inleiding
inhoud
deel 1: de geest zelf
deel 2: geest, ziel en lichaam
deel 3: de aanvangs-
toestand
deel 4: de geestelijke ontwikkeling
deel 5: de geestelijke hereniging
deel 6: verklarende woordenlijst
gedicht
teksten
voor de jeugd
over de schrijver
literatuur
contact
bestellen
gastenboek
agenda
colofon
links
























Verklarende woordenlijst Z
 
zede
Zede is het uit het voelen voortkomende, persoonlijke gedrag tegenover medemensen. Zede onderscheidt datgene, wat goed of kwaad is in uitspraken en gedragingen tegenover medemensen. Zedelijkheid is wellevendheid, menselijkheid.
Zede is het tegendeel van rede. De rede onderscheid datgene, wat juist en onjuist, waar en onwaar is in denkbeelden.
(terug naar index)

zelf
Het woord 'zelf' is een aanwijzend voornaamwoord, dat wordt gebruikt om nadruk te leggen op het onderwerp van de zin. "Ik heb het zelf gedaan" klinkt nadrukkelijker dan: "Ik heb het gedaan". Het woord 'zelf' verdubbelt als het ware het onderwerp: "Ik zelf heb het gedaan" betekent: "Ik, ìk heb het gedaan". Het woord 'zelf' verwijst naar de handelende persoon - de menselijke geest als het onderwerp - en met deze taalkundig juiste betekenis wordt het woord 'zelf' in geestkunde gebruikt.
In sommige levensbeschouwingen is het gebruikelijk geworden aan het woord 'zelf' nog een andere betekenis toe te kennen. Er wordt over gesproken alsof het een zelfstandigheid zou zijn en wordt daarom behandeld als een zelfstandig naamwoord in de vorm van 'het zelf'. Ook wordt er aangenomen dat er meerdere 'zelven' zijn, het 'zelf' en nog een ander zelf, dat met een hoofdletter wordt aangeduid: het 'Zelf'. Bovendien wordt er aangenomen dat er een 'lager zelf' en een 'hoger zelf' zou bestaan.
De oorzaak van dit verschijnsel is de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan. De geest is in die toestand onbewust van zichzelf en onbewust van de eigen geestelijke werkzaamheid. De geest is zich wel bewust van de waarnemingen die worden gedaan, maar niet van zichzelf als waarnemende geest. De geest lijkt in die toestand op het oog, dat al ziende zichzelf niet ziet.
De geest is zich in die toestand wel bewust van de gedachte die wordt gevormd, maar niet van zichzelf als denkende geest, die achter de gedachte staat en die de gedachte als een innerlijk lichtbeeld vormt. Door de onbewuste vereenzelviging gaan aandacht en toewijding in de gedàchte op. Aandacht en toewijding worden op de gedachte overgedragen, die daardoor de werkelijkheid wordt en de geest blijft zelf als een leegte onbekend achter.
Bovendien is door de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan iets pas echt een werkelijkheid, als het een stoffelijke vorm heeft gekregen. Datzelfde geldt voor woorden. Door de onbewuste vereenzelviging staat de geest niet stil bij het feit dat de geest zelf de énige, scheppende zelfstandigheid is die in zichzelf de denkbeelden vormt samen met de klanken, die er als woorden mee samenhangen. De woorden krijgen door deze geestesgesteldheid pas werkelijkheidswaarde, als ze in de tijdelijke wereld tot klinken worden gebracht door ze uit te spreken; en in het bijzonder door ze op papier af te drukken.
Door de levenservaring die de geest tijdens het verblijf in het stoffelijke bestaan opdoet, groeit bij sommigen de gedachte dat er toch zoiets als een innerlijke zelfstandigheid moet zijn, die de kern van de mens is. Dat is ook de bedoeling van dit bestaan! De tot een vorm van zelfbesef komende geest tracht die bevinding onder woorden te brengen om het denkbeeld van zichzelf bespreekbaar en tot een werkelijkheid te maken. Door de onbewuste vereenzelviging en het daarmee samenhangende ongeloof van de anderen, wordt er gekozen voor een woord, waarvan iedereen aanvoelt, dat dat woord naar iets wezenlijks in de mens verwijst: 'ik'.
Alle geesten bevinden zich echter in een ontwikkelingstoestand, die wordt gekenmerkt door een zekere onvolmaaktheid, want anders zouden deze geesten niet op aarde zijn. Het woord 'ik' wordt daardoor verbonden met deze onvolmaakte toestand. Er moet toch een woord zijn, dat de volmaakte toestand aanduidt. Die toestand wordt nu verbonden met een woord dat nauw met 'ik' samenhangt en er als het ware de verdubbeling van is: 'zelf'.
Wat vervolgens plaatsvindt is: zelfoverdracht. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging draagt de geest het zelfbesef over op een denkbeeld van zichzelf in de ziel: het zelfbeeld. Dit zelfbeeld wordt vervolgens aangeduid met het woord 'het ik'. Het beeld van de te bereiken volmaakte eindtoestand wordt aangeduidt met het woord 'het zelf'. Door deze zelfoverdracht komt de geest echter in een geestestoestand, die wordt gekenmerkt door het verschijnsel, dat de geest op een afstandelijke wijze over zichzelf denkt en spreekt. Deze afstandelijke denkwijze heeft bovendien de schijn wetenschappelijk te zijn.
Door op deze afstandelijke, schijnwetenschappelijke wijze over zichzelf te denken en te spreken, houdt de geest echter zelf de toestand van onbewuste vereenzelviging in stand, die het tegendeel is van het doel: zelfbewustwording, zelfverwerkelijking en hereniging.
Door op een afstandelijke wijze over zichzelf als het 'ik' en het 'zelf' - alsof die ergens aanwijsbaar zouden zijn - te blijven spreken, worden aandacht en toewijding naar buiten gericht, waar de geest zichzelf nooit zal vinden. Alleen door deze misleidende denkbeelden te doorzien en aandacht en toewijding op zichzelf als geest te richten door zelfbezinning, kan de geest 'tot zich zelf komen'; en zich daardoor bewust worden van de eigen zelfstandigheid als geest, die 'zichzelf' met het woord 'ik' aanduidt.
Wat de mens 'be-zit' (Hij 'zit op' de stoel of m.a.w.: hij 'bezit' de stoel) is van de mens onderscheiden. Door toch over zichzelf in de bezittende vorm te spreken (in de vorm van: 'mijn zelf'), spreekt de mens over zichzelf als over iets, wat de mens níet zelf kan zijn. Men kan immers alleen iets 'be-zitten' wat iets ànders is. Door op deze wijze over zichzelf in de bezittelijke vorm ('mijn zelf') als een bezit te blijven spreken, verspert de mens de weg naar zichzelf.
Over zichzelf als over 'het ik' of 'het zelf' spreken, is hetzelfde als over zichzelf als over 'het Jan' of 'het Maria' spreken. Het feit dat dit verschijnsel bestaat en dat de ongerijmdheid ervan niet wordt ingezien, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewustheid van de geest van zichzelf. Een geest die door zelfbezinning zichzelf heeft leren ervaren en kennen als de enige werkzame zelfstandigheid die in de eigen binnenwereld aanwezig is, zal nooit over zichzelf als over 'het zelf' kunnen spreken. Bovendien kan een zichzelf geworden geest buiten zichzèlf niet iets anders aantreffen in de eigen binnenwereld, wat nog weer een 'het zelf' zou kunnen zijn.
Doordat het woord 'het zelf' een begrip aanduidt, dat louter denkbeeldig is en niet ervaarbaar, is de weg vrij om er meerdere begrippen mee te verbinden. Niet alleen de ontwikkelde toestand wordt er daardoor onder verstaan, maar er is ook nog een onderscheid ontstaan, waarbij er vanuit wordt gegaan dat er een 'lager zelf' en een 'hoger zelf' zou zijn, waarbij dat laatste ook nog kan worden aangeduid door het met een hoofdletter te schrijven: 'het Zelf'. Deze afstandelijke spreekwijze klinkt wetenschappelijk, maar is een krachtige rem op zelfbewustwording door zichzelf als de ene geestelijke zelfstandigheid te ervaren door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens.
De geest, die zichzelf heeft ervaren door de werkzaamheid van de eigen, geestelijke vermogens, ervaart zichzelf als de eenheid, die zichzelf met het woord 'zelf' aanduidt.

