Israel In Ancient Egypt - Archaeological Proof

De archeologische bewijzen dat Israël in het oude Egypte verbleef

BBC-documentaire 'Wie was Mozes?' (2003) door Jean Claude Bragard voor Discovery Channel
Dit is een samenvatting van de gesproken tekst van deze documentaire: https://youtu.be/IwnrjU67Dag

Inhoud

Inleiding
1. Tot voor kort nog geen archeologische sporen gevonden
2. Schrifttekens in de grotten van Serabit el-Chadim
3. Het bouwen van de voorraad-steden Pithom en Ramses
4. Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren
5. Mozes en de tien plagen
6. De vulkaanuitbarsting van Santorini
7. De doorgang door de rietzee ('Rode Zee')
8. De vondsten rondom de Karkomberg
9. Naam 'Israël' op de stele van Merenptah

Het artikel in Wikipedia over Mozes
De etymologie van de naam Mozes
Mozes leven: zijn jeugd
Vluchteling
Terug naar Egypte, de plagen en uittocht
Tocht door de woestijn, de Tien Geboden
Datering
Historiciteit
Mozes in de apocriefen en Nieuwe Testament
Andere bronnen over Mozes

Inleiding
Aan de hand van de meest recente archeologische bewijzen uit de paardenstallen van Ramses ll tot weinig bekende, oude Egyptische teksten, tonen egyptologen en bijbelarcheologen aan dat Israël als volk wel degelijk aanwezig is geweest in het oude Egypte.

terug naar de Inhoud

1. Tot voor kort nog geen archeologische sporen gevonden
De uittocht uit Egypte, zoals beschreven in het bijbelboek Exodus, is één van de grondslagen van het joodse geloof. Al een eeuw is men op zoek naar bewijs dat het joodse volk in Egypte was en daar uit vertrok. Volgens Exodus trokken 600.000 joodse mannen 40 jaar lang door de woestijn. Dat moet sporen hebben achtergelaten, maar ze waren tot voor kort nooit gevonden.
Dr. Rolf Krauss, egyptoloog, Aegyptisches Museum, Berlin. Na 150 jaar zoeken zijn er geen sporen gevonden van de aanwezigheid van het joodse volk in Egypte. Als die niet worden gevonden, dan wordt het bestaan van Mozes, de uittocht uit Egypte en de Tien Geboden, twijfelachtig. Volgens sommige egyptologen zijn deze verhalen tussen de 7e tot 3e eeuw v.Chr. door joodse theologen opgeschreven als het boek Exodus in de Thora. Maar het ontbreken van sporen zou ook kunnen liggen aan de uitgestrektheid van bijvoorbeeld de Sinaï-woestijn.

terug naar de Inhoud

2. Schrifttekens in de grotten van Serabit el-Chadim
Een van de plaatsen waar veel onderzoek wordt gedaan is de berg Serabit el-Chadim.
Prof. James Hoffmeier, egyptoloog, Wheaton Coolege, Illinois, onderzoekt de vele grotten in de berg, die in feite mijnen zijn, waar de halfedelsteen turkoois werd gevonden. In de mijnen werkten Egyptische slaven, maar sommigen waren semieten, ook Hebreeërs, want - naast andere talen - zijn sommige inscripties op de wanden in hun proto-hebreeuwse taal.

Er staat bijvoorbeeld in die taal 'el alah': eeuwige god. Dit was de eerste aanwijzing dat het joodse volk in Egypte was en ook dat zij over een schrift beschikten.

terug naar de Inhoud

3. Het bouwen van de voorraad-steden Pithom en Ramses
Volgens de Bijbel woonden zij in de Nijldelta, waar het volk zodanig in aantal toenam, dat de pharao zich daarover zorgen maakte, Exodus 1:9. Hij besloot de Hebreeën tot slaven te maken, Ex. 1:14. Zij moesten bakstenen maken van modder en stro, die in de zon werden gedroogd (adobe).


Deze gebeurtenissen werden weliswaar pas veel later in Jeruzalem opgeschreven in de Torah, maar de schrijvers gebruikten daarbij woorden en beschreven technieken, die zij in het Jeruzalem van hun tijd niet kunnen hebben gekend.

Het volk moest met die stenen de voorraad-steden Pithom en Ramses bouwen, Ex. 1:11. Deze steden bestaan nu niet meer. Maar er was een pharao, Ramses de 2e, die regeerde tussen 1290 en 1224 v.Chr., die een stad in de delta liet bouwen: het Huis van Ramses.

In de dertiger jaren van de vorige eeuw werden er in het nood-oosten van de delta opgravingen gedaan in de stad Tanis, waar men veel beelden en inscripties vond. Kon dit de bewuste stad zijn? De inscripties beschreven Ramses de 2e. Maar de stad werd gesticht in 1100 v.Chr. en de Hebreeën hadden Egypte toen al verlaten.

Het bleek echter dat in de 12e eeuw v.Chr. er in de delta een rivierarm van de Nijl is geweest, die later is drooggevallen. Waar de rivier moet hebben gestroomd, 100 km ten Zuiden van Tanis, werden inderdaad de resten gevonden van een tempel, gewijd aan Ramses de 2e.

