust is van zichzelf en zijn afkomst en daardoor vereenzelvigd is met het tijdelijke bestaan.
Daardoor is de menselijke geest niet alleen niet meer zichzelf, maar daarentegen ook nog in een toestand van afhankelijkheid gekomen van het stoffelijke bestaan door vereenzelviging ermee. Deze toestand van afgescheidenheid van God, onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, is de oorzaak van ongeluk.

Door deze toestand van afhankelijkheid heeft de menselijke geest de leiding over het eigen leven niet meer geheel in eigen hand, maar wordt door de vereenzelviging en afhankelijkheid geleid door de tijd als stroom van gebeurtenissen, die de geest overkomt. Daardoor wordt de geest geleid door de gebeurtenissen en is niet meer zelfstandig en vrij. Dit 'geleid worden' betekent 'lijden'; het betekent leed, pijn, ongeluk. Het lijden is een wezenlijk kenmerk van het stoffelijke bestaan. Het gebrek aan beheersbaarheid van het eigen bestaan dat met de tijdelijkheid ervan samenhangt, veroorzaakt bestaansangst, met faalangst en angst voor de toekomst als gevolg.
Het ongeluk dat de geest kan treffen, zet de geest onder druk om naar een uitweg te zoeken en naar een oplossing voor het lijden. Door de aandrang leed te vermijden of te boven te komen, wordt de menselijke geest ertoe aangezet de eigen geestelijke vermogens te gaan gebruiken om een oplossing te vinden voor de moeilijkheden en wederwaardigheden, die de mens tegemoet kunnen komen op de weg door dit bestaan. De mens wordt daardoor gedwongen bij zichzelf te rade te gaan, zoals ook God door Gods éénzijn alleen maar bij zichzelf te rade kan gaan. Daardoor komt de geest tot zichzelf. Daardoor neemt de menselijke geest toe in het zelfstandige gebruik dat de geest van de eigen geestelijke vermogens maakt en alleen daardoor groeit de geest op zelfstandige wijze naar de geestelijke volwassenheid van het godenkind, dat de menselijke geest in wezen is.
Het ongeluk dat de geest in het stoffelijke bestaan kan treffen, is vaak onbegrijpelijk, doordat de geest door eigen onbewustheid dit bestaan niet meer ziet als leerschool. Doordat het een leerschool is, heeft alles, wat hier zo onaanvaardbaar is, betekenis voor het eeuwige leven en zal later een duurzame verrijking blijken te zijn voor de menselijke geest. In het tijdelijke ongeluk zit het eeuwige geluk verborgen, maar het kost hier door de onwetendheid veel moeite dit bestaan te blijven zien in het licht van de eeuwigheid en in God te blijven vertrouwen.
(terug naar index)

onthechting
Onthechting is het verwerven van innerlijke vrijheid en zelfstandigheid van de geest tegenover de vroegere gehechtheid aan en afhankelijkheid van bepaalde zaken: aanzien, invloed, kennis, bezittingen, leefomstandigheden en eigen geestelijke en stoffelijke voortbrengselen.
Het doel en de zin van het tijdelijke bestaan is de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de geest. Het doel is dat de geest leert zichzelf te worden en bij zichzelf te blijven, te midden van de mogelijkheden die het stoffelijke bestaan biedt, om zichzelf er juist in te verliezen door vereenzelviging ermee. In de stoffelijke wereld heeft de geest de mogelijkheid te leren zelfstandig met de stof om te gaan. Alle stof is daardoor oefenstof, oefenstof voor de geest.
Door vereenzelviging draagt de geest het besef van waarde, dat bij zichzelf als geest zou moeten zijn, over op andere zaken om zich heen, waardoor het besef van waarde daaraan wordt gehecht. De geest voelt zich daardoor 'eenzelfde' als dat andere en komt in een toestand van vereenzelviging ermee. Door de overdracht van het waardebesef en de gehechtheid eraan, gaat dat andere vervolgens de waarde en de zin van het bestaan uitmaken.
Daardoor is de menselijke geest niet meer zichzelf. Het uit die toestand voortkomende gedrag is niet meer in overeenstemming met de ware aard van zichzelf als geest en het doel van de schepping. Dit onnatuurlijke gedrag is de oorzaak van veel moeilijkheden op aarde. Daardoor wordt de geest door die - vaak zelf veroorzaakte - moeizame omstandigheden gedwongen tot bezinning te komen en de waarde van het bestaan weer bij zichzelf te gaan zoeken. Om weer tot zichzelf te komen is het noodzakelijk, dat de geest zich onthecht aan het tijdelijke bestaan om daardoor de persoonlijke vrijheid te herkrijgen.
Doordat gehechtheid de geest bindt aan de stof en onvrij maakt, is onthechting een onvermijdelijk vereiste om de geestelijke ontwikkeling in gang te kunnen zetten.
Onthechting betekent niet dat een houding van onverschilligheid moet worden aangenomen en het stoffelijke moet worden afgewezen of geminacht. In tegendeel, het betekent dat vanuit een innerlijke zelfstandigheid met aandacht en toewijding de tijdelijke bezittingen moeten worden verzorgd als onmisbare gebruiksvoorwerpen, door God aan de mens geschonken met het doel zich geestelijk te kunnen ontwikkelen.
Op zelfbeheerste wijze geniet de menselijke geest veel meer en veiliger van de dingen, dan wanneer de geest er de slaaf van is door gehechtheid.
(terug naar index)

