Nieuwe openbaringen

Overzicht van openbaringsliteratuur

Inleiding
Openbaring van Johannes - Het Nieuwe Testament
Hildegard van Bingen - Scivias, Liber Divinorum Operum
Dante Alighieri - De Goddelijke Komedie
Emanuel Swedenborg - De Ware Christelijke Godsdienst
Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie

Helena Blavatsky - The Theosophical Society
Rudolf Steiner - Grondlegger van de antroposofie
Max Heindel - De Rozekruisers Orde
Joseph Smith - Het Boek van Mormon
Levi Dowling - Het Aquarius Evangelie van Jezus Christus
Bô Yin Râ - Joseph Anton Schneiderfranken (met diaserie schilderijen)
Martinus Thomson - Het Derde Testament
Edgar Cayce - De slapende profeet
Soendar Singh - Ik zie de hemelen geopend
Omraam Mikhaël Aïvanhov - De Universele Witte Broederschap
Jozef Rulof - Een blik in het hiernamaals (met diaserie schilderijen)
Mirin Dajo - De onkwetsbare profeet
Muhammad Subuh Sumohadiwidjojo - Subud
Jane Roberts - Seth spreekt
Grace Cooke - White Eagle
Murdo McDonald-Bayne - Goddelijke heelmaking van ziel en lichaam
Johannes Greber - Omgang met Gods geestenwereld
Bertha Dudde - De profetes van de eindtijd
Gabriele Wittek - Ursache und Entstehung aller Krankheiten
John Newbrough - Oahspe
Het Urantia Boek - Het boek van de Aarde
Psychosofia - Zohra Bertrand-Noach
Helen Schucman - Een Cursus in Wonderen


Inleiding
In de persoon van Jezus is Gods heilige geest als mens op aarde geweest:
Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven (God met ons). Jesaja 7:14
En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze (hoogachting) des Heren. Jesaja 11:2


Maria met Jezus
Adriaen van Wesel, ca. 1480
bron: Rijksmuseum
De engel antwoordde Maria: "De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God." Lukas 1:35
Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je zult Hem de naam Jezus (van Hebreews 'Jehova shua': God redt) geven. Lukas 1:31

Jezus heeft door middel van zijn leerlingen zijn leer aan de mensheid gegeven, geopenbaard. Vóór die tijd heeft Gods heilige geest door middel van de aartsvaders en de profeten (Grieks profètès: tolk van God) tot het volk gesproken; daarná door middel van meerdere personen die ook de rol van profeet op zich hebben genomen.
De tegemoetkoming van de heilige geest als de mens Jezus naar de mensheid toe, had een bevorderende uitwerking op de geestelijke ontwikkeling van velen. Daardoor werden de lichte gebieden in de geestelijke wereld steeds meer bevolkt. Door liefde gedreven begonnen van daaruit ook menselijke geesten zich naast Gods heilige geest en Gods engelen voor de ontwikkeling van de mensheid op aarde in te zetten; dat gebeurde en gebeurt vanuit hógere én vanuit mínder hoge geestelijke werelden. De menselijke geest op aarde is echter niet in staat de mate van verhevenheid van een van die werelden en van de personen die daar leven, vast te stellen.

Er verschenen boeken waarin wordt gesteld dat de tekst door Jezus zelf is doorgegeven of waarin met gezaghebbende toon in naam van Jezus wordt geschreven, maar ook boeken waarin Jezus' naam niet wordt genoemd, maar alleen die van de doorgevende geest; daarnaast komt het voor dat er in het geheel geen naam wordt genoemd. Niet alleen zijn de bronnen van deze doorgegeven literatuur verschillend, dat geldt ook voor de wijze waarop het doorgeven in zijn werk is gegaan: automatisch schrift, het horen van een stem, het zien van visioenen, spreken door een aards medium vanuit de geestelijke wereld, het maken van reizen in de geestelijke wereld vanaf de aarde.
Ook moet in gedachten worden gehouden dat de persoonlijkheid van de ontvanger mede invloed heeft op de vorm en de sfeer waarin het doorgegeven werk op aarde verschijnt.

Het lijkt alsof de menselijke geest die op aarde verblijft aan de willekeur van hen die in de geestelijke wereld zijn, is overgeleverd. Dit is echter eigen aan de aard van de geestelijke leerschool, die de aarde voor de menselijke geest is, het moet zo zijn. De menselijke geest is op aarde aanwezig om te leren op eigen kracht, schijnbaar zonder steun of beloning, de eigen geestelijke vermogens tot ontwikkeling te brengen. Dat gebeurt door de ervaringen met de gebeurtenissen die in de tijd als stroom van gebeurtenissen op de mens toekomen, met de geestelijke vermogens te verwerken: zoveel als mogelijk is ervaringen waar te nemen, ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens te willen handelen naar de redelijke en zedelijke besluiten die zo zijn gevormd. Dat betekent dat steeds keuzes moeten worden gemaakt.
In wat op de mens toekomt aan gebeurtenissen is de mens niet vrij om te kiezen, wat er vervolgens mee moet worden gedaan, in zekere mate. Door die betrekkelijke vrijheid van keuze, door daarnaar te handelen en door de gevolgen van die keuze vervolgens zélf te ondergaan, leert de menselijke geest de eigen vermogens bewust en beheerst te gebruiken; uiteindelijk worden ze zo ontwikkeld tot het geweten en de deugden.

Wat op aarde ook op de mens toekomt in de tijd als stroom van gebeurtenissen, is de stroom van doorgegeven, geopenbaarde literatuur. Van al deze hemelse schrijvers kan de mens op aarde iets leren. Zoals Paulus reeds aanraadde, is het goed alles te onderzoeken en het goede daaruit te behouden (1 Tess. 5:21). De grote verscheidenheid aan openbaringsliteratuur heeft als bedoeling de mens tot bestudering aan te zetten en zélf een keuze maken wat daarin als goed wordt gevonden: het gaat er juist om de zelfwerkzaamheid te bevorderen, want alleen dat betekent geestelijke groei.
De geestelijke groei wordt geremd als slechts voor één van deze schrijvers wordt gekozen en daar vervolgens vereenzelviging mee optreedt. Echter, niet een van deze schríjvers is het doel, maar de ontwikkeling van de menselijke geest! De menselijke geest heeft echter in het begin van zijn ontwikkeling de neiging zich angstvallig aan het eerste het beste onderwerp dat zich aandient, vast te klampen en dan niet verder meer te willen kijken - de oorzaak van groepsgeest, sectevorming, van onmin, verwijdering en strijd, het tegendeel van wat de geopenbaarde literatuur bedoelt.
Ook laat het bovenstaande, nog niet volledige lijstje zien, dat ook in de geestelijke wereld meerdere levensbeschouwingen naast elkaar bestaan!

