antropisch principe


Het 'antropisch principe' (Grieks 'anthropos': mens; 'principe': beginsel) is de door de natuurkundigen Robert Dicke voorgestelde en door John D. Barrow en Frank J. Tipler verder uitgewerkte gedachte, dat er een nauw verband bestaat tussen ons menszijn en de natuurkundige eigenschappen van het heelal (bron: Wikipedia).

Het begrip 'antropisch principe' heeft als strekking: 'de mens is het beginsel' van de stoffelijke schepping, of: de schepping is er om de mens. Deze opvatting is een uitkomst van natuurwetenschappelijk onderzoek.


De mens verlaat het Ptolemeïsche wereldbeeld
[en ontdekt de geestelijke achtergrond van het heelal]
Bron: Das kosmologische anthropische Prinzip
een lezing door Prof. Dr. Peter C. Hägele
Volgens de hermetische spreuk 'Zo boven, zo beneden' (zie het menu) komen de eigenschappen van de geestelijke wereld, als de oorzaak ervan, tot uitdrukking in de eigenschappen van de stoffelijke wereld. Het gaat om de oude, esoterische wet van de overeenstemming: de schepper brengt zichzelf in zijn schepping tot uitdrukking.

Deze stelling uit de Oudheid wordt bevestigd door het antropisch principe:
het bestaan van de mens in de stoffelijke schepping is de bedoeling van een wijze, maar hier onzichtbare schepper;
die is er de oorzaak van, dat het heelal een tehuis is voor de mens... de mens is het beginsel ervan en het heelal is in overeenstemming met de noden van de mens voor zijn geestelijke groei.

Inhoud

Wär' nicht das Auge sonnenhaft

Wär' nicht das Auge sonnenhaft,
Die Sonne könnt' es nie erblicken;
Läg' nicht in uns des Gottes eigne Kraft,
Wie könnt' uns Göttliches entzücken?

J.W. von Goethe
Natuurconstanten
Voorbeelden van fijnafstemming
Natuurkundige omstandigheden
Geen toeval, maar doelgericht
Literatuur
Voor- en tegenstanders
Bevestigend onderzoek
Geestkundige nabeschouwing

Natuurconstanten
Het 'antropisch principe' is een denkbeeld over de betekenis die het heelal heeft voor de mens, dat is voortgekomen uit de bevindingen van natuurwetenschappers omtrent de zogenaamde 'natuurconstanten'.
Een natuur(kundige)constante vormt een vast onderdeel van een wetenschappelijke formule, waarmee natuurkundige berekeningen kunnen worden gemaakt.
Deze natuurconstanten zijn o.a. de lichtsnelheid, de elementaire lading, de rustmassa's van het elektron, proton en neutron, het absolute nulpunt, de gravitatieconstante, de magnetische veldconstante en het magnetisch moment van het elektron en proton.
Een natuurconstante is een grootheid waarvan de waarde niet (of nauwelijks) verandert, in tegenstelling tot bijvoorbeeld temperatuur, druk, veldsterkte en elektrische spanning, die met deze natuurkundige formules kunnen worden uitgerekend. Er zijn er 38 (zie hiervoor Wikipedia).

Als voorbeeld de 'gasconstante'. De gasconstante is de evenredigheidsconstante R die voorkomt in de algemene gaswet, die luidt: pV=nRT, waarin p de druk, V het volume, n het aantal mol en T de absolute temperatuur van het gas is (bron Wikipedia). De constante is de factor, die beide zijden van de vergelijking gelijk maakt.

De fijnafstemming van de natuurconstanten

Het is gebleken dat al deze waarden zo met elkaar samenhangen, dat de omstandigheden in het heelal, en daarmee op aarde, geschikt zijn voor het ontstaan en blijven voortbestaan van aardse levensvormen. Dat deze samenhang van de natuurconstanten (de 'fijnafstemming' genoemd) door toeval zou zijn ontstaan, is volgens de kansberekening uitgesloten.
Zou namelijk ook maar één van deze constanten veranderen, dan heeft dat invloed op alle andere, waardoor de omstandigheden in het heelal en op aarde minder tot ongeschikt zouden worden voor het bestaan van levensvormen.

