|
Verklarende
woordenlijst S |
| |
- schepping,
liefde oorzaak van de
- God is de alomtegenwoordige algeest, ervaarbaar als een alomtegenwoordige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Door die alomtegenwoordigheid is er aan God geen grens. God zelf is onbegrensd, oneindig en daardoor
zonder ruimte om zich heen: God zelf is ruimteloos.
Daardoor kan er niet een 'buiten God' zijn, waar een oorzaak zou
kunnen zijn van God. God zelf is niet alleen oneindig en ruimteloos,
maar daardoor ook oorzaakloos. Zonder oorzaak kan er vóór
God geen begin zijn geweest. Er is daardoor niet een tijd vóór
God, dat God er niet was: God zelf is zonder tijd, tijdloos. Er
is daardoor ook niet een tijd ná God, waarin God er niet
meer zou zijn. God zelf kent geen verleden en geen toekomst, maar God is het eeuwige nú.
Daardoor is God zowel oneindig als eeuwig: God is de eeuwige
oneindigheid. Door de eeuwigheid en de oneindigheid te zijn,
is er niet een plaats 'naast God' of een tijd 'vóór
of ná God' en er is daardoor geen tweede als God mogelijk;
dat betekent dat God als de alomtegenwoordige algeest één
is.
Door het één-zijn is God volmaakt zelfstandig. Door
die zelfstandigheid kan God niet anders dan volmaakt zelfwerkzaam
te zijn. God doet alles volkomen uit zichzelf en op zichzelf, zonder
bij iets of iemand te rade te gaan.
Die zelfwerkzaamheid betreft het gebruik dat God maakt van Gods
eigen geestelijke vermogens. Waarnemen, denken en willen kan God
geheel in zichzelf, zonder daarbij een ander nodig te hebben; ook
het vormen van een zelfgevoel, bijvoorbeeld vreugde om de eigen
scheppende werkzaamheid. Maar God kan in zichzelf niet liefhebben.
Om lief te kunnen hebben, is een ander nodig, omdat liefhebben
een meevoelen is met een ànder, wat in een persoonlijke daad
naar die ander toe tot uitdrukking komt.
Om met die ander een duurzame liefdesband te kunnen vormen, is het
noodzakelijk dat de ander even zelfstandig is als God zelf. Alleen
door die zelfstandigheid kan er sprake zijn van gelijkwaardigheid
en daardoor van een evenwichtige wederkerigheid. Wederkerigheid
is een voorwaarde voor een duurzame liefdesband, omdat die alleen
dan door beiden op evenwichtige wijze in leven wordt gehouden.
Om een ànder lief te kunnen hebben, vormde de éne goddelijke
algeest in zichzelf - door puntvormige verdichtingen van zichzelf
- het tegendeel van zichzelf, de ontelbare algeestvonken,
die de menselijke geesten zijn. De menselijke geesten zijn nu op
een - in wezen zelfverkozen(!) - ontwikkelingsweg naar zelfverworven
geestelijke zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid. Alleen door die
zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid zèlf te verwerven, worden
zij gelijkwaardig aan die van God.
Het doel van die weg van zelfverwerkelijking is hereniging met God
door God te leren liefhebben. God verlangt naar de zelfstandigheid
van de menselijke geesten en bevordert die, door de invloed van
Gods engelen en door de invloed van zichzelf als heilige geest,
want God verlangt naar een liefdesband met Gods eigen godenkinderen,
die de menselijke geesten in wezen zijn. Daarom wìl God de
menselijke geest, daarom dènkt God de menselijke geest, daarom
zíet God de menselijke geest. Want de menselijke geest is
er een van God.
Om die ontwikkelingsweg naar zelfverworven geestelijke zelfstandigheid
en zelfwerkzaamheid mogelijk te maken, moeten de menselijke geesten
schijnbaar aan zichzelf overgelaten worden, om daardoor de vrijheid
van keuze te hebben. Alleen als zij vrij worden gelaten om zèlf
te kunnen kiezen, wordt datgene wat zij door hun eigen inspanning
verwerven een èigenschap van zichzelf, wordt het hun onvervreemdbare
eigendom. Alleen in een toestand van zelfstandigheid als die van
God zelf, in de toestand van schijnbare afgescheidenheid van God,
zijn de menselijke geesten in de gelegenheid als God te worden,
zelfstandig en zelfwerkzaam.
God schiep de stoffelijke schepping, opdat de menselijke geesten
een stoffelijke vorm konden krijgen om daarin die schijnbare afgescheidenheid
van God en daardoor persoonlijke zelfstandigheid en vrijheid van
keuze, te kunnen beleven. Dit is de oorzaak en de betekenis van het feit, dat
de stoffelijke schepping er is.
