Het mensbeeld vanuit geestkundig gezichtspunt


Inhoud

De etymologie van het woord 'mens'.
De drievoudige mens: geest, ziel en lichaam
De geestelijke vermogens
De geestelijke uitstraling: ziel en geestgedaante
De aarde als geestelijke leerschool
De geestelijke ontwikkeling
De hereniging
Jezus' voorbeeld

De etymologie van het woord 'mens'.
Het woord 'mens' hangt samen met het Gotische woord 'mannisks' (in hedendaags Zweeds: människa), een woord dat weer is afgeleid van het Gotische 'manna' met de betekenis: man, en van 'munan': menen, denken (Duits: 'meinen'; Engels: 'to mind').
Het Gotisch kende ook het woord 'geist', dat samenhangt met de woordstam 'ghei-', met de betekenis: aandrijven, in beweging brengen.
Daarnaast betekent het Sanskriet woord 'manas(a)': geest; en 'mana': gedachten, het denken; en ook de betekenis van het Latijnse woord 'mens' is: geest (van Latijn 'mens' is afgeleid: 'mentaal').
De oorspronkelijke betekenis van het woord 'mens' zal daardoor zijn geweest: een wezen dat is begiftigd met geest, die de aandrijvende kracht is achter het denken, waardoor de mens wordt gekenmerkt.

Afgaande op het gegeven in de esoterische literatuur dat mensen in de tijd dat talen ontstonden nog een zekere helderziendheid bezaten, betekent dit dat hun woordkeus samenhing met een voor hen nog zichtbare, ervaarbare werkelijkheid; in dit geval die van de menselijke geest in de geestelijke wereld en in de mens op aarde. Voor hen betekende het woord 'geest' daardoor: de denkende zelfstandigheid in de mens. Dit sluit aan op datgene, wat er ook nu, met een helderziende blik - zowel in de geestelijke wereld als in de mens - van de geest ervaarbaar is.
Als onze voorouders in hun tijd het woord 'mens' gebruikten, bedoelden zij dus: de denkende geest. Door het verminderen van de helderziendheid in de loop der eeuwen is dit oorspronkelijke begrip van het woord 'mens' echter verloren gegaan; in het huidige tijdperk wordt er bij 'mens' voornamelijk gedacht aan de uiterlijk zichtbare verschijning, terwijl het denken is teruggebracht tot niets dan een 'neuronale activiteit' in de hersenen.
Daardoor moet nu aan de onwetend geworden mens - met name aan hen die desondanks toch naar geestelijk inzicht streven - worden uitgelegd wat het wezen van de mens is ... er moet een mensbeeld worden beschreven: een voorstelling van het wezen en van de betekenis van de mens.

terug naar de Inhoud


De drievoudige mens: geest, ziel en lichaam
Vanuit geestkundig gezichtspunt is de mens een wezen, dat wil zeggen een 'zijnde', dat in deze stoffelijke wereld uit drie eenheden bestaat: geest, ziel en lichaam; de geest als de kern heeft een geestelijke uitstraling om zich heen: de ziel; sommige delen van de eivormige ziel hebben een menselijke vorm gekregen: de geestgedaante. Deze geestgedaante is de mal die vorm geeft aan een stóffelijke vorm: het op aarde zichtbare lichaam.
Het lichaam is het tijdelijke voertuig en werktuig dat de geest door middel van de hersenen gebruikt om zich op de aarde te bewegen en te handelen, en zich naar anderen toe uit te drukken middels woorden en gebaren; de geestgedaante op zichzelf is het voertuig waarmee de van het lichaam vrije geest zich in de geestelijke wereld kan bewegen.
In geestkunde worden álle verschijnselen beschreven met de geest als uitgangspunt en worden zij ook vanuit de geest benoemd.

