|
Jezus
In de mens Jezus is Gods heilige geest persoonlijk bij de mensheid op aarde geweest.
Door welke ervaringen en daarmee samenhangende studie ben ik tot deze uitspraak gekomen?
Inhoud
1. De algeest in de ongevormde oertoestand
2. De algeest in de gevormde toestand
3. God in de gevormde toestand als tweelinggeest
4. Gods heilige geest en de menselijke geest
5. De wijze waarop Gods heilige geest aan de mens verschijnt
6. Gods heilige geest eerst als Jahweh, ten slotte als Jezus
7. De kern van Jezus' leer
8. De huidige ontwikkelingstoestand van de mensheid
1. De algeest in de ongevormde oertoestand
Na een aantal inleidende ervaringen gedurende mijn jeugd, kreeg ik op twintigjarige leeftijd mijn godservaring. Ik raakte toen gedurende mijn gebed weer in vervoering en kwam in een geestestoestand terecht, waarin ikzelf alleen nog als bewuste levenskracht bestond, als menselijke geest.
Ik bevond mij in een oneindige ruimte waar een diepe rust heerste. Deze rust deed zich aan mij voor als een aangename, donkere koelte. Deze rust was een geestelijke zelfstandigheid, een oneindige persoon die zich met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar diepe rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die zich aan mij voordeed als een lichtende warmte. Deze beweging en zijn lichtende warmte was daarvóór als het ware in de rust en haar donkere koelte verborgen geweest en kwam daar nu als een geestelijke zelfstandigheid uit tevoorschijn, werd er als het ware uit geboren. Ook deze zelfstandigheid, deze oneindige persoon verbond zich met mij en liet mij delen in de vreugde van zijn beweging.
Daarna verbond de beweging met zijn lichtende warmte zich weer met de rust en haar donkere koelte, die haar donker liet doordringen door zijn licht en haar koelte liet doordringen door zijn warmte. Zo ontstond een nieuwe eenheidstoestand, waarin beiden elkaar temperden en in evenwicht hielden. Alleen had er een ompoling plaatsgevonden, zodat de eeuwige oneindigheid zich nu voor mij uitstrekte, niet meer als donkere koelte, maar badend in een zacht, gouden licht en een koesterende warmte: God in de ongevormde toestand als de goddelijke algeest.
Toen de beweging en zijn lichtende warmte zich opnieuw verbond met de rust en haar donkere koelte, zag ik, dat op dat ogenblik ik als menselijke geest werd geboren als een bolvormige wolk van hetzelfde getemperde licht en dezelfde getemperde warmte als de algeest. Ik als geest kwam door verdichting van het licht en de warmte uit de algeest voort, maar toch naadloos met de algeest verbonden blijvend: de menselijke geest is úit en ín de goddelijke algeest.
Dit is mijn beschrijving van de ongevormde oertoestand van de geest.
terug naar de Inhoud
2. De algeest in de gevormde toestand
Jaren later kreeg ik de volgende geestelijke ervaring tijdens mijn gebed. Ik werd weer met de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte verbonden, maar nu niet in de eeuwige oneindigheid, maar in een soort wijde, maar besloten ruimte. De lichtende warmte bevond zich nu vóór mij en de donkere koelte áchter mij. Ik stond, nu als geest in mijn geestgedaante, de menselijke gestalte, in het midden van die in tweeën gedeelde ruimte.
Schuin rechts voor mij stond God in zijn mannelijke geestgedaante als mijn geestelijke vader, naar mij gericht; schuin links achter mij stond God in haar vrouwelijke geestgedaante als mijn geestelijke moeder, naar mij gericht. Ik stond als hun geestelijke kind tussen hen in. Ik wist dit onmiddellijk en zeker door hún ingeving.
(De geestgedaante wordt gevormd doordat er een geestelijke uitstraling om de geest heen ontstaat als de geestelijke vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen binnen de bolvormige wolk werkzaam worden. Deze uitstraling is de ziel; door de eigenschappen van de vermogens heeft de ziel in de loop van de miljoenen jaren oude ontwikkeling de vorm van de menselijke gestalte gekregen: de geestgedaante. De geestgedaante is het voertuig voor de geest in de geestelijke wereld, zoals het lichaam het voertuig is voor de stoffelijke wereld.)
terug naar de Inhoud
3. God in de gevormde toestand als tweelinggeest
Ik zag God als mijn geestelijke vader en moeder, maar nu in de gevormde toestand, als een tweelinggeest: een mannelijke en vrouwelijke geest in hun geestgedaante die elkaars wederhelften zijn en die zich in de gedeelde toestand als een tweeheid aan mij voordeed.
