Is Jezus nedergedaald ter 'helle'(?)


Uit: Viktor Mohr, 'Das Wort', nr. 12, 1969
Overgenomen uit Nieuwsbrief Jakob Lorber Stichting, maart 2017

De vraag die wordt gesteld is: "De christelijke geloofsbelijdenis zegt dat Jezus Christus, de Zoon Gods, na Zijn kruisiging en graflegging in de geest 'naar de hel is afgedaald'. Wat voor betekenis zou deze gebeurtenis eigenlijk hebben gehad, aangezien de kerk immers leert dat de hel voor de daarin verblijvende geesten het oord van hun eeuwige verdoemenis is, van waaruit het niet mogelijk is te ontkomen en waar geen verlossing meer is?"
Dit is een heel belangrijke vraag, want inderdaad zijn deze twee uitspraken met elkaar in tegenspraak. Als 'vreselijke rechter' zou het verschijnen van Christus in de hel toch geen zin hebben gehad, omdat de daar aangekomen zielen toch al voor eeuwig verdoemd zijn, zoals de kerk beweert. Aan de andere kant zou Christus hun ook geen verlossing hebben mogen verkondigen, omdat Hij daarmee immers de 'goddelijke' wet van de eeuwige verdoemenis opgeheven zou hebben. Maar als dat werkelijk het geval was, dan zou de kerk op haar beurt deze harde, hoogst onchristelijke leer niet langer mogen volhouden. Kortom, dit is een heilloze, warrige toestand, die evenwel een ander gezicht krijgt, wanneer wij de enige(!) tekst in het Nieuwe Testament, waar dit punt van de catechismus op steunt, eens nauwkeuriger bekijken.

We vinden deze tekst in de eerste brief van Petrus, hoofdstuk 3:19-20: "... in de geest is Hij ook heengegaan en heeft gepredikt aan de geesten in de gevangenis, die eertijds niet geloofden dat God wachtte en geduld heeft gehad tot de tijd van Noach, toen men de ark gereed maakte..."
Moet dit vroegere ongeloof in de erbarmende liefde van God geboren uit de oude Semitische voorstelling van de strenge gerechtigheid Gods direct met het begrip 'hel' in de zin van het fundamentele kwaad geïdentificeerd worden? Drukt het woord 'gevangenis' niet eerder hun gevangen zitten in deze oude voorstelling uit? Zo gezien, kunnen wij het door Luther gebruikte woord gevangenis zonder meer aannemen. Andere Duitse vertalingen schrijven in plaats daarvan het woord 'kerker' en steunen daarbij op het analoge woord 'carcer' van de Latijnse Vulgatabijbel. Maar zelfs deze aanduiding drukt - zoals ieder woordenboek bewijst - in eerste instantie enkel het begrip 'grens, afsluitende beperking' uit; dus met betrekking tot de 'eertijds niet gelovende geesten': hun vernauwde bewustzijn of gemoed, dat de overvloed van goddelijke liefde nog niet kon bevatten. Het woord 'hel' komt bij mijn weten in geen enkele vertaling van deze tekst in de brief van Petrus voor.

Wanneer en waar vandaan het de catechismus is binnengeslopen, is mij onbekend, omdat ik geen geleerde theoloog ben. Maar wandelend langs de sporen van de taal komt men vrijwel altijd tot verhelderende resultaten. En aangezien de oudste handschriften van het Nieuwe Testament in de Griekse taal geschreven zijn, is een blik op het aldaar gebruikte woord van belang. In de meeste geschriften luidt het 'phylakè', wat betekent: bewaking, zekerstelling, bewaring, wat vervolgens noodzakelijkerwijze tot het Latijnse 'carcer' heeft geleid.
Daarmee is weliswaar voor onze beschouwing weinig gewonnen, maar toch zou een andere omstandigheid onze grootste interesse moeten wekken: Er zijn zoals het kritische bijbelonderzoek heeft vastgesteld ook Griekse teksten die in plaats van 'phylakè' het woord 'henoch' gebruikten! Daarmee koersen wij echter rechtstreeks op de 'Huishouding van God' van Lorber af, waar de naam en het geestelijke begrip 'Hanoch' een doorslaggevende rol speelt (Stoor u niet aan de verandering van klinker, van het Hebreeuwse 'hanoch' naar het Griekse 'henoch'. Steeds zijn de medeklinkers de uitdrukking van een denkbeeld; de klinkers zijn uiterst wisselvallig, wat ook ieder Duits dialect laat zien).
Als men nu in plaats van 'gevangenis' dit woord in de tekst van Petrus invoegt, dan zou die ongeveer als volgt luiden: "... in Zijn geestelijk lichaam is Hij (zichtbaar) heengegaan en heeft (de blijde boodschap) gepredikt aan alle geesten in Hanoch, die voordien niet geloofden dat God (ook op hen) wachtte en geduld oefende tot de tijd van Noach (en de zondvloed) ..." Nu kunnen we waarschijnlijk niet aannemen dat de Heer daarmee alleen aan de vroegere inwoners van de aardse stad Hanoch was verschenen. Onder het begrip 'Hanoch' moet een geestelijke toestand worden verstaan, waarvan het wezen blijkt uit de Hebreeuwse schrijfwijze van deze naam, d.w.z. 'chanoq': 'cha' betekent in de oertaal 'drager van een idee', en 'noq' (Latijn: nox: nacht; eigenlijk: n-ok) het 'niet zien', de duisternis betekent. Daarmee is de geestelijke blindheid bedoeld als toestand die een geest in zich draagt.

