GEESTKUNDE
    inleiding
    inhoud
 1  de menselijke geest
 2  geest, ziel en lichaam
 3  de aanvangstoestand
 4  geestelijke ontwikkeling
 5  geestelijke hereniging
    samenvatting
    Geestkunde (boek)
    De Levensweg (boek)
    boekbesprekingen
    over de schrijver
    literatuuroverzicht
    verklarende woordenlijst
    Jezus
    Zo boven, zo beneden
    godsdienst en wetenschap
    Hildegard  visioenen
    Dante  La Commedia
    de Gulden Snede
    nieuwe openbaringen
    het 'ik' en het 'zelf'?
    gedicht
    teksten
    voor de jeugd
    gastenboek
    contact
    agenda
    colofon
    links

























Verklarende woordenlijst S
 
schepping, liefde oorzaak van de
schepping, de stoffelijke
scheppingsvermogen
schoonheid
schouwen

slapen
soortbehoud, drift tot
spanning
spirituologie (geestkunde)
stof


schepping, liefde oorzaak van de
God is de alomtegenwoordige algeest, ervaarbaar als een alomtegenwoordige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Door die alomtegenwoordigheid is er aan God geen grens. God zelf is onbegrensd, oneindig en daardoor zonder ruimte om zich heen: God zelf is ruimteloos.
Daardoor kan er niet een ruimte 'buiten God' zijn, waar een oorzaak zou kunnen zijn van God. God zelf is niet alleen oneindig en ruimteloos, maar daardoor ook oorzaakloos. Zonder oorzaak kan er vóór God geen begin zijn geweest. Er is daardoor niet een tijd vóór God, dat God er niet was: God zelf is zonder tijd, tijdloos. Door de ruimteloosheid is er geen ruimte, waar God ooit in op zou kunnen gaan om tot een einde te komen. Er is daardoor ook niet een tijd ná God, waarin God er niet meer zou zijn. God zelf kent geen verleden en geen toekomst, maar God is het eeuwige nú.
Daardoor is God zowel oneindig als eeuwig: God is de eeuwige oneindigheid. Door de eeuwigheid en de oneindigheid te zijn, is er niet een plaats 'naast God' of een tijd 'vóór of ná God' en er is daardoor geen tweede als God mogelijk; dat betekent dat God als de alomtegenwoordige algeest één is.
Door het één-zijn is God volmaakt zelfstandig. Door die zelfstandigheid kan God niet anders dan volmaakt zelfwerkzaam te zijn. God doet alles volkomen uit zichzelf en op zichzelf, zonder bij iets of iemand te rade te gaan.
Die zelfwerkzaamheid betreft het gebruik dat God van Gods eigen geestelijke vermogens maakt. Waarnemen, denken en willen kan God geheel in zichzelf, zonder daarbij een ander nodig te hebben; ook het vormen van een zelfgevoel, bijvoorbeeld vreugde om de eigen scheppende werkzaamheid en de geschapen werelden. Maar God kan in zichzelf niet liefhebben. Om lief te kunnen hebben, is een ander nodig, omdat liefhebben een meevoelen is met een ánder, wat in een persoonlijke daad naar die ander toe tot uitdrukking komt.
Om met die ander een duurzame liefdesband te kunnen vormen, is het noodzakelijk dat de ander even zelfstandig is als God zelf. Alleen door die zelfstandigheid kan er sprake zijn van gelijkwaardigheid en daardoor van een evenwichtige wederkerigheid. Wederkerigheid is een voorwaarde voor een duurzame liefdesband, omdat die alleen dan door beiden op evenwichtige wijze in leven wordt gehouden.
Om een ánder te kunnen liefhebben, vormde de éne goddelijke algeest in zichzelf - door puntvormige verdichtingen van zichzelf - het tegendeel van zichzelf, de ontelbare algeestvonken die de menselijke geesten zijn. De menselijke geesten zijn nu op een - in wezen zelfverkozen(!) - ontwikkelingsweg naar zelfverworven geestelijke zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid. Alleen door die zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid zélf te verwerven, worden zij gelijkwaardig aan de zelfstandigheid van God.
Het doel van die weg van zelfverwerkelijking is hereniging met God door God te leren liefhebben. God verlangt naar de zelfstandigheid van de menselijke geesten en bevordert die, door de invloed van Gods engelen en door de invloed van zichzelf als heilige geest, want God verlangt naar een liefdesband met Gods eigen godenkinderen, die de menselijke geesten in wezen zijn. Daarom wíl God de menselijke geest, daarom dénkt God de menselijke geest, daarom zíet God de menselijke geest. Want de menselijke geest is er een van God.