Door de schijnbare afgescheidenheid kunnen de menselijke geesten
worden aangezet tot zelfwerkzaamheid, doordat de tijd als
stroom van gebeurtenissen hen in omstandigheden plaatst, die hen
noodzaken hun eigen geestelijke vermogens bewust en beheerst te
gaan gebruiken om zich staande te kunnen houden in die stroom. Alleen daardoor groeien de menselijke geesten in vrijheid toe naar geestelijke zelfstandigheid.
Hebben zij zo hun oorspronkelijke, geestelijke geaardheid zelf verwerkelijkt
en zijn zij zich bewust geworden van hun wezenlijke, geestelijke
zelfstandigheid, dan ontstaat in de geesten zelf een heilige onrust
en de drang naar hereniging met die oorsprong. Die drang zet de
menselijke geesten aan tot zelfbezinning en gebed, en hun inzet
daarvoor, hun zoeken naar hun oorsprong is op zichzelf al een liefhebben
van God, die hun oorsprong is. Zo maken zij uit zichzelf een begin
om Gods liefde voor de menselijke geesten met hùn liefde
te beantwoorden, om Gods ouderliefde met hun kinderliefde te beantwoorden en zo de liefdevolle hereniging van schepper en schepsel
mogelijk te maken. Dit is de verwerkelijking van het doel van het
zelfstandige bestaan van de menselijke geesten in een lichaam in de stoffelijke
schepping.
Doordat de schepping vanuit Gods geest is geschapen, is ook vanuit
de eigenschappen van de geest - de geestelijke vermogens - te begrijpen,
wat het doel en de zin van Gods schepping is.
De schepping kan niet door toeval zijn ontstaan, zoals in sommige levensbeschouwingen wordt geloofd (darwinisme), want wat toevallig ontstaat, heeft een even grote kans toevallig ook weer te vergaan. Door toeval kan wel chaos ontstaan, maar geen kosmos.
(terug
naar index)
- schepping, de stoffelijke
- De oorzaak van het ontstaan van de stoffelijke schepping is vanuit geestkundig gezichtspunt beschreven onder 'schepping, liefde oorzaak van de'.
Door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging is de menselijke geest onbewust van zichzelf en van al het geestelijke. De onderzoekende geest die naar de oorzaak van het verschijnsel 'stoffelijke schepping' zoekt, gaat deze daardoor in de stoffelijke schepping zelf zoeken. De 'natuur' zou de oorzaak van zichzelf en van zijn ontwikkeling noodzakelijk als een eigenschap in zich dragen. Deze wereldbeschouwing wordt 'darwinisme' genoemd naar de Engelse natuuronderzoeker Charles Darwin. Darwin stelde als werkhypothese de evolutietheorie op:
1. Binnen een soort kunnen door toevallige mutaties in de erfmassa (DNA) variaties van de soort ontstaan.
2. Ook de levensomstandigheden in de natuur veranderen voortdurend.
3. Die variaties die het best zijn aangepast aan de veranderde omstandigheden, zullen overleven ('het overleven van de best aangepaste').
4. De goed aangepaste variaties zullen zich kunnen voortplanten, de niet goed aangepaste variaties sterven uit.
5. Dit is de natuurlijke selectie die de ontwikkeling van de soorten mogelijk maakt.
6. De slotsom is dat door toevallige mutaties èn natuurlijke selectie (er zijn twee beginselen) het verschijnsel van de ontwikkeling van de soorten onstaat.
Volgens Darwin is natuurlijke selectie van de toevallige mutaties de stuwende kracht achter de ontwikkeling van de soorten, een ontwikkeling die door toeval wordt geleid. Deze ontwikkeling zou een eigenschap van de natuur zelf zijn en ook de richting die deze ontwikkeling inslaat, zou op toeval berusten.
Bij deze veronderstelling kan het volgende in overweging worden gegeven. Wat toevallig is ontstaan, heeft vervolgens een even grote kans om zich zowel toevallig verder te kunnen ontwikkelen, alsook om toevallig weer te vergaan. Met andere woorden, een toevallige variatie kan toevallig de juiste levensomstandigheden aantreffen en zich ontwikkelen; maar als vervolgens de levensomstandigheden toevallig weer ongunstig worden, zal deze variatie toch uitsterven. Deze 50-procent-kans zal ook gedurende 'heel lange tijden' blijven bestaan.
Als er sprake zou zijn van toevalligheid, dan zou er geen schema van de ontwikkeling kunnen worden opgesteld zoals nu het geval is. Door toevalligheid zou een volkomen wanordelijk geheel van verschillende levensvormen ontstaan; geen geleidelijke, trapsgewijze ontwikkeling zoals nu is gevonden.
Een door toeval geleid gebeuren zal chaos tot gevolg hebben, geen kosmos; hooguit een min of meer gelijkblijvende ontwikkelingstoestand. De kans dat het toeval stééds zal zorgen voor omstandigheden die gunstig zijn voor ontwikkeling, is afwezig en als dat wel zou gebeuren, is er geen sprake meer van toeval.
