Jakob Lorber en geestkunde


Deze serie van acht onderwerpen is bedoeld om te laten zien hoe vanuit het gezichtspunt van geestkunde deze grote geesten, uit verschillende culturen en tijdperken, met elkaar samenhangen. Tijdens mijn vergelijkende godsdienststudie zocht ik naar eenheid in de verscheidenheid. Dat is de reden waarom ik zo vrij ben geweest, weliswaar met schroom, hun teksten in te delen naar geestkundige aandachtspunten, om zo een vergelijking mogelijk te maken.
Wetenschap is een menselijk streven naar het verwerven van betrouwbare kennis door onderzoek te doen naar waarneembare zaken en daar toetsbare gedachten over te vormen, die door anderen kunnen worden getest. Die 'anderen' zijn in het geval van mystiek de mystici uit het verleden. Komen hun bevindingen overeen met die van mij, dan is er sprake van mystieke wetenschap.


Jakob Lorber
De Oostenrijkse muziekleraar en mysticus Jakob Lorber (1800-1864) schreef 18 titels verdeeld over 32 boeken; in 25 jaar schreef hij meer dan 10.000 pagina's. De tekst is volledig samenhangend en het is duidelijk dat één en dezelfde persoon Lorber hierin heeft begeleid.
De boeken werden hem door Jezus 'in de geest' gedicteerd; hij hoorde en zag wat Jezus hem vertelde. Het hoofdwerk is het Grote Johannes Evangelie, elf boeken, waarin de drie jaren van Jezus' openbare leven van dag tot dag worden beschreven en waarin uitgebreid verslag wordt gedaan van de gesprekken die Jezus met zijn leerlingen en omstanders voerde.

Jakob Lorber. Bron: www.lorber.nl Jakob Lorber Stichting

In grote lijnen bevestigt Lorbers werk de Bijbel, maar er verschijnt een Jezus ten tonele, die niet alleen blijk geeft van een grote liefde voor zijn medemensen, maar die ook over een grote kennis beschikt van geestes- en natuurwetenschappelijke onderwerpen. Ook beschrijft Jezus nauwkeurig de kenmerken van onze tijd, 2000 jaar later, de tijd waarvan hij aankondigt dan terug te zullen komen in de geest van de mensen die dan zijn leerlingen zijn (zie 'Jezus' wederkomst' in het menu).
Hoewel ik Lorbers werk pas later in zijn geheel las, bleek de strekking ervan met die van geestkunde overeen te komen. Om hiervan een voorbeeld te geven, heb ik een uittreksel gemaakt van het boek Weg tot geestelijke wedergeboorte (De Ster, 1986, ISBN 90.6556.311.3), waarin teksten staan uit o.a. het Grote Johannes Evangelie. Ik ben zo vrij geweest deze teksten in te delen naar onderwerpen uit het boek Geestkunde (zie de Inhoud) om ze te kunnen vergelijken; daaruit blijkt dat de strekking van beide boeken overeenkomt.

Alleen behandelt Jezus de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging van de geest met de ziel veel uitgebreider (in Geestkunde noem ik die toestand in één paragraaf). Dat heeft tot gevolg dat het woord 'ziel' de ene keer de betekenis heeft die ik eraan geef en in Geestkunde heb beschreven als zijnde de uitstraling van de geest waarin gedachten worden bewaard - een beschrijving die Jezus ook geeft; terwijl op andere plaatsen het woord 'ziel' de betekenis heeft van de geestestoestand, waarin de geest zich met de ziel vereenzelvigt - dit komt het meest voor.
In het eerste geval heb ik in onderstaande tekst het woord ziel zonder aanhalingstekens geschreven, in het laatste geval met aanhalingstekens als 'ziel'. Het beschrijft de geestestoestand van de mens die zich er al wel van bewust is over gedachten te beschikken en die ook beseft dat zij 'mijn gedachten' zijn, maar die zich daar nog volledig mee vereenzelvigt. Hij is nog niet tot het besef gekomen de geest te zijn die de scheppende bron is van die gedachten en die ze in zijn eigen uitstraling, de ziel, bewaart - en er zo los van staat, zoals een beeldhouwer wel met zijn beeld is verbonden, maar er toch los van staat.
In de werken van Jakob Lorber betekent 'wedergeboorte' niet 'reïncarnatie', maar het vrijkomen van de geest uit zijn toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof: de geestelijke zelfverwerkelijking.
Het verwijt zou mij kunnen worden gemaakt dat ik teksten uit hun verband haal; maar zij komen voor in een vraaggesprek. De omstanders stellen Jezus vragen en Jezus antwoordt daarop, waardoor het steeds om uitwijdingen gaat rondom één kern, de hoofdtekst.
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij)

Inhoud

1. De geest en de geestelijke vermogens
2. De 'ziel'
3. Geest, ziel en lichaam
4. De gelijkwaardigheid van het mannelijke en vrouwelijke binnen het wezen van God
5. De toestand van onbewuste vereenzelviging van de geest met de ziel
6. De bevrijding en geestelijke ontwikkeling van de mens
7. De wedergeboorte (de zelfverwerkelijking)
8. De drieëenheid, de engelen


1. De geest en de geestelijke vermogens
De geest van de mens is een volkomen evenbeeld van God en heeft in zich de vonk of het brandpunt van het goddelijke wezen. De menselijke geest heeft daardoor alles van God in zich.
Hij draagt heel het oneindige, van het kleinste tot het grootste, geheel naar goddelijke wijze in zich, ofwel hij heeft alles van God door zijn machtige liefde tot God als in één punt in zich verenigd (de algeestvonk).

De geest is het eeuwige wezen als de alles scheppende kracht, die werkt door de liefde (voelen), het hoogste verstand (denken) en de levende vaste wil (willen); de werkzaamheid daarvan (van de vermogens) brengt als uitstraling de substantie van de ziel voort en geeft haar de vorm van het lichaam (de geestgedaante).

De geest is zuivere liefde en het enig levende in de mens. Pas wanneer de liefde (voelen), het met de waarheid vervulde verstand (denken) en de wil (willen) geheel één zijn geworden (de zelfverwerkelijking), dan is de mens ook tot de wedergeboorte van de geest uit God in zijn ziel gekomen (de hereniging).

Wie de liefde (voelen) tot mij opwekt, die wekt zijn door mij aan hem gegeven geest op. Omdat deze geest ikzelf ben en moet zijn, omdat er buiten mij eeuwig geen andere levensgeest is, wekt hij daardoor dus mijzelf in zich op.

Zoals men al het goede alleen daarom moet liefhebben omdat het goed is en daarom waar, zo wil God dat men alleen van God houdt, omdat God in de hoogste mate goed (voelen) en waarachtig (denken) is.
Je naaste moet je daarom evenzo liefhebben, omdat hij evenals jij het evenbeeld van God (de algeest) is en evenals jij een goddelijke geest (de algeestvonk) in zich draagt. Dat is de kern van de leer.

Altijd is het één en dezelfde geest, die als enige in staat is alles op verschillende manieren te scheppen, omdat hij van het oerbegin af de grondslag van alles is en ook altijd zal zijn; want alles wat bestaat is in de grond van de zaak alleen de liefde (voelen), wijsheid (denken), macht, kracht en wil (wilen) van de geest. Elk mens 'bezit' (is) zo'n geest, die echter dan pas (volmaakt) werkend in de mens optreedt, als hij geheel volgens de erkende wil van God werkzaam is.

terug naar de Inhoud

2. De 'ziel'
Alle materie van deze aarde is zielesubstantie, maar in een noodzakelijkerwijze gerichte en daardoor vaste (verdichte) toestand. Het is haar bestemming weer in het ongebonden, zuiver geestelijke zijn terug te keren, wanneer zij juist door deze isolering (de toestand van schijnbare afgescheidenheid) de levenszelfstandigheid heeft bereikt (de zelfverwerkelijking).
Om deze evenwel door een steeds grotere zelfwerkzaamheid te verkrijgen, moet de uit de gebonden materie vrijgemaakte 'ziel' alle mogelijke trappen van ontwikkeling van het leven doormaken. Zij moet zich in elke volgende levensperiode weer met een nieuw, stoffelijk lichaam omhullen, waaruit zij dan weer nieuwe levenservaring trekt, daarmee werkt en zich deze eigen maakt.

Is een 'ziel', wat de haar begeleidende geest uit God duidelijk ziet, eenmaal in een lichaam - hetzij dat van een plant of een dier - door de vereiste rijping geschikt tot een hogere levensfase op te stijgen, dan zorgt de haar vormende, begeleidende geest ervoor, dat haar het verder onbruikbare lichaam wordt afgenomen. Zij kan dan, in zoverre zij met hogere intelligentie begiftigd is, zich een ander lichaam vormen. Daarin kan zij zich weer in korte of langere tijd opwerken tot een grotere actieve levensintelligentie en zo vervolgens steeds verder omhoog tot aan een mens.
Zo kan zij dan geheel vrij in haar laatste lichaam tot volledig zelfbewustzijn, tot kennis van God, tot liefde tot hem en daardoor tot volledige vereniging met haar geest komen, welke vereniging wij de geestelijke wedergeboorte noemen. Heeft een 'ziel' deze levensgraad bereikt, dan is zij voleindigd en kan, als een volkomen zelfstandig zijn en leven, niet meer door het allesomvattende goddelijke alzijn en alleven vernietigd of verteerd worden.