terug naar de Inhoud

Voorbeelden van fijnafstemming
In de jaren vijftig bestond er nog onduidelijkheid over de vorming van elementen in sterren, zoals bijvoorbeeld koolstof, noodzakelijk voor het ontstaan van levensvormen. Bij de vorming van koolstof in sterren vormen twee heliumkernen door kernfusie eerst het element beryllium, dat dan nog een derde heliumkern moet opnemen om koolstof te vormen - maar beryllium is onstabiel.
De Amerikaanse astronoom Fred Hoyle ontdekte dat de waarschijnlijkheid voor een berylliumkern om een heliumkern in te vangen veel groter was, als het om een koolstofkern in een aangeslagen toestand zou gaan, die precies de juiste energie zou hebben. Alleen was een kern met deze eigenschappen nog nooit aangetoond.
Niet lang na Hoyle's voorspelling werd er echter wel degelijk zo'n aangeslagen toestand gevonden. Maar die aangeslagen toestand van koolstof is zeer gevoelig voor een denkbeeldige verandering van een aantal natuurconstanten. Varieer de constanten een beetje in gedachten en er zou geen koolstof en dus ook geen leven zoals wij dat kennen, kunnen ontstaan.
De uitspraak van Fred Hoyle na deze ontdekking: "Nothing has shaken my atheism as much as this discovery."

Steven Weinberg (Nobelprijs natuurkunde 1979) vroeg zich af of er met een iets andere waarde van de 'kosmologische constante' nog steeds leven in het universum zou bestaan. Hij sloeg aan het rekenen en vond dat als de constante een factor honderd groter of kleiner zou zijn dan de toen bekende heel kleine waarde (10-120 in Planckeenheden), de vorming van sterrenstelsels en planeten onmogelijk zou zijn.
Daar was hij niet blij mee, want nu kon hij het antropisch principe niet langer terzijde schuiven als een verklaring voor het bestaan van de kleine kosmologische constante en van het belang van de fijnafstemming.

terug naar de Inhoud

Natuurkundige omstandigheden
Daarnaast zijn er veel natuurkundige omstandigheden in het heelal, in het zonnestelsel en op aarde waarvan het bestaan van levensvormen afhankelijk is, zoals:

In het heelal
1 De uitdijing van het heelal: als het heelal trager was uitgedijd, zou het uitdijen zijn gestopt en zou het heelal zijn ineengeklapt voordat er sterren waren ontstaan. Als het sneller was uitgedijd, zouden er geen sterrenstelsels zijn ontstaan.
2 De snelheid van het licht: elke natuurkundige wet laat zich beschrijven als een functie van de snelheid van het licht (die nu is vastgesteld op 299.792.458 m/sec). Zelfs de geringste variatie in de lichtsnelheid zou de andere constanten wijzigen en leven onmogelijk maken.
3 De zwaartekracht: als de zwaartekrachtconstante 10-38 procent groter was, dan zou de zon zijn waterstofvoorraad te snel verbruiken; of als die kleiner was, dan zou de zon geen kernfusie op gang kunnen brengen en dan zou leven op aarde niet kunnen bestaan.

In het zonnestelsel
4 De middelpuntvliedende kracht van de planetaire bewegingen: als die niet in evenwicht was met de zwaartekracht, zou er niets in een baan om de zon kunnen blijven draaien.
5 De leefbare zone (ook Goldilocks zone genoemd): dat is een denkbeeldige zone rond een ster. In dat gebied is het niet zo warm dat eventueel water op een planeet verdampt (Venus); maar ook niet zo koud dat het aanwezige water bevriest (Mars). Met andere woorden: alleen op een planeet die zich in dat gebied bevindt, zoals de aarde, kan water zich in vloeibare toestand bevinden. Dat is een belangrijke voorwaarde voor leven zoals wij dat kennen.
6 De baan van Jupiter als buitenplaneet: als Jupiter niet in zijn huidige baan stond, zou de aarde worden gebombardeerd met ronddraaiend ruimtepuin. Jupiters zwaartekrachtveld werkt als een kosmische stofzuiger, doordat het planetoïden en kometen aantrekt die anders de aarde zouden kunnen raken.
7 De aantrekkingskracht tussen aarde en maan: als die kracht groter was dan hij nu is, zou de invloed op de getijden van de oceanen, de atmosfeer en de rotatieperiode van de aarde te sterk zijn en ook als ze minder sterk was, zouden veranderingen in de omloopbaan en -tijd van de maan voor een onstabiel klimaat zorgen. In beide gevallen zou er op aarde geen leven mogelijk zijn.

