|
Verklarende woordenlijst W
|
| |
waarnemen
waarnemen, het ingekeerde
waarnemen, het uitgekeerde
waarneming
warmte
wedergeboorte
|
werkzaamheid, de beheerste
werkzaamheid, de onbeheerste
wederwaardigheden
wereld
werk, het
werkelijkheid
|
wezen
wijsheid
willen
willen, het ingekeerde
willen, het uitgekeerde
woord
|
waarnemen
Het waarnemen is het geestelijke vermogen om van een onderwerp een indruk te laten ontstaan in het
innerlijk van de geest zelf, waardoor deze zich er bewust van wordt. Waarnemen geschiedt door te kijken, te luisteren, te proeven, te ruiken en te tasten, zowel in de stoffelijke als in de geestelijke wereld.
Wanneer de geest zichzelf in een waarnemende toestand brengt door aandacht te hebben voor een bepaald onderwerp, dan stelt de geest het innerlijke licht vormbaar open voor inwerking vanuit de omgeving. Het waargenomen voorwerp maakt daardoor een indruk op het vormbare licht en drukt zichzelf er in af. Doordat het lichtbeeld van het voorwerp nu als een ervaringsbeeld in de geest zelf aanwezig is, heeft de geest 'weet gekregen' van het voorwerp, de geest is 'zich er bewust van geworden', heeft er 'kennis van gekregen'.
Een 'waar' is een voorwerp ('waren' is: 'goederen') en door 'waar te nemen', 'neemt' de geest een 'waar in zich op', waardoor die waar tot een lichtbeeld, een ervaringsbeeld in de geest wordt. Nadat de geest door waar te nemen kennis heeft vergaard, heeft 'gegrepen', kan de geest vervolgens die nieuwe ervaringen met het denken gaan trachten te 'begrijpen'.
De mate waarin de geest iets kan waarnemen, hangt samen met de belangstelling ervoor en met de wilskracht. De geest is een bewuste kracht, waarbij
de bewustheid samenhangt met het waarnemingsvermogen en de kracht met de wil. Het willen waarnemen, zich ergens bewust van
willen zijn, is daarom een wezenlijk, geestelijk vermogen. Het is: willen zien, willen weten, willen onderzoeken, willen luisteren, willen aanraken, willen ervaren, aandacht willen schenken, belangstelling willen tonen en in onbeheerste vorm: nieuwsgierigheid. Het waarnemen is het ontwaren, schouwen, blootleggen, gadeslaan, opmerken. Het is in alle opzichten de 'zin voor de werkelijkheid'. Doordat het om ervaringen gaat, is het ook de zin voor echtheid.
Het ontwikkelde waarnemingsvermogen wordt gekenmerkt door de zin voor schoonheid.
In sommige levensbeschouwingen wordt gesteld dat 'het bewustzijn iets waarneemt'. Dit wordt veroorzaakt door de eenzijdige vereenzelving van de geest met het waarnemingsvermogen. Door de toestand van vereenzelviging wordt niet gezien, dat het de géést is, die door waar te nemen in een toestand van 'zich bewust zijn' komt te verkeren. Dit is een geestestoestand; deze geestestoestand kan niet gebruik maken van een geestelijk vermogen, zij is juist het gevólg van het feit, dat de geest het waarnemingsvermogen gebruikt.
In de astrologie komt de betekenis van de Maan overeen met het waarnemen, in de I Tjing (I Ching) de betekenis van Li (Li). Li betekent onder andere: 'oog', 'vuur', 'licht', 'Li is het licht waarin de wezens elkaar aanschouwen'.
terug naar de woordenlijst - naar boven
waarnemen, het ingekeerde
Het waarnemingsvermogen is in het algemeen de zin voor werkelijkheid, echtheid en schoonheid. Als het waarnemen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de ingekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid erop gericht, aandacht te hebben voor de eigen binnenwereld en de naaste omgeving. Het ingekeerde waarnemen is het waarnemen van zichzelf.
De ingekeerd waarnemende persoon: streeft ernaar de schoonheid in de naaste omgeving te bevorderen door aandacht en toewijding eerst daar naar uit te laten gaan en die schoonheid vervolgens in stilte innerlijk te beleven en te genieten; heeft oog voor overeenstemming in vormen, kleuren en klanken (de kunstenaar, handarbeid); laat zich leiden door het kunstzinnige oordeel en weet echt van onecht te onderscheiden; heeft een verborgen behoefte aan aandacht en waardering; heeft een goede smaak voor kleding en verzorging van zichzelf; heeft aandacht voor bijzonderheden, voor de kleine dingen, maar heeft geen oog voor de grote lijnen; is het liefst thuis en is met weinig tevreden; streeft naar rust en regelmaat, orde en netheid in de naaste omgeving; wil onrust vermijden en is daardoor toegevend; is toegewijd, dienstbaar en handig, een ijverige werker; voelt zich thuis in een kleine, overzichtelijke leefgemeenschap (de huisvrouw, de werknemer); merkt door de ingekeerde aandacht ingevingen en voorgevoelens op (de paragnost).
Van de overige vermogens kunnen het denken en voelen ook ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de ingekeerd waarnemende persoon.