Wanneer een mens in deze wereld geboren wordt en vanwege zijn volkomen vrijwording nog een lichaam krijgt te dragen, dan is het door de hoge wijsheid van God zo ingericht, dat de mens als 'ziel' zich van alle noodzakelijkerwijs voorafgegane toestanden niets kan en mag herinneren.
De geest is nog dood (onbewust), zoals hij het reeds sinds zeer lange tijden is, omdat hij verbannen is in de stof. De geest van een mens die geheel één is met zijn ziel, gelijkt op een mens in zware gevangenschap (de toestand van onbewuste vereenzelviging). Dat is een ellende, zoals er vanaf de aanvang tot aan het tijdstip van heden niet was en ook in het vervolg niet meer zal zijn.

Alle schepselen zijn Gods werk en zij zijn werken uit zijn liefde. God heeft je zozeer lief, dat hij zelf in mensengestalte tot je is gekomen en je nu de weg leert tot het vrije en als uit jezelf voortkomende goddelijke, zelfstandige leven.
Het tijdelijke, stoffelijke bestaan is een proefbestaan om het ware en eeuwige bestaan te bereiken. De mens kan zijn zwakheden pas leren kennen door allerlei verleidingen, die hem tevens doen ervaren hoe en waarin zijn vrije geest is gebonden (de toestand van onbewuste vereenzelviging).

terug naar de Inhoud

3. Geest, ziel en lichaam
Wat is de geest? De geest is het levensbeginsel van de ziel en de ziel is zonder de geest niets dan een substantieel, etherisch orgaan, dat wel alle geschiktheid bezit tot opname van het leven, maar zonder de geest alleen een substantieel-geestelijk-etherische vorm is (de geestgedaante) die alles in zich opneemt, wat met zijn natuur overeenkomt.
De ziel zonder geest is alleen een kracht, die het vermogen heeft alles in zich op te nemen, maar die zelf geen oordeelsvermogen bezit waardoor haar duidelijk zou worden waarmee zij zich verzadigt (de ziel als de vormbare uitstraling die het geheugen bezit).

De geest is het wezen, dat uit zijn eigen warmte van eeuwigheid tot eeuwigheid licht uitstraalt. De geest is als warmte de liefde (het voelen, de vormbare warmte) en als licht de wijsheid (het denken, het zelfvormende licht). De geest heeft op zichzelf geen vorm, maar hij is het wezen dat de vormen schept en pas als de vormen geschapen zijn kan hij in die geschapen vormen zelf werkzaam optreden (de geestgedaante). Elke kracht, die als zodanig wil optreden, moet een tegengestelde kracht tegenover zich hebben. Pas tengevolge van dit geschapen steunpunt kan die kracht zijn werking uitoefenen en tot uiting komen.
De ziel is het opname-orgaan (geheugen) voor de eindeloos vele gedachten van de oergrond van de ziel (de geest), waaruit ze als een ademtocht (aura: uitwaseming) is voortgekomen. Ze is de draagster van de gedachten, vormen en handelwijzen. Deze zijn alle in de kleinste omhullingen in haar neergelegd.
De geest die als de lichtvonk in de ziel is gelegd, kan niet opvlammen omdat hij teveel verdrukt wordt door de zware vleesmassa, het lichaam (door de onbewuste vereenzelviging daarmee). Zonder geest of licht is alles dood en niet tot verdere ontwikkeling naar vervolmaking in staat, terwijl door het licht alles werkzaam wordt en zich ontwikkelt tot volkomenheid.

Ik (Jezus' leerling) zag drie harten zo ineen steken, als er binnen de ruwe kastanje drie kernen zijn: de buitenste, bruine schil (het lichaam), dan de witte vleeskern (de ziel) en daarin pas de eigenlijke, kleine kiem, waarin het leven is besloten (de geest). De buitenste schil sprong spoedig uiteen en viel weg, dat was het uiterlijke hart van het vlees van het lichaam. Het meer inwendige, substantiële hart bleef echter en werd voortdurend wijder, wat het binnenste, de zeer sterk lichtende kiem veroorzaakte. Dit gebeurde doordat die kiem zelf aldoor groeide en steeds groter werd.
Toen het (middelste) hart (de ziel) steeds groter werd, kreeg het ook steeds meer een menselijke gestalte (de geestgedaante) en ik herkende mijzelf in deze nieuwe mens, die is voortgekomen uit mijn meest innerlijke, lichte kiemhart.
Toen zag ik dat deze nieuwe mens nog een hart in zich droeg. Maar dit hart zag eruit als een zon, en haar licht was duizend maal sterker dan het licht van de natuurlijke zon. Toen ik dit hart aandachtig bekeek, ontdekte ik in het midden van het zonnehart een klein, aan God volkomen gelijk, levend evenbeeld. Toen ik mijn ogen vervolgens omhoog richtte, aanschouwde ik in de eindeloze diepte van de oneindigheid eveneens een onmeetbaar grote zon en in het midden van deze zon weer een beeld van God.
Ik schrok en deze schrik wierp mij weer in mijn oude huis terug. Het eerder weggevallen vleeshart (lichaam) kwam weer uit de diepte omhoog en legde zich meteen weer om de twee binnenste harten (geest en ziel). Toen dat gebeurd was, werd de uiterlijke wereld om mij heen weer zichbaar en al het innerlijke verdween (door vereenzelviging wordt de geest onbewust van zichzelf).

Aan elk ding is een te onderscheiden drievoudigheid op te merken. Het eerste is de uiterlijke vorm, want zonder deze zou geen ding denkbaar zijn en zou het ook niet kunnen bestaan. Het tweede is duidelijk de inhoud van de dingen, want zonder die zouden zij er ook niet zijn en hadden ze ook geen vorm en uiterlijke gestalte. Het derde voor het bestaan van een ding eveneens noodzakelijke is een innerlijke, in elk ding aanwezige kracht, die de inhoud van de dingen in zekere zin samenhoudt en het eigenlijke wezen daarvan uitmaakt en er de oorzaak van is.
Juist doordat deze kracht de inhoud en daardoor ook de uiterlijke vorm van de dingen bepaalt, is zij ook de grondslag (oorzaak) van al wat bestaat. De drie genoemde delen zijn wel te onderscheiden, omdat de uiterlijk vorm niet haar inhoud is en de inhoud niet de teweegbrengende kracht zelf is, maar toch zijn zij volledig één.
Keren we nu terug naar de ziel. De ziel moet nu eenmaal vanwege het bepaalde, voor haar bestemde bestaan een uiterlijke vorm hebben, namelijk die van een mens. De uiterlijke vorm is dus dat, wat wij het lichaam of het vlees noemen, hetzij nog stoffelijk of substantiëel vergeestelijkt (geestgedaante).
Bestaat dan de 'ziel' als een mens naar de vorm, dan zal zij ook een met de uiterlijke vorm overeenkomende inhoud hebben. Deze inhoud of het innerlijke lichaam van de ziel (geestgedaante) is haar eigenlijke wezen zelf, dus de ziel.
Is dat alles aanwezig, dan is ook de kracht aanwezig die de hele ziel heeft veroorzaakt en deze is de geest, die tenslotte alles in allen is. Zonder deze zou er geen lichaam en ook geen uiterlijke vorm bestaan. Hoewel dus de drie goed te onderscheiden personen in het geheel slechts één wezen zijn, moeten zij toch als te onderscheiden genoemd en gekend worden.

