Gedichten, proza en gebeden



glaswerk uit Bohemen
Inleiding
De Levensweg
Zelfbezinning
Gebed voor allen
Gebed voor mijzelf

Jan Luyken - Uyt der diepten quamt ghy
René Descartes - Ik denk na
Goethe - Wär' nicht das Auge sonnenhaft
Angelus Silezius - Ik ben de rank des Zoons
Al-Junaid - Nu heb ik erkend, o Heer
Rumi - Zo ben ik licht
Ibn Kalakis - Dat ik liefheb
Dante Alighieri - Louteringsberg
Jacques Perk - Nacht
Willem Kloos - Sonet V
Guido Gezelle - Krijgsbanier
Gilbert Chesterton - Gebed om kracht, moed
     en onderscheidingsvermogen
Hella Haase - De Reizen van de Pelgrim
Kees Veenemans - Oh Licht!
Jan Slauerhoff - Woningloze
Frederik van Eeden - De witte waterlelie
Bertus Aafjes - Homeros
A. Roland Holst - Hoe zijn wij hier geland
Willem Bilderdijk - Heden
Adriaan Morriën - Ochtend
Paula Copray - Waar zijn jullie?
Roberto Vidal - De cocon en de vlinder
     (ook genoemd: 'Het gebed dat verhoord werd')
Teilhard de Chardin - Hymne aan de materie
Mgr. Alojz Uran - Een tweeling

Inleiding

Deuteronomium 6:4-9
Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer is de enige!
Heb daarom de Heer, uw God, lief met hart (voelen) en ziel, en met inzet van al uw krachten (willen).
Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten (denken).
Prent ze uw kinderen in (toon ze aan hen, laat hen ze waarnemen)
en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.
Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd.
Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.
(m.a.w. wijd je leven aan God!)

Mattheus 22:36-40
Meester, wat is het grote gebod in de wet?
Hij zei tegen hem:
Heb de Here, uw God, lief met heel uw hart (voelen), met heel uw ziel en heel uw verstand (denken).
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Heb uw naaste lief als uzelf.
Met deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten samen.




De Levensweg


zoals nevenstaand gedicht
zijn ook ikonen vensters
op de eeuwigheid
schilderes: Riet Schouten
Vóór ieder mens ligt, onbekend,
een korte levensbaan,
die stap voor stap en tastend
door eenieder wordt begaan.
Een rechte weg is daarbij
voor haast niemand uitgezet
en zwerven zit de mens in 't bloed;
dat is wat ons belet
die rechte weg te zoeken
en volhardend díe te gaan,
de gééstelijke weg te zien
en die weg in te slaan.
De aandacht zwerft van her naar der
en vindt geen enk'le rust,
daar zij hier niet de Haven ziet,
maar slechts een vreemde kust.

De levensweg van ieder mens
begint in duisternis,
maar eindigt, ook voor iedereen,
daar, waar Gods luister is.
Want ieder mens is kind van God,
al wordt het niet beseft;
de thuiskomst in Gods licht
is voor eenieder weggelegd.
Zoals de zon zijn stralen zendt,
de bron haar water geeft,
zo straalt een licht in ieder mens,
een vonkje van Gods Geest.
Die straal te volgen naar de bron,
is 's mensen hoogste plicht,
zij voert, door diepe duisternis,
tot in het hoogste licht.

Freek van Leeuwen (1981)

Zelfbezinning
Het juiste inzicht in de ware verhoudingen.

Ik,
als de bewuste, vermogende levenskracht,
die in zichzelf deze woorden spreekt,
  ik ben niet mijn lichaam,
  ik ben niet de inhouden van mijn ziel
  noch de omstandigheden in dit tijdelijke bestaan;

maar ik ben de geest,
de bewuste, vermogende levenskracht,
die in zichzelf deze woorden spreekt
  en die in zichzelf de dingen waarneemt,
  ze overdenkt en doorvoelt
  en er dan iets mee wil doen.