De tegendelen van het ingekeerde waarnemen, het willen en de uitgekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de ingekeerd waarnemende persoon ook: gebrek heeft aan ondernemingslust; dienstbaar is en zich aanpast aan behoeften en wilsbesluiten van anderen; zich beperkt tot het doen wat voor de hand komt, wat er nu gedaan moet worden; het plannen maken aan anderen overlaat en een afwachtende houding aanneemt (de huisvrouw, de werknemer); niet weet wat te doen en verlegen wordt als hij of zij veel aandacht krijgt; moeite heeft het geheel te overzien als er veel tegelijk gebeurt; zich verliest in bijzonderheden en bijkomstigheden; moeite heeft vorm te geven aan het eigen bestaan, doordat een duidelijk doel ontbreekt, waardoor er dienstbaarheid en toewijding is voor hen (leraren, geestelijke leiders), die wel een richting voor het leven weten aan te geven. Wordt een ingekeerd waarnemende persoon teveel onder druk gezet, dan wordt de uitgekeerde wilskracht op onbeheerste wijze werkzaam in de vorm van lijdzaam verzet of verborgen tegenwerking.
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal vier (enneagram: vier), in de Tarot bij de Intu?tie (Keizerin/Keizer) en de Koningin van Munten.
terug naar de woordenlijst - naar boven
waarnemen, het uitgekeerde
Het waarnemingsvermogen is in het algemeen de zin voor de ervaarbare werkelijkheid, voor echtheid en schoonheid. Als het waarnemen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de uitgekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid erop gericht, aandacht te hebben voor alles wat er in de buitenwereld gebeurt. Het uitgekeerde waarnemen is het waarnemen van en voor de ander.
De uitgekeerd waarnemende persoon: wordt gekenmerkt door nuchterheid en is gericht op feiten; kan echte aandacht en belangstelling hebben voor de omgeving, maar ook weetgierigheid en nieuwsgierig zijn; streeft naar afwisseling in de omgeving om zoveel mogelijk ervaringen op te kunnen doen en is daardoor kooplustig, reislustig en oppervlakkig; streeft ernaar van het leven te genieten in allerlei vormen, van eenvoudig genieten van zintuiglijke gewaarwordingen als eten en drinken tot hoogstaand kunstzinnig genot; heeft oog voor de aangename kanten van het leven en weet van het leven te genieten, maar wendt zich af van verdriet en leed; heeft behoefte aan gezelligheid en geniet ervan veel mensen te ontmoeten; is een gezelschapsmens en is graag het middelpunt van het gezelschap; heeft veel aandacht voor de omgeving, maar ook behoefte zelf aandacht te krijgen en deze op zich te vestigen door aandachttrekkend gedrag of opvallende kleding; heeft de behoefte anderen aan te zetten aandacht voor iets te hebben; streeft ernaar anderen iets te laten zien, te tonen, te leren; wil anderen soms met aandrang ook laten genieten van wat voor zichzelf vreugde schenkt (de levensgenieter, de kunstenaar, de leraar).
Van de overige vermogens kunnen het denken en voelen ook ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de uitgekeerd waarnemende persoon.
De tegendelen van het uitgekeerde waarnemen, het willen en de ingekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de uitgekeerd waarnemende persoon ook: streeft naar vrijheid van handelen om de eigen zin te kunnen doen; de volharding mist om zich ergens in te verdiepen; zich vlug verveelt en behoefte heeft aan tijdverdrijf en vermaak; ongeduldig is, overdrijft, onbeheerst en heftig is; zintuiglijk verleidbaar en onmatig is; het vermogen mist te kunnen wachten; onverzettelijk is en star vast wil houden aan eigen besluiten, gewoonten, denkbeelden en leerstellingen; wel oog voor veranderingen in de buitenwereld heeft, maar afkeer voelt zichzelf te moeten veranderen, zich iets te moeten ontzeggen of zich bezig te houden met levensbeschouwelijke onderwerpen (de oppervlakkige gewoontemens).
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal vijf (enneagram: zeven), in de Tarot bij de Priester (Hogepriester) en de Koning van Munten.
terug naar de woordenlijst - naar boven
waarneming
Door zich waarnemend open te stellen voor indrukken krijgt de geest waarnemingen, wat ervaringsbeelden
zijn in de vorm van innerlijke lichtbeelden. Zij kunnen door de zintuigen heen afkomstig zijn uit de stoffelijke buitenwereld, of op buitenzintuiglijke wijze door ingeving of helderziendheid uit de geestelijke wereld. Deze waarnemingen kunnen in de ziel als levenservaring, kennis en herinneringen worden vastgehouden.
Waarnemingen zijn de voortbrengselen van de werkzaamheid van het waarnemingsvermogen, zoals gedachten voortbrengselen zijn van het denken, gevoelens van het voelen en wilshandelingen van het willen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
warmte
De geest is de bewuste levenskracht. Deze kracht bezit het vermogen werkzaam te zijn, zich te kunnen bewegen en arbeid te kunnen verrichten.
In rust blijft dit vermogen in aanleg aanwezig. In de rusttoestand openbaart de geest als de levenskracht zich als een trillingstoestand, als een werveling, als een zinderen of als een bruisen van leven. Deze rusttoestand die toch bruist van leven, openbaart zich als de geestelijke warmte.
In de toestand van volkomen rust is de geest wel een warmtetoestand (een koelte), maar donker. Als de geest de eigen trillingstoestand verhoogt, gaat de geest naast warmte ook licht in zichzelf uitstralen. De geest is dan in de toestand van de 'bewuste levenskracht', waarbij de kracht met de warmte samenhangt en het zich bewustzijn met het licht.