Bij verdere opgravingen op die plaats werden in een groot gebied de fundamenten van tempels en voorraadschuren gevonden. Het bleek de plaats te zijn waar in het verre verleden de stad Avaris had gelegen, die later de naam Huis van Ramses kreeg.
De joodse geleerden die vele eeuwen later Exodus op schrift stelden, beschikten blijkbaar over een historische kennis over een stad, die in hun tijd al vele eeuwen daarvoor was verlaten en verplaatst naar Tanis. Hun kennis moet van generatie op generatie in het joodse volk zijn doorgegeven.

terug naar de Inhoud

4. Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren
Het joodse volk bleef echter vruchtbaar en zij vermenigvuldigde zich. De pharao beval daarom dat pasgeboren jongetjes moesten worden gedood. Een van de moeders legde haar jongetje in een mand en bracht die naar de Nijl. De dochter van de pharao vond het kind en voedde het op in het paleis. Bij de beschrijving van die gebeurtenis werden door de joodse geleerden woorden gebruikt uit de Egyptische taal, zoals het woord voor 'riet': suph, dat ook in het Hebreeuws is overgenomen. Datzelfde is het geval met andere woorden, zoals de Nijl en rivieroever. Zelfs de naam 'Mozes' is Egyptisch, met de betekenis: 'een die is geboren'. (In Babylon kende men weliswaar ook zo'n verhaal, maar het gebruik van Egyptische woorden laat zien, dat dit niet van de Babyloniërs is overgenomen.)
Mozes groeide op aan het hof van de pharao en werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren, maar vergat zijn afkomst niet. Op een dag zag hij dat een Egyptische opzichter een Hebreeër sloeg, waarop Mozes de man doodde. Hij vluchtte daarop naar de woestijn, waar hij voor het eerst door Jahweh werd benaderd. Mozes gehoorzaamde Jahweh en werd zijn profeet, die het Hebreeuwse volk uit de Egyptische slavernij bevrijdde.

terug naar de Inhoud

5. Mozes en de tien plagen
Mozes keerde naar Egypte terug en drong er bij de pharao op aan het Hebreeuwse volk te laten gaan, maar die weigerde; daarop kwamen er tien plagen over Egypte.
Deze plagen kunnen een natuurlijke oorzaak hebben gehad, maar het bijzondere was dat zij in verband met de verzoeken van Mozes op het juiste tijdstip over Egypte kwamen. Zij kunnen bijvoorbeeld hebben samengehangen met de jaarlijkse overstromingen door de Nijl, zoals de grote aantallen kikkers en vliegen, en andere natuurlijke oorzaken hebben gehad.
Die oorzaken verstoorden het natuurlijke evenwicht in de Egyptische natuur en traden juist in die tijd op, zoals de drie dagen duisternis. Daarna hagelde het en kwam de kikkerplaag, en stierf het vee. De pharao liet toen de Hebreeën gaan.
Juist in die tijd was er - onzichtbaar voor de Egyptenaren - een enorme vulkaanuitbarsting op het Griekse eiland Santorini. Alleen de rand van het eiland is blijven staan.

terug naar de Inhoud

6. De vulkaanuitbarsting van Santorini
Prof. Christos Doumas, Universiteit van Athene, is de leider van opgravingen op Santorini, waar dorpen onder dikke lagen vulkaanas en uitgeworpen puin worden gevonden. De uitbarsting moet een van de grootste van de laatste tienduizend jaar zijn geweest.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de as van de uitbarsting door de wind in de richting van Egypte dreef, volgens prof. Hans Goedicke, egyptoloog, Johns Hopkins University, Baltimore. As en uitgeworpen puin is op de zeebodem teruggevonden, in de richting van Egypte.
Na overleg met collega prof. Daniel Stanley, Smithonian Institution, Washington, D.C., ging deze naar de Nijldelta en nam bodemmonsters, die hij geologisch onderzocht. In de monsters vond hij een laag vulkaanas, die hij kon terugleiden naar de uitbarsting van Santorini. De hoeveelheden waren zodanig dat hij de dagenlange duisternis en het neerkomen van enorme hoeveelheden vulkaanas en stenen in Egypte, aannemelijk achtte.
In een tempel in Karnak, in Luxor (Zuid-Egypte) is een inscriptie gevonden, die deze gebeurtenis beschrijft. De datum is 1538 v.Chr. in dezelfde tijd als de uitbarsting op Santorini.

terug naar de Inhoud

7. De doorgang door de rietzee
Toen het joodse volk toestemming kreeg en uit Egypte vertrok, veranderde de pharao daarna van gedachten. Met 600 strijdwagens ging hij achter het volk aan. Zeshonderd strijdwagens lijkt een overdrijving, maar een archeologisch onderzoek o.l.v. dr. Edgar Pusch, leider van de opgravingen in Qantir (op de plaats van het oude Huis van Ramses), in de Nijldelta, vond inderdaad een Egyptische kazerne met voldoende ruimte en paardenstallen voor 500 strijdwagens.


Het volk kwam voor een zee stil te staan, met het Egyptische leger achter zich aan. In Exodus wordt dan beschreven dat Jehweh een sterke oostenwind liet opsteken, waardoor het water week en de zee droog kwam te liggen; dat gaf het volk de gelegenheid de overkant te bereiken. Daar hief Mozes zijn hand op, waarna het water terugkeerde en het Egyptische leger overspoelde.
Deze gebeurtenis vond niet plaats bij de Rode Zee, die veel te diep is, maar bij de Rietzee. In de originele Hebreeuwse tekst staat dat zij de 'yam suph' of Rietzee doortrokken. Bij de vertaling naar het Grieks (in de Septuaginta) is het woord 'suph' verkeerd vertaald met 'rood'.

In de Nijldelta bevinden zich vele meren, die door kreken in verbinding staan met de Middellandse Zee. Zij zijn alle door riet omgeven - een 'rietzee'.
Dat het water zich eerst terugtrok - waardoor het volk de gelegenheid kreeg de overkant te bereiken - en even later verwoestend weer terugkwam en daarbij het Egyptische leger liet verdrinken, heeft te maken met de vulkaanuitbarsting op Santorini en de daardoor ontstane vloedgolf (tsunami).