In geestkunde wordt alle aandacht en toewijding van de mens gericht op datgene van zichzélf als menselijke geest, wat réchtstreeks, in de eigen binnenwereld, van zichzelf ervaarbaar is: de werking van de éigen, geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen.
Dat is het meest onmiddellijke bewijs van het bestaan en van de scheppende werkzaamheid van de geest; want door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens... openbaart in de eigen binnenwereld de geest zich aan zichzelf!

terug naar het overzicht

Openbaring van Johannes - Het Nieuwe Testament


Maria met kind op maansikkel
Openbaringen van Johannes
Albrecht Dürer, bron: Rijksmuseum
Het laatste nieuw-testamentische bijbelboek behoort wat stijl en vormgeving betreft tot de zogenaamde apokalyptische, dat is onthullende, openbarende literatuur. Het wordt dan ook wel kortweg 'Apokalyps' genoemd. De apokalyptische literatuur is in het Joodse volk ontstaan in de tweede eeuw vóór Christus. Deze literatuur bedient zich van een geheimtaal, een code, waarin een boodschap wordt meegedeeld aan ingewijden. Vandaar de rijkdom aan beelden en symbolen uit oosterse godsdiensten en culturen, en het gebruik van beeldspraak die verband houdt met de sterrenhemel. In het oude testament behoort onder andere een gedeelte van Daniël tot dit literaire genre.
De apostel Johannes heeft van deze symbolen gebruik gemaakt om vanuit zijn ballingschap op het eiland Patmos, de christenen in Klen-Azië te troosten en te bemoedigen tijdens de hevige vervolgingen die onder keizer Domitianus plaatsvonden. De boodschap is dat Christus heeft overwonnen en alle grote wereldmachten ten spijt, de eindoverwinning aan hem en zijn volgelingen is. Het heden van die tijd wordt in het perspectief gezet van de grote komende dingen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (hoofdstuk 21:1-8).
In feite is Johannes de eerste in de rij van profeten na het aardse bestaan van Jezus.

De indeling van het boek is als volgt:
roepingsvisioen, hoofdstuk 1;
zeven brieven aan de kerk van Klein-Azië, hoofdstuk 2-3;
een serie visioenen, die in een rijke symbolische taal de evangelische boodschap brengen van Christus' overwinning, hoofdstuk 4-22;
slot, hoofdstuk 22.
Heel bekende gedeelten uit de visioenen zijn: hoofdstuk 7:9-17, de schare die niemand kan tellen; hoofdstuk 12-14, de draak en het beest; hoofdstuk 17-19, de val van Babylon; hoofdstuk 20:1-6, het duizendjarige rijk; hoofdstuk 21:1-8, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en hoofdstuk 21-22, het nieuwe Jeruzalem.
Wanneer men de sleutel tot het verstaan van de apokalyptische stijl en taal niet kent, lijkt de inhoud wartaal. Met geen enkel bijbelboek is daardoor zo gesold als met dit nieuw-testamentische boek.
Weliswaar wordt dit boek aan de apostel Johannes toegeschreven, maar het is pas tussen de jaren 90 en 110 op schrift gesteld.

Openbaring 1:1-3
1 Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven. 2 Deze heeft van het woord Gods getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft. 3 Zalig hij die voorleest en zij die horen de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.
Bron: Het Nieuwe Testament; Nederlands Bijbel Genootschap

terug naar het overzicht

Hildegard van Bingen - Scivias en Liber Divinorum Operum


Hildegard van Bingen
bron: www.abtei-st-hildegard.de
Hildegard werd in 1098 geboren als het tiende kind van een adelijke familie te Bernersheim in het Rijnland. Ze was van jongs af aan helderziende. Toen ze acht jaar was werd ze naar het benedictijner klooster op de Disibodenberg gebracht, waar een vrouwenafdeling was. Hildegard werd daar abdis toen ze 38 was.
In het jaar 1141 (43 jaar) beginnen de grote visioenen, die in drie groepen komen. Ze krijgt de opdracht die op schrift te stellen en te verspreiden. De vrouwenafdeling van het klooster begint te groeien en ze besluit een eigen klooster te stichten op de Rupertsberg bij Bingen, niet ver daar vandaan. Daar overlijdt ze op 81-jarige leeftijd.
Hildegard heeft veel gestudeerd en geschreven. Ze schreef een toneelstuk (Ordo virtutum, de ontwikkeling van de deugden), muziek en liederen. Naast de boeken met haar getekende visioenen: het Liber scivias, Liber Vitae Meritorum en het Liber Divinorum Operum, schreef ze ook over de natuur (Physica) en de geneeskunde (Causae et Curae).
De visioenen van Hildegard zijn uniek in de wereldgeschiedenis. Hun grootsheid komt overeen met de werken van Bach, de schilderijen van Rembrandt en de Divina Commedia van Dante.
Hildegard was in haar tijd alom bekend; ze heeft reizen gemaakt in de omgeving om op uitnodiging van abten in hun klooster te preken. Ze kwam eigenlijk als een Joodse profetes. Ze kwam in een tijd dat het Christendom op zijn hoogtepunt was en de tekenen van verval zichtbaar werden; ze kwam om de mensen op een deugdzaam leven te wijzen. Zo keurde Hildegard de jodenvervolgingen alsook de kruistochten af. Ze schrijft honderden brieven en wijst koningen en bischoppen op hun plichten. Ze heeft daardoor veel medewerking, maar ook tegenwerking ondervonden.

De stem van het levende licht:
"Hildegardis, roep, ja schreeuw het uit, het wezenlijke dat je in één lichtflits, in één mystieke ervaring hebt mogen beleven. Ik, God, zet je daartoe aan. Immers, zij die eigenlijk het evangelie als de blijde boodschap moesten verkondigen, laten door zelfzucht verstek gaan. God, die alles geschapen heeft en regeert, zal degenen die Hem in ootmoed dienen met hemels licht doorstralen om hen die ermee instemmen tot ware aanschouwing te voeren."
"Dit zijn de wegen des Heren. Wie instemt met God zal nooit uit het hemelse evenwicht worden losgerukt, wees dus niet bang. Immers, in de geschapen, zichtbare dingen openbaart God de onzichtbare geestelijke dingen." (Scientia vias Domini)

"Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn." (Liber divinorum operum)

terug naar het overzicht

Dante Alighieri - De Goddelijke Komedie


Dante Alighieri
schrijver, dichter
De Divina Commedia beschrijft van een tocht door het hiernamaals. Het gedicht heeft drie delen: Hel, Louteringsberg en Paradijs. Na een inleidend gezang heeft ieder deel drieëndertig gezangen. Het is geschreven in elflettergrepige verzen die zijn gerangschikt in drieregelige coupletten: terzinen. Iedere terzine bestaat uit drieëndertig lettergrepen en het rijmschema is ababcb. Het enorme gedicht telt 14226 regels.
Dante zelf noemde het gedicht La Commedia, maar zijn tijdgenoten waren er zo van onder de indruk, dat zij het meteen La Divina Commedia noemden.

