3  De geestelijke aanvangstoestand


De mens draagt in zelfzelf de rijkdom,
die op de aarde wordt gezocht.

De menselijke geest is zelf de levende eenheid. Door indaling in het lichaam verbindt de geest zich hier echter met het tegendeel van zichzelf, de levenloze stof. Daardoor kan de geest hier zichzelf niet zijn en komt zonder het te weten in een toestand van bewustzijnsvernauwing te verkeren, waardoor de menselijke geest hier onbewust is geworden van het bestaan van zichzelf als geest. Dat is er de oorzaak van dat de geest zich hier onbewust vereenzelvigt met lichaam en omgeving ... en denkt dat dit alles is wat er is.
Het ontstaan van de toestand van onbewuste vereenzelviging wordt beschreven door de volgende gebeurtenis: bij het ontwaken ga je van de ene kamer (de geestelijke wereld) door een 'deur' naar een andere kamer (de stoffelijke wereld) en daar aangekomen ben je volledig vergeten dat je daarvoor in die eerste kamer was. Terwijl je in die eerste kamer wel een goed beeld hebt van beide kamers en je die volgende kamer ook kunt zien.
Bij het inslapen ga je door dezelfde deur weer naar de eerste kamer terug, maar ook van beide overgangen over de grens tussen de geestelijke en stoffelijke wereld, ben je je hier niet bewust.

"De mens is een burger van twee werelden."
Plato, Griekse filosoof (427 - 347 v.Chr.)
"De geest weet zelf niet wat de geest is."
Cicero, Romeinse filosoof (106-43 v.Chr.)

Inhoud

3.1 De aanvangstoestand: onbewuste vereenzelviging
3.2 Daardoor de vraag: "Wie ben ik eigenlijk?"
3.3 De onbeheerste werkzaamheid
3.4 Geboeid en gedreven
3.5 De bewuste vereenzelviging: gehechtheid
3.6 De zelfgerichtheid: zelfzucht
3.7 De eenzijdige vereenzelviging
3.8 De afgescheidenheid van de oorsprong
3.9 Odin als voorbeeld van aanvangstoestand en geestelijke groei

3.1 De aanvangstoestand: onbewuste vereenzelviging
De geestelijke ontwikkeling naar zelfverwerkelijking en hereniging begint vanuit een tegenovergestelde toestand, wat de aanvangstoestand is, de jeugdtoestand. Dit is een toestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke, tijdelijke bestaan.
Er is in dit stoffelijke bestaan namelijk niets, wat jou je bewust laat worden van jezelf als geest. Door die onbewustheid van jezelf worden je aandacht en toewijding naar buiten getrokken door de overweldigende zintuiglijke indrukken, die jou vanuit de buitenwereld bereiken. Daardoor gaan jouw aandacht en toewijding helemaal in de buitenwereld op. Je draagt jezelf als het ware op de buitenwereld over, de zelfoverdracht, zonder dat te beseffen.
Onbewust vereenzelvig je je daardoor met je omgeving. Daardoor voel je, terwijl je de géést bent, je toch één met dit stóffelijke bestaan en daardoor denk je, dat het stoffelijke het enige is, wat er is.

terug naar de Inhoud

3.2 Daardoor de vraag: "Wie ben ik eigenlijk?"
Door deze onbewuste vereenzelviging met wat je zelf, als geest, níet bent, worden waarden omgekeerd. Daardoor wordt de waarde van het stoffelijke boven het geestelijke verheven. Daardoor heb je voor het stoffelijke en tijdelijke de meeste belangstelling, terwijl je aan jezelf als geest, het wézenlijke en eeuwige, onbewust voorbijgaat!
Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, zíe je ook alleen dit bestaan en blijft de geestelijke werkelijkheid voor je verborgen; maar daardoor zie je in feite slechts de hélft van de werkelijkheid - met alle gevolgen van dien voor je beoordeling van de zin en de waarde van dit stoffelijke bestaan.
Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan moet je er ook in geloven dat God en Gods engelen bestaan, want je kunt het hier niet zeker weten - behalve als het je is getoond.
Deze onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke, met wat je zelf, als geest, niet bent, is daardoor het kernvraagstuk van jezelf als menselijke geest. Het is ook alleen daardoor dat je je op een gegeven ogenblik de vraag kunt gaan stellen: "Wie ben ik eigenlijk?"
Als je door de werkzaamheid van je geestelijke vermogens jezelf als geest hebt herkend ("Ik als geest bedenk in mijzelf déze gedachte."), heb je het antwoord op die vraag gevonden!

