De zinnebeeldige betekenis van Pasen en Pinksteren

Inhoud

1. De Hebreeën
2. De aanvangsgeschiedenis van
    het Joodse volk
3. Job
4. Jezus
5. De verloren zoon
6. De tot nu toe geschetste gebeurtenissen
    in het licht van geestkunde
  7. Boeddha
  8. Herakles
  9. Dante - La Divina Commedia
10. Goethe - Faust
11. Alchemie
12. Steiner
13. Jung
14. I Tjing


Christus
Rembrandt van Rijn
bron: Rijksmuseum
Voor de Christenen is Pasen het feest van de kruisiging van Christus en van diens opstanding. Daarbij heeft voor de Westerse, op het uiterlijke gerichte kerken de nadruk altijd gelegen op de kruisiging (dat immers een historisch feit is), maar voor de Oosterse, op het innerlijk gericht, juist op de opstanding (dat een geestelijk gebeuren is, wat geloof vereist). Beide horen echter onverbrekelijk bij elkaar, want het een is het gevolg van het ander. Tijdens deze verhandeling zal worden besproken hoe Jezus door zijn kruisiging en opstanding aan de mensheid een oerbeeld liet zien, dat een weergave is van de geestelijke omvorming, waarvoor ieder mens op aarde is.

Het onderwerp van deze verhandeling is de geestelijke betekenis van Pasen en Pinksteren. Pinksteren hoort onafscheidelijk bij Pasen, doordat dat feest in feite de afsluiting was van Pasen. Op de vijftigste dag, dus zeven weken (is 7x7 dagen) na Pasen, volgde Pinksteren (van 'pentekoste', de vijftigste). Waar hier de aandacht op zal worden gevestigd, is, hoe de geestelijke ontwikkeling die de mens doormaakt, en de stappen van die ontwikkeling, herkenbaar zijn in de geschiedenis en in cultuuruitingen van de mens.

De geestelijke ontwikkeling van de mens, uitgedrukt in geschiedenis en cultuurgoed van de mensheid
1 Hebreeën Pasen (voorjaarsfeest), brandoffer van het eerstgeboren lam de zeven weken (7x7 dagen) tussen Pasen en Pinksteren Pinksteren (oogstfeest), brandoffer van de eerste tarweschoof
2 Joodse volk slavernij in Egypte, de plagen, beproeving van Mozes' geloof de uittocht (Schelfzee), de opstandigheid van het volk tocht door de woestijn, de 'zuivering' van het volk, manna uit de hemel gave van de Wet (Sinaï), hernieuw-ing van het verbond en de tocht naar het heilige land
3 Job (Hiob: de terugke- rende) zijn rijkdom en later te-genspoed door Satanaël, een der zonen Gods gesprekken met vrienden over het lot: lijden, schuld, boete;
Jobs opstandigheid
Elihoe's wijsheid, Gods bemoeienis met de mens,
Jobs berusting
Jobs ontmoeting met God, besef van eigen onwetendheid en onzelfwerkzaam-heid
4 Jezus gevangenneming en kruisiging, zijn tocht naar de hel opstanding uit het graf, verschijning aan de leerlingen verdere onderwijzing van de leer, de ongelovige Thomas de hemelvaart en de uitstorting van de heilige geest
5 Verloren zoon vertrek uit huis, losban- digheid, armoede, var- kenshoeder bewustwording van zijn toestand en berouw terugkeer naar huis, het tegemoet komen van de vader thuiskomst, de vader: Mijn zoon was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
6 Geest-kunde de aanvangstoestand van onbewuste vereenzel- viging, gehechtheid en eenzijdigheid bewustwording en be- vrijding zelfverwerkelijking hereniging
7 Boeddha (de Wetende) koningszoon; 1. Het be- staan is lijden: armoede, ziekte, dood. 2. Het lijden heeft een oorzaak: onwetendheid, dorst naar bestaan 3. Oorzaak kan worden opgeheven: 4. het edele achtvoudige pad meditatie (achtste stap) leidt m.b.v. Dharma tot Nirvana
8 Herakles ('door Hera groot') rijkdom en gezinsmoord door de invloed van Hera, vrouw van Zeus uitspraak Delphoi, op- standigheid en lotsaan- vaarding, dienaar van Eurystheus de Twaalf Werken, zon- der hulp of beloning te volbrengen het zelfoffer, opname op de Olympos als een der goden
9 Dante
(La Divina Commedia)
verdwaling, met Vergilius naar de hel; hoofdzonde: de zelfzucht bezoek aan het vagevuur, bewustwording van zonden bezoek aan het aardse paradijs, het zuiveren van zichzelf ontmoeting met Beatrice, het hemelse paradijs; het Empyreum, aanschou- wing van God
10 Goethe (Faust) verbond met Mefistofeles; Gretchen, moord en waanzin Fausts ontwaken, de tocht naar de Ideeën, de Moeders en Helena de Homunculus als een- zijdige zelfverwerkelij- king; Manto het overlijden en de vereniging met Maria, de goddelijke liefde
11 Alche-mie prima materia, (kiezel)- goer sulfur, arsenicum marcasita, aurum vitrum, solificatio
12 Steiner Lucifer (zelfbehoud) en Ahriman (soortbehoud): driftmatigheid van de mens bewustwording de wachter voor de drempel; vuur-, water- en luchtproef: de ontwik- keling van de vermogens imaginatie, intuïtie, inspiratie door de geestelijke begeleiders
13 Jung het 'pers. onbewuste', identificatie, het Ego, de Persona bewustwording van de Schaduw, Anima en Animus de individuatie, het Zelf de band met het 'col- lectieve onbewuste' (de geestelijke begeleiders)
14 I Tjing
(1 Tjièn)
Verborgen draak handelt niet, hij is nog beneden. Op het veld ver-schijnende draak, maakt de mens tot een ander wezen. Scheppende werkzaam- heid, aarzelende opzwaai over de diepte. Vliegende draak aan de hemel, de plaats van het hemelse karakter.

terug naar de Inhoud

1. De Hebreeën
Om dat verband te laten zien, zal worden uitgaan van de betekenis die Pasen en Pinksteren hadden in de geschiedenis van het Joodse volk. We moeten daarvoor teruggaan naar de tijd van Vader Abraham, ongeveer 2000 jaar voor Christus, toen het volk nog de Hebreeën heette, letterlijk: de zwervers (het is in vroeger tijden een rondtrekkend nomadenvolk geweest, dat zich later vestigde). Pasen was toen een voorjaarsfeest, Pinksteren een oogstfeest. Met Pasen werd het eerstgeboren lam geofferd als een brandoffer, met Pinksteren op dezelfde wijze de eerste schoven van de tarweoogst.