Natuurwetenschappelijk onderzoek toont aan dat er in de natuur een ontwikkeling is te onderkennen, dat deze ontwikkeling een begin heeft gehad en dat die ontwikkeling een verloop heeft van eenvoudige naar zeer samengestelde levensvormen (even buiten beschouwing gelaten wat de oorzaak hiervan is). Dit beginsel is ook in het heelal te herkennen. Ook het heelal heeft een begin gehad, is gaan uitdijen en heeft zich tegelijkertijd ontwikkeld door sterren te laten ontstaan en te laten vergaan, waarbij uit het afval weer nieuwe sterren zijn ontstaan in meerder soorten en ook in meerdere soorten sterrenstelsels. Deze sterren 'verbranden' waterstofgas tot andere elementen en doven uit als die brandstof op is. Onvermijdelijk zal er een tijd komen, dat alle waterstof in het heelal is opgebrand, waardoor ook het heelal sterft.
Alle soorten die (volgens het neodarwinisme) door de stuwende kracht van de natuur zelf zouden zijn ontwikkeld, zullen dan door diezelfde natuur weer worden vernietigd. Alle inspanningen van de natuur om zich te ontwikkelen, worden door diezelfde natuur ook weer ongedaan gemaakt. De stuwende kracht in de natuur houdt (volgens de uitkomsten van de natuurwetenschap) niet alleen ontwikkeling in, maar ook vernietiging.
Het doorvoeren van de aannames van het neodarwinisme leidt tot de slotsom, dat de natuur een kracht is, die door tegenstrijdige eigenschappen wordt gekenmerkt. Wat wordt gekenmerkt door innerlijke tegenstrijdigheid is in feite onbestaanbaar. Iets kan niet 'ja' en 'nee' tegelijk zijn. Een kracht met tegenstrijdige eigenschappen maakt zichzelf onwerkzaam. De 'natuur' die door het neodarwinisme als een 'handelende zelfstandigheid' wordt beschreven, lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, die in mensengedaante psychiatrische behandeling noodzakelijk zou maken.
De oorzaak van de eigen onbewustheid van deze tegenstrijdigheid in de levensbeschouwing van het neodarwinisme, wordt veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging. Daardoor wordt slechts de helft van de werkelijkheid gezien, namelijk alleen de stoffelijke helft. De zin van het verschijnsel 'ontwikkeling' in de natuur - die overduidelijk wetenschappelijk is aangetoond - is echter te vinden in de geestelijke helft van de schepping.
(terug
naar index)
- scheppingsvermogen
- Het scheppingsvermogen is vermogen van de geest om door waarnemen, denken, voelen en willen iets nieuws te vormen, door
het reeds bestaande om te vormen tot dat nieuwe. In de ontwikkelde
toestand is de geest een volkomen uit zichzelf werkzame scheppingskracht.
De geest is een vormkracht, die door te denken in
het eigen licht lichtbeelden vormt. De geest schept door
zichzelf al denkend tot een lichtbeeld te vormen en dat naar buiten
toe uit te drukken in een uitspraak of handeling, of het innerlijke
lichtbeeld een uiterlijke, stoffelijke vorm vorm te geven.
De eigen scheppingskracht en de werkzaamheid ervan kan de geest
onmiddellijk in zichzelf ervaren. Iedere zelfgevormde gedachte en
ieder zelfgevormd gevoel gaat meteen met een innerlijke klank gepaard.
Door deze klank te volgen kan de geest zich van de eigen scheppende
werkzaamheid onmiddellijk bewust zijn. Die innerlijke klank komt
voort uit de scheppende werkzaamheid van de eigen geestelijke vermogens.
Wie anders dan de geest zelf kan zich bewust zijn van de voortbrengselen
van de werkzaamheid van de vermogens in het eigen innerlijk, de
gedachten en gevoelens die in zichzelf tot klinken komen?
Door de scheppende werkzaamheid van de eigen vermogens in zichzelf
te ervaren, komt de geest tot zelfervaring, zelfbeleving en daardoor
tot zelfbewustzijn.
Iedere geest heeft de ervaring 'in zichzelf te praten'. Iedere geest
draagt daardoor de aanwijzing van de werkzaamheid van de door God
aan de menselijke geest meegegeven vermogens in zichzelf mee; maar
door de onbewuste vereenzelviging met de búitenwereld, is
wat er in de eigen bìnnenwereld gebéurt, iets 'denkbeeldigs',
wat 'toch maar gedachten zijn' en daardoor niet de moeite van de
aandacht waard.