Ook van deze soort ervaringen waarin God in de gevormde toestand voor mij verscheen, heb ik er meerdere gekregen. Daarbij zag ik de ene keer God als mijn vader en moeder in de gedeelde toestand, de andere keer zag ik hen in de verenigde toestand. In de verenigde toestand zijn de beide tweelinggeesten volkomen in elkaar opgegaan, hun geestgedaantes zijn met elkaar vermengd en vormen een eenheid... voor hen een toestand van innige vreugde!
Doordat de mannelijke geestgedaante iets groter is dan de vrouwelijke, gaat de vrouwelijke geestgedaante in de mannelijke op, waardoor zij er samen aan de buitenkant uitzien als een mannelijke geestgedaante. Maar doordat de vrouwelijke geestgedaante kleiner is, blijven in de verenigde toestand de beide geesten, de beide bolvormige wolken van licht en warmte binnen de geestgedaante, toch zelfstandig ten opzichten van elkaar. Zij vormen in de verenigde toestand tegelijkertijd een éénheid en een twééheid.
terug naar de Inhoud
4. Gods heilige geest en de menselijke geest
De menselijke geest is een bolvormige wolk die door verdichting uit de algeest is ontstaan. De bolvormige wolk in zijn geestgedaante is een godenkind dat de áánleg heeft uit te groeien tot de volwassenheid van een jonge god, Gods volwassen geworden godenkind.
Iedere geest die uit de algeest wordt geboren, heeft een wederhelft in de vorm van zijn of haar tweelinggeest. Ook Gods heilige geest is een verenigde tweelinggeest. Deze tweelinggeest bestaat uit twee bolvormige wolken, ook door verdichting uit de algeest ontstaan. In deze wolken zijn de geestelijke vermogens in geheel ontwikkelde vorm aanwezig, rechtstreeks uit de algeest voortgekomen en er geestelijk mee verbonden blijvend.
(Jezus: Ik alleen ben het eeuwige middelpunt van mijzelf; maar van daaruit vervul ik toch eeuwigdurend en onveranderlijk de oneindige ruimte. (Grote Joh. Evangelie 4, 225))
De heilige geest heeft daardoor geen ontwikkeling nodig, maar de menselijke geest wel. De menselijke geest is lang geleden aan een ontwikkelingsweg naar een zelfverworven geestelijke zelfstandigheid begonnen; daarbij waren de vermogens in aanleg aanwezig en werd de menselijke geest schijnbaar aan zichzelf overgelaten. Daardoor heeft de menselijke geest de gelegenheid gekregen ze zelfstandig tot ontwikkeling te brengen en zo zelf een volwassen godenkind te worden. De menselijke geest is daardoor een geest die nog niet heilig, heel, volmaakt is ('heil' is 'heel'); in tegenstelling daarmee is de goddelijke bolvormige wolk een geest die volmaakt en daardoor heilig, heel, uit de ongevormde toestand van de algeest is voortgekomen.
De heilige geest begeleid (samen met de engelen) de menselijke geest op diens geestelijke ontwikkelingsweg, de levensweg, naar heiligheid. Gods heilige geest (en de engelen) trachten de menselijke geest door ingeving van hun gedachten en gevoelens ongemerkt op de rechte weg naar het doel te houden. Daarbij blijft de menselijke geest echter altijd de vrijheid behouden een eigen keuze te maken, want diens geestelijke zelfstandigheid is immers het doel.
De mens leert door ondervinding op te doen met de gevolgen van eigen keuzes. Door ook maar even dwang te gebruiken, zou de ontwikkeling van de mens niet meer diens éigen ontwikkeling zijn en zou het doel niet worden bereikt.
terug naar de Inhoud
5. De wijze waarop Gods heilige geest aan de mens verschijnt
Niet alleen door ingeving van gedachten door de keelchakra heen en van gevoelens door de hartchakra, maar ook door de voorhoofdchakra te openen en zich zo op geestelijke wijze aan de mens te vertonen, heeft de heilige geest (en de engelen) zich met de mens in verbinding gesteld. Doordat zijn of haar voorhoofdchakra werd geopend, heeft de menselijke geest de geestelijke begeleiders in de geestelijke wereld helderziende waar kunnen nemen. Dat gebeurde bij profeten, zieners en mystici (het overkwam als genade ook mij).