Dante maakt zijn reis door de geestelijke wereld in de paasweek van het jaar 1300. Hij beschrijft zijn reis pas elf jaar later. Door zijn astronomische beschrijvingen van de standen van de planeten t.o.v. de sterrebeelden weten we de data in 1300. Deze planeetstanden komen overeen met de astronomische gegevens, Dante kan die elf jaar later niet hebben bedacht, hij beschrijft ze uitgebreid en nauwkeurig. Hij moet het dus in het echt zo hebben gezien. Met zijn geestesoog zag hij de geestelijke wereld, met de stoffelijke ogen de stoffelijke. Hij beschrijft zijn reis als een persoonlijke ervaring. Hij ziet de dingen in visioenen gebeuren en beschrijft ook de intense gevoelens die hij beleeft. Het verhaal is niet een verzinsel of slechts denkbeeldig, zoals algemeen wordt beweerd. Veel van zijn ervaringen komen overeen met die van anderen na hem.
In het eerste gezang van het gedicht is Dante verdwaald in een donker woud. Terwijl hij wanhopig naar hulp uitziet, ontmoet hij de dichter Vergilius. Hij kan hem de weg wijzen, maar die voert wel door de hel. Samen verlaten zij het aardoppervlak en dalen af naar de hel, een geheel van zich steeds verder vernauwende kringen als een geringde trechter, die in het middelpunt van de aarde eindigt.
Tijdens deze tocht ontmoet Dante in hel, vagevuur en hemel een groot aantal overledenen, een verbazingwekkende en boeiende rij van mensen, waarin alle mogelijkheden van de mens, ten goede en ten kwade, tot uitdrukking komen. Met velen van hen voert Dante leerzame, levensbeschouwelijke gesprekken over de meest uiteenlopende onderwerpen.

Langs het middelpunt van de aarde stijgen Dante en Vergilius weer op naar het zuidelijke halfrond. Zij bereiken een eiland met een hoge berg, de louteringsberg, waar geesten geleidelijk gelouterd worden en dan opstijgen naar de hemel. Deze berg is het tegenbeeld van de hel en heeft langs zijn hellingen steeds nauwer wordende gaanderijen. Daarlangs stijgen Dante en Vergilius op tot aan de top, waar zich het aardse paradijs bevindt. Wanneer zij daar zijn aangekomen, wordt Vergilius als begeleider afgelost door zijn geliefde Beatrice. Samen met Beatrice stijgt Dante nu op naar het paradijs. Door de negen sferen die de aarde omgeven en met steeds sneller wordende beweging om haar draaien, stijgen zij op tot de eeuwige woonplaats van de heiligen, die worden bestraald door het licht van God.
Dante verliest nooit het doel uit het oog waarmee hij zijn gedicht begonnen is: de levensgang verbeelden van de gevallen mens. Als de voornaamste bron van alle zonden zag Dante de hebzucht. De mens die opstaat uit zijn zonde, zich van het kwaad zuivert en alle neigingen ten kwade in zich doodt, vindt tenslotte in de aanschouwing van de eeuwige waarheid, die God zelf is, zijn volmaakte rust en vrede. De laatste gezangen van het Paradiso zijn van een weergaloze, verheven schoonheid.

terug naar het overzicht

Emanuel Swedenborg - De Ware Christelijke Godsdienst


Emanuel Swedenborg
natuurwetenschapper,
mysticus
Emanuel Swedenborg werd op 29 januari 1688 te Stockholm geboren. Zijn vader was hofpredikant en hoogleraar dogmatiek, en werd later bisschop van Zweden. Al op zeer jeugdige leeftijd hield Swedenborg zich met levensvragen bezig en voerde hij gesprekken met theologen, waarbij zijn ondogmatische zienswijze opviel.
Hij studeerde mijnbouw- en werktuigbouwkunde, deed een aantal uitvindingen op allerlei gebied, begon een wetenschappelijk tijdschrift en wees een aanbod om hoogleraar te worden af. Hij deed geologisch onderzoek, stelde vast dat aardlagen zeer oud waren en Zweden in het verleden onder water moest hebben gelegen, een revolutionaire gedachte voor die tijd. Ter afwisseling van zijn vele bezigheden schreef hij Latijnse gedichten. Hij werd lid van het Zweedse Hogerhuis en spande zich in om het onderwijs te verbeteren en drankmisbruik terug te dringen. Hij werd benoemd tot lid van de Academie van Wetenschappen te Stockholm en St. Petersburg. Hij maakte veel studiereizen en was in zijn tijd een van Europa's bekendste geleerden.

In 1734 gaf hij een diepzinnig boekje uit over het oneindige, dat het begin was van een nieuwe richting in zijn openbare leven, die in zijn gedachtenwereld echter altijd al aanwezig was geweest. Het onderwerp was de verhouding tussen God en mens, geest en stof, ziel en lichaam. De veelzeggende titel was: Inleiding tot een filosofische beschouwing aangaande het oneindige en de eerste oorzaak van de schepping, en aangaande het werktuiglijke van de werking van de ziel en het lichaam.
Het was Swedenborgs streven het bewijs te leveren van het bestaan van God en de menselijke ziel. Hij wilde dat bereiken door een grondige studie van het menselijke lichaam, dat hij als een microkosmos beschouwde waarin alle eigenschapen van de schepping tot uitdrukking komen. Hij was ervan overtuigd dat het lichaam een afbeelding is van de ziel, en de ziel op haar beurt een afbeelding van God.
Hij bestudeerde de werking van de organen van het lichaam in verband met de geestelijke natuur van de mens; in Italië deed hij een anatomische studie van de hersenen en gaf over deze onderwerpen meerdere boeken uit. Hij trok de aandacht van veel geleerden, o.a. Immanuel Kant, die met instemming de overeenkomsten zag met zijn eigen gedachtengoed.

In 1736 begon hij bijzondere dromen en geestelijke ervaringen te krijgen die hij moeilijk kon verklaren, maar die hij later herkende als het begin van de grote verandering in zijn leven. De dromen lieten hem zijn menselijke tekort zien waardoor hij zich bewust werd van zijn eerzucht en hoogmoed, wat hem in een toestand van innerlijke tweestrijd bracht. Hij trachtte zich te bevrijden van zijn wereldse gezindheid om zich geheel tot God te kunnen wenden. Hierdoor kwam er een einde aan zijn streven om alleen op natuurwetenschappelijke wijze inzicht te krijgen in de geheimen van Gods schepping en het geestelijke en lichamelijke bestaan van de mens.
Door de dromen besefte hij zich te moeten overgeven aan Gods leiding. In een aantekening over een van deze dromen schrijft hij: "Dit was een voorspelling dat God Zelf mij zal onderrichten zodra ik zal gekomen zijn tot die staat waarin ik niets zal weten en al mijn vroeger gevormde begrippen verwijderd zullen zijn, welke staat de eerste staat van onderricht is. Met andere woorden: Ik moet eerst worden gelijk een klein kind, daarna kan ik met kennis worden gevoed. Dat is nu met mij het geval."

