|
Verklarende woordenlijst
V |
| |
- verdriet
- Verdriet is een gemoedsgesteldheid
in de geest zelf, die wordt gekenmerkt door onaangename gevoelens
van ontstemming. Deze onaangename gevoelens worden veroorzaakt
door afkeer van het gedrag van bepaalde personen of weerzin tegen bepaalde ervaringen doordat er iets gebeurt, wat de geest niet wil.
Die onaangename gevoelens hangen samen met de geestelijke warmtetoestand die door de verdrietige ervaring zodanig is geremd en bekoeld, dat het geestelijke licht dat uit de warmte voortkomt, erdoor vermindert. Dat heeft een vermindering van de geestelijke uitstraling tot gevolg, waardoor de geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door somberheid.
De geest is in deze verdrietige gemoedsgesteldheid terechtgekomen,
doordat een bepaald streven niet is gelukt of een bepaalde verwachting niet is uitgekomen. De geest voelt zich daardoor ongelukkig en teleurgesteld. De geest voelt zich afgesneden van bepaalde verwachtingen en voelt daardoor 'teleur-stelling', voelt zich 'teloor-gegaan'. De geest voelt zich verloren en aan zichzelf overgelaten door de loop van het lot.
Dit heeft tot gevolg dat de geestkracht niet meer uitstraalt, maar
'inzinkt' in zichzelf, waardoor de gemoedsgesteldheid min of meer in een 'inzinking'
terecht kan komen. De geest kan zich daardoor niet meer naar buiten keren, trekt zich uit de buitenwereld terug en wil alleen worden gelaten met het verdriet (zie ook: vreugde).
(terug
naar index)
- verdringing
- Verdringing is een onbewuste handeling, waarmee de geest tracht onaangename, kwetsende ervaringen van zich af te zetten, door het bestaan ervan te ontkennen of de waarde ervan door redenering te verkleinen.
Onaangename levenservaringen in de vorm van persoonlijke, gevoelsmatige kwetsingen, kunnen door de geest uit het bewustzijnsveld worden verdrongen, doordat de geest tracht zich ervoor af te sluiten. De geest wil zich ervoor afschermen, vlucht ervoor weg door de aandacht krampachtig op een ander onderwerp te richten en er daardoor niet meer aan te hoeven denken. Ook kan een poging worden ondernomen de herinnering te doven door zich als geest los te maken van het stoffelijke deel van het geheugen, dat in de hersenschors aanwezig is; dit losmaken wordt bewerkstelligd door de hersenschors te vergiftigen met alcohol, drugs of harde muziek.
Aan het bééld van de ervaring wordt door de verdringing geestkracht onttrokken, waardoor het beeld langzaam vervaagt en op de rand van het bewustzijnsveld terecht komt of erbuiten raakt. Toch kan een vaag gevoel van onlust dat er iets onaangenaams is gebeurd, blijven bestaan en de gemoedsgesteldheid teneer drukken. Het lukt alleen niet meer dat onlustgevoel onder woorden te brengen of de persoon voelt een weerstand dat te doen, veroorzaakt door de verdringing. Het humeur kan daardoor zonder aanwijsbare oorzaak blijvend somber worden.
De geest tracht die ervaringen van zich af te zetten of móet ze van zich af zetten, omdat het leven verder gaat. Dat lukt het beste als de aandacht wordt gericht op afleidende bezigheden, redeneringen of gebeurtenissen in de buitenwereld; maar doordat dit een wilshandeling is, kost dat geestkracht, wat de geest vermoeit.
Ook kan de ervaring worden vervangen door een min of meer met het voorval overeenkomende gedachte, die door algemene geldigheid wordt gekenmerkt, zodat het persoonlijke aanzicht van de kwetsende ervaring niet meer hoeft te worden gezien. Is de
persoon bijvoorbeeld gekwetst door het gedrag van een leraar, dan
wordt de aandacht gevestigd op de algemene gedachte dat leraren
zich onopvoedkundig gedragen, waardoor de aandacht van de persoonlijke
ervaring wordt afgeleid.
Afhankelijk van de kracht waarmee verdringing gebeurt, kan de verdrongen
en daardoor onverwerkte, kwetsende ervaring een inhoud van
het toegankelijke of van het ontoegankelijke geheugen worden. Al
is de ervaring dan vergeten, verdwenen is ze niet. De geest blijft
alle ervaringen onvermijdelijk met zich meedragen in de eigen uitstraling,
de ziel en ze blijven daardoor ook altijd met de geest verbonden.
Alle ervaringen behoren te worden verwerkt, wil de geest los kunnen
komen van die ervaringen. Wordt een ervaring niet verwerkt, dan
blijft die ervaring als een inhoud van de ziel min of meer bewust
met de geest verbonden die er daardoor mee blijft zitten, totdat later door een uitgestelde verwerking, maar dan vaak met hulp van anderen, de geest alsnog leert een bewuste houding
tegenover die ervaring aan te nemen.
Doordat de verdrongen en daardoor onverwerkte ervaring met de geest
verbonden blijft en op verwerking wacht, duikt die ervaring op onverwachte
wijze altijd weer op, maar dan in de vorm van een zinnebeeldige
afbeelding ervan in dromen, dagdromen, dwanggedachten en
dwanghandelingen of als regelmatig terugkerende, bijzondere ervaringen
of ontmoetingen in de buitenwereld.
Het verschijnsel verdringing kan zich niet alleen voordoen bij kwetsende gebeurtenissen uit het verleden, maar ook als die in de toekomst zouden kunnen gebeuren. Dit is bijvoorbeeld te zien bij angst voor een bepaalde ziekte. De geest 'wil het niet weten' en kan daardoor besluiten niet naar een arts gaan in een poging te ontkennen dat er er wat aan de hand is. De geest wil de waarheid niet onder ogen zien en sluit zich af voor de werkelijkheid door geruststellende redeneringen of de aandacht af te wenden.
In tegenstelling tot gevoelsmatig kwetsende of bedreigende ervaringen kunnen gedachten
niet worden verdrongen. Het denken is er juist op gericht een onderwerp
in de geest vàst te houden tot het is verwerkt. Een kwetsende ervaring
echter is een bedreiging voor het zelfgevoel, waar de geest zich door verdringing
tegen wil beschermen door de aandacht op iets anders te richten
om zo staande te kunnen blijven.
(terug
naar index)
- vereenzelviging
- Vereenzelviging betekent:
'zich tot eenzelfde maken', zich eenzelfde voelen als ... . Het is de geestestoestand
van overdracht, waarin de geest door onbewustheid van zichzelf,
meent een en hetzelfde te zijn als dat, wat de geest omgeeft. Wat
de geest omgeeft, zijn de inhouden van de ziel, het lichaam en de
personen, stoffen en omstandigheden in het tijdelijke bestaan.
Vereenzelviging is het tegendeel van zichzelf zijn. Het is de geestesgesteldheid,
waarin door overdracht alle aandacht en toewijding opgaan in iets
anders en de geest daardoor volledig aan het bestaan van zichzelf voorbijgaat.
Vereenzelviging is daardoor het tegendeel van zelfbewustwording
en zelfverwerkelijking.
Wil de geest tot zichzelf kunnen komen en zichzelf willen verwerkelijken, dan moet de geest zich eerst bewust worden van deze remmende toestand en zich er door bezinning
op zichzelf en door onthechting uit willen bevrijden.
Vereenzelviging wordt ook wel aangeduid met het Latijnse leenwoord
'identificeren'. Dit is een samentrekking van 'idem facere' en betekent:
'eenzelfde maken'. Zich 'tot een zelfde maken' betekent echter 'opgaan in
iets anders', wat altijd ongunstig is voor geestelijke groei.
