Bijbelse geschiedenis in het licht van de parapsychologie


Teksten: Nieuwe Bijbelvertaling van het NBG (Nederlands Bijbel Genootschap)

Inhoud

Inleiding: Parapsychologie
1. Genesis
2. Exodus
3.Numeri en Deuteronomium 4. 2 Samuël en 1 Koningen
5. Job
6. Psalmen, Prediker, Spreuken
7. Jesaja, Jeremia, Ezechiël
8. Daniël
9. Zacharias, Haggaï, Maleachi, Micha
10. Mattheüs
11. Markus
12. Lukas
13. Johannes
14. Handelingen der apostelen
15. Brieven van Paulus
16. Openbaring van Johannes


Inleiding: Parapsychologie ('para': naast, dus: naast de psychologie)
De parapsychologie onderzoekt 'paranormale' verschijnselen, dat zijn verschijnselen die letterlijk 'naast de normale' staan. Het gaat daarbij om een groep ervaringen en verschijnselen die bekend zijn, sinds zij door de mens op afbeeldingen konden worden weergegeven of op schrift worden gesteld. Door de eeuwen heen en over de hele wereld hebben mensen dit soort van ervaringen en verschijnselen meegemaakt en er waarde aan gehecht.
Paranormale verschijnselen staan letterlijk naast de 'normale' verschijnsel (zoals ze van hieruit worden genoemd). Het zijn verschijnselen die samenhangen met het voor mystici ervaarbare feit, dat naast deze stoffelijke ook een geestelijke wereld bestaat en dat er naast het stoffelijke lichaam ook een geestgedaante is. De geestgedaante is het voertuig voor de geest in die geestelijke wereld. Door de wisselwerking tussen beide werelden ontstaan paranormale verschijnselen.
Het betreft daardoor voorvallen die niet door de huidige, eenzijdig op de stof ingestelde, materialistische natuurwetenschappen kunnen worden verklaard en daarom worden verworpen. Het getuigt echter van een onwetenschappelijke houding dit soort van ervaringen als niet ter zake doende te negeren en als verbeelding terzijde te stellen, als zij niet in het wereldbeeld passen: ieder verschijnsel is een ervaarbare gebeurtenis en moet als zodanig worden geëerbiedigd.
Deze eenzijdige kijk op deze stoffelijke wereld wordt veroorzaakt, doordat de menselijke geest, het levende, zich hier moet verbinden met de stof, het niet levende, het tegendeel van zichzelf, waardoor de geest hier zichzelf niet kan zijn en daardoor onbewust wordt van het bestaan van zichzelf. Daardoor is de mens hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten en daardoor in de gelegenheid zelf zijn eigen zelfstandigheid te verwerkelijken, doordat voor het oplossen van zich aandienende vraagstukken de eigen geestelijke vermogens zelfstandig moeten worden gebruikt.

Het parapsychologische onderzoeksgebied omvat de volgende verschijnselen:
- mystieke, religieuze ervaringen, visioenen en extase: een groot aantal mystici en religieuzen in verleden en heden hebben een overweldigende hoeveelheid mystieke en religieuze literatuur aan de mensheid nagelaten, waarvan de waarde altijd zal worden ingezien;
- dromen: gedachten of gevoelens in de vorm van beelden die tijdens de slaap in de eigen binnenwereld worden gezien, doordat de geest dan geheel is ingekeerd; de beelden kunnen uit het eigen geheugen komen of vanuit de geestelijke wereld worden ingegeven; ook kunnen door gedeeltelijke uittreding ervaringen worden opgedaan in de geestelijke wereld;
- telepathie: de buitenzintuiglijke overdracht van gedachten of gevoelens tussen personen, wat niet alleen tussen twee mensen, maar ook in grote groepen tijdens een bijeenkomst kan optreden;
- ingevingen en voorgevoelens: inzichten die de mens plotseling, schijnbaar vanuit het niets invallen; het optreden van een vage, onbestemde gemoedstoestand, maar die wel de besluitvorming beïnvloedt;
- helderziendheid: in die geestestoestand worden naast deze stoffelijke wereld tegelijkertijd ook toestanden of voorvallen in de geestelijke wereld gezien, zowel dichtbij als veraf;
- voor- en naschouw: bij helderziendheid kan sprake zijn van voorschouw en naschouw; bij voorschouw (voorkennis) wordt het verloop van een gebeurtenis in de toekomst gezien en voorspeld (de komst van een Messias in het joodse volk is door meerdere profeten voorspeld); bij naschouw wordt gezien hoe een gebeurtenis in het verleden heeft plaatsgevonden;
- helderhorendheid: in die geestestoestand wordt in de eigen binnenwereld, buiten de zintuigen om, gehoord wat een bezoekende geest vanuit de geestelijke wereld over wil brengen; daarbij kan die geest al dan niet ook helderziende worden waargenomen;
- psychokinese: het vermogen om op onzichtbare wijze bestaande voorwerpen te laten bewegen;
- levitatie: verheffen, het vermogen het lichaam te laten zweven; in India wordt dit tot de sidhi's (paranormale vermogens) gerekend; honderden heiligen vertoonden dit verschijnsel tijdens extase, zoals Theresa van Avila;
- bilocatie: het vermogen op twee plaatsen tegelijkertijd aanwezig te zijn; het behoort ook tot de sidhi's, veel heiligen vertoonden dit verschijnsel en van Pater Pio is een geval beschreven;
- materialisatie en dematerialisatie: het ongemerkt verschijnen of verdwijnen van voorwerpen;
- reïncarnatie of beter wedergeboorte: de menselijke geest kan meerdere keren op aarde in een nieuw lichaam worden geboren; herinneringen aan vorige levens zijn in meerdere gevallen onderzocht en beschreven;
- geestverschijningen: engelen, geestelijke begeleiders of overledenen die zich vanuit de geestelijke wereld aan de mens die nog op aarde is, kenbaar maken en daarbij zinvolle mededelingen kunnen doen - de engelen ontlenen daaraan zelfs hun naam: angeloi, boodschappers;
- uittredingservaringen: de menselijke geest wordt losgemaakt (door een ingrijpende gebeurtenis of door begeleiders) van zijn stoffelijke voertuig op aarde, het lichaam en maakt in zijn geestelijke voertuig, de geestgedaante, ervaringen en reizen mee in de geestelijke wereld; door zich in de geestelijke wereld weer naar de plaats te begeven waar in de stoffelijke wereld het lichaam wacht, vindt een intrede plaats.
- nabij-de-dood- of bijna-doodervaringen: hierbij wordt het uittreden veroorzaakt door een ernstige ziekte of door het gedeeltelijk stilleggen van de hersenen door een narcose tijdens operatie; een uittreding kan ook op gang worden gebracht door drugsgebruik;
- zinvolle samenloop van omstandigheden of ervaringen door een schijnbaar 'toeval' (dat, wat ons 'toe-valt' vanuit de geestelijke wereld), ook synchronistische ervaringen genoemd. De huidige mens, die nu de toestand meemaakt het diepst in de stof te zijn verzonken (getuige de uitspraak: "Wij zijn ons brein."), kan niet anders dan deze gebeurtenissen als louter toeval te zien.
De bekendste is wel de doortocht van het joodse volk door de Riet- of Schelfzee, een verlengde van de Rode Zee. Het gebeurt daar vaker, maar voor hen waaide de wind op het juiste tijdstip het water weg en stroomde het daarna weer terug. Daarin zag het joodse volk de hand van God.

De geschiedenis van de Bijbel en parapsychologie
Als de bijbelse geschiedenis in het licht van de parapsychologie wordt gezien, blijkt dat paranormale gebeurtenissen en ervaringen veelvuldig in de geschiedenis van het joodse volk voorkomen, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Hieronder heb ik een aantal bijbelteksten verzameld (de verzameling is niet volledig), die duidelijk een paranormale betekenis hebben.
Zelf heb ik ook van dit soort ervaringen mogen meemaken, zie de pagina 'Geestelijke ervaringen' in het menu. Mijn ervaringen op dat gebied waren niet zo indringend als die van de aartsvaders, Mozes en de profeten, ze waren persoonlijker en eenvoudiger, maar kwamen wat de strekking ervan betreft er wel mee overeen. Dat betekent dat ook een mens van deze tijd dingen uit de geestelijke wereld heeft mogen ervaren die overeenkomen met die van mensen die duizenden jaren geleden leefden... en ik ben niet de enige.

Bij een deel van de bijbelteksten spreekt het voor zichzelf dat het om een paranormale gebeurtenis gaat.

De eerste vijf bijbelboeken worden aan Mozes toegeschreven. Aangezien hij er tijdens de schepping van de mens door God niet bij was, noch het leven van de aartsvaders zelf heeft meegemaakt, moet hij of de schrijver van deze boeken deze gebeurtenissen als naschouw hebben gezien. Engelen als boodschappers moeten het hem hebben ingegeven.

terug naar de Inhoud

1. Genesis
1:26-28 God zei: "Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt." God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: "Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag [...]"