Toen hij deze staat van deemoed had bereikt, werd het hem gegeven de geestelijke wereld te mogen aanschouwen doordat zijn geestesoog werd geopend, waarna hij met de ervaringen die hij daar mocht opdoen en de leringen die hij verkreeg, een godsdienstige filosofie kon gaan ontwikkelen. Hij stond nu rechtstreeks in verbinding met de geestelijke wereld en met engelen die daar bij hem waren. Zij lazen gezamenlijk de Bijbel en de engelen legden hem de geestelijke betekenis van de teksten uit. Dat was noodzakelijk doordat de Bijbel in de kerk een onbegrepen boek was geworden.
Swedenborg zegt dat hij als taak had gekregen de geestelijke strekking van de Bijbel weer duidelijk te maken en het inzicht in de Christelijke leer te herstellen. Hij stelt nadrukkelijk dat hij een dienstknecht van God is en dat de waarheden die hij bekend maakt, niet van hem afkomstig zijn. God opende zijn geestelijke oog zodat hij die waarheden kon zien en wat hij zag deelde hij aan de wereld mee.
De kerk en het christelijke onderwijs waren in die tijd geheel werelds geworden. Daardoor was het noodzakelijk de kerk weer inzicht te geven in het wezen van de mens en in de betrekking tussen de geestelijke en stoffelijke wereld. Over het leven in het hiernamaals, over de geestelijke werelden, hemelen en hellen, was niets bekend.

Swedenborg leert dat er twee rijken zijn: het geestelijke en het natuurlijke. Het geestelijke rijk is het wezenlijke, dat van de natuur is daar een afdruk van. Tussen het geestelijke en stoffelijke heerst de wet van de overeenstemming, waardoor de betekenis van de geschapen natuur alleen kan worden begrepen vanuit de scheppende geest. Met zijn geopende geestesoog kon hij deze algemeen geldende betrekking tussen geest en stof, de wet van de overeenstemmingen, leren kennen. Zijn uitgebreide kennis van de stoffelijke wereld, in het bijzonder van het menselijke lichaam doordat hij ook natuurwetenschapper was, stelde hem in staat deze wet volledig toe te passen.
De wet van de overeenstemmingen bleek in het bijzonder van toepassing toen engelen hem de geestelijke betekenis van de Bijbel uitlegden. Swedenborgs voornaamste taak was de ware betekenis van de Bijbel voor de kerk te herstellen. Van de theologische werken die hij uitgaf was twee derde aan verklaring van de Bijbel gewijd en ook het niet uitgegeven werk gaat voor het grootste deel over bijbelverklaring. Als hij de geestelijke wereld beschrijft, heeft dat als doel die wetten en beginselen te verduidelijken. Voor Swedenborg is Gods Woord de enige bron van geestelijk inzicht voor de mens. Hij las de Bijbel vele malen en schreef tekstvergelijkingen.

In 1747 vertrok Swedenborg naar Nederland waar hij het eerste deel van zijn theologische hoofdwerk schreef, de Arcana Coelestia of Hemelse Verborgenheden, daar door hemzelf uitgegeven. In de Arcana past hij de wet van de overeenstemmingen stelselmatig toe op de uitlegging van de Bijbel. In dit werk geeft Swedenborg aan het begin en het einde van ieder hoofdstuk een beschrijving van de geestelijke wereld en van de bewoners van andere planeten uit eigen ondervinding; verder schreef hij over het Laatste Oordeel en de Wederkomst van God.
In de verhandelingen over de Goddelijke Liefde toont hij aan dat Gód alleen de Liefde Zelf is, omdat Hij het Leven Zelf is: mensen en engelen zijn alleen ontvangers van dat leven. In de verhandeling over de Goddelijke Wijsheid wordt de schepping van de mens beschreven en de overeenstemming die er is tussen deze eerste geboorte en de geestelijke wedergeboorte van de mens. In het boek over de Engellijke Wijsheid aangaande de Goddelijke Voorzienigheid stelt hij dat Gods doel met de schepping het vormen van een Hemel met vrije en redelijke wezens is en toont hij aan dat alle gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid in overeenstemming zijn met dat geestelijke doel. Het werk over de Echtelijke Liefde behelst een belangrijk onderwerp, omdat die liefde haar oorsprong heeft in de vereniging van Liefde en Wijsheid in God Zelf.

Swedenborg ontving veel bezoekers wat hem veel tijd kostte, maar desondanks was hij in staat om een groot aantal boeken te schrijven. Hij zei dat zijn engel hem dicteerde en dat hij vlug genoeg kon schrijven. Hij schreef 25 titels met meerdere banden die zijn uitgegeven.
Bron: Swedenborg Genootschap
en www.swedenborg.nl  Digitale Swedenborg Bibliotheek

Iedereen die dit onderwerp wil onderzoeken,
zal ontdekken dat liefde onze levenskern is.
We worden warm door de aanwezigheid ervan
en koud vanwege de afwezigheid,
en wanneer het geheel afwezig is, gaan we dood.
We moeten toch echt beseffen,
dat het de kwaliteit van onze liefde is
die de hoedanigheid van ons leven bepaalt.
Emanuel Swedenborg, Hemel en Hel 14


terug naar het overzicht

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie

1. Het wezen van God

Jakob Lorber (1800-1864)
muziekleraar, mysticus
God is de eeuwige, oneindige geest. De geest is de oerkracht en de grondslag van alle zijn. Zijn voornaamste eigenschappen zijn liefde, wijsheid en wilskracht. De goddelijke geest vult het heelal (de algeest, de 'wereldziel' van de antieken).
Deze oneindige algeest heeft een innerlijk machtsmiddelpunt (het algeestmiddelpunt), van waaruit als uit een zon gedachten, liefde en wilskracht in de schepping uitstromen. In dit oermachtscentrum bevindt God zich als bestaand Wezen (de heilige geest) en wel in de hoogste van alle levensvormen als volkomen 'Geest-Oermens' (God schiep de mensen naar Zijn beeld). Vanuit dit oermachtscentrum is de geest van God eeuwig scheppend werkzaam. De hele schepping is een geweldige ontwikkeling naar vervolmaking van de Goddelijke gedachten. Zij keren na een grote kringloop tot levensvoleinding weer terug naar God. Die ontwikkeling voltrekt zich in ontzagwekkende, door rustperioden gescheiden tijdperken (de scheppingsdagen), van eeuwigheid tot eeuwigheid.

2. De geestelijke oerschepping
Aan de voor ons zichtbare, stoffelijke schepping gingen geestelijke scheppingen vooraf. God heeft toen uit de als het ware buiten zichzelf geplaatste oerlevensvonk grote geestelijke wezens geschapen volgens Zijn beeld (oer-aartsengelen), die zelf meerdere aan hun gelijke geestelijke wezens in het leven konden roepen. Zo ontstonden legioenen grote geestelijke wezens (engelen), die zich volgens het ordeningsgebod van de Gods- en broederliefde zouden ontwikkelen, tot ze aan God gelijk zouden zijn.
Een deel van deze wezens verviel onder leiding van hun hoofdgeest Satana (Lucifer) krachtens hun vrije wil in grenzeloze eigenliefde en zelfverheerlijking. Volgens de eeuwige ordening moest echter de voedende levensstroom uit God opdrogen voor degenen, die zich van God afscheidden. Daardoor verstarden ze als het ware en verdichtten ze zich tot hulpeloze massa's. Door verdichting van de geestelijk-etherische oeressentie ontstonden toen in de scheppingsruimte de oernevels van de materie of de wereldstof (materialisatie).