Op de aarde
8 Het magnetische veld: de aarde heeft al sinds haar ontstaan een beschermend magnetisch veld. Zonder dat veld is een planeet onleefbaar door krachtige, ioniserende zonnewinden. Alleen de aarde en Mercurius beschikken in dit zonnestelsel over zo'n veld.
9 De helling van de aardas: deze is met 23 graden precies goed. Bij een geringe wijziging zouden de verschillen tussen de oppervlaktetemperaturen tijdens zomer en winter, te groot zijn.
10 De rotatieperiode van de aarde: als die langer duurde dan 24 uur, zouden de temperatuurverschillen tussen dag en nacht te groot zijn. Als die periode korter was, zouden de windsnelheden in de atmosfeer te groot zijn.
11 Het zuurstofpeil in de atmosfeer: de atmosfeer van de aarde bestaat voor 21 procent uit zuurstof. Dat nauwkeurig vaststaande getal is een 'antropische constante' (waarde, nodig voor het bestaan van levensvormen) die leven op aarde mogelijk maakt. Als het 25 procent was, zouden er spontaan branden uitbreken, als het 15 procent was, zouden levende wezens stikken.
12 Het koolstofdioxidepeil: in de atmosfeer van de aarde wordt de hoeveelheid koolstofdioxide van nature op het juiste peil gehouden. Als het koolstofdioxidepeil hoger was dan het nu is, zou een extreem broeikaseffect het gevolg zijn en zouden we allemaal verbranden. Als het lager was dan het nu is, zouden de planten hun fotosynthese niet kunnen voortzetten en zou er geen voedsel voor dieren en mensen zijn.
13 De samenstelling van de atmosfeer: naast het zuurstof- en koolstofdioxidepeil is ook de nauwkeurig afgestelde verhouding tussen de hoeveelheden stikstof, zuurstof, koolstofdioxide en ozon in de samenstelling van de atmosfeer op zich een antropische constante.
14 De atmosferische transparantie: de huidige eigenschappen van de atmosfeer zijn absoluut essentieel voor het leven op aarde. Als de atmosfeer minder transparant was, zou te weinig zonnestraling het aardoppervlak bereiken. Als ze transparanter was, zouden we aan te veel zonnestraling worden blootgesteld.
15 De hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer: als die hoger was dan het nu is, zou door het broeikaseffect de temperatuur te hoog worden voor menselijk leven. Als het lager was, zou door een te gering broeikaseffect de aarde te koud worden voor de mens.
16 De atmosferische, elektrische ontladingen: bliksems; als die frequenter waren, zou er teveel worden vernietigd door vuur. Als ze minder frequent waren, zou er te weinig stikstofbinding in de atmosfeer plaatsvinden en er daardoor te weinig stikstof in de grond komen voor plantengroei.
17 De dikte van de aardkorst: als die dikker was, zou er teveel zuurstof door de korst worden opgenomen, waardoor er te weinig overblijft om het leven te kunnen onderhouden. Als hij dunner was, zou de toegenomen vulkanische en tektonische activiteit het leven onmogelijk maken.
18 De seismische activiteit in de aardkorst: als er meer seismische activiteit was, zou er veel meer leven verloren gaan. Als er minder was, zouden de minerale voedingsstoffen op de oceaanbodem en in de afvoer van rivieren niet worden teruggegeven aan de continenten door middel van tektonische opheffing. Zelfs aardbevingen zijn nodig om het leven op aarde zoals wij het kennen, te onderhouden.
Bron van deze punten, voornamelijk: het boek van filosoof Norman Geisler en apologeet Frank Turek - 'Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn', 2004