Om die ontwikkelingsweg naar zelfverworven geestelijke zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid mogelijk te maken, moeten de menselijke geesten schijnbaar aan zichzelf overgelaten worden, om daardoor de vrijheid van keuze te hebben. Alleen als zij vrij worden gelaten om zélf te kunnen kiezen, wordt datgene wat zij door hun eigen inspanning verwerven een éigenschap van zichzelf, wordt het hun onvervreemdbare eigendom. Alleen in een toestand van zelfstandigheid als die van God zelf, in de toestand van schijnbare afgescheidenheid van God, zijn de menselijke geesten in de gelegenheid als God te worden, zelfstandig en zelfwerkzaam.
God schiep de stoffelijke schepping, opdat de menselijke geesten een stoffelijke vorm konden krijgen om daarin die schijnbare afgescheidenheid van God en daardoor persoonlijke zelfstandigheid en vrijheid van keuze, te kunnen beleven. Dit is de oorzaak en de betekenis van het feit, dat de stoffelijke schepping er is.
Door de schijnbare afgescheidenheid kunnen de menselijke geesten worden aangezet tot zelfwerkzaamheid, doordat de tijd als stroom van gebeurtenissen hen in omstandigheden plaatst, die hen noodzaken hun eigen geestelijke vermogens bewust en beheerst te gaan gebruiken om zich staande te kunnen houden in die stroom. Alleen daardoor groeien de menselijke geesten in vrijheid toe naar geestelijke zelfstandigheid.
Hebben zij zo hun oorspronkelijke, geestelijke geaardheid zelf verwerkelijkt en zijn zij zich bewust geworden van hun wezenlijke, geestelijke zelfstandigheid, dan ontstaat in de geesten zelf een heilige onrust en de drang naar hereniging met hun oorsprong. Die drang zet de menselijke geesten aan tot zelfbezinning en gebed, en hun inzet daarvoor, hun zoeken naar hun oorsprong is op zichzelf al een liefhebben van God, die hun oorsprong is. Zo maken zij uit zichzelf een begin om Gods liefde voor de menselijke geesten met hún liefde te beantwoorden, om Gods ouderliefde met hun kinderliefde te beantwoorden en zo de liefdevolle hereniging van schepper en schepsel mogelijk te maken. Dit is de verwerkelijking van het doel van het zelfstandige bestaan van de menselijke geesten in een lichaam in de stoffelijke schepping.
Doordat de schepping vanuit Gods geest is geschapen, is ook vanuit de eigenschappen van de geest - de geestelijke vermogens - te begrijpen, wat het doel en de zin van Gods schepping is.

De schepping kan niet door toeval zijn ontstaan, zoals in sommige levensbeschouwingen wordt geloofd (darwinisme), want wat toevallig ontstaat, heeft een even grote kans toevallig ook weer te vergaan. Door toeval kan wel chaos ontstaan, maar geen kosmos.

terug naar de woordenlijst - naar boven

schepping, de stoffelijke
De oorzaak van het ontstaan van de stoffelijke schepping is vanuit geestkundig gezichtspunt beschreven onder 'schepping, liefde oorzaak van de'.
Door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging is de menselijke geest onbewust van zichzelf en van al het geestelijke. De onderzoekende geest die naar de oorzaak van het verschijnsel 'stoffelijke schepping' zoekt, gaat deze daardoor in de stoffelijke schepping zelf zoeken. De 'natuur' zou de oorzaak van zichzelf en van zijn ontwikkeling noodzakelijk als een eigenschap in zich dragen. Deze wereldbeschouwing wordt 'darwinisme' genoemd naar de Engelse natuuronderzoeker Charles Darwin. Darwin stelde als werkhypothese de evolutietheorie op:
1. Binnen een soort kunnen door toevallige mutaties in de erfmassa (DNA) variaties van de soort ontstaan.
2. Ook de levensomstandigheden in de natuur veranderen voortdurend.
3. Die variaties die het best zijn aangepast aan de veranderde omstandigheden, zullen overleven ('het overleven van de best aangepaste').
4. De goed aangepaste variaties zullen zich kunnen voortplanten, de niet goed aangepaste sterven uit.
5. Dit is de natuurlijke selectie die de ontwikkeling van de soorten mogelijk maakt.
6. De slotsom is dat door toevallige mutaties én natuurlijke selectie het verschijnsel van de ontwikkeling van de soorten ontstaat (er zijn twee beginselen: de ene is de zich ontwikkelende levensvorm, de andere de veranderlijke omgeving).
Volgens Darwin is natuurlijke selectie van toevallige mutaties de stuwende kracht achter de ontwikkeling van de soorten, een ontwikkeling die door toeval wordt geleid. Deze ontwikkeling zou een eigenschap van de natuur zelf zijn en ook de richting die deze ontwikkeling inslaat, zou op toeval berusten.