(terug
naar index)
- schoonheid
- Door het waarnemen als geesteshouding
van ontvankelijkheid is de geest zo op iets betrokken, ondergaat
het dan ook zodanig en is er daardoor zo mee verbonden, dat het
waargenomene een indruk in de geest kan achterlaten. Al naar
het karakter van die indruk overeenkomt met de geestesgesteldheid
of niet, ervaart de geest die indruk als aangenaam of onaangenaam,
als schoonheid of lelijkheid. Als het waargenomene met iets in de
geest zelf overeenkomt, dan kan de geest het 'aan-nemen' en daardoor
is het 'aangenaam' en betekent het schoonheid.
De maatstaf van het ontwikkelde waarnemingsvermogen is de ervaring
van vreugde tijdens de schoonheidsbeleving. Het is een vreugde,
die voortkomt uit de herkenning in de buitenwereld van iets, wat
op niet nader te omschrijven of te beredeneren wijze met iets wezenlijks
in de geest zelf overeenstemt. Vandaar dat er niets zo persoonlijk
is als smaak.
Het oordeel dat de geest vormt door het beleven van die indruk,
is het kunstzinnige (esthetische) oordeel, dat uitdrukking geeft
aan het feit of de waarnemingen een aan- of onaangename indruk op
de geest maken, afhankelijk van overeenstemming met de geestelijke
ontwikkelingstoestand. In dat geval is er sprake van een persoonlijke
schoonheidsbeleving en een daarmee samenhangend persoonlijk oordeel.
Er is ook een algemeen geldende schoonheidsbeleving en een daarmee
samenhangend algemeen geldend kunstzinnig oordeel. Schoonheid is
een overeenstemming in de verhoudingen tussen vormen,
kleuren en klanken. Hangt die verhouding samen met de gulden snede,
dan wordt die verhouding algemeen als schoonheid ervaren.
Het denken is het vermogen dat vormen kan scheppen in
het eigen geestelijke licht en dat deze vormen in beelden kan uitdrukken.
Als het denken wijs is, zijn de beelden schoon doordat hun verhoudingen
overeenstemmen, zoals uitgedrukt in de gulden snede. De wiskunde
van de gulden snede toont aan, dat de achtergrond van algemeen geldende
schoonheid de wijsheid van het scheppende denken is.
(terug
naar index)
- schouwen
- Schouwen betekent: naar
binnen kijken. Schouwen is de ingekeerde waarneming.
Door te schouwen richt de geest het waarnemingsvermogen op de inwendige wereld van
de ziel, waardoor aan de ene kant de inhouden daarvan kunnen worden
waargenomen en waardoor aan de andere kant ingevingen en voorgevoelens
van de begeleiders - die vanuit de geestelijke wereld door hen in
de geest worden gelegd - kunnen worden opgemerkt.
In wezen is de menselijke geest met de aandacht voortdurend zowel
door de zintuigen heen op de buitenwereld gericht, alsook tegelijkertijd
buitenzintuiglijk op de eigen binnenwereld gericht. Alleen komen
de zintuiglijke indrukken met zo'n kracht de binnenwereld van de
ziel binnen, dat de aandacht daar vrijwel geheel door wordt geboeid.
De inhouden van de ziel verbleken daarbij. Het lijkt daardoor alsof
de binnenwereld niet meer is dan een begeleidend of een afgeleid
verschijnsel: 'het zijn maar gedachten'. Door de toestand van onbewuste
vereenzelviging met het stoffelijke bestaan wordt de werkelijkheid
van de binnenwereld iets, wat alleen maar denkbeeldig is.
Er wordt wel gesteld dat 'alles wat binnen is, door de zintuigen
heen van buiten afkomstig is'. Dit is een duidelijk voorbeeld van
het gevolg van de onbewuste vereenzelviging. Voor deze geestesgesteldheid
is 'binnen' een leegte en alleen 'buiten' bestaat iets, wat werkelijk
is.
Het schouwen is merkbaar geworden in de toestand die 'staren' wordt
genoemd. Op dat ogenblik vindt het omgekeerde plaats. In die toestand
zijn het de inhouden van de ziel die de aandacht opeisen. De geest
beseft dan ook dat de aandacht is ingekeerd en geheel aanwezig is
in de eigen binnenwereld. Dit komt door de onbewuste vereenzelviging
van anderen bij hen zo wereldvreemd over, dat staren een ongunstige
betekenis heeft; staren is 'suffen' en moet worden voorkomen.
Het schouwen van ingevingen wordt 'intuïtie' genoemd, van het
Latijn 'in-tueri': naar binnen turen. De intuïtie is de ingekeerde
waarneming. Het woord 'intuïtie' wordt zowel voor de ingeving
vanuit de geestelijke wereld gebruikt, als voor de ingekeerde waarneming zelf
van de geest, die de ingeving opmerkt.
Dit laat duidelijk het nadeel van het gebruik van leenwoorden zien.