Natuurwetenschappers hebben de bewuste keuze gemaakt zich alleen maar met de stoffelijke wereld te willen bezighouden. Die keuze heeft tot gevolg dat zij slechts de helft van de schepping bestuderen. Het begrip 'geest' is daardoor iets onbegrijpelijks voor ze. Vanuit deze houding is Freud waarschijnlijk doelbewust gaan spreken over louter denkbeeldige zaken als 'das Ich', 'das Selbst', 'das Es' en 'das Überich', terwijl hij in feite verschillende aanzichten van 'de geest' bedoelde. Dit misleidende taalgebruik verhindert effectief het begaan van de weg om door zelfbezinning zichzelf als geest te leren ervaren.
(Als mijn geestesoog is geopend zie ik mijzelf als geest, ik zie de inhouden van mijn geheugen als beelden en ik zie mijn geestelijke begeleiders, maar ik heb nog nooit iets gezien dat 'mijn ik' of 'mijn zelf' zou kunnen zijn.)
(terug naar index)

zelfbeeld
Het zelfbeeld is het beeld dat de geest - onbewust van de eigen, wezenlijke aard - van zichzelf vormt en in de ziel als een denkbeeld bewaart. Het zelfbeeld wordt gevormd op grond van de ervaringen die zijn opgedaan in de omgang met personen in de omgeving in het tijdelijke bestaan.
Het zelfbeeld betreft zelfkennis als de kennis van de tijdelijke persoonlijkheid, waarmee de geest in dit tijdelijke bestaan aanwezig is. Het wordt dan ook gekenmerkt door de ontwikkelingstoestand, waarin de geest zich bevindt. Deze ontwikkelingstoestand hangt samen met mate waarin de geest een bewust en beheerst gebruik heeft leren maken van de eigen, geestelijke vermogens.
(terug naar index)

zelfbeheersing
Zelfbeheersing is de ontwikkelde geestestoestand waarin de geest macht heeft gekregen over de eigen vermogens. Bewust en beheerst worden dan alle ervaringen waargenomen, overdacht en doorvoeld, waarop een zinvolle, gepaste uitspraak wordt gedaan of handeling wordt uitgevoerd.
Als de geest de vermogens tot ontwikkeling heeft gebracht door ze, zoveel als mogelijk is, bewust en beheerst te gebruiken, dan is het waarnemingsvermogen ontwikkeld tot schoonheidszin, tot zin voor orde en netheid, dan wordt het denken gekenmerkt door wijsheid en een streven naar de waarheid, het voelen door liefde en goedheid, en de wil door kracht en volharding.
In de zelfbeheerste toestand wordt het gedrag gekenmerkt door de uitingen van het geweten en de deugden.
Met zelfbeheersing wordt hier niet bedoeld de plichtmatige poging zich bij bepaalde gebeurtenissen 'in te houden'.
(terug naar index)

zelfbehoud, drift tot
Vanuit de aanvankelijke toestand van onbewustheid van de geest van zichzelf is het eerste onderscheid dat wordt gemaakt, dat tussen wat wordt beschouwd als tot zichzelf als persoon en het eigen bestaan behorend en dat, wat tot al het andere behoort. Het is het onderscheid tussen het eigene en andere, tussen mens en gemeenschap, tussen het persoonlijke en algemene, tussen eigenheid en gemeenschappelijkheid.
In overeenstemming met dit onderscheid is de geest in staat de richting van de werkzaamheid van de vermogens in te stellen op de binnen- en buitenwereld. De geest kan zijn ingesteld op de innerlijke zielewereld en het stoffelijke bestaan van het lichaam, en op de wijde omgeving. Hiermee hangt de in- en uitgekeerde instelling samen. Het is hierdoor dat ook de onbewuste vereenzelviging zich uitstrekt tot die twee te onderscheiden gebieden van het bestaan. Aan de ene kant tot het lichaam, het bezit, tot wat de persoonlijkheid wordt genoemd: het zelfbeeld, titel, beroep en aanzien, en tot huwelijke en gezin; aan de andere kant tot familie, vrienden, gemeente, volk en ras.
In de toestand van onbewuste vereenzelviging verkeert de geestkracht min of meer in een toestand van onbeheerste werkzaamheid of driftmatigheid. Dit is een toestand van aandrift, van onbeheerste gedrevenheid. De oorzaak van die gedrevenheid is door vereenzelviging met het eigene en met de omgeving ook daarin te vinden. Door vereenzelviging met het eigene en persoonlijke vanwege de ingekeerde instelling verkeert de geestkracht, afhankelijk van ontwikkeling en omstandigheden, in de vorm van de drift tot zelfbehoud; door vereenzelviging met het andere en gemeenschappelijke vanwege de uitgekeerde instelling in de vorm van de drift tot soortbehoud.
Deze beide driften zijn geen afzonderlijke krachten. Zij zijn twee aanzichten, twee geestesgesteldheden of geestestoestanden van de enkelvoudige geestkracht, die de geest zelf is. Zij bevindt zich in een bepaalde ontwikkelingstoestand van bewustheid en beheerstheid en komt alleen in de vorm van een van deze driften tot uitdrukking onder bepaalde, oorzakelijke, uitlokkende omstandigheden. Dit zijn omstandigheden die de geestkracht driftmatig maken en die kunnen aanzetten tot een streven naar zelf- of soortbehoud. De geestkracht uit zich dan in de vorm van een naar zichzelf of naar de ander gerichte, onbeheerste werkzaamheid van de vermogens, die zich voordoet in vaststaande, aangeboren vormen.
De geestkracht als drift tot zelfbehoud richt zich - in lichamelijke en geestelijke zin - in volgorde op het voortbestaan van de eigen stoffelijke vorm en het zelfbeeld. De geestkracht als drift tot soortbehoud richt zich daarentegen - ook in lichamelijke en geestelijke zin - op het voortbestaan van de stoffelijke, menselijke vormen om zich heen door geslachtsgemeenschap en op het gemeenschapsleven, dat met die mensen wordt gevormd als een eenheid van samenlevende personen.
In de driftmatige toestand is het de drift tot zelfbehoud die de geest het meest na staat en die uiteindelijk de doorslag geeft bij al het - driftmatige - handelen in de vorm van eten, vechten of vluchten. In noodtoestanden is er immers in dit bestaan niets zo werkelijk en doorslaggevend voor de mens als honger, dorst en lijfsbehoud.
In driftmatige toestand kunnen beide instellingswijzen op een lichámelijk of gééstelijk doel zijn gericht: op eten, drinken en geslachtsgemeenschap aan de ene kant of op het zelfgevoel van het zelfbeeld en het gemeenschapsleven aan de andere kant. Ontwikkelt de geest de eigen vermogens, dan uiten beide instellingen zich daarentegen voornamelijk geestelijk en wel als zelfbezonnenheid en gemeenschapszin.
(terug naar index)