Ik als die geest,
de bewuste, vermogende levenskracht,
ik ben óngevormd Gods algeestvonk,
gevórmd ben ik Gods godenzoon/godendochter,
kind van mijn goddelijke vader en moeder,
  die in de geestelijke wereld,
  samen met mijn goddelijke broeders en zusters,
  altijd bij mij zijn.

Gebed voor allen

Laten wij ons altijd richten tot onze God,
die in de ongevormde toestand
de alomtegenwoordige algeest is
en daardoor de alwetende, alwijze,
alliefhebbende en almachtige,

en in de gevormde toestand
onze goddelijke vader en moeder,
die in de geestelijke wereld,
samen met onze goddelijke broeders en zusters,
altijd bij ons zijn;

wij, als menselijke geest,
zijn jullie godenkinderen,

die hier op aarde in de leerschool,
die dit tijdelijke bestaan voor ons is,
schijnbaar aan onszelf zijn overgeleverd,
om door vrije keuze te kunnen groeien
naar geestelijke zelfstandigheid;

help ons bij onze strijd
om op eigen kracht onszelf te verwerkelijken
en ons weer met jullie in de geestelijke wereld
te herenigen.

Amen

Uyt der diepten quamt ghy

Ick meende oock de Godheyt woonde verre,
In ene troon, hoogh boven maen en sterre,
En heften menighmael myn oogh
Met diep versuchten naer om hoogh;
Maer toen ghy u beliefden t'openbaren,
Toen sagh ick niets van boven nedervaren;
Maer in den grondt van myn gemoet,
Daer wiert het lieflyck ende soet, daer
quamt ghy uyt der diepten uytwaerts dringen.
En, als een bron, myn dorstigh hart bespringen,
Soo dat ick u, o Godt! bevondt,
Te zyn den grondt van mynen grondt.

Dies ben ick bly dat ghy myn hoogh beminden,
My nader zyt dan al myn naeste vrinden.
Was nu alle ongelykheyt voort,
En 't herte reyn gelyck het hoort, geen
hooghte, noch geen diepte sou ons scheyden,
Ick smolt in Godt, myn lief; wy wierden beyde
Een geest, een hemels vlees en bloedt,
De wesentheyt van Godts gemoedt,
Dat moet geschien. Och help getrouwe Heere,
Dat wy ons gantsch in uwen wille keeren.

Jan Luyken (1649-1712) uit V. van Vriesland,
Spiegel van de Nederlandse poëzie

Ik denk na

Ik denk na,
dus: ik besta.

Een zeer betekenisvol puntdicht

René Descartes (1596-1650)
uit: Discours de la méthode, deel IV

Wär' nicht das Auge sonnenhaft

Wär' nicht das Auge sonnenhaft,
Die Sonne könnt' es nie erblicken;
Läg' nicht in uns des Gottes eigne Kraft,
Wie könnt' uns Göttliches entzücken?

J.W. von Goethe (1749-1832)

De witte waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit de donker-koelen vijvergrond
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

Frederik van Eeden (1860-1932)
In: Enkele verzen, 1898

Gebed om kracht, moed
en onderscheidingsvermogen

Heer, geef ons de kracht om de dingen te
aanvaarden die onvermijdelijk zijn.
Geef ons de moed om de dingen te veranderen
die moeten worden veranderd.
En geef ons boven alles de wijsheid
om die twee van elkaar te onderscheiden.

Gilbert Keith Chesterton (1874-1936)

De Reizen van de Pelgrim

"De weg zelf moet ieder alleen gaan.
Wat weet ik van jouw pelgrimstocht,
wat weet jij van de mijne?
Is dit niet juist het kernpunt
van onze overtuiging
dat ieder voor zich
in eigen wezen God leert kennen?"

Hella Haasse
Uit: De scharlaken stad, 1952

Oh Licht!

Heel toch alle wonden
op mijn weg vol zonden
en doe mij hiermee weten
dat waarvan ik ben bezeten,
mijn eigen Duister is
waarin ik U zo mis!