Op de eilanden rondom Santorini is - door onderzoek van dr. Colin MacDonald, British School of Argaeology, Athens - op grote hoogte boven de zeespiegel puimsteen gevonden, door de vulkaan uitgestoten en door de vloedgolf daar afgezet. Puimsteen drijft op water en is door de vloedgolf op de eilanden achtergelaten. Ditzelfde puimsteen is ook in de Nijldelta teruggevonden, dat door de vloedgolf daar was aangespoeld.
De trotse Egyptenaren hebben geen melding gemaakt van hun nederlaag. Wel is er in een tempel een inscriptie uit die tijd gevonden met daarop de tekst:
"Toen ik, pharao, de vreemdelingen liet gaan, liet de (zee)god Nun hun voetstappen uitwissen door het kwade water, dat onverwachts vanuit de zee opzette."

terug naar de Inhoud

8. De archeologische vondsten rondom de Karkomberg
Er is altijd gedacht dat de berg van God de Sinaïberg zou zijn geweest in het zuiden van de woestijn - maar niet iedereen is daarvan overtuigd. Een andere berg heeft de wetenschappelijke belangstelling getrokken: de Karkomberg in het noord-oosten van de Sinaïwoestijn. Het is een plateau op 800 m hoogte.
In het Hebreeuws heet deze berg 'Horeb': Berg van God (Ex. 3:1).


Na de uittocht begon het joodse volk aan hun tocht door de Sinaïwoestijn. In de derde maand op de derde dag bereikten zij de berg van Jahweh, Horeb →, waar Jahweh Mozes naar boven liet komen om hem de Tien Geboden te geven. Onderaan de berg richtte Mozes daarna twaalf stenen op voor de twaalf stammen van Israël (afbeelding links onder).

De berg en de omgeving ervan worden onderzocht door prof. Emmanuel Anati, Universiteit van Lecce, Italië. Hij vond daar alle voorwerpen, die in Exodus worden beschreven. De berg wordt omgeven door kringen van opgerichte stenen. Aan de voet van de berg is een altaar gevonden van twaalf opgerichte stenen, terwijl er omheen resten zijn gevonden van een kamp.

Ook vond men boven op de berg een inscriptie, die naar de Tien Geboden verwijst. De inscriptie is opgebouwd met tien vierkantjes, terwijl van het Hebreeuwse schrift bekend is, dat de letters binnen een vierkant passen.

Mozes voldeed aan de buitengewone opdracht die hij van Jahweh had gekregen: hij leidde het volk Israël uit Egypte, maakte met hen een tocht van veertig jaar door de Sinaï-woestijn en bracht hen naar Kanaän, maar overleed op de berg Nebo in het zicht van het beloofde land.
Waarschijnlijk heeft juist de opleiding die hij aan het hof van de pharao kreeg, hem geschikt gemaakt als leider om de Israëlieten uit Egypte te bevrijden. In pharao's paleis was een 'Koninklijke School', waar schrijven en lezen werden onderwezen; dat maakte van Mozes een hoog ontwikkeld mens, "onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren".

Er zijn nu zoveel archeologische aanwijzingen gevonden dat in ieder geval kan worden vastgesteld, dat (1) het volk Israël in de Oudheid in Egypte heeft gewoond, (2) daaruit door Mozes is bevrijd en (3) een tocht door de Sinaïwoestijn heeft gemaakt op weg naar het beloofde land: Kanaän.

Alleen zijn de vondsten rond de Karkomberg gedateerd op 2000 v.Chr., wat niet met de andere data overeenkomt: de uitbarsting op Santorini was in de 16e eeuw v.Chr. en het bouwen van de steden Pithom en Huis van Ramses in de 13e eeuw v.Chr.
Dat er nog veel onduidelijkheden zijn omtrent Mozes en het tijdstip dat hij heeft geleefd, wordt ook duidelijk in het stuk dat over hem op Wikipedia is verschenen.

terug naar de Inhoud

terug naar het Hebreeuwse alfabet


9. De naam 'Israël' op de stele van farao Merenptah

Op de stele van farao Merenptah wordt de naam Israël vermeld.
Bron: Expedition Bible video: https://youtu.be/4z9V-44cLpQ?si=EvoNrWEoMtiA3omb
Door archeoloog Joel P. Kramer

W.M. Flinders Petrie, archeoloog, shreef het boek: 'Seventy Years in Archeology'.
In 1896 ontdekte Flinders Petrie de Merenptah-stele van drie meter hoog en anderhalve meter breed, met aan beide zijden inscripties. Wat deze vondst zo belangrijk maakt, is de ontdekking erop van één enkel woord: 'Isirar' of 'Israël' in de vorm van hiëroglyfen.
De ontdekking vond plaats in Luxor, in de tempel van Merenptah. Merenptah, (soms ook Merneptah) was de 4e Egyptische farao uit de 19e dynastie. Hij regeerde van (ca.) 1224 tot 1214 v.Chr.

