Persoonlijke, geestelijke ervaringen


In dit bestaan heb ik veel geestelijke, paranormale ervaringen mogen meemaken, die mij als een genade zijn geschonken. In de vorm van dromen en visioenen werden mij door mijn begeleiders betekenisvolle beelden getoond, mijn geestesoog werd door hen geopend voor gebeurtenissen in de geestelijke wereld of ik werd in vervoering gebracht en daar in mijn geestgedaante naar toegeleid: zo deed ik persoonlijke ervaringen op met de werkelijkheid van die wereld.
Onzichtbaar voor ons als mens op aarde doordringt die geestelijke wereld deze stoffelijke wereld, waar wij als menselijke geest overdag verblijven - verborgen in onze stoffelijke levensvorm, op de plaats van het voorhoofd in de hersenen. Deze geestelijke wereld is echter onmiddellijk te ervaren als je erin slaagt je eigen geestesgesteldheid door zelfbezinning en gebed tot God zo om te vormen, dat die gesteldheid met die wereld in overeenstemming komt.
Die zelfbezinning en dat gebed is de enige weg om je voor inwerking uit die wereld open te stellen. Je geestelijke begeleiders kunnen je vervolgens helpen door je beelden te tonen, je geestesoog te openen of je in vervoering te brengen, zodat je die wereld - je eeuwige thuis - van hieruit kunt zien of er zelf als geest een bezoek aan kunt brengen.

Met een zekere aarzeling deel ik deze persoonlijke ervaringen mee, maar ik doe het om hen, die ook naar het wezenlijke van zichzelf - het geestelijke - op zoek zijn, te bemoedigen. (Zie voor de vele overeenkomende ervaringen van een groot aantal anderen de literatuurlijst op deze website.) Datgene, waarnaar zij zoeken, is een ervaarbare werkelijkheid, die bovendien de oorsprong is van alles wat bestaat ... ook van henzelf als het eeuwige leven: de vermogende, zich ontwikkelende menselijke geest.
Bedenk echter dat je eenzame gang door deze aardse leerschool juist de bedoeling van dit bestaan is: je wordt hier in de eerste plaats schijnbaar aan jezelf overgelaten om zo op eigen kracht - en naar het lijkt zonder hulp of beloning - je eigen geestelijke zelfstandigheid te verwerkelijken; dat gebeurt door zelf je vermogens te ontwikkelen door de omgang met je medemensen in het alledaagse bestaan. Je wordt mens door de omgang met je medemens. Dat alledaagse bestaan is daardoor de heilige plaats, de gewijde ruimte, want dáár - in de ontmoeting van en omgang met elkaar - vindt de geleidelijke geestelijke groei van ons allen plaats, wat de geestelijke zin is van het bestaan op aarde.

Het feit dat alleen sommigen dit soort ervaringen krijgen naast het dagelijkse bestaan, is een geschenk dat samenhangt met de persoonlijke levensbestemming waarmee je vanuit de geestelijke wereld naar de aarde bent gekomen. Dat gebeurt om voor de anderen een vrije keuze, voor het stoffelijke of voor het geestelijke, mogelijk te maken.
Er is echter één geestelijke ervaring die iedere mens op aarde onmiddellijk kan verkrijgen. Richt je aandacht en je toewijding door zelfbezinning en gebed naar binnen, naar de plaats in je voorhoofd waar je je als menselijke geest, afkomstig uit de geestelijke wereld, overdag bevindt.
Ervaar daar hoe je in jezelf met je eigen geestelijke vermogens je zelfgevormde gedachten en gevoelens onder woorden brengt; dat gebeurt binnen jouzelf als de menselijke geest - de bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dit is de zelfbewustwording, de meest wezenlijke, geestelijke (paranormale) ervaring die je op aarde kunt meemaken ... en voor iedere mens rechtstreeks toegankelijk. Het enige wat je hoeft te doen, is al je aandacht en toewijding volledig om te keren en naar binnen te richten, naar de plaats dat het geestelijke 'hart' wordt genoemd (maar dat zich in het voorhoofd, in de geest, bevindt); en in dat geestelijke midden, dáár moet je zijn!
Als je van daaruit terugkijkt naar de afgelegde weg, kun je zien hoe je vroeger als onervaren jong mens de dingen deed en kun je dat vergelijken met zoals je hebt geleerd het nú te doen. Door zelf je levensloop te beschouwen en de waarde ervan te beoordelen, kun je je ook bewust worden van je geestelijke ontwikkeling voor dit bestaan.


Mijn persoonlijke, geestelijke ervaringen als een getuigenis van het bestaan van een geestelijke wereld naast deze stoffelijke.