De mens is geheel naar het evenbeeld van God geschapen. Wie zichzelf volkomen wil leren kennen, moet weten en in zich erkennen, dat hij als een en dezelfde mens eigenlijk ook uit drie 'personen' (beter: bestanddelen) bestaat.
1. Je hebt ten eerste het lichaam, voorzien van alle nodige zintuigen en andere voor een vrij en zelfstandig leven benodigde ledematen (de beschrijving begint met de buitenkant!).
2. Beschouwen wij nu de ziel dan zullen we zien dat ook zij op zich een geheel volkomen mens is, die substantieel geestelijk ook in en voor zichzelf precies dezelfde bestanddelen bevat als het lichaam en zich daarvan in hogere geestelijke overeenkomst ook zo bedient als het lichaam (de geestgedaante).
Als we het leven van de ziel op zich nog nader beschouwen dan zullen we ontdekken dat zij, al is zij ook een substantieel lichaam van de mens, op zich niet hoger staat dan bijvoorbeeld de ziel van een aap. Zij zou op zich wel een instinctmatig verstand (de gedachtenwereld in de ziel) in iets hogere graad hebben dan een dier, maar van een verstand of een hogere vrije beoordeling van de dingen en hun samenhang, zou nooit sprake kunnen zijn.
3. Dit hogere en eigenlijk hoogste en aan God geheel gelijkvormige vermogen in de ziel wordt veroorzaakt door een zuiver wezenlijke derde mens, de geest, die in de ziel woont.
Door de geest kan de 'ziel' het ware van het valse (denken) en het goede van het kwade (voelen) onderscheiden en kan zij vrij naar alle denkbare richtingen denken en geheel vrij willen. Al naar gelang zij met haar door haar geest ondersteunde vrije wil besluit voor het ware en goede, maakt zij zich geleidelijk aan geheel gelijkvormig en dus sterk, machtig, wijs en als in hem wedergeboren, gelijk aan de in haar wonende geest (de geest onthecht zich van de inhouden van de ziel). Is dit het geval, dan is de ziel zo goed als één wezen met haar geest (de geest is zich bewust van en beheerst dan alle inhouden van de ziel).
Alhoewel een in de geest volledig wedergeboren mens beslist slechts één volkomen mens is, bestaat hij in wezen toch blijvend uit een goed te onderscheiden drieheid.

Bij de geboorte wordt de eeuwige levenskiem (de menselijke geest) als een vonkje van de zuivere, goddelijke geest in het hart van de ziel gelegd. Is het lichaam eenmaal gevormd, dan begint de ontwikkeling van de geest in het hart van de ziel.
Wanneer de vrucht ongeveer drie maanden in het lichaam van de moeder is geweest, dan heeft het zielehart van de rustig geworden ziel een zekere stevigheid bereikt. Dan wordt door een engelengeest in het hart van de ziel een eeuwige geest gelegd in een zevenvoudig omhulsel.

De zuivere geest is de van God uitgaande wil, die het vuur van de zuiverste liefde in God is. De zuivere geest is een gedachte van God, die van zijn liefde (voelen) en wijsheid (denken) uitgaat en tot waarachtig zijn wordt door de wil (willen) van God.
Omdat God op zichzelf een vuur is dat bestaat uit zijn liefde (voelen) en wijsheid (denken), is datzelfde ook het geval met de in een eigen bestaan verwerkelijkte en a.h.w. uit God getreden gedachte. Omdat het vuur een kracht is, is dus ook zo'n uit God getreden gedachte een kracht op zichzelf, is zich van zichzelf bewust (bewuste kracht) en kan in dezelfde helderheid werken als waaruit hij is voortgekomen.
De mensenziel is een zuiver etherische substantie, uit zeer veel lichtatomen of zo klein mogelijke deeltjes door de wijsheid en de almachtige wil van God tot een volkomen mensenvorm samengesteld (de geestgedaante). De ziel is als het ware door de kracht van de geest weer opgeloste materie, die in de eigen oervorm van de geest overgaat, door zijn kracht daartoe aangezet en dan met haar geest verenigd als het ware zijn lichtetherische substantiële lichaam uitmaakt (de geestgedaante).
Dit is nu een zeer korte en ware uiteenzetting over datgene wat de zuivere geest in wezen is en wat de werkelijke ziel in wezen is. De ziel zal zich altijd zo tot de geest verhouden, zoals het aardse lichaam tot de ziel.
De eeuwige goddelijke geest die in zich het licht, de kracht en het leven zelf is, heeft een eindeloos gedachtengebied. Alle leven, al het ware licht en elke ware kracht is alleen in de geest, die als enige alles richt en door niemand gericht kan worden. Deze geest is het die alles in de mensen schept en ordent. De ziel is een substantieel, etherisch lichaam (geestgedaante), net zoals het lichaam de woonplaats van de ziel is.

De aura van de ziel lijkt op de uitstraling van een aards licht, dat op grotere afstand vermindert. Maar dat is niet het geval met de aura, de uitstraling van de geest. Die is gelijk de ether, die de hele eindeloze ruimte, gelijkmatig verdeeld, vervult. Als de geest dan, in de ziel vrij opstijgend, in beweging geraakt, dan komt ook op hetzelfde ogenblik zijn aura ver naar buiten in beweging en zijn zien, voelen en handelen gaat dan zonder de minste beperking zo eindeloos ver naar buiten, als de ether tussen en in de scheppingen de ruimte geheel vervult. Want deze ether is eigenlijk geheel het zelfde als de eeuwige levensgeest in de ziel. Het onderscheid tussen de aura van een ziel en de aura van de geest is dientengevolge eindeloos en onuitsprekelijk groot.
Hoewel er door de inwoning in de zielen delen van de algemene geest (algeestvonken) afzonderlijk aanwezig zijn, toch vormen ze dadelijk een volkomen eenheid met de algeest, zodra ze de ziel tengevolge van de teweeggebrachte wedergeboorte geheel doordringen. Ze verliezen hun individualiteit daardoor beslist niet, omdat ze als brandpunten van het leven in de mensenvorm der ziel ook dezelfde vorm bezitten en daardoor met hun ziel, die eigenlijk hun (geestelijke) lichaam is, als direct alles ziende en voelende (helderziende) geesten ook noodzakelijkerwijs datgene voelen en zeer duidelijk waarnemen, wat er allemaal aan zeer persoonlijks in de hen omvattende ziel voorhanden is (de inhouden van de ziel als voortbrengselen van de geest).

Tot slot van deze hoogst belangrijke uiteenzetting willen wij overgaan tot het drieënige wezen van God zelf. Ik, Jezus Christus, die ook de mensenzoon wordt genoemd, ben de ware God, hoewel hij onder verschillende namen wordt aangeduid, als Vader, Zoon en Geest. Toch is God slechts één persoonlijke heerlijkheid in de meest volkomen vorm van een mens.
Zoals de ziel, haar uiterlijke lichaam en haar binnenste geest zodanig zijn vereend, dat zij slechts één wezen of slechts één individuele substantie uitmaken, maar onder elkaar een onscheidbare drieheid zijn, alzo vereend zijn Vader, Zoon en Geest.

Veel fantasieën zijn niets dan overeenkomstige beelden van de wereld van de ziel en wel doordat de spraak van de geest waarmee hij tot de ziel spreekt, geen woorden, maar volledige begrippen (beelden) zijn, terwijl woorden die begrippen moeizaam tot stand brengen.

terug naar de Inhoud

4. Teksten i.v.m. de gelijkwaardigheid van het mannelijke en vrouwelijke binnen het wezen van God.
In onze staat van oergeschapen geesten vind je bij ons (Gods engelen), die ontelbaar zijn, zonder uitzondering alleen het mannelijk-positieve wezen, maar toch is ook het vrouwelijk-negatieve beginsel in ieder van ons geheel aanwezig en daarom vind je in iedere engel (die een afspiegeling is van God!) het volmaakte huwelijk van de hemelen van God. (Grote Johannes Evangelie gje 2, 156, 12 blz. 324)
Het is helemaal van onszelf afhankelijk of wij (de engelen) ons in een en hetzelfde geestelijke omhulsel in de mannelijke of in de vrouwelijke vorm willen laten zien. In het feit dat wij in onszelf een dubbel wezen zijn, ligt ook de reden, waarom wij niet ouder kunnen worden, omdat de twee polen in ons elkaar eeuwig blijven ondersteunen. (gje 2, 156, 13 blz. 324)
God schiep de mens naar Gods beeld als man en vrouw. (gje 4, 302)
De eigenlijke overeenkomst met mijn goddelijke zijn, was in het eerste mensenpaar reeds volmaakt aanwezig. (gje 4, 215, 2 blz. 409)
Hoe kon ik de mensen voor de geslachtsgemeenschap geschikt hebben gemaakt zonder daar zelf toe in staat te zijn? Als de geslachtsgemeenschap voor de voortplanting volgens Gods orde is, dan moet God die net zo goed kunnen uitvoeren als de mens! (gje 4, 175, 2 blz. 331)
Als dus een aardse moeder dat al zou doen, hoeveel temeer dan Ik, die voor Mijn kinderen alles ben in volheid als vader en moeder; als Vader in mijn hart en als een Moeder in het geduld, de zachtmoedigheid en oneindige goedheid. (Bisschop Martinus, 186:13 blz. 428)