De geest als de bewuste levenskracht, die bruist van leven, wordt weergegeven door de betekenis van de naam van de Germaanse oppergod Wodan. De naam 'Wodan' hangt samen met 'woeden' in de oude betekenis van: bruisen van leven.
terug naar de woordenlijst - naar boven
wedergeboorte
De menselijke geest is een algeestvonk, die zich naar eigen vrije keuze kan ontwikkelen van onbewustheid en onbeheerstheid naar bewustheid en beheerstheid. Dat laatste is de toestand van geestelijke zelfstandigheid en heelheid, die in het klein overeenkomt met die van de algeest. De algeest begeleidt de menselijke geest op dit pad naar zelfstandigheid in de geestestoestand die 'de heilige geest' wordt genoemd. Als heilige geest is God persoonlijk bij de mens.
Deze geestelijke ontwikkeling vindt plaats, doordat de geest in de leerschool voor geestelijke groei, die de stoffelijke, tijdelijke wereld is, ervaringen opdoet, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest toekomen. Door deze ervaringen te verwerken met behulp van de vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen, om zo staande te kunnen blijven in de druk die die stroom op de geest uitoefent, leert de geest de vermogens bewust en beheerst te gebruiken. De menselijke geest leert al doende door eigen ondervinding; en doordat 'herhaling de leermeester van de student is', komen in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen regelmatig gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, net zolang tot de geest voldoende geoefend is in het verwerken van dat soort ervaringen.
De geestelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door een omvorming, de omvorming van de geestesgesteldheid. De geestesgesteldheid wordt gekenmerkt door de ontwikkelingstoestand van de geestelijke vermogens. In de aanvangstoestand maakt de geest een onbewust en onbeheerst gebruik van de vermogens, in de ontwikkelde toestand een bewust en beheerst gebruik. De geestesgesteldheid is daardoor omgevormd van driftmatigheid naar geestdrift en komt uiteindelijk tot uitdrukking in het geweten en de deugden.
De ontwikkeling die de geest meemaakt van onvolwassenheid naar volwassenheid, komt als verschijnsel tot uiting in allerlei aanzichten van de schepping waarin die ontwikkeling moet plaatsvinden. Alles in de natuur kent een geboorte, een groei die leidt naar een bloeitijd en een aftakeling die eindigt met de dood, van de kleinste levensvorm tot het gehele heelal. De stoffelijke vorm waarin de menselijke geest dit moet meemaken, wordt 'het lichaam' genoemd. Ook in het lichaam doet de menselijke geest door eigen ondervinding ervaring op met het verschijnsel ontwikkeling.
De geest kan maar op één ding tegelijk de aandacht richten en kan ook maar één ding tegelijk goed doen. Toch moeten vier geestelijke vermogens en twee instellingswijzen tot een evenwichtig, bewust beheerst geheel worden omgevormd. Dit wordt bereikt door bestaan na bestaan één van de vermogens of één van de instellingswijzen de nadruk te geven in de tijdelijke 'leerpersoonlijkheid', waarmee de geest naar de aarde komt om door de geboorte keer op keer aan een nieuwe levensweg te beginnen en die af te lopen. Die leerpersoonlijkheid wordt daardoor in aanleg al door een zekere eenzijdigheid gekenmerkt.
De geest als de persoon die de ene keer in de geestelijke wereld is om de aardse lessen te verwerken en de andere keer weer op de aarde om leerzame ervaringen op te doen, is steeds dezelfde geest; alleen de persoonlijkheid - de vorm waarin de persoon tot uitdrukking komt - is anders. In de geestelijke wereld weet de geest welke lessen moeten worden geleerd voor de volgende stap op de weg en welke soort persoonlijkheid er nodig is om die lessen te kunnen meemaken. Alle verwerkte ervaringen vormen een verrijking en dat veroorzaakt een groei van de eeuwige persoonlijkheid, zoals die in de geestelijke wereld te ervaren is.
De nieuwe geboorte vindt plaats in een gezin. Niet alleen omdat het gezin als leefgemeenschap de afspiegeling is van de oersamenleving, die wordt gevormd door God als vader en moeder van de mensheid als hun godenkinderen; maar ook omdat in de personen het gezin dagelijks innig met elkaar samenleven en elkaars persoonlijkheid daardoor grondig leren kennen. De menselijke geest leert door eigen, persoonlijke ondervinding en er is geen andere leefgemeenschap waar dat indringender gebeurt dan in het gezin. In het gezin moet iedereen zijn wie hij of zij is, waardoor de leden ervan elkaars persoonlijkheidseigenschappen door en door leren kennen, wat de bedoeling van het bestaan op aarde is: het gaat om persoonlijkheidsgroei. Wat wordt geleerd is de wijze, waarop de anderen gebruik maken van hun geestelijke vermogens en hoe de persoon zelf daar mee omgaat.
Wat er daarom steeds gebeurt, is: wedergeboorte. Niet alleen komt de geest steeds weer in een lichaam op aarde, maar het wezenlijke is dat er een geboorte plaatsvindt in een gezin. Zoals gezegd is het gezin een afspiegeling van de oergemeenschap die wordt gevormd door God als vader en moeder en hun godenkinderen. De ervaring met het aardse gezin verwijst meteen in het begin al naar het uiteindelijke doel: de hereniging met God als vader en moeder in het goddelijke gezin.
Het Latijnse woord 'reïncarnatie' betekent: 'weer in vlees', 'weer in lichaam'. In dit woord klinkt niets door van de wezenlijke betekenis die wel samenhangt met 'wedergeboorte'.