ontwaken
Zolang de geest in de stoffelijke wereld een lichaam (zie aldaar) heeft als tijdelijke, stoffelijke vorm, gaat de geest iedere ochtend over van de geestelijke wereld naar het lichaam in de stoffelijke wereld. De geest neemt dan weer bezit van het lichaam als het voertuig en werktuig, dat nodig is om in de stoffelijke wereld gedurende de dag werkzaam te kunnen zijn. Deze gebeurtenis, het zich bewust worden weer aanwezig te zijn in het lichaam, heet het ontwaken of 'wakker worden'. De geest komt daardoor in een geestestoestand die de 'dagtoestand' kan worden genoemd. In de dagtoestand is de geest zich uitsluitend bewust van de stoffelijke wereld en zich niet bewust van het eigen thuis, de geestelijke wereld waar de geest 's nachts verblijft.
Tijdens de dagtoestand maakt de geest gebruik van het lichaam door het te bewegen. De geest belast daardoor het lichaam. De grootste belasting gaat evenwel uit van de onbeheerste gemoedsgesteldheden in de vorm van aandoeningen, zoals angst, verdriet, haat en woede. Door deze belasting vermindert de mogelijkheid van de geest van het lichaam gebruik te maken, wat de geest ervaart als de 'moeheid' van het lichaam. Daardoor ontstaat de behoefte het lichaam zich te laten herstellen door het een tijd te laten rusten.
Aan het einde van de dag is de belasting voor het lichaam zo groot geworden, dat het voor de geest noodzakelijk is het lichaam tijdelijk met rust te laten door het te verlaten. Het teken dat het lichaam daartoe geeft, ervaart de geest als de aandrang om te gaan slapen. De geest krijgt daardoor de behoefte het lichaam neer te leggen op een daartoe geschikt meubel, een bed. Is dat gebeurd, dan 'valt de mens in slaap'. Deze gebeurtenis is het tijdelijke uittreden uit het lichaam door de geest. Deze tijdelijk uitgetreden toestand heet slapen. De geest komt daardoor in een geestestoestand, die de 'nachttoestand' kan worden genoemd. Vanuit de stoffelijke wereld lijkt de geest zich dan niet bewust te zijn van zichzelf en onwerkzaam te zijn. Thuis in de geestelijke wereld evenwel is de geest zich op dat ogenblik volkomen bewust en werkzaam.
De geest kan zich overdag van deze nachtelijke werkzaamheid echter niets herinneren, doordat door de uitgetreden toestand de ervaringen, opgedaan in de geestelijke wereld, niet kunnen worden vastgelegd in de hersenschors. Dat is een voorwaarde om zich later als dromen of ervaringen iets te kunnen herinneren tijdens de dagtoestand.
Tijdens het slapen verkeert de geest in de geestelijke, eeuwige wereld, die het tehuis van de geest is. Tijdens het waken bevindt de geest zich tijdelijk in de stoffelijke wereld, zolang daar een lichaam aanwezig is, om daar de levenslessen op te doen in de leerschool voor geestelijke zelfstandigheid, die dat bestaan voor de geest is.
(terug naar index)