terug naar de Inhoud

5. De toestand van onbewuste vereenzelviging van de geest met de ziel
Is de ziel van de mens eenmaal aanwezig naar de wil en de intelligentie van de geest, dan trekt de geest zich in het binnenste terug (de geest wordt bij de geboorte onbewust van zichzelf) en geeft aan (vereenzelvigt zich onbewust met) de nu bestaande ziel een als van hem gescheiden vrije wil en een vrije en in zekere zin zelfstandige intelligentie (hier wordt de toestand van onbewuste vereenzelviging van de geest met de ziel beschreven).
Tengevolge van deze noodzakelijk zo gevormde toestand, waarin de 'ziel' zich als het ware van haar geest gescheiden voelt (de afgescheidenheid), is zij geschikt tot het waarnemen van zowel uiterlijke als innerlijke openbaring. Ontvangt zij deze, neemt zij ze aan en handelt zij daarnaar, dan begint zij zich daardoor weer met haar geest te verenigen.
Daaraan kun je zien dat de ziel, als de in levende substantie omgevormde gedachten van de geest, die in de grond de geest zelf is, toch in zekere zin als een tweede uit de geest voortgekomen iets is (de uitstraling), zonder daarom anders te zijn dan de geest zelf.
Dat tenslotte de 'ziel' als een individu zich ook met een uiterlijk lichaam vertoont, als in zekere zin de derde persoon, dat laat de dagelijkse ervaring zien.
Het lichaam dient voor de ziel als een uiterlijke openbaring van haar innerlijke geest. Het lichaam heeft tot doel, de intelligentie en de vrije wil van de 'ziel' naar buiten te keren, maar ook te beperken, waardoor de 'ziel' de innerlijke onbeperktheid van intelligentie en wil en zijn ware kracht (de geest) tracht te zoeken en te vinden. Dan kan zij een verheerlijkte en volledig individueel zelfstandige eenheid worden met de innerlijke geest, die steeds zelf het enige en krachtige zijn van de mens is.

Zolang de 'ziel' volkomen in de wil van de geest opgaat, geschiedt alles nauwkeurig volgens de wil van de geest, die dan ook mijn wil is. Als de 'ziel' echter ten gevolge van haar herinneringen wat meer zintuiglijke dingen wil (door de vereenzelviging), dan treedt de geest terug (wordt onbewust) en laat aan de ziel geheel alleen de uitvoering van de wens over.
Alleen de geest, die in en uit zichzelf geest is (de niet meer vereenzelvigde, maar zelfbewuste, zelfverwerkelijkte geest), weet wat in de geest is en wat zijn leven is. Jouw geest echter wordt nog teveel beheerst en bedekt door je vlees (door vereenzelviging daarmee) en weet daardoor niets van zichzelf (is onbewust van zichzelf). Maar de tijd zal komen waarin je geest vrij wordt en je deze verklaring zult begrijpen.

terug naar de Inhoud

6. De bevrijding en geestelijke ontwikkeling van de mens
Elk mens moet zichzelf uit vrije wil, geheel onafhankelijk van de goddelijke wil, ontwikkelen en vormen naar de welbekende goddelijke orde, om op die manier een vrij godskind te worden.
Ieder moet volkomen zijn, zoals de Vader in de hemel volkomen is. Het grote geheim van de wedergeboorte van je geest uit God en in God, ligt alleen in de levende liefde tot God en in dezelfde mate tot je naaste.

Het wezen en doel van de materie in het proces van de ontwikkeling der 'ziel'.
Alle materie van deze aarde, van de hardste steen tot aan de ether hoog boven de wolken, is zielesubstantie, maar in een noodzakelijkerwijze gerichte en daardoor vaste toestand. Het is haar bestemming weer in het ongebonden, zuiver geestelijke zijn terug te keren, wanneer zij juist door deze isolering (de afgescheidenheid) de levenszelfstandigheid heeft bereikt (zelfverwerkelijking).

Om deze evenwel door een steeds grotere zelfwerkzaamheid te verkrijgen, moet de uit de gebonden materie vrijgemaakte 'ziel' (de zich onthechtende geest) alle mogelijke trappen van ontwikkeling in het leven doormaken. Zij moet zich in elke volgende levensperiode weer opnieuw met een nieuw, stoffelijk lichaam omhullen, waaruit zij dan weer nieuwe levenservaring trekt, daarmee werkt en zich deze eigen maakt.

Is een 'ziel', wat haar begeleidende geest uit God (engel) duidelijk ziet, eenmaal in een lichaam - hetzij dat van een plant of een dier - door de vereiste rijping geschikt tot een hogere levensfase op te stijgen, dan zorgt de haar steeds verder vormende, begeleidende geest ervoor, dat haar het verder onbruikbare lichaam wordt afgenomen. Zij kan dan, waar zij reeds met hogere intelligenties begiftigd is, zich een ander lichaam vormen. Daarin kan zij zich weer in korte of langere tijd opwerken tot een grotere actieve levensintelligentie en zo vervolgens steeds verder omhoog tot aan een mens.
Zo kan de 'ziel' dan geheel vrij in haar laatste lichaam tot volledig zelfbewustzijn, tot kennis van God, tot liefde tot hem en daardoor tot volledige vereniging met haar geest komen, welke vereniging wij de nieuwe of geestelijke wedergeboorte noemen. Heeft een 'ziel' deze levensgraad bereikt, dan is zij voleindigd en kan dan, als een volkomen zelfstandig zijn en leven, niet meer door het allesomvattende goddelijke alzijn en alleven vernietigd of verteerd worden.
Het meest zekere teken van de reeds bereikte zelfstandigheid van het leven van de 'mensenziel' bestaat daarin, dat zij God kent en hem boven alles liefheeft. Want zolang een 'ziel' God niet kent als een wezen dat buiten haar is, is zij nog blind (onbewust) en stom, zijnde niet vrij van de dwingende macht van de goddelijke almacht. Zij moet dan nog hevig strijden om zich los te maken van zulke ketenen (de onbewuste vereenzelviging en de bevrijding daaruit door de onthechting).
Maar zodra een 'ziel' begint de ware God als buiten haar zijnde te kennen en hem door het gevoel van haar liefde tot hem werkelijk goed waar te nemen, dan is zij reeds van de banden der goddelijke almacht vrij. Zij behoort dan geleidelijk steeds meer zichzelf toe en is derhalve zelf schepper van haar eigen zijn en leven en daardoor een zelfstandige vriend van God voor alle eeuwigheden.

Wanneer een mens in deze wereld wordt geboren en vanwege zijn volkomen vrijwording nog een lichaam krijgt te dragen, dan is dat in hoge wijsheid door God reeds zo ingericht, dat de mens als een volledige 'ziel' zich van alle noodzakelijkerwijs voorafgegane toestanden in hun overgang, maar nog steeds in hun afzonderlijke staat, zich niets kan en mag herinneren (om schijnbaar aan zichzelf overgeleverd te kunnen zijn en daardoor zich zelfstandig te voelen).
Om de 'ziel' van de mens te behouden, moet haar door de inrichting van het haar omsluitende lichaam elke herinnering aan voorafgaande levensfasen volledig ontnomen worden tot aan de tijd van haar volledige, innerlijke eenwording met haar geest der liefde uit God. Want deze geest is als het ware de kit (de samenbindende kracht), waardoor alle oneindig verschillende intelligentiedelen van de ziel (levenservaringen) tot een eeuwig onverwoestbaar volmaakt wezen bevestigd worden.

De geest is nog dood (onbeheerst en onbewust), zoals hij het reeds sinds zeer lange tijden was, omdat hij verbannen is in de stof. Als aan de geest slecht voedsel wordt gegeven, dan wordt hij werelds, zinnelijk en tenslotte stoffelijk en daardoor dood als voor de geboorte en ook de ziel met het lichaam, omdat de geest daardoor zelf lichamelijk is geworden (de toestand van onbewuste vereenzelviging).
Als de geest ziet dat hij zich niet kan uitbreiden om het leven uit God in volheid in zich op te nemen, dan trekt hij zich weer in zichzelf terug. Heeft dat in de mens plaats gevonden, dan gaat hij weer louter aards en bovenmatig zinnelijk worden en gaat ook verloren, omdat hij niet weet dat zoiets met hem is gebeurd (de onbewuste vereenzelviging).
Dat is dan een ellende, zoals er vanaf de aanvang tot aan het tijdstip van heden niet was en ook in het vervolg niet meer zal zijn. Wanneer de mens echter zijn toevlucht tot God neemt, uiterlijk door bidden, door vasten en lezen van het Woord uit de Schrift, dan zal hij een sterk verlangen krijgen bevrijd te worden uit de grote droevenis (bevrijding en onthechting).