Het woord 'wedergeboorte' wordt in sommige levensbeschouwingen gebruikt in de betekenis van 'zelfverwerkelijking'. Als de geest zich door zelfopvoeding heeft verwerkelijkt en daardoor zelfstandig werkzaam is geworden, lijkt het ook wel alsof er een soort van 'wedergeboorte' heeft plaatsgevonden als het verschijnen van iets nieuws; maar wat er innerlijk gebeurt, is in wezen toch een zelfverwerkelijking door een geleidelijke omvorming van zichzelf.
terug naar de woordenlijst - naar boven
wederwaardigheden
In het tijdelijke bestaan is de menselijke geest schijnbaar aan zichzelf overgelaten om de geest in zulke omstandigheden te plaatsen, dat de mogelijkheid bestaat in vrijheid een eigen keuze te kunnen maken en zelfstandig een eigen beslissing te kunnen nemen. Dit bestaan is een leerschool zonder meester voor de klas, waardoor de leerlingen moeten leren zichzelf meester te zijn.
Alleen door de vrijheid om zelf te kunnen kiezen, heeft de menselijke geest de mogelijkheid om met de eigen vermogens zelf het eigen gedrag te kunnen bepalen, daardoor zelf richting te geven aan de levensloop en zo eigen ondervinding op te kunnen doen met de gevolgen van het eigen gedrag. Die eigen ondervinding is de leermeester in dit bestaan als leerschool voor de geest. Alleen daardoor leert de geest zichzelf een bewust en beheerst gebruik te maken van de geestelijke vermogens en ontwikkelt al doende zichzelf naar geestelijke zelfstandigheid. Dat is het doel van de leerschool die het tijdelijke bestaan voor de menselijke geest is.
Om die vrije keuze mogelijk te maken, zijn er in het tijdelijke bestaan vaak meerdere mogelijkheden waaruit menselijke geesten mogen kiezen. De keuze die wordt gemaakt uit die mogelijkheden bepaalt het verdere loop van de ontwikkelingen. Om die vrije keuze mogelijk te maken, is er in alle mogelijke toestanden die in dit bestaan aanwezig zijn, een zekere vrijheidsgraad.
Sommige ontwikkelingen verlopen volgens een bepaalde wetmatigheid, andere daarentegen zijn als een mogelijkheid aanwezig waarbij een keuze kan worden gemaakt. De wetmatige ontwikkelingen zijn te voorspellen, maar die ontwikkelingen die worden gekenmerkt door een zekere vrijheid om te kiezen, zijn onzeker en onvoorspelbaar. Zij bepalen de vrijheidsgraad en het voorkomen van leerzame gebeurtenissen in het tijdelijke bestaan.
Die vrijheidsgraad moet er zijn, omdat dit bestaan anders een vastgelegd toneelstuk zou zijn, zonder mogelijkheden voor een persoonlijke inbreng. Alleen door deze persoonlijke inbreng door in vrijheid te kunnen kiezen, kan de geest wijzer worden door zelf ervaring op te doen en kan het geweten tot ontwikkeling komen, doordat de geest op de eigen verantwoordelijkheid kan worden aangesproken.
De menselijke geest is echter niet als enige op aarde, maar maakt deel uit van een samenleving. Iedere geest leeft in een netwerk van persoonlijke betrekkingen met anderen en daardoor is iedereen in zekere mate onderworpen aan de gevolgen van de vrijheid van handelen van alle geesten om zich heen. Iedereen is min of meer afhankelijk van de persoonlijke keuzes, die anderen vanuit hun persoonlijkheid maken. Dat veroorzaakt een zekere mate van onzekerheid in ieders bestaan.
Hoe meer die persoonlijkheden met elkaar overeenstemmen, hoe meer die personen keuzes maken die in overeenstemming zijn met die, welke
anderen zouden hebben gemaakt. In dat geval ervaren zij de richting die de loop der ontwikkelingen neemt, als voorspoed, als meewerkend
met hun eigen levenshouding en levensomstandigheden. Als die persoonlijkheden echter minder goed met elkaar overeenstemmen, dan ervaren anderen
de richting die de loop der ontwikkelingen neemt als tegenspoed, die ingaat tegen wat zij zelf zouden hebben besloten te doen. De
menselijke geest ervaart deze tegenspoed als de wederwaardigheden, die zich voordoen op de weg door het tijdelijke bestaan. Het zijn
de ongunstige lotgevallen, die op de geest toekomen in de tijd als stroom van gebeurtenissen.
Daardoor is er in de menselijke levenssfeer altijd een bepaalde verhouding tussen voorspoed en tegenspoed, tussen geluk en wederwaardigheden, tussen zekerheid en onzekerheid. Hoeveel onzekerheid en wederwaardigheden er ook zijn in het bestaan, er is altijd het vaststaande feit dat het de menselijke géést is, die dit ervaart. Die geest kan door zelfverwerkelijking en zelfbezinning in zichzelf ervaren te zijn gegrondvest in de goddelijke algeest; de enige ervaring die zekerheid verschaft temidden van de wederwaardigheden en onzekerheden in het tijdelijke bestaan.