Op de stele staat: "... de koninkrijken Kanaän is geplunderd, Askelon is veroverd, Gezer en Yanoam bestaan niet meer, Israël (zonder koning) is verwoest…" en inderdaad had Israël in die tijd geen koning. In Richteren 18:6 verwijzend naar die tijd staat: "Er was geen machthebber in het land die iemand om enige zaak lastigviel."


terug naar de Inhoud

terug naar het Hebreeuwse alfabet


Het artikel over Mozes in Wikipedia
Mozes (Hebreeuws: מֹשֶׁה Mosje, Oudgrieks: Μωυσῆς Mōysēs of Μωσῆς Mōsēs, Latijn: Moyses of Moses, Arabisch: Moesa) was volgens de Tenach de grootste profeet.[1] De Hebreeuwse Bijbel beschrijft hem als de leider van de Israëlieten bij de uittocht uit Egypte en tijdens de doortocht door de woestijn tot aan de grenzen van Kanaän. Traditioneel worden aan Mozes ook de eerste vijf Bijbelboeken toegeschreven (de Thora), waardoor de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd. Ook Psalm 90 wordt aan Mozes toegeschreven.
Volgens de Koran is Mozes een boodschapper en profeet.

terug naar de Inhoud

De etymologie van de naam Mozes
De naam Mozes werd afgeleid van het Egyptische werkwoord mś / mśj ('dragen'). Het is een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis 'geboren uit Thot', waarbij het element dat de god benoemt, is weggevallen en betekent dus letterlijk: "geboren uit [een naamloze god]". In de Hebreeuwse Bijbel is de herinnering aan de Egyptische herkomst van de naam overgeleverd in het verhaal waarin de dochter van de farao het kind een naam geeft, waarbij haar een etymologie in de mond wordt gelegd die teruggaat op de Hebreeuwse stam mšh ('uittrekken'): "ik heb hem uit het water gehaald".[2]
Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een dochter van de farao kennis van Hebreeuwse etymologie zou hebben; mogelijk berust deze herkomst op een legende. Bovendien kan objectief worden vastgesteld dat de context strijdig is met deze etymologische herleiding, die een passieve vorm van het werkwoord mšh is, die de betekenis "die [er]uit getrokken werd" doet verwachten. Ook werd Mozes nergens aangeduid met de uit de morfologie volgende betekenis 'de [er]uit trekkende'.[3][4]

terug naar de Inhoud

Mozes leven: zijn jeugd
Mozes' biografie begint tijdens de onderdrukking van de Israëlieten in Egypte, namelijk met de verplichte herendienst aan de farao om de steden Pitom en Raämses te bouwen.[5] De farao schrok echter van de opstandigheid en vermenigvuldiging van de Israëlieten[6] en gebood twee Hebreeuwse vroedvrouwen de mannelijke pasgeborenen van zijn slaven te doden. Zij negeerden dit bevel, waarna farao "heel zijn volk ... bevel [gaf] om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien."[7] In deze context vonden de geboorte en redding van Mozes plaats, kind (onwettig volgens Schmid[8]) van een man en vrouw uit de stam Levi - deze anonieme ouders werden later geïdentificeerd als Amram en diens tante Jochebed.[9]
Het mooie kind werd eerst in huis verborgen, maar toen dit niet langer geheim kon worden gehouden, legde zijn moeder hem in een mandje van papyrus (de ark van Mozes) tussen het riet langs de oever van de Nijl,[10] waar hij uitgerekend door de dochter van de farao die de kindermoord had bevolen, werd ontdekt en gered. Zonder aarzelen aanvaardde deze prinses de raad van een haar onbekend meisje dat 'toevallig' in de buurt stond toen zij het kind vond - een meisje dat de zuster van het kind bleek, later als Mirjam geïntroduceerd[11] - en bracht zij het kind onder bij een voedster die niemand anders bleek te zijn dan de moeder van het kind.[12] Nadat hij was gespeend en zijn naam Mozes kreeg, groeide hij op aan het Egyptische hof.[2]

terug naar de Inhoud

Vluchteling
"Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op." Hij doodde een Egyptenaar die een Hebreeër sloeg. "Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao"[13] en kwam in Midjan, het noordelijke deel van het Arabische schiereiland. Hier trouwde Mozes met Sippora, de dochter van de lokale priester Reüel.[14] Hun gemeenschappelijke zonen heetten Gersom[15] en Eliëzer.[16]
Maar vóór alles is Midjan het vertrekpunt van Mozes' roeping in het verhaal over de brandende doornstruik. Hierin openbaart zich een voorheen anonieme godheid als de God JHWH, die het geweeklaag van Zijn volk had gehoord en zei de horige Israëlieten onder Mozes uit Egypte te bevrijden en naar een goed land te voeren. Toen Mozes aarzelde en in het vooruitzicht op onderhandelingen met de farao wees op zijn gebrekkige talent als woordvoerder, werd zijn broer Aäron aan hem toegevoegd als 'mond'.[17]

terug naar de Inhoud

Terug naar Egypte, de tien plagen en uittocht uit Egypte
Hierna keerden Mozes en zijn gezin terug naar Egypte en begon hij met zijn opdracht.[18] Er ontwikkelde zich een zware strijd tussen Mozes, Aäron en de Israëlieten aan de ene en farao en zijn hof aan de andere kant. Uiteindelijk bracht de laatste van tien plagen, de dood van alle eerstgeborenen in de Pesachnacht, de farao eindelijk op de knieën om de Israëlieten te laten gaan.[19] Toen de farao over de uittocht van zijn horigen werd bericht, bedacht hij zich weer en zette de achtervolging in.
Bij de Schelfzee (Rode Zee) bereikten de achtervolgers de Israëlieten, die hierop in paniek raakten. Maar Mozes zegde hen de hulp van JHWH toe en door een wonder verschafte Hij een doorgang door de zee door deze te splijten. De Israëlieten konden over de droge bodem van de zee naar de vrijheid lopen, maar toen de Egyptenaren hen achtervolgden, sloot de zee zich weer en de farao kwam samen met zijn strijdkrachten om het leven.[20]