zelfbeklag
De menselijke geest begint aan het tijdelijke bestaan in een bij voorbaat bestaande toestand van onbewuste vereenzelviging ermee. In de vereenzelvigde toestand kan de geest, op zoek naar geluk, gehecht raken aan dat, wat de geest zelf niet is. De geest kan gehecht raken aan de inhouden van de ziel, het lichaam en de wereld - zonder duidelijk te beseffen in deze toestand te verkeren. Het is voor het gevoel immers de gewone, vertrouwde toestand.
Alles in de omgeving wat de geest zelf niet is, is echter vergankelijk, tijdelijk, niet duurzaam. Alleen uit onwetendheid omtrent de ware, geestelijke aard van zichzelf, kan de geest ertoe komen zich daar toch aan te hechten. Door deze gehechtheid kunnen echter moeilijkheden ontstaan. Want dat, wat vergankelijk is, zal ook eens vergaan; wat tijdelijk is, zal eens ophouden te bestaan; wat stuk kan, gaat ook stuk; wat kan worden verloren, zal ooit verloren gaan. Het doel van het tijdelijke bestaan is ook in de eerste plaats een leerschool te zijn voor de geest om de geestelijke vermogens tot ontwikkeling te brengen door de door tijdelijkheid ontstane moeilijkheden op te lossen. Duurzaam geluk wordt op aarde alleen gevonden door die eigen, geestelijke groei.
Als de geest zich echter hècht aan wat tijdelijk is, zal de geest zich er onvermijdelijk eens van moeten onthechten. Maar daarnaast is de geest, door zich te hechten aan het vergankelijke, tegelijkertijd ook voorbij gegaan aan het ontwikkelen van het duurzame en blijvende van zichzelf: namelijk zichzelf als de vermogende geest. Daardoor heeft de geest niet leren bouwen en vertrouwen op het wezenlijke van zichzelf en is niet gaan leven vanuit het onvergankelijke in het hart. Noch is van daaruit de herenigen met de oorsprong tot stand gebracht, om op die wijze het eigen, geestelijke bestaan een vaste, duurzame grondslag te geven.
Als echter de binding aan het tijdelijke, wat het ook zij, wordt doorgesneden door de onafwendbare loop van het lot, dan betekent dat teleurstelling en leed. Verdriet is een begrijpelijk en invoelbaar gevolg van tegenslagen, van ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen, zeker als het menselijke verhoudingen betreft. Hoe hard dat echter ook klinkt, toch hangt dat verdriet voor een deel samen met vereenzelviging. Het is mede veroorzaakt door de eigen verknochtheid, de eigen verkleefdheid aan wat vergankelijk is - en door het als gevolg daarvan ontbreken van het wezenlijke, van een krachtig, innerlijk leven, verbonden met de geestelijke werkelijkheid van onze oorsprong.
Als de geest zo lijdt, dan lijd de geest in feite aan zichzelf, namelijk aan de eigen geestesgesteldheid, die van gehechtheid - voortgekomen uit de toestand van onbewuste vereenzelviging met het vergankelijke. De geest lijdt aan het eigen zelfbeeld en aan alles wat daarmee is verbonden, doordat dat is gebouwd op wat vergankelijk is. Ook is het daardoor, dat de geest zelf als het ware innerlijk moet meemaken, wat er uiterlijk met datgene gebeurt waaraan de geest zich heeft gehecht.
Wat de geest dan overkomt, is echter het gevolg van de èigen geestesgesteldheid. De diepste oorzaak van lijden is, dat de geest door onbewuste vereenzelviging en gehechtheid op het wezenloze is gericht, daardoor de verkeerde kant opkijkt, van onwezenlijke maatstaven uitgaat en waarden omkeert. Dat de geest zich innerlijk tracht te verenigen met wat het verst van het eigen wezen af staat, namelijk met het stoffelijke en met wat slechts tijdelijk bestaat. Dit is immers het meest onwezenlijke ten opzichte van zichzelf als geest.
De grondoorzaak van leed is tweeërlei: door niet-zelfbewustzijn tracht de geest zich wèl te verenigen met wat de geest zelf niet is en streeft daardoor níet naar zelfverwerkelijking en hereniging met datgene, waarmee de geest wezenlijk overeenstemt, met de geestelijke bron, God, waaruit de geest oorspronkelijk is voortgekomen!
Als de geest zich aan iets hecht, dan wordt daar een waarde aan gehecht, namelijk die van zichzelf. Dat betekent, dat het daardoor deel gaat uitmaken van het zelfbeeld en van dat, wat als de zin van het bestaan wordt gezien. Gaat dat andere echter stuk of verdwijnt de ander uit het bestaan, dan lijkt het door de gehechtheid alsof daarmee een deel van de zin van het eigen bestaan verloren gaat. Door de toestand van gehechtheid is de geest volstrekt afhankelijk geworden van de aanwezigheid van de ander of het andere. Het geluk, het zelfgevoel en de zin van het bestaan, zijn afhankelijk geworden van datgene, waaraan de geest zich gehecht. De geest heeft zichzelf daaraan overgeleverd. Terwijl daardoor tegelijkertijd de wezenlijke kern van het bestaan, zichzelf als menselijke geest, wordt verwaarloosd - het enig betrouwbare houvast temidden van het vergankelijke, het enige, wat wel duurzaam is in de stroom van veranderingen in de omgeving! Het enige, wat onmiddellijk blijvend geluk en vrede zou kunnen geven, als de geest het tot ontplooiing brengt door zelfopvoeding en het dan door zelfbezinning met de bron herenigt.
Als de geest zich nooit bij voorbaat al innerlijk heeft losgemaakt uit het onwezenlijke en tijdelijke door zelfverwerkelijking en zelfbezinning, dan zal de geest zich op een zeker ogenblik moeten onthechten als iets vergankelijks verdwijnt. Dit naderhand zich moeten losmaken uit de bindingen, wat de geest door de wederwaardigheden van het lot overkomt, deze gedwongen onthechting heet rouwen.
Rouwen is het moeten verwerken en leren aanvaarden van het feit, dat er niets bestendigs is in het stoffelijke bestaan. Rouwen is, dat de geest door omstandigheden wordt gedwongen te beseffen, dat juist de enige zekerheid temidden van al deze onzekerheden, de eindigheid ervan is. Diegene, die dit bewust vaststelt en bewust wil aanvaarden, is daardoor aangeland bij het enige blijvende in dit bestaan, de levende, menselijke geest zelf.

Als de geest, zoals beschreven, moet lijden door gehechtheid, dan wordt dat leed onbewust veroorzaakt door de eigen houding. De geest heeft zich immers vereenzelvigd met en daardoor waarde toegekend aan datgene, wat de geest zelf niet is. Het zal bovendien door de tijdelijkheid ervan nooit die waarde kunnen behouden. De tijdelijkheid van het vergankelijke is immers de onvergankelijke eigenschap ervan.
Deze tijdelijkheid hangt samen met de tijd, die een stroom van gebeurtenissen is. De veranderlijkheid en daarmee de vergankelijkheid die door dat stromen wordt veroorzaakt, is niet te veranderen. Zij is noodzakelijk voor geestelijke groei en daardoor een aanduiding van de geestelijke grondslag van het stoffelijke bestaan en de geestelijke zin ervan: zelfverwerkelijking en hereniging. Het enige wat de geest wel kan veranderen, is de eigen houding er tegenover. Door de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke is de geest zich van die mogelijkheid echter niet bewust. Daardoor komt de geest er niet toe de oorzaak van het leed in de eigen houding te zoeken, vervolgens iets aan de gehechtheid te gaan doen en zodoende geestelijk te groeien. Noch komt de geest ertoe te trachten de tijdelijkheid van dit bestaan te leren aanvaarden. Maar wel kan de geest daarentegen in een gemoedsgesteldheid van zelfbeklag terecht komen als iets verloren gaat waaraan de geest is gehecht en boos worden. Wordt namelijk de ware oorzaak van het leed niet gezien, dan kan de boosheid niet ergens op worden afgewenteld om die zo kwijt te raken. De geestkracht, die door deze aandoening in beweging is gekomen, zoekt dan in het algemeen een andere uitweg. In plaats van naar buiten, keert zij zich om en richt zich naar binnen. Van boos zijn op het ene wordt zij tot het beklagen van het andere! In dit geval is die ander de geest zelf. Als de geest niets buiten zichzelf kan aanklagen, dan kan de geest ertoe komen zichzelf te gaan beklagen.
Klagen komt voort uit de behoefte steun te zoeken bij de ander, door bij de ander gevoelens van medelijden op te wekken. Als de geest niet tegenover een ander, maar alleen tegenover zichzelf kan klagen, dan ontstaat er zelfbeklag door het besef te moeten lijden.
Lijden is: 'geleid worden' en in dit geval wordt de geest geleid door de eigen vereenzelviging. De geest lijdt als het bestaan machteloos moet worden ondergaan, als het de geest overkomt, als die er door gehechtheid aan is onderworpen. Lijden is een geestestoestand, die wordt gekenmerkt door een pijnlijk gevoel van onmacht om zelfwerkzaam in te grijpen, een toestand waarin de gebeurtenissen 'lijdelijk' moeten worden ondergaan.
Door zelfbeklag wordt steeds weer steun gezocht bij de èigen boosheid, waardoor die niet wordt verwerkt, maar integendeel wordt onderhouden en gekoesterd. De geest brengt daardoor zichzelf in de geestesgesteldheid van lijdelijkheid, gelatenheid, onwerkzaamheid en uiteindelijk van lijdelijk verzet: de lijdelijke vorm van boosheid.
Zelfbeklag hangt onverbrekelijk samen met de toestand van gehechtheid. Wanneer de banden met het vergankelijke moeten worden verbroken, veroorzaakt dat leed. Wanneer het niet lukt het leed te verwerken, kan de toestand intreden dat het leed wordt gekoesterd. Het is het koesteren van het leed, de pijn en het verdriet, en de opstandigheid, die ermee gepaard kan gaan, wat ook het meest de bevrijding van zichzelf uit deze toestand van gehechtheid in de weg staat.
Door zelfbeklag gaat de geest namelijk streven naar genoegdoening en als die niet wordt verkregen, gaat de geest weer troost zoeken. Waar wordt die gezocht? Toch weer in het tijdelijke, vanwege de onbewuste vereenzelviging ermee. Dáár wordt naar een oplossing gezocht, maar niet bij zichzelf en bij een verandering van de eigen houding tegenover de moeilijkheid. Het gevolg is, dat deze toestand van voortdurende onvrede zichzelf in stand houdt in een zichzelf bestendigende kringloop van vereenzelviging en teleurstelling, verdriet en boosheid.
Door opstandigheid tegen de veranderlijkheid van dit bestaan werkt de geest echter zichzelf tegen. De veranderlijkheid in dit stoffelijke bestaan heeft immers juist als zin, dat het de geest de gelegenheid geeft ervaringen op te doen en door die te verwerken geestelijk te groeien. Alleen door onbewustheid van zichzelf als geest kan de geest ertoe komen, zich tegen die vergankelijkheid en de geestelijke zin ervan te verzetten en zichzelf te gaan beklagen.
Door de diepere betekenis van de vergankelijkheid en de moeilijkheden die erdoor ontstaan, kan verzet ertegen ook nooit tot de oplossing van die moeilijkheden leiden. De onvolmaaktheid van het stoffelijke bestaan kan zin krijgen, als zij er de aanleiding toe is dat wordt gestreefd naar datgene, wat er - door zelfverwerkelijking en hereniging - als enige volmaakt in kan zijn, namelijk zichzelf als menselijke geest. Door zelfbeklag brengt de geest zichzelf in een toestand van lijdelijk verzet, in een gemoedstoestand van lijdzaamheid en ontmoediging. Dit zijn gevoelens, die de geest niet in beweging zetten, maar de geestkracht juist remmen. Deze geremdheid kan de gemoedsgesteldheid in een zwaarmoedige stemming brengen.
Zelfbeklag werkt geestelijke groei ernstig tegen. Door zelfbeklag en opstandigheid roept de geest namelijk een verzetshouding op. Deze heeft tot gevolg dat de geest niet meer verder wil en er geen 'zin' meer in heeft. Ergens geen zin in hebben wil zeggen, dat de geest de vermogens niet meer wil gebruiken en zich niet meer wil inspannen. De geesteshouding wordt er letterlijk onwillig door; de geest verlamt de wilskracht door zelfbeklag, waardoor hij of zij blijft steken in gedachten en gevoelens, zonder in staat te zijn ze uit te voeren. Het kan zijn dat wel wordt beseft wat te doen, maar het ontbreekt geheel aan zin, moed en wil om het ook uit te voeren.
Doordat de geest zichzelf verlamt, verzet de geest zich echter tegen zichzelf, want door dit lijdelijke verzet komt het bestaan op een dood spoor - waardoor de geest als het ware het slachtoffer wordt van de eigen houding.
Door zelfbeklag te koesteren, geeft de geest zichzelf een verzetshouding tegen de eigen bewustwording en mogelijkheid om tot zichzelf te komen. Een verzetshouding, die uiterst moeilijk is te doorbreken, omdat daarvoor het volle gebruik van de vermogens juist een voorwaarde is. Op deze toestand heeft het gezegde betrekking, dat de mens zelf zijn grootste vijand is: de mens verzet zich tegen zichzelf, tot eigen schade; de mens verlamt zichzelf door het tegenwerken van zichzelf. Een tegenwerking die ontstaat, doordat de geestelijke vermogens niet op het geestelijke, maar juist op het ongeestelijke, het vergankelijke zijn gericht.
Zelfbeklag wordt ook wel 'zelfmedelijden' genoemd. Dit woord houdt echter een tegenstrijdigheid in. Wie 'mede-lijden' heeft, lijdt mee met een ànder. Een gevoel dat met een ander is verbonden, kan niet op zichzelf worden gericht, dan is het geen 'mede-lijden' meer. De geest kan zelf lijden en kan zich daarover beklagen: 'zelfbeklag'; òf meelijden met een ander en dan 'medelijden' voelen.
(terug naar index)

