|
Verklarende
woordenlijst T |
| |
- taal
- Als de menselijke geest in
zichzelf werkzaam is, is de kracht om werkzaam te kunnen zijn afkomstig
van de rustige, eeuwige beweging van de geestelijke warmte in de geest. Door die
kracht is de geest in staat vorm te geven aan de beweging van het
geestelijke licht in de geest, waardoor in de geest lichtbeelden worden gevormd.
Deze lichtbeelden zijn denkbeelden, die niet alleen worden gekenmerkt
door licht, maar ook door geluid. De geest als levenskracht
is een warmtetrilling, die niet alleen een lichttrilling
kan voortbrengen, maar ook een geluidstrilling, een klank.
Als de geest een taal heeft geleerd, dan wordt deze klank gevormd
naar de woordenschat van die taal. Ieder denkbeeld dat de geest in
zichzelf vormt, doet zich dan voor als een lichtbeeld met een erbij
behorende klank, een woord. Het vormen van woorden is een wezenlijke,
geestelijke werkzaamheid. Woorden zijn een onmiddellijke weergave
van de scheppende werkzaamheid van de geest. Doordat de menselijke geest
dit vermogen rechtstreeks uit de goddelijke geest heeft ontvangen,
heeft het verschijnsel taal een goddelijke betekenis.
Door gebruik te maken van het strottenhoofd en de mond is de geest
in staat de klanken, die de geest eerst in zichzelf heeft gevormd, vervolgens naar buiten toe
te uiten en ook tot klinken te brengen in de ruimte van de stoffelijke
wereld. Wat door het spreken in de buitenwereld hoorbaar is, is een onmiddellijke weergave van wat er een ogenblik daarvoor in het innerlijk van de geest door het denken en het voelen heeft geklonken als de eigen, innerlijke stem.
Het vermogen om een taal te spreken en te schrijven is een goddelijke
gave en is het daarom waard, er zorgvuldig mee om te gaan.
(terug
naar index)
- tau (dao)
- In de Chinese zinnebeeldige beeldtaal bestaat het karakter van het woord 'tau' uit de karakters voor 'hoofd' en 'gaan'. Aan de ene kant hangt het begrip 'hoofd' samen met 'bewust' en 'gaan' met 'kracht', waardoor tau 'bewuste kracht' betekent (terwijl in geestkunde 'geest' wordt omschreven als de 'bewuste kracht'); aan de andere kant hangt het begrip 'hoofd' ook samen met 'geest' en 'gaan' met 'weg', waardoor tau ook de betekenis 'geestelijke ontwikkeling' heeft. Het woord 'tau' wordt in de I Tjing zowel gebruikt voor de geest zelf, als ook voor een wezenlijk kenmerk van de geest, namelijk de 'ontwikkeling van de geest'.
De I Tjing vermeldt: "De wijzen stelden het tau van de Hemel vast en noemden het het donkere (zie 'jin', de donkere koelte (schaduwrijke koelte)) en het lichte (zie 'jang', de lichtende warmte). Zij stelden het tau van de Aarde vast en noemden het het weke (het doordringbare, vrouwelijke) en het vaste (het doordringende, mannelijke). Zij stelden het tau van de mens vast en noemden het de liefde (voelen) en de rechtvaardigheid (denken)".
"In de verandering ligt de grote oeraanvang (tau). Deze verwekt de beide oerkrachten (jin en jang). De beide oerkrachten verwekken de vier beelden, de vier beelden verwekken de acht tekens". Deze tekens zijn een uitbeelding van de geest en de vermogens (zie aldaar): Tjièn en Koen vormen samen de geest, Kan is het willen en Li het waarnemen; Tsjen is het denken en Soen het voelen; Ken is de ingekeerde en Twéi de uitgekeerde instelling. De I Tjing zegt: "Kan en Li vullen elkaar aan; Tsjen en Soen storen elkaar niet; Ken en Twéi staan met elkaar in verbinding (een beschrijving van de evenwichtig samenhangende en elkaar aanvullende vermogens); zo alleen is verandering en vorming mogelijk en kunnen alle dingen worden voltooid. Dit is de werking van de zes oertekens (de werking van de vier vermogens en de twee instellingswijzen). Deze werking is de werking van het geestelijke, de kracht, die zijn bestaan bewijst door de verschillende werkingen". "De geest is op geheimzinnige wijze in alle wezens werkzaam".