Het eerste scheppingsverhaal beschrijft de geestelijke schepping van de mens. De mens heeft volgens de Bijbel een godgelijkwaardige, geestelijke oorsprong.
(In deze tekst is trouwens duidelijk te lezen dat het mannelijke en vrouwelijke goddelijke eigenschappen zijn.)

2:7-9 Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.

Het tweede scheppingsverhaal beschrijft daarna de schepping van het lichaam als voertuig voor deze aarde.

De geschiedenis van de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob, is een geschiedenis van Gods begeleiding van mensen, met wie God - met Abraham als eerste - een verbond had gesloten. Het verloop van die geschiedenis is vaak heel anders dan de mens zou denken, wat wordt veroorzaakt doordat de mens in zekere mate over een vrije keuze beschikt, waardoor menselijke besluiten ook tegen de bedoelingen van God in kunnen druisen. Daardoor kan het doel, de bewuste hereniging met God, worden misgelopen; en het missen van het doel is de betekenis van het woord 'zonde'.

Vader Abraham
12:1-3 De Heer zei tegen Abram: "Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij."

12:5-7 Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten. Maar de Heer verscheen aan Abram en zei: "Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven." Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de Heer, die aan hem verschenen was.

Het verschijnen van God of een engel van God aan Vader Abraham, waarbij de bezoekende geest de mens op aarde tijdelijk helderziende en helderhorend maakt om zo de boodschap over te kunnen brengen.

13:14-18 Nadat Lot was weggegaan, zei de Heer tegen Abram: "Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. En ik zal je zo veel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven." Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de Heer.

15:1-6 Enige tijd later richtte de Heer zich tot Abram in een visioen: "Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn." "Heer, mijn God," antwoordde Abram, "wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden." Maar de Heer sprak opnieuw tot hem: "Nee, niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken." Daarop leidde hij Abram naar buiten. "Kijk eens naar de hemel," zei hij, "en tel de sterren, als je dat kunt." En hij verzekerde hem: "Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen." Abram vertrouwde op de Heer en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad.

Hier doet het verschijnsel zich voor, dat de aangesproken mens de boodschappende geest ook kan antwoorden en vragen kan stellen. Er is sprake van een wisselwerking tussen personen in de geestelijke en de stoffelijke wereld.

16:7-12 Een engel van de Heer trof haar [Hagar] in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. "Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?" vroeg hij. "Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres," antwoordde ze. "Ga naar je meesteres terug," zei de engel van de Heer, "en wees haar weer gehoorzaam." En hij vervolgde: "Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de Heer heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen en iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven."

Bij Hagar is het weliswaar een engel Gods die haar aanspreekt, maar de engel geeft haar een boodschap van God door en spreekt daardoor met gezag.

17:1-7 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de Heer aan hem en zei: "Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven." Abram boog zich diep neer en God sprak: "Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken.
Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen."

18:1-5 De Heer verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe. Hij boog diep en zei: "Heer, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan. Ik zal wat water voor u laten halen zodat u uw voeten kunt wassen, maak het u hier onder de boom intussen gemakkelijk. Ik zal u ook iets te eten brengen, zodat u weer op krachten kunt komen voordat u verdergaat. Daarvoor bent u immers bij uw dienaar langsgekomen?" Zij antwoordden: "Wij nemen uw uitnodiging graag aan."

De engelen zijn geordend volgens een drievoud. De hoogste engelengroep bestaat bijvoorbeeld uit de Serafim, Cherubim en Ofanim (zie hiervoor in het Literatuuroverzicht).

Abraham met Isaäk op de berg Moria
22:1-14 Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. "Abraham!" zei hij. "Ik luister," antwoordde Abraham. "Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaäk, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je je zoon offeren op een berg die ik je wijzen zal."
De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaäk met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. Toen zei hij tegen de knechten: "Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug." Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaäk en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder.
"Vader," zei Isaäk. "Wat wil je me zeggen, mijn jongen?" antwoordde Abraham. "We hebben vuur en hout," zei Isaäk, "maar waar is het lam voor het offer?" Abraham antwoordde: "God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen." En samen gingen zij verder.
Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaäk vast en legde hem op het altaar, op het hout. Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: "Abraham, Abraham!" "Ik luister," antwoordde hij. "Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden."
Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. Abraham noemde die plaats 'De Heer zal erin voorzien'. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: "Op de berg van de Heer zal erin voorzien worden."
22:15-18 Toen sprak de engel van de Heer opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. Hij zei: "Ik zweer bij mijzelf - spreekt de Heer: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd."

Een aantal onderdelen van de gebeurtenissen rond Abraham en Isaäk op de berg Moria komt overeen met de gebeurtenissen rond Jezus, de zoon van God op de berg Golgotha. De zoon moet op de berg Moria door de vader worden geofferd, het gebeurt op de derde dag, de zoon moet zelf het offerhout dragen en door dit te doen, bewijst Abraham zijn onvoorwaardelijke liefde voor God.
Met Vader Abraham begint een geslachtslijn die uitkomt bij Jezus, die als zoon van God zichzelf op een berg aan een hout opofferde uit liefde voor de mensheid, Gods kinderen.

24 De geschiedenis van Abrahams knecht die Rebekka, de vrouw voor Isaäk moest ophalen.
24:7 God zal zijn engel voor je uit sturen, zodat je daar een vrouw voor mijn zoon zult vinden.

Gods engel leidt Abrahams knecht rechtstreeks naar zijn familie, waar hij Rebekka, zuster van Laban, bereid vindt met hem mee te gaan om Isaäk's vrouw te worden. In 24:50 noemt Laban deze gebeurtenis een bestiering van God.
Het verhaal van de zoektocht van Abrahams knecht in hoofdstuk 24 laat zien, dat er voor de gelovige mens geestelijke leiding is bij aardse gebeurtenissen. Hierdoor ontstaat een zinvolle samenloop van omstandigheden, die vanuit de geestelijke wereld wordt geleid.

25:7-8 Abraham leefde honderdvijfenzeventig jaar. Hij stierf in gezegende ouderdom; na een lang leven 'gaf hij de geest' [in de vorige bijbelvertaling] en werd hij met zijn voorouders verenigd.

Bij het overlijden van Abraham 'gaf hij de geest' en hij 'werd overgeleid' (betekenis van 'overlijden') over de grens tussen de stoffelijke en geestelijke wereld, en werd daar in die wereld weer met zijn familie herenigd. Van familie's bevindt een deel zich op aarde en het andere deel is thuis gebleven om hen die op de aarde zijn, te begeleiden.

26:23-25 Van daar trok hij [Jakob] naar Berseba. 's Nachts verscheen de Heer aan hem en zei: "Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang want ik sta je terzijd en ik zal je zegenen en je veel nakomelingen geven omwille van mijn dienaar Abraham." Toen bouwde hij op die plaats een altaar, riep er de naam van de Heer aan en sloeg er zijn tenten op; zijn knechten begonnen daar een put te graven.

Jakob's droom over de engelenladder
28:10:17 Jakob verliet dus Berseba en ging op weg naar Charan. Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen.
Ook zag hij de Heer bij zich staan, die zei: "Ik ben de Heer, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaäk. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult zo veel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. Ikzelf sta je terzijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd."
Toen werd Jakob wakker. "Dit is zeker," zei hij, "op deze plaats is de Heer aanwezig. Dat besefte ik niet." Eerbied vervulde hem. "Wat een ontzagwekkende plaats is dit," zei hij, "dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn!"

De ladder laat zien, dat er in de geestelijke wereld meerdere gebieden (traptreden) tussen de hemel en de aarde zijn, en dat Gods engelen zich door die werelden heen op en neer bewegen om boodschappen op te halen en op de aarde in de mensheid uit te voeren.

Jakob worstelt met de engel Gods
32:25-31 Maar zelf bleef hij [Jakob] achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. Toen zei de ander: "Laat mij gaan, het wordt al dag." Maar Jakob zei: "Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent."
De ander vroeg: "Hoe luidt je naam?" "Jakob," antwoordde hij. Daarop zei hij: "Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël (jisraël: strijder met God), want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen." Jakob vroeg: "Zeg me toch hoe u heet." Maar hij kreeg ten antwoord: "Waarom vraag je naar mijn naam?" Toen zegende die ander hem daar. Jakob noemde die plaats Peniël, "want," zei hij, "ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven."

In deze tekst worden God en Gods engel aan elkaar gelijk gesteld.

De voorspellende dromen van Jozef
37:5-10 Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. "Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd," zei hij. "We waren op het land schoven aan het binden en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor." Zijn broers zeiden: "Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?" Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten.
Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. "Ik heb alweer een droom gehad," zei hij. "Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer." Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: "Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?"

Later kwam de droom uit in Egypte, waar zijn broers aan de wil van Jozef waren overgeleverd.

De dromen van de schenker en de bakker door Jozef uitgelegd
40:5-8 De schenker en de bakker van de koning (farao) hadden al geruime tijd in hechtenis gezeten toen ze allebei in dezelfde nacht een droom kregen, ieder een droom met een eigen betekenis. Toen Jozef de volgende morgen bij hen kwam, viel het hem op dat ze er slecht uitzagen. "Waarom kijkt u vandaag zo somber?" vroeg hij deze hovelingen van de farao, die samen met hem in de gevangenis van zijn meester zaten. "We hebben een droom gehad," antwoordden ze, "maar er is hier niemand die hem kan uitleggen." Jozef zei: "De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens."