Bij die gelegenheden werden de heilige geest en de engelen op twee manieren waargenomen: in de verenigde toestand en in de gedeelde toestand van de tweelinggeesten. In de gedeelde toestand werden een mannelijke en een vrouwelijke geest gezien, in de verenigde toestand alleen een mannelijke geest. Daardoor overheerste het aantal waarnemingen van de mannelijke geest.
In de Joodse godsdienst werd in het begin nog wel gezien dat Gods heilige geest mannelijk en vrouwelijk is: God schiep de mens naar zijn beeld als man en vrouw (Genesis)! Maar later kwam in de Joodse godsdienst en daardoor ook in het bijzonder in het Christendom en de Islam, de nadruk eenzijdig op de mannelijke geest te liggen: God zou alleen een 'Vader' zijn, 'de Heer'. Dit is een denkwijze die is voortgekomen uit een onjuist begrepen helderziende waarneming.
Alleen in de Joodse mystiek wordt nog wél over Gods vrouwelijke helft gesproken met de naam Asjerah of Shechinah: 'zij die bij ons is'.
In de exoterie van de tempel werd echter alleen nog over de mannelijke helft gesproken met de naam Jahweh: 'ik ben' of 'ik doe zijn' (ik schep) en de verwijzingen naar Asjerah werden bijna allemaal uit het Oude Testament verwijderd.
In alle andere godsdiensten ter wereld is God steeds mannelijk én vrouwelijk.
terug naar de Inhoud
Tot zover mijn opvattingen die ik uit mijn eigen geestelijke ervaringen heb ontwikkeld.
6. Gods heilige geest eerst als Jahweh, ten slotte als Jezus
Wie nog meent dat God niet bestaat, verkeert in een toestand van onwetendheid doordat hij of zij nog niet de omvangrijke werken van Jakob Lorber en Emanuel Swedenborg voldoende heeft bestudeerd. Deze profeten hebben, onafhankelijk van elkaar, een grote rijkdom van volkomen met elkaar samenhangende geestelijke ervaringen en inzichten aan de mensheid op aarde nagelaten.
Niet alleen bevestigen zij mijn ervaringen met God als onze geestelijke vader en moeder, maar bovendien is bij hen te vinden dat Gods heilige geest de mensheid begeleidt: eerst heeft Gods heilige geest onder andere als Jahweh door de profeten het Joodse volk aangespoord om geestelijk die ontwikkelingstoestand te bereiken, waarin de heilige geest later in de persoon van Jezus bij hen uit de maagd Maria als mens kon worden geboren (... Jezus is in de geest dezelfde (Jahweh), die ongeveer 1000 jaar geleden aan Mozes op de Sinaï aan de Joden de wetten gaf. (Grote Joh. Evangelie 2, 48)).
De aard van deze bijzondere geboorte in een stoffelijk lichaam kwam volkomen overeen met de bijzondere geboorte die ik in de geestelijke wereld zag en waarbij het mannelijke deel van de algeest als het ware uit de het vrouwelijke deel werd geboren.
Op een keerpunt in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid is Gods heilige geest, in de mens die hij vóór de geboorte zelf de naam 'Jezus' gaf (van 'Jehova shua', 'God redt'), bij ons op aarde geweest om die ontwikkeling in goede banen te leiden.
terug naar de Inhoud
Uittreksel uit Jakob Lorber, De Jeugd van Jezus - Het Jacobusevangelie, blz. 1
Inleiding
Door de Heer Zelf medegedeeld als voorwoord op de geschiedenis van Zijn jeugd en wel door dezelfde spreekbuis (Jakob Lorber), die Hij voor de weergave van dit werk uitkoos in de periode van 22 juli 1843 tot 9 mei 1851.
Zoals bekend is, leefde Ik in de tijd tot mijn dertigste jaar zoals iedere andere welopgevoede jongen, jongeman en man leeft; ook Ik moest, door mijn leven in te richten volgens de Wet van Mozes, eerst het goddelijke in Mij opwekken, net als iedere mens Mij in zichzelf tot leven moet wekken.
Zo goed als ieder ander mensenkind, moest ook Ikzelf beginnen met aan een God te geloven, waarna Ik Hem in alle denkbare zelfverloochening steeds meer en meer heb moeten omhelzen en met steeds sterker wordende liefde Mij aldus geleidelijk aan volkomen aan de Godheid heb moeten onderwerpen.