1. Op vijfjarige leeftijd (in Appingedam) heb ik mijn eerste geestelijke ervaring. Ik lig in mijn bed en 'kruip in mijn holletje', zoals ik mijn zelfbezinningsoefening noemde, die ik met enige regelmaat toen al deed. Ik was mij er in die tijd al van bewust 'dat ík er ben in míjn innerlijke wereld'. Op een avond zie ik duidelijk als in een flits het innerlijke licht, wat een diepe indruk op mij maakt.
Later las ik bij Steiner dat ongeveer op die leeftijd je beschermengel je loslaat en meer afstand neemt, om je verder schijnbaar aan jezelf over te laten.
2. Tijdens de narcose voor een amandeloperatie (6 jaar, in Groningen) zie ik een prachtig goudgeel korenveld, met daarboven een mooie, blauwe lucht. In dat korenveld rijdt een rode maaimachine waarmee het koren wordt gemaaid. De kleuren zijn heel duidelijk de drie (hemelse) hoofdkleuren rood, geel en blauw.
3. Op tienjarige leeftijd sta ik in de voorkamer van ons ouderlijke huis in Middelharnis. Opeens wordt mijn blik gevestigd op de Bijbel die in de boekenkast van mijn ouders staat. Een kracht drijft mij er naartoe. Ik pak het dikke, zwarte boek en sla het open op de eerste bladzijde. Daar lees ik: "In den beginne schiep God de hemel en de aarde ... "
De tekst grijpt mij aan en een grote vreugde stroomt door mij heen: "God heeft de wereld geschapen!" Ik neem het besluit iedere dag een bladzijde uit dit belangrijke boek te gaan lezen. Ik ben hier zo vol van, dat ik het tegen iemand wil zeggen. Op dat ogenblik komt het dienstmeisje van mijn moeder binnen, haar naam was Rachel(!) (Rachel is de algemene naam voor 'de Joodse vrouw'). Ik zeg verheugd tegen haar wat ik van plan ben te gaan doen.
Ik neem het boek mee naar mijn slaapkamer en merkte dat toen ik bij de Evangeliën was gekomen, er een innige blijdschap door mij heen stroomde als ik over Jezus las. Ook als ik de brieven van Paulus las, maakte mij dat heel blij. Met een gevoel van vreugde las ik alles, wat hij schreef.
Toen ik het boek na twee jaar uit had, begon ik uit een oogpunt van objectiviteit aan de Koran, die toen net door de Moslim Ahmadiyya-beweging uit Suriname in het Nederlands was vertaald. Mijn vader was tot mijn verbazing bereid die voor mij te bestellen.
4. Als ik op twaalfjarige leeftijd bij het lezen van de Bijbel bij de kruisiging van Jezus ben aangekomen, word ik door een diep verdriet overweldigd. Ik kan niet meer ophouden met huilen, lijkt het wel, ik word door het verdriet overmand. Ik wilde niet dat iemand het zag, want ik kon het niet uitleggen en kroop weg achter een stoel.
Iedere keer als ik daarna over Jezus' kruisiging las of hoorde, overkwam mij dit; ook bijvoorbeeld later toen ik voor de eerste keer de gezongen beschrijving ervan in de Matthäus Pasion aanhoorde, die ik van iemand anders - die mij aanraadde die te beluisteren - had gekregen.
5. Op twaalfjarige leeftijd ben ik bij het 'Onze Vader' aangekomen. Het gebed maakt een diepe indruk op mij en ik besluit het vóór het slapen te gaan bidden. Daardoor krijg ik in mijn jeugd meermalen de volgende ervaring. Ik raak door het gebed in vervoering, treed uit en kom in de geestelijke wereld terecht. Ik bevind me geheel alleen in de eindeloze ruimte. De ruimte doet zich duidelijk aan mij voor als het 'onbegrensde'. Deze ruimte is in twee delen gescheiden door een wand. In die wand bevind zich een rond gat waarin ik zit. Ik zit op de rand van het gat met mijn armen om mijn benen geslagen en met mijn rug tegen de rand van het gat. Mijn linker zijde bevind zich in de ene helft van de ruimte en mijn rechter in de andere.
Om mij heen is het licht. Het is een oorsprongloos licht. In de oneindige onbegrensdheid in de verte is er echter een soort van 'donkerte'; ik kan namelijk niet verder kijken. (Op latere leeftijd ontmoette ik God als mijn vader en moeder. Toen stond ik ook op de grens van een gescheiden ruimte, maar dan verdeeld in een vóórste en áchterste deel. Voor was de ruimte van de vader, achter die van de moeder). Deze ervaring doet zich altijd voor na het bidden van het Onze Vader voor het slapengaan, wat ik sinds mijn twaalfde heel mijn jeugd heb gedaan.
6. Op jonge leeftijd heb ik een aantal malen de ervaring, dat ik als geestelijk wezen in de oneindigheid - 'tot voorbij de sterren' - word uitgebreid, terwijl het zelfbewustzijn, het bewustzijn van mijzelf als zelfstandig wezen, tot een uiterst klein vonkje ineenkrimpt, wat mij zeer beangstigt. Ik roep om hulp en bid dan tot Jezus om mij hieruit te verlossen, wat ook meteen gebeurt.
7. Het eerste boek op geestelijk gebied dat ik na de Bijbel in handen krijg, is het boek 'Parapsychologie' van prof. Tenhaeff. Ik krijg het notabene van mijn vader en hij zegt tegen mij: "Dit boek is geloof ik wel wat voor jou!"
8. Op veertienjarige leeftijd sta ik voor mijn boekenkast(je) op mijn slaapkamer te peinzen. Op dat ogenblik dringt heel duidelijk de vraag tot mij door: "Wie is het die nu in zichzelf deze gedachte onder woorden brengt?" Naar het antwoord op die vraag ben ik sindsdien aanhoudend op zoek geweest.
9. Als ik op de HBS scheikunde krijg, boeit dat vak mij in zo'n hoge mate, dat ik in het schuurtje achter ons huis een laboratorium begin. Tijdens één van mijn proeven - het verdrijven van de halogenen uit hun zouten - kom ik in een zodanig verheven gemoedsgesteldheid, dat duidelijk tot mij doodringt dat er iets bijzonders met mij gebeurt door wat ik daar voor me zie gebeuren.
Veel later vertelt een helderziende mij dat ik in een vorig bestaan in Frankrijk een alchemist ben geweest en dat dat één van de redenen is geweest dat ik nu voor de studie farmacie heb gekozen.
10. In de vierde klas van de HBS schrijft de wiskundeleraar een wiskundig vraagstuk op het bord. Ik krijg de beurt om aan het bord de opdracht op te lossen. Gespannen loop ik naar voren, want ik besef dat ik de oplossing niet weet. Ik staar niet wetend wat te doen naar de som. Opeens krijg ik een ingeving! In één keer schrijf ik - als in een vlaag van genialiteit - een elegante oplossing op het bord, waar ik zelf van sta te kijken. De leraar komt zelfs vanachter zijn tafeltje vandaan om te zien wat ik heb gedaan. Goedkeurend knikt hij mij toe en ik slaak een zucht van verlichting.
11. Een schoolvriend komt bij mij langs en vraagt mij mee te gaan naar de boekhandel, waar hij een besteld boek moet ophalen. Ik besluit mee te gaan en terwijl hij bij de balie staat, bekijk ik zonder een bepaald doel de uitgestalde boeken. Opeens valt mijn oog op het boek 'Psychologie' van Henri van Praag. In een opwelling pak ik dat boek en reken meteen af. Het bleek voor mij een zeer leerzame kennismaking met de psychologie te zijn, in het bijzonder met Freud, Jung en de I Tjing.