Zo'n brandoffer lijkt iets vreemds, maar door het te verbranden wordt iets aards omgezet in iets wat als rook onaards is, doordat het van de aarde weggaat en in de lucht verdwijnt, en daardoor a.h.w. in de hemel wordt opgenomen. Men wilde het eerstgeborene niet voor zichzelf houden, maar het uit dankbaarheid weer afstaan en door een brandoffer a.h.w. aan God teruggeven.
Bovendien kwam door het verbranden van het lichamelijke de geest en de ziel van het dier vrij en door de verbondenheid van de mens met het geofferde dier werd de mens zo ook op geestelijke wijze met de hemel verbonden. Bij natuurvolkeren werd men door het vrijkomen van geest en ziel van het dier en de invloed van dat gebeuren op de aanwezigen zelf helderziende en zo met de geestelijke wereld verbonden. Vandaar de grote betekenis die men in oude tijden aan het brandoffer hechtte.

terug naar de Inhoud

2. De aanvangsgeschiedenis van het Joodse volk
1 Na de vestiging in Palestina en na de aartsvaders Abraham, Izaak en Jacob heette het volk der Hebreeën Israël: 'geregeerd door God'. Zij trokken echter door een hongersnood gedreven naar Egypte en vervielen daar later tot slavernij. Zij moesten in kuilen modder met stro vermengen door erin te stampen en daar tegels van bakken, wat een zinnebeeld is voor de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit aardse bestaan. De godsdienst van het volk leidde een ondergronds bestaan, was dus als dood, het volk was 'onbewust' geworden.

2 Mozes wordt door Jahweh gestuurd om het volk te verlossen (1300 v.Chr.). Hij moest het volk weer bewust maken van hun eigenheid, zij moesten opstaan tot zelfstandigheid; een zelfstandigheid die vervolgens zeer op de proef werd gesteld door de weigerachtigheid van de Pharao. Daardoor kwam Mozes in de moeilijke toestand te verkeren om in zijn geloof in een onzichtbare God te volharden, ondanks de zichtbare tegenspoed.
De uittocht uit Egypte tijdens het Paasfeest was een bevrijding, waarbij zij door de Schelfzee konden trekken, die juist op dat ogenblik door de wind was drooggelegd. Het Hebreeuwse 'pesach' werd toen tot het joodse 'pascha': voorbijgaan. Daarmee werd het voorbijgaan van de engel des doods bedoeld, die aan de huizen waarvan de deurpost met het bloed van het geslachte Paaslam was ingesmeerd, voorbijging.
Vervolgens werd tijdens de tocht door de woestijn de eenheid van het volk bedreigd door opstandigheid van een deel ervan, die de slavernij verkozen boven de ontberingen in de woestijn; het andere deel bleef Mozes trouw.

3 Op hun tocht naar de Sinaï worden zij dan vanuit de hemel gevoed door manna, een stuifmeelregen die in de woestijn optreedt (geestelijke hulp). Tijdens die tocht ontstaat er een burgeroorlog binnen het volk (innerlijke strijd), waarbij de opstandigen worden gedood. Israël kan alleen gezuiverd voor Jahweh verschijnen.

4 Na vijftig dagen (7x7 dagen), met Pinksteren, komt het volk bij de Sinaï aan, waar Jahweh aan Mozes de wet geeft, de Tien Geboden. Op de berg Sinaï wordt het gezuiverde volk dus door Mozes met God verbonden en wordt ook het oude verbond met Abraham hernieuwd. Daarna kan 'de tocht naar het heilige land' (de hereniging met de geestelijke wereld) pas aanvangen.

terug naar de Inhoud

3. Job (Hebreeuws 'Hiob': de terugkerende)
Job is het verhaal van de op aarde levende, vrome mens, die wel weet dat hij door God wordt geleid, maar die van de reden van zijn bestaan niets weet. Job is de mens die wel gelovig is, maar onbewust van Gods bedoelingen met zijn aanwezigheid in dit tijdelijke bestaan op aarde.
Als Jahweh en Satanaël (de 'tegenstander-engel') elkaar op een vergadering in de hemel ontmoeten, wijst Jahweh op Jobs vroomheid. Satanaël meent dat Job alleen maar zo vroom is omdat het hem goed gaat doordat Jahweh hem beschermt. Jahweh wedt dan met Satanaël dat Job altijd vroom zal blijven, wat er ook gebeurt en levert Job aan hem over. Door het lijden waarmee Satanaël Jobs vroomheid nu gaat beproeven, komt Job in het oude randverhaal niet in opstand, hij blijft wie hij was, blijft vroom en verandert niet; maar dat veranderen gebeurt echter wel in het in latere tijden tussengevoegde gedicht.

1 De rijke man Job wordt getroffen door een reeks van tegenslagen, die zijn bezit en gezondheid treffen. In gesprekken met zijn vrienden over de oorzaak, willen zij Job duidelijk maken dat als hij zo is getroffen, hij wel kwaad zal hebben gedaan. Hij moet daarom God om vergeving vragen, boete doen en zijn leven verbeteren (de opvatting van de oude natuurgodsdiensten met straffende goden).

2 Job houdt echter zijn onschuld vol. Hij staat erop dat God een duidelijk bewijs moet leveren voor zijn schuld, zoals dat in een rechtszaak gebruikelijk is. Job is in eigen ogen onschuldig en verontwaardigd om het lijden dat hem treft. Hij is het voorbeeld van diegenen, die rechtschapen en onschuldig zijn en toch moeten lijden. Lijden kan volgens hem daarom niet alleen het gevolg zijn van schuld, maar moet ook andere oorzaken hebben (naar later blijkt: onwetendheid). Hij neemt geen genoegen met de gedachte dat het lijden alleen een beproeving van de rechtschapene zonder meer zou zijn.
Job wil een rechtsgeding voeren met God, want hij kan zich ook niet voorstellen dat lijden het gevolg is van een willekeurig en onrechtvaardig handelen van God. Er moet voor alles een reden zijn, ook voor zijn tegenspoed, maar Job vindt die niet bij zichzelf. Job houdt vol dat God ook rechtvaardig moet zijn, maar dat dat hier niet zichtbaar is.
Langzamerhand groeit in dan hem het besef dat dezelfde God, die hij in feite aanklaagt, ook zijn enige ontlastende getuige kan zijn! Het vertrouwen dat God als zijn ontlastende getuige zal optreden, neemt toe alnaar de vrienden meer op hem aandringen om schuld te bekennen. De vrienden worden zelfs brutaler en Job verdrietiger, maar ook wijzer. Job raakt langzamerhand verder af van de wereld en van zijn oude vrienden (die de natuurgodsdiensten vertegenwoordigen) en komt steeds dichter bij God te staan door een persoonlijke verstandhouding.