zelfbewustzijn
Zelfbewustzijn is de bewustzijnstoestand waarin de geest verkeert, als de werkzaamheid van de ontwikkelde vermogens door zelfbezinning in de oorsprong van hun werking, de geest zelf, is ingekeerd.
Door de ontwikkeling van de vermogens en door zelfbezinning gaat de geest steeds meer bewust vanuit zichzelf als géést leven; want door de werkzaamheid van de vermogens in zichzelf te ervaren, komt de geest tot zelfbeleving en daardoor tot zelfbesef, tot zelfkennis. Alleen door zelfbezinning komt de geest tot kennis van zichzelf als de vermogende, uit zichzelf werkzame geest, de bewuste levenskracht.
Deze bewustzijnstoestand wordt blijvend, als de geest steeds de werkzaamheid van de vermogens in zichzelf ervaart en zo voortdurend in een toestand van zelfbesef verkeert. In deze toestand verblijft de geest voordurend in het innerlijke rustpunt, het eeuwige nú.
(terug naar index)

zelfbezinning
Zelfbezinning is de inkeer van de geestelijke vermogens in hun eigen oorsprong, de geest. Hierdoor ontstaat de toestand van zelfbewustzijn.
Door zelfbezinning kan de geest 'tot zichzelf komen', tot bewustzijn van zichzelf in het hart. Daartoe moeten om te beginnen alle onderwerpen buiten het bewustzijnsveld worden gesloten. Vervolgens moeten aandacht en toewijding worden verinnerlijkt door te beseffen, dat de geest niet dit lichaam is, noch de inhoud van de ziel; maar alleen de menselijke geest zelf, de bewuste, zelfwerkzame kracht, die nu deze woorden tot zichzelf spreekt; dat de geest de vermogende levenskracht is, die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en daar dan iets mee wil doen.
Door zich zo op het wezenlijke van zichzelf te bezinnen, maakt de geest de aandacht en toewijding eerst los van hun zintuiglijke verbondenheid met de buitenwereld; daarna maakt de geest ze los van de inhouden van de ziel; en ten slotte trekt de geest ze samen op zichzelf als het innerlijke middelpunt. Door die teruggaande beweging van de vermogens gaat de geest eerst van wereldbeleving tot beleving van de inhouden van de ziel; daarna komt het tot zelfbeleving, doordat de geest door deze inkeer weer tot zichzelf komt.
Met behulp van zelfbezinning als oefening komt de geest op den duur bewust en bezonnen te leven in het hart. Het hart is de geest zelf als middelpunt, het innerlijke rustpunt - en in dat midden moet de geest zijn! Alleen in zichzelf kan de geest zichzelf worden en zijn.
Door het bereiken van de zelfbezonnen toestand gaat de geest zichzelf ervaren als een brandpunt in de ziel. Bewustzijn en kracht, aandacht en toewijding hebben zich door de eigen zelfbezinning in zichzelf verenigd. De geest is tot zichzelf gekomen door de aandacht, het gerichte waarnemingsvermogen, te willen richten op zichzelf, de krachtbron, waardoor de geest nu zichzelf zuiver waarneemt. Willen waarnemen, bewuste kracht is het kernpunt. Dat waarnemen is het ervaren, in het innerlijk, van de aanwezigheid van de onzichtbare, bewuste kracht, die de geest zelf is: zelf-ervaring is zelf-waarneming, zelf-ondervinding, zelf-ontdekking, zelf-bewustwording.
Door de inkeer zijn aandacht en toewijding nu niet meer verdeeld over zichzelf en over wat zich in de ziel bevindt. Zij zijn in het hart een geestelijke eenheid geworden van bewustzijn en kracht. Door de geestelijke krachtsinspanning, waarmee de geest de aandacht op zichzelf gericht wil houden in het hart, is de geest 'innig' geworden. Deze innigheid maakt de waarde uit van zelfbezinning als oefening.
Niets meer of minder dan dit, bewuste kracht, de uiterste eenvoud, 'is de geest en wil de geest zijn'. In het eenzame midden van de eigen ziel, vindt zo de zoeker het gezochte... de zoeker zelf. Door deze zelfbewustwording worden zoeker en gezochte een. Door zelfbezinning wordt de aandacht, die door de wilskracht naar het hart is gevloeid, tot een zuiver, stil besef van eigen zelfstandigheid en tot een eenheidsbeleving van innerlijke schoonheid, waarheid, vreugde en kracht.
Laat de geest deze beleving van zichzelf, in deze wezenlijke toestand van eenvoud en zuiverheid, van zuiver 'zichzelf zijn', zoeken als de kernbeleving van het tijdelijke bestaan als mens: de beleving van de kern, die de geest zelf is.
De zelfbezinning is het 'vormen van de vormer', het 'bekrachtigen van de kracht' en het 'belevendigen van het levende', doordat de geestkracht op deze wijze in het bijzonder aan zichzelf werkt en zo zichzelf omvormt en laat groeien! De geest gebruikt tijdens de zelfbezinning de vermogens namelijk als zichzelf vormende scheppingskrachten. Door de zichzelf opbouwende en bestendigende kringloop van de vermogens, die de geest wezenlijk zelf is, kan de geest zichzelf door zelfbewustwording en zelfbekrachtiging steeds meer opstuwen tot de toestand van zelfverwerkelijking.
(terug naar index)

zelfgevoel
Het zelfgevoel is de gemoedstoestand die ontstaat, als de geest zichzelf beschouwt. Het is het gevoel van eigenwaarde.
(terug naar index)

zelfkennis
Door de werkzaamheid van de vermogens in zichzelf te ervaren, komt de geest tot zelfbeleving en daardoor tot zelfkennis. Deze zelfkennis betreft de geest als eeuwig wezen. Dit eeuwige wezen kan zichzelf gaan ervaren door geestelijke ontwikkeling: door zelfverwerkelijking, zelfbezinning en hereniging.
Er is ook een vorm van zelfkennis die beperkt is tot de tijdelijke persoonlijkheid, waarmee de geest als eeuwig wezen in dit bestaan naar de aarde is gekomen. Die tijdelijke persoonlijkheid is nodig om daarmee die ervaringen mee te kunnen maken, die nodig zijn om de volgende stap te kunnen zetten op de weg van geestelijke ontwikkeling.
(terug naar index)