12. Op twintigjarige leeftijd (zomer 1961 in Zweden) maak ik mijn godservaring mee, mijn kernervaring. Zoals gebruikelijk bid ik vóór het slapengaan het Onze Vader. Ik heb de eerste woorden nog niet in mijzelf gezegd of ik word in vervoering gebracht, waardoor ik in de geestelijke wereld word opgenomen. Ik ben daar in een ongevormde toestand, een punt als het ware. Ik ben uitsluitend een 'aanwezigheid', de geest als een bewuste levenskracht met een duidelijk zelfbewustzijn en ben me ook duidelijk bewust van wat er gebeurt.
Tijdens de godservaring worden de eigenschappen van de geest aan mij getoond. De ervaring begint namelijk met de geestestoestand van diepe, weldadige rust. Deze rust doet zich voor als een toestand van een aangename, 'donkere koelte', ook een 'aanwezigheid' is, een zelfstandigheid, die mij laat delen in de vreugde van haar rust. Vanuit deze rusttoestand van donkere koelte begint later 'iets' te bewegen en er ontwikkelt zich vervolgens een beweeglijke toestand, die daarvóór a.h.w. in de rust opgelost was geweest. Deze beweging doet zich voor als een 'lichtende warmte'. Ook deze is een zelfstandige 'aanwezigheid', die mij laat delen in de vreugde van zijn beweging.
Daarna verenigt deze lichtende warmte zich weer met de schaduwrijke koelte, waar hij zich eerst uit had losgemaakt. Het licht van de lichtende warmte doordringt daarbij het donker en de warmte doordringt de koelte, die zich beide laten doordringen. Het gevolg van deze vereniging is een nieuwe toestand, een tussentoestand die een evenwicht is tussen beweging en rust, licht en donker, en warmte en koelte; een toestand die ik als een zacht, gouden licht en als een 'verkoelende warmte'(!) ervaar. Deze nieuwe tussentoestand doet zich 'naar buiten toe' voor als een lichtende warmte, maar dan als een die nu de eigenschappen van de donkere koelte in zich heeft opgenomen. De oorspronkelijke toestand was volledig omgekeerd in zijn tegendeel.
Deze nu álle eigenschappen in zich bevattende lichtende warmte is alomtegenwoordig, hij strekt zich uit in de eeuwige oneindigheid; het was met andere woorden de algeest en ik keek weer in de verre verten van de eeuwige oneindigheid, zoals ik vroeger meemaakte.
In de algeest als die alomtegenwoordige, lichtende warmte, ontstaat daarna een tweede toestand, een minder heldere wereld. Als een gevolg van de vereniging bevindt zich daarin ook de menselijke geest en wel in de vorm van een bolvormige wolk, een brandpunt van licht, een vonk, door verdichting uit de algeest ontstaan en daardoor van hetzelfde geestelijke licht. Daarna stroomt er geestelijke warmte uit de algeest naartoe, waardoor die wolk van licht tot leven komt; een warmte die ik als een innige liefde ervaar, met niets op aarde te vergelijken.
Er is nu een bolvormige wolk van hetzelfde geestelijke licht en dezelfde geestelijke warmte als de algeest gevormd. Die wolk of dit brandpunt is voortgekomen, geboren uit de doordringing en de vereniging van de donkere koelte met de aanvankelijk daar eerst uit voortgekomen lichtende warmte. In dit brandpunt van licht en warmte ervaar ik mijzelf als geest als de 'bewuste levenskracht'. Ik ben in een toestand van uiterst zelfbewustzijn, een 'wezenlijke' toestand, wat een bijzonder vreugdevolle ervaring is.
Liefdevol ben ik in Gods geest verdicht, dus is God liefdevol in mij.
Ik ben daardoor Gods jonge god, zoals Jezus godenzoon/dochter.
Laat ik daarom God liefhebben boven al en mijn naaste alsof het mijzelf betrof.

De rust en haar donkere koelte is zoals gezegd doordringbaar en de beweging en zijn lichtende warmte doordringend. Doordringbaarheid is de vrouwelijke eigenschap van de algeest en doordringing de mannelijke eigenschap. Deze beide eigenschappen zijn door de vereniging van de donkere koelte en de aanvánkelijke lichtende warmte ook aanwezig in de eruit voortgekomen nieuwe tussentoestand van lichtende warmte. Daardoor doordringen de algeest en ik als het brandpunt elkaar wederkerig: de algeest is in de bolvormige wolk en de bolvormige wolk is in de algeest.
Dat de rust en haar donkere koelte vrouwelijk was en de beweging en zijn lichtende warmte mannelijk, is mij vele jaren later tijdens een tweede godservaring, maar dan in de gevormde toestand in de vorm van een geestgedaante, pas duidelijk geworden.
De eerste godservaring kreeg ik een maand vóór ik in Utrecht aan mijn studie farmacie zou beginnen.

13. In het begin van mijn studie dreig ik vast te lopen vanwege onopgeloste jeugdproblemen en de schrille tegenstelling tussen mijn godservaring en het moeizame bestaan van een beginnende student. Ik besluit Freud en later Jung te gaan lezen om achter de oorzaak van mijn persoonlijke moeilijkheden te komen.
Juist in die tijd draaide er in Studio, een aparte studentenbioscoop op de Oude Gracht, één keer een documentaire over het leven van Freud. Ik was een van de weinigen in Utrecht die die film zag. Ik herkende in Freuds verhouding tot zijn vader onmiddellijk mijn eigen jeugdprobleem! Het was een bevestiging van mijn vermoeden. Daarna heeft die film er nooit meer gedraaid.
14. Tijdens mijn depressieve periode in het begin van mijn studie maak ik ook een psychotische episode mee. Ik lig 's nachts in bed en kan niet in slaap komen. Ik kijk naar de muur tegenover mijn bed, waarin zich twee ramen bevinden. Opeens worden de ramen 'ogen' en wordt de hele muur het dreigende 'gezicht' van een Tibetaans afgodsbeeld. Ik weet met al mijn krachten nog net een paniekaanval te voorkomen; maar daardoor weet ik nu wat een zinsbegoocheling (hallucinatie) is en kan het onderscheid maken met een visioen.
15. Ik koop het Chinese wijsheids- en orakelboek I Tjing met de stokjes. De allereerste vraag die ik stel is, wat mijn persoonlijke toestand is. Ik gebruik de procedure met de stokjes. Het antwoord is: 1. Tjièn, Het Scheppende. Dat zijn 6 rechte lijnen achter elkaar, wat onmogelijk toeval kan zijn.
Ik ben stomverbaasd, want het antwoord lijkt niet op de toestand waarin ik mij op dat ogenblik bevind, waardoor ik begin te twijfelen. Ik loop de procedure met de stokje na, maar nee, ik heb het toch goed gedaan. Ondanks mijn vage twijfel geeft deze uitkomst me toch hoop!