Doordat de betekenis van leenwoorden alleen maar vaag wordt aangevoeld,
kunnen zich, zoals in dit geval, twee tegengestelde betekenissen
aan het ene woord hechten. Bovendien wordt 'intuïtie' vaak
verwisseld met 'instinct', dat 'aangeboren gedrag' betekent.
(terug
naar index)
- slapen
- Zolang de geest in de stoffelijke
wereld een lichaam (zie aldaar) heeft als tijdelijke, stoffelijke
vorm, gaat de geest iedere ochtend over van de geestelijke wereld
naar het lichaam in de stoffelijke wereld. De geest neemt dan weer
bezit van het lichaam als het voertuig en werktuig, dat nodig is
om in de stoffelijke wereld gedurende de dag werkzaam te kunnen
zijn. Deze gebeurtenis, het zich bewust worden weer aanwezig te
zijn in het lichaam, heet het ontwaken of 'wakker worden'.
De geest komt daardoor in een geestestoestand die de 'dagtoestand'
kan worden genoemd. In de dagtoestand is de geest zich uitsluitend
bewust van de stoffelijke wereld en zich niet bewust van het eigen
thuis, de geestelijke wereld.
Tijdens de dagtoestand maakt de geest gebruik van het lichaam door
het te bewegen. De geest belast daardoor het lichaam. De grootste
belasting gaat evenwel uit van de onbeheerste geesteswerkzaamheid
in de vorm van aandoeningen, zoals angst, verdriet, zorgen, haat en woede.
Door deze belasting vermindert de mogelijkheid van de geest van
het lichaam gebruik te maken, wat de geest ervaart als de 'moeheid'
van het lichaam. Daardoor ontstaat de behoefte het lichaam zich
te laten herstellen door het een tijd te laten rusten.
Aan het einde van de dag is de belasting voor het lichaam zo groot
geworden, dat het voor de geest noodzakelijk is het lichaam tijdelijk
met rust te laten door het te verlaten. Het teken dat het lichaam
daartoe geeft, ervaart de geest als de aandrang om te gaan slapen.
De oorspronkelijke betekenis van het werkwoord 'slapen' is: 'slap worden'. De geest krijgt door die aandrang de behoefte het lichaam neer te leggen
op een daartoe geschikt meubel, een bed. Is dat gebeurd, dan 'valt
de mens in slaap'. Deze gebeurtenis is het tijdelijke uittreden
uit het lichaam door de geest. Deze tijdelijk uitgetreden toestand
heet slapen. De geest komt daardoor in een geestestoestand, die
de 'nachttoestand' kan worden genoemd. Vanuit de stoffelijke wereld
lijkt de geest zich dan niet bewust te zijn van zichzelf en onwerkzaam
te zijn. Thuis in de geestelijke wereld evenwel is de geest zich
op dat ogenblik volkomen bewust en werkzaam.
De geest kan zich overdag van deze nachtelijke werkzaamheid echter
niets herinneren, doordat door de uitgetreden toestand de ervaringen,
opgedaan in de geestelijke wereld, niet kunnen worden vastgelegd
in de geheugengebieden van de hersenschors. Dat is een voorwaarde om zich later iets te
kunnen herinneren tijdens de dagtoestand.
Tijdens het slapen verkeert de geest in de geestelijke, eeuwige
wereld, die het tehuis van de geest is. Tijdens het waken bevindt
de geest zich tijdelijk in de stoffelijke wereld, zolang daar een
lichaam aanwezig is, om daar de levenslessen op te doen in de leerschool
voor geestelijke zelfstandigheid, die dat bestaan voor de geest is.
In sommige levensbeschouwingen wordt gesproken over 'het dagbewustzijn' en 'het nachtbewustzijn' in plaats van de dagtoestand en de nachttoestand. Door een zelfstandig naamwoord te gebruiken, wordt de indruk gewekt, dat het om twee zelfstandigheden zou gaan die ook handelend kunnen optreden. In werkelijkheid is er alleen de éne geest, die afwisselend in twee bewustzijnstoestanden kan verkeren: de dagtoestand en de nachttoestand.
(terug
naar index)
- soortbehoud, drift tot
- Vanuit de aanvankelijke toestand van onbewustheid van de geest van zichzelf is het eerste onderscheid dat wordt gemaakt, dat tussen wat wordt beschouwd als tot zichzelf als persoon en het eigen bestaan behorend en dat, wat tot al het andere behoort. Het is het onderscheid tussen het eigene en andere, tussen mens en gemeenschap, tussen het persoonlijke en algemene, tussen eigenheid en gemeenschappelijkheid.