zelfopvoeding
De menselijke geest begint dit bestaan niet alleen in de remmende aanvangstoestandtoestand van onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met dit bestaan, maar óók als een ontwikkelingsmogelijkheid. De geest bezit namelijk een geestelijke vormbaarheid, waarmee het vermogen om te leren samenhangt. Door dit leervermogen is de geest niet alleen opvoedbaar, maar ook in staat zichzèlf op te voeden door zich bewust te worden van de remmende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging en zich eruit te bevrijden.
Zelfopvoeding, zowel als opvoeding, is dé menselijke arbeid bij uitstek, het is 'het werk'. Het is immers een werk, dat niets dan menselijkheid tot gevolg heeft en is daardoor het meest zinvolle werk. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door middel van de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is aan kinderen van het bewuste en beheerste gebruik, dat de geest als opvoeder zèlf van de eigen vermogens maakt.
Hoe kunnen de geestelijke vermogens - en daarmee de persoonlijkheid - tot ontwikkeling worden gebracht? De vermogens kunnen alleen in de omgang met medemensen in het alledaagse bestaan, tot ontwikkeling worden gebracht. De mens wordt alleen mens door de omgang met de medemens en te leren van de ervaringen daarmee opgedaan.
Het waarnemingsvermogen wordt ontwikkeld door bewust open te staan voor dagelijkse ervaringen en met aandacht te luisteren naar wat door anderen wordt gezegd; het denken wordt ontwikkeld door te trachten de betekenis van die ervaringen te begrijpen, door ze verstandelijk te ontleden en ze door de rede te verbinden met overige ervaringen, waardoor het begrip toeneemt; het voelen wordt ontwikkeld door bewust een open gevoelshouding tegenover ervaringen aan te nemen, waardoor ze de geest persoonlijk kunnen raken en er met medemensen en medeschepselen wordt meegevoeld, meegeleefd; de ontwikkeling van het willen is een oefening in zelfbeheersing en geduld. Daarbij gaat het erom meester te worden over zichzelf als bewust vermogende geestkracht en de redelijke en zedelijke besluiten vastberaden uit te voeren.
Worden de vermogens tot ontwikkeling gebracht door ze zo veel als mogelijk is bewust en beheerst te gebruiken, dan wordt het waarnemingsvermogen ontwikkeld tot schoonheidszin, dan wordt het denken gekenmerkt door wijsheid, het voelen door liefde en wordt de wil krachtig. In de uitgekeerde instelling komt de werkzaamheid van de vermogens dan tot uiting door gemeenschapszin en de deugden, in de ingekeerde toestand door zelfbezonnenheid en het geweten. Dit zijn de persoonlijkheidskenmerken van een volwassen geestesgesteldheid.
(terug naar index)

zelfoverdracht
Zelfoverdracht is een bijzonderheid binnen het algemene verschijnsel van overdracht, veroorzaakt door de toestand van onbewuste vereenzelviging. Zelfoverdracht is het verschijnsel dat de geest door onbewuste vereenzelviging het zelfbesef overdraagt op een denkbeeld van zichzelf in de ziel: het zelfbeeld. Dit zelfbeeld wordt vervolgens aangeduid met aanduidingen zoals 'het ik', 'het ego' en 'het zelf', al dan niet met een hoofdletter geschreven.
Door zelfoverdracht komt de geest in een geestestoestand, die wordt gekenmerkt door het verschijnsel dat de geest op een afstandelijke wijze over zichzelf denkt en spreekt. Daardoor kan het wel komen tot inzichten over zichzelf als geest, verkregen door beschouwingen en overdenkingen, maar kan het door de afstandelijkheid niet komen tot zelfbeleving, zelfervaring en daardoor tot zelfkennis.
(terug naar index)

zelfstandigheid
Het woord 'zelfstandigheid' duidt de toestand aan, waarin de geest in staat is gebleken 'zelf-staande' te blijven in de tijd als stroom van gebeurtenissen. Door geestelijke ontwikkeling kan de geest in zichzelf een kracht opbouwen, waardoor de geest weerstand kan bieden aan de overweldigende kracht die bij tijd en wijle kan optreden door die stroom van gebeurtenissen.
De geest blijft zelfstandig zolang de geest bij zichzelf blijft. De geest blijft bij zichzelf door vertrouwen te blijven houden in zichzelf als de vermogende levenskracht en vast te blijven houden aan de eigen levensbeschouwing en wereldbeschouwing. Door het leven en de wereld te blijven zien in het licht van de eeuwigheid, blijft het besef behouden dat alle gebeurtenissen voorbijgaande levenslessen zijn die geestelijke groei als doel hebben; en door zich van zichzelf bewust te blijven als de geest, die een bewust en beheerst gebruik kan maken van de eigen vermogens, blijft het vertrouwen behouden uiteindelijk al die lessen te kunnen leren en de moeilijkheden te boven te kunnen komen.
Zolang de geest bij zichzelf blijft en daardoor vasthoudt aan het zelfbesef en aan de eigen levens- en wereldbeschouwing, kan de geest staande blijven temidden van de wederwaardigheden van het dagelijkse bestaan en zo de toestand in de hand houden. Zodra de geest aandacht en toewijding laat opgaan in de omstandigheden en zo zichzelf erin verliest, wordt de geest een speelbal van de gebeurtenissen, waardoor zij de overhand krijgen en de geest de zelfstandigheid verliest.
Bij zichzelf kunnen blijven betekent vast kunnen houden aan de eigen innerlijke orde van het geestelijke zelfbesef en van de levens- en wereldbeschouwing; het geestelijke zelfbesef verliezen betekent overgaan in de wanorde en ongewisheden van de dagelijkse gebeurtenissen en er door worden beheerst en meegesleept.
De moeilijkheid van het stoffelijke bestaan als leerschool voor de geest is echter, dat de gebeurtenissen in dit stoffelijke bestaan veel werkelijker lijken te zijn dan wat er in de èigen bìnnenwereld gebeurt en in zichzelf als géést. De moeilijkheid is om te leren in te zien, dat het doel van de zichtbare, stoffelijke wereld juist die onzichtbare, menselijke geest zèlf is. Dat onzichtbare lijkt onwerkelijk te zijn, maar het is allesbepalend! De geest is als levenskracht de kern van het bestaan en het doel ervan is de zelfstandigheid van die levenskracht, de menselijke geest, door geestelijke groei.
(terug naar index)

zelfvergeting
Zelfvergeting ontstaat door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan, waardoor er geen sprake meer is van zelfbewustzijn en de geest zichzelf als het ware is vergeten. De geest heeft dan geen weet meer van zichzelf en van de eigen, geestelijke werkzaamheid. Het innerlijk is voor de geest een leegte geworden. Door het ontbreken van zelfbesef, ontstaan door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, vloeien aandacht en toewijding weg uit zichzelf en gaan op in de omgeving.
(terug naar index)

zelfvertrouwen
Het zelfvertrouwen is het gevoel van vertrouwen in het gebruik, dat de geest van de eigen vermogens heeft leren maken. Daardoor heeft de geest een gevoel van innerlijke zekerheid gekregen zelf in staat te zijn alle voorkomende gebeurtenissen en levenservaringen te kunnen verwerken.
Dit gevoel van vertrouwen in zichzelf is het tegendeel van angst. Angst is een verlammend gevoel van onvermogen en het gevoel daardoor te zullen falen, waardoor naast faalangst een bedreigend gevoel van mogelijk onheil vanuit de buitenwereld ontstaat.
Zelfvertrouwen als het vertrouwen dat de geest stelt in het vermogen een bewust en beheerst gebruik te kunnen maken van de geestelijke vermogens bij het verwerken van levenservaring, is de gemoedsgesteldheid die hoort bij de zelfverwerkelijkte geestesgesteldheid.
(terug naar index)

zelfverwerkelijking
Zelfverwerkelijking is de eigen, bewuste bevordering van de groei in het zelfstandige en beheerste gebruik, dat de geest van de vermogens kan maken. Daardoor maakt de geest al doende zichzelf tot een 'werkelijkheid'. Een werkelijkheid is 'datgene, wat werkt'. In de zelfverwerkelijkte geestestoestand zijn de geestelijke vermogens door eigen inspanning tot volledige ontplooiing gebracht en daardoor werkzaam geworden als een eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen.
In de zelfverwerkelijkte geestestoestand wordt de werkzaamheid van de vermogens in de ingekeerde instelling gekenmerkt door het geweten; in de uitgekeerde instelling door de deugden.
In plaats van over 'zelfverwerkelijking' wordt er ook wel gesproken over 'zelfrealisatie'. 'Realisatie' hangt samen met het Latijnse 're', dat 'ding' betekent. 'Realisatie' of 'realiseren' betekent: tot een ding maken. Dat is voor de geest een onmogelijkheid. Waar het om gaat is in zichzelf de geestelijke vermogens tot werkzaamheid aan te zetten en zo zichzelf tot een werkelijkheid maken, tot iets, wat werkt.
Door het gebruik van het Latijn wordt wel de indruk gewekt wetenschappelijk en betrouwbaar te zijn, maar het Latijn is zeker niet geschikter dan het Nederlands om er geestelijke zaken mee te omschrijven.
Zelfverwerkelijking hangt weliswaar samen met 'heelwording', maar tussen beide is een wezenlijk verschil. Zelfverwerkelijking is geestelijke groei door eigen, bewuste inspanning; heelwording is geestelijke groei die lijdzaam en onbewust verloopt. Iedere menselijke geest die door de leerschool van het stoffelijke bestaan heen gaat, groeit geestelijk doordat de geest zich staande moet houden in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen, door die gebeurtenissen met de eigen geestelijke vermogens te verwerken. Zelfs als de geest door ongeloof deze betekenis van het tijdelijke bestaan afwijst, wordt toch, zij het langzaam, een geestelijke groei doorgemaakt. Deze geestelijke groei naar heelheid overkomt de geest op lijdzame wijze, vandaar het gebruik van het hulpwerkwoord van de lijdende vorm: 'worden'.
Zie ook 'zelfwording'.
(terug naar index)