terug naar de Inhoud

De geestelijke vermogens
Als zelfstandigheid doet de menselijke geest zich in de geestelijke wereld voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, die door verdichting uit het licht en de warmte van de goddelijke algeest (de ongevormde oertoestand) is voortgekomen. Deze bol van licht en warmte bevindt zich in het voorhoofd van de geestgedaante (en daardoor ook van het lichaam).
Dat licht en die warmte kunnen zich in twee toestanden bevinden, die tegendelen van elkaar zijn: een vormbare en zelfvormende toestand. Hiermee hangen de vier geestelijke vermogens samen: het vermogen waar te nemen, te denken, te voelen en te willen:
waarnemen - als de geest zijn licht (binnen zichzelf) in een vormbare toestand brengt, dan kan de buitenwereld zich in de geest afdrukken in de vorm van lichtbeelden, ervaringsbeelden, waardoor die zich bewust wordt, wetend wordt van wat daar gebeurt, doordat die gebeurtenissen door waarneming innerlijke ervaringen worden;
denken - als de geest zijn licht in een zelfvormende toestand brengt, dan is die in staat in zichzelf lichtbeelden te vormen, wat denkbeelden zijn, die naar buiten toe met woorden tot uitdrukking kunnen worden gebracht;
voelen - als de geest zijn innerlijke warmte in een vormbare toestand brengt, dan komt de warmtetoestand, wat de geestelijke gemoedsgesteldheid is, in overeenstemming met de eerder waargenomen ervaringen, waardoor de geest kan meeleven, meevoelen met wat er in de buitenwereld met medemensen gebeurt;
willen - als de geest zijn warmte in een zelfvormende toestand brengt, dan is die in staat de gedachten, de gevoelens en wilsbesluiten, die door te denken en te voelen zijn gevormd, te bekrachtigen en ze in de vorm van uitspraken en handelingen in de buitenwereld tot uitdrukking te brengen.

terug naar de Inhoud

De geestelijke uitstraling: ziel en geestgedaante
Als de menselijke geest in zichzelf als die bolvormige wolk met zijn vermogens werkzaam is, dan straalt de geest een uitstraling om zich heen uit van vormbaar licht: de ziel (de aura); daarin kan de geest de vóórtbrengselen van zijn geestelijke vermogens bewaren in de vorm van beelden: het waarnemen vormt ervaringsbeelden en kennis; het denken vormt denkbeelden; het voelen gevoelens en het willen wilsbesluiten. Die worden daar bewaard in het geestelijke, blijvende deel van het geheugen (het tijdelijke, stoffelijke deel ervan bevindt zich in de hersenen, dat nodig is om ook op aarde het geheugen te kunnen gebruiken).

In de loop van de eeuwenoude geestelijke ontwikkeling die de geest heeft doorgemaakt door zijn vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken, hebben ook de éigenschappen van de vermogens op die uitstraling ingewerkt; daardoor heeft in de loop van miljoenen jaren de uitstraling de vorm gekregen van de geestgedaante, de menselijke gestalte.
De eigenschappen van het waarnemen hebben vorm gegeven aan het hoofd (met zijn vele zintuigen); de eigenschappen van het denken aan de organen in de buik (met hun ontledende en samenvoegende werkzaamheid) beneden het middenrif; die van het voelen aan het hart (met de longen) als oorzaak van de bloedsomloop (de verzorging van alle lichaamscellen), boven het middenrif; en die van het willen aan de ledematen, waardoor de geest in het lichaam zich kan bewegen en handelen, en uitdrukking kan geven aan gedachten, gevoelens en wilsbesluiten.
Deze geestgedaante komt vanuit de geestelijke wereld in de vormen en werking van het lichaam op aarde tot uitdrukking.