Doordat de betekenis van leenwoorden vaak niet duidelijk is, wat verwarring
veroorzaakt, wordt ook wel gesproken over 'zelfidentificatie'. Gezien
de betekenis van 'identificatie' houdt deze nieuwvorming een tegenstrijdigheid
en onmogelijkheid in. Het betekent namelijk: zelf zich tot eenzelfde-maken. Zich vereenzelvigen is echter juist 'overgaan in iets anders', waardoor het doel van de vereenzelviging nooit de zich vereenzelvigende geest zèlf kan zijn. Wat wordt bedoeld is: zelfbewustwording, bewustwording van zichzelf als geest, als 'de persoon'.
(terug
naar index)
- vereenzelviging,
bewuste
- De onbewuste vereenzelviging
is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid, waarmee
iedere geest aan het tijdelijke bestaan begint. Op sommige gebieden
van het bestaan kan de onbewuste vereenzelviging uitgroeien tot
een bewuste vereenzelviging. Het is de geestestoestand, waarin de
geest zich bewùst is geworden van het bestaan van de vereenzelviging
met een bepaalde persoon, beroep, zaak, voorwerp, aangename levensomstandigheden
of lustopwekkende stoffen. Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid.
In de toestand van bewùste vereenzelviging is de geest is tot het besèf gekomen een gevangene te zijn van iets anders buiten de geest en er als het ware door in hechtenis te zijn
genomen. Het lijkt alsof dat andere waar de gehechtheid zich op richt de baas is geworden over het gedrag. In werkelijkheid is de oorzaak het gebrek aan zelfbewustzijn
en zelfbeheersing van de geest zelf.
Hoewel de geest al wel wéét heeft gekregen (waarnemen)
van de toestand van afhankelijkheid door vereenzelviging, heeft
de geest die toestand - nog - niet in de hand (willen). Door het nog
onbeheerst zijn van de wilkracht wordt er juist met kracht gestreefd
naar bevrediging van de verlangens, die met de gehechtheid samenhangen.
De geestelijke vermogens bevinden zich in de zelfgerichte toestand (zie: zelfzucht).
(terug
naar index)
- vereenzelviging,
eenzijdige
- De eenzijdige vereenzelviging
is de geestestoestand waarin de geest zich heeft vereenzelvigd met
één vermogen van een paar van tegendelen. Bijvoorbeeld
met het denken als het de tegendelen denken en voelen betreft of
met het willen als het de tegendelen waarnemen en willen betreft.
Denken en voelen zijn tegendelen van elkaar, doordat de geest door
het denken twee záken met elkaar verbindt, terwijl het voelen een
persoonlijke verbinding tot stand brengt tussen twee géésten. Waarnemen
en willen zijn tegendelen van elkaar, doordat de geest door het
waarnemen de buitenwereld op zich laat inwerken, terwijl de geest
door het willen omgekeerd op de buitenwereld inwerkt.
Door de eenzijdige vereenzelviging met een van de vermogens kan
de persoonlijkheid uitgroeien tot eenzijdigheid, waarbij één
der vermogens de nadruk krijgt en de sterke kant van de persoonlijkheid
wordt. Het gedrag wordt dan voornamelijk gekenmerkt door de eigenschappen
van dat vermogen.
Het andere vermogen komt niet voldoende tot ontwikkeling en wordt
de zwakke zijde van de persoonlijkheid. Dat betekent dat de persoonlijkheidstrekken
van dat vermogen, die voor een evenwichtige persoonlijkheid onontbeerlijk
zijn, vaak op storende, pijnlijke wijze ontbreken. Ook het ontbreken
van die eigenschappen bepaalt mede de persoonlijkheid.
Betreft de eenzijdigheid bijvoorbeeld het denken, dan kan de geest
zich wel goed in de denkende toestand brengen en zich in die toestand
houden, maar niet of met moeite in de voelende toestand, wat de
tegenovergestelde toestand is. Dit heeft een koele, afstandelijke,
zakelijke houding tot gevolg (zie de beschrijvingen van de eenzijdige persoonlijkheden: in- en uitgekeerd waarnemen, in- en uitgekeerd denken, in- en uitgekeerd voelen, in- en uitgekeerd willen; en de ontwikkelde persoonlijkheid).
(terug
naar index)
- vereenzelviging,
onbewuste
- De onbewuste vereenzelviging
is de geestestoestand waarin de geest zich niet bewust is van het
bestaan van de vereenzelviging met de omgeving. De geest is in die toestand
niet zichzelf, maar beseft dat niet.
Als de geest vanuit de geestelijke wereld in de stoffelijke wereld
overgaat en in een lichaam wordt geboren, verliest de geest het
bewustzijn van zichzelf dat in de geestelijke wereld aanwezig was.
Dit wordt veroorzaakt door de onderdompeling in het tegendeel van
zichzelf, de stof. Daardoor is de geest zich niet bewust van zichzelf
en ook niet van de werkzaamheid van de eigen vermogens. Daarentegen
beginnen geesten in de omgeving, de opvoeders, in te werken op de
pas in het nieuwe lichaam geboren geest, om deze te wekken uit de
toestand van onbewustheid.
Nu is een 'werkelijkheid': 'datgene, wat werkt'. De pasgeboren
geest wordt wel bewust door inwerking uit de omgéving, maar is
zich nog niet bewust van de eigen, innerlijke werkelijkheid, die
samenhangt met de werking van de eigen vermogens. Er is alleen de
omgéving die wèrkt en daardoor het bewustzijn van de geest
wekt, waardoor de geest het bestaan begint met de ervaring en de
bewustwording, dat de omgéving de werkelijkheid is.
Onbewust van zichzelf draagt vervolgens de pas in het lichaam geboren
geest het eigen besef van werkelijkheid over op de omgeving. Deze
overdracht heeft de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke
bestaan tot gevolg. Door dit gebeuren is de geest voor zichzelf een ònwerkelijkheid
en bestaat alleen de stoffelijke wereld als een werkelijkheid. In
deze toestand lijkt de geest op het oog, dat al ziende zichzelf
niet ziet. Doordat de geest alle aandacht en toewijding op de omgeving
overdraagt, voelt de geest zich één met het stoffelijke
bestaan en het is daardoor dat wordt gedacht, dat 'dit alles is
wat er is'.
Door deze onbewuste vereenzelviging met wat de geest zelf niet is,
worden waarden omgekeerd en wordt de waarde van het stoffelijke
boven het geestelijke verheven. Daardoor heeft de geest voor het
stoffelijke alle belangstelling, maar gaat aan zichzelf, het wézenlijke,
onbewust voorbij.
De zin van het bestaan kan daardoor in uiterlijke omstandigheden
komen te liggen en in het verwerven van aanzien en bezit, in plaats
van in geestelijke ontwikkeling, wat de werkelijke zin van dit bestaan
is. Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, ziet de
geest ook alleen dit bestaan en blijft de gééstelijke
werkelijkheid verborgen; maar daardoor wordt in feite slechts de
helft van de werkelijkheid gezien - met alle gevolgen van dien voor
de beoordeling van de zin en de waarde van dit stoffelijke bestaan.
Deze onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke, met wat de geest
zelf niet is, is het kernvraagstuk van de menselijke geest. Het is hierdoor dat al die wederwaardigheden en moeilijkheden ontstaan, die de geest moet oplossen en er daardoor toe wordt aangezet een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de geestelijke vermogens.