De droom van de farao door Jozef uitgelegd
41:1-7 Twee volle jaren later kreeg de farao een droom. Hij droomde dat hij aan de Nijl stond. Toen zag hij zeven koeien uit de Nijl komen; het waren mooie koeien, die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in het oevergras. En kijk, daar kwamen weer zeven koeien uit het water; die waren lelijk en mager. Ze voegden zich bij de andere koeien aan de oever van de rivier. En die lelijke, magere koeien aten de zeven mooie, vette koeien op. Hierna werd de farao wakker. Maar hij viel weer in slaap en kreeg voor de tweede keer een droom. Zeven mooie, rijpe korenaren schoten op uit één halm. Toen schoten er zeven andere aren op; die waren iel en door de oostenwind verschroeid. En die armetierige aren slokten de zeven rijpe, volle aren op. De farao werd wakker en besefte dat hij alles had gedroomd.

41:25-28 Jozef zei tegen de farao: "U hebt tweemaal hetzelfde gedroomd, farao en God heeft u bekendgemaakt wat hij gaat doen. Die zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en die zeven mooie korenaren zijn ook zeven jaren: het is een en dezelfde droom. De zeven magere, lelijke koeien die daarna tevoorschijn kwamen, staan ook voor zeven jaren, net zoals de zeven lege aren die door de wind verschroeid waren: er zullen zeven jaren van hongersnood komen. Het is, farao, zoals ik u daarnet zei: God heeft u laten zien wat hij gaat doen.
41:32 Dat u deze droom tweemaal hebt gekregen, betekent dat Gods besluit vaststaat en dat hij het binnenkort gaat uitvoeren.

Jakob voorspelt aan zijn zonen de toekomst
49:1 Daarop liet Jakob al zijn zonen bij zich roepen en zei: "Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan. [...]
49:8-10 Juda, jou zullen je broers bejubelen, voor jou buigt de vijand de nek, voor jou zullen mijn zonen zich buigen. Sterk als een jonge leeuw ben jij, je verovert je prooi, mijn zoon, en keert naar je leger terug. Juda gaat liggen als een leeuw, vol majesteit vlijt hij zich neer; wie zou hem durven wekken? In Juda's handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat hij komt die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen.
49:22-26 Een vruchtbare wijnstok is Jozef, een vruchtbare plant bij een bron, met ranken die reiken tot over de muur. De boogschutters, zij haatten hem, zij tergden hem en schoten. Maar zijn boog bleef gespannen, zijn armen en handen soepel, door de hulp van de Machtige, de Machtige van Jakob, door de nabijheid van de Herder, de Rots van Israël, door de God van je vader, de Ontzagwekkende.
Hij moge je helpen, hij moge je zegenen met zegeningen van de hemel daar boven en van de oervloed in de diepte, met zegeningen van borsten en moederschoot.
De zegen van je vader is rijker dan de zegen van de eeuwige bergen, de kostelijke rijkdom van de eeuwige heuvels. Moge die zegen op Jozef rusten, de uitverkorene onder zijn broers."

49:29 Toen gaf Jakob zijn zonen de volgende opdracht: "Als ik straks met mijn voorouders verenigd word, [...]"

Jozef voorspelt aan zijn broers de toekomst: de uittocht uit Egypte
50:22-24 Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. Hij zag Efraïms kleinkinderen nog en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee. Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: "God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaäk en Jakob heeft beloofd.

terug naar de Inhoud

2. Exodus
3:1-6 Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God.
Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: "Mozes! Mozes!" "Ik luister," antwoordde Mozes. "Kom niet dichterbij," waarschuwde de Heer, "en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob."
Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

Het 'vuur' is de geestelijke uitstraling van het licht en de warmte van Gods geest, die middels de uitstraling van een aards gewas ook in de stoffelijke wereld zichtbaar wordt. Het licht en de warmte in de uitstraling wervelen, waardoor het beweeglijk is en een vuur lijkt te zijn.

3:7-10 De Heer zei: "Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden."
3:11-12 Mozes zei: "Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?" God antwoordde: "Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren."

3:13-14 Maar Mozes zei: "Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: 'Wat is de naam van die God?' Wat moet ik dan zeggen?" Toen antwoordde God hem: "Ik ben die er zijn zal [jahweh, jahweh]. Zeg daarom tegen de Israëlieten: 'Ik zal er zijn heeft mij naar u toe gestuurd.'"

Het oude Hebreeuws was een medeklinkertaal, de klinkers moesten door de lezer worden ingevuld. Daardoor kan er ook worden vertaald met: "Ik ben die ik ben" of met "Ik ben en doe zijn" (Ik schep).

3:15-22 Ook zei hij tegen Mozes: "Zeg tegen hen: 'De Heer heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob.' En hij heeft gezegd: 'Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.'"
"Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: 'De Heer, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, en hij heeft gezegd: "Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en ik heb mij jullie lot aangetrokken. Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.'"
"Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden en dan moet je samen met hen naar de koning van Egypte gaan. Zeg hem dat de Heer, de God van de Hebreeën, naar jullie toe gekomen is en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de Heer, jullie God, offers te brengen. Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen. Daarom zal ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan. Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken. Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven."

4:1-5 Weer maakte Mozes bezwaar. "Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren," zei hij. "Ze zullen zeggen: 'De Heer is helemaal niet aan jou verschenen.'" De Heer vroeg: "Wat heb je daar in je hand?" "Een staf," antwoordde Mozes. "Gooi hem op de grond," beval de Heer, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, maar de Heer zei tegen hem: "Grijp de slang bij zijn staart." Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. De Heer zei: "Hierdoor zullen ze geloven dat de Heer, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, aan jou verschenen is."

4:6-9 Ook zei hij: "Steek je hand eens in je kleed." Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. "Steek je hand nog eens in je kleed," zei de Heer. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid.
"Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen," zei de Heer, "dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen."

4:10-12 Maar Mozes antwoordde: "Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden." De Heer zei: "Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de Heer? Ga nu, ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen."

4:13-17 Maar Mozes hield vol: "Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt." Nu werd de Heer kwaad op Mozes. "Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!" zei hij. "Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. Vertel jij hem wat hij moet zeggen. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie ingeven wat je moet doen. Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen."

10:1-2 De Heer zei tegen Mozes: "Ga naar de farao, want ik heb hem en zijn hovelingen zo halsstarrig gemaakt om in Egypte al deze wonderen te kunnen doen. Ook wil ik dat jij aan je kinderen en kleinkinderen kunt vertellen hoe hard ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke wonderen ik bij hen heb verricht. Dan zullen jullie inzien dat ik de Heer ben."

Met hen die thuis zijn gebleven in de geestelijke wereld, is vanuit de aardse wereld een gesprek mogelijk. Het zijn immers dezelfde geesten, alleen is de ene hier belichaamd, de ander niet. De aard van het gesprek is onmiddellijk, door rechtstreekse gedachtenoverdracht, telepathie.

11:9-10 De Heer had tegen Mozes gezegd: "De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren." Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de Heer had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan.

12:51 Op diezelfde dag leidde de Heer de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte.

13:21-22 De Heer ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, 's nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor en 's nachts de vuurzuil.

14:15-22 De Heer zei tegen Mozes: "Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de Heer ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht."
De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging, stelde zich achter hen op, zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen. Toen hield Mozes zijn arm boven de zee en de Heer liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur.

De Riet- of Schelfzee (een uitloper van de Rode Zee) kwam vaker door een krachtige wind droog te staan. Het bijzondere was dat dit nu net gebeurde op het ogenblik dat het voor het joodse volk van levensbelang was; een geval van zinvolle samenloop van omstandigheden, door God geleid.

19:8-11 Mozes bracht het antwoord van het volk aan de Heer over, waarop de Heer tegen hem zei: "Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben."
Toen Mozes de Heer vertelde wat het volk had geantwoord, zei de Heer hem ook: "Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de Heer voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï.

19:16-20 Op de derde dag(!), bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. De Sinaï was volledig in rook gehuld, want de Heer was daarop neergedaald in vuur.
De rook steeg op als de rook uit een smeltoven en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak en God antwoordde met geweldig stemgeluid. De Heer was op de top van de Sinaï neergedaald.

20:1-2 Toen sprak God deze woorden:
"Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
20:17 De Tien Geboden

24:15-18 Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: de majesteit van de Heer rustte op de Sinaï. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de Heer Mozes vanuit de wolk. En terwijl de Israëlieten de majesteit van de Heer zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg(!).

33:8-11 Telkens als Mozes zich erheen begaf [de tent van samenkomst], gingen allen voor de ingang van hun tent staan en keken Mozes na tot hij naar binnen was gegaan. Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de Heer met Mozes. Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. De Heer sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet.

34:29-31 Mozes daalde de Sinaï af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de Heer had gesproken. Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes" gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, maar Mozes riep hen bij zich.

Ook het gezicht van Stefanus straalde toen zijn geestesoog werd geopend en hij de hemel geopend zag.