16. Tijdens mijn zelfbezinning 's morgens vroeg (in Soest) treed ik uit en bezie van een afstand van ongeveer 3 meter mijn achtergebleven stoffelijke vorm op de bank. Ik bevind me in de bovenhoek van de kamer, boven mijn schrijftafel. Achter mijn lichaam staat een mannelijke geestgedaante, die mij aankijkt en met een witte kleurstof het jin-teken maakt in de vorm van een 'veranderende zes': --x-- . Dan wijst hij op het teken en zegt heel duidelijk tegen mij: "En híer moet je zijn!" Vervolgens haalt hij alles weg en herhaalt dan de handeling en de uitspraak. Daarna kom ik weer terug in mijn lichaam.
17. In Soest wonen we in een appartement vier-hoog aan de zijkant van het gebouw. Ik studeer in onze slaapkamer, die aan de buitenmuur grenst waar een spouwmuur is. In de spouw hoor ik met enige regelmaat duidelijke, naargeestige klopsignalen, die mij tijdens mijn studie storen.
In Terborg wordt dit kloppen voortgezet, maar nu klinken de klopsignalen uit de spouw tussen de twee woningen (twee onder een kap). Pas na jaren stopt het.
18. Op een middag sta ik voor het raam in de woonkamer in Soest en kijk uit over de velden. Ik stel mezelf de vraag, wat ik nu als zelfstudie moet gaan bestuderen, nadat ik de oorzaak van mijn jeugdproblemen, het afwijzende gedrag van mijn vader, had begrepen en tot zover had verwerkt.
Plotseling dringt als een krachtige ingeving de gedachte in mij door: "Onderzoek de verhouding tussen geest, ziel en lichaam." Die gedachte laat mij daarna niet meer los en met alle kracht werk ik geestdriftig aan de oplossing van die vraag door gesprekken te voeren en boeken over dat onderwerp te lezen.
19. Ik krijg een visioen dat ik een wandeling maak over een vierkant pad door een vierkant bos met prachtige, hoge bomen. De zon schijnt. Langs de strakblauwe lucht maken witte vogels sierlijke wendingen in hun vlucht. In het midden van het bos staat een hut. Daar speelt iemand op een piano een eenvoudige, maar prachtige melodie, die door het hele bos weerklinkt.
Als ik het vierkant heb gelopen, kom ik aan het einde van de wandeling langs een indrukwekkende, oude boom. Daarachter bevindt zich de 'doorgang' naar het schemerige pad naar beneden, dat door een onaangenaam, donker, vochtig bos voert. Langs dat pad moet ik weer terug naar de aarde.
20. In een visioen bevind ik me op een hoge berg met een afgeplatte top. Daar vandaan heb ik een schitterend uitzicht over de omgeving, waar tot zover het oog reikt dezelfde, afgeplatte bergen zijn te zien. De berg waar ik op sta is echter de hoogste.
Met mij zijn er nog een aantal mensen op die berg. Het valt me op dat we allemaal in witte gewaden zijn gekleed (dit beeld zag ik twee maal).
Daarna moet ik van de berg afdalen. Ik ga over een rotsachtig pad naar beneden en kom onderaan de berg in de groene, rustige sfeer van het plantaardige leven en in de beweeglijke sfeer van het dierlijke leven in de vorm van zoemende, bedreigend aandoende muggenwolken.
21. Tijdens een lezing van de Theosofische Vereniging in Bilthoven (1966?) over de betekenis van magnetisme, gegeven door een theosofische natuurwetenschapper, een natuurkundige, trekt de voorzitter van de avond ongewild mijn aandacht. Hij kijkt mij doordringend aan met een geestelijke blik die zo krachtig is, dat ik de ogen moet afwenden. Het was een zeer aparte ervaring, het leek wel alsof hij zich geestelijk met mij verenigde, in mij doordrong.
Na afloop van de lezing komt de natuurwetenschapper naar mij toe, geeft mij als enige de hand en zegt dat wij elkaar al eerder hebben ontmoet. Ik zeg dat dat mogelijk is, maar dat ik me daar niet van bewust ben. Ook hij kijkt mij op dezelfde krachtige, doordringende wijze aan.
22. Tijdens de bestudering van de plantentaxonomie als voorbereiding voor een tentamen, ben ik bezig met het onderwerp 'algen'. Het onderwerp boeit mij zeer, want ik besef dat ook de eenvoudigste levensvorm, een eencellige, meteen al zeer ingewikkeld in elkaar zit en dat brengt mij in een verheven gemoedstoestand van verwondering over Gods schepping.
Opeens krijg ik het volgende visioen. Ik bevind mij in de oerzee. Mijn lichaam is niets meer dan een klein, groen bolletje. Ik zie boven mij de zon door het warme water schijnen. De sfeer is heel vredig en verheven. Ik voel mij teruggeplaatst naar het oerbegin van het leven op aarde! Ik als geest maakte dat toen zelf mee! De ervaring maakt een grote indruk op me.
Ik mocht zowel het bolvormige begin van mijzelf als menselijke géést aanschouwen, alsook het bolvormige begin van de reeks van mijn lévensvormen, de bacteriën of algen.
23. In een visioen bestijg ik de wenteltrap van een hoge kasteeltoren. Bovenaan kom ik voor de open deur van de verlichte torenkamer. Daar komt naar mij toegezweefd de 'vrouw in het blauw', een lieflijke, glimlachende vrouw, in een prachtig blauw gewaad, die eenzelfde geestelijke warmte naar mij uitstraalt als die ik tijdens de godservaring heb ervaren. Zij zweeft rakelings langs mij heen en verdwijnt dan.
24. Ik bevind me op de binnenplaats of voorportaal van een kerkgebouw, waarop drie deuren uitkomen: een joodse, katholieke en protestantse deur. Ik ga het gebouw binnen en daar staan drie groepen blinden. Aan de wand hangen grote borden met onleesbare teksten. Ik loop als enige ziende langs de blinden en tracht de teksten te lezen. Dan vraagt een heldere stem heel duidelijk aan mij: "Freek, wil je?" Waarop ik heel duidelijk antwoord: "Ja, ik wil!" Tijdens dat antwoord bevind ik mij in de half wakende, half slapende tussentoestand, ik hoor het mijzelf in de slaap zeggen. Ik ben mij ervan bewust dat ik in de droomtoestand ben (lucide droom).
25. Tijdens de slaap word ik half wakker en zie in een visioen voor mij een prachtig patroon van regenboogkleuren als in een gebrandschilderd kerkraam. Dit heb ik verschillende malen meegemaakt. Tijdens een van die keren 'dring ik door dat patroon heen' en dan hoor ik, naar beneden kijkend, het afschuwelijke krijsen van geesten uit de hel.
Dit kleed van regenboogkleuren is het vlies dat om de uitstraling van de menselijke geest heen zit en op aarde helderziendheid en helderhorendheid verhindert.
26. In een visioen bevind ik me op een open plek in het bos. Ik zie mij als een ongeveer vierjarige naar mijn goddelijke ouder toerennen. Deze ligt weliswaar als mijn vader, maar toch duidelijk in een vrouwelijke houding, op het gras. Ik loop naar hem toe en ben blij bij hem te zijn.
27. Tijdens een gebed zit ik op mijn knieën met mijn lichaam voorovergebogen. Ik treed half uit, mijn geestesoog gaat open en ik zie dat mijn geestgedaante rechtop op de knieën gaat. Ik zie dat het onderste deel van mijn geestgedaante zich nog in het onderlichaam bevindt. Om mij heen zie ik een vier- tot vijftal geestgedaanten staan in witte gewaden. Hun gezichten zijn onzichtbaar, maar er stroomt blijdschap door mij heen en verheugd roep ik uit: "Oh, zijn jullie er ook!"
Ik heb duidelijk het gevoel dat ik ze herken als mijn vrienden en vriendinnen die mij begeleiden vanuit de geestelijke wereld!
28. Ik zie al zowat mijn hele leven af en toe voor mij een prachtig blauw, bewegend lichtpunt.
29. Tijdens mijn zelfbezinning werkt er een kracht in op mijn hoofd, die verkoelend aandoet en die mijzelf als geest en mijn hele lichaam in een ritmisch schuddende, aangename beweging brengt.
30. In een visioen zie ik een enorm wit, lichtend ei in de lege ruimte, dat in ontelbare deeltjes uiteenvalt.
31. Ik heb op de slaapkamers (in Terborg) de muren met muurverf wit geverfd. Een paar dagen later komt er naast de deur van onze slaapkamer een bruine druppel - schijnbaar uit het niets - naar beneden zakken, die een bruin spoor (30 cm) op de muur achterlaat. Ik neem kwast en pot weer ter hand en tracht de druppel weg te werken. Dat blijkt erg lastig te zijn, want wat ik ook doe, steeds komt de druppel en zijn spoor vanonder een nieuwe laag muurverf de volgende dag weer tevoorschijn! Ik ben stomverbaasd en dagenlang bezig nieuwe lagen aan te brengen. Pas na twintig lagen komt de druppel niet meer terug!
Een helderziende vertelt me dat mijn vrienden en vriendinnen in de geestelijke wereld een vast punt op aarde nodig hebben om mij te kunnen helpen met het ontwikkelen van geestkunde.
32. Later verschijnen er in het midden op de muur van de voorzolder opeens drie goudgele vlekken. Het lijken drie druppels te zijn die tegen de muur zijn gespat. Ze bevinden zich tegenover de trap, zodat ik ze iedere keer zie als ik de trap oploop om naar mijn studeerkamer op zolder te gaan. Deze druppels laat ik zitten en ze zijn er sindsdien gebleven.
33. Ik kijk in een lege, diepe en donkere bron. Opeens zie ik op de bodem heftig, helder wit bruisend water verschijnen, dat met een zodanige kracht omhoog komt, dat ik ervan schrik en achteruit deins.
34. Tijdens zelfbezinning merk ik dat mijn lichamelijke ademhaling geheel stopt en wordt overgenomen door een geestelijke ademhaling. Op een gegeven ogenblik besluit ik toch maar weer terug te keren tot mijn lichamelijke ademhaling.
35. Tijdens mijn galblaasoperatie (in Doetinchem) treed ik uit en word ik in de geestelijke wereld door mijn begeleidster naar de overgang naar de 'wereld van het licht' geleid. Daar laat zij mij los en als ik de overstap heb gemaakt, hoor ik heel duidelijk het tikken van de 'wereldklok' als een menselijk "ah-ah-ah...", als een engelenkoor, iets, wat daar eeuwig voortgang vindt.
36. Ik kreeg kennis aan een jonge, psychotische vrouw omdat zij vragen had over haar medicatie. Zij hoorde meerdere stemmen 'in haar hoofd', die haar lastigvielen, uitscholden en bedreigden. Zij had veel belangstelling voor mijn geestkundige uitleg over haar toestand en beaamde dankbaar wat ik haar daarover vertelde. Op een dag werd zij zo ernstig belaagd, dat zij naar mij toekwam en mijn hulp inriep. Ik had na een aantal jaren al ervaren hoe krachtig de inwerking van kwaadwillende geesten kan zijn en had ondertussen begrepen dat omstanders op aarde in feite meestal machteloos zijn. Zij was een diepgelovige vrouw en ik zei tegen haar dat we samen God weer om hulp zouden bidden; iets anders kon ik niet voor haar doen.