Treed toch uit, mijn Duister,
en breng met al Uw Luister
de Grootsheid van Uw Waarheid,
met Wijsheid voorbereid,
om mij op te nemen in Uw Kracht
en te leiden naar waar Liefde wacht!

Kees Veenemans (1986)

Waar zijn jullie?

Zo vaak

zo gruwelijk alleen

voel ik mij

van mens en iedereen verlaten

ver weg wanen jullie mij

achter wolken

hoog in een hemel

ik ben zo dichtbij

ik deel jullie werkelijkheid

er is maar één werkelijkheid

die van jullie

die van jullie en mij

ik ben de diepte in jullie leven

ik ben de zin van jullie zijn

ik roep, maar jullie luisteren niet;

ik ben aanwezig, maar jullie zoeken mij niet;

ik strek mijn armen naar jullie uit, maar

jullie komen niet.

Waar blijven jullie?

Ik loop met jullie mee, maar jullie verdwalen liever;

ik lijd met jullie mee, maar jullie voelen dat niet;

ik word in jullie, maar ik mag niet zijn.

horen jullie mij?


Jij?

Paula Copray
uit de bundel: Als horende de Zwijgende, 1997

Homeros

Ik las Odysseus' smartelijke tocht
en spelde in de schemer de symbolen:
de zeeën, de godinnen en de holen,
waarin hij liefde en bescherming zocht.

Toen ik het boek sloeg in zijn zeven sloten,
was het of ik ontwaakte van een reis;
ik had gezworven en had drank en spijs
aan menig tafel met de held genoten.

Waar mag Homeros met het blind gezicht
wel dolen, dacht ik; maar waarom zo denken:
is de dichter dan meer dan het gedicht?

Ik zag de koele stroom verborgen wenken:
de Lethe, dacht ik, dooft het laatste licht,
maar verzen zijn onsterflijke geschenken.

Bertus Aafjes (1914-1993)
Gebed voor mijzelf

Laat ik mij altijd richten tot mijn God,
die in de ongevormde oertoestand
de alomtegenwoordige algeest is
en daardoor de alwetende, alwijze,
alliefhebbende en almachtige,

en in de gevormde toestand
mijn goddelijke vader en moeder
die in de geestelijke wereld,
samen met mijn goddelijke broeders en zusters,
altijd bij mij zijn;

ik, als menselijke geest,
ben jullie godenkind,

dat hier op aarde in de leerschool,
die dit tijdelijke bestaan voor mij is,
schijnbaar aan mijzelf ben overgeleverd,
om door vrije keuze te kunnen groeien
naar geestelijke zelfstandigheid;

help mij bij mijn strijd
om op eigen kracht mijzelf te verwerkelijken
en mij weer met jullie in de geestelijke wereld
te herenigen.

Amen

Ik ben de rank des Zoons

Ik ben de rank des Zoons, die Vader plant en voedt.
De vrucht die uit mij groeit, is God, de heilige Geest.

Angelus Silezius, mysticus (1624-1677)
(studeerde geneeskunde in Leiden)
uit: Zwerver tussen hemel en aarde

Nu heb ik erkend, o Heer

Nu heb ik erkend, o Heer,
De diepste grond van mijn hart:
Met u, van de wereld apart,
Sprekend in innig verkeer.

Zo was ik in zekere zin
Niet mijzelf, maar met u één.
Doch thans, wederom alleen,
Ik anders de wereld min.

Al-Junaid al Baghdadi,
Soefi-dichter, (830-910)

Zo ben ik licht

Zo ben ik licht, zo ben ik blind,
Zo hard, zo week, dan boos, dan goed,
Ben blij en droef, ben luwte, wind,
Ben liefde, haat, soms ijs, soms gloed,
Ben duivel en ben engelenkind
Tot ik het paradijs hervind.

Jalal ad-Din Rumi,
Soefi-dichter (1207-1273)

Dat ik liefheb

Dat ik liefheb, ziet elkeen meteen.
Men vraagt mij de naam: die is er geen.
Maar mijn hart is zó opgetogen
Dat men raadt: het is slechts die Eén.