Op die wijze was Ik, als de Heer Zelf, een levend voorbeeld voor iedere mens, en daarom kan iedere mens Mij nu op precies dezelfde wijze aantrekken als Ikzelf in Mij de Godheid heb aangetrokken, en kan hij door de liefde en het geloof zelfstandig evenzo volledig één worden met Mij, als ikzelf als Godmens in alle grenzeloze volmaaktheid één ben met de Godheid.
Op de vraag hoe de door het Kindje Jezus gedane wonderen, alsmede Diens overige goddelijk-geestelijke werkzaamheden zijn te rijmen met Zijn als het ware daarvan geïsoleerde mens-zijn tijdens Zijn jaren als jongeling en als man, ... en, hoe daarmee dan weer samenhangen de in die jaren verrichte wonderen - gesteld, dat men Hem ook in die jaren nog uitsluitend als mens zou willen denken ... : op die vragen moge als antwoord dienen een vergelijking met de aanblik die een boom biedt in de periode van de lente tot in de herfst: In het voorjaar bloeit een boom wonderbaarlijk; hij wordt dan door een geweldige activiteit beheerst. Na het afvallen van de bloesem echter wordt hij weer schijnbaar inactief. Tegen de herfst toont de boom weer een enorme activiteit: de op zichzelf reeds wonderbaarlijke vruchten verkrijgen hun kleur en aroma, en zijn dan nog mooier dan de bloesem was. En zijn de vruchten aldus tot rijpheid gekomen, dan wordt de in hen geschonken zegen van de binding aan de boom vrij gemaakt, en die valt dan in de schoot van de ernaar hongerende kindertjes. Dit vergelijkingsbeeld zal men slechts kunnen begrijpen met de ogen van het hart, maar nooit met de ogen van wereldse wijsheid! Immers de bovengenoemde vragen zijn heel gemakkelijk op te lossen, mits je maar van-binnen-uit-zuiver-denken wilt, zonder daarbij de Godheid van Jezus te willen losmaken, maar die juist vasthoudt in innerlijk geloven, omdat dat juist het licht is, dat voert tot de liefde voor God.
Immers, de volledige eenwording van de Goddelijke Volmaaktheid met Jezus' mensheid is niet ineens, niet plotseling tot stand gekomen, maar geleidelijk aan, zoals dat onder Gods leiding steeds het geval is; juist zoals bij het geleidelijke ontwaken van de Goddelijke Geest in het mensenhart (alhoewel het Goddelijk Wezen ook reeds in al Zijn Volheid in het Jezuskind aanwezig was, maar Zich van daaruit slechts in noodgevallen door het doen van wonderen manifesteerde).
De lichamelijke dood van Jezus is feitelijk de diepste afdaling van de Godheid tot in de staat, waartoe alle materie veroordeeld is, waardoor de totaal nieuwe verhoudingsmogelijkheid tussen Schepper en schepping pas volledig tot stand kwam.
Eerst door de dood van Jezus wordt God-Zelf volledig mens, en door en vanuit die hoogste goddelijke genade-ingreep wordt de geschapen mens tot nieuw-verwekt Kind Gods - tot (jonge, zich ontwikkelende) god dus! Daardoor kan die mens - een schepsel! - als volkomen evenbeeld tegenover zijn Schepper staan! Daarin kan hij nu zijn God zien, zijn Schepper en Vader schouwen, Hem spreken, Hem erkennen en boven alles liefhebben! En daardoor alleen ook is hij in staat het volmaakte onvergankelijke leven in God, uit God en met God te beërven.
Daardoor is echter ook Satans drijven in zoverre doorbroken, dat hij niet langer bij machte is deze meest intensieve toenadering van de Godheid naar de mensen toe, en omgekeerd die van hen naar de Godheid, te verhinderen.
Nog korter gezegd: Door de dood van Jezus kan de mens zich nu volop met God verbroederen, terwijl het voor Satan onmogelijk is geworden dat nog te beletten, ... en dat is dan ook de reden, waarom tot de vrouwen, die het heilige graf kwamen bezoeken, wordt gezegd: 'Gaat heen en zegt het Mijn broeders' ... Satans wroeten in de uiterlijke dingen moge dan nog steeds merkbaar zijn, ... nooit meer zal hij in staat zijn het eenmaal verscheurde voorhangsel tussen God en de mensen opnieuw aan te brengen; noch ooit opnieuw een onoverbrugbare kloof te doen ontstaan tussen enerzijds de Godheid en anderzijds de mensheid.