ontwikkeling, geestelijke
De menselijke geest is een algeestvonk, die zich naar eigen vrije keuze kan ontwikkelen van onbewustheid en onbeheerstheid naar bewustheid en beheerstheid. Dat laatste is de toestand van geestelijke zelfstandigheid en heelheid, die in het klein overeenkomt met die van de algeest. De algeest begeleidt de menselijke geest op dit pad naar zelfstandigheid in de geestestoestand die 'de heilige geest' wordt genoemd.
Deze geestelijke ontwikkeling vindt plaats, doordat de geest in de leerschool voor geestelijke groei, die de stoffelijke, tijdelijke wereld is, ervaringen opdoet, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest toekomen. Door deze ervaringen te verwerken met behulp van de vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen, om zo staande te kunnen blijven in de druk die die stroom op de geest uitoefent, leert de geest de vermogens bewust en beheerst te gaan gebruiken. De menselijke geest leert al doende door eigen ondervinding en doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het verwerken van dat soort ervaringen.
De geestelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door een omvorming, de omvorming van de geestesgesteldheid. De geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door de ontwikkelingstoestand van de geestelijke vermogens. In de aanvangstoestand maakt de geest een onbewust en onbeheerst gebruik van de vermogens, in de ontwikkelde toestand een bewust en beheerst gebruik. De geestesgesteldheid is daardoor omgevormd van driftmatigheid naar geestdrift.
Deze ontwikkeling begint met een remmende aanvangstoestand, waarin de geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door onbewuste vereenzelviging met dit tijdelijke bestaan, door de gehechtheid daaraan en door een eenzijdige vereenzelviging met een van de vermogens. Deze toestand is de oorzaak van zoveel moeilijkheden, dat de geest zich daar bewust van begint te worden en gaat streven naar inzicht in zichzelf en een heilig verlangen gaat koesteren zich hieruit te bevrijden. Dat vergt arbeid aan zichzelf en door dat werken aan zichzelf komen de geestelijke vermogens tot ontwikkeling, waardoor uiteindelijk het gedrag wordt gekenmerkt door het geweten en de deugden en de vermogens worden gekenmerkt door een streven naar schoonheid, waarheid en goedheid.

In sommige levensbeschouwingen wordt wel gesteld dat de zich ontwikkelende 'mens' aan het begin van de ontwikkeling een 'ziel' is en aan het einde een 'geest' is geworden; of dat de 'ziel' de 'geest' in zichzelf tot ontwikkeling moet brengen en aan de geest in zich gelijk moet worden. De ziel zou dan de handelende zelfstandigheid zijn. Bij deze beschrijvingen wordt geen rekening gehouden met de onbewuste vereenzelviging. Door de onbewuste vereenzelving met de inhouden van de ziel gaan aandacht en toewijding van de geest op in die inhouden. Verwarrend genoeg wordt deze tóestand van 'vereenzelviging van de geest met de inhouden van de ziel' aangeduid met het woord 'de ziel'.
Daardoor zijn er twee begrippen voor het woord 'ziel'. Het ene begrip is de ziel als 'uitstraling van de geest', wat een ervaarbaar, bestaand verschijnsel is en daarom zo in geestkunde wordt gebruikt; het tweede (verwarrende) begrip is de 'ziel' als de toestand van onbewuste vereenzelviging van de geest met de inhouden van de eigen uitstraling, de ziel, wat een geestesgesteldheid is. Van die 'gééstesgsteldheid' wordt gezegd, dat het 'de ziel' is.
De zich ontwikkelende geest is echter van het begin tot het einde steeds dezelfde geest met dezelfde vermogens als eigenschappen van de geest, maar de geest is in het verloop van die ontwikkeling steeds meer bewust geworden van zichzelf en heeft een steeds bewuster en beheerster gebruik leren maken van de eigen vermogens. Daardoor heeft de geest ook geleerd steeds bewuster en beheerster met de inhouden van de eigen ziel om te gaan.
Om de verwarring op dit gebied volledig te maken, wordt het woord 'ziel' ook gebruikt om de 'persoon' aan te duiden.
(terug naar index)