terug naar de Inhoud

Geen toeval, maar doelgericht - andere uitspraken van natuurwetenschappers
Al deze natuurkundige feiten zijn voor een aantal natuurwetenschappers reden om aan te nemen, dat het heelal is ontworpen met het doel levensvormen te laten ontstaan. Het heelal is niet door toeval ontstaan (toeval is de mening van driekwart van de - atheïstische en reductionistische - natuurwetenschappers) maar is met een plan doelgericht (teleologisch) ingericht. Er moet sprake zijn van een intelligente schepper, God, die met het bestaan van het heelal een bedoeling heeft, namelijk de ontwikkeling van levensvormen, waaronder die van de mens.
1 J.D. Barrow en F.J. Tipler in hun boek: The Anthropic Cosmological Principle, p. 682. Oxford: Clarendon Press 1986: "Een moderne theoloog zou wensen dat hij kon zeggen, dat het leven in zijn geheel in het Punt Omega almachtig, alomtegenwoordig en alwetend is!" Met die 'moderne theoloog' bedoelen zij Pierre Teilhard de Chardin, wiens gedachtengoed geheel aansluit bij dat van het antropisch principe. Als priester én paleontoloog beschreef hij de evolutie als een uitwendig, stoffelijk gebeuren, maar met een geestelijke 'binnenkant', die uiteindelijk tot God voert, het 'Punt Omega'.
2 Paul Davies, hoogleraar, natuurkundige, astrobioloog: "There is for me the powerful evidence that there is something going on behind it all. The impression of design is overwhelming." (Paul Davies, 1988)
"De huidige structuur van het heelal is klaarblijkelijk zo gevoelig voor kleine veranderingen in haar constanten, dat het moeilijk is de indruk te negeren dat het goed doordacht is ontworpen. De ogenschijnlijk wonderlijke samenwerking van deze constanten en waarden moet het meest overtuigende bewijs voor kosmisch ontwerp zijn." Uit: 'God and the New Physics' (1983), pagina 189.
3 Leonard Susskind, Amerikaans natuurkundige die de snaartheorie ontwikkelde: "Het antropisch principe stelt dat alle natuurconstanten zo zijn ingesteld (fine tuning), dat ergens in het universum biodiversiteit kan ontstaan met uiteindelijk denkende mensen zoals wij. De waarschijnlijkheid van fine tuning is astronomisch klein. Ons universum heeft een pad afgelegd door een landschap van een 'Big Bang bergtop' naar een 'heden rustig dal' met een zeer kleine maar niet gelijk aan nul zijnde kosmologische constante, zodat het uitdijen van het heelal verder heel rustig verloopt.
4 Freeman J. Dyson, natuurkundige: "Als we naar het heelal kijken en beseffen, hoeveel schijnbare, natuurkundige en astronomische toevalligheden tot ons bestaan hebben samengewerkt, dan lijkt het zeker te zijn dat het heelal in zekere zin heeft geweten, dat wij zouden komen."
5 Stephen Hawking, theoretisch natuurkundige: "De meeste waarden [van de natuurconstanten] zouden universums tot gevolg hebben die, alhoewel ze zeer mooi zouden zijn, niemand zouden kunnen bevatten om die schoonheid te bewonderen. Men kan dit [ons heelal] zien als bewijs voor een goddelijk doel in de schepping van het heelal en de keuze van de natuurwetten, of als ondersteuning voor het sterke antropische principe." Uit 'Een korte geschiedenis van de tijd', blz 139.
"Het is zeer moeilijk om te verklaren waarom het universum begonnen is op precies de manier waarop het begonnen is, behalve als de daad van een God die van plan was om wezens zoals ons te scheppen." Uit 'Een korte geschiedenis van de tijd', blz 140.
6 Roger Penrose, een Engelse wis- en natuurkundige, was een van de eersten die tot de filosofische uitspraak kwam: "De buitengewoon hoge graad van fijnafstemming die astronomen en natuurkundigen hebben gevonden, is een sterke aanwijzing dat het universum een doel heeft."
7 Otto Heckmann, astronoom: "In wezen wordt de mens [...] kosmisch gezien niet bepaald door een willekeurige, maar door een uitermate nauwkeurig vooraf bepaalde kosmos. Als de mens hecht aan kosmische waarde en aan kosmische rang: hier worden deze ons allebei opnieuw in een orde van grootte aangeboden, die men nauwelijks kan overtreffen."
8 Michael J. Denton (biochemicus) beschrijft in zijn boek 'Nature's Destiny: How the Laws of Biology Reveal Purpose in the Universe' (1998) de bijzondere eigenschappen koolstof, waardoor deze stof de grondslag is van de koolstofchemie (biochemie). Het koolstofatoom bezit de eigenschap dat het zich met andere koolstofatomen kan verbinden tot lange koolstofketens; maar het kan zich ook met andere elementen binden, zoals waterstof, zuurstof, stikstof, fosfor en zwavel, waardoor verbindingen worden gevormd die in levende cellen nodig zijn, zoals glucose, vetten, aminozuren, eiwitten en DNA.
De verbinding van waterstof en zuurstof vormt water. De meeste biochemische reacties kunnen alleen in vloeibaar water verlopen. Water is ook in staat warmte op te nemen en vast te houden, en zo levende wezens tegen te grote temperatuurverschillen te beschermen. Denton: "Water is er uniek en perfect op aangepast om te dienen als een vloeibaar medium voor leven op aarde, niet slechts in een enkel, maar in elk van haar natuurkundige en chemische karakteristieken."
9 Dr. Cyril Ponnamperuma (scheikundige), bekend vanwege zijn studies over chemische evolutie, stelde dat leven in het universum onvermijdelijk was; of zoals hij het zei: "Het doel van het universum zou het leven zelf kunnen zijn." (Ponnamperuma, 1995)