Ibn Kalakis, Soefi-dichter

Louteringsberg

O trotse christenen, zo broos en nietig,
gij, die door zwakte van uw geestvermogens
vertrouwen stelt in uw verkeerde wegen!

Beseft ge niet dat wij de rups gelijken,
waaruit de hemelvlinder zich ontwikkelt,
die onverhuld ten oordeel op moet stijgen?

Dante (1265-1321), La Divina Commedia
Louteringsberg 10:121-124

Nacht

't Is zomer-nacht. De glinsterende stoeten
Der starren wijken róndom, eindloos-diep; -
't Was, of de stilte plechtig tot mij riep:
"Bid! op de starren rusten Godes voeten!"...

Ik weet, ik weet niet, wie de wereld schiep,
Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten,
Wat wij als Leven, Ziel of God begroeten, -
Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep!

Jacques Perk (1859-1881)
Uit de sonnettenkrans Mathilde

Sonet V

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -

En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

- En tóch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond
Úw overdierbre leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

Willem Kloos (1859-1938), uit Verzen

Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Nooit vond ik ergens anders onderdak
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak
Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen
Zolang ik weet dat ik in wildernis
In steppen, stad en woud dat onderkomen
kan vinden, deert mij geen bekommernis

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor de nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt
Waarmee 'k weleer kon bouwen en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

J.J. Slauerhoff (1898-1936)

Krijgsbanier

Het leven is een krijgsbanier,
door goede en kwade dagen,
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaards dragen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
't en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe!

Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!

Guido Gezelle (Vlaamse dichter, 1830-1899)
(toelichting: 'wijgt': strijdt
'of hem de dood beliepe': zelfs al zou
de dood hem treffen)

Hoe zijn wij hier geland

Hoe zijn wij hier geland,
waartoe... vanwaar...
ligt ergens aan het strand
dat vreemde schip nog klaar?
en als het anker is gelicht,
naar waar... naar waar...?

A. Roland Holst
Uit het gedicht Dit Eiland
'Voorbij de Wegen' (1920)

Heden

In 't verleden ligt het heden,
in het nu wat worden zal.

Willem Bilderdijk (1756-1831)

Ochtend

De dag ontvangt mij met zijn zichtbaarheid.
De bomen staan in een nadrukkelijk licht.
Ik zie de bladeren afzonderlijk
en tussen hen fragmenten van de lucht.

Ik voel hoe mijn zelfstandigheid verloren gaat
en dat er nauwelijks verschil bestaat
tussen mijn ogen en het licht.

Adriaan Morriën (1912-2002)

El capullo y la mariposa

Un hombre encontró un capullo y lo llevó a casa para poder observar cómo emergía la mariposa del capullo. Un día algo pequeño apareció, el hombre se sentó y observó por algunas horas cómo la mariposa luchaba forzando su cuerpo a través de la pequeña abertura del capullo. Parecía que no había ningún progreso. Era como si la mariposa no pudiese salir. Estaba atascada.

El hombre en su bondad decidió ayudar a la mariposa. Tomó unas tijeras y cortó lo que faltaba para que saliera el pequeño cuerpo de la mariposa. Y así fue, la mariposa salió fácilmente. Pero su cuerpo era pequeño y retorcido, y sus alas estaban arrugadas.
El hombre continuó observándola en espera de que en cualquier momento la mariposa estirara las alas. Pero nada pasaba. De hecho la mariposa pasó el resto de su vida arrastrándose en su retorcido cuerpo, sin poder volar.

Lo que el hombre no entendió, a pesar de que lo hizo movido por su corazón y urgencia, es que el pequeño capullo y la lucha requerida para salir del pequeño agujero era la manera en que Dios inyectaba fluidos desde su cuerpo hacia las alas, de manera que se fortaleciera, para alistarla para volar y tomar la libertad.

Libertad y vuelo sólo vendrían después del esfuerzo. Privando a la mariposa del esfuerzo y la lucha, el hombre la privó de su salud y libertad.