Zoals men al het goede alleen daarom moet liefhebben omdat het goed is en daarom waar, zo wil ook God dat men alleen van hem houdt, omdat alleen God in de hoogste mate goed (voelen) en waarachtig (denken) is. Je naaste moet je daarom evenzo liefhebben, omdat hij evenals jij het evenbeeld van God (de algeest) is en evenals jij een goddelijke geest (de algeestvonk) in zich draagt. Dat is de fundamentele kern van de leer.
Door deze nieuwe leer zo nauwgezet mogelijk in acht te nemen, wordt de aanvankelijk zeer gebonden geest (door de onbewuste vereenzelviging) in de mens steeds vrijer, groeit, doordringt de hele mens en trekt zodoende alles in zijn leven wat goddelijk is en bijgevolg eeuwig zal duren, in de hoogst mogelijke zaligheid. Elk mens die zo in wezen in zijn geest wordt wedergeboren, zal nooit de dood zien of voelen en het los worden van zijn vlees zal hem een zalige vreugde zijn. Want de geest van een mens, die wel geheel één is met zijn ziel, gelijkt op een mens in zware gevangenschap (de onbewuste vereenzelviging van de geest met de ziel).
De geest van een mens lijkt op de levensvrucht van een vogel-embryo in het ei. Als het door de broedwarmte rijp is geworden in de schaal die hem omsluit, dan breekt hij die open en verheugt zich over zijn vrije leven.
De wedergeboren geest is een macht in zich, aan de goddelijke gelijk. Wat zo'n voleindigde geest in de mens wil, dat gebeurt, omdat er buiten de levenskracht van de geest in de hele oneindigheid Gods geen andere macht en kracht kan zijn.

Mijn doel en leer bestaat eenvoudig daaruit de mens te tonen, waar hij eigenlijk vandaan komt, wat hij is en waarheen hij moet gaan en ook zal gaan, naar de volle waarheid. Reeds de Griekse wijzen hebben gezegd dat het moeilijkste, belangrijkste en hoogste weten ligt in de meest volkomen zelfkennis (op de tempel van Delphi stond: ken jezelf en doe alles met mate).
Zie, dat is nu juist mijn doel, want zonder deze zelfkennis is het onmogelijk een allerhoogst goddelijk wezen als de grond van alle worden, zijn en bestaan te kennen en te begrijpen. Wie dat inziet en zijn leven, denken en streven richt op het enig ware levensdoel: zichzelf en het allerhoogste, goddelijke wezen als de eeuwige, diepste grond van alle zijn en worden geheel te kennen (zelfverwerkelijking en hereniging), die heeft het doel bereikt.
Het in en met zichzelf geheel een worden en het in en met God geheel één worden (zelfverwerkelijking en hereniging), kan de mens alleen daardoor bereiken, als hij God als de diepste grond van zijn bestaan volledig leert te zien en naar dat inzicht werkzaam wordt in heel zijn leven. Is een mens zo in zichzelf rijp en gedegen geworden, dan is hij ook meester geworden over alle uit God voortvloeiende krachten.

Elk mens heeft een geestelijk orgaan in zijn hart, dat voor de engelen steeds open staat en ongehinderd toegankelijk is (hartchakra). Dit orgaan geeft de eenvoudige begrippen weer: goed-slecht, waar-onwaar, recht-onrecht. Doe je meteen het goede, ware en rechte, dan wordt door ons het bevestigende en goede deel aangeroerd (inwerking) en in je ontstaat daardoor het weldoende gevoel, dat je goed en juist hebt gesproken en gehandeld. Maar heb je eens niet goed gesproken en gehandeld, dan wordt door ons het tegengestelde deel van het orgaan opgewekt en een angst zal je overvallen en je zeggen, dat je buiten de goddelijke orde bent getreden. Dit orgaan wordt het geweten genoemd.

Het is een zware taak zich vrij te maken van alle oude en ingeroest gewoonten, die door de prikkelingen en verlokkingen van de wereld in de mens wortel hebben geschoten. Mijn leer verlangt van de mens niets, dan dat hij in de ene, ware God gelooft en hem als de goede Vader en schepper boven alles liefheeft en zijn naaste als zichzelf. Het is echter niet genoeg dat men mij kent en gelooft, dat ik de Heer ben, maar men moet ook doen wat ik leer. Want pas door de daad zal de mens tot het volle evenbeeld van God kunnen geraken.

Alle schepselen zijn Gods werk en zij zijn werken uit zijn liefde. God heeft je zozeer lief, dat hij zelf in mensengestalte tot je is gekomen en je nu de weg leert tot het vrije en als uit jezelf voortkomende goddelijke, zelfstandige leven.
De mens is het meest volkomen van de talloos vele, eindeloos verschillende schepselen, het hoogtepunt van goddelijke liefde en wijsheid en ertoe bestemd, zelf een god te worden. Elk mens is mijn volmaakte werk, dat zich als zodanig ook moet kennen en gerechtvaardigd achten en niet miskennen en verachten. Want wie zich, als toch onmiskenbaar mijn werk, veracht, die veracht immers ook mij, de meester.

Adam is de eerst mens in de zin van de eerste, volledig geestelijk, vrije mens. Het streven van de godheid zelf moet dus zijn haar schepselen, die zij uit liefde en tot hun redding de weg door de materie liet gaan - nadat deze de grens bereikt hebben van waaruit de geestelijke weg mogelijk is - ook tot zich te trekken en zo te brengen in de verhouding van vader tot kind.
Adam moest deze brug in zichzelf bouwen door gehoorzaamheid aan God, wat het enige middel tot beproeving is bij een mens, die verder vrij is van elke zonde. Maar Adam viel en daarmee had een terugtreden in de materie plaatsgevonden ( de 'van van Adam' is de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof).

De mens zoals hij in deze wereld komt, wordt wat de 'ziel' betreft geheel van Gods almacht gescheiden (de schijnbare toestand van afgescheidenheid) en wordt in alles overgelaten aan zijn eigen kennen en willen. Pas wanneer hij door de belering van zijn ouders en andere wijze leraren (levenservaring) tot erkenning van God komt, zich dan gelovig tot hem wendt en hem vraagt om zijn hulp en bijstand, dan begint ook het instromen van de zijde van God door alle hemelen heen.
De 'ziel' van de mens gaat daardoor over in een steeds duidelijker erkennen en eindigt in een steeds grotere liefde tot God. De 'ziel' wordt daardoor langzamerhand evenzo volkomen in en door de Geest van God in haar, als de goddelijke geest in haar zelf volkomen is. Zij blijft daarbij nochthans in alles volkomen vrij en zelfstandig.
De mens moet in de wereld werken en vrijwillig de slechte verleidingen van de wereld weerstaan. Daardoor wordt zijn 'ziel' sterk en de kracht van Gods geest zal deze doordringen. Maar door als een luiaard te leven komt geen mens ooit tot het ware, eeuwige leven, dat afhankelijk is van volkomen werkzaamheid in al de talloos vele levenslagen en sferen.

Zowel op aarde als in de geestelijke wereld zullen beproevingen van allerlei aard over de 'ziel' komen, die de 'ziel' tot algehele werkzaamheid zullen aansporen. In de geestelijke wereld zullen de beproevingen voor de 'ziel', die is toegerust met haar op aarde verkregen vermogens, geheel overeenkomen met die op deze aarde. In de geestelijke wereld zal de 'ziel' tot zelfwerkzaamheid moeten komen door zich uit de dwalingen van haar gedachten en voorstellingen (de toestand van onbewuste vereenzelviging) te bevrijden.
Wie God niet ernstig zoekt, maar de lusten van de wereld najaagt, die verliest God en God zal hem geen tekenen geven waaraan hij zou kunnen zien hoe diep en ver hij reeds van God is afgeweken. Pas wanneer hij uit eigen beweging en behoefte God weer zal beginnen te zoeken, zal God hem ook beginnen naderbij te komen en zich door de zoekende ook in zoverre laten vinden, als het de zoekende ware ernst is God te vinden en te leren kennen.
Als de mens tot inkeer komt, dan kan hij gemakkelijk worden geholpen. Komt de mens echter niet tot inkeer, dan wordt hij ongehinderd gelaten alles te hebben en te genieten, waar zijn liefde naar uitgaat. Deze liefde nu, hetzij van goede of van kwade aard, is in feite het leven van de 'ziel' van elk mens, engel of duivel. Ontnemen wij de liefde aan de 'ziel', dan ontnemen wij haar ook het leven en het bestaan, hetgeen echter in God onmogelijk is. Een 'mensenziel' kan hoogst ongelukkig en ellendig worden, geheel door haar eigen wil en kan, als zij het maar ernstig wil, ook weer door haar eigen vrije wil gelukkig en volkomen zalig worden.

In de dode wereld der materie moet aan het vuur- en lichtmaken een zekere werkzaamheid voorafgaan. Zo moet des te meer aan het levenslicht een zekere werkzaamheid voorafgaan. Door deze wordt de liefde gewekt, die het levenselement is en uit haar verhoogde werkzaamheid ontstaat dan pas het licht in de 'ziel', dat is de wijsheid, die zichzelf en alle dingen uit zich kent, beoordeelt en ordent.
De ware zaligheid van het leven bestaat niet in het helder en duidelijk zien en kennen, maar alleen in de steeds groter wordende liefdadigheid. De liefdadigheid is een innerlijk vuur, dat door steeds levendiger te worden tot een heldere vlam moet worden.

