Rudolf Steiner - Antroposofie en geestkunde


Deze serie van acht onderwerpen is bedoeld om te laten zien hoe vanuit het gezichtspunt van geestkunde deze grote geesten, uit verschillende culturen en tijdperken, met elkaar samenhangen. Tijdens mijn vergelijkende godsdienststudie zocht ik naar eenheid in de verscheidenheid. Dat is de reden waarom ik zo vrij ben geweest, weliswaar met schroom, hun teksten in te delen naar geestkundige aandachtspunten, om zo een vergelijking mogelijk te maken.
(Deze pagina met antroposofie als onderwerp zal nog worden uitgebreid.)


Rudolf Steiner (1861-1925)
natuurwetenschapper, filosoof, ziener
grondlegger van de antroposofie
1. Rudolf Steiner - De kleuren, werking en karakter
Eerste voordracht, Dornach 6 mei 1921
Kleurbeleven. De vier 'beeldkleuren' (blz. 17-19)

[...] Als we de stap willen wagen om te komen tot een beter begrip van het wit, moeten we zeggen: In de eerste plaats leidt het wit ons tot het licht als zodanig. Om deze gewaarwording compleet te maken, moeten we alleen maar het volgende goed beseffen: De tegenpool van wit is zwart. Dat zwart de absolute duisternis is, daaraan twijfelen we niet. Dus kunnen we het wit heel makkelijk identificeren met het licht zelf. Kortom, als we deze hele beschouwing doorvoeren in het gevoelsvlak, komen we vanzelf op de nauwe relatie tussen het wit en het licht.
[...] Als we nu over het licht zelf nadenken [...] en er onbevooroordeeld naar kijken, dan kunnen we zeggen: We zien wel degelijk kleuren. Tussen het wit, dat hier als kleur wordt behandeld, en het licht moet iets bijzonders aan de hand zijn. Het echte wit laten we dus even buiten beschouwing en voor het licht als zodanig gelden weer andere wetmatigheden dan voor de kleuren.

Vraagt u zich eens af of u het licht werkelljk kunt waarnemen? We zouden helemaal geen kleuren zien als we ons niet in een verlichte ruimte bevonden. Het licht maakt voor ons de kleuren waarneembaar. Maar we kunnen niet zeggen dat we het licht op dezelfde manier waarnemen als de kleuren. De ruimte waarin wij kleuren zien, is verlicht. Het behoort tot het wezenlijke van het licht dat het de kleuren zichtbaar maakt. Maar wij zien het licht niet op dezelfde manier als we rood, geel en blauw zien. Het zonlicht is overal waar licht is, maar het licht zelf zien wij niet. Het moet zich ergens aan vasthechten, het moet ergens op schijnen als we het willen zien. Het moet worden vastgehouden en worden teruggekaatst.
De kleur zit aan de oppervlakte van de dingen, van het licht daarentegen kunnen we niet zeggen dat het zich ergens aan vasthecht, daarvoor is het te wisselend van intensiteit. Ook wijzelf voelen ons, als we 's morgens wakker worden en het is een stralende dag, in ons diepste wezen met het licht verwant. Als we 's nachts in het donker wakker worden, voelen we dat we niet helemaal aanwezig zijn, we blijven min of meer teruggetrokken in onszelf, we voelen ons niet in ons element. We kunnen ook aan het licht beleven dat het naar ons toe komt. Dat is niet in tegenspraak met het feit dat een blinde dat niet zo ondervindt. In potentie is de mogelijkheid aanwezig, ook zijn organisme is daarop ingesteld en daar gaat het tenslotte om.
Onze relatie tot het licht is vergelijkbaar met de relatie van ons Ik tot de wereld, maar dan een beetje anders. Want het is niet zo dat wij alleen door het feit dat wij vervuld zijn van het licht ons Ik beleven. Niettemin is voor ons, als wezens die kunnen zien, het licht een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot het beleven van ons eigen Ik.

Waar gaat het nu in feite om?
Bij het licht, dat zich, zoals besproken werd, als wit manifesteert (de diepere samenhang zullen we nog leren kennen), bij het licht hebben we te maken met iets, wat ons vergeestelijkt, wat ons leidt naar onze eigen geest. Ons Ik, dat wil zeggen onze geest, hangt samen met dit van licht doorstraald zijn.
Als we nu van deze gewaarwording uitgaan (alles wat leeft in licht en kleur moeten we eerst als gevoel ondergaan) moeten we zeggen: Er is een verschil tussen het licht en datgene wat zich in het Ik als geest openbaart. Maar toch brengt het licht ons iets van onze eigen geest tot bewustzijn. Op deze manier kunnen we enigermate ervaren dat het Ik zichzelf kan beleven door het licht.

Als we dit alles samenvatten, komen we tot de slotsom: Het Ik is geestelijk, maar het moet in de ziel innerlijk worden doorleefd. Het Ik beleeft zichzelf in de ziel wanneer het doorstraald wordt door het licht. We kunnen dat in het kort als volgt formuleren: Wit of licht stelt het zielebeeld voor van de geest.
Natuurlijk heb ik ook deze derde stap zuiver en alleen op basis van onze eigen gevoelens met u kunnen doen. Maar nu we ook deze formulering hebben gevonden, moet u eens proberen zich steeds meer in de zaak te verdiepen, dan zult u namelijk merken dat het zinvol is om te zeggen: Groen is de dode afbeelding van het leven. Perzikbloesem is de kleur van het levende beeld van de ziel. Wit of het licht stelt het zielebeeld voor van de geest.

