3  De geestelijke aanvangstoestand


"De geest weet zelf niet wat de geest is."
Cicero, Romeinse filosoof (106 - 43 v.Chr.)

De toestand dat de menselijke geest, door indaling in het lichaam, zonder het te weten in een toestand van bewustzijnsvernauwing komt te verkeren en daardoor onbewust is geworden van het bestaan van zichzelf als geest; dat is er de oorzaak van dat de geest zich onbewust vereenzelvigt met lichaam en omgeving.

3.1 De geestelijke ontwikkeling naar zelfverwerkelijking en hereniging begint vanuit een tegenovergestelde toestand, wat de aanvangstoestand is, de jeugdtoestand. Dit is een toestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke, tijdelijke bestaan.
Er is in dit stoffelijke bestaan namelijk niets, wat jou je bewust laat worden van jezelf als geest. Door die onbewustheid van jezelf worden je aandacht en toewijding naar buiten getrokken door de overweldigende zintuiglijke indrukken, die jou vanuit de buitenwereld bereiken. Daardoor gaan jouw aandacht en toewijding helemaal in de buitenwereld op. Je draagt jezelf als het ware op de buitenwereld over, de zelfoverdracht, zonder dat te beseffen.
Onbewust vereenzelvig je je daardoor met je omgeving. Daardoor voel je, terwijl je de géést bent, je toch één met dit stóffelijke bestaan en daardoor denk je, dat het stoffelijke het enige is, wat er is.

3.2 Door deze onbewuste vereenzelviging met wat je zelf, als geest, níet bent, worden waarden omgekeerd. Daardoor wordt de waarde van het stoffelijke boven het geestelijke verheven. Daardoor heb je voor het stoffelijke en tijdelijke dan de meeste belangstelling, terwijl je aan jezelf als geest, het wézenlijke en eeuwige, onbewust voorbijgaat!
Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, zíe je ook alleen dit bestaan en blijft de geestelijke werkelijkheid voor je verborgen; maar daardoor zie je in feite slechts de hélft van de werkelijkheid - met alle gevolgen van dien voor je beoordeling van de zin en de waarde van dit stoffelijke bestaan.
Deze onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke, met wat je zelf, als geest, niet bent, is daardoor het kernvraagstuk van jezelf als menselijke geest. Het is ook alleen daardoor dat je je op een gegeven ogenblik de vraag kunt gaan stellen: "Wie ben ik eigenlijk?"

3.3 Hoe zien nu in deze toestand van onbewuste vereenzelviging de vermogens en daarmee de persoonlijkheid eruit? In deze toestand ben je je nog niet helemaal bewust van al je vermogens en daardoor beheers je ze ook nog niet volledig.
Door de onbeheerstheid van je waarnemingsvermogen kan je aandacht worden geboeid door de zintuiglijke gewaarwordingen, die door je zintuigen bij je binnenkomen, waardoor je je aan hen overgeeft en door hen laat leiden.
Door de onbeheerstheid van het denken kan je aandacht worden geboeid door de voorstellingen, die door die zintuiglijke gewaarwordingen worden opgeroepen, waardoor de onbeheerste gedachtenstromen, de eindeloze hersenspinsels ontstaan.
Door de onbeheerstheid van het voelen kan ook je gemoedsgesteldheid door die gewaarwordingen en voorstellingen worden bepaald en als aandoening, als onbeheerste gemoedsgesteldheid, tot uiting komen.
Door de onbeheerstheid van het willen kan de wilskracht door gewaarwordingen, voorstellingen en aandoeningen worden bepaald en als aandrift, als onbeheerst gedrag, tot uiting komen.

3.4 Zie je bijvoorbeeld iets, waar je aangename ervaringen mee hebt en wat met een bepaalde gewoonte van behoeftebevrediging heeft te maken - je ziet bijvoorbeeld de koekjestrommel op tafel staan om maar eens iets onschuldigs te noemen - dan komt, na de gewaarwording daarvan, meteen de voorstelling van die behoeftebevrediging bij je op.
Tegelijkertijd ontstaat ook een aandoening in de vorm van het verlángen om die behoefte te gaan bevredigen, waarop de aandrift volgt om dat ook meteen te gaan dóen; en voor je het weet heb je een greep in de trommel gedaan.

De vermogens kunnen zich in deze aanvangstoestand in een toestand van min of meer ónbeheerste werkzaamheid bevinden, waarbij je wordt geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en wordt gedreven door aandoeningen en aandriften. Dit in tegenstelling tot de toestand van beheerste werkzaamheid, waarbij je bewust en beheerst de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en dan besluit er iets mee te willen doen.
Het gaat dus steeds om de vier vermogens, alleen de wijze waarop ze in je gedrag - en daarmee in je persoonlijkheid - tot uiting komen, is anders, namelijk: beheerst of onbeheerst.