Als de menselijke geest door wederwaardigheden onderworpen is aan de gevolgen van menselijk handelen van anderen, ervaart die de gevolgen van het gedrag van een bepaalde persoonlijkheid (zie aldaar). Daardoor kan de geest - vaak op zeer onaangename, maar daardoor wel indringende wijze - kennis maken met de gevolgen van ónvolmaaktheden in de persoonlijkheid van anderen, waardoor die persoonlijkheidskenmerken een diepe indruk maken. Deze onvolmaakte persoonlijkheidskenmerken hangen samen met de vermogens in de gehechte, zelfgerichte geestestoestand (zie: gehechtheid) of met de eenzijdig ontwikkelde vermogens, bijvoorbeeld het eenzijdig ontwikkelde uitgekeerde denken (zie aldaar). Soms maakt de geest kennis met de gevolgen van volmááktheden in de persoonlijkheid van anderen, met gewetensvol (zie: geweten) en deugdzaam (zie: deugden) gedrag. Samengevat is in alle gevallen de menselijke geest onderworpen aan het gedrag van anderen en maakt zo kennis met de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in alle toestanden van ontwikkeling. Eigen ondervinding daarmee is de beste leermeester om zelfkennis te verwerven.
Doordat het meestal noodzakelijk is dat gedrag te beantwoorden, leert de geest niet alleen door het gedrag van anderen wat de werkzaamheid van de geestelijke vermogens is, maar leert ook de eigen vermogens te gebruiken. Door het netwerk waarmee alle menselijke geesten met elkaar zijn verbonden, wordt de geest niet alleen bewust van de werkzaamheid van de vermogens en komt daardoor tot zelfkennis, maar leert ook met de vermogens werkzaam te zijn. Daardoor is het tijdelijke bestaan een leerschool voor zelfbewustwording en zelfverwerkelijking van de menselijke geest.
terug naar de woordenlijst - naar boven
wereld
Het woord 'wereld' is afkomstig van het oude 'weraldi', 'weer-al-tijd', letterlijk: de eeuwige (altijd)
oneindigheid (al) van de mens (weer, een oud woord voor mens). Een wereld is een ruimte in de vorm van een eeuwige oneindigheid, waarin
de mens verblijft en daar de tijd als stroom van gebeurtenissen ervaart.
De mens verblijft in een wereld, die overeenkomt met de geestesgesteldheid van de mens. Is er een lichaam als stoffelijk voertuig, dan is de geest tijdelijk in de stoffelijke wereld; is het voertuig de geestgedaante, dan is de geest in die geestelijke wereld waar de geest thuishoort, die zijn thuis is.
God als de alomtegenwoordige algeest zelf is de meest verheven wereld, die zich voordoet als een oneindige zee van geestelijk licht en warmte in de meest ijle toestand, zich uitstrekkend in de eeuwige oneindigheid. God vormt binnen die meest verheven wereld, die God zelf is, nieuwe werelden door verdichting van Gods eigen licht en warmte. Iedere wereld wordt noodzakelijk gekenmerkt door oneindigheid, maar de duur ervan ligt in Gods hand.
In iedere wereld bevinden zich die geesten, die, door de door hen bereikte geestesgesteldheid, met die wereld overeenkomen. Door geestelijke ontwikkeling neemt de trillingstoestand van de eigen warmte en het eigen licht toe. Daardoor gaat de geest naar een 'hogere', ijlere wereld en komt daardoor steeds dichter bij de goddelijke geestesgesteldheid.
Alle werelden bestaan volkomen door elkaar heen, maar hebben ieder hun eigen trillingstoestand van de geestelijke warmte en het geestelijke licht. Daardoor storen zij elkaar niet. Die trillingstoestand is hun graad van verdichting. De hoogste trillingstoestand is die van de algeest, de laagste die van het stoffelijke heelal. De menselijke geest kan door omvorming van de eigen geestesgesteldheid zich verbinden met de trillingstoestand van een 'lagere' wereld, doordat die de lagere trillingstoestand ooit zelf heeft meegemaakt.
Een 'wereld' wordt ook wel aangeduid met het leenwoord 'dimensie'. Het Latijnse 'dimensio' betekent: 'afmeting'. Iets wat is afgemeten heeft een beperking, het heeft namelijk een begin en een einde. Daardoor is het woord 'dimensie' ongeschikt om er het begrip 'wereld' mee aan te duiden. Een wereld wordt gekenmerkt door oneindigheid en zo door het ontbreken van afmetingen. Een wereld is juist ónmetelijk.
terug naar de woordenlijst - naar boven
werk, het
Met 'het werk' wordt bedoeld, dat de geest 'zichzelf als werk ter hand neemt'. Het werk betekent zelfopvoeding en het doel ervan is zelfverwerkelijking en hereniging.
Zichzelf als werk ter hand nemen of zichzelf opvoeden houdt in, dat de geest zo veel als mogelijk is bewust alle voorvallen, die in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen op de geest toekomen, opvat als oefeningen. Deze oefeningen behelzen het bewuste en beheerste gebruik dat de geest van de eigen vermogens maakt, om die gebeurtenissen te verwerken en zo staande te blijven. Daarbij gaat het erom zoveel mogelijk alle ervaringen nauwkeurig waar te nemen, ze grondig te overdenken en diep te doorvoelen, en het daarop aansluitende wilsbesluit vastberaden uit te voeren.
Door het werk van zelfopvoeding worden de geestelijke vermogens tot ontwikkeling gebracht. In de ontwikkelde toestand worden de vermogens in de ingekeerde toestand gekenmerkt door het geweten, in de uitgekeerde toestand door de deugden. De vorderingen bij het werk kunnen worden afgemeten naar het geduld, het begrip en de gelijkmoedigheid, waarmee alle gebeurtenissen worden verwerkt en naar het vermogen het lot te aanvaarden. Het werk begint te vorderen, wanneer de geest in staat is het innerlijke evenwicht te bewaren bij voorkomende wederwaardigheden en de gemoedsrust niet meer te laten verstoren door onaangename ervaringen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
werkelijkheid
Werkelijk is 'dat, wat werkt'. Dat, wat werkt is de geest door in zichzelf met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen, werkzaam te zijn.