40:34-38 Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de Heer. Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de Heer vulde de tabernakel. Zolang hun tocht duurde, trokken de Israëlieten pas verder wanneer de wolk zich van de tabernakel verhief. Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken ze niet verder; ze wachtten tot de wolk weer opsteeg. Zolang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de Heer op de tabernakel, 's nachts verscheen er een vuur in, dat voor alle Israëlieten zichtbaar was.

terug naar de Inhoud

3. Numeri - Mozes' gezag betwist door Mirjam en Aäron
12:1-9 Mirjam en Aäron maakten aanmerkingen op Mozes vanwege zijn huwelijk met een Nubische vrouw: "Hij is met een Nubische getrouwd!" Ook zeiden ze: "Heeft de Heer soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?" De Heer hoorde dit. Nu was Mozes een zeer bescheiden man - niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij. Onmiddellijk gebood de Heer Mozes, Aäron en Mirjam: "Ga alle drie naar de ontmoetingstent." Dat deden ze.
Toen daalde de Heer af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, zei hij: "Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de Heer is, maak ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek ik met hem in dromen. Maar met mijn dienaar Mozes, op wie ik volledig kan vertrouwen, ga ik anders om: met hem spreek ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?" De Heer ontstak in woede tegen hen en ging weg.

Deuteronomium
18:10 Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt.

Dit maakt duidelijk dat er vanuit werd gegaan dat zij, die hier overlijden, naar een andere wereld gaan, van deze wereld gescheiden, maar dat sommigen er hier in slagen die grens te doorbreken en met hen die terug zijn gegaan naar huis, toch in verbinding te komen en te raadplegen. Zij die zijn overleden, leven daar, in de geestelijke wereld, voort.
Hier op aarde ziet de mens niet wie hij in de geestelijke wereld voor zich heeft, vandaar het verbod. Alleen de hogepriester mocht worden geraadpleegd. Hij had een borsttas met daarin twee stenen, de urim en tummim, ja en nee (Exodus 28:30). Hij deed om een vraag te beantwoorden een greep in de tas en haalde een van de stenen tevoorschijn: dit werd een godsspraak genoemd.
De Israëlische hogepriester deed dus wel aan waarzeggen, hij legde een voorteken uit, hij raadpleegde iemand in de geestelijke wereld, een waarzeggende geest!

Gideon overvalt de Midjanieten
7:1-3 De volgende morgen vroeg sloeg Jerubbaäl, Gideon dus, met zijn troepen zijn kamp op bij de Charodbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de More. Toen zei de Heer tegen Gideon: "Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en over het bergland van Gilead terug naar huis kan gaan." [...]
7:8 Gideon hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg, elk naar zijn eigen woonplaats.
7:9-15 Die nacht zei de Heer tegen Gideon: "Het is zover! Doe een aanval op hun kamp; ik geef het je in handen. En als je geen aanval durft te wagen, sluip dan met je knecht Pura naar beneden om te horen waar ze het over hebben. Dat zal je moed geven voor de aanval."
Samen met zijn knecht Pura sloop Gideon tot vlak bij de voorposten van de vijand. De Midjanieten waren met de Amalekieten en nog andere woestijnvolken als sprinkhanen over de vlakte uitgezwermd. Hun kamelen waren ontelbaar als zandkorrels aan de zee. Toen Gideon aankwam, was er juist iemand aan het vertellen wat hij had gedroomd. "Wat ik nu toch gedroomd heb!" zei hij. "Een gerstebrood rolde razendsnel rond door het kamp, botste tegen een tent aan en kegelde die omver, zodat hij in elkaar zakte." "Dat kan niets anders zijn dan het zwaard van de Israëliet Gideon, de zoon van Joas," verklaarde zijn kameraad. "Dat betekent dat God hem ons met ons hele kamp in handen heeft gegeven."
Zodra Gideon de droom en de uitleg ervan had gehoord, boog hij zich dankbaar neer. Terug in het kamp spoorde hij de Israëlieten aan: "Het is zover! De Heer geeft jullie het kamp van Midjan in handen!" [...]
7:20-22 Alle drie de groepen bliezen nu op hun ramshoorns en sloegen hun kruiken kapot. Ze hielden hun fakkels in de linkerhand en hun ramshoorns in de rechter en schreeuwden: "Te wapen voor de Heer en Gideon!" Ze bleven rond het kamp staan en brachten de Midjanieten in rep en roer. Terwijl de driehonderd Israëlieten op hun ramshoorns bliezen, liet de Heer de Midjanieten in heel het kamp het zwaard tegen elkaar opnemen, tot ze uiteindelijk op de vlucht sloegen in de richting van Serera, [...]

Een voorbeeld van geestelijke begeleiding en toegespeelde voorkennis.

terug naar de Inhoud

4. 2 Samuël
7:11-17 [...] De Heer zegt je [David] dat hij voor jou een huis zal bouwen: Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon: als hij zondigt, zal ik hem kastijden [...], zoals een vader doet, maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die ik verstootte omwille van jou. Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.
[De profeet] Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over.

Hier wordt van Salomo gezegd dat God een vader voor hem is en hij Gods zoon.

Naar het oordeel van de Heer was het wel degelijk slecht wat David had gedaan.
12:1-9 Hij stuurde de profeet Natan naar David toe om hem het volgende te vertellen: "Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor."
David ontstak in woede over de rijke man en zei tegen Natan: "Zo waar de Heer leeft, de man die zoiets doet verdient de dood. Viervoudig moet hij het lam vergoeden, omdat hij zich zo harteloos heeft gedragen." Toen zei Natan: "Die man, dat bent u! Dit zegt de Heer, de God van Israël: Ik was het die je zalfde tot koning van Israël, ik was het die je redde uit de greep van Saul. Have en goed van je heer, en de vrouwen van je heer erbij, heb ik jou in de schoot geworpen; de heerschappij over Israël en Juda heb ik aan jou overgedragen. Als dat je te weinig is, zal ik er nog het een en ander aan toevoegen. Waarom heb je dan mijn geboden met voeten getreden door iets te doen dat slecht is in mijn ogen?"

Natan wist telepathisch van het slechte gedrag van koning David.

1 Koningen 3 Salomo's wijsheid
3:5-15 Die nacht verscheen de Heer hem daar in een droom. "Vraag wat je wilt," zei God, "ik zal het je geven." Salomo antwoordde: "U bent uw dienaar, mijn vader David, altijd goedgezind geweest, omdat hij u trouw toegewijd was en steeds eerlijk en oprecht was tegenover u. U hebt hem een grote gunst bewezen door hem een zoon te geven die nu op zijn troon zit. U, Heer, mijn God, hebt mij als opvolger van mijn vader David als koning aangesteld. Maar ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van u?"
Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg, en hij zei tegen hem: "Omdat je hierom vraagt - niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht - zal ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. Ook waar je niet om gevraagd hebt zal ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. En als je mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal ik je een lang leven schenken."
Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad. Bij zijn terugkomst in Jeruzalem ging hij naar de ark van het verbond met de Heer, waar hij brandoffers en vredeoffers bracht. Hij nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit.

De etymologische betekenis van het woord 'droom' is: jubel. Het was voor de mens in de oudheid een grote vreugde als hem of haar een droom werd geschonken als een bericht uit de hemel.

2 Koningen
De genezing van Naäman
5:1-5 Naäman, de bevelhebber van het Aramese leger, stond bij zijn koning in hoog aanzien en werd zeer door hem gewaardeerd, want de Heer had hem voor Aram een grote overwinning laten behalen. Maar deze grote krijgsman leed aan huidvraat. Nu hadden de Arameeërs op een van hun strooptochten uit Israël een jong meisje meegevoerd, dat als slavin diende bij de vrouw van Naäman. Zij zei tegen haar meesteres: "Ach, kon mijn meester maar eens naar de profeet in Samaria gaan, die zou hem wel genezen." Naäman ging naar zijn koning en vertelde hem wat het meisje uit Israël had gezegd. Daarop zei de koning van Aram: "Ga erheen. Ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël."

5:9-16 Naäman reed met zijn strijdwagen naar het huis van Elisa. Elisa stuurde iemand naar buiten om hem te zeggen: "Baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw huid weer gezond worden en zult u weer rein zijn." Kwaad ging Naäman weg. "Ik had gedacht dat hij zelf naar buiten zou komen," zei hij. "En dat hij de naam van de Heer, zijn God, zou aanroepen en met zijn hand over de aangetaste plek zou strijken, en zo de huidvraat zou wegnemen. Zijn de rivieren van Damascus, de Abana en de Parpar, soms niet beter dan alle wateren in Israël? Had ik me daarin niet kunnen baden om rein te worden?" Verontwaardigd draaide hij zich om en ging weg. Maar zijn bedienden kwamen hem achterna en zeiden: "Maar overste, als de profeet u een ingewikkelde opdracht had gegeven, had u die toch ook uitgevoerd? Dus nu hij tegen u zegt: 'Baad u, en u zult weer rein worden,' moet u dat zeker doen."
Hierop daalde Naäman af naar de Jordaan en dompelde zich daar zevenmaal onder, zoals de godsman had gezegd. Zijn huid werd weer gezond, zo gaaf als de huid van een kind, en hij was weer rein. Toen keerde hij met zijn hele gevolg naar Elisa terug, maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: "Ik wist wel dat er behalve in Israël in de hele wereld geen god is. Alstublieft, neemt u een geschenk van uw dienaar aan." Maar Elisa antwoordde: "Zo waar de Heer, in wiens dienst ik sta, leeft, ik zal niets aannemen." En hoe Naäman ook aandrong, Elisa bleef weigeren.