"Het Scheppende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door standvastigheid. Verhevenheid gaat samen met liefde (voelen). De verhevenheid is van al het goede het hoogste. Het welslagen is het samenvallen met het schone (waarnemen). Het bevorderende is de overeenstemming van al het goede en rechtvaardige (denken). De standvastigheid is de grondlijn van alle handelingen (willen)".
"De edele leert om ervaringen te verzamelen (waarnemen), hij vraagt om het te schiften (denken en voelen), zo wordt hij ruim in zijn wezen (denken) en liefdevol (voelen) in zijn handelen (willen)".
"De edele ontwikkelt zijn karakter (geestelijke ontwikkeling) en werkt (willen) aan zijn opgave. Trouw en geloof (voelen) zijn het waardoor hij zijn karakter ontwikkelt. Zorgvuldige keuze van woorden, zodat ze vast op waarheid berusten (denken), dat is het, waardoor hij het werk duurzaamheid verleent".
"Door het boek brachten heilige wijzen hun wezensaard op een hoger plan (zelfverwerkelijking) en vergrootten hun arbeidsveld (hereniging)". "Doordat de mens op deze wijze aan Hemel en Aarde gelijk wordt (hereniging), komt hij niet in strijd met hen. Zijn wijsheid omvat alle dingen, zijn tau ordent de hele wereld en hij vermag liefde te geven". "De I Tjing bevat de maat van Hemel en Aarde. Daardoor kan men daarmee het tau van de Hemel en de Aarde begrijpen en ordenen" (in zichzelf verwerkelijken).
Dit is een kleine samenvatting van kernpunten uit de I Tjing, waaruit blijkt dat geestkundige ervaringen en inzichten van oeroude tijden zijn. De titel van het boek wordt meestal vertaald met 'Het boek (Tjing)der veranderingen (I)'. Maar uit de strekking van het boek blijkt dat al die veranderingen één doel hebben: de groei van de geest. I Tjing betekent daardoor in wezen: 'Het boek van geestelijke ontwikkeling'.
(terug
naar index)
- tegendelen
- In de oorspronkelijke, rustende eenheid zijn in aanleg de tegendelen aanwezig, waardoor de oorspronkelijke eenheid werkzaam kan worden en kan scheppen.
De tegendelen waaruit de schepping daardoor is opgebouwd, worden gevormd door twee zelfstandigheden, die samen weer de oorspronkelijke eenheid vormen. Deze twee zelfstandigheden zijn tegendelen van elkaar, wanneer zij evenwichtig met elkaar kunnen samenwerken door elkaars werking aan te vullen. Twee tegendelen kunnen elkaars werking aanvullen, wanneer het ene deel bezit wat het andere mist en omgekeerd.
Een rustende kracht komt pas in werking als er sprake is van tegendelen. Water gaat stromen als er sprake is van hoog en laag, lucht gaat waaien als er sprake is van hoge en lage druk, electriciteit gaat stromen als er sprake is van positief en negatief, politiek wordt levendig als er sprake is van links en rechts. Als de tegendelen zijn opgelost, houdt de kracht op werkzaam te zijn en komt weer tot rust; maar ook beweging en rust zijn weer tegendelen van elkaar.
De grondslag van het verschijnsel tegendelen zijn het mannelijke
en het vrouwelijke, doordat God de tegendelen het mannelijke (zie aldaar) en het vrouwelijke (zie aldaar) in zichzelf tot aanschijn bracht en in zichzelf scheppend werkzaam liet zijn, en daardoor als vader en moeder de schepping schiep. Alle andere tegendelen in de schepping zijn daardoor uit het mannelijke en het vrouwelijke afgeleid. Het mannelijke en het vrouwelijke is de grondslag van het verschijnsel 'tegendelen'.