terug naar de Inhoud

Tocht door de woestijn en de Tien Geboden
Na deze overwinning bij de Schelfzee reisden de Israëlieten onder leiding van Mozes verder door de Sinaïwoestijn. Al snel kwam het tot conflicten, mede omdat proviand en drinkwater ontbraken. Mozes bad op verzoek van zijn volk tot JHWH, die hen voedde met manna en kwartels.[21] De volgende uitdaging was het strijdbare woestijnvolk van de Amalekieten, die militair door Jozua en door Mozes door zijn gebed werden verslagen.[22] Uiteindelijk bereikten zij de Sinaïberg, de plaats van de fundamentele openbaring van God.
De Sinaïperikoop begint met de door Mozes overgebrachte belofte van de god JHWH, dat Israël een koninkrijk van priesters zou worden, een heilig volk, zo lang zij zich aan Zijn verbond hielden.[23] Na de bekendmaking van de Tien Geboden[24] en het verbondsboek[25], kwam het tot een verbond. Hierna volgden de Sinaïtische heiligdomswetten,[26] waarvan de bekendmaking werd onderbroken door de gebeurtenissen rondom het gouden kalf: terwijl Mozes op de berg bij God was, overtrad het volk onder Aärons leiding het verbod op het aanbidden van vreemde goden en beelden.[27] Toen Mozes het lawaai van de om het beeld dansende mensen hoorde, daalde hij van de berg af en smeet hij de stenen tabletten waarop de tien geboden van JHWH waren geschreven aan stukken. Nog groter was de toorn van JHWH, maar het lukte Mozes met een indringende smeekbede namens het volk JHWH ervan te weerhouden het verbond met Zijn volk op te geven.[28]
Van de Sinaï leidde Mozes het volk via de oase Kadesh Barnea naar de grens van het Beloofde Land. Maar vanwege de toenmalige zonden van het volk[29] moesten Mozes en de Israëlieten in totaal 40 jaar door de woestijn trekken, totdat zij in het gebied van de Moabieten kwamen, waar ze aan de Jordaan hun kampen opsloegen tegenover Jericho.

Dood
Bij Jericho hield Mozes zijn afscheidsrede. Hierna gaf JHWH hem opdracht de Neboberg te beklimmen. Vanaf die berg toonde JHWH Mozes het Beloofde Land. Hier stierf Mozes op een leeftijd van 120 jaar en werd door JHWH op een onbekende plaats begraven.[30]

terug naar de Inhoud

Datering
1 Koningen 6:1 geeft een datering voor Mozes' leven. Hierin staat dat de tempel van Salomo 480 jaar na uittocht uit Egypte werd gebouwd, die hierdoor op rond 1430 v.Chr. kan worden gedateerd, toen Mozes 80 jaar oud was.[31] Deze datering verhoudt zich niet tot de vermelding dat de Egyptenaren de Israëlieten gebruikten voor de bouw van de 'voorraadsteden' Pitom en Raämses.[5] Dat laatste pleit voor een identificatie van de farao Ramses II (1279-1213 v.Chr.).
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de tijd waarover wordt geschreven en waarin deze wordt beschreven, dat wil zeggen de tijd waarin de vertellingen van Mozes werden geboekstaafd. Dit is een omstreden punt in het onderzoek naar de Pentateuch. In het model van de documentaire hypothese wordt de oudste schriftelijke bron over Mozes, de zogenoemde Jahwist, gedateerd op de 10e eeuw v.Chr.[3][32][33] Andere theorieën die zich niet op dit model baseren, denken tegenwoordig eerder aan een ontstaan rond de 8e eeuw v.Chr.[34][35][36] of nog recenter.[37][38]
Hoe dan ook zal een aanzienlijke kloof in tijd moeten worden geaccepteerd tussen de beschreven 'gebeurtenissen' en een nauwelijks nog gereconstrueerde mondelinge en schriftelijke overlevering.[32][37][38]

terug naar de Inhoud

Historiciteit
Als het gaat om de historiciteit van Mozes, gaat het vóór alles om het vraagstuk van de bronnen en hun historische waarde. Over Mozes wordt alleen gesproken in de Hebreeuwse Bijbel en daarvan afhankelijke overleveringen. Voor deze bronnen is Mozes de centrale figuur in de klassieke heilsgeschiedenis van Israël en onlosmakelijk verbonden met (1) de uittocht uit Egypte, (2) de tocht door de woestijn en (3) het bekendmaken van de wil van JHWH op de berg Gods (de Tien Geboden).

Op basis van het Bijbelse verslag over Mozes, zijn in het jodendom en christendom diverse beelden ontwikkeld, maar traditioneel is het van wetgever, degene die Israël de wil van de enige God JHWH heeft verkondigd en in de Thora vastgelegd. Dit traditionele beeld heeft na historisch onderzoek geen stand kunnen houden.[40] In de eerste plaats heeft onderzoek van de Pentateuch uitgewezen dat het ontstaan van Deuteronomium samenhing met de hervormingen die koning Josia in de late koningstijd doorvoerde en plaatst de definitieve versie in periode van of na de Babylonische ballingschap (zie ook Documentaire hypothese). Maar ook de tien geboden[24], waarbij langere tijd aan een mozaïsche afkomst kon worden vastgehouden, en andere oudere wetsteksten, zoals het verbondsboek[25], gaan niet op Mozes terug. Het verbondsboek is waarschijnlijk in de 8e eeuw v.Chr. ontstaan. De tien geboden passen in de intellectuele context van Deuteronomium en de eraan aanverwante (deuteronomistische) teksten. Daarmee heeft de traditionele karakterisering van Mozes als wetgever geen grondslag meer, ze verwijst veeleer naar een beeld van hem dat in een later tijdperk ontstond, maar niet vanaf het eerste ontstaan van de Hebreeuwse Bijbel al bestond.