Bij deze veronderstelling kan het volgende in overweging worden gegeven. Wat toevallig is ontstaan, heeft vervolgens een even grote kans om zich zowel toevallig verder te kunnen ontwikkelen, alsook om toevallig weer te vergaan. Met andere woorden, een toevallige variatie kan toevallig de juiste levensomstandigheden aantreffen en zich ontwikkelen; maar als vervolgens de levensomstandigheden toevallig weer ongunstig worden, zal deze variatie toch uitsterven. Deze 50-procent-kans zal ook gedurende 'heel lange tijden' blijven bestaan.
Als er sprake zou zijn van toevalligheid, dan zou er geen schema van de ontwikkeling kunnen worden opgesteld zoals nu het geval is. Door toevalligheid zou een volkomen wanordelijk geheel van verschillende levensvormen ontstaan; geen geleidelijke, trapsgewijze ontwikkeling zoals nu is gevonden.
Een door toeval geleid gebeuren zal chaos tot gevolg hebben, geen kosmos; hooguit een min of meer gelijkblijvende ontwikkelingstoestand. De kans dat het toeval stééds zal zorgen voor omstandigheden die gunstig zijn voor ontwikkeling, is afwezig en als dat wel zou gebeuren, is er geen sprake meer van toeval.
Natuurwetenschappelijk onderzoek toont aan dat er in de natuur een ontwíkkeling is te onderkennen, dat deze ontwikkeling een begin heeft gehad en dat die ontwikkeling een verloop heeft van eenvoudige naar zeer samengestelde levensvormen (even buiten beschouwing gelaten wat de oorzaak hiervan is). Dit beginsel is ook in het heelal te herkennen. Ook het heelal heeft een begin gehad, is gaan uitdijen en heeft zich tegelijkertijd ontwikkeld door sterren te laten ontstaan en te laten vergaan, waarbij uit het afval weer nieuwe sterren zijn ontstaan in meerder soorten en ook in meerdere soorten sterrenstelsels. Deze sterren 'verbranden' waterstofgas tot andere elementen en doven uit als die brandstof op is. Onvermijdelijk zal er een tijd komen, dat alle waterstof in het heelal is opgebrand, waardoor ook het heelal sterft.
Alle soorten die (volgens het neodarwinisme) door de stuwende kracht van de natuur zelf zouden zijn ontwikkeld, zullen dan door diezelfde natuur weer worden vernietigd. Alle inspanningen van de natuur om zich te ontwikkelen, worden door diezelfde natuur ook weer ongedaan gemaakt. De stuwende kracht in de natuur houdt (volgens de uitkomsten van de natuurwetenschap) niet alleen ontwikkeling in, maar ook vernietiging.
Het doorvoeren van de aannames van het neodarwinisme leidt tot de slotsom, dat de natuur een kracht is, die door tegenstrijdige eigenschappen wordt gekenmerkt. Wat wordt gekenmerkt door innerlijke tegenstrijdigheid is in feite onbestaanbaar. Iets kan niet 'ja' en 'nee' tegelijk zijn. Een kracht met tegenstrijdige eigenschappen maakt zichzelf onwerkzaam. De 'natuur' die door het neodarwinisme als een 'handelende zelfstandigheid' wordt beschreven, lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, die in mensengedaante psychiatrische behandeling noodzakelijk zou maken.
De oorzaak van de eigen onbewustheid van deze tegenstrijdigheid in de levensbeschouwing van het neodarwinisme, wordt veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging. Daardoor wordt slechts de helft van de werkelijkheid gezien, namelijk alleen de stoffelijke helft. De zin van het verschijnsel 'ontwikkeling' in de natuur - die overduidelijk wetenschappelijk is aangetoond - is echter te vinden in de geestelijke helft van de schepping: de geesteljke ontwikkeling van de menselijke geest die op weg is naar hereniging met God.

terug naar de woordenlijst - naar boven

scheppingsvermogen
Het scheppingsvermogen is het vermogen van de geest om door waarnemen, denken, voelen en willen iets nieuws te vormen, door het reeds bestaande om te vormen tot dat nieuwe. In de ontwikkelde toestand is de geest een volkomen uit zichzelf werkzame scheppingskracht. De geest is een vormkracht, die door te denken in het eigen licht lichtbeelden vormt. De geest schept door zichzelf al denkend tot een lichtbeeld te vormen en dat naar buiten toe uit te drukken in een uitspraak of handeling, of het innerlijke lichtbeeld een uiterlijke, stoffelijke vorm te geven.
De eigen scheppingskracht en de werkzaamheid ervan kan de geest onmiddellijk in zichzelf ervaren. Iedere zelfgevormde gedachte en ieder zelfgevormd gevoel gaat meteen met een innerlijke klank gepaard. Door deze klank te volgen kan de geest zich van de eigen scheppende werkzaamheid onmiddellijk bewust zijn. Die innerlijke klank komt voort uit de scheppende werkzaamheid van de eigen geestelijke vermogens. Wie anders dan de geest zelf kan zich bewust zijn van de voortbrengselen van de werkzaamheid van de vermogens in het eigen innerlijk, de gedachten en gevoelens die in zichzelf tot klinken komen?
Door de scheppende werkzaamheid van de eigen vermogens in zichzelf te ervaren, komt de geest tot zelfervaring, zelfbeleving en daardoor tot zelfbewustzijn.
Iedere geest heeft de ervaring 'in zichzelf te praten'. Iedere geest draagt daardoor de aanwijzing van de werkzaamheid van de door God aan de menselijke geest meegegeven vermogens in zichzelf mee; maar door de onbewuste vereenzelviging met de búitenwereld, is wat er in de eigen bínnenwereld gebéurt, iets 'denkbeeldigs', wat 'toch maar gedachten zijn' en daardoor niet de moeite van de aandacht waard.