Ik wendde mij in gebed tot God, waarbij toen onmiddellijk mijn geestesoog werd geopend. Vóór ons in de geestelijke wereld zag ik naast elkaar drie, 'oudere', mannelijke geestgedaanten staan, herkenbaar aan de baard. Zij waren alle drie volkomen aan elkaar gelijk en maakten een zachtmoedige indruk. Zij keken ons vriendelijk glimlachend aan en er ging een grote, bemoedigende kracht naar ons toe van hen uit. Ik voelde mij heel dankbaar voor hun verschijning in onze benarde omstandigheden en huilde tranen van vreugde. De jonge vrouw zag wel drie lichten, maar was door haar slechte ervaringen bang geworden voor alles wat zich in de geestelijke wereld aan haar voordeed.

Daarna vervaagde het beeld van hun verschijning. Ik had de drievoudigheid mogen zien waarin Gods engelen zich ook aan ons voor kunnen doen.

37. Mijn tweede godservaring, maar nu in de gevormde toestand. In een visioen loop ik door een oud bos over een breed pad met aan weerszijden hoge bomen. Het begint te onweren, de donder rolt bijzonder indrukwekkend en langdurig langs de hemel. Ik ga aan de kant op de grond liggen, maar er is al verbinding met de bliksem, mijn haren gaan overeind staan en ik voel een tinteling in mijn lichaam.
Dan zie ik voor mij een soort huis in het bos. Ik bevind me onmiddellijk daarna in het midden van een soort ruime kamer, een zaal, in het huis. Vóór mij is de ruimte licht, achter mij is er schaduw.
Op een bank schuin voor mij aan de rechter kant zit God als mijn vader op een bank. Hij heeft mij als zijn kind op schoot. Ik sta met mijn voeten op zijn knieën en houd mijn handen op zijn schouders. Ik zie mijzelf als een ongeveer drie-jarige. In het midden van de kamer vraag ik als toeschouwer mij daarna af waar God als mijn moeder is. Ik moet mij omdraaien en zie schuin achter mij God als mijn moeder staan, het hoofd licht gebogen, gekleed als een Griekse godin.
God als mijn vader bevindt zich vóór mij aan de rechter kant en in het licht; God als mijn moeder bevindt zich áchter mij aan de linker kant en in de schaduw. Het tafereeltje op de bank komt overeen met een beeldje over de verhouding tussen God als vader en moeder, en de mens als Gods godenkind, dat Broeder Harry van de Willibrordsabdij voor ons maakte na een langdurig en diepgaand gesprek daarover.