Maar ook het beeld van de charismatische redder en leider van de uittocht ligt in het duister van de geschiedenis. Dat is niet verwonderlijk: het nog tastbare ontstaan van het traditionele verhaal over de uittocht onder Mozes ligt rond het einde van de 8e eeuw v.Chr. Als we aannemen dat Ramses II de onderdrukkende farao was die werd ontvlucht (1279-1213 v. Chr.), ligt dat dus direct 600 jaar voor het ontstaan van het geschreven verhaal. In orale tradities is het oorspronkelijke verhaal al na ongeveer vier generaties onherkenbaar opgegaan in de vertelling van dat moment.
Hoezeer Mozes in historische onzekerheid en legende is overgegaan, blijkt duidelijk uit het verhaal over zijn begraafplaats en geboortevertelling. In de regel zijn begraafplaatsen vaste plekken in het doorgeven van een traditie. Maar als het gaat om Mozes' graf, wordt gezegd: "Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is",[41] wat andere overleveringen er niet van heeft weerhouden het graf te lokaliseren aan de rand van de woestijn van Judea, ongeveer acht kilometer ten zuiden van Jericho, in het westjordaanse Nebī Mūsā, waar een 13e-eeuwse koepel als schrijn is gebouwd over het vermeende graf van Mozes.

Het geboorteverhaal van Mozes is gebaseerd op de tussen 2235 en 2180 v. Chr. heersende Sargon van Akkad.[42] De overeenkomsten tussen beide verhalen zijn frappant[43]: beide moeders moesten afstand doen van hun kind om het te redden; beide moeders legden het kind in een biezen mandje, dat ze met pek afdichtten en aan de oever van een rivier neerlegden; beide kinderen werden bij toeval gevonden en door degene die ze vond opgevoed. En uiteraard hadden beide kinderen een grote toekomst voor zich, waarbij ze het lot van hun volk bepaalden. Dit soort details maken toevallige overeenkomsten buitengewoon onwaarschijnlijk en weerspreken de aanname dat beide verhalen teruggaan op een archetypisch motief in vondelingverhalen. Men mag integendeel aannemen dat de auteur van dit verhaal in de Hebreeuwse Bijbel het in Nieuw-Assyrië wijdverbreide verhaal kende. Dit pleit voor een redactie in de 8e eeuw v.Chr. toen Juda en Israël sterk werden beïnvloed door het Nieuw-Assyrische Rijk.[35][43][44]

De historische informatie over Mozes in de Bijbel is dus heel beperkt en indirect.[45] Zo zijn daar zijn Egyptische naam, zijn familiebanden met Midjan en de relatie die in de late koningstijd werd gelegd tussen hem en de voorwerpen voor de cultus in Jeruzalem, zoals de koperen slang Nehushtan. Dat dit later bedacht zou zijn, kan om kritische redenen worden uitgesloten: het is eenvoudig onbegrijpelijk dat de traditie de grondlegger van het ware Israël uitgerekend een Egyptische naam gaf.
Bovendien duidt de schrijfwijze van de naam op een heel oude vorm, want de Hebreeuwse weergave van de Egyptische 'š' als שׁ in plaats van ס ('s') weerspiegelt de fonetiek van het 2e millennium v.Chr. Natuurlijk zegt deze naam in het licht van de enorme invloed van Egypte op de Levant in het 2e millennium v.Chr. niets over een Egyptische afkomst van Mozes of sluit dat een rol in de uittocht uit. Egyptische namen waren destijds ook in Palestina geen uitzondering.

Net als Mozes' naam was ook zijn huwelijk met de dochter van een buitenlandse priester in strijd met latere godsdienstige zeden. Daarnaast bevinden de zware conflicten tussen de Midjanieten en de Midden-Israëlitische stammen zich in het collectieve geheugen van Israël.[46] Dus moet hier vanuit kritische overwegingen rekening worden gehouden met een historische weerklank. Het verband met de Midjanieten wijst geografisch op een gebied tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba. Een verband met gebeurtenissen inzake een vlucht uit Egypte is daardoor op zijn minst niet uitgesloten, want bij een vlucht van Egypte naar Palestina zou het vermijden van de bewaakte kustwegen automatisch leiden over het grondgebied van de Midjanieten.
Bovendien lijkt het erop dat in de late koningstijd in Jeruzalem een tegenbeweging was tegen de cultus rondom een slang waarvan het ontstaan op Mozes lijkt te kunnen worden teruggevoerd.[47] Het ontstaan en verering van de Nehushtan zijn in flagrante tegenspraak met de 'mozaïsche' Thora.[48] Een later ontstaan schijnt ook in dit geval uitgesloten, aangezien de Bijbelse traditie alleen vermeldt dat de vrome koning Hizkia deze (vanuit deuteronomistisch gezichtspunt) onwelvoeglijkheid tot een einde bracht.
Al het andere in de Bijbelse biografie van Mozes is niet aantoonbaar historisch en op zijn hoogst te beschouwen als binnen het domein van wat historisch mogelijk zou kunnen zijn - afgezien van de vrijwel onmogelijk te beantwoorden vraag of de historische gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan het Bijbelse verhaal van de uittocht uit Egypte historisch op de een of andere manier in verband kunnen worden gebracht met de persoon Mozes. Tot de historische mogelijkheden behoort de ook in bronnen van het Egyptische Nieuwe Rijk vastgelegde opname en indiensttreding van Semitische stammen in Egypte (zoals in de 'Brief van een Egyptische grensbeambte' uit de vroege 12e eeuw v.Chr.),[49][50] zoals deze ook in de beschrijving van Israëls onderdrukking in Egypte terugkomt.