Door de voortdurende moeilijkheden, die door het gedrag van de geest zelf en van anderen in deze aanvangstoestand worden veroorzaakt, kan de geest zich van die remmende aanvangstoestand bewust worden. Daardoor kan er een 'heilige onrust' ontstaan, een heilig verlangen, waardoor de geest wil gaan streven naar inzicht in zichzelf en naar bevrijding uit die aanvangstoestand door onthechting. Om dat te kunnen bereiken, moet de geest de vermogens bewust en beheerst gaan gebruiken, waardoor de geest steeds meer zichzelf verwerkelijkt.
De zin van die remmende aanvangstoestand is daardoor, dat zij de menselijke geest de mogelijkheid geeft zich van zichzelf bewust te worden en zichzelf eruit te bevrijden, en door dat werken aan zichzelf de eigen geestelijke zelfstandigheid verwerkelijkt.
(terug
naar index)
- verlangen
- Het werkwoord 'verlangen' hangt samen met het oude werkwoord 'langen', dat de betekenis heeft: pakken, grijpen. Het geeft aan dat de geest iets wil grijpen om het daardoor te kunnen bezitten.
Dat, wat het verlangen van de geest duurzaam kan bevredigen, is alleen datgene, wat met het wezen van de geest overeenkomt. Dit zijn de voortbrengselen van de geestelijke vermogens, zoals: schoonheid, wijsheid, liefde en geestkracht. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) echter, heeft de geest onbewust aandacht en toewijding overgedragen op de tijdelijke wereld, die alleen als doel heeft een leerschool te zijn voor geestelijke groei. Die tijdelijke wereld is voor de geest alleen een middel. Als de geest door onbewuste vereenzelviging daarmee van die wereld een doel maakt, gaat het verlangen van de geest naar iets onwezenlijks uit, dat niet met het wezen van de geest overeenstemt. Daardoor zal de tijdelijke wereld het verlangen van de onbewust vereenzelvigde geest nooit kunnen bevredigen.
(terug
naar index)
- vermogen
- Een kracht heeft het vermogen
om werkzaam te zijn. Als kracht 'vermag' de geest, heeft ook de geest het 'vermogen' werkzaam te zijn. Daar al het andere van deze werkzaamheid afhankelijk is, is de eigenschap 'kracht' te zijn, de meest wezenlijke eigenschap van de geest.
De werkzaamheid van de geest als kracht wordt gekenmerkt door het vermogen waar te nemen,
te denken, te voelen en te willen. Daarnaast heeft de geest het
vermogen de geestelijke werkzaamheid op zichzelf en het persoonlijke
bestaan te richten, wat de ingekeerde instelling is; of naar buiten
te keren, naar de maatschappij, wat de uitgekeerde instelling is.
De samenhang van de werkzaamheid van de vermogens is zodanig, dat
er een kringloop ontstaat: de geest wil blijven zien (waarnemen),
wat de geest doet (willen) en wat de gevolgen zijn van de genomen
besluiten (denken en voelen) en uitgevoerde handelingen (willen).
Doordat zo het eindpunt (de wilshandelingen) weer bij het beginpunt
(het waarnemen) terugkomt, stuwen de vermogens uit eigen noodzaak
zichzelf blijvend voort en ontwikkelen zich zo uit eigen oorzaak.
Door de eigenschappen van de vermogens is de geest in zichzelf een
eeuwigdurende kringloop: het eeuwige leven.
(terug
naar index)
- verpersoonlijking
- Verpersoonlijking is het overdragen van een kenmerk van de geest, van een karaktertrek of een verdrongen inhoud op een denkbeeld in de ziel of op een voorwerp in de buitenwereld. Daardoor verkrijgt dit denkbeeld of voorwerp een schijnbare, persoonlijke zelfstandigheid.
Zolang de eenheid van de geest en het onderscheid tussen geest en ziel niet wordt ingezien, doordat de menselijke geest nog onbewust is van zichzelf, bestaat er de neiging om een bepaalde karaktertrek of een onverwerkte, verdrongen ervaring uit het verleden, te verpersoonlijken.
Wanneer bijvoorbeeld in de jeugd onaangename ervaringen zijn opgedaan, die door de toenmalige onervarenheid nog niet konden worden verwerkt, kon er niet een juiste houding tegenover worden aangenomen. Vanwege het onaangename karakter ervan gaat de geest daarom, zonder dat zelf te beseffen, ertoe over die ervaring te verdringen; de geest wil er dan niet meer van weten. Maar juist door die verdringende houding blijft die ervaring toch met de geest verbonden. Door de onverwerktheid kan die ervaring nog niet worden geplaatst in de overige ervaringen en zo in het heugen worden opgeborgen. De geest raakt die ervaring dan niet kwijt, maar blijft die ervaring als een last op de schouders meedragen.
Door de onbewuste verbondenheid met de geest komt die oude ervaring iedere keer, als de geest in het heden in omstandigheden komt te verkeren die met vroeger overeenkomen, weer tot leven. Daardoor komt ook de geestesgesteldheid weer te verkeren in de toestand van de jeugd, in de kinderlijke toestand, de kinderlijke geestesgesteldheid. De geest gaat zich daardoor ook weer gedragen alsof de geest dat kind van vroeger nog steeds is. Dat deel van de persoonlijkheid is als het ware niet meegegroeid. Dat deel is onvolwassen gebleven en houdt de mogelijkheid in zich de geest te laten terugvallen in een onvolwassen, kinderlijke geestesgesteldheid. Doordat de verdrongen ervaring weer met de geest wordt verbonden, komt de geest in een toestand van lijdzaamheid te verkeren, waardoor het lijkt alsof de geest te maken krijgt met een zelfstandige tegenstander, die sterker is dan de geest zelf.
Er bestaat nu de neiging om die karaktertrek, namelijk de mogelijkheid in bepaalde omstandigheden terug te vallen in een kinderlijke geestesgesteldheid, 'het innerlijke kind' of 'het kind in je' te noemen. Een karaktertrek, een deel van de persoonlijkheid, wordt zo de waarde van een eigen zelfstandigheid toegekend. Het beeld dat de geest zo van zichzelf krijgt, is, dat de geest als de persoon als het ware nog een tweede persoon, met een eigen zelfstandigheid, met zich meedraagt. De geest loopt daardoor het gevaar er op een afstandelijke wijze over te spreken en niet duidelijk te beseffen, dat het alleen zichzelf betreft!
Op dezelfde wijze wordt de mogelijkheid uit te groeien tot een volwassen persoon overgedragen op het denkbeeld 'het Zelf' of wordt de onvolmaakte geestesgesteldheid overgedragen op het denkbeeld 'het lagere ik' of 'het ego'. De verpersoonlijking blijkt uit het spraakgebruik, dat 'het ego' iets kan denken en iets kan doen, alsof het een zelfstandige eenheid zou zijn; wat wordt aangeduid door van het persoonlijke voornaamwoord 'ik' een zelfstandig naamwoord te maken: 'het ik'.
Op dezelfde wijze vindt bij natuurvolkeren de verpersoonlijking plaats van een totempaal, een bepaald dier als zinnebeeld van de stam, een boom, een berg of de maan. Door de overdracht bestaat er in hun ogen een onwrikbare eenheid tussen deze voorwerpen en bepaalde, door hen vereerde of gevreesde godheden, die alleen als denkbeelden in hun innerlijke wereld bestaan.
(terug
naar index)
- verstand
- Het verstand is het denkvermogen
als de ontledende werkzaamheid, waardoor hoofd- en bijzaken van
elkaar worden gescheiden; het tegendeel is de rede als de verbindende
werkzaamheid.