terug naar de woordenlijst - naar boven

schoonheid
Door het waarnemen als geesteshouding van ontvankelijkheid is de geest zo op iets betrokken, ondergaat het dan ook zodanig en is er daardoor zo mee verbonden, dat het waargenomene een indruk in de geest kan achterlaten. Al naar het karakter van die indruk overeenkomt met de geestesgesteldheid of niet, ervaart de geest die indruk als aangenaam of onaangenaam, als schoonheid of lelijkheid. Als het waargenomene met iets in de geest zelf overeenkomt, dan kan de geest het 'aan-nemen' en daardoor is het 'aangenaam' en betekent het schoonheid.
De maatstaf van het ontwikkelde waarnemingsvermogen is de ervaring van vreugde tijdens de schoonheidsbeleving. Het is een vreugde, die voortkomt uit de herkenning in de buitenwereld van iets, wat op niet nader te omschrijven of te beredeneren wijze met iets wezenlijks in de geest zelf, de persoon, overeenstemt. Vandaar dat er niets zo persoonlijk is als smaak.
Het oordeel dat de geest vormt door het beleven van die indruk, is het kunstzinnige (esthetische) oordeel, dat uitdrukking geeft aan het feit of de waarnemingen een aan- of onaangename indruk op de geest maken, afhankelijk van overeenstemming met de geestelijke ontwikkelingstoestand. In dat geval is er sprake van een persoonlijke schoonheidsbeleving en een daarmee samenhangend, persoonlijk oordeel.
Er is ook een algemeen geldende schoonheidsbeleving en een daarmee samenhangend algemeen geldend kunstzinnig oordeel. Schoonheid is een overeenstemming in de verhoudingen tussen vormen, kleuren en klanken. Hangt die verhouding samen met de gulden snede, dan wordt die verhouding algemeen als schoonheid ervaren.
Het denken is het vermogen dat vormen kan scheppen in het eigen geestelijke licht en dat deze vormen in beelden kan uitdrukken. Als het denken wijs is, zijn de beelden schoon doordat hun verhoudingen overeenstemmen, zoals uitgedrukt in de gulden snede. De uitgebreide wiskunde van de gulden snede toont aan, dat de achtergrond van algemeen geldende schoonheid de wijsheid van het scheppende denken is.

terug naar de woordenlijst - naar boven

schouwen
Schouwen betekent: naar binnen kijken. Schouwen is de ingekeerde waarneming.
Door te schouwen richt de geest het waarnemingsvermogen op de inwendige wereld van de ziel, waardoor aan de ene kant de inhouden daarvan kunnen worden waargenomen en waardoor aan de andere kant ingevingen en voorgevoelens van begeleiders - die vanuit de geestelijke wereld door hen in de ziel worden gelegd - kunnen worden opgemerkt.
In wezen is de menselijke geest met de aandacht voortdurend zowel door de zintuigen heen op de buitenwereld gericht, alsook tegelijkertijd buitenzintuiglijk op de eigen binnenwereld gericht. Alleen komen de zintuiglijke indrukken met zo'n kracht de binnenwereld van de ziel binnen, dat de aandacht daar vrijwel geheel door wordt getrokken en geboeid. De reeds aanwezige inhouden van de ziel verbleken daarbij. Het lijkt daardoor alsof de binnenwereld niet meer is dan een begeleidend of een afgeleid verschijnsel: 'het zijn maar gedachten'. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan wordt de werkelijkheid van de binnenwereld iets, wat alleen maar denkbeeldig is.
Er wordt wel gesteld dat 'alles wat binnen is, door de zintuigen heen van buiten afkomstig is'. Dit is een duidelijk voorbeeld van het gevolg van de onbewuste vereenzelviging. Voor deze geestesgesteldheid is 'binnen' een leegte en alleen 'buiten' bestaat iets, wat werkelijk is.
Het schouwen is merkbaar geworden in de toestand die 'staren' wordt genoemd. Op dat ogenblik vindt het omgekeerde plaats. In die toestand zijn het de inhouden van de ziel die de aandacht opeisen. De geest beseft dan ook dat de aandacht is ingekeerd en geheel aanwezig is in de eigen binnenwereld. Dit komt door de onbewuste vereenzelviging van anderen die bij hen zijn zo wereldvreemd over, dat staren een ongunstige betekenis heeft; staren is 'suffen' en dat moet worden voorkomen.
Het schouwen van ingevingen wordt 'intuïtie' genoemd, van het Latijn 'in-tueri': naar binnen turen. De intuïtie is de ingekeerde waarneming. Het woord 'intuïtie' wordt zowel voor de ingeving vanuit de geestelijke wereld gebruikt, als voor de ingekeerde waarneming zelf van de geest, die de ingeving opmerkt.
Dit laat het nadeel van het gebruik van leenwoorden zien. Doordat de betekenis van leenwoorden alleen maar vaag wordt aangevoeld, kunnen zich, zoals in dit geval, twee tegengestelde betekenissen aan het ene woord hechten. Bovendien wordt 'intuïtie' vaak verwisseld met 'instinct', dat 'aangeboren gedrag' betekent.