Historisch zijn ook in Exodus 1:11 genoemde 'voorraadsteden' Pitom en Raämses. Het gaat hierbij om een onder Ramses II aangelegd paleispark in de buurt van het huidige Qantir. Bijgevolg zou Ramses II de onderdrukkende farao zijn. Als farao van de uittocht en tegenspeler van Mozes kan dus worden gedacht aan Ramses II, maar ook aan Merenptah (1224-1204 v. Chr.). Maar zelfs als deze plaatsnamen waren gekozen om een verband te leggen met bepaalde Egyptische heersers - die volgens de algemeen geaccepteerde chronologie in aanmerking komen een rol te kunnen hebben gespeeld als historische protagonist in de gebeurtenissen die worden verhaald in Exodus 1-15 - uit de beschrijving van de onderdrukking in Exodus 1:8-14 blijkt dat het niet om een bron uit de beschreven periode gaat. Anders dan bij de spelling van de naam Mozes wordt de Egyptische 'š' hierin namelijk in het Hebreeuws weergegeven als ס ('s') in plaats van als שׁ. In tegenstelling tot de naam Mozes is dit een fonetische weergave uit het 1e millennium v.Chr. Dit geldt ook voor de gebruikte term voor de voorraadschuren in Exodus 1:11, namelijk miskənôt. Dit is een Akkadisch leenwoord in het Hebreeuws, wat duidt op auteurs uit de 8e eeuw v.Chr. of nog later.[51] Bovendien was de term Raämses ("stad van Ramses") in het 1e millennium v.Chr. een wijdverbreide troop.

terug naar de Inhoud

Mozes in de apocriefen en het Nieuwe Testament
Mozes komt ook in diverse apocriefe werken voor, waarvan sommige ideeën daarin hun weg hebben gevonden naar canonieke werken in het Nieuwe Testament. Zo is de twist tussen de aartsengel Michaël en de duivel over Mozes' lichaam in Judas 9 volgens Origenes te herleiden tot het apocriefe werk 'Hemelvaart van Mozes' (Ἀνάληψις Μωυσέως, Analepsis Mōyseōs).[52] Het is onduidelijk of dit werk hetzelfde is als het werk dat Athanasius noemde dat in het Nederlands ook vertaald kan worden als 'Hemelvaart van Mozes', maar in het Oudgrieks wordt aangeduid als Ἀνάβασις Μωυσέως, Anabasis Mōyseōs.
Mozes en de gedaanteverandering van Jezus
De traditie over een hemelvaart van Mozes was mogelijk ook de reden dat Mozes werd genoemd in het verhaal over de gedaanteverandering van Jezus.[53] In dit verhaal verschenen Mozes en Elia naast Jezus. Over Elia wordt in de Hebreeuwse Bijbel vermeld dat hij werd "meegevoerd naar de hemel",[54] wat in sommige apocriefe werken[55] en door Josephus ook werd gezegd over Mozes, waarbij hij de tegenstelling opmerkt met de vermelding in "de heilige boeken" dat Mozes stierf.[56] Hierin werd ook beschreven dat Mozes werd omhuld door een wolk, op dezelfde wijze als dit wordt genoemd in het Evangelie volgens Lucas inzake de gedaanteverandering van Jezus.[57]
Origenes was de eerste die opmerkte dat in het verslag van de gedaanteverandering van Jezus met Mozes en Elia "de (mozaïsche) Wet en de Profeten" werden aangeduid.[58] Luther deelde dit en dacht dat zij werden genoemd om aan te geven dat de Wet en Profeten door Jezus zouden worden vervuld.[59] Johannes Chrysostomus noemde drie mogelijkheden waarom Mozes en Elia naast elkaar werden gezet. Naast hun vertegenwoordiging van de Wet en de Profeten, zou het kunnen zijn omdat Mozes dood was en Elia als nog levend werd beschouwd. Door hen beiden te noemen zou worden aangeduid dat God een God van de levenden en de doden was. De andere mogelijkheid die hij noemde was dat zij allen vertegenwoordigden die visioenen van God hadden gehad.[60]

Pseudepigraaf
Een pseudepigrafisch werk van Mozes is de 'Openbaring van Mozes', de Oudgriekse naam voor een Hebreeuwse groep werken die daarin 'Boek van Adam en Eva' wordt genoemd.

terug naar de Inhoud

Andere bronnen over Mozes
De oudste Griekse vermelding van Mozes werd gedaan door Hellanicus van Lesbos (6e eeuw v.Chr.) en Philochoros (c. 340 - 260 v.Chr.). Aan hun vermeldingen werd gerefereerd door Pseudo-Justinus de Martelaar (3e - 5e eeuw n.Chr.) die in zijn Vermaning aan de Grieken zegt dat 'degenen die de Atheense geschiedenis beschrijven, Hellanicus en Philochoros, de auteur van de Attische geschiedenis, ... Mozes hebben vermeld als een zeer oude en in de tijd gewaardeerde Egyptische vorst van de Joden.'[61]
Volgens de Romeinse historicus Strabo (c. 24 AD) was Mozes een Egyptische priester uit Beneden-Egypte, die vertrok naar "Judaea, omdat hij het oneens was met de toestand ter plaatse, en hij werd vergezeld van veel mensen die het Goddelijk Wezen vereerden". Hij beloofde een eredienst zonder beelden, maar in een sacraal gebied en met een waardig heiligdom. Dit was "waar thans de nederzetting van Jeruzalem is".[62]
Tacitus (ca. 100 AD) zei dat in zijn tijd de meeste schrijvers van mening waren dat Mozes in beeld kwam toen in Egypte een ziekte uitbrak en "koning Bocchoris, op zoek naar een remedie, het orakel van Hammon raadpleegde, en werd verzocht zijn rijk te zuiveren en dit door de goden veracht ras naar vreemd gebied uit te wijzen." Dit volk, dat verslagen in een woestijn werd achtergelaten, werd door "een van de bannelingen, Moyses genaamd", opgeroepen niet te verwachten door mensen of God te worden geholpen, maar hem te aanvaarden als leider. Hij leidde hen naar vruchtbaar gebied, "waar zij de inwoners van verdreven en waar zij een stad vestigden en een tempel."[63]
Flavius Josephus schrijft in zijn contra Apion over Manetho's Aegyptiaka ('geschiedenis van Egypte'). Manetho zou geschreven hebben dat koning Amenophis (zoon van Rhapses), de vader van Sethos (Rhamesses, Aigyptos) en Harmais (Danaos) het opnam tegen de voormalige priester van Heliopolis, Osarseph, later Mozes. Om 'de goden te zien' zou koning Amenophis, op advies van de profeet Amenophis, zoon van Paapis, het land hebben gezuiverd van lepralijders en 'onzuiveren' en ze hebben samengebracht ten oosten van de Nijl en laten werken in steengroeven. Maar omdat daar ook mishandelde, aan ziekte lijdende priesters bij waren, vreesde de profeet de wraak van de goden. Het geïsoleerde volk zou bondgenoten vinden in de eerder verbannen 'Herderkoningen' (Hyksos), die 511 jaren Egypte hadden geregeerd tot koning Misphragmouthosis en zijn zoon Thoummosis opstonden en hen uit de stad Avaris naar Syria (Judea) wisten te verbannen. De profeet zag dat de nieuwe coalitie 13 jaar over Egypte zou heersen en schreef het op. Daarna pleegde hij zelfmoord. De leider Mozes zocht inderdaad hulp bij deze Herders in Syria, die naar Avaris kwamen en het hele land innamen. Amenophis, bekend met de profetie, schuilde 13 jaar in het Ethiopische buurland, maar wist na het einde van die periode, samen met zijn zoon Sethos, de Herders en Mozes' volk te verslaan en tot de grenzen met Syria te verjagen.[64]