Gods scheppende werkzaamheid door de samenwerking van de tegendelen komt het duidelijkst tot uiting in de eigenschappen van de geslachtscellen. Bij de bevruchting is de vrouwelijke geslachtscel, de eicel, er als eenling, ze is groot, onbeweeglijk en doordringbaar; de mannelijke geslachtscel, de zaadcel, is er als veelheid en hij is klein, beweeglijk en doordringend. De eicel blijft binnen, de zaadcel komt van buiten. Dit scheppende gebeuren komt overeen met de bouwsteen van de stoffelijke schepping: het atoom. Ook daar is één grote, rustende kern aan de binnenkant met daar omheen vele, kleine maar zeer beweeglijke electronen aan de buitenkant.
Het samenspel tussen het mannelijke en het vrouwelijke als oervorm
van tegendelen is als volgt als een balspel te beschrijven, waarbij
de bal de heen en weer gaande aandacht en toewijding is. De mannelijke
geest wil de bal spelen vanwege het handelen; de vrouwelijke geest
wil de bal opvangen vanwege het ontvangen. De vrouwelijke geest speelt
vervolgens de bal om weer te kunnen ontvangen; de mannelijke geest
ontvangt vervolgens de bal om weer te kunnen spelen. Bij de een valt
de nadruk op het spelen, bij de ander op het ontvangen, maar doordat
de een ook kan ontvangen en de ander ook kan spelen, blijft de bal
op een evenwichtige wijze heen en weer gaan en ontstaat er samenspel. Hun samenspel krijgt daardoor de kenmerken van de kringloop, een duurzaam zichzelf in stand houdende beweging, op dezelfde wijze als dat ook met de werkzaamheid van de vermogens in de geest zelf het geval is.
Hoe meer beiden hetzelfde willen doen, hoe minder er van samenspel
sprake is; er ontstaat dan een strijd door wedijver. Hoe meer beiden de taken verdelen, hoe meer zij zich uit liefde voor elkaar kunnen inzetten en hoe inniger hun samenspel wordt.
Wat hier wordt beschreven, is de betekenis van het woord 'huwelijk'.
Dit woord komt van de oude woorden 'huwen': de echtgenoten; en 'laika': samenspel.
Het huwelijk betekent 'het heilige samenspel van de beide echtgenoten'.
Het huwelijk verwijst naar het heilige samenspel van God als vader
en moeder, die als oertegendelen de grondslag van de schepping zijn.
Wat als eerste uit hun heilige samenspel voortkomt is de mensheid,
die samen met God als vader en moeder de godheid als het goddelijke
gezin vormen.
Eenzelfde kringloop die wordt veroorzaakt door de afwisseling van
de tegendelen is er onder andere ook in de natuur te herkennen. De
zon als vuur verwarmt het water in de zee, waardoor
dit verdampt en door de warme, opstijgende lucht omhoog wordt
gevoerd. In koudere luchtlagen verdicht de damp zich tot wolken, die
door de wind worden voortgeblazen. Ontmoeten de wolken boven de aarde
bergen, dan komen zij in hogere, koudere luchtlagen, waar zij zich
verder verdichten en als regendruppels naar beneden vallen. Op aarde
verzamelt het water zich in rivieren, die van de bergen afstromen
naar zee, waar het water weer door de zon wordt verwarmd. Zo ontstaat
ook hier een kringloop door de evenwichtige afwisseling van tegendelen:
warmte/koude, verdunnen/verdichten, wolken/rivieren, opstijgen/neerdalen.
Zoals beschreven bij de werkzaamheid van de vermogens betekent dit:
leven.
Eenzelfde soort van kringloop is te herkennen in zaden die ontkiemen
en opgroeien tot planten, die tot bloei komen en daardoor opnieuw
de zaden vormen, die later weer kunnen ontkiemen.
De tegendelen het goede en het kwade zijn een
uitzondering op alle andere tegendelen. Met het goede en het kwade wordt een hoed´nigheid beschreven van alle andere tegendelen. Met het 'goede' wordt aangeduid: de als een éénheid evenwichtig samenwerkende en elkaar
aanvullende tegendelen. Met het 'kwade' wordt aangeduid: de toestand
waarin de tegendelen niet evenwichtig samenwerken en elkaar niet aanvullen.
De tegendelen gaan dan een tegenstelling vormen, die op den
duur kan uitgroeien tot een tegenstrijdigheid.