3. De grondslag van de wereld
Volgens Lorber bestaat er geen stof in de betekenis die het materialisme daaraan geeft. Alles is energie, namelijk Gods oergeestkracht, gesplitst in allerkleinste oerstofdeeltjes (oerlevensvonken). Ook het vroeger als kleinste deeltje beschouwde atoom is een uit talloze deeltjes bestaand levend universum in het kleinste formaat (vergelijk hiermee de nieuwste ontdekkingen der kernfysika).
Uit de oergronddeeltjes (tegenwoordig elektronen of kwanten genaamd) die niets anders zijn dan zelfstandig gemaakte gedachtenkrachten van God, is de hele wereldruimte planmatig opgebouwd.

4. De stoffelijke materiële schepping
Zouden de gevallen oerwezens eeuwig in de ban van hun gericht blijven of toch nog tot voleinding teruggevoerd worden in Gods heilige levensorde? De goddelijke liefde erbarmde zich over de gevallen geestenwereld. Met behulp van de trouw gebleven engelgeesten bouwde de Schepper het stoffelijke heelal uit de oernevelen van de wereldstof, door deze in te lijven en tot nieuw leven te brengen. Dit beeldt in zijn geheel het verhaal van de 'verloren zoon' uit (hiermee is het ontstaan van de wereld volgens Kant-Laplace geestelijk verklaard). Hiermee begon God in de talloze wereldsystemen en op de wereldgloben een verlossing van de in de materie gebonden wezens.

5. Doel van het natuurleven
Op alle hemellichamen worden door het Goddelijke bestuur de in de verstarde wereldstofmassa's vastgelegde levensvonken meer en meer losgemaakt. Deze losgemaakte luciferische levensvonken worden door de engelen, de dienaren van de Schepper, naar diens liefdevolle en wijze heilsplan in de rijken van de natuurwereld gebracht en wel in steeds nieuwe geestelijke louteringsscholen. Dit gebeurt doordat ze - tot steeds meer omvattende verbintenissen of 'zielen' verenigd - in steeds hogere levensvormen trapsgewijs door het mineraal-, planten- en dierenrijk omhoog worden geleid (Darwins ontwikkelingsleer vanuit een allesomvattend geestelijk gezichtspunt).
De 'natuurzielen' worden op deze geestelijk-lichamelijke weg geleid tot de bouw en het gebruik van hun tijdelijke levensomhulsel (alle scheppingen van de drie natuurrijken). Ze beginnen daardoor hun tegen Gods ordening ingaande zelfzucht langzamerhand te overwinnen en zich tot de hemelse ordening van dienen in wederzijdse liefde te bekeren (opbouw van gemeenschappelijke verbintenissen, organismen). Het evangelie predikt ook de verlossing van alle schepselen door de macht van de liefde.

6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling
De op deze manier uit de luciferische materie opgestegen mensenziel moet - onder invloed van de haar ingeblazen, goddelijk geestelijke liefdesvonk - zich nu in het aardse leven waar maken. Door vrijwillig de liefdesgeboden van God te gehoorzamen zal de mens zich steeds verder tot een waarlijk kind van God ontwikkelen, om tenslotte, als hij dat doel bereikt heeft, de ware vrijheid en zaligheid van het eeuwige leven binnen te gaan.

7. Het wezen van Jezus
Toen de schepping zover was gerijpt dat ze de diepste onthulling van de goddelijke liefde - de Godheid als 'Vader' - kon begrijpen, koos God de naar het uiterlijk zo onaanzienlijke aarde voor de grootste liefdedaad van Zijn erbarming uit. Hier, waar de innerlijkste geestkern van Lucifer in de ban wordt gehouden, hulde God Zijn geestmenselijke oermachtscentrum in het gewaad van de materie ('het Woord werd vlees').
In Jezus Christus trad God Zelf het mensenrijk binnen om deze en tevens alle geesten uit de oneindigheid te onderrichten. Als machtigste getuigenis van Zijn liefde trok Hijzelf het kleed van de materie aan. Dit deed Hij om de gevallenen uit het gericht te verlossen en de gelouterden dan in het Vaderhuis terug te voeren (gelijkenis van de verloren zoon).
De geest van Jezus, het heilig oermachtscentrum van God, is de 'Vader'. De ziel van Jezus (en zijn lichaam), dat wil zeggen het menselijke, is de door de Vader geschapen 'Zoon'. De in de oneindigheid uitstralende Godskracht, uitgaande van de Vader door de Zoon, is de 'Heilige Geest'. Zo zijn in Christus de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd. Jezus: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', en: 'Ik en de Vader zijn een'.

8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte
Als de enige tot de voleinding en eeuwig leven in God voerende weg (geestelijke ontwikkelingsweg) predikte Jezus de grondwet van de gehele schepping: 'Heb God lief boven al en je naaste als jezelf'.
Noch uiterlijke goede werken (ontvangen van het sacrament), noch uiterlijke geloofsgerechtigheid (geloofsbelijdenis), zijn voldoende; ze zijn hoogstens hulpmiddelen op de heilsweg van de zuivere daadkrachtige liefde, de oergrond van alle zijn.
Is met behulp van Gods geest in de mens de zuivere hemelse liefde tot onbeperkt heerser geworden, dan is de mens aan het gericht der materie ontgroeid en heeft hij de geestelijke wedergeboorte bereikt. Dan vermag de gelouterde ziel, die met de haar ingeplante geest uit God dan volledig verbonden is, tot een waar kind van God uit te groeien, één met haar Schepper en hemelse Vader en ze heeft dan eeuwig deel aan de volheid van Zijn goddelijke levens- en werkingskrachten.

9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals
De meeste mensen van de aarde treden na de dood van hun lichaam nog onvolmaakt in de fijnstoffelijke sfeer van het hiernamaals binnen. De goddelijke liefde biedt hen dan nieuwe mogelijkheden om zich te scholen, zodat tenslotte allen - zij het vaak op moeilijker en pijnlijker manier - toch nog tot voleinding komen. Want het goddelijk plan van een algemene verlossing kent geen eeuwige verdoemenis!
Om dit einddoel te bereiken komen de nog onrijp uit het leven scheidende zielen aan 'gene zijde', dat wil zeggen in de voor de aarde onzichtbare, geestelijke wereld, eerst in een soort droomleven. Hier valt hen tot hun belering een innerlijk geestelijk schouwen ten deel, waarbij zij door beschermende machten worden geleid.
Al naar gelang van hun goede of boze instelling roept dit een paradijslijke verrukking of een helse pijn bij hen op. Hemel en hel zijn dus geen plaatselijke bepalingen, maar geestelijke ontwikkelingsstadia van de ziel. Sterk op zichzelfgerichte, aardegebonden zielen worden ook wel verder opgevoed door opnieuw in het leven geroepen te worden (reïncarnatie) op andere stoffelijke werelden of soms ook op deze planeet.