terug naar de woordenlijst - naar boven

slapen
Zolang de geest in de stoffelijke wereld een lichaam (zie aldaar) heeft als tijdelijke, stoffelijke vorm, gaat de geest iedere ochtend over van de geestelijke wereld naar het lichaam in de stoffelijke wereld. De geest neemt dan weer bezit van het lichaam als het voertuig en werktuig, dat nodig is om in de stoffelijke wereld gedurende de dag werkzaam te kunnen zijn. Deze gebeurtenis, het zich bewust worden weer aanwezig te zijn in het lichaam, heet het ontwaken of 'wakker worden'. De geest komt daardoor in een geestestoestand die de 'dagtoestand' kan worden genoemd. In de dagtoestand is de geest zich uitsluitend bewust van de stoffelijke wereld en zich niet bewust van het eigen thuis, de geestelijke wereld.
Tijdens de dagtoestand maakt de geest gebruik van het lichaam door het te bewegen. De geest belast daardoor het lichaam. De grootste belasting gaat evenwel uit van de onbeheerste geesteswerkzaamheid in de vorm van aandoeningen, zoals angst, verdriet, zorgen, haat en woede. Door deze belasting vermindert de mogelijkheid van de geest van het lichaam gebruik te maken, wat die ervaart als de 'moeheid' van het lichaam. Daardoor ontstaat de behoefte het lichaam zich te laten herstellen door het een tijd te laten rusten.
Aan het einde van de dag is de belasting voor het lichaam zo groot geworden, dat het voor de geest noodzakelijk is het lichaam tijdelijk met rust te laten door het te verlaten. Het teken dat het lichaam daartoe geeft, ervaart de geest als de aandrang om te gaan slapen. De oorspronkelijke betekenis van het werkwoord 'slapen' is: 'slap worden'. De geest krijgt door die aandrang de behoefte het lichaam neer te leggen op een daartoe geschikt meubel, een bed. Is dat gebeurd, dan 'valt de mens in slaap'. Deze gebeurtenis is het tijdelijke uittreden uit het lichaam door de geest. Deze tijdelijk uitgetreden toestand heet slapen. De geest komt daardoor in een geestestoestand, die de 'nachttoestand' kan worden genoemd. Vanuit de stoffelijke wereld lijkt de geest zich dan niet bewust te zijn van zichzelf en onwerkzaam te zijn. Thuis in de geestelijke wereld evenwel is de geest zich op dat ogenblik volkomen bewust en werkzaam.
De geest kan zich overdag van deze nachtelijke werkzaamheid echter niets herinneren, doordat door de uitgetreden toestand de ervaringen, opgedaan in de geestelijke wereld, niet kunnen worden vastgelegd in de geheugengebieden van de hersenschors. Dat is een voorwaarde om zich later iets te kunnen herinneren tijdens de dagtoestand.
Tijdens het slapen verkeert de geest in de geestelijke, eeuwige wereld, die het tehuis van de geest is. Tijdens het waken bevindt de geest zich tijdelijk in de stoffelijke wereld, zolang daar een lichaam aanwezig is, om daar de levenslessen op te doen in de leerschool voor geestelijke zelfstandigheid, die dat bestaan voor de geest is.
In sommige levensbeschouwingen wordt gesproken over 'het dagbewustzijn' en 'het nachtbewustzijn' in plaats van de dagtoestand en de nachttoestand. Door een zelfstandig naamwoord te gebruiken, wordt de indruk gewekt, dat het om twee zelfstandigheden zou gaan die ook handelend kunnen optreden. In werkelijkheid is er alleen de éne geest, die afwisselend in twee bewustzijnstoestanden kan verkeren: de dagtoestand en de nachttoestand.
terug naar de woordenlijst - naar boven