Het denkvermogen als verstand is het vermogen om door denkarbeid
zin en betekenis van wat de geest waarneemt te kunnen 'verstaan',
te kunnen begrijpen. Door het denken als verstand kan de geest afstand
nemen tot het waargenomene en er toch een betrekking mee onderhouden,
zodat de geest het afstandelijk kan blijven bezien.
Met behulp van het verstand als ontledende denkwerkzaamheid kan
de geest inzicht krijgen in zaken en vraagstukken, en tegendelen van elkaar 'onderscheiden'. Door het indringende verstand kan de geest zich 'verdiepen' in de betekenis
van een bepaald onderwerp en kan daardoor 'ergens achter komen'.
Het betekent, dat dan inzicht is verkregen in de betekenis, die
achter het waargenomene verborgen ligt. Door de doordringende en
daardoor onder-scheidende werkzaamheid van het verstand wordt het
onderwerp 'duidelijk': het is te duiden; het onderwerp wordt doorzichtig,
helder en 'klaar', zodat de diepere betekenis kan worden 'verklaard'.
(terug
naar index)
- verwerkingsvermogen
- Het verwerkingsvermogen is het vermogen van de geest om door waarnemen, denken, voelen en willen de èigen houding tegenover onverwerkte ervaringen of nieuwe ervaringen zodanig om te vormen, dat zij kunnen worden aanvaard.
Ervaringen en ook onaangename ervaringen zijn feiten en kunnen niet worden veranderd; veranderen kan alleen de geest zichzelf door de eigen vormbaarheid, plooibaarheid. Alleen de geest zelf kan leren de kijk op de dingen te verruimen en de betekenis van alles wat gebeurt, te leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor kan het komen tot lotsaanvaarding en kunnen die ervaringen worden losgelaten. Daardoor wordt ook beseft dat alles, wat in het tijdelijke bestaan gebeurt, tijdelijk is. Er komen ook weer andere tijden.
Zelfs de meest ingrijpende en onaangename gebeurtenissen krijgen betekenis als wordt beseft, dat alle levenservaringen de geestelijke groei als doel hebben. Als de betekenis die levenservaringen hebben n&uacent; niet wordt gezien, dan wordt dat wel duidelijk als zij bij de naschouw na het overlijden vanuit de geestelijke wereld worden bezien. Zij worden dan samen met de geestelijke begeleiders in liefde beoordeeld en de zin ervan wordt besproken.
Voor wie dit door onwetendheid en ongeloof - veroorzaakt door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan - niet zo kan zien, zijn alle wederwaardigheden die de geest in dit tijdelijke bestaan kunnen treffen, zinloze rampen, die in feite onaanvaardbaar zijn en daardoor niet te begrijpen en niet te verwerken.
Ervaringen kunnen pas worden verwerkt, als ze eerst tot de geest zijn toegelaten door ze waar te nemen en zich er zo bewust van te worden. Zijn ze op deze wijze met de geest verbonden, dan kunnen ze verstandelijk worden behandeld met het denken, waardoor er inzicht kan worden verkregen in de betekenis van die ervaringen en er een redelijk oordeel over kan worden gevormd. Door ervaringen zodanig tot zich toe te laten dat er ook ook een gevoel door wordt opgewekt, kan de geest er een gevoelsoordeel over vormen. Aan die oordelen kan een bepaald besluit worden verbonden, dat met de wilskracht kan worden uitgevoerd door middel van een daarop aansluitende uitspraak of handeling.
Iets verwerken wordt gedaan door een bepaalde, bijvoorbeeld kwetsende ervaring op deze wijze zo lang te overdenken en te doorvoelen, tot alle aanzichten ervan begripsmatig èn gevoelsmatig zijn benaderd, behandeld en zo weer opnieuw zijn beleefd. Door de verwerking ontstaat er overeenstemming met de overige gedachten en gevoelens en pas dan kunnen die ervaringen worden losgelaten.
Een ervaring is begripsmatig verwerkt, als niet meer de aandrang wordt gevoeld erover te denken of te praten en de oorzaak van de moeilijkheden of een bepaald vraagstuk in een kort oordeel kan worden samengevat. De geest is dan in staat het betrekkelijke ervan in te zien en het onderwerp te beschouwen, zonder dat het de geest wat aandoet. Gevoelsmatig is iets verwerkt, als de geest ertoe is gekomen een bepaalde ervaring te aanvaarden door niet meer in opstand te komen tegen de onvermijdelijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Iets is verwerkt als er bijvoorbeeld begrip is gekomen voor en er kan worden meegeleefd met de persoonlijke achtergronden van degene, die de oorzaak was van de ervaren kwetsingen en de geest erin is geslaagd de daardoor ontstane boosheid op te heffen door vergevingsgezindheid. Om dat te bereiken moet de geest leren 'bij zichzelf te blijven', pas dan kan de innerlijke band met de ander worden verbroken.
Iets is verwerkt als wordt gevoeld dat de noodzaak van bewerking met de vermogens ophoudt te bestaan, als er geen nieuwe gezichtspunten, verbanden, gedachten of gevoelens meer ontstaan door bezinning op het onderwerp. Dit is dan uitgeput en verdwijnt langzaam maar zeker naar het geheugen, zonder dat de behoefte wordt gevoeld zich er verder nog mee bezig te houden. Iets is verwerkt wanneer de toestand is ingetreden, dat het onderwerp niet meer de aandacht trekt of opwinding veroorzaakt als er zelf de aandacht op wordt gevestigt. De geest beheerst de inhouden van de ziel, als daar geen onderwerpen meer in zijn die de geest uit het evenwicht kunnen brengen of boos kunnen maken. Het is rustig geworden in het hart als de inhouden van de ziel door verwerking ervan zijn geplaatst in een geordend geheel van overige levenservaringen en ze kunnen worden gezien in het licht van de eeuwigheid.
Is daarentegen een onderwerp nog niet voldoende verwerkt, dan blijft het steeds min of meer vaag op de rand van het bewustzijnsveld aanwezig, waar het door de ermee verbonden wanorde innerlijke onrust veroorzaakt. Het blijft dan steeds weer de aandacht trekken, al naar de gevoelswaarde ervan of de verstandelijke noodzaak, het vraagstuk tot een oplossing te brengen. Zolang bepaalde ervaringen onverwerkt blijven, is de herinnering eraan in staat het gemoed te ontstemmen en de geest weer in dezelfde ongunstige gemoedstoestand als vroeger terug te brengen. Die ervaringen kunnen dan niet worden losgelaten, de geest blijft ermee zitten.
(terug
naar index)
- verzet
- De menselijke geest heeft
de bijzondere opdracht zich naar eigen vrije keuze en op eigen kracht
geestelijk te ontwikkelen tot innerlijke zelfstandigheid, tot geestelijk
zelfbewustzijn en zelfbeheersing. Daartoe wordt de menselijke geest
in het tijdelijke bestaan schijnbaar aan zichzelf overgelaten in
een toestand van afgescheidenheid van de geestelijke wereld. Om toch die ontwikkeling in gang
te kunnen zetten en gaande te houden, krijgt de menselijke geest
een zelfgevoel mee, het gevoel een zelfstandige eenheid te
zijn.
Zolang de menselijke geest zichzelf nog niet volledig tot ontwikkeling
heeft gebracht door de geestelijke vermogens bewust en evenwichtig
te leren gebruiken, verkeert dat zelfgevoel in een toestand van
zelfgerichtheid, die kan ontaarden in eigendunk en eerzucht. In
die ontwikkelingstoestand wordt de geestesgesteldheid meer of minder
gekenmerkt door een houding van verzet.