3 Dan verschijnt de jonge wijze Elihoe (nieuwe inzichten) ten tonele. God onderhoudt wel degelijk verbinding met de mens: in de droom, maar ook door wedergeboorte:
Mijn leven mag het licht weer zien, dat alles doet God twee, drie maal met een mens,
het terugbrengen van zijn geest naar de groeve, en hem het levenslicht weer teruggeven (Job 33:29).
God geeft wél antwoord, de wroeging in het hart van de mens (het sprekende geweten) is een antwoord. Het leed is een beproeving die uiteindelijk de ontmoeting met God teweegbrengt, doordat het ons laat zoeken naar wat God eigenlijk wil.

4 Als Jobs innerlijke tweestrijd tot een hoogtepunt is gekomen, komt Gods antwoord. Job is gestraft en heeft dus gezondigd. Job antwoordt dat hij niet begrijpt waarom God hem straft. Job houdt vol onschuldig te zijn. Gods antwoord is dat Job onwetend is, onbewust is.
Job: Nu begrijp ik het, ik heb de waarheid vroeger niet ingezien. Vroeger hechtte ik waarde aan vroomheid zonder inzicht, alleen aan de schijn, alleen aan bezit en aanzien.

Vroeger verkondigde ik dingen, mij te wonderbaar, die ik niet begreep;
van horen zeggen kende ik u... maar nu heeft mijn oog u gezien. (Job 42:5)

Job komt tot het besef dat hij onbewust was. Hij oordeelde vanuit onwetendheid. Nu is God hem verschenen. God is hem nabij. Al het leed van de mens wordt veroorzaakt door diens onwetendheid, maar door de houding tegenover het lijden als het gevolg van die onwetendheid te veranderen en het lot te aanvaarden, groeit de mens naar God toe.
Het heil ligt niet in deze wereld; het heil ligt in de band met onze Schepper.

terug naar de Inhoud

4. Jezus

Jezus Christus
Tussen de geschiedenis van het Joodse volk tijdens de Uittocht uit Egypte en de tocht door de woestijn naar de Sinaï, en de gebeurtenissen tijdens de kruisiging en opstanding van Jezus, bestaan veel overeenkomsten.

1 In Gethsemane wordt Jezus na het Laatste Avondmaal gevangen genomen, hij valt in handen van de heerszuchtigen, de joodse tempelpriesters. Hij wordt door de Joodse Raad veroordeeld en overgeleverd aan Pilatus. Die wordt door hen onder druk gezet en vervolgens levert Pilatus hem over aan de gerechtsdienaren en wordt Jezus aan het kruis genageld, de diepst denkbare vernedering. Na zijn dood verblijft Jezus in de hel om hen die daar wonen te verlossen uit hun onwetendheid en onderworpenheid (1 Petrus 3:18-22). De aard van deze gebeurtenissen komt overeen met de toestand van slavernij van het volk in Egypte.
2 Na de opstanding toont Jezus zich aan zijn leerlingen, waardoor zij zich bewustworden van wat er is gebeurd en bevrijd worden van hun verslagenheid. De opstanding komt overeen met de uittocht uit Egypte door Mozes.
3 In de weken daarna onderwijst Jezus hen verder over de leer, die zij nu veel beter kunnen begrijpen, wat overeenkomt met het manna uit de hemel voor het volk tijdens hun 'tocht door de woestijn' (zinnebeeld van: geestelijke ontwikkeling door het verwerken van wederwaardigheden middels de geestelijke vermogens).
4 Voor Jezus vindt dan de Hemelvaart plaats (het weer thuiskomen) en voor de leerlingen daarna de ingeving van de heilige geest met Pinksteren, waardoor zij met de heilige geest in de geestelijke wereld worden verbonden. Dit komt overeen met de gave van de wet door Jahweh aan Mozes op de berg Sinaï. Daarna gaat het volk Israël op weg naar het beloofde land, dat zij ten slotte bereiken en waar zij intrekken (het weer thuiskomen in het eigen land).

terug naar de Inhoud

5. De verloren zoon

De verloren zoon, Rembrandt van Rijn
Ets, 1636, bron: Rijksmuseum
Ook de meest wezenlijke gelijkenis van Jezus in het Nieuwe Testament (Lukas 15:11-32), die van 'de verloren zoon', komt hiermee overeen.

1 Bij het voorbeeld van de verloren zoon gaat het om een rijke vader met twee zonen. De jongste zoon is uit op bezit en is zo gehecht aan het aardse, dat hij nog vóór het overlijden van de vader om het hem toekomende vermogen vraagt. Hij verkwist dat in een leven van overdaad en losbandigheid in een ver land tot alles op is.
Daarna komt er hongersnood, de zoon gaat gebrek lijden en krijgt honger. Hij moet zich dan als varkenshoeder opdringen aan een boer en met de varkens mee uit de trog eten. Hij is door zijn onbewuste vereenzelviging zichzelf kwijt geraakt en door zijn gehechtheid volkomen afhankelijk geworden van dit aardse bestaan; hij is daardoor in de meest nederige toestand gekomen, nog minder dan die van een loonslaaf.
2 Toen kwam hij tot zichzelf en besefte zijn afhankelijke toestand, terwijl de dagloners bij zijn vader het beter hebben dan hijzelf. Hij neemt het besluit op te staan, naar huis terug te gaan en berouw te tonen aan zijn vader. Hij wordt zich bewust van zijn toestand en bevrijdt zichzelf eruit. Hij wil zijn leven gaan beteren en de verstoorde band met zijn vader herstellen.
3 Als hij op weg naar huis gaat, ziet zijn vader hem van verre aankomen (hij verwachtte hem blijkbaar en verlangde naar zijn terugkeer). De vader is heel blij en komt hem tegemoet (wat Jezus deed die de mensheid tegemoet komt door hier te worden geboren), komt hem te hulp, laat kleren voor hem halen en een feestmaal aanrichten. Wie het juiste besluit neemt en geholpen wil worden door de geestelijke begeleiders, díe wordt geholpen.
4 De feestmaaltijd wordt gehouden en dan zegt de vader tot tweemaal toe: Mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. M.a.w. hij is geestelijk als dood geweest, maar is nu weer tot leven gekomen; hij was verloren gegaan in de stoffelijke wereld, maar is nu weer thuis gekomen in de geestelijke wereld.