5:23 Hij (Naäman) stond erop dat Gechazi (de knecht van Elisa) het geschenk zou aannemen en hij maakte twee pakketten, met in elk een talent zilver en een stel kleren, en gaf die aan twee van zijn knechten om ze voor Gechazi te dragen. Toen ze bij de stadswal aankwamen, nam Gechazi de pakketten van hen over en stuurde hij hen weg. De geschenken verborg hij in huis. Toen hij zich weer bij zijn meester meldde, vroeg Elisa: "Waar ben je geweest, Gechazi?" "Ik? Nergens," antwoordde hij.
Toen zei Elisa: "Dacht je dat het me ontgaan was dat een zeker iemand van zijn wagen is gesprongen en jou tegemoet is gesneld? Is dit de manier om aan zilver te komen, aan kleren, olijfgaarden en wijngaarden, en aan vee en slaven en slavinnen?"

Elisa had helderziende voorkennis verkregen en wist waarom Naäman kwam. Het was een belediging dat Elisa hem niet ontving, maar daardoor werd Naäman nederig en zo geschikt om zijn ziekte af te wassen.
Daarna bleek Elisa helderziende kennis te hebben genomen van het gedrag van zijn knecht.

terug naar de Inhoud

5. Job
De jonge wijze Elihu antwoord Job
33:14-17 God antwoordt de mens wel, op meer dan één manier, alleen merkt de mens het niet op.
In de dromen en visioenen van de nacht, in de tover van de diepste slaap, of wanneer hij ligt te sluimeren, opent God de oren van de mens en laat hem schrikken - een waarschuwing om hem af te houden van een slechte daad, om hem voor hoogmoed te vrijwaren.

Elihu wijst hier op het belang van dromen en op helderhorendheid. De mens schrikt als onverwachts een stem in zijn binnenwereld klinkt, die niet zijn eigen stem is, maar die van zijn begeleider.
Het is God, die de oren of de ogen van de mens 'opent'.

Jobs antwoord aan God - Job's bewustwording
42:1-6 Nu antwoordde Job de Heer:
"Ik weet dat niets buiten uw macht ligt en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten. [...]
Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij, zoals ik hier zit in het stof en het vuil."

Aan het einde van de geschiedenis met Job gaat hij begrijpen wat - ondanks zijn vroomheid - toch zijn gebrek was; hij beseft nu een onwetende te zijn, onbewust te zijn, dat hij slechts over God had gehoord van horen zeggen en alleen maar woorden van anderen had nagesproken. Zijn geloof miste persoonlijke beleving. Maar nu, doordat de tegenslagen hem tot inkeer hebben gebracht, op zichzelf terug hebben geworpen, heeft hij zichzelf en God ontdekt, en heeft hij God met eigen ogen aanschouwd... zijn zelfverwerkelijking en hereniging.
Een mystieke ervaring heeft in hem een ommekeer (bekering) tot stand gebracht en zijn godsdienstigheid persoonlijk gemaakt.

33:29-30 (Bijbelvertaling NBG 1951)
Hij heeft mijn ziel bevrijd van mijn gang naar de groeve en mijn leven verlustigt zich in het licht.
Zie, dit alles doet God twee, driemaal met een mens, zijn ziel terugbrengen van de groeve, zodat hij bestraald wordt door het levenslicht.

In de Phoenix pocket 'Zoals er gezegd is over Job', 1965 vertaalde Abraham Soetendorp het boek Job en is volgens zijn zeggen zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gebleven.
Daar staat in Job 33:29-30:
Dit alles doet God twee-, driemaal met een mens,
het terugbrengen van zijn ziel naar de groeve,
hem weer het levenslicht teruggeven…

Volgens de joodse exegeet Juda Zlotnik (Jeruzalem, 1938) is deze tekst in het boek Job een aanwijzing voor reïncarnatie (wedergeboorte).
Vertaling Juda Zlotnik:
Zie, dit doet God. Twee of drie maal brengt Hij de ziel terug van de dood
om te stralen in het licht van het leven.

terug naar de Inhoud

6. Psalmen
139:1-7 Voor de koorleider. Van David, een psalm.
Heer, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten.
Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong, of u, Heer, kent het ten volle.
U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij.
Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen?

David beschrijft hier als het ware een omgekeerde helderziendheid; niet de mens neemt helderziende de geestlijke wereld waar, maar omgekeerd zien zij, die in de geestelijke wereld zijn, zowel hun eigen als tegelijkertijd ook de stoffelijke wereld op de aarde. Daar kan zich niets aan hun aandacht onttrekken en wordt ook de onuitgesproken gedachte in de mens opgemerkt.

Prediker 12:5-8
Een mens gaat naar zijn eeuwig huis, een klaagzang vult de straat.
Voordat het zilverkoord wordt weggenomen, de gouden lamp gebroken,
de waterkruik in stukken valt, het scheprad bij de put wordt stukgebroken.
Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was,
wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven.
Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is leegte.

Het is duidelijk dat Salomo op de hoogte was van het bestaan van het levenskoord of de levensdraad, een etherische band, waarmee de menselijke geest met het lichaam op aarde verbonden blijft, als de geest - in het voertuig voor de geestelijke wereld - zijn aardse voertuig tijdelijk verlaat. Als de geest bij het overlijden voorgoed terugkeert naar huis, wordt die band, het koord verbroken. Daarna kan de geest zich niet meer met het lichaam verbinden.
De 'adem van het leven' is de 'ruach', de menselijke geest, die teruggaat naar God.

Spreuken van Salomo
8:22-25 De Heer heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.
Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg.
Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht, nog voor de bronnen met hun waterstromen.
Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht, nog voor er heuvels waren.

Salomo zegt hier dat God éérst de mens schiep en daarna pas de stoffelijke schepping. Vanuit de geestelijke wereld bij God is de mens naar de aarde afgedaald.

terug naar de Inhoud

Jesaja is onder anderen de profeet die de komst van Jezus voorspelt.

7. Jesaja 7, 9, 11
7:14 Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven (God met ons).
11:2 En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en hoogachting des Heren;
9:5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
9:6 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.

Jesaja 11:1-2 Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
De geest van de Heer zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de Heer.

Jesaja 40:1-5 Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.
Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de Heer heeft ontvangen.
Hoor, een stem roept: "Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God. [...]
De luister van de Heer zal zich openbaren voor het oog van al wat leeft."

Jesaja 40:6 Hoor, een stem zegt: "Roep!" [...]
40:10-11 Ziehier God, de Heer! Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen. Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.
Als een herder weidt hij zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, hij koestert ze en zorgzaam leidt hij de ooien.

Jesaja 42:1-4
Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen. Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar; [...] Het recht zal hij zuiver doen kennen. Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen;
42:5-7 Dit zegt God, de Heer, die de hemel heeft geschapen en uitgespannen, die de aarde heeft uitgehamerd met alles wat zij voortbrengt, die de mensen op aarde levensadem [neshamah: ziel] geeft, en levensgeest [ruach: geest] aan allen die daar verkeren: In gerechtigheid heb ik, de Heer, jou geroepen. Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden, ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis [sheool: onderwereld].
42:8-9 Ik ben de Heer, dat is mijn naam. Ik deel mijn majesteit niet met een ander, noch de lof die mij toekomt met een beeld. Wat eertijds werd voorzegd, is nu vervuld en ik kondig jullie nieuwe dingen aan, nog voor ze ontkiemen zal ik ze openbaren.

Ook door Jeremia wordt de komst van Jezus voorspeld.

Jeremia
1:4-5 + 17-19 De Heer richtte zich tot mij: Voordat Ik je vormde in de moederschoot, had Ik je al uitgekozen; voordat je de moederschoot verliet, had Ik je al aan Mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.
Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat Ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, [...] Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want Ik zal je ter zijde staan en je redden; spreekt de Heer.

Jeremia is met een taak naar de aarde gegaan en wordt bij de uitvoering daarvan door God beschermd en begeleid... zoals dat met iedere mens - op persoonlijke wijze, voor ieder weer anders - het geval is.

23:6 De dag zal komen - spreekt de Heer - dat Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn 'De Heer is onze gerechtigheid'.

Maar ook de val van Jeruzalem.

32:1-5 In het tiende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda (het achttiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babylonië) richtte de Heer zich tot Jeremia. De troepen van Nebukadnessar belegerden Jeruzalem en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de wacht, dat tot het paleis van de koning van Juda behoorde. Koning Sedekia had hem daar gevangengezet omdat hij had geprofeteerd: "Dit zegt de Heer: Ik geef deze stad in handen van de koning van Babylonië; hij zal haar innemen. Koning Sedekia van Juda zal niet aan de Chaldeeën ontsnappen, maar aan de koning van Babylonië worden uitgeleverd. Hij komt oog in oog met hem te staan en zal persoonlijk met hem spreken. Daarna wordt hij naar Babel gevoerd, waar hij zal blijven totdat ik naar hem omzie - spreekt de Heer. Alle verzet tegen de Chaldeeën zal nutteloos zijn."