Die houding van verzet hangt samen met het in de geest gelegde streven
naar zelfstandigheid. Door die houding van verzet richt de geest
zich tegen datgene, waarvan de geest zich, ondanks het in de geest
gelegde zelfgevoel, toch min of meer afhankelijk voelt of
waarvan de geest beseft afhankelijk te zijn. Dat zijn in het tijdelijke
bestaan de ouders of de opvoeders in ruime zin en dat is ten opzichte
van de schepping het vage, maar niet uit te wissen denkbeeld dat er toch misschien zoiets
zou kunnen bestaan als 'de schepper van dit alles', God als scheppende
algeest.
Aan de ene kant kan er tegenover de opvoeders sprake zijn van een
bepaalde tijd van 'jeugdig verzet', veroorzaakt door het in de geest
gelegde streven naar zelfstandigheid. Dit jeugdige verzet houdt
op wanneer de geest een eigen bestaan heeft opgebouwd. Zolang de
geest aan de andere kant tijdens dit bestaan nog in de aanvangstoestand
van onbewuste vereenzelviging verkeert en nog niet tot geestelijk
zelfbewustzijn en zelfbeheersing is gekomen, is er bovendien sprake
van een met het jeugdige verzet overeenkomende houding van verzet
tegen alles wat met 'geest' en 'God' te maken heeft. Dit heeft tot
gevolg dat zodra deze onderwerpen ter sprake komen, er een afwijzende
geestesgesteldheid ontstaat, van waaruit deze onderwerpen worden
benaderd met houdingen, die lopen van onverschilligheid, over belachelijk
maken tot heftige bestrijding en ontkenning. Het gesprek verstomt
of verandert in een woordenstrijd.
Dit wordt veroorzaakt door de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging,
waardoor de geest wel werkzaam is, maar volstrekt onbewust van zichzelf
en daardoor de eigen werkzaamheid niet opmerkt. Daardoor is 'het geestelijke'
voor de geest zelf iets onbestaands; terwijl door de vereenzelviging
met het stoffelijke de geest werkelijk denkt alleen het lichaam
te zijn. Vanuit deze geestesgesteldheid bezien, spreekt een ander,
die over een geestelijk onderwerp begint, wartaal, wat onmiddellijk
de verzetshouding wakker maakt. Door de onbewustheid die bij deze
geestesgesteldheid behoort, bestaat bij deze geest de 'gerustheid
van de onbewustheid', waardoor deze persoon onwrikbaar overtuigd
is en blijft van het eigen gelijk.
Voor veel geesten die net zijn begonnen aan hun geestelijke zelfbewustwording,
is de onwrikbaarheid van deze verzetshouding bij vele anderen om
hen heen, een bron van onzekerheid en twijfel over hun pas ontluikende
inzicht in zichzelf als geest. Zij worden daardoor beproefd in hun
vermogen bij zichzelf te blijven en hun gemoedsrust te
bewaren, en zich niet over te geven aan de eenzijdig op het
stoffelijke gerichte mening van de nog onbewust vereenzelvigden.
(terug
naar index)
- vloeken
- Vloeken is het uitspreken
van een verwensing: iemand kwaad toewensen. Bij het uitspreken van
wat in het algemeen onder een vloek wordt verstaan, betreft het
een verwensing van zichzelf. De standaardvloek 'godverdomme' is
namelijk een samentrekking van 'God, verdoem mij' of 'God verdoeme mij'. Waarschijnlijk
hebben maar weinig vloekers hiervan een duidelijk besef.
Het verschijnsel dat geesten vloeken, hangt samen met de afgescheidenheid
van de goddelijke algeest, die is ontstaan door de onbewuste vereenzelviging
met het tijdelijke bestaan. Daardoor wordt niet de samenhang gezien
tussen levenservaringen en de mogelijkheid om geestelijk te groeien
door die ervaringen met de geestelijke vermogens te verwerken. Zonder
een levensbeschouwing zoals geestkunde wordt de geestelijke zin
van dit bestaan niet gezien, waardoor tegenspoed zich voordoet als
een blind, zinloos noodlot. Er is blijkbaar ook bij ongelovigen
en godsloochenaars toch wel het besef, dat de mens niet zichzelf
heeft geschapen maar uit een schepper is voortgekomen. Als zich
namelijk tegenspoed voordoet, wordt die schepper verweten die mens
te hebben geschapen en wordt daarom de zelfverwensing uitgesproken
door God te verzoeken die mens te niet te doen en te verdoemen:
God, verdoem mij!
Wie de gebeurtenissen in het tijdelijke bestaan niet kan of wil
zien in het licht van de eeuwigheid, móet iedere tegenspoed
wel ervaren als een onbegrijpelijke tegenslag, als een zinloze tegenwerking of een nodeloos onheil. Daardoor komt de mens in opstand tegen het eigen lot. Er ontstaat
een verzetshouding en onwil om door te gaan met dit bestaan. Vanuit
deze houding wordt God als de schepper uitgedaagd Gods schepping
- de mens - te niet te doen door die mens te verdoemen. De mens
wordt een tegenstander van zijn of haar eigen schepper en
'tegenstander' is de letterlijke betekenis van het Hebreeuwse woord
'satana'.
In plaats van bij tegenspoed om Gods hulp te vragen - te vragen
om inzicht en kracht om de levensweg te gaan en de
moeilijkheden te boven te komen - verwijdert de vloekende mens zich
nog verder van God. Daardoor wordt het tegengestelde bereikt van
de mogelijkheid die door tegenspoed wordt geboden: geestelijke groei door zelfverwerkelijking
en uiteindelijk hereniging met God. Die mens komt geestelijk stil te staan.
(terug
naar index)
- voelen
- Het voelen is het vermogen
van de geest om het lichtbeeld van een waargenomen ervaring ook
toe te laten tot de geestelijke warmte door een open gevoelshouding
aan te nemen. Daardoor stelt de geest de eigen geestelijke warmte
vormbaar open voor inwerking door het waargenomene. De warmtetoestand
van de geest, wat de gemoedstoestand is, komt daardoor in
overeenstemming met de gevoelsmatige betekenis van het waargenomene.
De geest laat door te voelen toe, in eenzelfde gemoedstoestand te
komen te verkeren als anderen in de omgeving. Daardoor gaat de geest
met hen meevoelen, meeleven en ontstaat door persoonlijke deelneming
met hun ervaringen de aandrang anderen bij te willen staan en te
helpen. Afhankelijk van de geestelijke ontwikkelingstoestand ontstaat
in de geest door medeleven de aandrang zich onbaatzuchtig in te
willen zetten voor het geluksgevoel van anderen. De grootste beloning
voor het gevoel is daardoor anderen gelukkig te zien.
De geest is een bewuste levenskracht, die zich aan het geestesoog
voordoet als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke
warmte. Het bewustzijn is een eigenschap van de levenskracht, zoals
ook het licht uit de warmte voortkomt. De warmte is het leven zelf
en het licht is de uitstraling van de levendigheid ervan. De levenskracht
die als warmte ervaarbaar is, is de meest wezenlijke eigenschap
van de geest en daarmee het willen en voelen als geestelijke vermogens.
De vier geestelijke vermogens zijn weliswaar gelijkwaardig en alle
voor het geestelijke evenwicht onmisbaar, maar het willen en het
voelen liggen dichter bij de kern dan het denken en het waarnemen.