De strekking van dit stuk in geestkundige bewoordingen gezegd:
- Ik ben de menselijke geest en ik als die geest ben een licht- en warmtewezen;
- met dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen.
- Ik als de geest ben in de gelegenheid mij van mijzelf als geest bewust te worden
- door met mijn geestelijke vermogens de ervaringen te verwerken,
die vanuit de buitenwereld de binnenwereld van mijn ziel binnenkomen.

Een geestverwant van Steiner is Max Heindel, die in zijn boek Wereldbeschouwing der Rozenkruisers (blz. 143) schrijft: "Niemand die tol betaalt aan de bedrieglijke geest van alcohol [...] kan ooit iets van het hogere zelf te weten komen, de ware geest die de bron van het leven zelf is." M.a.w. ook hij bedoelt met het spraakgebruik 'het hogere zelf' de menselijke geest, die de levenskracht is.


2. Rudolf Steiner - De Wetenschap van de geheimen der ziel
Over menswording en werelde volutie, en het leven na de dood
Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1980

Hoofdstuk IV 
De wereldontwikkeling en de mens van de Saturnustoestand t/m de Aardetoestand
Vanaf bladzijde 254.

[...] "Daarentegen werd
 de menselijke blik [tijdens de Westerse beschaving] steeds meer op de zintuiglijke wereld en
 op het beheersen daarvan, gericht. En de in de laatste tijd van
 Atlantis ontwaakte krachten van het verstand, van alle krachten in
 de mens, waarvan de fysieke hersenen het instrument zijn, 
werden ontwikkeld met de nadruk op de zintuiglijke wereld
, op de kennis en beheersing daarvan. Twee werelden ont
wikkelden zich om zo te zeggen in de inborst van de mens. De 
ene wendt zich tot het zintuiglijk-fysieke bestaan, de andere 
is ontvankelijk voor de openbaring van het geestelijke, om dit
 met gevoel, met het gemoed, doch zonder aanschouwing, te door
dringen.
De aanleg tot deze tweespalt in de ziel bestond reeds, 
toen de leer van de Christus in het gebied van Europa door
drong. Men nam deze boodschap van de Geest in het hart op, 
doordrenkte de gevoelens en het gemoed ermee, maar vermocht geen brug te slaan tot hetgeen het op het zintuiglijk ervaarbare gerichte verstand uit het fysiek-zintuiglijke bestaan aan de dag
 bracht."

"Wat men tegenwoordig kent als tegenstelling tussen
 uiterlijke natuurwetenschappen en geestelijke kennis, is slechts een ge
volg van dit feit. De Christelijke mystiek (van Eckhart, Tau
ler, enz. ) is een resultaat van de doordringing van gevoel
 en gemoed met het Christendom. De louter op de zintuiglij
ke wereld gerichte natuurwetenschappen en hun resultaten in het leven
 zijn de gevolgen van de andere kant van de aanleg der ziel. Al
 wat op het gebied van de uiterlijke materiële cultuur tot stand 
is gebracht, is alleszins aan die scheiding in deze aanleg te dan
ken. Doordat die vermogens van de mens, welke de herse
nen als hun werktuig hebben, zich eenzijdig op het fysieke leven 
richtten, konden zij tot die intensivering komen, die de huidige natuurwetenschap, techniek enz. mogelijk maakte.
En alleen bij
 de volkeren van Europa kon de oorsprong van deze materiële
 cultuur liggen. Want zij zijn die nakomelingen van Atlanti
sche voorouders, die de drang naar de fysiek-zintuiglijke we
reld pas in vermogens hebben omgezet, toen deze drang een bepaal
de graad van rijpheid had verkregen. Voordien lieten zij die
 drang sluimeren, en leefden van de erfenis van de Atlantische helderziendheid en de mededelingen hunner ingewijden. Ter
wijl de geestesbeschaving uiterlijk alleen aan deze invloeden 
was gewijd, kwam geleidelijk aan de neiging tot materiële be
heersing van de wereld tot rijping."

[De huidige, Westerse beschaving is de vijfde na-Atlantische beschaving.] "Maar thans kondigt het morgenrood van het zesde na
-Atlantische beschavingstijdperk zich reeds aan. Want wat op
 een bepaalde tijd in de ontwikkeling van een beschaving moet
 ontstaan, komt geleidelijk tot rijping in de voorafgaande tijd. 
Wat zich thans in de aanvang reeds kan beginnen te ontwik
kelen, is het zoeken naar de band, die de twee kanten van de 
menselijke inborst verbindt: de natuurwetenschappen en de materiële cultuur, en het leven 
in de geestelijke wereld. Daartoe is het noodzakelijk dat aan
 de ene kant de uitkomsten van het geestelijke schouwen wor
den begrepen en aanvaard, en dat aan de andere kant in de waarnemingen 
en ervaringen van de zintuiglijke wereld de openbaringen
 van de geest worden onderkend. Het zesde beschavingstijdperk zal de overeenstemming tussen die twee tot volle ontwikkeling 
brengen."

Steiner beschrijft hier de verbinding die in de toekomst tot stand moet worden gebracht tussen de twee helften van de werkelijkheid, de geestelijke en de stoffelijke. Die verbinding beschrijf ik met vele voorbeelden in het boek Geestkunde, waarmee ik een brug wil slaan tussen de geestelijke en de stoffelijke wereld. Alleen daardoor kan er een einde komen aan de eenzijdig materialistische instelling van de natuurwetenschappen, die een even eenzijdige, materialistische Westerse cultuur tot gevolg heeft.







^