terug naar de Inhoud


De aarde als geestelijke leerschool
Wanneer de menselijke geest door een volgende geboorte vanuit de geestelijke wereld weer in een lichaam in de stoffelijke wereld komt te leven, raakt de mens hier steeds opnieuw in een toestand van onwetendheid. Die wordt veroorzaakt doordat de geest - het eeuwig levende - wordt verbonden met de stof - het niet-levende - waardoor de geest hier niet meer zichzelf kan zijn, daardoor het besef van zijn eigen zelfstandigheid en werkzaamheid verliest en onbewust wordt van zichzelf als de bolvormige wolk van licht en warmte.
Daardoor vloeien aandacht en toewijding geheel uit de geest weg, waardoor die voor zichzelf als het ware een leegte schijnt te zijn ('die geest, dat is toch maar een gedachte'). Door de overdracht van aandacht en toewijding vanuit zichzelf op lichaam en omgeving ontstaat de toestand van onbewuste vereenzelviging daarmee, waardoor de mens hier - door die overdracht van zichzelf - in de vaste overtuiging leeft 'het lichaam te zíjn' en dat deze stoffelijke wereld 'álles is wat er is' en waardoor je er maar één keer leeft.

Door de onwetendheid wat betreft zijn geestelijke oorsprong komt de mens hier in omstandigheden, waarin die schijnbaar volkomen aan zichzelf is overgeleverd; maar daardoor is de mens wel vrij zélf en op éigen kracht een keuze te maken tussen de mogelijkheden, die zich hier aandienen in de tijd; de tijd die als het ware een stroom van gebeurtenissen is, die vanuit de toekomst naar de mens toekomt. Door zelf keuzes te maken, bewerkt de mens uit zichzélf zijn groei naar geestelijke zelfstandigheid: het doel en de zin van zijn aanwezigheid in deze wereld.
In deze wereld wijst niets op het bestaan van zichzelf als geest noch op de geestelijke betekenis ervan. De aarde is daardoor een 'school' in de letterlijke betekenis van het woord - het woord is afkomstig van het Egyptische 'she oul a': de aan zichzelf overgeleverde mens dorst naar kennis (Grieks: 'skola').

terug naar de Inhoud

De geestelijke ontwikkeling
Door de geboorte in het lichaam is de menselijke geest op aarde komen te leven in de tijd als stroom van gebeurtenissen. De geest moet hier zelfstandig van zijn geestelijke vermogens gebruik leren maken om niet door die gebeurtenissen te worden overweldigd, maar in die stroom staande te blijven. Door het verwerken van die gebeurtenissen met behulp van de vermogens, worden gebeurtenissen omgevormd tot ervaringen in de geest, tot de levenservaring van waaruit de mens leert met nieuwe gebeurtenissen op een zinvolle wijze om te gaan.
Door de noodzaak gebeurtenissen te verwerken - wat alleen kan met behulp van de geestelijke vermogens - neemt de mens toe in het bewust en beheerst gebruik maken ervan. Het enige wat de mens voortdurend doet, is: het waarnemen van gebeurtenissen, ze overdenken en doorvoelen om de betekenis ervan te begrijpen, en dan te besluiten daar iets mee te willen doen. Dat gebeurt de hele dag door.
De mens leert door éigen ondervinding; door zélf zijn ervaringen te verwerken, leert de mens zijn vermogens steeds beter te gebruiken; en aangezien de vermogens de kenmerken van de geest zijn, betekent dat: een zelfbewerkte geestelijke ontwikkeling.
Door inkeer in zichzelf kan de menselijke geest op een gegeven ogenblik de werkzaamheid van de eigen vermogens in zichzelf gaan ervaren en daardoor komen tot bewustwording van zichzelf: "Ik ben de in zichzelf werkzame geest, ik weet dat ik besta door de werkzaamheid van mijn vermogens in mijzelf te ervaren." (Descartes: 'Ik denk na, dus ik besta!")

terug naar de Inhoud

De hereniging
Door in de leerschool van de aarde de eigen vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken, neemt de menselijke geest toe in kennis, wijsheid, liefde en kracht: de eigenschappen van de ontwikkelde vermogens. Daardoor worden zijn vermogens ten slotte gekenmerkt door het geweten en de deugden: de vermogens in hun ontwikkelde vorm. Daardoor gaat de geest steeds meer licht en warmte uitstralen, waardoor die in overeenstemming komen met het licht en de warmte van de geesten, die vanuit de geestelijke wereld de mens begeleiden op zijn of haar pad over de aarde. Zo zijn zij steeds beter in staat de mens op de goede weg te houden - de levensweg - die uiteindelijk leidt naar hereniging met God... de bron waar de mens ooit van uit is gegaan en ook weer naar terug zal keren - maar nu uit zichzélf, schijnbaar zonder hulp of beloning, volwassen geworden door zelf zijn of haar goddelijke aanleg tot ontwikkeling te hebben gebracht.