terug naar de Inhoud

6. Geestelijke ontwikkeling
De tot nu toe geschetste gebeurtenissen hebben een verloop, dat overeenkomt met de geestelijke ontwikkeling van de mens, gezien in het licht van geestkunde:
1 De aanvangstoestand van de geestelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door de toestand van onbewustheid van zichzelf als geest en van vereenzelviging met en afhankelijkheid van dit stoffelijke bestaan. Daaruit kan bovendien een toestand groeien van gehechtheid en gebondenheid eraan.
2 Vervolgens kan de mens toegroeien naar bewustwording van die toestand van afhankelijkheid en pogingen in het werk stelt zichzelf daaruit te bevrijden.
3 Dat kan alleen door de mogelijkheden daartoe, de geestelijke vermogens, tot ontwikkeling te brengen, door de gebeurtenissen te verwerken die door de tijd op de mens af komen; daardoor verwerkelijkt de mens zichzelf, maakt zichzelf tot een werkelijkheid als een eenheid, die uit zichzelf werkzaam is door middel van de geestelijke vermogens.
4 Door gewetensvol en deugdzaam handelen, komt de geestesgesteldheid van de menselijke geest ten slotte in overeenstemming met die van de oorsprong, de goddelijke geest, waar de menselijke geest ooit van uit is gegaan, waardoor de hereniging daarmee kan plaatsvinden.

Deze vier stappen zijn niet alleen te herkennen in de menselijke geest zelf, maar ook in de geschiedenis van de mensheid in de vorige punten en in het culturele erfgoed van de mensheid, zoals de volgende onderwerpen laten zien.

terug naar de Inhoud

7. Boeddha

Siddharta Sakyamuni de Boeddha
hoofdtooi verbeeldt: geestelijke uitstraling
houtsnijwerk uit Sri Lanka
Boeddha (de Wetende) leefde van 560-480 v.Chr. in India. Hij heette Siddharta Sakyamuni en groeide als koningszoon zeer beschermd op aan het hof. Toen hij eens buiten kwam, zag hij eerst een bedelaar (armoede), toen een zieke en daarna een dode.
Na deze schokkende ervaringen besloot hij het heil voor de mensheid te gaan zoeken. Hij gaf zich eerst over aan strenge ascese, maar dat had geen gunstige gevolgen. Hij besloot toen een middenweg te gaan bewandelen, at weer wat en ging onder een boom zitten mediteren. Hierdoor kwam hij tot de verlichting. Tijdens dat streven werd hij, zoals Jezus door de duivel, door Mara verzocht.
Tijdens de verlichting zag hij hoe alle mensen overgingen naar de geestelijke wereld en weer opnieuw op aarde werden geboren in een geordend gebeuren van oorzaak en gevolg, waar de mens zelf de hand in heeft. Alles hangt af van de zedelijke aard van ons eigen handelen.
Tijdens de verlichting werd hij zich bewust van de vier edele Waarheden: Het bestaan is lijden; het lijden heeft een oorzaak; die oorzaak kan worden opgeheven; zij wordt opgeheven door het edele, achtvoudige pad te begaan.

De vier edele Waarheden
1 Het bestaan is lijden. Dat lijden wordt veroorzaakt als dit bestaan niet meer wordt gezien als een leerschool, maar als doel, waardoor de mens zich eraan hecht. Maar wie zich hecht aan wat vergankelijk is, kan niet anders dan teleurgesteld worden. Het stoffelijke bestaan op zichzelf is niet slecht, maar wel dat de mens er uit onwetendheid aan gehecht is en daardoor zichzelf niet is.
2 De oorzaak van het lijden. De oorzaak van het lijden is de zelfzuchtige begeerte, dé zonde, die is ontstaan uit onwetendheid en gehechtheid. De mens moet daarom streven naar bewustwording.
3 De oorzaak kan worden opgeheven. Wanneer onwetendheid en begeerte zijn overwonnen, betekent dat bevrijding; daar moet de mens naar streven. Er groeit dan een nieuwe houding tegenover dit bestaan, zonder hebzucht en heerszucht.
4 De weg naar bevrijding is het edele, achtvoudige pad: 1. juiste waakzaamheid, de aandacht moet worden beheerst (waarnemen); 2. juist verstaan, het juiste inzicht is nodig (denken); 3. juist besluiten (denken en voelen) en 4. juist spreken (denken en voelen); 5. juist doen, het zedelijke gedrag tegenover mens en dier (voelen en willen); 6. juist leven (eerbaar beroep, willen); 7. juist streven, het beheersen van de wilskracht (willen) en 8. juist mediteren.
Het achtvoudige pad moet de dagelijkse levenswijze worden. Zij voert naar samadhi, de ervaring van het Nirvana (de hereniging).

Over het achtvoudige pad (Jezus: Ik ben de weg, de waarheid en het leven) wordt het Nirvana bereikt, de andere vorm van werkelijkheid (Jezus' godsrijk). Hoewel het Nirvana niet te beschrijven is, werkt vanuit dit Nirvana een helpende kracht, de Dharma, de kracht van het goede (de Heilige Geest). Handelen in overeenstemming met Dharma is de weg naar Nirvana. De hulp van Dharma veroorzaakt het opheffen van gehechtheid en het beheersen van alle neigingen, en daardoor de verwerkelijking van Nirvana.
Boeddha (de 'Wetende') is de 'Tathagata': hij die de weg is gegaan.

Het Nirvana ('neer-waaien', uitdoven). Dit kan alleen worden beleefd, niet beschreven. Het Nirvana is geluk, vrede, grenzeloze vreugde. Het is bevrijding van elke gebondenheid. Het is een verheven geestesgesteldheid. Het Nirvana is: liefde aan het begin, liefde in het midden en liefde aan het einde. Het Nirvana is een voortdurende omgang met het schone, ware en goede (Paulus: Broeders, houd uw aandacht gericht op al wat waar is, wat edel, rechtvaardig en zuiver is, wat beminnelijk en aantrekkelijk is, wat deugd heet en lof verdient (Fil. 4:8).