terug naar de Inhoud

Literatuur
1 Klik hier voor de opvatting van Stephen Hawking over het 'antropisch principe', zoals beschreven in het boek van Kitty Ferguson - 'Stephen Hawking';
2 en hier voor Hawkings bespreking van dit onderwerp in zijn boek 'Het heelal'.
3 Klik hier voor een paragraaf uit het leerboek Moderne Natuurkunde van D.C. Giancoli over dit onderwerp.
4 Klik hier voor een boekbespreking van Paul Davies: 'Perfect universum' - Waarom er leven is op aarde, in het tijdschrift Gamma.
5 Klik hier voor een boekbespreking van de geneticus Francis Collins: 'De taal van God', in het tijdschrift Gamma.
6 Klik hier voor een boekbespreking van Lucas Ellerbroeks 'Planetenjagers' - Is ons heelal op maat gemaakt?
7 Klik hier voor de samenvatting van het artikel over dit onderwerp in de Encyclopædia Britannica.
8 Klik hier voor een uitgebreid, samenvattend artikel van astronoom Dr. Hugh Ross: Anthropic Principle - A Precise Plan for Humanity.
9 Klik hier voor een uittreksel uit een lezing van prof. dr. Pieter van der Kruit over de samenhang van de natuurconstanten en de mogelijkheid van het bestaan van levensvormen op aarde: Over mens en heelal, wetenschap en religie, samenhang en toeval.
10 Klik hier voor het laatste deel van de diaserie van em. prof. dr. John Heise: Het Multiversum, een eindeloos heelal, dat over het antropisch principe handelt.

terug naar de Inhoud

Vóór- en tegenstanders
In de wereld van de natuurkundigen zijn er vóór- en tegenstanders van de antropocentrische opvattingen over de betekenis van de fijnafstemming van de natuurconstanten - en de daarmee samenhangende levenbevorderende omstandigheden in het heelal.
Die tegenstand hangt samen met de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, waarin de menselijke geest op aarde verkeert. Die toestand ontstaat doordat de geest - het levende - zich hier moet verbinden met de stof - het niet-levende. Daardoor kan de menselijke geest hier niet zichzelf zijn, kent zichzelf niet en vereenzelvigt zich daardoor met deze stoffelijke toestand, en ziet daardoor alleen de stóffelijke helft van Gods schepping... de geestelijke helft wordt niet meer gezien.
Het is daardoor dat driekwart van de natuurwetenschappers de stoffelijke helft van de schepping alleen vanuit de eigenschappen van de stóf willen verklaren. Een geestelijke verklaring wordt door hen volstrekt afgewezen - zo krachtig is de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof - en daardoor wijzen zij ook het antropische principe af.
Klik hier voor een artikel waarin vóór- en tégenstanders aan het woord komen.