Ezechiël
Hoofdstuk 1 Het visioen van Ezechiël
Hoofdstuk 3 Voorspelling van de val van Jeruzalem
Hoofdstuk 8 Visioen in de tempel in Jeruzalem
Im ieder van de 48 hoofdstukken van het bijbelboek Ezechiël staan zinnnen met de strekking: 'En de Heer richtte zich tot mij.'

Ezechiël 34:11-12
Dit zegt God, de Heer: Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal Ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden. (De naam 'Jezus' of 'Jeshua' komt van 'Jehova shua': God redt.)

terug naar de Inhoud

Voorspellingen, visioenen en helderhorendheid bij Daniël

8. Daniël 2 De droom van koning Nebukadnessar
2:1-3 In het tweede jaar van zijn regering kreeg Nebukadnessar een droom die hem zo verontrustte dat hij de slaap niet meer kon vatten. De koning gaf opdracht de magiërs, bezweerders, tovenaars en Chaldeeën bijeen te roepen om hem te vertellen waar zijn droom over ging. Toen ze voor de koning verschenen waren, zei hij tegen hen: "Ik heb een droom gehad die mij verontrust, daarom wil ik weten wat ik gedroomd heb."
De wijzen kenden de droom niet, konden hem daardoor ook niet verklaren, waarop de koning in woede ontstak en besloot hen te doden.
2:13-23 Toen het bevel werd uitgevaardigd om de wijzen te doden, liepen ook Daniël en zijn vrienden gevaar. Daarom wendde Daniël zich discreet en tactvol tot Arjoch, de commandant van de koninklijke lijfwacht, die de wijzen van Babylonië moest doden. Hij vroeg de gevolmachtigde van de koning: "Waarom heeft de koning zo"n wreed bevel uitgevaardigd?" Daarop legde Arjoch hem de zaak uit. Daniël ging naar de koning en vroeg hem respijt, opdat hij hem zijn droom zou kunnen verklaren. Vervolgens ging hij naar huis, bracht zijn vrienden Chananja, Misaël en Azarja op de hoogte en vroeg hun de God van de hemel te smeken zich barmhartig te tonen en het mysterie te onthullen, zodat hij en zijn vrienden niet met de rest van de wijzen van Babylonië ter dood zouden worden gebracht.

Het mysterie van de droom werd aan Daniël onthuld in een nachtelijk visioen. Daarop prees hij de God van de hemel. Hij zei:

"Geprezen zij de naam van God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, want hij bezit wijsheid en kracht. Hij verandert tijden en uren, hij zet koningen af en stelt koningen aan, hij geeft de wijzen hun wijsheid, en de verstandigen hun kennis. Hij onthult diepe, verborgen dingen, hij weet wat in duister is gehuld, en het licht woont bij hem. U, God van mijn voorouders, loof ik en roem ik, want u hebt mij wijsheid en kracht geschonken, en mij onthuld wat wij u hebben afgesmeekt, u hebt ons laten weten wat de koning verontrust."

Daarop verklaart Daniël aan Nebukadnessar zijn droom over de sterke man met gouden hoofd en lemen voeten, die door een losgeraakte steen wordt verbrijzeld. De droom en de verklaring werden Daniël door God aangereikt.

6:2-24 Daniël in de leeuwenkuil
Alle rijksbestuurders van het koninkrijk, [...], zijn van mening dat er een koninklijk besluit moet worden uitgevaardigd waarin wordt vastgelegd dat eenieder die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. [...] Hierop stelde koning Darius het verbod op schrift.
Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenvertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was. Maar toen drongen de mannen zijn huis binnen en troffen Daniël aan terwijl hij tot zijn God bad en hem prees. Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit: "Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?" De koning antwoordde: "Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden en de Perzen, ze kan niet worden herroepen." Toen zeiden ze tegen de koning: "Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed."
De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen. Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: "Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de Meden en de Perzen." Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: "Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!" [...]
Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen. Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: "Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?"
En Daniël zei tegen de koning: "Majesteit, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan." De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.

Daniëls beschermengel doet zijn werk en Daniël verkeert ongedeerd een nacht tussen de leeuwen.

Daniël 7:2-14 Het droomgezicht van de vier dieren
Daniël ziet in dit visioen de Mensenzoon, die voor de troon van God wordt geleid. Deze mysterieuze persoon verzekert de eeuwige heerschappij van de Allerhoogste. Door Hem groeit een volk van geloofsgetuigen, die zullen delen in zijn heerlijkheid.

terug naar de Inhoud

Ook Daniël voorspelt de komst van Jezus, evenals Zacharias, Haggaï, Maleachi en Micha.

9. Zacharias 9:9-10
Zo spreekt de Heer: De ware Koning en Messias trekt zijn stad binnen, niet gezeten op een strijdros, maar op een ezel, het rijdier van de eenvoudigen. Laat het volk juichen van vreugde, want met deze nederige en rechtvaardige Messias begint voor hen een tijdperk van vrede en eenheid.

Haggaï 2:6-7
Want dit zegt de Heer van de hemelse machten: Nog een korte tijd, een ogenblik slechts en ik zal de hemel en de aarde, de zee en het land doen beven.
Alle volken breng ik in beroering, hun schatten zullen mij toevallen en mijn huis zal ik vullen met pracht en rijkdom - zegt de Heer van de hemelse machten.

Maleachi 3:1-4:23-24
Dit zegt de Heer God: Let op, Ik zal mijn bode zenden; hij zal de weg voor mij effenen.
Opeens zal hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond naar wie jullie verlangen. Komen zal hij - zegt de Heer van de hemelse machten.
Wie zal die dag kunnen doorstaan? Wie zal overeind blijven wanneer hij verschijnt?
[...] De offers van Juda en Jeruzalem zullen de Heer met vreugde vervullen,
zoals in vroeger jaren, zoals in de dagen van weleer.
Voordat de dag van de Heer aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de profeet Elia [in de persoon van Johannes de Doper],
en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. [...]

Micha 5:1-4
Dit zegt de Heer: Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda's geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer.
Totdat de vrouw die zwanger is haar kind heeft gebaard, worden zijn broeders aan hun lot overgelaten. Daarna zullen wie er nog over zijn terugkeren naar de andere Israëlieten.
Hij zal aantreden en hen als een herder weiden, bekleed met de macht van de Heer, zijn God, met de majesteit van diens verheven naam. Zij zullen veilig wonen, want hij zal heersen tot aan de einden der aarde, en hij brengt vrede.

terug naar de Inhoud

Vanuit de hemel daalt eerst de geest van Elia (in de mens Johannes de Doper) naar de aarde af om een weg te bereiden voor de komst van Gods heilige geest (in de mens Jezus).

Het Nieuwe Testament

10. Mattheüs
1:18-23 Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: "Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden." Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: "De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuel geven," wat in onze taal betekent 'God met ons'.

2:13-15 Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: "Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen." Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: "Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen."

Jozef wordt door een engel in dromen benaderd en goede raad gegegen.

Jezus in de woestijn
4:1-11 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: "Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen." Maar Jezus gaf hem ten antwoord: "Er staat geschreven: 'De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.'"
Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: "Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: 'Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.'" Jezus antwoordde: "Er staat ook geschreven: 'Stel de Heer, uw God, niet op de proef.'"
De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: "Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt." Daarop zei Jezus tegen hem: "Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: 'Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.'" Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.

Driemaal maakt Jezus een uittreding mee waarbij hij wordt beproefd.

Elia, die komen zou (waardoor er sprake is van wedergeboorte)
11:11-14 Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij. Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar. Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.

Niet alleen was al voorspeld dat Elia opnieuw zou worden geboren, maar Jezus zelf bevestigt dat de geest van de profeet Elia in de mens Johannes opnieuw is geboren.

14:22-31 Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd [na de wonderbare spijziging]. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel en hij was daar helemaal alleen.
De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd. Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer. Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: "Een spook!" en schreeuwden het uit van angst. Meteen sprak Jezus hen aan: "Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!"
Petrus antwoordde: "Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen." Hij zei: "Kom!" Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: "Heer, red me!" Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: "Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?" Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen. In de boot bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: "U bent werkelijk Gods Zoon!"

Jezus laat hier zijn vermogen tot levitatie zien (een sidhi), waardoor hij over het water kan lopen.

16:13-14 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: "Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?" Ze antwoordden: "Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten."

Hier is te lezen dat men van de mogelijkheid van wedergeboorte uitging.

17:1-5 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren.
Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: "Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als u wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia." Hij was nog niet uitgesproken, of de schaduw van een stralende wolk gleed over hen heen, en uit de wolk klonk een stem: "Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!"

Op de berg Tabor verandert Jezus' stoffelijke vorm in zijn geestgedaante, het voertuig voor de geestelijke wereld en bij de drie leerlingen wordt hun geestesoog geoepend waardoor zij tijdelijk helderziende worden. Daarnaast verschijnen Mozes en Elia in hun geestgedaante, waardoor duidelijk wordt dat de geest het leven in de geestelijke wereld voortzet.