De Dharma is de geestelijke kracht, die de mens naar het Nirvana voert. Dharma betekent: vasthouden, ondersteunen (de heilige geest, de 'parakleitos': helpen, troosten, verdedigen, aanmoedigen). Voor Boeddha betekende Dharma de waarheid in geestelijke, kosmische betekenis (Jezus: de heilge Geest is de geest der waarheid). Dharma leidt ons door het dal van de stoffelijke wereld naar het Nirvana.
Herakleitos: het stoffelijke bestaan is in een toestand van voortdurende verandering. Die verandering wordt geleid door een eeuwige wetmatigheid, die alles bestuurt, de logos (Grieks: denken, spreken, handelen); het Griekse logosbegrip komt overeen met Dharma.

terug naar de Inhoud

8. De sage over Herakles (Grieks: 'door Hera groot'; verlatijnst: Hercules)

Herakles in de huid van de Nemeïsche leeuw
bezoekt Athene, die wijn voor hem inschenkt
bron: Staatliche Antikensammlungen, München
De Griekse hoofdgod Zeus had een kind verwekt bij de koningsdochter Alkmene. Op de godenberg de Olympos kondigt Zeus aan dat het kind dat vandaag wordt geboren - en hij doelt op Herakles - eenmaal een machtige koning zal worden.
Hera, de vrouw van Zeus, is jaloers en zint op wraak. Zij daalt af naar de aarde, houdt de weeën van Alkmene tegen en bevordert die van de moeder van zijn neef, Eurystheus, waardoor niet Herakles maar Eurystheus op die dag wordt geboren en daardoor koning zal worden.
Eurystheus is een zwak kind, terwijl Herakles meteen al een wonder van kracht is. Hera neemt zich voor de bastaard van haar man Zeus zijn leven lang tegen te werken en te doen lijden. Wat zij niet besefte was, dat zij door deze tegenwerking het tegenovergestelde zou bereiken van wat zij bedoelde. Het overwinnen van zijn lijden zou namelijk de oorzaak worden van Herakles' groei, grootheid en vergoddelijking.

1 Uit dank voor een zekere dienst die hij had verricht, kreeg Herakles Megara tot vrouw. Zij hadden een gelukkig huwelijk en kregen kinderen. Hera bracht echter waanzin over hem, waardoor hij vrouw en kinderen niet meer herkende en hen doodde. Herakles kwam later weer bij zinnen, werd verteerd door schuldgevoel en ging het orakel van Delphi raadplegen wat te doen.
De Pyta (Delphi-priesteres) zei hem dat hij zich om zijn schuld te kunnen boeten in dienst moest stellen van Eurystheus, zijn neef; hij moest de twaalf opdrachten uitvoeren, die deze hem zou geven. Hij moest deze opdrachten uitvoeren zonder hulp en zonder beloning.
Herakles werd woedend en bijna weer waanzinnig, maar Apollo bracht hem tot bezinning. Hij aanvaarde zijn lot en ging naar Eurystheus. Hij bood zich als nederige dienaar aan zijn jaloerse neef aan. Die zag zijn kans schoon om hem te vernederen en te overwinnen.

2 Twaalf keer zond Eurystheus Herakles erop uit met een bijzonder moeilijke opdracht. Deze opdrachten komen overeen met de betekenis van de 12 dierenriemtekens. Bij ieder werk was er wel hulp van de goden, maar op een zodanige wijze, dat dat voor Herakles niet merkbaar was. Hij werd schijnbaar aan zijn lot overgeverd.
De twaalf werken: De Nemeïsche leeuw (Leeuw); De hydra van Lerna (Kreeft); Het Erymanthische everzwijn (Stier); De Kerynitische hinde (Maagd); De Argonautentocht; De Stymphalische vogels (Tweelingen); De stal van Augias (Schorpioen); De Stier van Kreta; De paarden van Diomedes; De gordel van Hippolyte (Boogschutter); De runderen van Geryones (Waterman); De appels van de Hesperiden.

3 Tijdens zijn tochten verrichtte hij ook nog andere werken. Telkens hielp hij daarbij mensen die in nood waren. O.a. overwon hij de reus Antaios ('tegenstander'), een zoon van de zeegod Poseidon en Moeder aarde, Gaia. Antaios voedde zich met leeuwevlees. Hij worstelde met iedereen die over zijn weg kwam en overwon allen.
Herakles ging naar hem toe en daagde hem uit. Na een tijd geworsteld te hebben, ontdekte Herakles het geheim van zijn onoverwinnelijke kracht. Steeds als Antaios ter aarde viel, werden zijn krachten hersteld door de aanraking met Moeder aarde, Gaia. Daardoor kon hij de worsteling eindeloos volhouden en won altijd. Hierop nam Herakles hem op, hield hem een tijd boven de grond, waarop de reus verslapte en Herakles hem kon doden.

Nu was Herakles vrij man. Hij kreeg Deïaneira als vrouw, die echter bang was dat hij verliefd zou worden op een ander vrouw. Op een dag werd zij geschaakt door de Kentaur Nessos. Voordat hij door Herakles werd gedood, kreeg zij van hem een toversmeersel, waarmee zij de liefde van haar man zou kunnen behouden.
Daarop veroverde Herakles de burcht van de burchtheer Eurytos. Hij zond de buit, samen met de dochter van de burchtheer, Iole, naar huis. Deïaneira werd bang dat Herakles verliefd op haar zou worden als hij terugkwam.
Zij zond daarom een kleed naar Herakles, dat zij met het toversmeersel van Nessos had ingesmeerd.
Herakles wilde voor zijn overwinning nog een offer aan Zeus brengen. Tijdens het offer trok Herakles het kleed aan. Het kleed vatte vlam en bleef brandend aan zijn lichaam gekleefd. Hij dwong daarop zijn zoon Hyllos een brandstapel op te richten en hemzélf daarop aan Zeus te offeren.

4 Zijn onsterfelijke geest steeg van de brandstapel op naar de Olympos, waar Zeus hem opnam tussen de andere goden. Ook Hera liet nu haar wraakzucht varen. Herakles was een god geworden.

terug naar de Inhoud

9. Dante - La Divina Comedia

Dante Alighieri
La Divina Comedia
De Divina Comedia is de beschrijving van Dantes tocht door het hiernamaals. Deze reis begint op Witte Donderdag van het jaar 1300 en duurt één week. Er zijn drie delen: Hel, Vagevuur en Paradijs; één dag brengt hij door in de hel, vier dagen in het vagevuur en één dag in het paradijs. Deze reis wordt beschreven in de vorm van een zeer lang gedicht met een moeilijk rijmschema en een moeilijke versvorm.
Op deze tocht ontmoet Dante een groot aantal geesten van overledenen, die hem hun levensgeschiedenis vertellen. Hierdoor wordt elk gedrag van de mens, zowel het goede als het kwade, belicht. Alle kenmerken van menselijk gedrag komen aan bod.
Het doel van Dante is de levensgang te verbeelden van de mens die door de hoofdzonde, de zelfzucht is gevallen. Die mens kan door Gods genade opstaan uit zijn zonde, maar dan moet die zich wel van zijn zonden zuiveren en de neiging tot het kwade in zichzelf afleren. Ten slotte kan de mens in de aanschouwing van de eeuwige waarheid, die God zelf is, zijn volmaakte rust en vrede vinden.