In overeenstemming met dit onderscheid is de geest in staat de richting van de werkzaamheid van de vermogens in te stellen op de binnen- en buitenwereld. De geest kan zijn ingesteld op de innerlijke zielewereld en het stoffelijke bestaan van het lichaam, en op de wijde omgeving. Hiermee hangt de in- en uitgekeerde instelling samen. Het is hierdoor dat ook de onbewuste vereenzelviging zich uitstrekt tot die twee te onderscheiden gebieden van het bestaan. Aan de ene kant tot het lichaam, het bezit, tot wat de persoonlijkheid wordt genoemd: het zelfbeeld, titel, beroep en aanzien, en tot huwelijke en gezin; aan de andere kant tot familie, vrienden, gemeente, volk en ras.
In de toestand van onbewuste vereenzelviging verkeert de geestkracht min of meer in een toestand van onbeheerste werkzaamheid of driftmatigheid. Dit is een toestand van aandrift, van onbeheerste gedrevenheid. De oorzaak van die gedrevenheid is door vereenzelviging met het eigene en met de omgeving ook daarin te vinden. Door vereenzelviging met het eigene en persoonlijke vanwege de ingekeerde instelling verkeert de geestkracht, afhankelijk van ontwikkeling en omstandigheden, in de vorm van de drift tot zelfbehoud; door vereenzelviging met het andere en gemeenschappelijke vanwege de uitgekeerde instelling in de vorm van de drift tot soortbehoud.
Deze beide driften zijn geen afzonderlijke krachten. Zij zijn twee aanzichten, twee geestesgesteldheden of geestestoestanden van de enkelvoudige geestkracht, die de geest zelf is. Zij bevindt zich in een bepaalde ontwikkelingstoestand van bewustheid en beheerstheid en komt alleen in de vorm van een van deze driften tot uitdrukking onder bepaalde, oorzakelijke, uitlokkende omstandigheden. Dit zijn omstandigheden die de geestkracht driftmatig maken en die kunnen aanzetten tot een streven naar zelf- of soortbehoud. De geestkracht uit zich dan in de vorm van een naar zichzelf of naar de ander gerichte, onbeheerste werkzaamheid van de vermogens, die zich voordoet in vaststaande, aangeboren vormen.
De geestkracht als drift tot zelfbehoud richt zich - in lichamelijke en geestelijke zin - in volgorde op het voortbestaan van de eigen stoffelijke vorm en het zelfbeeld. De geestkracht als drift tot soortbehoud richt zich daarentegen - ook in lichamelijke en geestelijke zin - op het voortbestaan van de stoffelijke, menselijke vormen om zich heen door geslachtsgemeenschap en op het gemeenschapsleven, dat met die mensen wordt gevormd als een eenheid van samenlevende personen.
In de driftmatige toestand is het de drift tot zelfbehoud die de geest het meest na staat en die uiteindelijk de doorslag geeft bij al het - driftmatige - handelen in de vorm van eten, vechten of vluchten. In noodtoestanden is er immers in dit bestaan niets zo werkelijk en doorslaggevend voor de mens als honger, dorst en lijfsbehoud.
In driftmatige toestand kunnen beide instellingswijzen op een lichámelijk of gééstelijk doel zijn gericht: op eten, drinken en geslachtsgemeenschap aan de ene kant of op het zelfgevoel van het zelfbeeld en het gemeenschapsleven aan de andere kant. Ontwikkelt de geest de eigen vermogens, dan uiten beide instellingen zich daarentegen voornamelijk geestelijk en wel als zelfbezonnenheid en gemeenschapszin.
(terug
naar index)
- spanning
- De menselijke geest is in
zichzelf werkzaam met behulp van de geestelijke vermogens, door
gebeurtenissen om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te verwerken
door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens te willen
handelen naar de door het denken en voelen gevormde wilsbesluiten.
Door te handelen vloeit de geestkracht naar buiten uit en kan de
geest inwerken op de gebeurtenissen, die daardoor een andere richting
krijgen. De handelende geest wil nu blijven zien (waarnemen) of
de gevolgen van die handelingen in overeenstemming zijn met de overdenkingen
en doorvoelingen. Daardoor ontstaat er in de geestelijke werkzaamheid
een voortdurende kringloop, waarbij uitwendige gebeurtenissen
en innerlijke, geestelijke werkzaamheid elkaar afwisselen.
Aanvankelijk is de menselijke geest uit zichzelf nauwelijks op deze
wijze innerlijk werkzaam. Door het min of meer onbewust en onbeheerst
zijn van de geest in de aanvangstoestand, is er nog geen sprake
van een bewuste en beheerste, zelfstandige zelfwerkzaamheid. In
de aanvangstoestand van de ontwikkeling wordt de geest voornamelijk
gekenmerkt door traagheid. De menselijke geest komt dan alleen
in beweging door prikkels van buitenaf.