38. Een familielid is overleden en wij bezoeken haar crematie. De volgende dag doe ik 's morgens vroeg mijn zelfbezinning en gebed. Mijn geestesoog wordt geopend en ik zie haar hulpeloos rondlopen in de geestelijke wereld. Zij was een ongelovige vrouw en ik weet dat ongelovigen in het begin in het geestelijke bestaan door hun eigen ongeloof niets kunnen onderscheiden. Ik zeg tegen haar dat ik haar nu niet kan helpen, maar later wel. Ze was gekleed in haar blauwe jurk, haar lievelingsjurk.
39. We besluiten een glazen servies aan te schaffen en kiezen voor een Fins merk, Ittala. Als we de borden voor onze warme maaltijd gebruiken, komt het regelmatig voor dat alleen mijn bord met een luide knal dwars doormidden breekt, met een gave breuklijn (daardoor krijgen we de borden steeds vergoed).
Ik vertel het een helderziende. Hij legt me uit dat het breken wordt veroorzaakt door de geestkracht in mijn handen; hij raadt me aan vóór het eten mijn handen te wassen en af te slaan. Sinds ik dat doe, is het niet meer voorgekomen.
40. Op mijn werk heerst door een oorzaak van buiten een gespannen sfeer; we hebben in feite steeds ruzie met een bepaalde persoon. Ik voel me daardoor ook thuis gespannen en kan niet tot rust komen.
Op een zondagochtend loop ik de trap af en merk hoe slecht ik me voel, ik ben op het randje van overspanning. Ik loop de keuken in en zie in de tuin een wolkje met in het midden daarvan een licht, waarmee ik word verbonden. Slechts één ogenblik zie ik het verschijnsel, maar het heeft tot gevolg dat er een diepe rust over me heen komt. Ik slaak een zucht van verlichting, ik kom weer tot mezelf en voel me de rest van de dag vredig, bevrijd van spanning.
41. Tijdens zelfbezinning kom ik in het licht van de geestelijke wereld. Van de plaats linksvoor, halverwege van boven (het zuid-oosten, halverwege het zenith en de horizon) komen mijn goddelijke vader en moeder naar mij toe, zij aan zijn rechter zijde. Als zij vlak bij mij zijn, gaat mijn vader op enige afstand vóór mij staan, er is een zekere ruimte tussen ons, terwijl mijn moeder dicht áchter mij gaat staan, de armen beschermend om mij heen. In deze toestand ben ik al een ouder kind, maar het is mij niet duidelijk hoe oud. De houding van God als moeder komt overeen met haar houding op het visioen van Hildegard van Bingen, het tweede van Liber Divinorum Operum.
42. In een visioen bevind ik mij in een prachtig, glooiend parklandschap met hoge bomen en groen gras. Beneden slingert een beekje door het betoverende landschap. Er heerst een hemelse rust. Hier voel ik me thuis!
43. Ik bevind me in de geestelijke wereld die weer geheel leeg is. In de verte komt een voorwerp naar mij toe, dat dichterbij gekomen een enorme kubus blijkt te zijn. Uit een opening in het midden van de onderkant treedt God als mijn vader naar buiten en komt naar mij toe. Hij zegt tegen mij de woorden: 'multi ergon': 'meervoudig werkzaam'. Het gebeurde in de tijd dat ik mij bezighield met de verhouding tussen de geestelijke vermogens en de kubus van Heymans.
Het woord 'multi' is Latijn, de taal van de Romeinen, een uitgekeerd volk; 'ergon' is Grieks, de taal van filosofen, een ingekeerd volk. Dit beeld wil mij zeggen dat de menselijke geest met de vermogens op meervoudige wijze werkzaam is, nl. ingekeerd en uitgekeerd, en dat de verhouding tussen de vermogens en de instellingswijze met de kubus is weer te geven, wat voor mij een bevestiging betekende.
44. In een visioen sta ik aan de rand van een bos, tussen de bomen. De zon schijnt. Vóór mij zie ik een prachtig groen grasland met daarin een tempel. Het gebouw lijkt op een Griekse tempel, maar dan in een wat modernere uitvoering. Rond het hele gebouw is een trappenopgang met ongeveer tien treden waardoor het van alle kanten toegankelijk is, dan volgt een rij witte pilaren en daarop een geelachtig, plat dak. Het gebouw is helemaal open. Er heerst een verheven sfeer, maar ik zie geen mensen.
45. Tijdens zelfbezinning verschijnen aan mijn linker zijde mijn goddelijke vader en moeder. Zij komen uit het Zuid-Oosten, waar de zon om 10 uur aan de hemel staat. Wat opvalt is dat wij nu even groot zijn en op dezelfde wijze zijn gekleed, en dat wij ons op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek bevinden, zij aan de 'linker zijde', ik aan de 'rechter zijde'. Enigszins beschroomd kijken wij elkaar gedurende een ogenblik aan en kijken daarna meteen naar beneden. Duidelijk is aangegeven de 'gelijkheid van plaats', de wezenlijke gelijkwaardigheid van de drie personen.
46. In een visioen maak ik een wandeling door een onheilspellend, donker bos, waar het slecht weer is, het is koud en het regent. Op een open plek zie ik een eenzame kerk staan. Ik loop er naar toe en open de deur; de kerk is geheel donker en leeg. Als ik de kerk verder binnenloop, schijnt er opeens een gouden lichtstraal door een kerkraam die op het gouden altaar valt, dat in het midden van de kerk staat.
47. Tijdens zelfbezinning verschijnt linksboven en vóór mij (de plaats van de zon om 10 uur) mijn geestelijke vriend, in dezelfde houding als ik, die zich achterwaarts naar mij toe beweegt en zich volledig met mij vermengt. Dit heeft een vreugdevolle eenheidsbeleving tot gevolg.
48. Tijdens zelfbezinning komt het af en toe voor dat er een 'windje' langs me heen waait, dat altijd van links komt. Toch zijn ramen en deuren gesloten, het kan niet van buiten komen en is geen tocht. Ook komt het voor dat er buiten opeens een 'windvlaag' is te horen, terwijl het ervoor en erna volkomen windstil is.
49. Tijdens zelfbezinning zie ik mijzelf in de armen van mijn geestelijke moeder, die liefdevol op mij neerkijkt, terwijl ik omhoog kijk. Achter haar staat liefdevol mijn geestelijke vader, die omhoog kijkt.
Onze houdingen komen overeen met die van de vader, de moeder en het kind van het schilderij van Tini Grünewald, spiritueel schilderes. Haar werd ingegeven dat schilderij aan mij te geven. Toen zij het gaf, bleken de houding van de vader, de moeder en het kind volledig overeen te komen met een miniatuur van de visioenen van Hildegard, het tweede uit het Liber Divinorum Operum.
50. Ik zit in de voorkamer en bereid me geestelijk voor op een avond met een gespreksgroep. In de linkerbovenhoek van de kamer, vóór het gordijn, verschijnt een wolkje. Langzaam wordt daarin een vrouwengezicht zichtbaar. Zij kijkt mij glimlachend en bemoedigend aan. Daarna lost het verschijnsel op. Een helderziende vertelt mij die avond dat zij Mirjam heet en een familielid is geweest in een vorig leven, en nu in de geestelijke wereld bij mij is om mij te begeleiden.
51. 's Nachts om 3 uur worden mijn vrouw en ik wakker doordat er krachtig en een aantal malen aan de voordeurbel wordt getrokken. Ik kijk uit het logeerkamerraam dat boven de voordeur is. Er is niemand te zien.
Een helderziende vertelt mij later dat ik 's nachts in de geestelijke wereld in moeilijkheden was gekomen en dat ik daaruit werd gered door mij wakker te maken en naar de aarde terug te laten gaan.
52. Op twintig-jarige leeftijd kocht ik de I Tjing. Ik heb het boek haast iedere dag geraadpleegd over filosofisch-religieuze onderwerpen en levensvragen. De antwoorden die ik kreeg, waren in overeenstemming met de vragen die ik stelde.
Een aantal malen is het me overkomen dat ik voor keuzes stond en de I Tjing om raad vroeg, en juist dát antwoord kreeg, waarvan ik hoopte het níet te krijgen, terwijl later bleek dat dat wel de juiste keuze was. Ik kreeg ook terechtwijzingen, wat mijn vertrouwen in de waarde van dit 'psychodiagnosticum' vergrootte!
Er werd mij een keer ingegeven dat het mijn geestelijke vrienden zijn die mijn hand leiden bij het gooien van de munten.
Ook het raadplegen van de Tarot-kaarten is altijd weer een overtuigende aanwijzing voor hulp uit de geestelijke wereld. Toen ik de kaarten pas had leren gebruiken, was ik een keer in mijzelf aan het overwegen dat ik Gods godenzoon was. Ik kwam daardoor in een verheven gemoedtoestand.
Ik pakte de kaarten, schudde ze en zei hardop de zin: "Ik ben Gods godenzoon, kind van van mijn goddelijke vader en moeder." Terwijl ik die zin zei, trok ik bij 'godenzoon' kaart 3 De Keizer, bij 'vader' trok ik 1 De Magiër, bij 'moeder' trok ik 2 De Priesteres. Nauwkeurig overeenkomend met wat ik zei en in de juiste volgorde. Ik hield 68 uitgespreide Tarot-kaarten in mijn hand.