Wie in het licht van de levenslamp blijft en zich niet meer dan nodig bekommert om de dingen van deze wereld, die komt vroegtijdig tot het eeuwige levenslicht in zich en zo ook reeds hier in het zichtbare, wezenlijke rijk van God en in zijn kracht en macht. Want wie een is met de wil van God, die is ook een met zijn eeuwig volkomen wijsheid, vrijheid, zelfstandigheid, macht en kracht, en is daardoor dan ook altijd een waar kind van God.
Ik ben zo'n kind van God en ben dat niet pas in de reine wereld der geesten geworden, maar nog in mijn aardse levens.
Er is één zijn, maar een niet zijn is er in de hele schepping niet. Het tijdelijke, stoffelijke bestaan is een proefbestaan om het ware en eeuwige bestaan te bereiken. Nochtans is het echter in zich ook een geheel geestelijk bestaan, daar er op zichzelf beschouwd in de gehele sfeer van de oneindigheid onmogelijk een andere werkelijkheid en waar bestaan kan zijn.

God alleen is het ware en eeuwig werkelijke zijn in zich zelf. Wij zijn door zijn wil verwerkelijkte denkbeelden en lichtgedachten, van de kleinste tot de grootste. Daar nu zijn denkbeelden en lichtgedachten als de vrucht van zijn eeuwige, oneindige liefde (die zijn wezen en zijn is), evenals God zelf onvergankelijk zijn, zo is immers ons bestaan ook eeuwig in het werkelijke, geestelijke zijn.

Onder de opstanding van het vlees is te verstaan de goede werken van de naastenliefde! Deze zullen het 'vlees van de ziel' zijn en tegelijk met haar op de jongste dag in de geestelijke wereld als een gedegen etherisch lichaam (geestgedaante) opstaan tot het eeuwige leven. Al zou je honderd maal op deze aarde een lichaam hebben gedragen, dan zul je in het hiernamaals alleen dit ene lichaam hebben (de geestgedaante).

Als de mens zonder twijfel begint te geloven en door zijn handelen naar de leer het geloof levend maakt, dan pas ontvouwt zich het rijk van God in de mens. Het ontvouwt zich zoals in het voorjaar het leven in de planten door het licht van de zon word beschenen en verwarmd, en daardoor gedwongen wordt tot innerlijke werkzaamheid. Al het leven wordt weliswaar van buitenaf gestimuleerd en opgewekt, maar het ontstaan, de ontwikkeling, de vorming en bevestiging, gaan steeds van binnenuit.

terug naar de Inhoud

7. De wedergeboorte (zelfverwerkelijking en zelfbezinning)
Wat jullie innerlijk aangaat weet je, dat (eerst) alles alleen op jezelf aankomt en (pas) later op mijn genade. Die genade kan niemand jullie geven dan alleen jullie jezelf door de ware liefde tot mij en tot de naaste, door nauwgezet de geboden te onderhouden.

Het grote geheim van de zelfontwikkeling van de mens ligt hierin, dat ik alles voor de mens kan doen en hij toch mens blijft. Maar het hart is van de mens zelf. Dat moet hij volkomen zèlf bewerken als hij zich wil voorbereiden op het eeuwige leven.

Wat is de verlossing, in hoeverre is zij er voor de mens en hoe kan de mens daaraan deelnemen? De beantwoording van deze vraag zal iedereen moeilijk vallen, die daarvoor alleen zijn verstand gebruikt. Maar wie zal ontbranden in liefde en deemoed tot mij, Jezus, die zal het hele antwoord getrouw vinden in het binnenste van zijn hart. Dat is het volle antwoord op de door mij aan jullie gestelde, grootste en belangrijkste vraag.
Liefde tot mij, innige goedheid vanuit het hart, liefde tot alle mensen, dat is in het kort samengevat het echte teken van wedergeboorte. De wedergeborene leeft reeds voortdurend in zijn geest.

Wat jullie innerlijk aangaat weet je immers zondermeer, dat alles steeds alleen op jezelf aankomt en later op mijn genade. Die genade kan niemand jullie geven dan alleen jullie jezelf door de ware liefde tot mij en tot de naaste, door nauwgezet de geboden te onderhouden, of als zondaar door ernstig te boeten.
Als iemand in mij wedergeboren wil worden, dan moet hij zijn zonden inzien en deze tot zijn verootmoediging openlijk bekennen, uiterlijk door de biecht en innerlijk aan mij. Hij moet mij om vergeving vragen zoals het in mijn gebed is aangegeven; hij moet echt berouw en droefheid en angst ondergaan en wenen om het zo onschatbare verlies van mijn genade en moet zich ernstig voornemen nooit meer te willen zondigen.
Dan moet hij vast besluiten geheel met de wereld te willen breken, zich geheel aan mij overgeven en in zijn liefde een groot verlangen naar mij hebben. Hij moet zich in dit grote verlangen dagelijks van de wereldse zaken in zichzelf terugtrekken en tenminste zeven kwartier lang met gesloten ogen, deuren en vensters in volledige rust alleen maar in zijn binnenste met mij bezighouden. Telkens, zo vaak iemand zich in deze rust heeft begeven, dient hij in zijn hart met mij te spreken en mijn gebed te bidden.
Kom tot innerlijke rust en groei in het verlangen naar en liefde tot mij! Dit is de kortste en meest werkzame weg tot zuivere wedergeboorte; alleen daardoor is het eeuwige leven te verkrijgen.
Niets is voor de mens heilzamer dan van tijd tot tijd een innerlijke zelfbezinning te oefenen. Wie zichzelf en zijn krachten wil doorgronden, moet zich herhaaldelijk zelf onderzoeken en innerlijk waarnemen.
Jullie hebben nu een nieuwe wijze gezien, hoe de mens van de materie in het steeds zuiverder en reiner geestelijke kan overgaan en hoe hij langs deze weg meester over zichzelf en tenslotte daardoor ook over de hele natuur kan worden. Als je macht over je eigen hartstochten verkrijgt, verkrijg je ook macht over de hele natuurlijke wereld en in het hiernamaals over alle schepselen.

Het grote geheim van de zelfontwikkeling van de mens ligt hierin, dat ik alles voor de mens kan doen en hij toch mens blijft. Maar het hart is van de mens zelf. Dat moet hij volkomen zèlf bewerken als hij zich wil voorbereiden op het eeuwige leven.
Want zou ik zelf eerst de vijl aan het hart van de mens leggen, dan zou de mens tot een machine worden en zou hij nooit tot een vrije zelfstandigheid komen. Maar wanneer de mens de belering krijgt, wat hij heeft te doen om zijn hart voor God om te vormen, dan moet hij deze leer ook opvolgen en zijn hart daarnaar vormen.
Heeft hij zijn hart daarnaar gevormd en het gereinigd, dan pas trek ik er in de geest in en maak het tot mijn woning. De gehele mens is dan in de geest wedergeboren en kan voor eeuwig nimmer meer verloren gaan. Hij is daardoor één met mij geworden, zoals ik zelf één ben met de Vader van wie ik ben uitgegaan en gekomen in deze wereld, om alle mensenkinderen de weg te wijzen en de weg te banen, die zij in de geest hebben te gaan om tot God te komen in volle waarheid. Je moet daarom, evenals ieder van jullie, de hand aan het bewerken van je hart slaan, anders ben je verloren (jezelf als werk ter hand nemen).

Wijd aan mij, in plaats van aan zovele lustgevende zaken in de wereld, slechts een vol uur per dag je aandacht; heilig dit daarvoor dat je je daarin met niets anders dan alleen met mij in je hart bezighoudt.
Ieder, die in het leven van zijn geest wil ingaan, moet zich dagelijks een tijd lang in de volkomen rust begeven en moet daarin niet allerlei gedachten laten dwalen. Maar hij moet slechts één gedachte opvatten en deze als een bepaald onderwerp zonder afgeleid te worden overdenken. De beste gedachte is bepaald God! Wanneer iemand dat met ijver en alle mogelijke zelfverloochening aanhoudend zal doen, dan zal daardoor zowel het gezicht als het gehoor van de geest steeds meer aan innerlijke scherpte winnen.

Een gedachte is een zuiver geestelijke schepping en kan daardoor nergens anders ontstaan dan in de geest van de mens, die in het hart van de ziel woont en van daaruit de hele mens levend maakt.
Bij de mensen bij wie de liefde nog niet is ontwaakt, vormen zich weliswaar de gedachten ook in het hart, maar zij worden daar niet waargenomen, doordat het hart nog te stoffelijk is. Zelfs de grootste wereldwijzen kennen bij lange na niet hun levensfundament (door de onbewuste vereenzelviging).