Die zelfwerkzaamheid is echter het doel van de leerschool, die het
tijdelijke bestaan voor de geest is. In dat tijdelijke bestaan is
de tijd de stroom van gebeurtenissen, waarin de geest zich staande
moet houden. Die gebeurtenissen oefenen een druk uit op de
geest, brengen de geest innerlijk min of meer uit het evenwicht
en veroorzaken daardoor een innerlijke onrust. De geest komt
door de druk van de gebeurtenissen onder spanning te staan.
Dat is een toestand van ontstemming, waardoor de geest ertoe wordt
aangezet aan de druk weerstand te gaan bieden en naar ontspanning
te streven. Die ontspanning kan alleen worden bereikt door zich
in te spannen en de gebeurtenissen met behulp van de geestelijke
vermogens te verwerken. Daardoor leert de geest een bewust en beheerst
gebruik te maken van de eigen vermogens. Dat betekent geestelijke
groei en dat is het doel van de tijd als stroom van gebeurtenissen.
Daardoor is spanning een onmisbaar verschijnsel in de geestelijke
leerschool die het tijdelijke bestaan voor de menselijke geest is.
Het is een onvermijdelijk vereiste om de geest eerst tot werkzaamheid
aan te zetten en zo te laten toegroeien naar zelfwerkzaamheid.
Weet de geest de moeilijkheden te verwerken en zo het hoofd te bieden, dan worden de
spanningen tot een oplossing gebracht en wordt de innerlijke rust
hersteld: de toestand van ontspanning. Kunnen de moeilijkheden
niet worden verwerkt, dan hopen de spanningen zich op en ontstaat
een toestand van innnerlijke gespannenheid. Blijft deze te lang
bestaan dan raakt de geest in een overspannen geestesgesteldheid.
Door medisch taalgebruik is het woord 'stress' in zwang geraakt.
Dit woord veroorzaakt een onduidelijk beeld van wat er gebeurt,
doordat het zowel de uitwendige 'druk' als de innerlijke 'spanning'
betekent en zo ook wordt gebruikt. Bovendien heeft stress zowel
een gunstige als een ongunstige betekenis, wat de verwarring in
de betekenis van het woord vergroot: door sommigen wordt het gezien
als noodzakelijk en gezond, door anderen als oorzaak van aandoeningen.
Dit wordt veroorzaakt doordat niet goed is begrepen wat de ontwikkelaar
van het stressbegrip, Hans Selye, beschreef. Hij beschreef strain
als de druk die op het individu wordt uitgeoefend, stress als de
innerlijke spanning, coping als het verwerken van ervaringen, eustress
als ontspanning en disstress als tot ziekte leidende gespannenheid.
Disstress wordt haast altijd verward met stress.
Het voorbeeld van stress laat zien dat het gebruik van leenwoorden
tot verwarring aanleiding kan geven, terwijl de eigen taal voldoende
woorden kent om het gebeuren duidelijk te omschrijven.
(terug
naar index)
- spirituologie (geestkunde)
- Spirituologie (geestkunde) is zelfkennis
als de kennis van de geest van zichzelf.
Spirituologie als zelfkennis betreft de kennis van de eeuwige waarden en eigenschappen van de
geest. Door deze kennis op zichzelf toe te passen, kan de geest
de eigenschappen van zichzelf als geest verwerkelijken en zich vervolgens
met de geestelijke oorsprong, de algeest, herenigen.
Spirituologie is een wetenschap (geesteswetenschap), omdat wie nu zichzelf
als geest verwerkelijkt en tot hereniging komt, tot dezelfde ervaringen
en wereldbeschouwing komt als zij, de mystici, die dit in het verleden
hebben bereikt. Er is van wetenschap sprake als bepaalde veronderstellingen
proefondervindelijk worden bevestigd en vervolgens anderen proefondervindelijk
tot dezelfde slotsom komen.
Het unieke van spirituologie als wetenschap is, dat het de enige wetenschap
is, waarbij het onderwerp van die wetenschap de onderzoekende geest
zèlf is. Het bewijs van de waarde ervan is daardoor ook alleen
door de naar wetenschap strevende geest ìn zichzelf te ervaren.
Het woord 'kunde' in 'geestkunde' geeft aan dat het een wetenschap is, die kan worden
toegepast, met als duidelijk ervaarbaar gevolg de omvorming van
de eigen geestesgesteldheid. Een 'kundig' iemand beschikt niet alleen
over kennis, maar ook over de bekwaamheid die kennis toe te passen.
Bij veel levensbeschouwingen wordt wel gesproken over het geestelijke
licht, maar niet over de geestelijke warmte. De geestelijke
warmte is de bron van het licht en die warmte is als kracht
de kern van het al. De geest als bewuste levenskracht, die zich voordoet
als lichtende warmte, is de grondslag. Kernachtiger dan dat,
is er niets; dieper dan dat, gaat er niets; hoger dan dat, reikt
er niets.