oordeel
In een oordeel wordt uitgesproken, wat iets is. Door te denken wordt een redelijk oordeel gevormd, door te voelen een zedelijk oordeel.
Een oordeel wordt gevormd, doordat de geest een nieuwe ervaring in zich opneemt, de ervaring in zichzelf vasthoudt en vervolgens gaat vergelijken met overeenkomstige ervaringen in het geheugen. Door dat vergelijken met de aanwezige kennis, kan van de nieuwe ervaring worden vastgesteld, wat het is. De vaststelling van wat het is, wordt uitgesproken in een oordeel over de nieuwe ervaring.
Voortdurend vormt de geest oordelen tijdens de begripsmatige en gevoelsmatige verwerking van ervaringen. Steeds wil de geest 'weten, wat het is'. De denkende en voelende werkzaamheid is grotendeels een oordelende werkzaamheid. Zonder deze werkzaamheid zou de mens niet zijn richting kunnen bepalen op de weg door dit bestaan.
'Oordelen' wordt vaak verward met 'veroordelen'. In een oordeel wordt eenvoudig vastgesteld en uitgesproken wat iets is; in een veroordeling wordt - terecht of onterecht - een afkeuring of minachting uitgesproken over het gedrag van een medemens.
(terug naar index)

opvoeding
Opvoeding is de vorming van de geest. De geest is de 'bewuste' 'levenskracht'. Opvoeding is de omvorming van het vermogen om 'bewust te zijn' van een toestand van onbewustheid naar een toestand van zelfbewustzijn en het is de omvorming van de 'levenskracht' van een toestand van onbeheerstheid naar een toestand, waarin de geest meester is over de eigen kracht, de toestand van zelfbeheersing. Opvoeding is daardoor de groei naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing door een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de geestelijke vermogens. Het gebruik leren maken van de eigen geestelijke vermogens is het enige, wat kan worden aangeleerd door opvoeding.
De menselijke geest begint dit bestaan niet alleen in de toestand van onbewustheid van zichzelf, maar ook als een ontwikkelingsmogelijkheid. De geest bezit namelijk zoals gezegd een geestelijke vormbaarheid, waarmee het vermogen om te leren samenhangt. Door dit leervermogen is de geest niet alleen opvoedbaar, maar ook in staat zichzelf op te voeden en zich uit de remmende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging te bevrijden.
Zelfopvoeding, zowel als opvoeding, is de menselijke werkzaamheid bij uitstek. Het is immers een werk, dat niets dan menselijkheid tot gevolg heeft en is daardoor het meest zinvolle werk. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door middel van de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is aan het kind van het bewuste en beheerste gebruik, dat de opvoeder zelf van de eigen vermogens maakt.
Hoe kunnen de geestelijke vermogens - en daarmee de persoonlijkheid - worden ontwikkeld? De geestelijke vermogens kunnen alleen in de persoonlijke omgang met medemensen in het alledaagse bestaan, tot ontwikkeling worden gebracht. De mens kan alleen mens worden door de levende omgang met de medemens. Alleen die persoonlijke omgang heeft opvoedende waarde.
Opvoeding is een gebeuren dat kan worden begeleid door de ouders of andere opvoeders (opvoeding) of kan worden geleid door de geest zelf (zelfopvoeding), door zichzelf als werk ter hand te nemen.
Er zijn in grote lijnen twee soorten van opvoeding: opvoeding tot plichtmatigheid en tot zelfstandigheid. Bij de opvoeding tot plichtmatigheid worden - en dat kan gebeuren met goede bedoelingen - door de opvoeders hùn meningen, gewoonten, zeden en levensbeschouwing op gehoorzaamheid eisende wijze aan de geest in het kind duidelijk gemaakt. Daardoor worden zij in de ziel van het kind op een zodanig krachtige wijze ingeprent, dat zij de rest van het leven als een innerlijke stem het gedrag van de geest vanuit de achtergrond blijven beïnvloeden. De geest kan daardoor weliswaar een ordelijk leven leiden, maar blijft zelf onzelfstandig doordat nog steeds de opvoeders het gedrag bepalen. Het gedrag blijft plichtmatig doordat dwingende gedragsregels van buitenaf zijn ingescherpt.
Bij de opvoeding tot zelfstandigheid gaan de opvoeders bij voorbaat uit van de zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van de geest, die in het jonge kind bij hen is komen wonen. Door het eigen gedrag als voorbeeld te stellen, wekken zij het overeenkomstige in het kind op. Door het kind op schoonheid te wijzen, ontwikkelen zij het waarnemingsvermogen; door het kind kennis te laten maken met hoe zij denkend met ervaringen omgaan, wekken zij het denken op; door het kind hun liefde te laten ervaren, wekken zij het voelen op; door vastberaden hun wilsbesluiten uit te voeren, leren zij het kind ook de eigen wil te gebruiken. Hierdoor leert het kind hoe het zelfstandig zijn weg kan vinden door het tijdelijke bestaan, op een gewetensvolle en deugdzame wijze, door een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen geestelijke vermogens.
Daartussen bevindt zich een groep opvoeders die bij voorbaat denken al met een volwassen persoon van doen te hebben en als zodanig met het kind omgaan. Zij begeleiden niet en voeden niet op, maar laten het kind aan zichzelf over. Daardoor wordt de aanvankelijk onbeheerste geestkracht niet in goede banen geleid, wat leidt tot bandeloosheid en onmaatschappelijkheid.