53. Om de vier weken heb ik op een zondag dienst in de apotheek, waar ik dan de hele dag in mijn kantoor zit: aanwezigheidsdienst. Op een van die dagen zit er op vijf meter afstand een uil hoog in de boom waar ik op uitkijk. De hele dag zit hij daar roerloos en kijkt in mijn richting.
54. In 1991 geef ik het boek De Levensweg uit. Met de plaatselijke boekhandelaar spreek ik af dat ik een boek bij hem in de winkel mag zetten. Een paar dagen later sta ik 's middags alleen achter de balie in de apotheek. De deur gaat open en er komt een smaakvol geklede, adelijke dame binnen. Ik ken haar niet, maar ze komt wel heel vertrouwd bij mij over, net alsof ik haar wel zou moeten kennen. Ze loopt naar mij toe en zegt duidelijk tegen mij: "Meneer van Leeuwen, ik heb gezien dat uw boek is uitgekomen. Wij zijn daar heel blij mee!" Ze draait zich om en loopt de apotheek weer uit, mij verbaasd achterlatend. Ik heb haar nooit meer ontmoet, wat mij erg speet, want ik voelde dat zij een geestverwant was.
55. Na het uitkomen van De Levensweg ontstaan er gespreksgroepen. In een groep bij ons thuis is een helderziende vrouw aanwezig. Zij vertelt mij dat iedere avond naast mij in de geestelijke wereld een oude wijze man met een witte baard zit, die een groot boek op zijn schoot heeft. Zodra ik iets ga zeggen, doet hij het boek open, zodra ik mijn mond houd, doet hij het boek weer dicht.
56. Er komt een patiënt in de apotheek die door mij wordt geholpen. Ik raak met hem in een geestelijk gesprek. Hij vraagt mij mijn pen vast te mogen houden. Ik geef hem mijn pen en hij zegt tegen mij, dat hij een ernstige pijn voelt links boven in de borst. Ik bevestig hem dat ik vroeger aan een spontane pneumothorax heb geleden, links boven in de borst die erg pijnlijk was.
57. In een visioen loop ik met mijn vrouw door een schemerwereld. Het is er onaangenaam en kil. De omgeving lijkt het meest op een verpauperde stad, alles ziet er troosteloos, vervuild en vervallen uit. Er lopen sombere mensen op straat, die ons niet schijnen te zien.
Opeens komt er in de verte een grote man op ons af. Hij kijkt woedend naar ons, hij heeft duidelijk kwaad in de zin, hij beschouwt ons als indringers in zijn gebied. Hij loopt dreigend naar ons toe, maar als hij tien passen van ons is verwijderd, zijn wij in één keer uit deze afschuwelijke wereld weg en word ik in bed wakker.
58. Ik rijd op een namiddag (2002) op de fiets vanaf de apotheek over het Veld terug naar huis. Ik voel me wat gespannen want ik moet straks naar een vergadering over een onaangenaam onderwerp. Als ik vlak bij de Overtuin ben, vliegt er vanaf de andere kant een grote, donkerbruine uil naar me toe. Tegelijk met mij draait hij de Overtuin in, vliegt iets vóór mij en vliegt dan door naar de bomen voor het huis van de overburen, een eindje verderop, terwijl ik naar rechts ons autopad oprijd.
Even later rijd ik met de auto op het Veld. Uit de Bergweg (parallel aan de Ovetuin) rechts van mij komt weer die grote uil aangevlogen. Hij vliegt duidelijk zichtbaar vlak voor de auto langs en gaat in een boom op de Paasberg zitten. Ik heb nog net de gelegenheid om te kijken en te zien dat hij recht naar mij kijkt. Deze gebeurtenissen vonden in deze stoffelijke wereld plaats.
59. Ik moet (in Doetinchem) worden geopereerd aan een liesbreuk. Vóór de operatie word ik naar de operatiekamer gereden, waar ik in een ruimte ervoor even moet wachten. Die tijd van rust benut ik door mij in gebed tot mijn geestelijke begeleider te richten en hem/haar te vragen de operatie te begeleiden en te helpen die tot een goed einde te brengen.