zelfwerkzaamheid
De geest als eeuwige levenskracht wordt gekenmerkt door rust en beweging.
Volkomen uit zichzelf, op eigen kracht, kan de zelfverwerkelijkte geest zich uit de toestand van rust weer in beweging brengen, doordat ook tijdens de diepste rust de mogelijkheid van beweging in aanleg in de geest blijft bestaan. In de toestand van beweging kan de geest, uit zichzelf, zelfstandig als levenskracht werkzaam zijn door middel van de werkzaamheid van geestelijke vermogens. Vanuit die toestand van beweging kan de zelfverwerkelijkte geest zich ook weer tot rust brengen.
Heeft de geest de geestelijke vermogens geheel tot ontwikkeling gebracht als een eenheid van met elkaar samenwerkende en elkaar aanvullende tegendelen, dan wordt, door het bereikte innerlijke evenwicht, de werkzaamheid van de geest tegelijkertijd ook gekenmerkt door een diepe, innerlijke rust. De geest lijkt dan op een rustig brandend vuur, op een rustig voortstromende rivier of op een rustig voortdrijvende wolk.
(terug naar index)

zelfwording
De menselijke geest is in wezen een kiem, die de mogelijkheid in zich heeft zichzelf tot ontwikkeling te brengen. Die ontwikkeling betreft het bewust en beheerst gebruik leren maken van de geestelijke vermogens. Het leren vindt plaats in het tijdelijke bestaan, doordat door de tijd als stroom van gebeurtenissen leerzame ervaringen op de geest toekomen, die de geest door de vermogens te gebruiken, moet zien te verwerken. Doordat aan de geest in dit bestaan de vrije keuze wordt gelaten al dan niet iets met die ervaringen te doen, leert de geest de eigen vermogens zelfstandig te gebruiken. In die zin is het tijdelijke bestaan een leerschool voor geestelijke zelfstandigheid.
Om de geest in omstandigheden te plaatsen, waarin de geest volstrekt vrij is om te kiezen, wordt de geest bij de overgang vanuit de geestelijke wereld naar het tijdelijke bestaan op aarde, in een toestand gebracht van onbewustheid van zichzelf. Deze onbewustheid wordt veroorzaakt door de verbondenheid met het tegendeel van zichzelf, de stof, waardoor de geest zichzelf vergeet. Door die onbewustheid van zichzelf wordt het besef van werkelijkheid vanuit zichzelf overgedragen op het tijdelijke bestaan, waardoor de toestand van onbewuste vereenzelviging ermee ontstaat.
Door de onbewuste vereenzelviging is de geest voor zichzelf een innerlijke leegte en daardoor heeft de geest nu de volstrekte vrijheid zichzelf te vullen met zelfgekozen kennis en daarmee een geheel eigen levensbeschouwing op te bouwen. Vanuit die levensbeschouwing worden, met behulp van de geestelijke vermogens, bepaalde keuzes gemaakt. Door die keuzes ontstaat een bepaald gedrag dat weer invloed heeft op de omgeving. De geest wil nu zien of de eigen keuzes de gewenste gevolgen hebben. Daardoor ontstaat een kringloop, die wordt gevormd door het maken van keuzes door te denken en te voelen, het uitvoeren van de gevormde gedachten en gevoelens door uitspraken en handelingen door iets te willen doen, waarop weer het waarnemen volgt van de gevolgen die het gedrag in de omgeving heeft veroorzaakt, wat dan weer wordt overdacht en doorvoeld. Door deze kringloop, die wordt gevoed door de tijd als stroom van gebeurtenissen en door veranderingen daarin door met de eigen vermogens op die gebeurtenissen in te grijpen, leert de geest de eigen vermogens bewust en beheerst te gebruiken. Deze kringloop houdt zichzelf in stand doordat de menselijke geest in wezen het eeuwige leven is door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens.
Aanvankelijk is de menselijke geest onbewust van zichzelf werkzaam in de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen. Daardoor wordt dit bestaan niet gezien in het licht van de eeuwigheid, maar alleen vanuit het tijdelijke en stoffelijke standpunt. De diepere zin die alle gebeurtenissen hebben, wordt daardoor niet gezien, maar alles wordt toegeschreven aan een blind noodlot, aan toevallige samenlopen van omstandigheden, die schijnbaar zonder enige zin plaatsvinden. Van de innerlijke verrijking door het toenemen van het bewuste en beheerste gebruik, dat de geest van de eigen vermogens leert maken, is de geest zich niet of nauwelijks bewust. De geestelijke ontwikkeling die toch onvermijdelijk plaats vindt, wordt slechts vaag als zodanig ervaren. Deze geestelijke ontwikkeling, die zich onbewust in de geest voltrekt, is de zelfwording. De geest 'wordt zichzelf' door een lijdzaam gebeuren, doordat de geest in dit bestaan onderworpen is aan de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen. Als de geest in de toestand van onbewuste vereenzelviging deze uitleg aanhoort, wordt deze onmiddellijk verworpen door de onbewustheid van de geest van zichzelf. De onbewuste geest leert in dit bestaan ondanks zichzelf! Doordat er dan sprake is van een lijdzaam gebeuren, is dit een 'zelfwording'. Iedere geest, hoe onbewust ook en hoe lang het ook gaat duren, zal daardoor uiteindelijk het doel: zelfbewustwording, zelfbeheersing en hereniging met de goddelijke algeest, toch bereiken.
Dit in tegenstelling tot de zelfverwerkelijking. Als de geest naar eigen vrije keuze heeft leren luisteren naar de geestelijke leraren, die in alle tijden vanuit de geestelijke wereld naar de aarde zijn gekomen, dan kan de geest zich bewust zijn geworden van de zin van dit tijdelijke bestaan als leerschool voor de geest. Als de geest er dan toe overgaat dit bestaan te zien in het licht van de eeuwigheid, kan ertoe worden besloten zichzelf als werk ter hand te nemen en bewust zichzelf tot een werkelijkheid te maken door zich de werkzaamheid van de geestelijke vermogens bewust en beheerst eigen te maken: de zelfverwerkelijking.
(terug naar index)

zelfzucht
De toestand van ònbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden van dit bestaan kan die geestesgesteldheid uitgroeien tot een toestand van bewùste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin de geest zodanig in sommige zaken is opgegaan, dat zíj als het ware de baas over de geest zijn geworden. Of de geest het nu wil of niet, hij of zij móet dan bewùst naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven.
Hoe zien de geestelijke vermogens in deze toestand er uit? In deze gehechte geestesgesteldheid is de geest in zichzelf opgegaan en is de werkzaamheid van de vermogens voornamelijk op de geest zelf gericht. Deze zelfgerichtheid is de zelfzucht. In deze aanvangstoestand kan er daardoor op een onbeheerste en op een zelfzuchtige wijze gebruik worden gemaakt van de geestelijke vermogens.
In de zelfzuchtige geestesgesteldheid wordt het waarnemen gekenmerkt door hebzucht: alles wat de geest ziet, wil de geest dan hebben. Het denken wordt gekenmerkt door regelzucht: de geest wil alles regelen naar eigen inzichten. Het voelen wordt gekenmerkt door eerzucht: de geest is zo met zichzelf ingenomen, dat met alles wat de geest doet, eer moet worden verworven. Het willen wordt gekenmerkt door heerszucht: de geest stelt zichzelf in het middelpunt en alles wat gebeurt, moet gaan zoals de geest het wil.
De oorspronkelijke betekenis van het woord 'zucht' is: ziekte. Zelfzucht betekent een toestand, waarin de geestesgesteldheid ziek is door zelfgerichtheid. Zelfgerichtheid is het volstrekte tegendeel van de goddelijke orde van de schepping, die wordt gevormd door de éénheid van al het geestelijke, dat door verdichting uit de algeest is ontstaan. Al het verdriet en al het kwaad, dat de menselijke geesten elkaar en zichzelf aandoen, komt voort uit de zelfgerichte geestesgesteldheid.
De zelfzucht is de geestesgesteldheid van het oerkwade, waaruit alle andere kwaden voortkomen.
(terug naar index)