3.5 De toestand van onbewuste vereenzelviging die nu is besproken, is meer een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint.
Op sommige gebieden van je bestaan kan zij uitgroeien tot een toestand van bewúste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen. Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin je zodanig in sommige zaken bent opgegaan, dat zíj a.h.w. de baas over jou zijn geworden. Of je het nu wilt of niet, je móet dan bewust naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven. Je weet het dan al wel, maar beheerst het (nog) niet.

3.6 Hoe zien de geestelijke vermogens in deze toestand er uit?
Door gehéchtheid aan bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen wordt je waarnemingsvermogen verbonden aan een vaak dwangmatig verlangen daarnaar. Dat verlangen gaat gepaard met de dwingende noodzaak om die zaken, stoffen of omstandigheden, die dat verlangen kunnen bevredigen, ook te bezitten, te hebben. M.a.w. door gehechtheid aan het zintuiglijke kan het waarnemingsvermogen worden gekenmerkt door zintuiglijkheid, verslaving en hebzucht.
Door gehechtheid aan de kennis in je geheugen en aan de voorstellingen in je eigen denkwereld, kan het denken worden gekenmerkt door eigendunk, door eigenwijsheid en regelzucht.
Door gehechtheid aan het zelfgevoel kan het voelen tot uiting komen als eigenliefde, als hoogmoed en eerzucht.
Door gehechtheid aan je wilsbesluiten wordt je gedrag gekenmerkt door handelend op willen treden. Maar door de vereenzelviging met anderen ook door: ánderen willen laten handelen naar jóuw besluiten. M.a.w. door gehechtheid aan je wilsbesluiten kan wilskracht worden gekenmerkt door dadendrang en heerszucht.

In de gehechte geestesgesteldheid is de werkzaamheid van je vermogens voornamelijk op jezélf gericht. Deze zelfgerichtheid, dit streven zichzélf in het middelpunt te willen plaatsen, is de zelfzucht. De zelfzucht heeft tot gevolg dat je je niet alleen afsluit voor je medemensen, maar in dezelfde mate ook voor je geestelijke oorsprong.

3.7 De onbewuste vereenzelviging en de gehechtheid zijn meer naar buiten gericht. Maar in jezelf kan er zich vanuit je persoonlijkheidsaanleg een eenzijdige ontwikkeling van één van je vermogens voordoen, waarmee je je ook kunt vereenzelvigen. Daardoor ontstaat de eenzijdige vereenzelviging.
Doordat het tegenovergestelde vermogen dan min of meer ónontwikkeld blijft (het denken is het tegendeel van voelen, het willen van waarnemen), ontstaat er een eenzijdigheid in je persoonlijkheid. Deze eenzijdigheden zijn de oorzaak van onevenwichtigheden in je persoonlijkheid en van gebrekkige aanpassing op die gebieden van het bestaan, die met het onontwikkelde vermogen hebben te maken.
Door eenzijdigheid van je waarnemingsvermogen ben je gericht op het opdoen van aangename ervaringen; maar daardoor kan je wilskracht onontwikkeld blijven, waardoor je gemakzuchtig wordt;
door eenzijdigheid van het denken word je gekenmerkt door zakelijkheid en verstandelijkheid; maar doordat het gevoel onontwikkeld is gebleven kun je je, in de omgang met je medemensen, ongevoelig gedragen;
door eenzijdigheid van het voelen ben je juist ingesteld op een persoonlijke gevoelsband met je medemensen; maar doordat je de zekerheid van het denken mist, kun je wel van hen afhankelijk worden;
en door eenzijdigheid van de wilskracht ben je gericht op handelend op willen treden en ondernemen; maar daardoor kun je gebrek hebben aan de zin voor de werkelijkheid van het waarnemingsvermogen, waardoor je kortzichtig wordt.

3.8 Door deze aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met wat je zelf níet bent en door de daarmee samenhangende gehechtheden en eenzijdigheden, is de mens niet zichzelf naar zijn oorspronkelijke, geestelijke geaardheid. In deze aanvangstoestand kan er op een onbeheerste, zelfzuchtige en eenzijdige wijze gebruik worden gemaakt van de geestelijke vermogens, wat in je gedrag tot uiting komt. Dat is de oorzaak van de verstoring van de omgang met onze medemensen en van al het zinloze leed, dat wij elkaar en ons zelf aandoen.
Het is ook door deze aanvangstoestand, dat je streven naar geestelijke ontwikkeling kan worden geremd en de afgescheidenheid van je geestelijke oorsprong blijft bestaan.


naar deel 4: de geestelijke-ontwikkeling






^