Korte samenvatting van La Divina Comedia
1 In het midden van zijn leven is Dante verdwaald in een donker woud. Hij kijkt wanhopig uit naar hulp en ontmoet dan de Romeinse dichter Vergilius. Maar om de weg terug te vinden, moeten zij eerst afdalen in hel. De hel is een geringde trechter die de aarde in gaat. Langs de wanden van die trechter zijn een negental gaanderijen, waarop de bewoners van de hel wonen. Hoe dieper in de hel, hoe zwaarder de gepleegde misdrijven en de opgelegde straffen.
De eerste 5 kringen vormen de bovenhel. In de eerste kring bevinden zich de lafaards, die noch voor het goede, noch voor het kwade hebben willen kiezen. De bewoners van de volgende kringen hebben zich door hun zwakheid aan bandeloosheid en onbeheerstheid overgegeven.
In de benedenhel verblijven zij die door hun boosaardigheid opzettelijk hebben gezondigd, misdadigers, geweldplegers en verraders. Lucifer zit aan het einde op het diepste punt vast in het ijs.

2,3 Het vagevuur. Na door het middelpunt heen te zijn gegaan, stijgen zij aan de andere kant weer op en komen op een eiland waarop zich een berg bevindt, de louteringsberg. Deze berg, met daarop het vagevuur, is opgebouwd met het gesteente van de hel. In het vagevuur verblijven de geesten, die wel in een staat van genade zijn gestorven en die door berouw over hun zonden de band met God hebben hersteld, maar die zich in hun aardse leven nog niet voldoende van hun zonden hebben gezuiverd.
De verschillende terrassen van de berg zijn door trappen met elkaar verbonden. Er zijn drie afdelingen: het voorvagevuur, waar zij zich bevinden, die het berouw over hun zonden tot het laatst hebben uitgesteld en aan boetedoening niet zijn toegekomen; dan het eigenlijke vagevuur waar geesten worden gezuiverd van de gevolgen van de zeven hoofdzonden. De geesten die hun aardse schulden volledig hebben geboet, stijgen langs de terrassen op naar de top van de berg, waar zich het aardse paradijs bevindt.
Daar wordt Vergilius, die de heidense wijsheid vertegenwoordigt, vervangen door Beatrice, de christelijke wijsheid. Met haar stijgt Dante op naar het paradijs.

"Om koers te zetten over stille wat'ren,
hijst 't scheepje van mijn geest nu blij de zeilen,
de zee van 't bitterst leed voorgoed ontvarend.
En zingen zal ik van die and're wereld,
waar zich de mensenziel in tranen loutert
en waardig wordt haar vlucht tot God te nemen."

4 Het paradijs. Samen met Beatrice zweeft Dante vanaf de top van de louteringsberg de hemel in. Zij komen in negen hemelen, die als doorschijnende sferen de aarde omringen.
In de Maanhemel vindt Dante geesten, die in de vervulling van hun beloften enigzins tekort zijn geschoten; in de Mercuriushemel wonen zij, die grote werken hebben verricht op aarde; zij in de Venushemel zijn van liefde vervuld; in de Marshemel wonen de strijdbare geesten; in de Jupiterhemel de rechtvaardigen; in de Saturnushemel de beschouwende geesten.
In de kristalhemel vindt Dante de engelen. Het middelpunt vormt het Empyreum (vuurhemel), de woonplaats van de zaligen, die een grote roos vormen, die wordt bestraald door het licht van God.
De mysticus Bernardus van Clairveaux brengt Dante ten slotte weer terug naar de aarde.

terug naar de Inhoud

10. Goethe's Faust

Johann Wolfgang von Goethe
1749-1832
wetenschapper, filosoof, schrijver
In het uitgebreide gedicht Faust beschrijft Goethe de worsteling van de mens, die al denkend en handelend de in hem sluimerende vermogens tot ontplooiing brengt. Het goede en kwade in de mens worden tegenover elkaar gesteld. Het is de loutering van de mens door de zonde en het leed van dit bestaan heen, die tot het goede leidt en tot bewustwording van de hoogste, goddelijke liefde.
God staat zijn 'knecht', Faust, zoals ook in Job, aan de duivel af. God wedt met de duivel dat de goddelijke kern in Faust ten slotte zal overwinnen, 'ook al dwaalt de mens, zolang hij streeft'.

1 Faust is een bekende geleerde die zich onbevredigd afwendt van zijn eenzijdige, aardse geleerdheid. Tijdens een wandeling in de natuur ontmoet hij een poedel (zijn eigen onontwikkelde kant), die met hem mee blijft lopen. Thuisgekomen blijkt het de duivel te zijn, Mefistofeles. Deze biedt hem zijn hulp aan bij het zoeken naar wijsheid. Faust gaat daar op in en zij gaan samen op weg.
De duivel voert Faust echter eerst naar de 'Heksenkeuken' om hem verliefd te maken. Faust ontmoet daarna Gretchen (de eerste toestand van zijn vrouwelijkheid), een eenvoudige, jonge vrouw. Zij worden verliefd, maar Gretchen raakt zwanger, wat een schande is. Haar broer wil haar schande wreken, maar Faust vermoord hem en moet daarom vluchten. Gretchen baart haar kind, maar in haar wanhoop verdrinkt zij het. Zij wordt dan gevangen genomen en wordt in de cel waanzinnig.
Zo eindig het eerste deel, een beschrijving van de eenzijdigheid van Faust als denker, zijn keuze voor Mefisto als zijn driftmatige zijde, zijn opgaan in zijn dan nog onbeheerste zintuiglijkheid en zijn onontwikkelde gevoel, weergegeven door Gretchen. Dit is een beschrijving van de toestand van onbewuste vereenzelviging en de heftigheid en hartstochtelijkheid van de gehechtheid aan de stof, met de enstige gevolgen die daarvan mogelijk zijn.