Om deze terugkeer voor iedere mens mogelijk te maken, is de goddelijke algeest, de eeuwige en oneindige oorsprong van allen, één keer in een persoonlijke vorm (zoals bij de mens ook door verdichting) als Gods heilige geest de mensheid tegemoet gekomen; Gods heilige geest is als geest in de mens Jezus op aarde geboren en heeft zo de mensheid bezocht - óók hen die door hun vrijheid van keuze het doel zijn gaan tegenstreven door zelfzuchtig voor zichzelf te kiezen en zo zichzelf in hun duistere werelden dreigden op te sluiten. Door deze goddelijke tegemoetkomst is iedere mens nu in de goddelijke sfeer opgetrokken, ook zij die door hun zelfgerichtheid onwillig waren geworden.

Als de méns Jezus heeft de heilige geest zich door de tegenstrevende mens op aarde laten bespotten en veroordelen, en heeft hij zich laten terechtstellen door de meest vernederende dood aan het kruis te ondergaan; maar daardoor heeft de diepste deemoed, die Gods heilige geest als de méns Jezus in de geschiedenis aan de mensheid heeft getoond, de grootste hoogmoed van zijn ménselijke tegenstrevers... in zichzelf in de vorm van de álgeest, waarin dit alles is geschied, weer in evenwicht gebracht en zo uit de algeest weggedaan.
Door dit zelfoffer, deze daad van liefde voor allen, heeft de heilige geest voor iedere mens de weg vrijgemaakt Gods godenkind te worden als die dat zelf wil en als die zelf zijn of haar eigen zelfstandigheid door geestelijke ontwikkeling verwerkelijkt en zo de hereniging met God mogelijk maakt - het uiteindelijke doel van iedere mens. God kan alleen met gelijkwaardigen een evenwichtige, persoonlijke band vormen.

terug naar de Inhoud

Jezus' voorbeeld
Daarnaast heeft Jezus door zijn geboorte, kruisdood, graflegging, opstanding en hemelvaart aan de mens de mijlpalen van zijn eigen geestelijke groei getoond. Jezus' leven is voor de mens op aarde een voorbeeld, een oerbeeld van geestelijke ontwikkeling: het geestelijke doel van dit stoffelijke bestaan.
- Door de geboorte daalt een menselijke geest uit de geestelijke wereld af naar deze niet-geestelijke aarde en komt hier in omstandigheden te wonen, die niet met zijn geestelijke aard overeenkomen - als het ware in een stal, die immers voor dieren is bestemd.
- Daardoor wordt de geest onbewust van zichzelf en geraakt hier in een toestand dat die zich vereenzelvigt met het lichaam - als het ware daaraan vastgenageld als aan een kruis.
- In die toestand is de geest niet meer zichzelf en is hier als dood, het lichaam is voor de geest als een graf geworden - waarin de geest als het ware is neergelegd.
- Na te hebben geleerd van de hier opgedane ervaringen, kan de geest zich geestelijk ontwikkelen, zich weer van zichzelf bewust worden door zich van de stof te onderscheiden - en zo als het ware uit het graf opstaan.
- Na hier zijn geestelijke zelfstandigheid te hebben verwerkelijkt, kan de geest ten slotte terug naar huis om zich weer met zijn oorsprong te herenigen, met God die onze geestelijke Vader en Moeder is - als het ware de hemelvaart, de thuiskomst aan het einde van een lange, lange levensweg.


naar de samenvatting






^