soortbehoud, drift tot
Vanuit de aanvankelijke toestand van onbewustheid van de geest van zichzelf is het eerste onderscheid dat wordt gemaakt, dat tussen wat wordt beschouwd als tot zichzelf als persoon en het eigen bestaan behorend en dat, wat tot al het andere behoort. Het is het onderscheid tussen het eigene en andere, tussen mens en gemeenschap, tussen het persoonlijke en algemene, tussen eigenheid en gemeenschappelijkheid.
In overeenstemming met dit onderscheid is de geest in staat de richting van de werkzaamheid van de vermogens in te stellen op de binnen- en buitenwereld. De geest kan zijn ingesteld op de innerlijke zielewereld en het stoffelijke bestaan van het lichaam, en op de wijde omgeving. Hiermee hangt de in- en uitgekeerde instelling samen. Het is hierdoor dat ook de onbewuste vereenzelviging zich uitstrekt tot die twee te onderscheiden gebieden van het bestaan. Aan de ene kant tot het lichaam, het bezit, tot wat de persoonlijkheid wordt genoemd: het zelfbeeld, titel, beroep en aanzien, en tot huwelijke en gezin; aan de andere kant tot familie, vrienden, gemeente, volk en ras.
In de toestand van onbewuste vereenzelviging verkeert de geestkracht min of meer in een toestand van onbeheerste werkzaamheid of driftmatigheid. Dit is een toestand van aandrift, van onbeheerste gedrevenheid. De oorzaak van die gedrevenheid is door vereenzelviging met het eigene en met de omgeving ook daarin te vinden. Door vereenzelviging met het eigene en persoonlijke vanwege de ingekeerde instelling verkeert de geestkracht, afhankelijk van ontwikkeling en omstandigheden, in de vorm van de drift tot zelfbehoud; door vereenzelviging met het andere en gemeenschappelijke vanwege de uitgekeerde instelling in de vorm van de drift tot soortbehoud.
Deze beide driften zijn geen afzonderlijke krachten. Zij zijn twee aanzichten, twee geestesgesteldheden of geestestoestanden van de enkelvoudige geestkracht, die de geest zelf is. Zij bevindt zich in een bepaalde ontwikkelingstoestand van bewustheid en beheerstheid en komt alleen in de vorm van een van deze driften tot uitdrukking onder bepaalde, oorzakelijke, uitlokkende omstandigheden. Dit zijn omstandigheden die de geestkracht driftmatig maken en die kunnen aanzetten tot een streven naar zelf- of soortbehoud. De geestkracht uit zich dan in de vorm van een naar zichzelf of naar de ander gerichte, onbeheerste werkzaamheid van de vermogens, die zich voordoet in aangeboren, vaststaande vormen.
De geestkracht als drift tot zelfbehoud richt zich - in lichamelijke en geestelijke zin - in volgorde op het voortbestaan van de eigen stoffelijke vorm en het zelfbeeld. De geestkracht als drift tot soortbehoud richt zich daarentegen - ook in lichamelijke en geestelijke zin - op het voortbestaan van de stoffelijke, menselijke vormen om zich heen door geslachtsgemeenschap en op het gemeenschapsleven, dat met die mensen wordt gevormd als een eenheid van samenlevende personen.
In de driftmatige toestand is het de drift tot zelfbehoud die de geest het meest na staat en die uiteindelijk de doorslag geeft bij al het - driftmatige - handelen in de vorm van eten, vechten of vluchten. In noodtoestanden is er immers in dit bestaan niets zo werkelijk en doorslaggevend voor de mens als honger, dorst en lijfsbehoud. In die toestand vermindert ook de geslachtsdrift.
In driftmatige toestand kunnen beide instellingswijzen op een lichámelijk of gééstelijk doel zijn gericht: op eten, drinken en geslachtsgemeenschap aan de ene kant of op het zelfgevoel van het zelfbeeld en het gemeenschapsleven aan de andere kant. Ontwikkelt de geest de eigen vermogens, dan uiten beide instellingen zich daarentegen voornamelijk geestelijk en wel als zelfbezonnenheid en gemeenschapszin.