10. Het doel der voleinding
Zielen, die zich op aarde of in het hiernamaals tot zuivere Gods- en naastenliefde lieten louteren, geraken in een steeds nieuwe en gelukkig makende werkelijkheid. Hun geestelijke zien en innerlijke kracht nemen toe in de drie opeenvolgende hemelen, in overeenstemming met de zuiverheid en sterkte van hun liefde. De eindeloze opklimming in gelukzaligheid van de voleindigde wezens bestaat uit een steeds dieper erkennen van God, een steeds grotere liefde tot Hem en al Zijn schepselen, alsook in een steeds intensiever medewerken aan het verheven werk der schepping als de openbaring van alle zijn en leven.
Bron: Jakob Lorber Stichting

terug naar het overzicht

Helena Blavatsky - Theosofie


Helena Blavatsky
Helena Petrovna Blavatsky werd op 12 augustus 1831 in Dnjepropetrovsk in Rusland (nu Oekraïne) geboren; ze was de dochter van kolonel Peter Alexejevitsj von Hahn en de romanschrijfster Helena Andrejevna (geboren De Fadjejev). In 1849 trouwde ze met N.V. Blavatsky, en kort daarna begon ze aan een periode van meer dan 20 jaar van reizen over de hele wereld; op zoek naar wijsheid en kennis kwam ze in contact met veel religieuze/mystieke tradities en ontmoette ze haar oosterse leermeesters.
In 1873 kwam Blavatsky vanuit Parijs aan in New York waar ze, aangespoord door haar leraren, haar werk begon. Aanvankelijk probeerde ze de spiritisten te interesseren in de filosofie achter de verschijnselen, maar zij waren verontwaardigd over haar weigering om hun standaardverklaringen te accepteren. In juli 1875 kreeg ze de opdracht om 'een filosofisch-religieuze society' op te richten, en in de herfst van datzelfde jaar werd ze de hoofdstichter, samen met H.S. Olcott en W.Q. Judge, van de Theosophical Society. De rest van haar leven wijdde ze aan de humanitaire en opvoedkundige doelstellingen daarvan.
Ongeveer in de tijd dat de Society werd opgericht, begon ze haar eerste grote boek te schrijven, Isis ontsluierd, en na publicatie ervan vertrokken zij en H.S. Olcott in 1878 naar India. Daar werkten ze om de oosterse filosofische en religieuze ideeën opnieuw te vestigen, grotendeels door middel van The Theosophist, een tijdschrift dat Blavatsky oprichtte en redigeerde.
In 1884, toen Blavatsky door Europa reisde, gingen ontevreden TS-medewerkers in India met vervalste documenten naar de missionarissen, en beschuldigden HPB van fraude. De Society for Psychical Research (SPR) stuurde toen Richard Hodgson om de beschuldigingen te onderzoeken en daarop publiceerde hij een ongunstig rapport. (In 1986 publiceerde de SPR een analyse van het 'Rapport van Hodgson' geschreven door dr. Vernon Harrison, een SPR-lid en expert op het gebied van het onderzoek naar vervalsingen en handschriften, waarin werd geconcludeerd dat het Rapport van Hodgson bevooroordeeld, onwetenschappelijk en helemaal niet overtuigend was.)
In 1885 verliet ze India en vertrok naar Europa, waar ze verder werkte om 'De geheime leer' te schrijven, haar meesterwerk. In 1887 vestigde ze zich in Londen, en begon met een nieuw tijdschrift, Lucifer (de 'Lichtbrenger'). In 1888 werd De Geheime Leer uitgegeven, en in hetzelfde jaar, geholpen door W.Q. Judge vormde ze de Esoterische Sectie van de Theosophical Society. Kort daarna schreef ze De sleutel tot de theosofie en De stem van de stilte. In 1890 werd ze hoofd van de nieuw-opgerichte Europese afdeling. Ze stierf in Londen op 8 mei 1891 na zich een leven lang te hebben ingezet voor het welzijn van de mensheid.

Kerngedachten van de theosofie
Sinds ongeveer 2000 jaar wordt in het Westen het woord theosofie gebruikt als aanduiding van goddelijke wijsheid of kennis ontleend aan zowel inzicht en ervaring als intellectuele studie. Het is afgeleid van het Griekse theos (god, godheid) en sophia (wijsheid). Hoewel de Theosofische Beweging van deze tijd teruggaat tot Blavatsky en haar leraren, maakt ze deel uit van een spirituele beweging die even oud is als de denkende mensheid. Haar filosofie is een eigentijdse weergave van de eeuwige wijsheid die ten grondslag ligt aan de religies, wetenschappen en filosofieën van de wereld. Haar denkbeelden zijn geen dogma's en evenmin kent ze een geloofsbelijdenis waarin haar beginselen worden opgesomd. Theosofische boeken worden niet als openbaringen beschouwd en ook niet als definitief en gezaghebbend, maar als leidraad bij individueel onderzoek.
De kerngedachte van de theosofie is dat alle wezens in essentie één zijn. In de kosmos is overal leven, want alles komt voort uit dezelfde onkenbare goddelijke bron. Alles leeft dus en ontwikkelt zich - van het subatomaire tot planten, dieren, mensen, planeten, sterren en melkwegstelsels. Elk van deze is in zijn kern goddelijk en drukt zich, afhankelijk van zijn graad van ontwikkeling, uit op spirituele, mentale, psychische, etherische en stoffelijke gebieden van bewustzijn en substantie. Evolutie is een proces van zelfexpressie waarbij een verscheidenheid van stoffelijke vormen worden aangenomen; daarna worden – tijdens de terugkeer naar de goddelijke oorsprong – in de loop van kosmische tijdsperioden vooral aspecten van geest en bewustzijn ontwikkeld. Het leven van een individu, van de mensheid en van de hele aarde maakt deel uit van dit kosmische proces.
Omdat we in essentie één zijn, zijn altruïsme en mededogen uitingen in het menselijk leven van kosmische en planetaire werkelijkheden. Mensen zijn op het innerlijke gebied onderling nauwer verbonden dan op het fysieke gebied; onze gedachten en gevoelens hebben dan ook een krachtige invloed op anderen. Door te proberen zo goed mogelijk in harmonie met het goddelijke te leven, zijn we niet alleen een zegen voor onze directe omgeving, maar ook voor de mensheid als geheel. Het ideaal is om het welzijn van de mensheid en van al wat leeft boven de eigen ontwikkeling te plaatsen.