Door zelfopvoeding als zelfverwerkelijking, als de ontwikkeling van de vermogens tot het geweten en de deugden, ontstaat er niet alleen een hechte samenhang met de medemenselijke geest, maar kan de geestesgesteldheid ook met die van de algeest in overeenstemming komen. Zelfopvoeding heeft die geestesgesteldheid tot gevolg, waardoor er ook een hechte samenhang met de algeest kan ontstaan en de hereniging ermee mogelijk wordt. Zelfverwerkelijking door zelfopvoeding, door zichzelf als werk ter hand te nemen, is daardoor de kern van geestkunde; het is de beslissende stap op de levensweg en de zin van dit tijdelijke bestaan.
(terug naar index)

orde
Orde is een toestand die wordt gekenmerkt door regelmaat en nuttigheid in het verloop van bepaalde gebeurtenissen.
Orde komt voort uit het bewust en beheerst gebruik maken van de geestelijke vermogens. Hoe meer de menselijke geest bepaalde zaken en dingen nauwkeurig waarneemt, ze grondig overdenkt en diep doorvoelt, en vervolgens vastberaden een besluit uitvoert, hoe meer uitspraken en handelingen aangepast en zinvol zijn en hoe ordelijker de gebeurtenissen vervolgens verlopen.
Dat betekent dat orde samenhangt met de mate van ontwikkeling van de vermogens en daardoor met het geweten en met deugdzaamheid. Door het geweten wordt de houding naar binnen toe gekenmerkt door zelfbeschouwing (waarnemen), door redelijke (denken) en zedelijke (voelen) overwegingen en door zelfbeheersing (willen); door de deugden wordt het gedrag naar buiten toe gekenmerkt door aandacht (waarnemen), begrip (denken), liefde (voelen) en geduld (willen).
Hoe meer de vermogens tot ontwikkeling zijn gebracht, hoe ordelijker hun werkzaamheid in de geest zelf verloopt. Dat komt naar buiten toe tot uitdrukking in uitspraken en handelingen, waardoor ook alles in de omgeving van een ontwikkelde geest ordelijk verloopt.

