Inhoud


In deel 1 gaat het om de menselijke geest en worden de geestelijke eigenschappen beschreven zoals die in de geestelijke wereld ervaarbaar zijn: het geestelijke licht en de geestelijke warmte. Met dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen.

In deel 2 gaat het om de verhouding tussen geest, ziel en lichaam. De geest als de bewuste levenskracht is de kern. De geest kan in zichzelf werkzaam zijn door middel van zijn geestelijke vermogens. Door die werkzaamheid straalt de geest om zich heen een vormbare krachtruimte uit: de ziel.
Een aantal onderdelen van de ziel is gevormd als de geestgedaante die de menselijke gestalte heeft. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor de geestgedaante in deze stoffelijke wereld als het lichaam zichtbaar wordt.

In deel 3 gaat het om de aanvangstoestand van de geestelijke ontwikkeling, de jeugdtoestand. Dit is een toestand van bewustzijnsvernauwing die wordt veroorzaakt doordat de geest, het levende, met het tegendeel van zichzelf, het levenloze, de stof, wordt verbonden. Dit heeft een toestand van onbewuste vereenzelviging met het lichaam en dit tijdelijke bestaan tot gevolg, waardoor er werkelijk wordt gedacht dat dit alles is wat er is.
Daaruit kan op sommige gebieden de bewuste vereenzelviging voortkomen, een toestand van gehechtheid aan dit bestaan. Je maakt dan een min of meer onbewust en onbeheerst gebruik van je geestelijke vermogens. Eén van de vermogens komt meestal nadrukkelijk in je persoonlijkheid tot uiting en ook daarmee kun je je vereenzelvigen. Daardoor ontstaat de eenzijdige vereenzelviging met een van de vermogens, waardoor het tegendeel van dat vermogen de zwakke zijde in je persoonlijkheid wordt.
Deze aanvangstoestand kan er de oorzaak van zijn, dat je geestelijke ontwikkeling níet op gang komt of wordt geremd, als je daar wel naar streeft.

In deel 4 gaat het om de geestelijke ontwikkeling. Van die remmende aanvangstoestand kun je je bewust worden en daarop kun je trachten jezelf eruit te bevrijden. Om dat te kunnen bereiken, moet je je vermogens bewust en beheerst gaan gebruiken, waardoor je steeds meer jezelf verwerkelijkt. Langzaam maar zeker zullen daardoor je vermogens in je gedrag tot uiting komen als het geweten en de deugden, de vermogens in de ontwikkelde toestand.

In deel 5 gaat het om de geestelijke hereniging. Ben je door zelfverwerkelijking helemaal jezelf geworden, dan zul je ernaar gaan verlangen je met je geestelijke oorsprong te herenigen. Het middel daartoe is de oefening van zelfbezinning, de bezinning op jezelf als geest.
Door zelfverwerkelijking en zelfbezinning komt je geestesgesteldheid steeds meer in overeenstemming met die van je geestelijke oorsprong. Daardoor zul je je er uiteindelijk mee kunnen herenigen.


naar deel 1: de geestelijke vermogens






^