terug naar de Inhoud

"Het lichaam is het graf van de geest." [want] "Geest en lichaam zijn aan elkaar verkleefd. De geest moet daarom het bestaande wel zien vanuit een soort gevangenis, niet van aangezicht tot aangezicht, en doolt rond in volslagen onwetendheid."
Plato, griekse filosoof (427 - 347 v.Chr.)

3.3 De onbeheerste werkzaamheid
Hoe zien nu in deze toestand van onbewuste vereenzelviging de vermogens en daarmee de persoonlijkheid eruit? In deze toestand ben je je nog niet helemaal bewust van al je vermogens en daardoor beheers je ze ook nog niet volledig.
Door de onbeheerstheid van je waarnemingsvermogen kan je aandacht worden geboeid door de zintuiglijke gewaarwordingen, die door je zintuigen bij je binnenkomen, waardoor je je aan hen overgeeft en door hen laat leiden.
Door de onbeheerstheid van het denken kan je aandacht worden geboeid door de voorstellingen, die door die zintuiglijke gewaarwordingen worden opgeroepen, waardoor de onbeheerste gedachtenstromen, de eindeloze hersenspinsels ontstaan, de dagdromen.
Door de onbeheerstheid van het voelen kan ook je gemoedsgesteldheid door die gewaarwordingen en voorstellingen worden bepaald en als aandoening, als onbeheerste gemoedsgesteldheid, tot uiting komen.
Door de onbeheerstheid van het willen kan de wilskracht door gewaarwordingen, voorstellingen en aandoeningen worden bepaald en als aandrift, als onbeheerst gedrag, tot uiting komen.

terug naar de Inhoud

3.4 Geboeid en gedreven
Zie je bijvoorbeeld iets, waar je aangename ervaringen mee hebt en wat met een bepaalde gewoonte van behoeftebevrediging heeft te maken - je ziet bijvoorbeeld de koekjestrommel op tafel staan om maar eens iets onschuldigs te noemen - dan komt, na de gewaarwording daarvan, meteen de voorstelling van die behoeftebevrediging bij je op.
Tegelijkertijd ontstaat ook een aandoening in de vorm van het verlángen om die behoefte te gaan bevredigen, waarop de aandrift volgt om dat ook meteen te gaan dóen; en voor je het weet heb je een greep in de trommel gedaan.

De vermogens kunnen zich in deze aanvangstoestand in een toestand van min of meer ónbeheerste werkzaamheid bevinden, waarbij je wordt geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en wordt gedreven door aandoeningen en aandriften. Dit in tegenstelling tot de toestand van beheerste werkzaamheid, waarbij je bewust en beheerst de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en dan besluit er iets mee te willen doen.
Het gaat dus steeds om de vier vermogens, alleen de wijze waarop ze in je gedrag - en daarmee in je persoonlijkheid - tot uiting komen, is anders, namelijk: beheerst of onbeheerst.