Reïncarnatie en karma zijn de belangrijkste ideeën waaraan in het Westen door theosofen algemene bekendheid is gegeven. Hoewel de reïncarnatiegedachte als oosters werd beschouwd, is ze te vinden in de filosofie van Plato, de joodse leer en het vroege christendom, en werd ze pas in de zesde eeuw uit de leer van de Kerk verwijderd. Reïncarnatie en karma verwijzen beide naar het denkbeeld dat iemands karaktereigenschappen en leefomstandigheden worden bepaald door gedachten, daden en verlangens in dit of een vorig leven. Wij mensen zijn daarom verantwoordelijk voor ons eigen leven, en geen ander wezen - goddelijk of menselijk - kan de gevolgen van ook maar een van onze daden wegnemen of neutraliseren. Ieder van ons is het product van zijn totale verleden en ontwikkelt zich spiritueel door eigen doelgerichte inspanningen gedurende een reeks levens.
Omdat wij mensen in het goddelijke zijn geworteld, hebben we het vermogen de werkelijkheid zelf te ontdekken. Om ons te ontwikkelen moeten we het onderscheid leren kennen tussen waar en onwaar, tussen werkelijkheid en bedrog; we groeien niet door blindelings de voorschriften van autoriteiten te volgen, hoe hooggeplaatst ook. De Purucker vergelijkt de onderzoeker van de theosofie met een wetenschapper en voegt daaraan toe:
Is ons niet telkens weer gezegd dat we ons geweten moeten raadplegen vóór we iets aanvaarden? Om dat te doen moeten we nadenken; we weten ook dat zelfs al zouden we daarbij door onze eigen blindheid of ons onvermogen een waarheid die ons wordt voorgehouden, verwerpen, we niettemin juist hebben gehandeld, omdat we onszelf en ons geweten trouw zijn gebleven... de innerlijke mens begrijpt, en de waarheid zal eens tot trouwe harten doordringen. (Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 282-3)
Door onze spirituele intuïtie te volgen, activeren we onze latente mogelijkheden. Daarom is het schadelijk anderen te dwingen die denkrichting te volgen die wij als de 'juiste' zien; ieder mens heeft zijn of haar unieke weg van ontplooiing te gaan.
Bron: Het Theosofisch Genootschap (www.theosofie.net)

terug naar het overzicht

Rudolf Steiner - Antroposofie


Rudolf Steiner
Antroposofie is ontwikkeld door Rudolf Steiner (1861-1925), wetenschapper, filosoof, helderziende en kunstenaar. Als kind reeds beleefde hij de geestelijke wereld net zo concreet als de fysieke wereld om hem heen. In deze spontane waarnemingen lag de kiem van een bijzonder levensplan: het funderen van een nieuwe weg tot inzicht die uitgaat van materie en geest als één geheel en mensen in staat stelt daarin meer kennis en inzicht te verwerven.
Geïnspireerd door de opdracht om het natuurwetenschappelijke werk van Goethe uit te geven, zocht Steiner naar de basis voor een nieuwe, materie en geest omvattende wetenschap. Om stevig verankerd te kunnen zijn in de westerse cultuur moest deze aansluiten bij het denken van de moderne mens. Vrijheid van denken, eigen waarneming op fysiek én geestelijk gebied en zelfstandig oordelen, zag Steiner als onmisbare voorwaarden voor een wetenschappelijke benadering van de werking van de geest in ons fysieke bestaan.
Zo schiep Steiner, wars van intellectuele conventies, een methode om de relatie tussen lichaam, ziel en geest te onderzoeken en de resultaten ervan vruchtbaar te maken voor mens en wereld. Aan zijn basiswerk De filosofie van de vrijheid, de uitwerking van dit denken, ontsprong een levenslange stroom van beschouwingen, voordrachten en onderzoekingen. Deze inspireren velen tot op de dag van vandaag bij hun eigen onderzoek en bij de doorwerking ervan in hun persoonlijke of sociale leven.
 Even doorslaggevend als het werk van Steiner voor de geschiedenis van antroposofie is het werk van de mensen die dit hebben voortgezet in innerlijke scholing, wetenschappelijke studie en maatschappelijke werkzaamheid. Dit heeft geleid tot menige vakinhoudelijke vernieuwing. Op gebieden als landbouw, geneeskunde, onderwijs en geestelijke zorg maar ook in architectuur, beeldende en muzische kunsten groeide antroposofie uit tot een inspirerende bron bij het zoeken en inslaan van nieuwe wegen.

Voordat Steiner begon met het publiceren van onderzoeksresultaten die gebaseerd waren op zijn bovenzinnelijke waarnemingen, heeft hij in zijn 'Filosofie van de Vrijheid' de antroposofie met inachtneming van door hemzelf wetenschappelijk geachte maatstaven filosofisch gefundeerd. Vervolgens beschrijft Steiner in andere basiswerken zoals 'Theosofie', 'De weg tot inzicht in hogere werelden' en 'Wetenschap van de geheimen der ziel' bondig de andere voornaamste elementen van de antroposofie. Latere boeken met een occulte inhoud zijn gebaseerd op bewuste bovenzinnelijke waarnemingen en onderzoek en komen op onderdelen overeen met theosofische inzichten die echter verkregen zouden zijn door atavistische vermogens, waarbij een medium met verlaagd bewustzijn mededelingen ontvangt.
Steiner beschouwde de mens onder meer als bestaande uit drie zogenoemde wezensdelen: lichaam, ziel en geest. De menselijke geest gaat volgens Steiner door vele aardse incarnaties, om zo tot een steeds hogere evolutiegraad te kunnen komen. Tijdens zijn opeenvolgende levens bouwt de mens een schuldenbalans op, karma genoemd, die zowel negatief als positief kan zijn en ten dele zijn levenslot bepaalt. Samen met de mens ontwikkelen ook de aarde en de andere planeten, evenals een geestelijke 'hiërarchie' waarin engelen, aartsengelen en hogere hiërarchische wezens, zich voortdurend door evolutionaire fasen heen.
Een centrale en unieke plaats in deze hele ontwikkeling neemt volgens Steiner Christus in, omdat zijn komst en offer op Golgotha een unieke impuls gaf aan de geestelijke leiding van mens en wereld.
Steiner beschrijft een zogenoemde 'geestelijke wereld' van waaruit (menselijke) geesten-zielen zich incarneren in een aardse, lichamelijke gedaante. De ontwikkeling van de ziel in de loop van opeenvolgende aardelevens vervult in de huidige periode van de mensheidsontwikkeling een sleutelrol.
Steiner neemt een invloed aan die volgens hem zowel vanuit van de aarde als vanuit de kosmos inwerkt op de ontwikkeling van de mens, meer bepaald op diens individuele temperament. Hij gebruikt de bekende indeling in temperamenten van Hippocrates in (cholerisch, sanguinisch, flegmatisch en melancholisch) en werkt deze verder uit voor de huidige mens. Een af en toe opduikend bezwaar tegen antroposofie is het gebruik van het woord 'ras' (zie: menselijk ras) in enkele van de publicaties. In Nederland woedde hierover in de jaren 90 van de 20e eeuw een felle discussie. Een commissie bestaande uit leden van de Antroposofische Vereniging beschreef in haar rapport 'Antroposofie en het vraagstuk van de rassen', dat in de 89.000 pagina's tekst van Steiners werken en voordrachten (de Gesamtausgabe) zestien uitspraken staan die, als zij nu zouden worden gedaan, tot strafrechtelijke vervolging aanleiding zouden kunnen geven. De commissie kwam tot de conclusie dat er in het werk van Steiner 'geen sprake is van een rassenleer', noch van racisme (blz. 668).
 Hierbij moet worden overwogen dat de antroposofie de mens primair beschouwt als individu, waarvan de uiterlijke kenmerken slechts attributen zijn, terwijl racisme juist die uiterlijke kenmerken als bepalend beschouwt. De statuten van de 'Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft' bepalen in artikel 4, vertaald: 'Lid kan iedereen worden zonder onderscheid naar volk, stand, geloof en wetenschappelijke of kunstzinnige overtuiging [...]'. Dat bevestigt het kosmopolitisch karakter van de antroposofie wat racisme juist uitsluit.
Steiner zag uitdagingen in de multiculturele maatschappij. Hij benadrukte dat er behoefte was aan een spiritualiteit die alle godsdiensten en culturen kon eerbiedigen en verenigen. In zijn visie op de maatschappij (Sociale Driegeleding) moeten cultuur (kunst, wetenschap, religie en opvoeding) absoluut vrij zijn.