Faust, Rembrandt van Rijn
Ets, 1650, bron: Rijksmuseum
2 In het tweede deel ontwaakt Faust uit een schijndood tot nieuw leven. Mefisto neemt hem opnieuw mee om hem weer in de ban van de zintuiglijkheid te brengen, maar Faust weet nu op eigen kracht zich van Mefisto los te maken. Hij gaat steeds meer zelf de leiding in handen nemen en richt zich op de wereld van de Ideeën van Plato, de sfeer van het zuivere denken. Hij tracht zich terug te trekken van de wereld der verschijnselen en zintuiglijkheid en richt zich in eenzaamheid tot de wereld van het absolute denken.
Voor Mefistofeles is dat echter een Niets. Hij geeft Faust een toversleutel (scheppingskracht) om in de allerdiepste grond de Moeders (de baringskracht) te vinden, die bijeenzitten om de wereld der Ideeën, de oerbeelden van alle dingen, te bewaken. Faust moet zich tot het 'Rijk der Moeders' richten, de scheppende en barende kracht achter de natuur, om het vrouwelijke in zichzelf tot ontwikkeling te brengen.
Daar ontmoet hij Helena (de tweede toestand van zijn vrouwelijkheid), toonbeeld van de zuivere schoonheid (waarnemen). Hij wil zich met haar verenigen om denken en schoonheid samen te brengen, maar hij mislukt. Hij verbreekt daardoor de betovering en hij zinkt bewusteloos ter aarde.

3 Faust ontwaakt weer en Mefisto neemt hem nu mee terug naar zijn eigen studeerkamer, naar zijn vriend Wagner, die de zuivere natuurwetenschappen vertegenwoordigt. Hij is erin geslaagd een Homunculus te maken, een kunstmatige mens ('golem'), een alchemistische gedachte. Deze Homunculus is weliswaar de zelfverwerkelijkte mens, maar op een eenzijdige, zelfgerichte wijze. De Homunculus begint steeds meer de leiding in handen te nemen. Mefisto en de Homunculus nemen Faust nu mee naar Griekenland, waar zij de profetes Manto (de derde toestand van zijn vrouwelijkheid) ontmoeten, die de intuïtie vertegenwoordigt, het ingekeerde waarnemen. Door dit innerlijke schouwen wil Faust weer met het oneindige worden verbonden. Dan begint opnieuw een tocht naar de geestelijke wereld, een tocht naar de Moeders om Helena, de schoonheid, weer te bereiken. Opnieuw mislukt dit.
Faust beseft nu dat hij het heil moet zoeken op aarde. Hij voelt zich geroepen door de liefde tot de daad. Het gaat om de hoogste vorm van arbeid, de arbeid aan zichzelf: de ontplooiing en beheersing van het eigen wezen.
Hij gaat er dan toe over om de zee te bedwingen door die in te dijken en zo zelf nieuw land te scheppen (dit speelt zich af in Nederland). Daarbij moet hij echter een oud echtpaar uit de duinen verdrijven, waarbij hij zo ruw te werk gaat, dat zij omkomen.
Door schuld overmand beseft hij nu het zelfzuchtige van zijn streven, hij moet ook de mensengemeenschap tot zijn leven toelaten. Op het laatst wordt daardoor het besef van de liefde in hem geboren.

4 Als hij kort daarop als 100-jarige overlijdt, wordt hij door engelenscharen meegenomen. Alleen wie de liefde heeft ontdekt, krijgt hulp van boven. Faust beseft dat het streven op aarde niet een eenzaam gebeuren is, maar dat het plaats vindt binnen de mensengemeenschap, die niet alleen door de mensen op aarde, maar ook door Gods engelen in de geestelijke wereld wordt gevormd.
Faust wordt dan door de engelen meegevoerd naar Maria, de goddelijke liefde (de vierde toestand van zijn vrouwelijkheid). Met haar vindt uiteindelijk de geestelijke vereniging plaats.

terug naar de Inhoud

11. Alchemie
De alchemie is een ondergrondse cultuurstroom tijdens de Middeleeuwen (en daarvoor), die occulte, spirituele inzichten vertegenwoordigde. De beoefenaren ervan hadden een min of meer duidelijk besef van de menselijke geest en van geestelijke ontwikkeling. Dit besef werd echter overgedragen op chemische processen. Hun geestelijke inzichten werden daardoor in hun beschrijving van scheikundige reacties verborgen. Daardoor ontstond een onbegrijpelijke geheimtaal, die alleen werd verstaan door ingewijden.
planeten metalen vermogens
Zon goud geest
Maan zilver waarnemen
Mercurius kwikzilver denken
Venus koper voelen
Mars ijzer willen
Jupiter tin uitgekeerde
instelling
Saturnus lood ingekeerde
instelling
De alchemie als wetenschap begon in Egypte ('al kimia': het zwarte land, Egypte) en werd ontwikkeld vanuit de wetenschap van het balsemen. Later kwam uit de alchemie de huidige chemie voort. Een van de inzichten daarvan is de 'spanningsreeks der metalen', de volgorde van het 'edel zijn' van een metaal, wat de mogelijkheid is dat het kan 'roesten' (oxideren). Deze spanningsreeks bleek met de reeks van de metalen die de alchemisten hadden opgesteld, overeen te komen.
a. De geestelijke vermogens werden in de alchemistiche geschriften weergegeven door planeten en door metalen, zie de tabel.
b. De ontwikkeling van de geest werd o.a. weergegeven door een reeks van scheikundige reacties of stoffen: prima materia, kiezelgoer, sulfur, arsenicum, marcasita, aurum, vitrum en solificatio.