Mozes in de kunst
Op oude schilderijen wordt Mozes bijna altijd met hoorntjes afgebeeld (bijvoorbeeld duidelijk te zien in het schilderij van José de Ribera, bovenaan dit artikel). Dit is het gevolg van een foutieve vertaling van Exodus 34:29 uit het Hebreeuws. קרן, karan betekent zowel hoorn als (licht)straal (beide enkelvoud).[65]

Onderzoek naar de doortocht door de Rietzee

Hoe splitste Mozes de Rode Zee?
Scientias, 10-02-2020, Caroline Kraaijvanger

Nou: niet. Wetenschappers hebben één van de beroemdste wonderen uit het Oude Testament gereconstrueerd. Ze concluderen dat het wetenschappelijk gezien zeker mogelijk is, maar niet in de Rode Zee, zoals de bijbelvertaling suggereert. Met een beetje hulp van de computer en de Bijbel achterhaalden ze de echte locatie en hoe Mozes het 'deed'.
In Exodus 14 vers 21 en 22 staat: "Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de Heere de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand." Het is één van de beroemdste verhalen uit het Oude Testament en spreekt tot de verbeelding, want: hoe kan dat?

Oosten
Wetenschappers besloten het uit te zoeken en maakten een computermodel om het wonder 'te kraken'. Uit eerdere onderzoeken was al gebleken dat een sterke wind vanuit het noordwesten in staat was om het water te doen wijken. Hierdoor zou een lang rif ontstaan waarover Mozes samen met de Israëlieten kon ontsnappen. Het probleem is echter: daar is zoveel wind voor nodig dat een mens temidden van die natuurkracht geen stand houdt. "Bovendien beschrijft het boek Exodus een aantal mooie meteorologische details," voegt onderzoeker Carl Drews toe. Eén van die details is dat de wind uit het oosten kwam.

Niet in de Rode Zee
Drews nam die oostenwind als uitgangspunt en reconstrueerde de gebeurtenis op de computer. Hij ontdekte dat het zeker gebeurd kan zijn, maar dan niet op de plaats die door mensen al jarenlang als locatie van het wonder wordt aangewezen. Een oostenwind moet het water opzij kunnen duwen. Dat betekent dat deze wind het water over de volle lengte moet 'besturen'. Dat kan niet in de Rode Zee, want deze loopt van noord naar zuid.

Landbrug
Drews ontdekte echter een meertje aan het eind van de Nijl, dichtbij het huidige Port Said. Dit meer ligt helemaal goed en lijkt op basis van oude kaarten overeen te komen met het verhaal van Exodus. Sterker nog: de computermodellen geven aan dat het 'wonder' hier wetenschappelijk gezien heel goed mogelijk was. Een wind met een snelheid van zo'n 100 kilometer per uur was voldoende om het water naar het westen weg te duwen. Hierdoor ontstond in het midden een landbrug die zeker enige uren droog kon staan.

Yam suf
Dat klinkt als een prachtige verklaring, maar voelt als valsspelen. In de Bijbel staat immers duidelijk dat het om de Rode Zee en niet om de Nijldelta gaat. Toch? "Er is wat onduidelijkheid over het water dat ze overstaken," weet Drews. "In het Hebreeuws staat er 'yam suf'. Dat betekent letterlijk 'Zee van Riet'." En die omschrijving lijkt goed bij het door Drews aangewezen gebied te passen. Het meer was namelijk gevuld met papyrusriet. "Veel bijbelvertalingen vertalen 'yam suf' als Rode Zee," weet Drews. En zo burgerde de Rode Zee wellicht onterecht als locatie van dit wonder in.
Andere onderzoekers zijn voorzichtiger dan Drews. Zij menen dat andere locaties ook in aanmerking komen voor zo'n wonder. Ze moedigen de poging om het wonder te verklaren echter van harte aan.

Bronmateriaal:
"Moses' Red Sea parting explained by computer model" - news.discovery.com


terug naar het Hebreeuwse alfabet

terug naar het weblog







^