De mens is bestemd voor het eeuwige leven.
25:45-46 En hij zal hun antwoorden: "Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan. Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het eeuwige leven."

Jezus wijst hier op het voortbestaan van de geest in de geestelijke wereld na het overlijden.

27:19 Terwijl hij (Pilatus) op de rechterstoel zat, werd hem een boodschap van zijn vrouw gebracht: "Laat je niet in met die rechtvaardige! Om hem heb ik namelijk vannacht in een droom veel moeten doorstaan."

De vrouw van Pilatus krijgt een zodanig indrukwekkende droom dat zij haar man tracht te bewegen Jezus niet te veroordelen.

terug naar de Inhoud

11. Markus
12:18-27 Er kwamen enkele sadduceeën naar hem toe; volgens de sadduceeën is er geen opstanding uit de dood. Ze vroegen hem: "Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: 'Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.' Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen; de tweede nam haar tot vrouw, maar stierf ook zonder nakomelingen; en met de derde ging het net zo. Geen van de zeven kreeg nakomelingen. Het laatst van allen stierf de vrouw. Wiens vrouw zal ze dan zijn bij de opstanding, wanneer ze opstaan uit de dood? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest."
Jezus antwoordde: "Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet en evenmin de macht van God. Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel. Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: 'Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob'? Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!"

Jezus zelf zegt het hier heel duidelijk, na het overlijden komt de mens in een toestand, waarin die te vergelijken is met engelen in de hemel. God is een God voor levenden, ook voor hen die al uit dit bestaan zijn heengegaan.
De sadduceeën vormden één van de vele joodse sekten die er in het Israäl van die tijd waren. Zij waren materialistisch ingesteld en geloofden niet in een hiernamaals, een geestelijke wereld.

terug naar de Inhoud

12. Lukas
Aankondiging van de geboorte van Johannes door een engel
1:8-13 Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen, werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer. De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht.
Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen. Maar de engel zei tegen hem: "Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren en je moet hem Johannes noemen."

In de tempel verschijnt aan Zacharias een engel die hem een voorspelling doet.

Aankondiging van de geboorte van Jezus door een engel
1:26-33 In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: "Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je." Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: "Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen."

Aan Maria verschijnt de aartsengel Gabriël die haar een voorspelling doet.

De toewijding van Jezus in de tempel (Lukas)
2:25- Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus' ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden:
"Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd. Want met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk."
Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: "Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen."
Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

Zowel Simeon als Anna wisten door voorschouw, hen ingegeven door Gods heilige geest, van de komst van Jezus als de Messias.

11:14-17 Hij dreef een demon uit een die niet kon spreken. Toen de demon verdreven was, begon de stomme te spreken en de mensenmenigte stond verbaasd. Maar enkelen van hen zeiden: "Dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen, kan hij demonen uitdrijven." Anderen verlangden van hem een teken uit de hemel om hem op de proef te stellen. Maar hij kende hun gedachten en zei tegen hen: "Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, wordt verwoest en huis na huis stort in."

Jezus bevrijdt een bezetene van een kwade geest, die het lichaam van die mens in bezit had genomen: de toestand van bezetenheid.
Jezus kende helderziende de gedachten van zijn omstanders, want hij wist wat in de mens was.

16:22-31 Op zekere dag stierf de bedelaar [Lazarus] en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: "Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen." Maar Abraham zei: "Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn.
Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken." Toen zei de rijke man: "Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen." Abraham zei: "Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!" De rijke man zei: "Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen." Maar Abraham zei: "Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat."

De beschermengel van de mens helpt die bij het overlijden (betekenis: overgeleid worden) en brengt de geest naar die wereld, waar die thuishoort. De bedelaar ging naar de hemel, de rijke naar het dodenrijk, de onderwereld.
Tussen de verschillende werelden bevinden zich onzichtbare grenzen, die zonder hulp niet kunnen worden overschreden - iedere wereld heeft zijn eigen geestesgesteldheid en alleen als die met de aankomende persoon overeenstemt, kan die daar binnentreden.
Overledenen kunnen zich weer tot de achterblijvenden wenden, maar zijn voor gehoor afhankelijk van hun welwillendheid.

23:39-43 Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: "Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!" Maar de ander wees hem terecht met de woorden: "Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan." En hij zei: "Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt." Jezus antwoordde: "Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn."

Jezus belooft de berouwvolle misdadiger mee te nemen naar het paradijs in de geestelijke wereld.

24:1-7 Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek.
Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: "Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan."

Engelen (en hoogstaande geestelijke begeleiders) zijn in staat hun geestgedaante te materialiseren, zodat zij als hier levende mensen zichtbaar worden.

terug naar de Inhoud

13. Johannes
De bruiloft in Kana
2:1-12 Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: "Ze hebben geen wijn meer." "Wat wilt u van me?" zei Jezus. "Mijn tijd is nog niet gekomen." Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: "Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is."
Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. Jezus zei tegen de bedienden: "Vul de vaten met water." Ze vulden ze tot de rand. Toen zei hij: "Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester." Dat deden ze. En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde - hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel - riep hij de bruidegom en zei tegen hem: "Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!"
Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.

Wijn bevat meer bestanddelen dan water, het was daardoor een vorm van materialisatie van die stoffen.

1:19-21 De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar Johannes toe gestuurd om hem te vragen: "Wie bent u?" Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: "Ik ben niet de messias." Toen vroegen ze hem: "Wie dan? Bent u Elia?" Hij zei: "Die ben ik ook niet."

Men ging er zo te lezen van uit dat wedergeboorte mogelijk was.

2:23-25 Toen Jezus op Pesach in Jeruzalem was, kwamen veel mensen tot geloof in zijn naam, omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed. Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende, en niemand hoefde hem iets over de mens te vertellen, want hij wist zelf wat er in een mens omgaat.

Jezus wist helderziende "wat er in een mens omgaat".

3:13 Niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel is neergedaald.

Een verwijzing door Jezus naar het voorgeboortelijke bestaan, dat hij hoger acht dan dit tijdelijke bestaan, waar je immers naar afdaalt.

4:13-19 "Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen," zei Jezus, "maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft." "Geef mij dat water, heer," zei de vrouw, "dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten." Toen zei Jezus tegen haar: "Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug." "Ik heb geen man," zei de vrouw. "U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt," zei Jezus, "u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar." Daarop zei de vrouw: "Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent!"

Jezus wist helderziende wat hij op gewone wijze niet van de vrouw had kunnen weten.

8:58 "Eer Abraham was, ben ik."

Jezus, in wie Gods heilige geest bij ons is geweest, zegt hier, dat hij er eerder was dan ieder ander.

Lazarus uit de dood opgewekt
11:1-15 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden - dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: "Heer, uw vriend is ziek." Toen Jezus dit hoorde zei hij: "Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden." Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus. Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: "Laten we teruggaan naar Judea." "Maar rabbi," protesteerden de leerlingen, "de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?" Jezus zei: "Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, maar wie 's nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft." Nadat hij dat gezegd had zei hij: "Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken." De leerlingen zeiden: "Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer." Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. Toen zei hij hun ronduit: "Lazarus is gestorven, en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan."

Jezus beschikte over voorkennis en wist wat er met Lazarus zou gaan gebeuren. Hij is zo zeker van zijn zaak dat hij nog een paar dagen wacht voor hij naar Lazarus toegaat.

11:24 Maar Jezus zei: "Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft..."

Wanneer het lichaam hier sterft (wat betekent: 'stijf wordt') leeft de geest die wordt overgeleid in de geestelijke wereld verder.

20:11-17 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. "Waarom huil je?" vroegen ze haar. Ze zei: "Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd." Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. "Waarom huil je?" vroeg Jezus. "Wie zoek je?" Maria dacht dat het de tuinman was en zei: "Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen."
Jezus zei tegen haar: "Maria!" Ze draaide zich om en zei: "Rabboeni!" (Dat betekent 'meester') "Houd me niet vast," zei Jezus. "Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is."

Eerst ziet Maria twee engelen die zich door materialisatie zichtbaar maken, daarna ziet ze Jezus van wie de stoffelijke levensvorm is vergeestelijkt, waardoor hij zich nu willekeurig overal op aarde kan laten zien.

Verschijningen van Jezus
20:19-22 Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: "Ik wens jullie vrede!" Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. Nog eens zei Jezus: "Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit." Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: "Ontvang de heilige Geest."

Jezus gaat in de geestelijke wereld naar de plaats waar in deze wereld de kamer van de leerlingen is en verstoffelijkt daar zijn lichaam. Aan dat lichaam zijn de wonden, veroorzaakt door de kruisiging, te zien.

20:26-29 Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. "Ik wens jullie vrede!" zei hij, en daarna richtte hij zich tot Tomas: "Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof." Tomas antwoordde: "Mijn Heer, mijn God!" Jezus zei tegen hem: "Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven."

Opnieuw verstoffelijkt Jezus zijn geestgedaante, waarin zijn vergeestelijke lichaam is opgenomen en kan daardoor zijn wonden laten zien.

21:1-14 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. Petrus zei: "Ik ga vissen." "Wij gaan met je mee," zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. Hij riep: "Hebben jullie soms iets te eten?" "Nee," antwoordden ze. "Gooi het net aan stuurboord uit," riep Jezus, "dan lukt het wel."
Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: "Het is de Heer!" Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op - meer had hij niet aan - en sprong in het water. De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. Jezus zei: "Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben." Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. Jezus zei tegen hen: "Kom, eet iets." Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.