zevenvoudigheid
De goddelijke algeest wordt gekenmerkt door drievoudigheid (zie aldaar). Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de twee instellingswijzen (de in- en uitgekeerde instelling) nodig, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ìn God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal en het viertal, en niet zoals bij de mens door het zevental in de vorm van de zevenvoudigheid.
Worden de vier vermogens in de mènselijke geest werkzaam, binnen de bolvormige wolk van licht en warmte die de menselijke geest is, dan kan die werkzaamheid zich geheel bìnnen de geest afspelen, wat de ingekeerde instelling is of zich naar búiten richten, wat de uitgekeerde instelling is. Daardoor komt er bij de menselijke geest iets heel wezenlijks bij, verschillend van de algeest, namelijk de beide instellingswijzen. Maar bovendien komt er ook een aanduiding bij voor de geest als geheel, als de eenheid van de met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende tegendelen in die bolvormige wolk. Dit is nodig om de persoonlijke zelfstandigheid, eenheid en eigenheid te kunnen bewaren ten opzichte van alle ander geesten, doordat de menselijke geest zich door de uitgekeerde instelling in de buitenwereld zou kunnen verliezen en ook eenzijdig zou kunnen worden door de eigenschappen van de tijdelijke persoonlijkheid. Dit is iets, wat bij de algeest niet nodig is, daar de algeest niet anders kàn zijn dan één.
Bij de menselijke geest als algeestvonk, als vonk in de algeest, doet zich daardoor een zevental van kerneigenschappen voor: de geest als geheel, de vier vermogens en de beide instellingen. Dit is een beschrijving van de 'oertoestand' of 'rusttoestand' van de vermogens, waarin de vermogens zelf in een enkelvoudige, níet samengestelde toestand verkeren (zie de 'negenvoudigheid', waarin de vermogens in een sámengestelde toestand verkeren).
De zevenvoudigheid van de vermogens is er de oorzaak van dat als de menselijke geest zich gaat ontwikkelen, er ook sprake is van een zevenvoudige opgang naar de goddelijke algeest. De geestelijke ontwikkeling van de mens kent daardoor zeven treden van ontwikkeling.

De mysticus Jacob Boehme beschrijft de menselijke geest als de 'zevengeest'. Hij ziet de geest als een eenheid van zeven wielen, die door elkaar heen draaien in één naaf. Gezamenlijk vormen zij daardoor een bol. Bovendien bezit ieder wiel alle zeven eigenschappen van de geest, maar heeft in ieder wiel één van de vermogens de nadruk.
In de astrologie vertegenwoordigt de Zon de geest als geheel, de Maan het waarnemen, Mercurius het denken, Venus het voelen, Mars het willen, Jupiter de uitgekeerde en Saturnus de ingekeerde instelling. De zeven planeten vertegenwoordigen de zeven kenmerken van de menselijke geest.
De acht trigrammen van de I Tjing zijn de eigenschappen van de geest in de ènkelvoudige, niet samengestelde toestand, wat blijkt uit hun beschrijving in de I Tjing. Tjièn en Koen vertegenwoordigen samen de geest als geheel. Tjièn en Koen duiden de mannelijke (jang) en vrouwelijke (jin) eigenschappen van de zich ontwikkelende geest aan en deze geest is Tao, zoals vermeld in de oertekst van de I Tjing. Doordat zij bij elkaar horen vormen zij een eenheid, zodat er toch sprake is van een zevenvoudigheid. Li is het waarnemen, Kan het willen, Tsjen het denken, Soen het voelen, Twéi de uitgekeerde en Ken de ingekeerde instelling.
(terug naar index)

ziel
Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens straalt de geest een vormbaar krachtveld om zich heen uit: de ziel. De geest is de bron van de ziel.
Ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin de voortbrengselen van dat vermogen worden bewaard, bijvoorbeeld kennis in de uitstraling van het waarnemen, gedachten in de uitstraling van het denken, kleuren in de uitstraling van het voelen, wilsbesluiten in de uitstraling van het willen.
De ziel bestaat uit zeven uitstralingen: vier van het waarnemen, denken, voelen en willen; twee van het vermogen de richting van hun werkzaamheid naar binnen of naar buiten te keren, en een uitstraling van de geest als geheel, nodig om de werkzaamheid van de overige zes tot een eenheid te maken en te houden.
Wil de geest vrij kunnen zijn om voortdurend in zichzelf zelfscheppend werkzaam te kunnen zijn, dan moet de geest de voortbrengselen van de werkzaamheid uitstralen. Dat is de oorzaak van het bestaan van de ziel. Alle ervaringen en kennis, gedachten en wilsbesluiten worden in de ziel als het geheugen bewaard. Doordat de ziel de eigen uitstraling van de geest is, kan de geest daardoor steeds over de eigen kennis en gedachten blijven beschikken.
De ziel is het inwendige, de binnenkamer, de binnenwereld, overeenkomstig de oude betekenis van het woord. Het woord 'ziel' is namelijk afkomstig van het Gotische woord 'salida', dat betekent: woonruimte, onderkomen, zaal. De geest woont in de ziel, die een uitstraling is van de geest zelf. De geest vormt zelf de eigen woning, letterlijk: de ziel.
Het Latijnse woord 'aura' betekent: uitwaseming. Het hangt samen met 'aurum' (goud) dat betekent: uitstraling. De woorden 'aura' en 'ziel' duiden hetzelfde verschijnsel aan.
De ziel is het overdrachtsmiddel tussen geest en lichaam. De ziel als uitstraling van de geest is een vormbaar krachtveld. Daarin bevinden zich niet alleen de voortbrengselen van de geestelijke werkzaamheid in de vorm van bijvoorbeeld denkbeelden, maar ook de gewaarwordingsbeelden van de omgeving, die door de zintuigen heen de ziel bereiken. Deze gewaarwordingsbeelden worden in de ziel 'voor de geest gesteld' en zijn daarom de voorstellingen van de omgeving, die de geest, in het midden van de ziel verblijvend, vervolgens waarneemt.
De stoffelijke ogen zijn de camera's, die door de geest op een voorwerp worden gericht. Door de oogzenuwen heen bereikt een afbeelding van het voorwerp een aantal cellen van de hersenschors. Als deze worden geprikkeld, zenden zij een electromagnetisch veld om zich heen uit, dat in de ziel wordt omgezet in een inwendig lichtbeeld. Dit lichtbeeld is een afbeelding van wat door de ogen in de buitenwereld is gezien. De ziel is als het ware het beeldscherm in de binnenwereld, waarop het waargenomen beeld van de buitenwereld volkomen natuurgetrouw wordt afgedrukt. De beelden op dat beeldscherm worden vervolgens door de geest, die in het midden van de ziel verblijft, waargenomen.
De geest bevindt zich in de schedel als het ware in een geblindeerd voertuig, het lichaam. De geest bevindt zich binnen de schedel in de voorhoofdskwabben van de hersenen en neemt van daaruit de beelden waar, die op het beeldscherm van de ziel verschijnen. Naar aanleiding van die beelden neemt de geest besluiten en bestuurt de geest het voertuig, het lichaam.
Tijdens het vierde Concilie van Konstantinopel in 869-870 werd besloten, geheel ingaande tegen de oude, juiste opvatting, dat de mens alleen bestaat uit een ziel en een lichaam. Canon 11: De mens heeft een rationele en intellectuele ziel. Sinds die tijd neemt in het spraakgebruik het woord 'ziel' de plaats in van het woord 'geest'. De ziel zou de 'kern' van de mens zijn, de ziel zou het 'leven' zijn en ook de 'persoon' betekenen. Dit besluit, dat niet met de ervaarbare werkelijkheid in de geestelijke wereld overeenkomt, is de oorzaak van een diep ingrijpende begripsverwarring.
Het is door deze verwarring dat bijvoorbeeld wordt gezegd, dat de 'ziel' een 'geestelijke' ontwikkeling meemaakt of dat in de aanvangstoestand van de ontwikkeling over de mens als over de 'ziel' wordt gesproken en aan het eind over de 'geest'. Ook wordt wel de mening geuit dat de geest mannelijk is en de ziel vrouwelijk of dat de geest hoger is en de ziel lager.
In geestkunde is het de geest die met behulp van de eigen geestelijke vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de bron van zichzelf: de goddelijke algeest.
(terug naar index)

ziel, etymologie
De etymologische beschrijving van de betekenis van het woord 'ziel', komt volkomen overeen met wat met het geopende geestesoog daarover in de geestelijke wereld kan worden waargenomen.
Het Oudnederfrankische woord 'sela', 'ziel' hangt samen met het Gotische woord 'saiwala', met de betekenis: 'binnenzeetje', 'meertje', een verkleinwoord van het Gotische 'saiws': 'binnenzee', 'meer'. De 'ziel' hangt samen met de 'zee', met het water dat door een andere kracht kan worden bewogen: door de wind en door eb en vloed. De ziel als uitstraling deed zich aan mijn geopende geestesoog inderdaad als een soort 'binnenzeetje' voor: een waterachtig beweeglijke en bontgekleurde lichtruimte om de mens heen.
Het Oudnederfrankische 'sela' hangt ook samen met 'selitha' en het Gotische 'salida', die beide: 'woning', 'vertrek', 'zaal' betekenen. Een 'zaal' is een 'inwendige ruimte' in een huis en een van de betekenissen van het woord 'ziel' in het hedendaagse Nederlands dat hiermee samenhangt is: de inwendige ruimte van voorwerpen, zoals de ziel van een fles of van de loop van een kanon.
Een Middelnederlands woord voor een bepaald vrouwenkledingstuk, een nauwsluitend jasje, is: 'zieltje' of 'lijfje'. Het geestesoog ziet de ziel inderdaad als een soort lichtende bekleding, een gekleurde jas, een omhulling van de geest en het lichaam.
Het Gotische woord 'saiwala' hangt samen met het Oudgriekse 'aiolos' dat: het 'beweegbare', 'veranderlijke', 'fonkelende' betekent. Deze betekenis hangt weer samen met het Latijnse 'aura', dat 'uitwaseming', 'uitstraling', 'glans' betekent; het woord 'aura' is als leenwoord in het Nederlands de gangbare benaming voor 'ziel' als zichtbare uitstraling geworden. Dit zijn voor het geopende geestesoog duidelijk herkenbare omschrijvingen van de ziel als uitstraling van de geest.
Hiervan uitgaande betekent het woord 'ziel': een woonruimte in de vorm van een beweeglijke, gekleurde uitstraling. Een uitstraling ('aura') kan alleen uit een bron afkomstig zijn. Deze bron woont zelf in de eigen uitstraling en kan die ook in beweging brengen. De bron van die uitstraling is de geest als 'het van leven bruisende'. Met andere woorden: de geest als bron is de oorzaak van de ziel als uitstraling, de zelfgevormde 'woning' van de geest.
(terug naar index)