1. De mens heeft een dubbel bevattingsvermogen: een uiterlijk, dat is het hoofd of het eigen uiterlijke zielsverstand. Met dit bevattingsvermogen laat zich nooit het goddelijke wezen bevatten en begrijpen, omdat het de 'ziel' juist daarom werd gegeven, om de geest in haar om te beginnen van de godheid te scheiden en hem deze voor een tijd verborgen te houden (de toestand van onbewuste vereenzelviging).
2. Maar de 'ziel' heeft nog een ander vermogen, dat niet in haar hoofd maar in haar hart woont. Dit vermogen heet innerlijk gemoed en bestaat uit een geheel eigen wil (willen), uit de liefde (voelen) en uit een met deze beide gemoedselementen overeenkomende voorstellingskracht (denken). Heeft deze eenmaal het begrip van het bestaan van God in zich opgenomen, dan wordt het dadelijke door de liefde omvat en door haar wil vastgehouden, welk vasthouden dan geloven heet. Door dit geloof dat levend is, wordt de geest opgewekt. Deze beschouwt dan wie hem heeft opgewekt, kent hem en neemt hem dan direct op, richt zich daarna op als een machtig licht uit God en doordringt dan de ziel en verandert alles in haar licht (de zelfbewustwording en zelfverwerkelijking).
Om met het hart te kunnen denken, moet men een zekere oefening hebben. Deze bestaat uit het steeds herhaalde opwekken van de liefde tot God (door zelfbezinning). Door deze opwekking wordt het hart versterkt en vergroot, waardoor de banden van de geest losser worden, zodat zijn licht - want elke geest is een licht uit God - zich steeds meer en vrijer kan ontwikkelen.
Het licht van de geest begint dan het levenskamertje van het hart te verlichten. Het beschouwen van de 'ziel' in het hart is dan een nieuw denken. De 'ziel' verkrijgt daardoor nieuwe begrippen en heldere voorstellingen. Haar gezichtsveld wordt verwijd. Het licht van de geest verlicht de innerlijke vormen zo, dat zij naar geen enkele kant een schaduw werpen.

Hoe worden jullie je denken en voelen gewaar (waarnemen)? Is het uiterlijk of innerlijk? Zou de mens alleen maar een machine zijn, dan zou deze slechts uiterlijk kunnen denken, dat wil zeggen door indrukken van het geheugen zich een weten kunnen verwerven, dat alleen door belering is geleerd, ongeveer zoals men een dier africht.
De gevolgtrekking echter is een vragen van de 'ziel' aan een in de mens levend, innerlijk beginsel, dat antwoord geeft op de gestelde vragen als de geest nog in de 'ziel' leeft en als zodanig is voleindigd.
De geest antwoord wel altijd juist, maar omdat hij allereerst in de mens het levensbeginsel van de 'ziel' is, kan deze in haar zelfbewustzijn ook overeenkomstig haar wezen als een spiegelbeeld handelen. Juist zo als een goed spiegelbeeld niet zonder een aanwezig voorwerp kan ontstaan en daaraan precies gelijk is, zo kan ook de 'ziel' haar oordelen alleen dan zelf geven, wanneer deze als reflex van de geest uitgaan. Zoals echter een spiegelbeeld alles verkeerd toont, tegenovergesteld aan het voorwerp en nochtans waar is, zo gebeurt het ook hier, zolang beiden niet in elkaar zoeken op te gaan.
Alleen een mens, die de geest zover in zich heeft gewekt, dat de 'ziel' geen aardse, verkeerde reflexen terugwerpt, heeft de wedergeboorte bereikt en staat in de volle waarheid.
Het is niet makkelijk deze grenzen te doorbreken, want vanwege het stoffelijke, aardse lichaam heeft de aards aangelegde 'ziel' een grotere hang daarnaar, dan de zich slechts zwak voelbaar makende geest, wiens werken de 'ziel' graag als haar eigen werken beschouwt.
Deze grenzen te doorbreken is mijn en jullie opgave. De weg hiertoe vinden jullie door je innerlijke geest, die jullie moeten leren aan het woord te laten (zich bewust te worden van zichzelf ). Alleen deze is de enige goede leraar, omdat hij met de algemene geest van God (de algeest) in verbinding staat en daarvan een evenbeeld in het klein is, dus alle waarheid alleen uit hem put.
Heeft de 'ziel' haar wezen geheel ondergeschikt gemaakt en is zij daardoor zonder aardse wensen geworden, dan streeft zij nog enkel en alleen naar het geestelijke en is dus als zelfbewuste 'ziel' in het geestelijke opgegaan. Het is de toestand, het 'nirvana', waarin elke wil die door vleselijk aardse neigingen wordt veroorzaakt, is vernietigd.

De wedergeboorte van de geest (de zelfverwerkelijking) bestaat in een onoplosbare gemeenschap met mij (de hereniging). Tot nu toe was de gemeenschap met de persoonlijk werkende goddelijke geest nog niet mogelijk, omdat buiten mij, Jezus, de Godheid nog niet persoonlijk zichtbaar aanwezig was.
De geloofsleer van de rechtvaardigen, die voor mij op aarde de wedergeboorte van de 'ziel' hebben bereikt, toont aan, dat hun indringen in de hoogste voleinding hen als een opgaan in de oneindigheid scheen te zijn (de algeest), omdat God zelf, als onpersoonlijk wezen, juist die oneindigheid betekent, waarin het wezen van zijn kracht wel geestelijk kan worden ondervonden, maar toch niet aan de 'ziel' aanschouwelijk als een persoon kon worden getoond.
Pas na mijn dood, wanneer mijn lichaam zal zijn opgenomen als een kleed van de almachtige, oneindige Godheid zelf, zullen al diegenen, die voor mijn tijd het lichamelijke leven hebben verlaten, ook in staat zijn door het aanschouwen van de nu persoonlijke godheid in eeuwige gemeenschap met hem te leven.
Dat zal zijn in een stad, die ik jullie heb laten zien en die het hemelse Jeruzalem, de eeuwige godsstad voorstelt. Dit gemeenschappelijke, eeuwige samenwonen van God met zijn kinderen (de hereniging) komt door de wedergeboorte van de geest.
Allen die vroegere wegen willen bewandelen, kunnen dus wel de wedergeboorte van de 'ziel' verkrijgen, (de zelfbewustwording) maar niet tot gemeenschap met mij komen (de hereniging).

Voor elke 'ziel' is alleen maar dat ene noodzakelijk, dat zij mijn levensrijk in zichzelf zoekt en ook vindt in het kleine kamertje van het hart, waarin zich het levensbeginsel bevindt. Mijn rijk is in het kleine hart van de mens gelegd. De weg daarheen is kort, het is de afstand van het hoofd tot het midden van het hart. Heb je (door zelfbezinning) deze afstand afgelegd, dan ben je ook reeds in de hemel.

Elk mens is behept met bepaalde zwakheden, die de feitelijke boeien van zijn geest zijn, welke hem als een stevig omhulsel inkapselen (de onbewuste vereenzelviging). Deze boeien kunnen pas worden losgemaakt, wanneer de met het vlees vermengde 'ziel' zich door de juiste zelfverloochening zodanig heeft versterkt, dat zij stevig en krachtig genoeg is om de vrije geest aan te grijpen en vast te houden. Daarom kan de mens zijn zwakheden pas leren kennen door allerlei verleidingen, die hem tevens doen ervaren hoe en waarin zijn vrije geest is gebonden.
Als hij dan juist op deze punten zichzelf verloochent in zijn 'ziel', dan maakt hij daardoor de boeien van zijn geest los (de onthechting en bevrijding), terwijl hij tegelijkertijd daarmee zijn 'ziel' aan banden legt. Is dan te rechter tijd zijn 'ziel' gebonden met al die banden, die voorheen zijn geest vasthielden, dan gaat die geheel ontkluisterde vrije geest op natuurlijke wijze over in de nu gave en krachtige ziel, die daardoor volledig in de hemelse machtssfeer van de geest terechtkomt en volledig een met haar wordt.

Dit nu is het ware doel, onafhankelijk te worden van 'het vlees met al zijn lusten' (niet het vlees kent lusten, maar de met het vlees vereenzelvigde geest), twijfels en vergissingen, om zich thuis te voelen in de echte en ware wereld. Ieder, die zich bevrijdt, krijgt een heldere kijk op mensen en natuur. Zijn opmerkingsgave is veel scherper geworden (helderziendheid), maar in werkelijkheid is dat het levendig worden van de geest, die werkzamer wordt.
Dan dient de mens het tot een gewoonte te maken in zichzelf te kijken, d.w.z. de beelden te onderscheiden, die zijn geestelijke oog, onafhankelijk van zijn lichamelijke ogen, ziet en kan gadeslaan (helderziend waarnemen). Hij zal dan snel, als hij in de liefde tot mij staat, de eigenschappen van de geest verkrijgen. Dat is echter geen magische, maar een heel natuurlijke eigenschap van de ziel (geest), waarvan zij zich overigens evengoed kan afsluiten, als men zich in het vlees van het ontwikkelen van de verschillende talenten kan afsluiten.

Wie zichzelf een uiterste zelfverloochening oplegt, doet het rijk van God geweld aan en trekt het met geweld tot zich.

De geest is zuivere liefde en het enige levende in de mens. Pas wanneer de liefde (voelen), de wil (willen) en het met alle waarheid vervulde verstand (denken) daadwerkelijk geheel één zijn geworden (zelfverwerkelijking), dan is de mens ook tot de wedergeboorte van de geest uit God in zijn ziel gekomen.