Door de onbewuste vereenzelviging (zie aldaar) met het tijdelijke bestaan, verkeren aandacht en toewijding in een toestand van overdracht op de tijdelijke wereld. Door de overdracht van de eigen 'werkelijkheid' wordt alleen die tijdelijke wereld als de werkelijkheid gezien, als 'dat, wat werkt'; daar 'gebeurt het'. De stoffelijke wereld is wel een werkelijkheid, maar het is een tijdelijke werkelijkheid, bedoeld om de geest ertoe aan te zetten zichzélf als de eeuwige werkelijkheid te leren kennen.
Die eeuwige werkelijkheid is in de geest zelf onmiddellijk te herkennen door zich bewust te worden van de werkzaamheid van de geestelijke vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen, die in de geest zelf 'dat wat werkzaam is als het eeuwige leven' zijn.
terug naar de woordenlijst - naar boven
werkzaamheid, de beheerste
De beheerste werkzaamheid van de geest wordt gekenmerkt door het verloop van het waarnemen, denken,
voelen en willen.
Bij de beheerste werkzaamheid leidt de geest zichzelf door bewust en beheerst gebeurtenissen waar te nemen, de ervaringen ermee te overdenken, te doorvoelen en naar het gevormde redelijke en zedelijke oordeel te willen handelen. Deze werkzaamheid uit zich in zinvolle handelingen en uitspraken, die worden gekenmerkt door zelfbezonnenheid en gemeenschapszin.
Het gaat bij de beheerste en de onbeheerste werkzaamheid om dezelfde vermogens, alleen de manier, waarop ze in het gedrag en daarmee in de persoonlijkheid tot uiting komen is anders, namelijk beheerst of onbeheerst.
De geestelijke werkzaamheid moet ongestoord kunnen verlopen. Daartoe moet de geest niet meer worden geremd door onverwerkte ervaringen. Deze kunnen verdrongen zijn en ongemerkt de gedachten- en gevoelswereld beïnvloeden, en daardoor het denken en voelen storen, wat ook de werkzaamheid stoort. Daarnaast moet er een doel zijn om naar toe te leven. Alleen een duidelijk doel om naar toe te kunnen werken geeft richting en kracht aan de werkzaamheid van de geestelijke vermogens.
terug naar de woordenlijst - naar boven
werkzaamheid, de onbeheerste
De onbeheerste werkzaamheid van de geest wordt gekenmerkt door het verloop van: gewaarwording,
voorstelling, aandoening en aandrift.
Bij de onbeheerste werkzaamheid wordt de geest geboeid door zijn eigen gewaarwordingen en daarmee samenhangende voorstellingen, en gedreven door aandoeningen en aandriften. Deze werkzaamheid uit zich op driftmatige wijze in een streven naar zelf- en soortbehoud. De geest leidt niet zichzelf, maar wordt geleid door gebeurtenissen en omstandigheden, en kan er daardoor de speelbal van worden. Dit leidt tot onaangepast gedrag.
terug naar de woordenlijst - naar boven
wezen
Wezen is het tegenwoordige deelwoord van het werkwoord 'zijn' (bestaan). Het wezen als zelfstandigheid
betekent: het 'zijnde' als dat, wat is, wat bestaat.
In geestkunde is het wezen als 'dat, wat is', in het bijzonder de geest, die als het eeuwig levende altijd is. Met andere woorden, in geestkunde is de betekenis van het 'wezen': de geest.
terug naar de woordenlijst - naar boven
wijsheid
Wijsheid is een eigenschap van het vermogen om te denken, als dat volledig tot ontwikkeling is gebracht binnen een zelfverwerkelijkte geest. Wijsheid is de meest verheven uiting van het denken van een geest, waarin alle vermogens als een eenheid van met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende tegendelen werkzaam zijn. Doordat denken en voelen elkaars tegendelen zijn, geldt dat in het bijzonder voor de liefde. Wijsheid is het denken van een geest, die ook door liefde wordt gekenmerkt.
terug naar de woordenlijst - naar boven
willen
Het vermogen van de geest bewust en beheerst te kunnen handelen, zowel in zichzelf als ook in de buitenwereld.
Als de geest wil dan vorm de geest zelf in zichzelf de geestelijke warmte om in een zodanige warmtetoestand, wat dan een krachttoestand is, dat de geest in staat is om de gedachten en gevoelens, die door te denken en te voelen zijn gevormd, naar buiten toe te uiten en in een uitspraak of handeling vorm te geven.
De wilskracht is om te beginnen de kracht die de geest gebruikt als de voortdrijvende kracht achter het waarnemen, denken en voelen in zichzelf, en vervolgens ook achter het uitvoeren van de zo gevormde gedachten, gevoelens en besluiten naar buiten. De geest leidt de wilskracht met behulp van de overige vermogens, maar omgekeerd ontleent de geest de mogelijkheid om met hen werkzaam te zijn, aan de kracht van de wil. Waarnemen, denken en voelen zijn met andere woorden innerlijke wilshandelingen van de geest.