Doordat het vergeestelijke lichaam in Jezus' geestgedaante is opgenomen, is Jezus in staat na materialisatie daarvan, brood en vis te eten.

terug naar de Inhoud

14. Handelingen der apostelen
In Handelingen wordt beschreven dat Jezus zich van de ene naar de andere plaats op aarde bewoog door de geestelijke wereld heen. Hij verscheen in ruimtes, waarvan de deuren op slot waren.

Hemelvaart
1:4-11 Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: "Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest."
Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: "Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?" Hij antwoordde: "Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde."
Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. Ze zeiden: "Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan."

Jezus heeft voorkennis en weet wat er met Pinksteren gaat gebeuren. Bij de overgang van de geestelijke naar de stoffelijke wereld en weer terug, verschijnt er een wolkachtige vorm doordat het lichaam in een zodanige toestand van trilling geraakt, dat de etherische omgeving gaat meetrillen. Wat daardoor wordt gezien is het beste als mist te beschrijven.

De komst van Gods heilige Geest
2:1-4 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

Het neerdalen van een geest door de verschillende werelden heen maakt het geluid als van een windvlaag. Het voelt aan als een tocht, een trek. De 'vlammen' zijn de lichtstralen die vanuit de geestelijke wereld zich met de kruinchakra van de mens verbinden. Door de werveling erin, lijken het vlammen te zijn. De geest van de leerlingen werd op dat moment door de heilige Geest met zichzelf verbonden.

Petrus en Ananias
5:1-4 Een zekere Ananias verkocht samen met zijn vrouw Saffira eveneens een stuk grond, maar hield een deel van de opbrengst achter - ook zijn vrouw wist daarvan - en bracht de rest van het geld naar de apostelen. Maar Petrus zei: "Ananias, waarom heb je je door Satan laten misleiden en heb je de heilige Geest bedrogen door een deel van de opbrengst van het stuk grond achter te houden? Je had het immers niet hoeven te verkopen, en nu je het wel verkocht hebt, had je met de opbrengst toch kunnen doen wat je wilde? Wat heeft je bezield om je zo te gedragen? Niet de mensen heb je bedrogen, maar God zelf."

Petrus had helderziende het handelen van Ananias waargenomen.

De steniging van Stefanus
7:54-60 Toen ze dit hoorden, ontstaken ze in woede en begonnen te knarsetanden. Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, en hij zei: "Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat." Maar ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: "Heer Jezus, ontvang mijn geest." Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: "Heer, reken hun deze zonde niet aan!" En na deze woorden stierf hij.

Vervuld van de heilige Geest werd Stafanus' geestesoog geopend en helderziende geworden zag hij de hemel geopend en Jezus bij de luister van God staan.
Stefanus besefte dat hij als menselijke geest door te overlijden naar Jezus gaat, die hij al in de geestelijke wereld aanwezig zag.

De roeping van Paulus
9:1-19 Intussen bedreigde Saulus de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar de hogepriester met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem.
Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: "Saul, Saul, waarom vervolg je mij?" Hij vroeg: "Wie bent u, Heer?" Het antwoord was: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen."

apostel Paulus
Vaticaans museum
De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. Saulus kwam overeind en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet.
In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: "Ananias!" Hij antwoordde: "Ik luister, Heer." Daarop zei de Heer: "Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden en hij heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de handen oplegt om hem weer te laten zien." Ananias antwoordde: "Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Bovendien heeft hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in de boeien te slaan." Maar de Heer zei: "Ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten. Ik zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam."
Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: "Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest." Meteen was het alsof er schellen van Saulus' ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten.

Deze gebeurtenis was een omslagpunt in de verspreiding van Jezus' leer. Het is een mystieke ervaring van de eerste orde, gekenmerkt door helderhorendheid, voorschouw, geestelijke begeleiding en genezing door handoplegging.
Met deze paranormale gebeurtenis begint de geschiedenis van de verspreiding van Jezus' leer over de aarde!

terug naar de Inhoud

15. Brieven van Paulus

1 Korinthiërs
13:8-13 "De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan - want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.
Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.
Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde."

De toestand waarin de menselijke geest zich hier bevindt, is geestelijke gezien wazig, onduidelijk, maar na het overgaan of na het openen van het geestesoog, 'staan we oog in oog' met hen die al naar huis zijn gegaan. Dan zullen wij hen kennen, zoals zij ons nu al kennen, volledig.

15:35-49 Nu zou iemand kunnen vragen: "Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?" Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm.
Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook en ook dat van een vis. Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren en de sterren onderling verschillen ook in schittering. Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan.
Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.
Zo staat er ook geschreven: "De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen." Maar de laatste Adam [Jezus] werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is hier als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

Het aardse, stoffelijke lichaam is het voertuig voor deze aarde, het geestelijke lichaam, de geestgedaante, is het voertuig voor de geestelijke wereld. De geestgedaante is blijvend, het aardse lichaam is tijdelijk en is naar de geestgedaante gevormd.

2 Korinthiërs
11:12-15 Ik zal mijn werk op dezelfde manier blijven doen om die apostelen de kans te ontnemen met hun gewichtigdoenerij dezelfde roem te oogsten als wij. Schijnapostelen zijn het, die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus. Dat is ook geen wonder, want niemand minder dan Satan vermomt zich als een engel van het licht. Het ligt dus voor de hand dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid. Maar ze zullen krijgen wat ze verdienen.

Kwaadwillende geesten kunnen goedheid veinzen, wat vanuit deze wereld niet is te beoordelen. Dit is een van de redenen dat er in de Tenach voor werd gewaarschuwd contact te trachten te maken met overledenen.

12:1-5 Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven. Daarom zal ik, hoewel het geen enkel doel dient, het hebben over visioenen en openbaringen die de Heer ons schenkt. Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd - in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man - in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen - werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken. Van zo iemand wil ik hoog opgeven.

Visioenen en openbaringen worden de mens door God gegeven. Ook kunnen reizen worden gemaakt in de geestelijke werelden, die hemelse gewesten of hemelstreken worden genoemd. Het woord 'ether' komt van het Griekse 'aither': hemelstreek. Een van die hemelstreken is het paradijs.

Efeziërs
1:3 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelsferen, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend.
2:6 Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus.

In overeenstemming met de mate van geestelijke ontwikkeling, heeft de menselijke geest ook hier al een woonplaats in de geestelijke wereld, de hemelsferen, die wordt bezocht als het lichaam op aarde ligt uit te rusten door te slapen (het woord 'slapen' betekent oorspronkelijk: verslappen, slap worden).

De mens is een eeuwig, kosmisch wezen
1:4-5 In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor hem heilig en zuiver te zijn, en hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden [...].

De mens is van oorsprong al met Jezus verbonden en God heeft de mens op een ontwikkelingsweg geplaatst om zich te heiligen, heel te worden en daardoor zoals Jezus kind van God te worden.

3:14-19 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

God leidt als hun ouder alle gemeenschappen van mensen die zich zowel in de hemelsferen als op de aarde bevinden. De werkzaamheid van Jezus in die gemeenschappen, zowel hier als daar, is de mens kracht te geven en liefde, die meer is dan alle kennis.

6:10-13 Ten slotte, zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht. Trek de wapenrusting van God aan, om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden.

Paulus waarschuwt hier voor kwade geesten in de geestelijke wereld, die de mens trachten te verleiden en waartegen stand moet worden gehouden door de kracht van Jezus

Filipenzen
3:20-21 Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.

Volgens Paulus zijn wij ook burgers van de hemel, waar wij burgerrechten hebben. Hoe meer wij hier onze stoffelijke lichamen leren beheersen en zo omvormen naar een verheerlijkt, geestelijk lichaam, hoe meer wij ook burgers van de hemel worden.

terug naar de Inhoud

16. Openbaring van Johannes
1:4-8 Van Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia. Genade zij u en vrede van hem die is, die was en die komt, en van de zeven geesten voor zijn troon, en van Jezus Christus, de betrouwbare getuige, de eerstgeborene van de doden, de heerser over de vorsten van de aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd door zijn bloed, die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader - aan hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid. Amen.
Hij komt te midden van de wolken, en dan zal iedereen hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen.
"Ik ben de alfa en de omega," zegt God, de Heer, "ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige."
1:9-16 Ik, Johannes, uw broeder, die net als u in ellende verkeer, maar ook door Jezus met u deel in het koninkrijk en in standvastigheid - ik was op het eiland Patmos omdat ik over God had gesproken en van Jezus had getuigd.
Op de dag van de Heer raakte ik in vervoering. Ik hoorde achter me een luide stem, die klonk als een bazuin en die tegen me zei: "Schrijf alles wat je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten, naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea. Ik draaide me om, om te zien welke stem er tegen mij sprak. Toen zag ik zeven gouden lampenstandaards, en daartussen iemand die eruitzag als een mens. Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. Zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa's. In zijn rechterhand had hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de felle zon.

Johannes ziet helderziende in een enorm visioen voorspellingen aangaande toekomstige gebeurtenissen.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^