Naast spirituologie zijn er drie schrijvers, die uitgebreid en met
elkaar overeenkomend over licht èn warmte schrijven: Jacob
Lorber, Emanuel Swedenborg en Jan van Ruusbroec. Spirituologie (geestkunde) vult
hen aan en breidt hen uit door te laten zien, dat het licht en de
warmte in twee, tegenovergestelde toestanden kunnen voorkomen: de
ontvankelijke, vormbare, vrouwelijke toestand en de doordringende,
zelfvormende, mannelijke toestand. Hiermee hangen de geestelijke
vermogens samen:
waarnemen is vormbaar licht,
denken is zelfvormend licht,
voelen is vormbare warmte,
willen is zelfvormende warmte.
Met deze vermogens heeft de goddelijke algeest het al geschapen
en met de eigenschappen van deze vier vermogens en hun in- en
uitgekeerde instelling in de menselijke geest, is de betekenis van het al als een volstrekt
samenhangende eenheid te begrijpen.
(terug
naar index)
- stof
- Stof is een verdichtingstoestand
van het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de algeest.
De meest ijle, niet verdichte toestand is die van de ongevormde
oertoestand van de goddelijke algeest. Binnen zichzelf vormt God
vanuit die toestand nieuwe werelden, door nieuwe graden van verdichting
te vormen van Gods eigen licht en warmte. Iedere wereld is opgebouwd
uit Gods licht en warmte in een eigen verdichtingstoestand en strekt zich uit in de eeuwige oneindigheid.
De wereld die de stoffelijke wereld wordt genoemd, is de meest verdichte
toestand. In deze wereld wordt door de bewoners ervan de toestand
van verdichting van Gods licht en warmte 'stof' genoemd. In deze
wereld zijn Gods denkbeelden, die lichtbeelden zijn, verdicht tot
stoffelijke vormen. Daar deze wereld door het goddelijke denken
is gevormd, is vanuit deze wereld door de menselijke geest ook weer
terug te denken naar God toe. Dat deed Einstein in feite en hij
kwam zodoende tot de formule, waarin de eenheid tussen stof (m=materie),
licht (c=lichtsnelheid) en warmte (E=energie) is vastgelegd: E=mc2 (de energie van een massa is die massa maal de lichtsnelheid in het kwadraat).
De natuurwetenschap legt zichzelf de beperking op alleen de stoffelijke
zijde van de schepping te bestuderen. Het woord 'natuur' hangt echter
samen met het Latijn 'nasci': geboren worden. De 'natuur' is datgene,
wat geboren is en uiteindelijk geboren uit Gods geest. De stof is
uit de geest voortgekomen en draagt er daardoor de eigenschappen van.
De natuurwetenschap kan niet anders dan langs de omweg van de stof
die zij bestudeert, het bestaan van de uitgangspunten van de geesteswetenschap
- de eigenschappen van de geest - bevestigen.
In sommige levensbeschouwingen wordt gesteld dat 'de stof een illusie
is'. Illusie komt van Latijnse werkwoord 'inludere' en betekent
'erin spelen' of 'een spel met zich laten spelen'. Niet de stòf
speelt echter een spel, maar het is de menselijke geest zèlf,
die 'een spel met zich laat spelen' door te dènken dat de
stof alles is wat er is. Deze mening wordt veroorzaakt door de aanvangstoestand
van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, waardoor
waarden worden omgekeerd. Door die omkering van waarden wordt niet
meer gezien, dat de géést alles is wat er is. De illusie
wordt veroorzaakt door de houding van de menselijke géést.
De stof zelf is niet een illusie, maar de stof is Gods tot vastheid
verdichte goddelijke licht en warmte, door God uit liefde in die
toestand gehouden om de menselijke geest de gelegenheid te geven
in vrijheid en op eigen kracht te groeien naar geestelijke zelfstandigheid.
Dat is het verheven doel waarom God de stoffelijke schepping schiep;
niet om 'de stof voor de mens een illusie te laten zijn'.
Het begrip 'stof' wordt ook wel aangeduid met het woord 'materie', dat samenhangt met het Latijnse 'mater': moeder. Dit is weer afkomstig van het Sanskriet 'mater', dat 'bron' betekent als datgene, waaruit iets anders is voortgekomen. Dat, wat uit die bron is voortgekomen, is de 'natuur', een woord dat samenhangt met het Latijn 'nasci': geboren worden. Met andere woorden: de natuur (nasci) is uit de materie (moeder) geboren, ofwel: de schepping (natuur) is uit God als moeder (mater) geboren. Later, toen de wetenschap zich ging beperken tot de zichtbare helft van schepping en zich 'natuurwetenschap' noemde, is het inzicht in deze samenhang geheel verloren gegaan.
(terug
naar index)
|
|