Het waarnemen staat aan het begin van de geestelijke werkzaamheid, het handelen, als een uitdrukking van het willen, aan het einde ervan. Maar omgekeerd kan de geest ook beginnen met te besluiten iets te willen waarnemen. De geest kan zich bewust zijn van een bepaald vraagstuk en besluiten, het nader te willen gaan onderzoeken. Het gebeuren begint dan met het bewuste willen en mondt vervolgens uit in een waarneming.
De wilshandeling is de uiting van een - door het denken en voelen gevormd - antwoord op iets, wat de geest eerst heeft waargenomen - bijvoorbeeld een bepaald vraagstuk. Door de verwerking ervan en de daarop volgende wilshandeling wordt daar iets aan veranderd. Vervolgens wordt een nieuwe waarneming noodzakelijk, om het gevolg van de handeling opnieuw met het denken en voelen te kunnen beoordelen.
Zo ontstaat in de geestelijke verwerking een kringloop. Door iedere wilsuiting in de vorm van een handeling of uitspraak, breng de geest een bepaalde verandering aan in de omgeving, die de geest weer wil waarnemen. De geest wil zien (waarnemen) en beoordelen (denken en voelen), wat die doet (willen)! De geest wil blijven waarnemen of het denken, voelen en willen zinvol zijn geweest en in overeenstemming met de eigen bedoelingen en de werkelijkheid om zich heen.
Door deze wisselwerking 'leeft' de waarneming als het ware van de wilsuiting en omgekeerd. Hoewel zij het begin en einde van de verwerking zijn, zijn zij in de kringloop van de vermogens daardoor toch met elkaar verbonden en houden elkaar voortdurend werkzaam.
In sommige levensbeschouwingen wordt gesteld dat het de wil is die denkt en voelt. Deze opvatting komt voort uit de eenzijdige vereenzelviging
van de geest met de wil. Daardoor wordt niet gezien dat het de géést is, die wil denken en wil voelen.
In de astrologie komt de betekenis van Mars overeen met het willen, in de I Tjing (I Ching) de betekenis van Kan (Kan). Kan betekent onder andere: 'moeite', 'inspanning', 'voortbeweging', 'toewijding'.
terug naar de woordenlijst - naar boven
willen, het ingekeerde
Het willen is in het algemeen de levenskracht, de ondernemingszin, de daadkracht, de zelfwerkzaamheid en de volharding. Als het willen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de ingekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op: handelend op willen treden vanuit de eigen gedachten- en gevoelswereld. Het ingekeerde willen is het willen van zichzelf.
De ingekeerd willende persoon: is onafhankelijk en zelfstandig, gaat het liefst alleen zijn of haar weg; wil baas zijn over het eigen leven en de eigen levenswijze; werkt het liefst zelfstandig als eigen baas; geeft graag leiding; heeft een grote dadendrang en treedt op als baanbreker, voortrekker; stelt strijdvaardig misstanden aan de kaak; heeft een krachtig geloof in zichzelf en in de eigen gedachtenwereld; is moedig maar kan ook overmoedig zijn; is zelfgericht en heeft de neiging eigen opvattingen als algemeen geldig te zien; is doelgericht en streeft naar onafhankelijkheid en zelfstandigheid, om de eigen gedachten- en gevoelswereld bij andere personen ingang te kunnen doen vinden en die zo te verwerkelijken; streeft er daardoor naar anderen te beleren, te leiden en de weg te wijzen, zo nodig met dwang; heeft door de zelfgerichtheid niet veel echte vrienden; voelt zich ontevreden over zichzelf, doordat men ook zelf wil voldoen aan het voorbeeld en daardoor steeds zichzelf beoordeelt (de leraar, politicus, perfectionist, de idealist).
Van de overige vermogens kunnen het denken en voelen ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de ingekeerd willende persoon.
De tegendelen van het ingekeerde willen, het waarnemen en de uitgekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de ingekeerd willende persoon ook: een gebrekkige zin voor de werkelijkheid heeft en daardoor soms niet ziet, dat de inspanningen om anderen te leiden een averechts gevolg kunnen hebben, door bemoeizucht en gebrek aan aandacht voor hun persoonlijke zelfstandigheid; niet meer ziet, wat hij of zij eigenlijk aan het doen is; remmend kan werken op anderen door de neiging de leiding te willen nemen; de kans loopt te worden teleurgesteld doordat de mensen niet zijn zoals hij of zij meent dat ze zouden moeten zijn, waardoor een minachtende, prikkelbare houding ontstaat; niet van het leven kan genieten (de wereldverbeteraar).
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal een (enneagram: een), in de Tarot bij de Magi?r (Magi?r) en de Koningin van Staven.
terug naar de woordenlijst - naar boven
willen, het uitgekeerde
Het willen is in het algemeen de levenskracht, ondernemingszin, de daadkracht, de zelfwerkzaamheid en de volharding. Als het willen op eenzijdige wijze in de persoonlijkheid tot ontwikkeling komt samen met de uitgekeerde instelling, dan is de geestelijke werkzaamheid gericht op handelend op willen treden in de buitenwereld. Het uitgekeerde willen is het willen voor de ander.