Algunas veces luchas y aflicciones, son exacta- mente lo que necesitamos en nuestras vidas. Si Dios nos permite ir por nuestra vida sin obstá- culos podría lisiarnos de por vida. No seríamos tan fuertes como lo hemos sido hasta ahora.

Pedí por fuerza y Dios me dio
Dificultades para hacerme fuerte.
Pedí por sabiduría y Dios me dio
Problemas para resolver.
Pedí por prosperidad y Dios me dio
Cerebro y músculos para trabajar.
Pedí por coraje y Dios me dio
Peligros para superar.
Pedí por amor y Dios me dio
Personas complicadas a quienes ayudar.
Pedí por favores y Dios me dio oportunidades.
No recibí nada de lo que quería...
Pero recibí todo lo que necesitaba!
Vive la vida sin miedo, enfrenta todos los
obstáculos y demuestra que puedes superarlos.

Roberto Patricio Cáceres Vidal
Chileense vrijmetselaar en dichter
De cocon en de vlinder

Een man had een cocon gevonden en nam die mee naar huis om te zien hoe de vlinder eruit zou komen. Op een dag ontstond er een kleine opening en hij keek urenlang toe hoe de vlinder zijn lijfje erdoor wurmde. Na verloop van tijd leek het of er niets meer gebeurde. De vlinder leek al zijn krachten te hebben gegeven om zich te bevrijden, hij was uitgeput.

Om de vlinder te helpen, knipte de man de cocon voorzichtig open zodat de vlinder makkelijker naar buiten kon komen.
Inderdaad gebeurde dat, maar nu bleek dat het lijfje van de vlinder opgezwollen was en zijn vleugels verschrompeld.
De man bleef toekijken in de hoop dat op een goed moment de vleugels zich zouden ontvouwen... wat niet gebeurde. De vlinder moest de rest van zijn leven rondkruipen met een gezwollen lijf, zonder te kunnen vliegen.

De man met zijn goede bedoelingen en zijn drang om te helpen, wist niet dat de strijd van de vlinder om zich door het kleine gaatje te wurmen, noodzakelijk was. God had ervoor gezorgd dat zo vocht uit het lijfje naar de vleugels werd gedreven, zodat die klaar zouden zijn om mee weg te kunnen vliegen.

Het vermogen naar de vrijheid te vliegen, kan alleen door inspanning worden verkregen. De man had de vlinder die moeite willen besparen, maar had hem daardoor ongewild van zijn gezondheid en vrijheid beroofd.
Bij tijden hebben we in ons leven strijd nodig. Als God ons door ons leven liet gaan zonder weerstanden, zouden we verslappen. We zouden niet zo krachtig worden als mogelijk is.

Ik vroeg om kracht en God gaf mij
moeilijkheden om me sterk te maken.
Ik vroeg om wijsheid en God gaf mij
vraagstukken om op te lossen.
Ik vroeg om voorspoed en God gaf mij
verstand en spieren om te kunnen werken.
Ik vroeg om moed en God gaf mij
gevaren om te overwinnen.
Ik vroeg om liefde en God gaf mij
mensen met moeilijkheden om te helpen.
Ik vroeg om gunsten en God gaf mij kansen.
Ik kreeg niets van wat ik vroeg...
maar ontving alles wat ik nodig had!
Treed hindernissen onbevreesd tegemoet
en laat zien dat je ze kunt overwinnen.

De strekking van het verhaal van de cocon en de vlinder: geestelijke groei door strijd, door moeilijkheden te overwinnen, komt overeen met de diepzinnige betekenis van de geschiedenis van Job, zoals in het Oude Testament beschreven.
Tijdens een hemelse raadsvergadering zegt God tegen één van zijn zonen, Satanaël (letterlijk: 'tegenstander-god'): Heb je gezien hoe gelovig en vroom Job is? Satanaël antwoordt dan dat Job dat kan zijn doordat God hem beschermt. Zij gaan dan een weddenschap aan: kan Job gelovig blijven als God zijn handen van hem aftrekt en hem aan de wil van Satanaël overgeeft? God laat dus toe dat Satanaël hem beproeft.
De rijke Job krijgt vervolgens een reeks van tegenslagen te verwerken. Job lijdt daaronder; hij overlegt met zijn drie oude vrienden en die zeggen: je lijdt, dus je moet hebben gezondigd; belijd daarom je schuld, doe boete en vraag om vergeving. Job antwoordt echter: ik zie niet in waarmee ik zou hebben gezondigd, ik lijd onschuldig!