zinnen
De zinnen zijn de geestelijke vermogens als de zin voor de werkelijkheid (waarnemen), waarheidszin (denken), saamhorigheidszin (voelen), ondernemingszin (willen), gemeenschapszin (de uitgekeerde instelling) en 'zelfzin' (de ingekeerde instelling). Door zich te bezinnen op de gebeurtenissen om zich heen en die met de geestelijke vermogens, de zinnen, te verwerken en daardoor te groeien, vervult de geest de zin van dit bestaan.
Het woord 'zinnen' duidt de geestelijke vermogens aan, zoals uit het volgende blijkt. Als de geest ergens de zinnen op heeft gezet, dan betekent dat, dat de geest door waar te nemen en dat te overdenken en te doorvoelen een bepaald besluit heeft genomen en dat wil uitvoeren. Wanneer de geest echter geen opwekkende gedachten of gevoelens meer heeft, dan heeft de geest er geen zin meer in en ontbreekt het aan de zin om iets te gaan doen. Gaat datgene wat er gebeurt niet naar de zin, dan komt het gebeurde niet overeen met de gedachten, gevoelens en besluiten. Kan de geest die tegenslag niet goed verwerken, dan kan de geest eigenzinnig worden, niet van die tegenslag willen leren en de eigen zin, de eigen gedachten, gevoelens en besluiten willen doordrijven. De geest stelt dan alleen vertrouwen in de eigen vermogens en wil niet luisteren naar wat anderen te vertellen hebben. Lukt het dan nog niet, dan kan de geest zelfs buiten zinnen raken, niet meer goed kunnen nadenken, ongevoelig en onbeheerst worden. Totdat de geest, zo nodig door ingrijpen van anderen, weer tot bezinning komt, weer tot zichzelf en alle vermogens en zich op het vraagstuk gaat bezinnen door de vermogens erop te richten. Heeft de geest door te denken en te voelen de betekenis van het gebeurde begrepen, dan heeft de geest de zin ervan ingezien en kan er dan een zinvol antwoord op geven.
De wijze waarop de geest van de vermogens gebruik maakt, komt tot uitdrukking in de gezindheid. De gezindheid is de richting waarin de geest het waarnemen, denken, voelen en willen zich beweegt. In geestkunde gaat het om de poging van de geest zelf de gezindheid af te wenden van het vergankelijke en om te vormen in de richting van het geestelijke. Eerst als dat is gelukt, kan de geest zich uiteindelijk 'op zichzelf gaan bezinnen' door zelfbezinning te oefenen, door als geestelijke oefening al het waarnemen, denken, voelen en willen op zichzelf te richten en van daaruit op hereniging met de oorsprong. Door die hereniging is de geest het meest zichzelf en daardoor kan de zin van het bestaan worden gevonden. Tijdens die hereniging kan de geest in zinsverrukking geraken en van daaruit het meest zinnig weer bezig zijn in het tijdelijke bestaan.
Door de onbewuste vereenzelviging met de stoffelijke vorm, het lichaam, is de geest zich niet duidelijk bewust van het onderscheid tussen de eigen zinnen als de vermogens en de zintuigen, die de stoffelijke werktuigen zijn, waarmee de geest zich met de buitenwereld verbindt. Daardoor wordt de betekenis van deze woorden door elkaar gehaald en over 'zinnelijkheid' gesproken als 'zintuiglijkheid' wordt bedoeld.
(terug naar index)

zintuigen
De zintuigen zijn de werktuigen van de zinnen, de geestelijke vermogens. De zintuigen zijn de stoffelijke verbindingskanalen tussen de buitenwereld en de binnenwereld van de ziel, waardoor inlichtingen over de buitenwereld de geest als zintuiglijke gewaarwordingen kunnen bereiken.
De betekenissen van de woorden 'zinnen' en 'zintuigen' liggen ogenschijnlijk ver uit elkaar, maar zijn toch nauw met elkaar verbonden. Waarnemen is immers - naast het waarnemen van ingevingen - een zich openstellen voor zintuiglijke indrukken, ervaringen. Het is op deze wijze verbonden met het lichaam. Het voelen is daarentegen een zich openstellen voor ervaringen met andere mensen, levende wezens en hun omstandigheden, en is meer geestelijk. Ook geestelijk is het denken als het behandelen van ervaringen en voorstellingen. Terwijl het willen vervolgens weer het behandelen, het beïnvloeden van de hersenschors is en van de daarmee verbonden spieren, en op deze wijze ook met het lichaam is verbonden.
Begin en einde van de verwerkingsboog hangen op deze wijze nauw met het lichaam samen. De 'zin-tuigen' zijn, om het met andere woorden te zeggen, de lichamelijke 'werktuigen' van de 'zinnen'. Het zijn de werktuigen van de vermogens, waarmee de geest ze in verbinding kan stellen met de stoffelijke buitenwereld. De reukzin bijvoorbeeld is het waarnemingsvermogen van de geest om geuren te onderscheiden, terwijl het reukzintuig zich in de neus bevindt.
Het is door de onbewuste vereenzelviging dat waarden worden omgekeerd en de betekenis van de zinnen als de vermogens wordt overgedragen op de zintuigen. Daardoor wordt gesproken van 'zinnelijkheid', als in feite 'zintuiglijkheid' wordt bedoeld.
(terug naar index)

zonde
Het woord 'zonde' betekent: overtreding, schuldig zijn. Het woord is afkomstig van het tegenwoordig deelwoord van 'zijn': 'zijnde', met de betekenis: 'hij, die het is', 'hij, die schuldig is'. Zondigen betekent: de wet overtreden, zich buiten de orde plaatsen, van het rechte pad afwijken, het doel missen.
Gezien in het licht van de eeuwigheid betekent zondigen: zich buiten de goddelijke orde van de schepping plaatsen. De goddelijke orde van de schepping wordt gevormd door de werkzaamheid van de tot ontwikkeling gebrachte vermogens: naar binnen toe in de vorm van het geweten, naar buiten toe in de vorm van de deugden; en in de vorm van het streven van de ontwikkelde vermogens: het streven naar schoonheid van het waarnemen, het streven naar waarheid van het denken, het streven naar goedheid van het voelen en het streven naar vastberadenheid van het willen.
De menselijke geest kan op twee manieren zondigen: bewust en onbewust. Bewust zondigt de geest door zelfzuchtig toe te geven aan de eigenschappen van de onontwikkelde vermogens in de gehechte toestand: de hebzucht van het waarnemen, de regelzucht van het denken, de eerzucht van het voelen en de heerszucht van het willen. Daardoor wijkt de menselijke geest bewust af van het rechte pad dat voert naar de goddelijke orde van de schepping en hier is de geest zelf verantwoordelijk voor zijn of haar daden. De zelfzucht is dé zonde.
Onbewust zondigt de mens door de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan. Daardoor wijkt de geest van het rechte pad af door de werkzaamheid van de vermogens in de onbeheerste toestand, door zich te laten boeien door gewaarwordingen en voorstellingen, en zich te laten drijven door aandoeningen en aandriften. Ook daardoor wordt de goddelijke orde van de schepping verstoord, maar meer uit onvermogen en zonder zelf te beseffen wat er wordt gedaan. In een toestand van onwetendheid kan de mens niet verantwoordelijk worden gesteld voor zijn of haar daden: men weet niet wat men doet.
Deze laatste vorm van zonde is wat er onder 'erfzonde' wordt verstaan. De erfzonde is de algemene en van tevoren bestaande toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke, stoffelijke bestaan, waarmee ieder mens, zonder het te weten, aan dit bestaan begint. Deze toestand houdt echter de bijzonder opdracht in die voor de menselijke geest geldt: zich uit zichzelf hiervan bewust worden en vervolgens bewust gewild zich hieruit willen bevrijden, en door de arbeid die dat vergt de geestelijke vermogens bewust en beheerst leren gebruiken.
(terug naar index)