terug naar de Inhoud

Bevestigend onderzoek:
1 Klik hier voor een artikel over de noodzaak van de juiste verhouding tussen de massa's van protonen en neutronen voor het bestaan van het heelal.
2 Klik hier voor een artikel van theoretisch natuurkundige Meißner over het ontstaan van koolstof en zuurstof, onmisbaar voor het ontstaan van levensvormen.
3 Klik hier voor een artikel over de onvermijdelijkheid van het ontstaan van leven door het zelforganiserende vermogen van moleculen. Nobelprijswinnaar Jean-Marie Lehn: "Leven is een kosmische noodzakelijkheid, geen toeval."
4 Klik hier voor een artikel met als onderwerp dat de plaats in de leefbare zone van een zon niet genoeg is voor een planeet om later leven te kunnen herbergen; ook de juiste interne ontstaanstemperatuur van die planeet is een voorwaarde om leven te kunnen laten ontstaan.
5 Klik hier voor een artikel over de bijzondere gebeurtenissen in ons zonnestelsel die het bestaan van levensvormen op aarde mogelijk hebben gemaakt.
6 Klik hier voor een artikel waarin wordt gesteld, dat de botsing met een Mercurius-achtige planeet de aarde een zodanige hoeveelheid koolstof bezorgde, dat de weg werd vrijgemaakt voor de ontwikkeling van het leven zoals wij dat kennen.
7 Klik hier voor een artikel over het bestaan van zonnevlammen, die het leven op de nog jonge aarde mogelijk maakten.
8 Klik hier voor een artikel over de noodzaak dat een jonge planeet over een beschermend magnetisch veld beschikt, opdat het ontstaan van leven mogelijk is.
9 Klik hier voor een artikel over de noodzaak van de juiste samenstelling van de planeet om bewoonbaarheid mogelijk te maken.
10 Klik hier voor een artikel over de noodzaak, dat het jonge leven op een bewoonbare planeet door zijn eigen stofwisseling zelf voor het geschikte klimaat zorgt om er te kunnen overleven. De aarde blijkt tot nu toe de enige planeet te zijn waarop dat is gelukt.
11 Klik hier voor een artikel over de unieke eigenschappen van het kleurenspectrum van de atmosfeer van de aarde.
12 Klik hier voor een artikel over het grote aantal exoplaneten dat al is gevonden, maar waarvan er tot nu toe niet een bewoonbaar is.

terug naar de Inhoud


Geestkundige nabeschouwing
Doordat het heelal blijkt uit te dijen, kwamen natuurwetenschappers op de gedachte dat het oorspronkelijk uit één punt moest zijn voorgekomen. Maar in dat ene punt zou het gehele nu zichtbare heelal dan eerst samengebald moeten zijn geweest. Deze gedachte was toch wel bevreemdend, vandaar dat men dat punt terecht een 'singulariteit' heeft genoemd: een vreemdheid.
(Klik hier voor een artikel over de afwijkende mening van prof. dr. Erik Verlinde over dit onderwerp)
Veel natuurwetenschappers dachten en denken echter uitsluitend vanuit de stoffelijke helft van Gods schepping, vandaar dat deze gedachteontwikkeling op zichzelf niet vreemd is, maar begrijpelijk. Zij komt voort uit een eenzijdige houding, waarbij aan geestelijke verschijnselen geen waarde wordt gehecht, want zij zijn van mening dat het verschijnselen zijn die later vanuit de stof immers toch nog wel zullen worden verklaard.

Gezien vanuit de geestelijke helft van Gods schepping ziet het er anders uit.
God schept vanuit zichzelf in de ongeschapen oervorm, die zich aan het geopende geestesoog voordoet als één oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte: God als de algeest. (Natuurkundigen zouden die ruimte vanuit hun gedachtenwereld vreemd genoeg een 'veld' noemen of een 'krachtveld', terwijl ze een ruimte bedoelen.)
God als de algeest schept in zichzelf door te denken nieuwe vormen, zoals de menselijke geest, door verdichting van het eigen geestelijke licht en door belevendiging daarvan met de eigen geestelijke warmte, Gods liefde - vormen, die daardoor Gods eigenschappen in aanleg in zich hebben en die daarna uit kunnen groeien tot zelfstandigheid - wat ook een goddelijke eigenschap is, daar er maar één algeest is.