terug naar de Inhoud

3.5 De bewuste vereenzelviging: gehechtheid
"Jezus zei: De wereld is als een brug,
ga erover, maar bouw er je huis niet op."
Tekst boven de hoofdingang van de
moskee te Fath-poer Sikri, 16e eeuw
De toestand van onbewuste vereenzelviging die nu is besproken, is meer een algemene begintoestand. Het is een algemene en van tevoren bestaande geestesgesteldheid waarmee ieder mens, zonder dat te beseffen, aan dit bestaan begint.
Op sommige gebieden van je bestaan kan zij uitgroeien tot een toestand van bewúste vereenzelviging met bepaalde mensen, zaken, voorwerpen of met de werking van bepaalde stoffen. Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid. De gehechtheid is een toestand waarin je zodanig in sommige zaken bent opgegaan, dat zíj a.h.w. de baas over jou zijn geworden. Of je het nu wilt of niet, je móet dan bewust naar de bevrediging van bepaalde verlangens streven. Je weet het dan al wel, maar beheerst het (nog) niet.

terug naar de Inhoud

3.6 De zelfgerichtheid: zelfzucht
Hoe zien de geestelijke vermogens in deze toestand er uit?
Door gehéchtheid aan bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen wordt je waarnemingsvermogen verbonden aan een vaak dwangmatig verlangen daarnaar. Dat verlangen gaat gepaard met de dwingende noodzaak om die zaken, stoffen of omstandigheden, die dat verlangen kunnen bevredigen, ook te bezitten, te hebben. M.a.w. door gehechtheid aan het zintuiglijke kan het waarnemingsvermogen worden gekenmerkt door zintuiglijkheid, verslaving en hebzucht.
Door gehechtheid aan de kennis in je geheugen en aan de voorstellingen in je eigen denkwereld, kan het denken worden gekenmerkt door eigendunk, door eigenwijsheid en regelzucht.
Door gehechtheid aan het zelfgevoel kan het voelen tot uiting komen als eigenliefde, als hoogmoed en eerzucht.
Door gehechtheid aan je wilsbesluiten wordt je gedrag gekenmerkt door handelend op willen treden. Maar door de vereenzelviging met anderen ook door: ánderen willen laten handelen naar jóuw besluiten. M.a.w. door gehechtheid aan je wilsbesluiten kan wilskracht worden gekenmerkt door dadendrang en heerszucht.

In de gehechte geestesgesteldheid is de werkzaamheid van je vermogens voornamelijk op jezélf gericht. Deze zelfgerichtheid, dit streven zichzélf in het middelpunt te willen plaatsen, is de zelfzucht. De zelfzucht heeft tot gevolg dat je je niet alleen afsluit voor je medemensen, maar in dezelfde mate ook voor je geestelijke oorsprong.

terug naar de Inhoud

3.7 De eenzijdige vereenzelviging
De onbewuste vereenzelviging en de gehechtheid zijn meer naar buiten gericht. Maar in jezelf kan er zich vanuit je persoonlijkheidsaanleg een eenzijdige ontwikkeling van één van je vermogens voordoen, waarmee je je ook kunt vereenzelvigen. Daardoor ontstaat de eenzijdige vereenzelviging.
Doordat het tegenovergestelde vermogen dan min of meer ónontwikkeld blijft (het denken is het tegendeel van voelen, het willen van waarnemen), ontstaat er een eenzijdigheid in je persoonlijkheid. Deze eenzijdigheden zijn de oorzaak van onevenwichtigheden in je persoonlijkheid en van gebrekkige aanpassing op die gebieden van het bestaan, die met het onontwikkelde vermogen hebben te maken.
Door eenzijdigheid van je waarnemingsvermogen ben je gericht op het opdoen van aangename ervaringen; maar daardoor kan je wilskracht onontwikkeld blijven, waardoor je gemakzuchtig wordt;
door eenzijdigheid van het denken word je gekenmerkt door zakelijkheid en verstandelijkheid; maar doordat het gevoel onontwikkeld is gebleven kun je je, in de omgang met je medemensen, ongevoelig gedragen;
door eenzijdigheid van het voelen ben je juist ingesteld op een persoonlijke gevoelsband met je medemensen; maar doordat je de zekerheid van het denken mist, kun je wel van hen afhankelijk worden;
en door eenzijdigheid van de wilskracht ben je gericht op handelend op willen treden en ondernemen; maar daardoor kun je gebrek hebben aan de zin voor de werkelijkheid van het waarnemingsvermogen, waardoor je kortzichtig wordt.