Dan komt de jonge wijze Elihu; hij antwoordt: je zonde is juist je onwetendheid, het feit dat je niet inziet, dat je nog onbewust bent. Daardoor beantwoord je niet aan het doel (letterlijk: 'zondig je') van dit bestaan: het doel is geestelijke ontwikkeling door zélf inzicht te verwerven en daarnaar te gaan leven.
Door het gesprek met zijn drie oude vrienden raakt Job steeds meer in hen en hun oude zienswijze teleurgesteld. Daardoor komt hij steeds verder van zijn oude wereld af te staan en steeds dichter en persoonlijker bij God, bij wie hij nu zijn heil zoekt.
Na het verhelderende gesprek met Elihu komt het tot zijn innerlijke godservaring. En Job beseft: vroeger was ik weliswaar vroom, maar ik sprak woorden zonder dat ik begreep wat ik zei (ik was onbewust); maar nu heb ik God gezien. Door het lijden ben ik op mijzelf teruggeworpen en daardoor ben ik nu bewust geworden van het wezenlijke in mijzelf. (Job: 42:3-6)

Lees ook Jungs Antwoord op Job
of het artikel: 'De Satan als een van de zonen Gods in het boek Job'
in Jungs boek De symboliek van de geest

of lees de Griekse sage van Herakles ('door Hera groot')
Herakles wordt geboren als de onechte zoon van de Griekse Oppergod Zeus en Alkmene. De vrouw van Zeus, Hera, neemt zich voor Herakles heel zijn leven tegen te werken... maar juist door die tegenwerking wordt Herakles steeds krachtiger, tot hij uiteindelijk als halfgod in de hemel wordt opgenomen.


Hymne aan de materie

'Een zegen ben je,
ruwe natuur, onvruchtbare bodem,
weerbarstige rots: jij,
die slechts dorst naar geweld,
jij, die ons dwingt te werken,
als wíj willen eten
.'

'Een zegen ben je,
o stof vol gevaren, zee vol geweld,
o tomeloze hartstocht: jij,
die ons verslindt
als wíj je niet temmen
.'

'Een zegen ben je,
o machtige materie, o evolutie,
in je loop onomkeerbaar en
steeds nieuw waar iets maar ontstaat:
jij, die onze geest bij voortduring noopt
tot herzien van de schema's
,
die ons dwingt almaar verder
en verder te gaan
op onze jacht naar wat
waar moge zijn
.'

'Een zegen ben je,
o universele stof, onmeetbare tijd,
grenzeloze hemel,
onpeilbaar in je drievoudige diepte
van sterren, atomen en leven na leven:
jij, die steeds weer te groot bent
voor onze enge normen en maten,
ze nietig laat zijn en ons zó
openbaart de dimensies van God
.'

'Een zegen ben je,
ondoordringbare stof: jij,
die de schakel vormt tussen onze geesten
en de wereld van essenties
,
het verlangen in ons wekt
de dichte sluier van de verschijnselen
eens te doorbreken
.'

'Een zegen ben je, sterfelijke stof:
jij, die het proces van uiteenval eens
in ons zult ervaren en ons daarmee noopt
je te volgen naar het hart van al
wat bestaat in zijn diepste essentie
.'

'Zonder jou, zonder jouw hevige prikkels,
zonder de kracht waarmee je ons opdrijft,
zouden wij in ons leven nergens toe komen,
stilstaan, kinderlijk onwetend steeds blijven
zowel over onszelf als over God
.'