Bij het scheppen van levende wezens zoals zichzelf in de vorm van de menselijke geest - die daardoor een goddelijke aanleg heeft - blijven dat licht en die warmte een eenheid vormen binnen de verdichte bolvormige wolk van licht en warmte, die de menselijke geest aanvankelijk in wezen is.
Om die goddelijke aanleg tot volwassenheid te laten uitgroeien, moet de menselijke geest als het godenkind in de gelegenheid worden gesteld, zich geheel uit eigen vrije keuze en op eigen kracht - daarbij onmerkbaar door God aangemoedigd en geleid - tot ontwikkeling te brengen. Daarvoor was een omgeving nodig waarin niets aanwezig was, wat de geest aan het geest-zijn van zichzelf zou herinneren... want om goddelijk te kunnen worden, moest de menselijke geest schijnbaar geheel aan zichzelf worden overgelaten, om in volle vrijheid zelf besluiten te kunnen nemen en die uit te voeren. Voor dat besluit en die handeling is het bewuste en beheerste gebruik van de geestelijke vermogens noodzakelijk: het waarnemen, denken, voelen en willen. Door dat zelfstandige gebruik komen zij tot ontwikkeling en dat is: geestelijke groei naar innerlijke zelfstandigheid van de vermogende geest, naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing.

Voor die noodzakelijke omgeving schiep de algeest in zichzelf een ruimte, dichter dan de oneindige ruimte die de algeest zelf is - een ruimte die bestemd was de ruimte van het stoffelijke heelal te worden. De stof is een schepping Gods in de vorm van het niet-levende, zodat dat het tegendeel van de geest als het levende zou zijn. Doordat de stof het tegendeel van de geest als het levende is, kan de geest - daarin onderdompeld - niet meer zichzelf zijn en wordt de geest onbewust van zichzelf en van zijn eigen goddelijke afkomst... en kan daardoor hier volkomen op zichzelf zijn, geheel aan zijn eigen vrije keuze overgelaten en daardoor ook in de gelegenheid zichzelf als godenkind tot ontwikkeling te brengen.

De schepping van de stof
God als de algeest schiep die niet-levende stof in de levensruimte van de menselijke geest door opnieuw door te denken verdichtingen te scheppen, waarin Gods geestelijke licht en warmte echter níet een eenheid vormden, maar gescheiden waren... en daardoor levenloos.
Op dezelfde wijze als God door te denken in zichzelf eerst door verdichting de menselijke geesten schiep, schiep God door te denken in de ruimte van het toekomstige, stoffelijke heelal door verdichting een lichtdeeltje, waaruit later door zeer snelle vermenigvuldiging alle soorten fermionen (stoffelijke 'bouwstenen') zouden voortkomen, die in aanleg daarin aanwezig waren; en God schiep daarnaast door verdichting een warmtedeeltje, waaruit later door zeer snelle vermenigvuldiging alle soorten bosonen (het 'cement' voor de bouwstenen) zouden voortkomen, die in aanleg daarin aanwezig waren.
De ontwikkelingen in Gods schepping verlopen door vermenigvuldiging van één deeltje of één celletje of één zaadje, met de algeest als voedende bron.
Dit is een uitdrukking van de wet van overeenstemming, van de spreuk 'zo boven, zo beneden'.

In de lichtdeeltjes als bouwstenen, de fermionen zijn de eigenschappen van het waarnemen (vormbaar licht) en het denken (zelfvormend licht) aanwezig, waardoor met deze deeltje vórmen (waarnemen) kunnen worden gebóuwd (denken); in de warmtedeeltjes als het cement, de bosonen zijn de eigenschappen van het voelen (vormbare warmte) en het willen (zelfvormende warmte) aanwezig, waardoor deze deeltjes de kráchten (willen) leveren, waarmee de vormen van de fermionen bij elkáár kunnen worden gehouden door wisselwerking (voelen) tussen de deeltjes.

Wat uit een bron voortkomt, draagt de eigenschappen van die bron met zich mee; daardoor zijn ook in de elementaire deeltjes waarmee God de stoffelijke schepping schiep, de goddelijke eigenschappen - de geestelijke vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen - terug te vinden.
De stoffelijke schepping is een gedachte Gods en God houdt de schepping al denkende en uit liefde als een leerschool in stand, om ons als menselijke geesten, Gods godenkinderen in aanleg, de gelegenheid te geven zich op eigen kracht tot zelfstandigheid te ontwikkelen en zo onze goddelijke aanleg te verwerkelijken.


terug naar de woordenlijst

terug naar het weblog







^