Het voelen is een zich vormbaar openstellen voor een andere geest,
waardoor er een gevoelsband ontstaat tussen twee géésten.
Door te voelen doet de menselijke geest datgene, wat God altijd met alle
geesten doet: een gevoelsband vormen en vasthouden. Alle geesten
in de eeuwige oneindigheid zijn onwrikbaar met God door Gods liefde
verbonden - ook al wordt dit niet beseft door de toestand van afgescheidenheid
en onwetendheid.
Het voelen is het vermogen zich met een andere geest en daardoor
met een ander wézen te verbinden. Het is het vermogen zich
tot het hart van de ander te richten en er een band mee te vormen.
Het is op het wézen gericht en daardoor het meest 'wezenlijke' vermogen.
Liefde is de gemoedstoestand die bij deze werkzaamheid van het voelen,
het streven naar verbondenheid met een andere geest, hoort. De liefde
is daardoor de meest verheven gemoedstoestand van het hart, de geest.
In de astrologie komt de betekenis van Venus overeen met het voelen, in de I Tjing (I Ching) de betekenis van Soen (Xun). Soen betekent onder andere: 'zachtmoedigheid', 'aanpassing', 'indringen in het hart'.
(terug
naar index)
- voelen,
het ingekeerde
- Het voelen is in het algemeen de zin voor liefde en goedheid. Als het voelen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de ingekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op zichzelf of op anderen in de naaste omgeving, met wie een persoonlijke band bestaat. Het ingekeerde voelen is het voelen van zichzelf.
De ingekeerd voelende persoon: beleeft de gevoelsband met anderen in zichzelf in de vorm van een persoonlijke gemoedsgesteldheid; voelt een grote persoonlijke betrokkenheid naar anderen toe in een vertrouwde kring en kent daardoor een liefdevolle inzet en zorgzaamheid voor de naaste omgeving; is hartelijk, trouw en aanhankelijk; geeft raad en streeft ernaar opvoedend werkzaam te zijn door een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor hen, met wie men zich persoonlijk verbonden voelt; wil dienstbaar zijn, maar heeft een neiging dit op te dringen; heeft behoefte aan rust en veiligheid; geeft bescherming maar heeft die ook nodig, doordat de buitenwereld angst inboezemt; is in een vreemde omgeving stil en teruggetrokken; zoekt naar geborgenheid, naar een plaats voor zichzelf binnen de eigen leefgemeenschap; is graag thuis en is met weinig tevreden; heeft behoefte aan iemand met een duidelijke levensbeschouwing die gezag uitstraalt waardoor er orde komt in het eigen bestaan; uit gevoelens en gedachten alleen binnen een vertrouwde, persoonlijke verstandhouding; heeft een neiging tot overbezorgdheid en zich alles persoonlijk aan te trekken; is vlug bezorgd en bang doordat overal gevaren dreigen (de moeder, de verzorgster, de dienstverlener).
Van de overige vermogens kunnen het waarnemen en willen ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de ingekeerd voelende persoon.
De tegendelen van het ingekeerde voelen, het denken en de uitgekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de ingekeerd voelende persoon ook: een afkeer heeft om zelfstandig eigen gedachten te vormen en die onder woorden te brengen; lijdt aan zelftwijfel en angst doordat de zekerheid van het denken ontbreekt; een afkeer heeft van studie maar dat uit plichtsgevoel voor de leraar toch goed doet; geen vertrouwen heeft in de goede afloop van een zaak en bang is dat zaken mislukken doordat er geen goede voorstelling van kan worden gemaakt; de buitenwereld niet verstandelijk tegemoet kan treden en zwaarmoedig wordt door de ellende van de wereld op zich te nemen.
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het
getal zes (enneagram: zes), in de Tarot bij de Keizerin (Keizerin/Geliefden)
en de Koningin van Bekers.
(terug
naar index)
- voelen,
het uitgekeerde
- Het gevoelsvermogen is in het algemeen de zin voor liefde en goedheid, zorgzaamheid en samenwerking. Als het voelen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de uitgekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op het vormen van een gevoelsband met personen in de wijde omgeving. Het uitgekeerde voelen is het voelen voor de ander.
De uitgekeerd voelende persoon: streeft naar aanpassing en overeenstemming, naar dienstbaarheid en samenwerking; spreekt gevoelsoordelen in de vorm van in- of ontstemming meteen naar anderen toe uit; is gemakkelijk in de omgang met anderen; heeft een goed ontwikkeld aanpassingsvermogen; kan niet leven zonder vriendschapsbanden; vindt het van belang door anderen aardig te worden gevonden; heeft het gevoel het de anderen naar de zin te moeten maken en anderen te behagen, waardoor niet Œnee¹ kan worden gezegd; voelt zich verantwoordelijk voor de gemoedsgesteldheid van anderen en streeft daardoor naar het opbouwen van een goede sfeer (de gastvrouw); richt zich naar de gevoelens van anderen, waardoor het eigen gevoelsleven wanordelijk is; is voor het zelfgevoel afhankelijk van anderen voor wie kan worden gezorgd; is gericht op het verzorgen en aanmoedigen van anderen, maar heeft voor zichzelf ook behoefte aan liefde en aanmoediging, wat echter wordt verdrongen omdat anderen in het middelpunt moeten staan; draagt de eigen gevoelens en behoeften op anderen over; neigt ernaar meer rekening te houden met de ander en daardoor zichzelf aan de ander te onderwerpen of zich op te offeren (de verpleegkundige, maatschappelijk werker).
Van de overige vermogens kunnen het waarnemen en willen ook ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de uitgekeerd voelende persoon.
De tegendelen van het uitgekeerde voelen, het denken en de ingekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de zekerheid van het zelfstandige denken ontbreekt en de uitgekeerd voelende persoon ook: innerlijke onzeker is en beïnvloedbaar; angst heeft voor eenzaamheid en naar een houvast zoekt; onnadenkend vanuit het gevoel kan handelen, waardoor ingewikkelde tussenmenselijke verstandhoudingen kunnen ontstaan. Wordt een uitgekeerd voelende persoon gevoelsmatig gekwetst, wat niet zelden gebeurt, dan kan het onontwikkelde denken tot uiting komen in scherpe, koele en onredelijke, op de persoon gerichte veroordelingen, die voor bittere strijd en verwijdering zorgen.
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het
getal twee (enneagram: twee), in de Tarot bij de Priesteres (Hogepriesteres)
en de Koning van Bekers.
(terug
naar index)
- voorstelling
- Een voorstelling is een
denkbeeld van een bepaalde zaak, dat de geest in de ziel 'voor zich
stelt' en zichzelf 'voor ogen houdt' (voor het geestesoog); of het is een gewaarwordingsbeeld, dat door de zintuigen heen in de ziel wordt gevormd en voor de geest wordt gesteld.
(terug
naar index)
- vormbaar en zelfvormend
- De geest is in diepste wezen een bewuste kracht, die zich voordoet als een lichtende warmte. Dat geestelijke licht en die geestelijke warmte kunnen in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen, die daardoor tegendelen van elkaar zijn: vormbaar en zelfvormend. Om de oorsprong van deze eigenschappen te begrijpen, is het noodzakelijk terug te keren tot de oeraanvang van de schepping. De oeraanvang is de toestand, waarin de algeest vanuit rust uit zichzelf in beweging komt om de schepping te gaan scheppen.