Op dát ogenblik verschijnt er in mijn innerlijke gezichtsruimte in de hoek rechtsboven een helder lichtende bol ter grootte van een tennisbal, die zich langzaam naar de hoek linksonder beweegt. Tegelijkertijd brengt deze ervaring mij in een toestand van blijdschap en diepe rust. Ik krijg in feite de bevestiging: "Wij zijn bij je!"
60. Ik ben bij een geestelijk genezer voor een 'healing'. Het gaat om de extrasystolie waar ik door spanningen vanwege het niet kunnen vinden van een uitgever voor het boek Geestkunde, regelmatig last had. Naderhand vertelt hij mij dat hij tijdens de behandeling zag, hoe er van opzij over mijn hartchakra werd geblazen en 'er veel rook uitkwam'.
61. In de zomer van 2006 bezocht ik met onze oudste dochter onze jongste zoon met vrouw en kinderen in Trujillo, Peru. Op de terugweg namen we een vliegtocht van Trujillo naar Lima (600 km) met een binnenlandse vliegmaatschappij. We kwamen in Lima aan op een apart gedeelte van het vliegveld, bestemd voor binnenlandse vluchten. Nadat we onze koffers hadden opgehaald, stonden we verloren in een drukke hal (de oren nog dicht van de daling), waar alle aanwijzingen in het Spaans waren gesteld. We wisten even niet wat te doen, terwijl we maar weinig tijd hadden om bij de KLM in te checken voor de vlucht naar Schiphol.

Uit de massa mensen kwam opeens een man recht naar ons toelopen, die in het Engels vroeg of hij ons kon helpen. We legden uit dat we naar de KLM-balie moesten. Hij zei ons hem te volgen. Hij liep ons snel voor en bracht ons naar een ander gedeelte van het gebouw waar de KLM-balie was. Zonder verder nog iets te zeggen en ons niet de gelegenheid gevend hem te bedanken, verdween hij weer in de massa mensen.
62. In een visioen zie ik mezelf op de bank in de voorkamer zitten. Een grote, witte vogel (hij lijkt het meest op een albatros) komt van rechts door de Overtuin aangevlogen. Voor ons huis maakt hij een sierlijke bocht en vliegt dan recht naar ons voorkamerraam toe. Vlak voor het raam stopt hij en kijkt mij dan met grote ogen doordringend aan.
63. Mijn vader kreeg op het laatst kleine herseninfarcten, waar hij steeds van herstelde. In die tijd word ik op een ochtend vroeg wakker en hoor met mijn geestesoor dat mijn vader onze trap op komt. Hij steunt en ik voel dat hij mijn geestelijke hulp nodig heeft.
64. Ik kom met de auto aan bij de Rustenburg voor een bezoek aan mijn moeder, vijf dagen voor haar overlijden. Ik kijk naar boven en zie op dát ogenblik een duif van haar balkonreling wegvliegen.
65. Ongeveer vier uur vóór het overlijden van mijn moeder word ik halfslapend wakker. Ik neem dan heldervoelend de aanwezigheid van mijn vader waar. Hij staat naast ons bed naar mij toegekeerd.
66. Ik bezoek met een vriend de kapel van de St. Willibrordsabdij in de Slangenburg. We zitten samen op de bank van de monniken en bidden. Ik voel duidelijk de warmte van zijn uitstraling en hij vertelde mij later dat hij dat ook van mij voelde.
Ik begin zoals gebruikelijk weer te schudden, eerst van voor naar achter, dan van links naar rechts. Hij ziet dit met het geopende geestesoog, vertelde hij me later. Hij ziet ook dat er van boven een lichtstraal komt die door mijn kruinchakra naar binnen gaat en zich door mijn 'lichaam' verspreidt.
67. Ik word 's morgens wakker terwijl ik in mijn binnenwereld verblijf. Ik ben daar volkomen bij bewustzijn, ik ga met mijn aandacht niet door mijn zintuigen naar de buitenwereld.
Mijn binnenwereld is donker, maar ik zie voor mij een wand, waarop zich kleuren bewegen. Op een bepaalde plaats is een licht zichtbaar en ik weet, dat ik daar naar toe moet.
68. Op de eerste pinksterdag (2016) bad ik mijn ochtendgebed.
In mijn innerlijke gezichtsveld werd aan de rechterkant langzaam een donkere deur geopend, op eenderde. Het was alsof de donkere begrenzing van mijn innerlijke ruimte (mijn ziel), waar je (als geest) tijdens je gebed in kijkt, als een deur openging.
Ik zag het bovenste deel van die opengaande deur en daarachter was het witte licht zichtbaar.
Ik 'klopte' door mijn gebed tot God en er werd gedeeltelijk opengedaan!

Naast ervaringen met bijzondere vogels heb ik overeenkomstige met vlinders.
- Wij zitten bij vrienden in hun tuin. Op de heg naast het terras zie ik een zwarte vlinder (ik heb nog nooit een geheel zwarte vlinder gezien), die een uur lang binnen een vierkante meter op die heg heen en weer vliegt en weer gaat zitten. Als ik tijdens het gesprek de gelegenheid krijg het tegen de anderen te zeggen, zegt onze vriend: "Het is vast Maria" (een pas overleden vriendin). Op dat ogenblik vliegt de vlinder recht naar mij toe, vliegt over mij heen en verdwijnt.
- Ik sta in de keuken met mijn vrouw af te wassen. Opeens krijg ik een ingeving voor een bepaalde tekst in mijn boek. Op datzelfde ogenblik vliegt er vanuit de tuin een vlinder tegen de keukenruit op de plaats waar ik sta en vliegt weer weg (Ik heb nog nooit een vlinder tegen een ruit zien vliegen).
- We zitten met een vriend op het terras en bespreken geestelijke onderwerpen, het gaat o.a. over het overlijden van zijn moeder en broer. Het is half oktober (geen vlindertijd). Opeens komt er vanachter mijn vrouw een Atalantavlinder, die op het bord van onze vriend landt. Hij zit er even en vliegt dan over zijn hoofd naar boven. Even later komt hij over hem heen vliegend terug, gaat op mijn bord zitten, vliegt weer op en gaat op de schouder van mijn vrouw zitten, waar hij een hele tijd blijft en vliegt dan weer weg.
- Na het overlijden van mijn jongste zus zitten we in de tuin aan tafel aan de middagmaaltijd. Opeens vliegt er een dagpauwoog op mijn bord, spreidt zijn vleugels uit en blijft zo een tijdje zitten. Daarna vliegt hij weer op en gedurende een uur blijft die vlinder in de hoek van de tuin heen en weer vliegen.
We gaan een wandeling maken en na een half uur komen we terug. Ik loop naar de bewuste hoek van de tuin en zie de vlinder niet meer. Ik vraag in gedachten of de vlinder er nog is. Juist op dat ogenblik komt de vlinder uit een struik vliegen, recht op mijn gezicht af; dan maakt hij een boog naar boven over mij heen en vliegt weg.
Bij Jozef Rulof is te lezen dat in zulke gevallen dieren door onze begeleiders worden geleid.


naar het zinnebeeld algeestvonk






^