Door deze korte uiteenzetting van deze stof nu, kan voortaan iedereen, die bereid is innerlijk, geestelijk te denken en te mediteren, heel gemakkelijk en duidelijk het grenzeloze nut inzien, dat de lichamelijke dood van Jezus voor hem of haar betekent. Amen!
Grote Johannes Evangelie 8, 189 [20] Want waarlijk, Ik zeg jullie: een rein en geestelijk sterk mens is heer over de natuurgeesten, evenzo heer over de elementen en ook over alle dieren, planten en mineralen, van welke aard of soort die ook mogen zijn. Want als zijn ziel vervuld is van Gods geest, waarin alle macht en kracht uit God woont, kan hij ook de hele natuur gebieden en zelfs bergen moeten zich dan buigen voor de macht van zijn wil en zijn onwankelbaar geloof en vertrouwen in de ene, ware, almachtige God.
terug naar de Inhoud
7. De kern van Jezus' leer
De kern van Jezus' leer is te vinden in zijn Bergrede en in zijn toespraak tijdens het laatste avondmaal met zijn leerlingen.
Zij kan worden samengevat met onder andere de teksten:
Mattheus 22:37 ... heb God lief met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Mattheus 22:39 ... heb uw naaste lief als uzelf.
Johannes 14:20 ... zult u weten, dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u.
Johannes 17:11 ... dat zij één zijn zoals Wij.
Johannes 17:21 Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn.
Met andere woorden:
Ik heb mijn God lief boven al... want zoals Jezus ben ook ik Gods godenzoon/godendochter;
Ik heb mijn naasten lief als mijzelf... want zoals Jezus ben ook ik een mensenzoon/mensendochter.
De heilige geest die als de mens Jezus persoonlijk bij ons is geweest, kon zich in twee geestestoestanden bevinden. Als de heilige geest zich in gebed tot de algeest richtte, noemde hij zichzelf Gods Zoon; als hij zich tot zijn medemensen richtte, noemde hij zichzelf de Mensenzoon.
Het denkbeeld van een 'heilige drie-eenheid' in de vorm van een 'Vader', een 'Zoon' en een 'Heilige Geest' is een verwarrende misvatting. Dit wordt door Swedenborg en Lorber bevestigd. Wat in de geestelijke wereld te zíen is, is een óngevormde oertoestand van de algeest die de 'Vader' wordt genoemd en een gevórmde toestand, de heilige geest; deze bevindt zich de ene keer in de toestand van de 'Godenzoon', de andere keer in de toestand van de 'Mensenzoon'.
Het zijn deze twee geestestoestanden van de heilige geest die in het denkbeeld van de 'heilige drie-eenheid' worden samengevat en de 'Zoon' worden genoemd.
Het Hebreeuwse woord voor 'zoon' is 'ben', dat zowel 'zoon' kan betekenen als 'hij, die iemand toebehoort'. In de ene geestestoestand hoorde de heilige geest bij de algeest, in de andere toestand bij Gods godenkinderen op aarde, die zichzelf nog moesten ontwikkelen. In de persoon van Jezus heeft Gods heilige geest de mensheid op aarde bezocht om daarbij voor ons een voorbeeld te zijn.
Zie voor de betekenis van de woorden 'Jezus' en 'Christus' de woordenlijst onder J.
terug naar de Inhoud
8. De huidige ontwikkelingstoestand van de mensheid
In de boeken van het Grote Johannes Evangelie beschrijft Jezus voor zijn toenmalige toehoorders nauwkeurig hoe de toestand van de mensheid ongeveer 2000 jaar na hem zal zijn. Punt voor punt komt dit overeen met wat wij in deze tijd meemaken, zoals onder andere het zedelijke verval dat in de Katholieke Kerk heeft plaatsgevonden en het verdwijnen van het geloof in God (klik hier voor een overzicht of zie op deze website onder 'teksten').
Jezus beschrijft daar ook dat zijn wederkomst niet zal gebeuren in de vorm waarin dat van ons uit gezien 2000 jaar geleden geschiedde; maar het zal zijn 'in de geest' van zijn huidige leerlingen.
Het dieptepunt in de geestelijke ontwikkeling van de mensheid werd gemarkeerd door het verschijnen van boeken waarin de schrijvers beweren 'dat wij ons brein zijn' en 'geen vrije keuze hebben'. Het is het toppunt van ongeloof, dieper kan de geest niet verduisterd zijn. Van nu af aan kan de weg alleen nog maar omhoog gaan, wat zal geschieden!
terug naar boven
|
|