De oeraanvang van de geestelijke werkzaamheid doet zich om te beginnen aan het geestesoog voor als een toestand van diepe rust, waarin de eeuwige oneindigheid van de algeest zich voordoet als een aangename, donkere koelte. Deze geestestoestand is op aarde vergelijkbaar met een toestand van aangename, schaduwrijke koelte. Vanuit de toestand van rust begint de geestkracht te bewegen, waardoor zich uit de donkere koelte door beweging de zichzelf scheppende, de zichzelf vormende lichtende warmte ontwikkelt. Deze lichtende warmte was voordien als het ware in de donkere koelte opgelost. Deze lichtende warmte is eveneens alomtegenwoordig in de eeuwige oneindigheid.
De lichtende warmte doordringt vervolgens de donkere koelte, die zelf wordt doordrongen, waarbij het licht de donkerte doordringt en de warmte de koelte. Uit deze vereniging van de doordringende, lichtende warmte, het oermannelijke, met de doordringbare, donkere koelte, het oervrouwelijke, komt een tussentoestand voort, waarin het oermannelijke en het oervrouwelijke: het licht en de donkerte, en de warmte en de koelte elkaar temperen, elkaar aanvullen en elkaar in evenwicht houden: de toestand van de werkzame algeest. De algeest is met andere woorden een eenheid van tegendelen: het huwelijk van het mannelijke en vrouwelijke in God. De algeest doet zich weliswaar voor als een lichtende warmte, maar dan als een lichtende warmte, die de eigenschappen van de donkere koelte in zich heeft opgenomen. Daardoor kunnen het licht en de warmte in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: in een vrouwelijke, ontvankelijke toestand, die daardoor een doordringbare, beweegbare en vormbare toestand is van het licht en de warmte; en in een mannelijke, scheppende toestand, die daardoor een doordringende, zelfbewegende en zelfvormende toestand is van het licht en de warmte.
Met de vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: al waarnemend brengt de geest het licht in zichzelf in een vormbare toestand, waardoor de geest zich van iets bewust kan worden; al denkend brengt de geest het licht in zichzelf in een zelfvormende toestand, waardoor de geest gedachten vormt; al voelend brengt de geest de warmte in zichzelf in een vormbare toestand, waardoor de geest met anderen kan meevoelen; al willend brengt de geest de warmte in zichzelf in een zelfvormende toestand, waardoor de geest iets kan gaan ondernemen.
(terug
naar index)
- vreugde
- Vreugde is een gemoedsgesteldheid
in de geest zelf, die wordt gekenmerkt door levendige gevoelens
van instemming en overeenstemming met bepaalde personen,
ervaringen of denkbeelden. Die levendige gevoelens hangen samen
met de levendigheid van de geestelijke warmtetoestand, die zodanig
is, dat het geestelijke licht daardoor begint te stralen. Dat geestelijke
'stralen' is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'blijheid':
'het blij zijn', 'het verheugd zijn'. In de geestelijke wereld straalt
de geest dan licht uit.
Het gevoel van vreugde ontstaat doordat de geest met iets aangenaams
kan instemmen, waardoor de gemoedsgesteldheid daarmee in overeenstemming
komt. De oorzaak van die instemming kan velerlei zijn: ontmoetingen, uiterlijke
gebeurtenissen, aangename ervaringen, aanzien en bezit, innerlijke
ervaringen, verheven gedachten en inzichten, en uiteindelijk: zelfervaring
en zelfkennis van zichzelf als menselijke geest, herenigd met de
bron. Hoe meer de oorzaak van de vreugde in de buitenwereld ligt,
hoe meer de geest van die oorzaak afhankelijk is en hoe tijdelijker
die vreugde zal zijn. Hoe meer de geest vreugde in zichzelf kan
vinden, hoe onafhankelijker de geest voor zijn vreugde is en hoe
duurzamer die zal zijn (zie ook: verdriet).
Gevoelens ontstaan doordat iets wordt waargenomen en zo nodig overdacht;
ze kunnen ontstaan door waarnemingen en overdenkingen. De oorzaak
van een gevoel als ware, blijvende vreugde is alleen in de geest
zelf te vinden als de geest in staat is zichzelf waar te nemen en
zichzelf te overdenken; die vreugde is blijvend doordat alleen de
geest eeuwig is.
Daardoor is het zelfinzicht en de zelfervaring, zoals
die door een levensbeschouwing zoals geestkunde kan ontstaan, een bron
van blijvende vreugde. Die levensbeschouwing houdt in, dat
het tijdelijke, aardse bestaan een leerschool is voor de groei van
de menselijke geest. De geest groeit doordat de geest een bewust
en beheerst gebruik leert maken van de vermogens door alle wederwaardigheden
in dit bestaan zoveel als mogelijk is te verwerken. Wàt de
geest ook in dit bestaan overkomt, altijd heeft het geestelijke
groei tot gevolg; want is dat niet in dìt bestaan, dan in
ieder geval thuis in de geestelijke wereld.
Het gaat er daarom om ook in de beproeving van benarde omstandigheden
vertrouwen te blijven houden in de kern die de geest zelf is en
in dat licht - in het licht van de eeuwigheid - naar de ervaringen
in dit tijdelijke bestaan te kijken. Daardoor kan de geest de gemoedsrust
bewaren. Daardoor blijft de geest altijd bij zichzelf en bij de
bron, God, waaruit de geest is voortgekomen. Daardoor loopt de geest
niet het gevaar zich in de omstandigheden te verliezen en er door
te worden overweldigd, maar zal de geest altijd bij zichzelf kunnen
blijven en bij de oorsprong. Alleen daardoor ontstaat het vertrouwen
in zichzelf en het Godsvertrouwen, dat alles wat er gebeurt
een bepaalde betekenis heeft - het heeft immers betekenis voor de
geest zelf - waardoor er in het hart altijd sprake zal zijn van
vreugde. Door geestkunde ontstaat de vreugde van het inzicht,
de vreugde van de zelfkennis en de Godskennis.
De innerlijke strijd is het vertrouwen daarin levend te houden tegenover
de voortdurende wederwaardigheden, die de geest tegemoet komen in
de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen.
(terug
naar index)
- vrijheid
- Groei is alleen mogelijk
als er ruimte is om te groeien. Voor geestelijke groei betekent
die ruimte: vrijheid, namelijk beslissingsvrijheid, vrijheid om te
handelen naar eigen inzichten en besluiten. Daardoor is de vrije
keuze van de menselijke geest een onvermijdelijk vereiste om
geestelijk te kunnen groeien. Omdat geestelijke groei zin en doel
is van het bestaan, zal deze keuzevrijheid ook altijd door de geestelijke
begeleiders worden geëerbiedigd.
Geestelijke groei vindt plaats door omvorming, waarbij de manier waarop
de geest met de eigen vermogens omgaat, wordt omgevormd van een
toestand van onbewustheid en onbeheerstheid, naar een toestand van
bewustheid en beheerstheid. Die omvorming geschiedt doordat de geest
leert om bewust en beheerst de eigen vermogens te gebruiken door
de dagelijkse ervaringen te verwerken.
Die dagelijkse ervaringen komen op de geest toe in de tijd als stroom
van gebeurtenissen. Die gebeurtenissen zijn leerzame gebeurtenissen,
doordat de geest door die ervaringen te verwerken, leert om de eigen
geestelijke vermogens te gebruiken. Deze gebeurtenissen zijn verweven
met het lot, waarvan de oorspronkelijke betekenis is: datgene,
wat ons toevalt; datgene, wat op ons toekomt. Wat op de geest toekomt
in de tijd als stroom van gebeurtenissen, is het eigen lot. Voor
dit lot is gekozen voordat de geest voor een nieuw bestaan naar
de aarde overging, omdat de geest in de geestelijke wereld beseft
welke ervaringen als lesstof nodig zijn, om weer nieuwe stappen
te kunnen zetten op de levensweg, de weg van geestelijke groei.