De geest in de mens is uit God en is niets anders dan een god in de kleinste afmeting, omdat hij volledig uit het hart van God is. De mens is dat evenwel niet door een daad van God, maar geheel uit zichzelf en juist daaarom een waarlijk godskind.
Ik zeg het nogmaals in een paar woorden: de mensen moeten helemaal zichzelf vormen naar de geopenbaarde ordening, omdat zij anders onmogelijk kinderen van God kunnen worden; en een voleindigd mens op deze aarde is als een kind van God in alles aan God gelijk.
Wie de liefde tot mij opwekt, die wekt zijn door mij aan hem gegeven geest op. Omdat deze geest ikzelf ben en moet zijn, omdat er buiten mij eeuwig geen andere levensgeest is, wekt hij daardoor dus mijzelf in zich op.
De innerlijke geest werkt er weliswaar onophoudelijk aan de 'ziel' zo vroeg mogelijk volledig vrij en rijp te maken, maar toch kan en mag hij haar niet de minste dwang opleggen, omdat een 'ziel' op die manier nog materialistischer en onvrijer zou worden, dan zij door alle invloeden vanuit de buitenwereld ooit zou hebben kunnen worden.
In gelijke mate als waarin de 'ziel' die steeds zuiverder wordende geestelijke weg betreedt, verenigt zich dan haar innerlijke, zuivere geest van gene zijde met haar. Heeft ze door haar steeds meer gelouterde verstand en door haar daardoor ook steeds vrijer geworden wil van de wereld afstand gedaan, dan is ze gelijk aan haar geest en is dan één met hem geworden. Deze eenwording noemen wij de geestelijke wedergeboorte.

Waaruit bestaat de macht van God in de mens? Deze bestaat uit de ware en zuivere liefde tot God en diens alles overtreffende wijsheid en daardoor uit de ware liefde tot de naaste en verder uit zachtheid en deemoed, alsook uit de zelfverloochening tegenover de verlokkingen van de wereld.
Wie in dit alles sterk is geworden, die heeft de macht van God al in zich, die is door de vereniging van de machtige geest van God met de 'ziel' één geworden met God. Hij heeft zich dientengevolge boven de dwang van tijd en ruimte en daardoor boven het gericht en de dood verheven.

… rechtvaardige en vrome mensen, die in een zekere geestesvervoering zijn gebracht, waarin zij de geest van God zagen als een licht, dat alle ruimten der oneindigheid vervulde (de algeest) en waarvan zij waarnamen, dat zij zelf een deel van dat licht waren (de algeestvonk, door verdichting van Gods licht uit de algeest voortgekomen). (gje 4, 366)
Allen, die zo’n genade ten deel vielen, getuigen dat zij in dit licht door en door gegrepen werden door een onuitprekelijk geluksgevoel en begonnen te profeteren … (gje 4, 366)

terug naar de Inhoud

8. De drieëenheid, de engelen
Jullie zullen de wedergeboorte uit de geest en in de geest pas dan volledig begrijpen, als ik onder jullie ogen van de aarde zal worden opgenomen. Daarna pas zal ik vanuit de hemel mijn geest vol waarheid en kracht over al de mijnen uitstorten (de betekenis van Pinksteren), waardoor dan de volle wedergeboorte van de geest en in de geest volkomen mogelijk wordt en jullie ook pas dan en daardoor de wedergeboorte van jullie geest zullen kunnen begrijpen en erkennen.

(Een engel) Hoewel God in zijn wijsheid en majesteitelijke macht oneindig is, toch is hij hier in de liefde van de Vader als een begrensd mens bij en onder jullie aanwezig. Juist deze liefde, die hemzelf een mens voor jullie doet zijn, maakt ook ons engelen tot mensen voor jullie. Terwijl we anders licht en vuur zijn, en ons flitsend bewegen in de eindeloze ruimte als grote, scheppende gedachten, vervuld met woord, macht en wil.
Zolang wij engelen zo blijven als we nu zijn, zijn we alleen maar armen en vingers van God en alleen dan bewegen we ons en treden handelend op, als we door God daartoe worden aangezet. Alles van ons behoort aan God; niets is als iets zelfstandigs van onszelf en alles aan ons is eigenlijk God zelf.
Jullie echter zijn geroepen en bestemd in de volste zelfstandigheid dat te worden, wat God zelf is. Tot jullie wordt door God gezegd: Weest volmaakt in alles, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Nu zijn jullie nog embryo's in het moederlichaam, die met hun kleine krachten niets kunnen. Als je echter uit het ware moederlichaam van de geest wedergeboren wordt, dan zullen jullie ook zo vermogend werken als God zelf.
Wordt een mens geheel door of uit zijn geest wedergeboren, dan is hij volkomen aan mij gelijkwaardig. Hij kan dan uit zichzelf in alle levensvrijheid willen, hetgeen hij in mijn ordening, die hij dan zelf is geworden, maar wenst. Het zal geschieden en aanwezig zijn volgens zijn vrije wil.

Als ik mij aan iemand, zoals aan Abraham enigermate zichtbaar wilde maken, geschiedde dat daardoor, dat ik een engel zodanig met mijn wil vervulde, dat hij dan op bepaalde ogenblikken mijn persoon uitbeelde. Maar nu ben ik voor alle mensen een zichtbare God geworden en ik heb voor hen de grondslag gelegd voor een volkomen eeuwig en zelfstandig vrij en waarachtig leven.

Wie door het vaste en levende geloof, door de liefde tot God en de naaste en door de ontwijfelbare hoop al de boze hartstochten van zijn vlees kan bestrijden en zo geheel meester over zichzelf is geworden, die wordt ook meester over de hele natuur.

De mens moet zich het ware bidden steeds oefenen en daarin niet traag worden; want een goed en vast vertrouwen wordt de mens ook eigen door goede oefening. Oefening heeft de leerling nog steeds tot meester gemaakt.

Tot slot van deze hoogst belangrijke uiteenzetting willen wij overgaan tot het drieënige wezen van God zelf. Ik, Jezus Christus, die ook de mensenzoon wordt genoemd, ben de ware God, hoewel hij onder verschillende namen wordt aangeduid, als Vader, Zoon en Geest. Toch is God slechts één persoonlijke heerlijkheid in de meest volkomen vorm van een mens.
Zoals de ziel, haar uiterlijke lichaam en haar binnenste geest zodanig zijn vereend, dat zij slechts één wezen of slechts één individuele substantie uitmaken, maar onder elkaar een onscheidbare drieheid zijn, alzo vereend zijn Vader, Zoon en Geest.

In deze Zoon des mensen, die vlees is, woont Gods wijsheid (denken) en dat is de eniggeboren Zoon van God.
Doop hen en sterk hen in de naam van de Vader, die de liefde is (voelen), in de naam van het Woord, dat de Zoon is of de wijsheid (denken) van de Vader en in de naam van de heilige geest, die de allesvermogende wil (willen) is van de Vader en de Zoon. Onder deze drie begrippen is het wezen van God geheel verklaard en aan de mensen volledig uitgebeeld (M.a.w. de 'heilige drieëenheid' is een uitbeelding van de geestelijke vermogens in drievoud, zie Geestkunde, Hoofdstuk 3.
Deze verklaring is eenvoudig en begrijpelijk, daar ieder mens verschillende kanten van zijn of haar persoonlijkheid laat zien in verschillende omstandigheden. In gevoelsmatige omstandigheden toont men zijn gevoelskant, die samenhangt met het voelen; bij begripsmatige vraagstukken voert het verstand de boventoon (het denken) en als er moet worden opgetreden de wil).

geestestoestandgeestelijke vermogensengelen
God Vaderliefdevoelenserafim
Zoonwijsheiddenkencherubim
Heilige Geestwilskrachtwillenofanim

Het rijk van God is inwendig in de mens. Zijn grondsteen is Christus, de enige God en Heer van hemel en Aarde, voor tijd en eeuwigheid in de ruimte zowel als in de oneindigheid. Aan hem moet het hart geloven, hem liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf. Heeft de mens aan deze zeer eenvoudige eis in zijn hart geheel voldaan, dan heeft hij het rijk van God al gevonden. Om het overige behoeft de mens zich dan niet meer te bekommeren; dat wordt hem erbij gegeven als hij iets nodig heeft.

Wanneer alles wordt doordrongen door de Vader, dan wordt de Zoon door de Vader opgenomen in de hemel, dat is, in het hart van de Vader; de Zoon nu neemt de geest van de mens, en deze de 'ziel' en de 'ziel' het lichaam, dat wil zeggen het levenslichaam (de geestgedaante); want al het overige (de stof) is slechts een uitscheiding daarvan.

Elk mens heeft weliswaar de volle vrijheid van zijn wil, maar de leiding van de volkeren is mijn werk.







^