'Jij, die ons neerslaat
en dan de wonden verbindt
,

Jij, die ons weerstand biedt én voor ons zwicht,
Jij, die afbreekt én opbouwt,
jij die ketent én vrijmaakt,

het elan van onze zielen, de hand van God,
het vlees van Christus:

jij bent het, materie, die ik mijn zegen geef.'

'Ik zegen je, materie, en

jouw bestaan juich ik toe:

niet als de hogepriesters van de wetenschap

of als de moralisten zie ik jou:

onteerd, vervormd -

een massa redeloze krachten
en lage begeerten -

maar zoals je jezelf vandaag

aan mij openbaart,

in je totaliteit en je ware natuur.'

'Jouw bestaan juich ik toe

als de onuitputtelijke bron
van zijn en van wording,

waarin alles ontkiemt
en groeit zoals het bedoeld is
.'

'Jouw bestaan juich ik toe

als de universele kracht

die samenbrengt en verenigt,

de veelheid van monaden verbindt
,
waarin allen zich buigen
naar jou, hun gezamenlijk doel,
langs de weg van de Geest
.'

'Jouw bestaan juich ik toe

als de welluidende klank van het water,
waaruit de zielen opspringen

als in een fontein,

en als het heldere kristal waaruit

het nieuwe Jeruzalem wordt gevormd
.'

'Jouw bestaan juich ik toe

als het Goddelijk Milieu,

bruisend van scheppende krachten,

de oceaan die drijft op de Geest
,

de klei die gekneed en bezield is met leven
door het vleesgeworden Woord.'

Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955), jezuïet, theoloog, paleontoloog en schrijver
uit de bundel 'Hymne de l'univers', vertaling uit het Frans door Henk Hogeboom van Buggenum

De strekking van Teilhard de Chardins 'Hymne de l'univers' is:
De weerstand die de stoffelijke wereld biedt aan de menselijke geest is de leerschool,
die de mens tot het bewustzijn van zichzelf laat komen en daardoor tot hereniging met God.

Het is ook de strekking van geestkunde. [Freek]

Een tweeling

Een tweeling, nog vóór de geboorte in moeders schoot.
Vraagt de eerste: "Geloof jij in het leven na de geboorte?"
"Natuurlijk", zegt de tweede, "er moet iets zijn. Misschien is ons bestaan hier alleen een voorbereiding op het leven na de geboorte."
"Flauwekul! Er is geen leven na de geboorte. Hoe moet dat er dan uitzien?"
"Ik weet het niet precies, maar ik stel mij veel licht voor en wij zullen lopen met onze eigen voeten en eten met onze eigen mond."
"Lariekoek: zelf lopen en zelf eten... Voor het lopen is hier geen plek en voor het eten hebben wij toch de navelstreng? Er is géén leven na de geboorte!"
"De navelstreng is wel heel kort, dat kan toch niet alles zijn? Ik ben ervan overtuigd dat er na de geboorte iets heel nieuws begint, iets, wat wij gewoon nog niet kennen."
"Maar, er is nog niemand teruggekeerd na de geboorte! Hier, in deze nauwe, donkere omgeving, eindigt het leven."

"Nou, ik weet niet helemaal hoe het leven na de geboorte zal zijn, maar in elk geval zullen wij er onze moeder ontmoeten en die zal voor ons zorgen."
"Moeder? Jij gelooft in een móeder? En waar is - volgens jou - deze moeder dan?"
"Overal om ons heen natuurlijk. Zonder haar zouden wij er niet zijn."
"Ik geloof er niets van. Ik heb nog nooit een moeder gezien, dus bestaat ze niet!"
"Misschien is ze nu niet te zien, maar af en toe, als we heel stil zijn, kan ik haar horen zingen en voel ik haar hand over onze wereld strelen.
Weet je, volgens mij begint het léven toch pas na de geboorte!"

Uit een overweging van de Sloveense aartsbisschop Mgr. Alojz Uran (Ljubljana, augustus 2005)







^