terug naar de Inhoud

3.8 De afgescheidenheid van de oorsprong
Door deze aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met wat je zelf níet bent en door de daarmee samenhangende gehechtheden en eenzijdigheden, is de mens niet zichzelf naar zijn oorspronkelijke, geestelijke geaardheid. In deze aanvangstoestand kan er op een onbeheerste, zelfzuchtige en eenzijdige wijze gebruik worden gemaakt van de geestelijke vermogens, wat in je gedrag tot uiting komt. Dat is de oorzaak van de verstoring van de omgang met onze medemensen en van al het zinloze leed, dat wij elkaar en ons zelf aandoen.
Het is ook door deze aanvangstoestand, dat je streven naar geestelijke ontwikkeling kan worden geremd en de afgescheidenheid van je geestelijke oorsprong blijft bestaan.

terug naar de Inhoud

3.9 Odin als voorbeeld van aanvangstoestand en geestelijke groei
In deze stoffelijke wereld is de menselijke geest onbewust geworden van het eigen bestaan, doordat de geest als het levende zich hier moet verbinden met de stof als het niet-levende, waardoor de geest hier zichzelf niet kan zijn.
In die toestand staat de menselijke geest voor de bijzondere opdracht zich desondanks bewust te worden van het eigen bestaan. Alleen door zichzelf als werk ter hand te nemen door zichzelf uit eigen beweging geestelijk te ontwikkelen, kan de menselijke geest ook hier, in de remmende omstandigheden van dit tijdelijke bestaan, zichzelf worden.
Die remmende, belastende omstandigheden zijn er juist om de menselijke geest de gelegenheid te geven, door die tegenstanden te overwinnen, krachtiger te worden en van zichzelf bewust, door de bewustwording van de eigen, innerlijke werkzaamheid.

Deze innerlijke, geestelijke strijd wordt in de Edda, het Oud-Noordse sagenboek, verwoord door Odin (Wodan) zelf, die zelf uit zijn diepste diepten is voortgekomen om door geestelijke ontwikkeling - waarvoor hij hier de runestenen, het alfabet dat leidt tot geestelijk inzicht, ontdekt - op eigen kracht zelfstandig te worden als mens.
De remmende omstandigheden in dit bestaan worden weergevene door het beeld van Odin, gebonden aan de wereldboom Yggdrasil.


De Rede van de Verhevene

Ik weet dat ik hing

aan de door wind geteisterde boom,

negen lange nachten,

verwond door mijn eigen speer,

gewijd aan Odin,

mezelf offerend aan mijzelf;

gebonden aan de boom,

waarvan niemand kent,

de wortels waaruit hij groeit.

Niemand gaf mij brood,

niemand gaf mij drank;

ik keek neer in de diepste diepten,

waar ik de Runen ontdekte;
met een luide kreet bemachtigde ik ze,
waarna ik duizelig en bezwijmd neerviel.

Al doende

won ik aan wijsheid;

woord voor woord
werd ik naar het woord geleid,

van daad tot daad.

uit het Oudnoors,
 De Edda (ca. 1200)
Bron: Ralph Blum, Orakel der Runen

Yggdrasil is de naam van de 'Wereldboom' [de altijd groene Taxus] in de Noordse kosmogonie. De naam laat zich letterlijk vertalen als 'paard van Yggr', oftewel 'paard van Odin', en verwijst naar de felle levenskracht die hem draagt en overal heen voert. [...]
Yggdrasil is de levensboom en kennisboom, het symbool van de eindeloos vertakte vorm van dat wat is. Tegelijk draagt en verbindt hij de werelden als wereldas (axis mundi). Deze toont tegelijk de weg naar het hogere, de weg die de sjamaan volgt om in het gebied van goden en geesten te komen. Hij reikt van de onderwereld dwars door de mensenwereld naar de wereld van goden en helden.
Bron: Wikipedia


naar deel 4: de geestelijke-ontwikkeling






^