terug naar de woordenlijst - naar boven

spanning
De menselijke geest is in zichzelf werkzaam met behulp van de geestelijke vermogens, door gebeurtenissen om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens te willen handelen naar de door het denken en voelen gevormde wilsbesluiten. Door te handelen vloeit de geestkracht naar buiten uit en kan de geest inwerken op de gebeurtenissen, die daardoor een andere richting krijgen. De handelende geest wil daarna blijven zien (waarnemen) of de gevolgen van die handelingen in overeenstemming zijn met de overdenkingen en doorvoelingen. Daardoor ontstaat er in de geestelijke werkzaamheid een voortdurende kringloop, waarbij uitwendige gebeurtenissen en innerlijke, geestelijke werkzaamheid elkaar afwisselen.
Aanvankelijk is de menselijke geest uit zichzelf nauwelijks op deze wijze innerlijk werkzaam. Door het min of meer onbewust en onbeheerst zijn van de geest in de aanvangstoestand, is er nog geen sprake van een bewuste en beheerste, zelfstandige zelfwerkzaamheid. In de aanvangstoestand van de ontwikkeling wordt de geest voornamelijk gekenmerkt door traagheid. De menselijke geest komt dan alleen in beweging door prikkels van buitenaf.
Die zelfwerkzaamheid is echter het doel van de leerschool, die het tijdelijke bestaan voor de geest is. In dat tijdelijke bestaan is de tijd de stroom van gebeurtenissen, waarin de geest zich staande moet houden. Die gebeurtenissen oefenen een druk uit op de geest, brengen de geest innerlijk min of meer uit het evenwicht en veroorzaken daardoor een innerlijke onrust. De geest komt door de druk van de gebeurtenissen onder spanning te staan. Dat is een toestand van ontstemming, waardoor de geest ertoe wordt aangezet aan de druk weerstand te gaan bieden en naar ontspanning te streven. Die ontspanning kan alleen worden bereikt door zich in te spannen en de gebeurtenissen met behulp van de geestelijke vermogens te verwerken. Daardoor leert de geest een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen vermogens. Dat betekent geestelijke groei en dat is het doel van de tijd als stroom van gebeurtenissen.
Daardoor is spanning een onmisbaar verschijnsel in de geestelijke leerschool die het tijdelijke bestaan voor de menselijke geest is. Het is een onvermijdelijk vereiste om de geest eerst tot werkzaamheid aan te zetten en zo te laten toegroeien naar zelfwerkzaamheid.
Weet de geest de moeilijkheden te verwerken en zo het hoofd te bieden, dan worden de spanningen tot een oplossing gebracht en wordt de innerlijke rust hersteld: de toestand van ontspanning. Kunnen de moeilijkheden niet worden verwerkt, dan hopen de spanningen zich op en ontstaat een toestand van innerlijke gespannenheid. Blijft deze te lang bestaan dan raakt de geest in een overspannen geestesgesteldheid.
Door medisch taalgebruik is het woord 'stress' in zwang geraakt. Dit woord veroorzaakt een onduidelijk beeld van wat er gebeurt, doordat het zowel de uitwendige 'druk' als de innerlijke 'spanning' betekent en zo ook wordt gebruikt. Bovendien heeft stress zowel een gunstige als een ongunstige betekenis, wat de verwarring in de betekenis van het woord vergroot: door sommigen wordt het gezien als noodzakelijk en gezond, door anderen als oorzaak van aandoeningen. Dit wordt veroorzaakt doordat niet goed is begrepen wat de ontwikkelaar van het stressbegrip, Hans Selye, beschreef. Hij beschreef strain als de druk die op het individu wordt uitgeoefend, stress als de innerlijke spanning, coping als het verwerken van ervaringen, eustress als ontspanning en disstress als tot ziekte leidende gespannenheid. Disstress wordt haast altijd verward met stress.
Het voorbeeld van stress laat zien dat het gebruik van leenwoorden tot verwarring aanleiding kan geven, terwijl de eigen taal voldoende woorden kent om het gebeuren duidelijk te omschrijven.

terug naar de woordenlijst - naar boven

spirituologie (geestkunde)
Spirituologie (geestkunde) is zelfkennis als de kennis van de geest van zichzelf.
Spirituologie als zelfkennis betreft de kennis van de eeuwige waarden en eigenschappen van de geest. Door deze kennis op zichzelf toe te passen, kan de geest de eigenschappen van zichzelf als geest verwerkelijken en zich vervolgens met de geestelijke oorsprong, de algeest, herenigen.
Spirituologie is een wetenschap (geesteswetenschap), omdat wie nu zichzelf als geest verwerkelijkt en tot hereniging komt, tot dezelfde ervaringen en wereldbeschouwing komt als zij, de mystici, die dit in het verleden hebben bereikt. Er is van wetenschap sprake als bepaalde veronderstellingen proefondervindelijk worden bevestigd en vervolgens anderen proefondervindelijk tot dezelfde slotsom komen.
Het unieke van spirituologie als wetenschap is, dat het de enige wetenschap is, waarbij het onderwerp van die wetenschap de onderzoekende geest zélf is. Het bewijs van de waarde ervan is daardoor ook alleen door de naar wetenschap strevende geest ín zichzelf te ervaren.
Het woord 'kunde' in 'geestkunde' geeft aan dat het een wetenschap is, die kan worden toegepast, met als duidelijk ervaarbaar gevolg de omvorming van de eigen geestesgesteldheid. Een 'kundig' iemand beschikt niet alleen over kennis, maar ook over de bekwaamheid die kennis toe te passen.