De uitgekeerd willende persoon: streeft ernaar in de buitenwereld zoveel mogelijk plannen uit te kunnen voeren en zaken te kunnen ondernemen; is de ondernemer die een zaak op wil bouwen; straalt gezag en bekwaamheid uit of wil die indruk wekken; heeft leiderseigenschappen en streeft naar macht en zeggenschap om anderen in beweging te kunnen brengen en leiding te geven; spoort anderen aan zich ook voor het bedrijf in te zetten en is in staat anderen geestdriftig te maken voor de goede zaak; is moedig en durft door te zetten als anderen zich terugtrekken, maar kan ook overmoedig zijn; kent door het eenzijdige, doelgerichte streven alleen onderscheid tussen slagen of mislukken, winnen of verliezen; breekt een onderneming af als die dreigt te mislukken en richt de aandacht dan op iets nieuws; verliest de belangstelling voor een zaak als die eenmaal is opgebouwd en gaat steeds weer op zoek naar een nieuwe uitdaging; is beter in opbouwen dan in voortzetten; streeft naar macht om een belangrijke, invloedrijke rol te kunnen spelen, daarmee te wedijveren met anderen en te streven naar erkenning; streeft naar de top om de vrijheid te hebben onbelemmerd te kunnen handelen; kent een grote dadendrang en onbeheerste werklust (de vrije ondernemer, de zakenman/vrouw, de politicus, de topsporter).
Van de overige vermogens kunnen het denken en voelen ook ontwikkeld zijn, maar zij worden gebruikt voor de doeleinden van de uitgekeerd willende persoon.
De tegendelen van het uitgekeerde willen, het waarnemen en de ingekeerde instelling komen het minst tot ontwikkeling, waardoor de uitgekeerd willende persoon ook: geen innerlijk, geestelijk leven heeft en er van familieleven nauwelijks sprake is; wel de grote lijn kan zien, maar geen oog heeft voor bijzonderheden; zich overgeeft aan zintuiglijke genietingen; de behoefte heeft de aandacht op zich te vestigen door rijkdom ten toon te spreiden en te streven naar erkenning; gebrek heeft aan onderscheidingsvermogen en lijdt aan een daarmee samenhangende zelfoverschatting; onechtheid in het gedrag vertoont door een aangeleerde rol te spelen met uiterlijk vertoon, waarmee op anderen een zelfverzekerde indruk tracht te worden gemaakt.
In de numerologie wordt deze persoonlijkheid beschreven bij het getal acht (enneagram: drie), in de Tarot bij de Rechtvaardigheid (Gerechtigheid) en de Koning van Staven.
terug naar de woordenlijst - naar boven
woord
De menselijke geest is in de ongevormde oertoestand een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte doen zich aan het geestesoog voor als een zacht trillende, beweeglijke toestand. Dit is, wat leven wordt genoemd.
Door de trillende toestand is er in het licht en de warmte sprake van vormbaarheid, zowel van binnenuit als van buitenaf. Van binnenuit oefent de geest een zelfvormende, scheppende werkzaamheid uit op zichzelf als lichtende warmte; en de geest kan zich ontvankelijk en vormbaar openstellen voor inwerking van buitenaf. Met de zelfvormende en vormbare eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Al waarnemend stelt de geest het licht vormbaar open voor inwerking van buitenaf, waardoor in de geest lichtbeelden als ervaringsbeelden worden gevormd; al denkend vormt de geest het eigen licht tot lichtbeelden, die dan denkbeelden zijn; al voelend stelt de geest de warmte open voor inwerking van buitenaf, waardoor de warmtetoestand, wat dan de gemoedsgesteldheid is, in overeenstemming komt met de buitenwereld; al willend vormt de geest de eigen warmtetoestand, wat dan een krachttoestand is, zodanig om, dat de geest in staat is de eigen gedachten en gevoelens in uitspraken en handelingen vorm te geven.
Een geestelijk vermogen doet zich in de geest voor als een trilling; een trilling van licht of van warmte. Doordat het licht trilt en daardoor beweeglijk is, kan de geest verdichtingen en verdunningen van licht in zichzelf of door inwerking van buitenaf laten plaatsvinden, waardoor het licht op sommige plaatsen helderder is dan op andere plaatsen. Zo kunnen lichtbeelden worden gevormd. Een 'beeld' is dat, wat wordt gezien.
Door de toestand van onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met de buitenwereld, ziet de geest met het geestesoog nauwelijks of niet deze lichtbeelden in zichzelf. Voor de onbewust vereenzelvigde geest lijkt het eigen innerlijk daardoor een donkere leegte; een innerlijke leegte die met het geestesoog wordt ervaren als de stoffelijke ogen worden gesloten voor de buitenwereld.
Het geestelijke licht komt voort uit de geestelijke warmte, als dat voldoende beweeglijk is geworden. De geestelijke warmte is ook een trilling. Als de geest een taal heeft geleerd, dan doet de trilling van de warmte zich aan het geestesoor voor als een geluid. Een 'geluid' is dat, wat wordt gehoord. De vorm van dat geluid komt overeen met de betekenis van het wel gevormde, maar min of meer onzichtbare lichtbeeld: de gedachte of de ervaring.
Een gedachte komt tot klinken in het innerlijk van de denkende geest. Het denken is niet als een lichtbeeld ervaarbaar voor de denkende geest, maar wel als de alleenspraak, waarmee de denkende geest de gedachten in zichzelf benoemt in de vorm van woorden. Aan het in zichzelf tot klinken komen van de eigen gedachten als woorden, kan de geest onmiddellijk de eigen denkwerkzaamheid, de werkzaamheid van het denkvermogen, herkennen.
In het huidige tijdperk, waarin de menselijke geest het verst van God is verwijderd, is de klank van het woord dat de geest in zichzelf vormt door te denken, de enige aanwijzing, waaraan de geest zichzelf, in de vorm van de werkzaamheid van het denkvermogen, onmiddellijk kan herkennen.
terug naar de woordenlijst - naar boven
|
|