Natuurlijk weten wij uit de Nieuwe Openbaring dat ook geestelijke blindheid reeds een graad van de hel weergeeft. In deze hel (Hebreeuws: gehenah, waar het 'henoch' weer in doorklinkt!) verblijft de ziel echter slechts zolang, tot zij zich vrijwillig opent voor de goddelijke geest, die haar uit de 'kerker' naar de eeuwige vrijheid van het kindschap Gods wil leiden. Dat het begrip 'hel' opgevat moet worden als een scholingsinstituut waar de ziel gelouterd wordt, wordt getoond door een oude semitische naam voor hel, die ook in het GJE naar voren komt. Deze luidt: 'sjeol' of 'sjeola'. Met een kleine wijziging ging die over in het Latijnse 'schola': plaats om te leren, en is nog altijd bewaard gebleven in ons woord 'school'. Maar is zoiets een 'eeuwige gevangenis'? Het is toch slechts een doorgangsniveau naar het verwerven van steeds betere inzichten. En zo bepaalt uitsluitend de bereidheid van de ziel [persoon] om te leren, hoe lang zij in de school van de hel moet blijven.

De leer van de eeuwige verdoemenis doet veel mensen aan de waarheid van deze kerkelijke geloofsstelling twijfelen, omdat die volslagen onverenigbaar is met de oneindige liefde van God. De kerk heeft dit intolerante standpunt echter niet altijd verdedigd. Zo kunnen wij bijvoorbeeld in de katholieke bijbelvertaling van Otto Karrer lezen, in een opmerking in de kantlijn bij de bovengenoemde tekst van Petrus: "... Jezus' tocht naar de hel tussen dood en opstanding wordt als triomf van de Verlosser aangeduid. Zonde en dood waren machteloos gemaakt. De Verlosser kon de heilsboodschap brengen aan hen, die 'in de kerker' waren, bijvoorbeeld aan de slechte tijdgenoten van Noach. Daarom zagen kerkvaders in de tocht naar de hel en aanduiding van de verlossing van allen(!), terwijl anderen aan de zielen [personen] in loutering dachten (het kerkelijke 'vagevuur' M). En weer anderen (zelfs) aan de rechtvaardigen van het Oude Verbond, die gereinigd van hun gebreken op de voleinding van het heil wachtten."

Waarom Petrus in vers 20 van zijn brief als voorbeeld juist naar de 'ongelovige geesten van Hanoch' ten tijde van Noach verwees, heeft een diepe geestelijke reden. Want vóór de zondvloed had de geestelijke blindheid van de mensen, de geestelijke Hanoch-toestand dus, haar hoogtepunt bereikt. Als gevolg daarvan kwam het grote zondvloedgericht, maar God sloot zoals de bijbel en de 'Huishouding van God' berichten in Noach een nieuw verbond van liefde met de mens. Wie vermoedt tegenwoordig nog dat reeds in de naam van de nieuwe stamvader dat grote geheim geopenbaard wordt! Want 'nou aha' betekent in de oertaal: 'nieuwe liefde' (Duits: 'neue Ehe'), het 'nieuwe huwelijk' van Ab-edam (Vader van de mensheid) met Zijn kinderen Gods in wording.
De bekroning van dit Nieuwe Verbond was de neerdaling van het eeuwige Woord in het vlees. En wanneer Jezus Christus aan het kruis sprak: "Het is volbracht," dan moet Zijn goddelijke verlossingswerk ook de eerstelingsgeest Satana gegolden hebben, om de afkeer van de verloren zoon weer in terugkeer te veranderen. Maar hoe wil de christenheid van vandaag zulke hemelse mysteriën begrijpen, wanneer haar kerken nog niet eens in staat zijn zich van het geloof in een eeuwige verdoemenis af te keren?


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^