De orde in Gods schepping hangt samen met de volmaakte en daardoor goddelijke geestesgesteldheid van de algeest. De orde in Gods schepping hangt daardoor samen met Gods volmaakte, gewetensvolle en deugdzame geestesgesteldheid. Hoe meer de menselijke geest daarentegen afwijkt van een gewetensvol en deugdzaam gedrag, hoe meer wordt afgeweken van de orde van Gods schepping. Deze verstoring van de orde van Gods schepping is de oorzaak van de wederwaardigheden van het lot (karma), zowel van personen als van volkeren.
Binnen de orde van Gods schepping bestaat er op de aarde een zekere vrijheidsgraad voor de menselijke geest. Deze vrijheidsgraad is noodzakelijk om de menselijke geest in de gelegenheid te stellen een vrije keuze te maken en zo de geestelijke vermogens zelfstandig te leren gebruiken en daardoor zelf te ontwikkelen. Door deze keuzevrijheid kan de mens zich echter ook gewetenloos en niet deugdzaam gedragen, wat de oorzaak is van alle wanorde op aarde.
(terug naar index)

overdracht
De geest bevindt zich in de eigen binnenwereld temidden van de inhouden ervan: gedachten, kennis en ervaringen. Tegenover de meeste staat de geest zonder een uitgesproken oordeel, het zijn feiten. Tegenover sommige andere inhouden heeft de geest een gunstig of ongunstig oordeel. Aan sommige aangename ervaringen of denkbeelden hecht de geest zich en tracht ze levendig voor de geest te houden; andere, onaangename, onverwerkte ervaringen tracht de geest zo mogelijk van zich af te zetten en te verdringen.
Overdracht is een verschijnsel dat kan optreden, als de geest een onverwerkte, kwetsende ervaring heeft verdrongen en zich er daardoor niet meer bewust van is. Ontmoet de geest later een persoon of komt de geest in omstandigheden, die overeenstemmen met de oorzaak van die verdrongen, kwetsende ervaring, dan dreigt dat de verdringing ongedaan te maken, waardoor de geest zich weer bewust zou worden van de kwetsende ervaring. Om zich hiertegen te beschermen wordt het met de verdringing verbonden en verhevigde onlustgevoel met de nieuw optredende persoon verbonden, die met de vroegere ervaring overeenstemt. De vroegere ervaring wordt als het ware op deze persoon overgedragen en op een geheimzinnige, want voor de geest onbewuste wijze, is die ànder nu de oorzaak van het optredende onlustgevoel. De oorzaak van het onlustgevoel bevindt zich daardoor niet meer in de eigen ziel, maar in de buitenwereld. Daardoor kunnen de onlustgevoelens op de ander worden afgewenteld.
Door overdracht wordt een andere persoon of een bepaalde omstandigheid in de buitenwereld verbonden met een voor de geest onbewuste inhoud van de ziel, zonder dat de geest dit gebeuren beseft. Overdracht is het tegendeel van inbeelding; daarbij gaat het om een de geest bewuste inhoud van de ziel.
Ook onbewust gebleven mogelijkheden, die de geest in zichzelf tot ontwikkeling zou moeten brengen, kunnen op een ander worden overgedragen. De geest herkent dan in een ander wat de geest zèlf zou kunnen zijn, maar zonder dat zelf te beseffen of te willen beseffen. Hierdoor ontstaat dweepzucht, persoonsverheerlijking. De ander wordt daarbij als leraar en leider bovenmatig verheerlijkt en aanbeden, en zonder oordeel gevolgd.
Dit gedrag is zeer verleidelijk, want het ontslaat de geest van de bittere noodzaak zichzelf als werk ter hand te nemen en zelf te leren denken en voelen, om van geestelijke groei sprake te laten zijn. Door de toestand van overdracht laten mensen zich willoos leiden.
Het bijzondere van dit tijdelijke bestaan als leerschool voor de geest is juist, dat dit een school is voor zelfverwerkelijking door zelf en op eigen kracht een bewust, beheerst en evenwichtig gebruik te leren maken van de eigen vermogens. De tijd als stroom van dagelijkse ervaringen dient daartoe als leerboek.
(terug naar index)

overlijden
Tijdens het overlijden treedt de geest voorgoed uit het tijdelijke lichaam en gaat weer naar huis, de geestelijke wereld. Overlijden betekent volgens de oude betekenis: 'overgeleid worden'. De geest wordt door de geestelijke begeleiders over de grens tussen de stoffelijke en de geestelijke wereld geleid.
Pas door het voorgoed uittreden van de geest gaat de stoffelijke vorm, het lichaam, dood. Dat is te zien doordat het lichaam dan 'sterft', wat betekent: verstijft.
(terug naar index)