Een aantal belangrijke lotgevallen liggen vast, maar in het lot
als stroom van gebeurtenissen is ook een zekere vrijheidsgraad.
Daardoor ligt het lot niet geheel vast, maar kan zich gedeeltelijk
aanpassen door de invloed van de geestelijke begeleiders en door
de invloed van de vrij beslissende geest op aarde. Die vrijheidsgraad
in het lot hangt samen met de vrije keuze van de menselijke geest.
Alleen door die vrijheidsgraad is er een uitwerking van die vrije
keuze op het lot mogelijk, waardoor de menselijke geest door het
eigen gedrag de loop van het lot bepaalde wendingen kan geven en
waardoor de loop van het lot zich kan aanpassen aan het leren van
de geest.
Door de vrije keuze van de geest en de vrijheidsgraad in de loop
van het lot, ontstaat er een bepaalde mate van onzekerheid
in de wending die de loop der gebeurtenissen kan nemen. De loop
der gebeurtenissen ligt voor een deel vast en is daardoor voorspelbaar,
maar een ander deel is vrij in zijn loop en voor zijn wending afhankelijk
van de vrije keuze, die de menselijke geest maakt en van de inwerking
van de geestelijke begeleiders.
Daardoor bestaat er in de tijd als stroom van gebeurtenissen een
onzekerheid, die ook de toekomst onzeker en onvoorspelbaar maakt.
Alle menselijke geesten zijn door een onzichtbaar netwerk met elkaar
verbonden en alle gevolgen van de vrije keuzes die zij gezamenlijk
maken, hebben tot gevolg dat het dagelijkse bestaan vol zit met
met verrassende ervaringen en onvoorspelbare gebeurtenissen, met
onverwachte voorspoed en tegenspoed. Als de geest aan dit bestaan
begint, stelt de geest zich bloot aan de vrijheid van handelen van
alle medemensen.
Door de onzekerheid over wat de toekomst de menselijke geest zal
brengen, kan er een angst voor de toekomst bestaan. Niemand weet
zeker, wat hem of haar over vijf minuten te wachten staat, ook de
geestelijke begeleiders in de geestelijke wereld weten het niet
op alle punten zeker. Daardoor is de leerschool die de geest in
dit tijdelijke bestaan doorloopt een heel bijzondere, want niet
alleen is de geest hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten door
de onbewustheid van zichzelf en van de geestelijke begeleiders -
om de vrije en daardoor ook onzekere keuze mogelijk te maken - maar
ook is de loop der leerzame gebeurtenissen vol onzekerheden.
Het enige wat zekerheid biedt is het inzicht dat alles wat gebeurt,
uiteindelijk geestelijke groei tot gevolg heeft, doordat alle gebeurtenissen
- hoe onbegrijpelijk ook - de geest ertoe aanzetten een bewust en
beheerst gebruik te gaan maken van de geestelijke vermogens. Alleen
dat heeft geestelijke ontwikkeling tot gevolg, hier of later thuis
in de geestelijke wereld. Alleen inzichten zoals geestkunde die
biedt, kunnen zekerheid en vastheid geven temidden van de onzekerheden
van dit tijdelijke bestaan, door dit te laten zien in het licht
van de eeuwigheid. Daardoor krijgt juist de onzekerheid scheppende
vrijheid de hoogste waarde: zij maakt geestelijke groei mogelijk.
(terug
naar index)
- vrouwelijkheid
- De geest is een geheel van
met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende mannelijke en vrouwelijke
vermogens. Daarnaast doen zich aan het geestesoog zowel op aarde als in de geestelijke wereld mannelijke en vrouwelijke geesten voor. De vrouwelijkheid van een vrouwelijke geest wordt
bepaald door de volgorde in het verloop van de geestelijke werkzaamheid,
te weten: waarnemen, voelen, denken, willen. De nadruk valt
op het voelen. Wat wordt waargenomen, beïnvloedt daardoor eerst
de gemoedsgesteldheid en laat een gevoelsoordeel ontstaan.
De nadruk op het voelen werkt door in het vermogen dat ermee overeenkomt,
het waarnemen, dat ook een ontvankelijk vermogen is. Daardoor wordt
in de ontwikkelde toestand vrouwelijkheid gekenmerkt door de zin
voor schoonheid en door liefde.
In het verloop van de geestelijke werkzaamheid van de vrouwelijke
geest zijn er eerst twee ontvankelijke, vormbare vermogens (waarnemen
en voelen) en dan twee doordringende, zelfvormende vermogens (denken
en willen). Doordat zij op elkaar volgen, versterken de overeenkomende
vermogens elkaars werking. Dat heeft tot gevolg dat ervaringen een
diepere gevoelsindruk maken en dat het gedrag en de gezichtsuitdrukking
levendiger is dan bij de mannelijke geest. De werkzaamheid van de
vrouwelijke geest kent grotere pieken en dalen, waardoor het eerder
tot uitspraken en handelingen komt - vooral op persoonlijk gebied
-, maar het innerlijke evenwicht ook makkelijker wordt verstoord.
Bij de richting van de geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op
de ingekeerde instelling. De ingekeerde instelling en de beide ontvankelijke
vermogens werken vanuit de geest door de geestgedaante heen op het lichaam in en geven
daardoor aan het vrouwelijke geslachtsorgaan de ingekeerde vorm
die het heeft (zie ook: geslacht).
Vanuit het waarnemen en het voelen heeft de vrouwelijke geest de neiging het lichaam te zien als een voorwerp waarvan de schoonheid moet worden verhoogd en dat goed moet worden verzorgd. Het lichaam wordt gezien als een doel op zichzelf.
(terug
naar index)
- vuur
- Het verschijnsel 'vuur' is een zinnebeeld van de geest.
De geest doet zich in de geestelijke wereld aan het geestesoog voor als een bron van 'lichtende warmte'. In overeenstemming daarmee is in de stoffelijke wereld een vuur ook een bron van licht en warmte. Deze samenhang is eveneens terug te vinden in de etymologische betekenis van de woorden.
Het woord 'bron' komt van het Gotische 'brunna'. Dit woord betekent niet alleen 'bron', maar ook 'branden', 'bruisen', 'zieden'. Dat 'branden' en 'bruisen' samenhangen is nog herkenbaar in de 'branding' van de zee. Ook die branding is een zinnebeeld van de geest.
Het woord 'geest' hangt samen met het Oudnoorse 'geisa', wat betekent: 'koken', 'bruisen', 'zieden'; met 'gist', wat betekent: 'het van leven bruisende' en 'het wezenlijke'; en met 'geyser': een regelmatig uit zichzelf werkzame 'springbron'.
Overeenkomend met de oorspronkelijke betekenis van de woorden is de 'geest' niet alleen 'het wezenlijke', maar ook 'het van leven bruisende', waarbij dat bruisende niet tot het inwendige van de geest beperkt blijft, maar ook uit de geest naar buiten tot uitdrukking komt, waardoor de geest ook een 'bron' is en wel een bron van geestelijk licht en geestelijke warmte.
Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens, die met dat licht en die warmte samenhangen (zie bij de vermogens) is de geest een bron van de voortbrengselen van die vermoegens: de 'kennis' van het waarnemen, de 'gedachten' van het denken, de 'gevoelens' van het voelen en de 'uitspraken en handelingen' van het willen.
In overeenstemming hiermee is ook de zon een uitgesproken zinnebeeld van de geest.
(terug
naar index)
|
|