'Unio mystica': de menselijke geest als Januskop;
links boven de vrouwelijke geest:
haar vrwl gezicht links, beschenen door de zon
haar mnl gezicht rechts, beschenen door de maan;
rechts beneden de mannelijke geest:
mnl gezicht links, vrwl gezicht rechts
I Tjing: jang bevat jin, jin bevat jang
1 Prima materia. De prima materia was de ongevormde aarde.
Het is de geestesgesteldheid die nog geen vorm heeft aangenomen, doordat er nog geen innerlijke beweging is opgetreden. Het is een ongevormde geestelijke oertoestand.
2 Kiezelgoer. Kiezelgoer is de toestand waar al wel een kracht heeft gewerkt, maar het gevolg van die kracht is nog niet veel meer dan iets wat al wel vast is, maar waarin nog niet iets tot uitdrukking is gekomen. De geest is al wel werkzaam geworden, maar is nog niet in staat zich in een vorm uit te drukken.
3 Sulfur. Zwavel is een stof die reactief is, waarmee al veel meer chemische reacties kunnen worden uitgevoerd. De geest is nu zodanig innerlijk werkzaam dat er stoffen ontstaan, waarin de toegenomen geesteswerkzaamheid herkenbaar is.
4 Arsenicum. Ook met arsenicum waren veel reacties mogelijk en de verbindingen die daarmee werden gevormd, hadden veel kleuren. De innerlijke geestelijke werkzaamheid komt nu tot uitdrukking in een kleur.
5. Marcasita. Marcasita is een gesteente dat aan de buitenkant ruw is, maar aan de binnenkant glanst, een innerlijke glans. Die glans is echter verborgen, nog niet tot uitdrukking gekomen. De geestelijke werkzaamheid is nu geworden tot een innerlijk licht, dat echter nog niet naar buiten toe tot uitdrukking komt.
6 Aurum. Dat is al wel het geval met goud. Goud straalt niet alleen van binnen, maar de straling is ook aan de buitenkant zichtbaar ('aurum' betekent glans, uitwaseming). Het licht van de geestelijke werkzaamheid is nu naar buiten toe zichtbaar geworden.


Zon en maan met elkaar verenigd
samen zenden zij licht en warmte uit
7 Vitrum. Met het begrip glas, doorzichtig, werd diamant bedoeld. Het straalde van binnen, maar ook naar buiten toe en was bovendien doorzichtig. Dit is de toestand waarbij de geestelijke werkzaamheid niet alleen een eigen licht uitstraalt, maar waarbij de geest bovendien doorzichtig is geworden. De geest verwijdert zich daardoor steeds meer van de aarde en wordt hemels.
Ten slotte de Solificatio (zonwording); in deze toestand is de geest als een uit zichzelf stralende zon geworden.

Uiteindelijk ging het om de 'unio mystica' (zie de afbeelding hierboven), de vereniging van het mannelijke en vrouwelijke in de mens, van Adam en Eva, Zon en Maan, het 'mysterium conjunctionis'.

terug naar de Inhoud

12. Steiner
Rudolf Steiner ontwikkelde de anthroposofie uit de theosofie en eigen helderziende waarnemingen. Ook hij beschrijft de geestelijke vermogens, n.l. het denken, voelen en willen. Het waarnemen wordt wel genoemd, maar naast de genoemde drie. Hoewel vaak niet duidelijk benoemd en meer verbonden met de chakra's, beschrijft Steiner vele geestelijke oefeningen die met de ontwikkeling van de vermogens te maken hebben.
Door de vermogens te leren gebruiken, maakt de leerling een geestelijke ontwikkeling door, waarvan de stappen niet duidelijk worden onderscheiden, maar waarvan de beschrijvingen overeenkomen met die van geestkunde. Bij Steiner mondt die ontwikkeling uit in een verbinding met de geestelijke wereld door helderziendheid.
Verwarrend is dat Steiner wel een duidelijk onderscheid maakt tussen de geest en de ziel als uitstraling van de geest, maar het woord ziel ook gebruikt in de betekenis van: de geest, die zich met de inhouden van de ziel heeft vereenzelvigd. 'Ziel' is dan vaak een aanduiding voor de onbewuste en onbeheerste aanvangstoestand.

terug naar de Inhoud

13. Jung
Jung was een leerling van Freud, maar scheidde zich af juist omdat Jung duidelijk een ontwikkeling van de menselijke geest (de 'psyche' of de 'subjectieve factor', letterlijk de 'persoonlijke maker') onderscheidde, een ontwikkeling die hij 'individuatie' noemde. Deze individuatie verloopt doelgericht en mondt uit in zelfverwerkelijking. Bij Jung volgt er niet een verbinding met de geestelijke wereld.
Jung benoemde ook de geestelijke vermogens (psychische functies), maar dan als: gewaarwording, denken, voelen en intuïtie. De beschrijvingen komen echter overeen met waarnemen (uitgekeerd), denken, voelen en willen (ingekeerd). Jung noemt het willen slechts terzijde.
Jung beschrijft delen van de persoonlijkheid met behulp van verpersoonlijkte droombeelden, zoals Schaduw, Persona, Anima, Animus en het Ego en Zelf. Daardoor ontstaat helaas een jargon dat men moet kennen, waardoor de zinvolle inzichten van de Jungiaanse dieptepsychologie een elitaire aangelegenheid blijft.

terug naar de Inhoud

14. I Tjing, het Boek der Veranderingen
Het eerste hexagram van de I Tjing, Tjièn, beschrijft de diepste inzichten van de Chinese wijsbegeerte. Op verborgen wijze worden in de I Tjing de geestelijke vermogens beschreven als de vier deugden, de vier wezenlijke eigenschappen van Het Scheppende. Bijvoorbeeld als volgt:

Doordat de edele de liefde (voelen) belichaamt, is hij in staat de mensen te leiden (willen);
Doordat hij het schone (waarnemen) bewerkstelligt, is hij instaat hen goede zeden (voelen) te leren;
De edele is in staat alle wezens door gerechtigheid (denken) in overeenstemming te brengen (voelen);
Doordat de edele standvastig is, is hij in staat alle handelingen uit te voeren (willen).
Of:
De edele verzamelt materiaal (waarnemen), schift het (denken), waardoor hij ruim wordt in zijn wezen en liefdevol (voelen) in zijn handelen (willen).
Of:
Ziet (waarnemen) de edele iets goeds (denken en voelen), dan doet hij het na (willen); ziet hij gebreken, dan legt hij ze af.

Het begrip ontwikkeling is een kernbegrip van de I Tjing; die woorden betekenen immers: boek der veranderingen. Dit is ook herkenbaar in de betekenis van de zes lijnen van hexagram Tjièn:

Verborgen draak handelt niet. De reden is dat hij zich beneden bevindt.
Op het veld verschijnende draak. Zijn karakter maakt de mensen tot andere wezens.
De edele is de hele dag scheppend bezig. Hij ontwikkelt zijn karakter en werkt aan zijn opgave.
Aarzelende opzwaai uit de diepte. De edele heeft de vrije keuze en maakt geen fouten.
Vliegende draak aan de hemel. Dat is de plaats, die het hemelse karakter toekomt.

Zie voor dit onderwerp ook de I Tjing zélf als vraagstelling.







^