De oorzaak van het kwade is gelegen in de noodzaak, dat de menselijke
geest naar eigen vrije keuze en op eigen kracht zich moet ontwikkelen
om de goddelijke geestesgesteldheid te bereiken, waarin de menselijke
geest op een evenwichtige wijze gebruik maakt van de tegendelen in
zichzelf: de eigen geestelijke vermogens. In de aanvangstoestand van
deze ontwikkeling maakt de menselijke geest nog niet op een evenwichtige
wijze een bewust en beheerst gebruik van de eigen vermogens. Die aanvangstoestand,
de toestand van onbewuste vereenzelviging, bewuste vereenzelviging
en eenzijdige vereenzelviging (zie aldaar) is de oorzaak van het kwade.
Is de goddelijke geestesgesteldheid verwerkelijkt, dan is er uitsluitend
nog het goede en is het kwade alleen denkbeeldig aanwezig als een mogelijk tegendeel.
(terug
naar index)
- tijd
- De tijd is de stroom van gebeurtenissen,
waardoor de geest ervaringen opdoet. Door de noodzaak deze ervaringen
te verwerken om staande te kunnen blijven in de druk, die de kracht
van die stroom op de geest uitoefent, leert de geest uit zichzelf
zijn vermogens bewust en beheerst te gebruiken. De stroom van ervaringen
zet de geest ertoe aan werkzaam te worden.
Doordat de geest zichzelf staande moet houden, wordt de geest 'zelf-standig',
zelf staande. Die persoonlijke zelfstandigheid is het doel van de
geestelijke ontwikkeling. De tijd als stroom van gebeurtenissen levert
de noodzakelijke leerstof die de geest nodig heeft om te kunnen groeien
door de geestelijke vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken.
Het tijdelijke bestaan is daardoor een onmisbare leerschool voor de
menselijke geest om zichzelf op eigen kracht en door eigen ondervinding tot ontwikkeling te brengen. Doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het omgaan met dat soort ervaringen.
Alle stof is oefenstof, oefenstof voor de geest. Dat is het doel en
de zin van dit stoffelijke, tijdelijke bestaan: het is een leerschool
voor de geest om de goddelijke eigenschappen, waarover de geest in
aanleg beschikt, naar eigen vrije keuze en op eigen kracht te kunnen ontwikkelen. Zonder de
tijd zou die stroom van gebeurtenissen er niet zijn. Tijdelijkheid
is daarom een onvermijdelijk vereiste voor geestelijke groei. De menselijke
geest krijgt op aarde de tijd om zich te kunnen ontwikkelen.
Het woord 'tijd' hangt samen met het Gotische 'timan': indelen. Het geeft aan dat het tijdsbesef ontstaat door regelmatig terugkerende gebeurtenissen. Het woord 'tijding' betekent de beschrijving van een bepaalde gebeurtenis.
(terug
naar index)
- tweelinggeesten
- Als de goddelijke algeest vanuit de rustende, òngevormde oertoestand werkzaam wordt, verschijnt de algeest in de allereerste vorm als de geestgedaante van de heilige geest van God. Deze heilige geest is een eenheid van twee geesten, die volkomen in elkaar zijn opgegaan. De heilige geest van God is de eenheid van God als vader en God als moeder in de gevòrmde, werkzame toestand.
Als beiden scheppend werkzaam worden, bedenkt God als vader in zijn wijsheid als eerste het denkbeeld van henzelf en God als moeder belevendigt dat denkbeeld met haar liefde. In dat denkbeeld komt het wezen van henzelf tot uitdrukking, wat betekent dat door hun scheppende werkzaamheid een wezen wordt geboren in de vorm van een tweelinggeest. Vanuit de goddelijke geest is dit wezen een zoon/dochter. Naar elkaar toe zijn de tweelinggeesten zowel broeder en zuster, man en vrouw.
Naar het beeld van God is de mens als een tweelinggeest als man en vrouw geschapen.
Iedere menselijke geest is de helft van een tweeling, die tijdens de eeuwenoude ontwikkeling door verschil in groeisnelheid uit elkaar zijn geraakt; maar die uiteindelijk allen elkaar weer zullen vinden, waarna het huwelijk wordt gesloten, 'dat geen mens verbreken kan'.
Zie ook: schepping, liefde oorzaak van de.
(terug
naar index)
|
|