Bij veel levensbeschouwingen wordt wel gesproken over het geestelijke licht, maar niet over de geestelijke warmte. De geestelijke warmte is de bron van het licht en die warmte is als kracht de kern van het al. De geest als bewuste levenskracht, die zich voordoet als lichtende warmte, is de grondslag van al wat menselijk is. Kernachtiger dan dat, is er niets; dieper dan dat, gaat er niets; hoger dan dat, reikt er niets.
Naast spirituologie zijn er drie schrijvers, die uitgebreid en met elkaar overeenkomend over licht én warmte schrijven: Jacob Lorber, Emanuel Swedenborg en Jan van Ruusbroec. Spirituologie (geestkunde) vult hen aan en breidt hen uit door te laten zien, dat het licht en de warmte in twee, tegenovergestelde toestanden kunnen voorkomen: de ontvankelijke, vormbare, vrouwelijke toestand en de zelfvormende, doordringende, mannelijke toestand. Hiermee hangen de geestelijke vermogens samen:
waarnemen is vormbaar licht,
denken is zelfvormend licht,
voelen is vormbare warmte,
willen is zelfvormende warmte.
Met deze vermogens heeft de goddelijke algeest het al geschapen en met de eigenschappen van deze vier vermogens en hun in- en uitgekeerde instelling in de menselijke geest, is de betekenis van het al als een volstrekt samenhangende eenheid te begrijpen.
terug naar de woordenlijst - naar boven

stof
Stof is een verdichtingstoestand van het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de algeest.
De meest ijle, niet verdichte toestand is die van de ongevormde oertoestand van de goddelijke algeest. Binnen zichzelf vormt God vanuit die toestand nieuwe werelden, door nieuwe graden van verdichting te vormen van Gods eigen licht en warmte. Iedere wereld is opgebouwd uit Gods licht en warmte in een eigen verdichtingstoestand en strekt zich uit in de eeuwige oneindigheid.
De wereld die de stoffelijke wereld wordt genoemd, is de meest verdichte toestand. In deze wereld wordt door de bewoners ervan de toestand van verdichting van Gods licht en warmte 'stof' genoemd. In deze wereld zijn Gods denkbeelden, die lichtbeelden zijn, verdicht tot stoffelijke vormen. Daar deze wereld door het goddelijke denken is gevormd, is vanuit deze wereld door de menselijke geest ook weer terug te denken naar God toe. Dat deed Einstein in feite (hij zei ook dat hij dat nastreefde) en hij kwam zodoende tot de formule, waarin de eenheid tussen stof (m=materie), licht (c=lichtsnelheid) en warmte (E=energie) is vastgelegd: E=mc2 (de energie van een massa is die massa maal de lichtsnelheid in het kwadraat).
De huidige natuurwetenschap heeft zichzelf de laatste eeuw de beperking opgelegd alleen de stoffelijke zijde van de schepping te willen bestuderen (Newton bijvoorbeeld deed dat nog niet). Het woord 'natuur' hangt echter samen met het Latijn 'nasci': geboren worden. De 'natuur' is datgene, wat geboren is en uiteindelijk geboren uit Gods geest. De stof is uit de geest voortgekomen en draagt er daardoor de eigenschappen van. De natuurwetenschap kan niet anders dan langs de omweg van de stof die zij bestudeert, het bestaan van de uitgangspunten van de geesteswetenschap - de eigenschappen van de geest - bevestigen.

In sommige levensbeschouwingen wordt gesteld dat 'de stof een illusie is'. Illusie komt van Latijnse werkwoord 'inludere' en betekent 'erin spelen' of 'een spel met zich laten spelen'. Niet de stóf speelt echter een spel, maar het is de menselijke geest zélf, die 'een spel met zich laat spelen' door te dénken dat de stof alles is wat er is. Deze mening wordt veroorzaakt door de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, waardoor waarden worden omgekeerd. Door die omkering van waarden wordt niet meer gezien, dat de géést alles is wat er is. De illusie wordt veroorzaakt door de hóuding van de menselijke géést.
De stof zelf is niet een illusie, maar de stof is Gods tot vastheid verdichte goddelijke licht en warmte, door God uit liefde in die toestand gehouden om de menselijke geest de gelegenheid te geven in vrijheid en op eigen kracht te groeien naar geestelijke zelfstandigheid. Dat is het verheven doel waarom God de stoffelijke schepping schiep; niet om 'de stof voor de mens een illusie te laten zijn'.
Het begrip 'stof' wordt ook wel aangeduid met het woord 'materie', dat samenhangt met het Latijnse 'mater': moeder. Dit is weer afkomstig van het Sanskriet 'mater', dat 'bron' betekent als datgene, waaruit iets anders is voortgekomen. Dat, wat uit die bron is voortgekomen, is de 'natuur', een woord dat samenhangt met het Latijn 'nasci': geboren worden. Met andere woorden: de natuur (nasci) is uit de materie (moeder) geboren, ofwel: de schepping (natuur) is uit God als moeder (mater) geboren. Later, toen de wetenschap zich ging beperken tot de zichtbare helft van schepping en zich 'natuurwetenschap' noemde, is het inzicht in deze samenhang geheel verloren gegaan.

terug naar de woordenlijst - naar boven