Zijn gedachtengoed kan als volgt worden samengevat: Veel mensen zien, vooral die van Oostelijke culturen, de behoefte aan een geestelijke basis voor een cultuur. Anderen, vooral in het Westen, leven in een materialistisch kader dat verbazingwekkende resultaten heeft bereikt - vooral door de verwezenlijkingen van moderne wetenschap - maar zij zouden hun geestelijke wortels hebben verloren. Steiner stelde dat een conflict van culturen onvermijdelijk zou zijn als er geen verzoening van deze twee zou komen. Hij stelde dat het Oosten slechts het Westen zou eerbiedigen wanneer er in het Westen een nieuwe spiritualiteit zou ontstaan die de verwerkelijkingen van beide culturen zou verenigen.
Christus staat centraal in de aardse evolutie. Steiner waardeerde alle godsdiensten en culturele ontwikkelingen, maar benadrukte meer recente Westelijke esoterische leerstellingen, zoals leerstellingen die zich hadden ontwikkeld om aan eigentijdse behoeften te voldoen en dan met name de Tempeliers, de Rozenkruisers en het Graals-christendom. Hij vond dat Christus en zijn opdracht op aarde een bijzonder belangrijke plaats bekleden in de menselijke evolutie, maar hij benadrukte dat:
- het christendom is ontstaan uit vorige godsdiensten;
- het Wezen dat zich openbaart in het christendom, vertoont zich in alle geloofsovertuigingen en godsdiensten;
- elke godsdienst geldig en waar is voor de tijd en de culturele context waarin hij is ontstaan;
- de historische vormen van het christendom drastisch moeten worden getransformeerd om aan de gangbare evolutie van de mensheid tegemoet te komen;
- het Wezen dat alle godsdiensten verenigt is de centrale kracht in de menselijke evolutie en niet een bepaald godsdienstig geloof.
'Christus' is voor Steiner niet alleen de Verlosser uit de Zondeval, maar ook de unieke spil in de evolutieve processen van de aarde en van de menselijke geschiedenis, die zich in alle godsdiensten en culturen manifesteert. Het christendom van Steiner verschilt van dat van Gnostici, die het fenomeen van Christus bekeken vanuit de kennis die zij verkregen hadden van het oude gnosticisme, terwijl voor Steiner de incarnatie van Christus een historische werkelijkheid en een centraal en uniek punt in de menselijke geschiedenis was.
In een lezing over het verband tussen Antroposofie en christendom, verklaarde Steiner: "De antroposofie wil niet de plaats van christendom usurperen; integendeel, zij zou instrumentaal willen zijn in het leren begrijpen van het christendom. Aldus wordt het ons duidelijk door de antroposofie dat het Wezen dat wij Christus noemen, moet worden gezien als het centrum van het leven op aarde, dat de christelijke godsdienst de uiteindelijke godsdienst voor de toekomst van de aarde is. De antroposofie toont ons in het bijzonder aan dat de voor-christelijke godsdiensten hun eenzijdigheid ontgroeien en samenkomen in het christelijke geloof. Het is niet de wens van antroposofie om iets anders in de plaats van het christendom te plaatsen; eerder wil het bijdragen tot een dieper, met hartekrachten vervuld inzicht in het christendom."
Bronnen: De Antroposofische Vereniging (www. antroposofie.nl), Wikipedia

terug naar het overzicht

Max Heindel - De Rozekruisers Orde


Max Heindel
Max Heindel (1865-1919) werd geboren als Carl Louis von Grasshoff in Aarhus, Denemarken. Hij was een christelijke occultist, astroloog en mysticus.
Hij volgde een opleiding voor scheepsmachinist en werkte jarenlang op de grote vaart tussen Europa en Amerika. In 1903 verhuisde hij naar Los Angeles in Californië. Hij volgde daar lessen bij de theosoof C.W. Leadbeater. Hij sloot zich aan bij de Theosophical Society waar hij in 1904 en 1905 vice-president was. Hij werd vegetariër en begon astrologie te bestuderen. In astrologie zag hij een mogelijkheid de geheimen van het innerlijk van de mens te ontsluiten. In die tijd ontmoette hij ook zijn latere vrouw Augusta Foss.
Hij raakte overwerkt en kreeg in 1905 hartklachten, die hem op het randje van de dood brachten. Gedurende zijn herstel werd hij zich bewust van de noden van de mensheid. Hij was namelijk regelmatig voor langere tijd uitgetreden geweest en had in de geestelijke wereld veel kennis opgedaan.
Hij begon in San Francisco en Seattle lessen te geven om zijn occulte kennis te verspreiden. Na een serie lessen in Seattle moest hij weer worden opgenomen vanwege hartklepproblemen. Na zijn herstel ging hij verder met zijn onderricht in het noordwesten van de Verenigde Staten.

In de herfst van 1907 reisde hij naar zijn vriend dr. Alma von Brandis in Berlijn, die hem ertoe overhaalde de voordrachten van Rudolf Steiner te gaan bezoeken. Hij kreeg een grote bewondering voor hem, volgde verschillende voordrachten en had een aantal vraaggesprekken met Steiner. Op een gegeven ogenblik besefte hij dat hij toch zijn eigen weg van geestelijke ontwikkeling moest gaan. Hij zag in dat de stijl van onderricht van Steiner niet geschikt was voor "het Amerikaanse pragmatisme en rechtlijnigheid van denken." Heindel kreeg bezoek van zijn geestelijke begeleider en besloot terug te gaan om in de Verenigde Staten zijn werk af te maken.
Zijn geestelijke begeleider vertelde hem dat hij een Oudere Broeder was van de Aloude Rozekruisers Orde, die in 1313 was opgericht en die geen banden meer had met organisaties in de huidige tijd die zichzelf Rozekruisers noemden. Deze Oudere Broeder gaf aan Heindel zijn esoterische kennis. Heindel was al eerder door zijn begeleider bezocht om hem te testen voor wat betreft zijn vermogen esoterische kennis te verspreiden in de westerse wereld. Aan Heindel werd uitgelegd dat hij naar een etherische Tempel van het Rozenkruis in Bohemen moest gaan om meer wijsheid te verkrijgen van zijn Oudere Broeder.
De Rozekruisers Orde bestaat uit twaalf Oudere Broeders die verzameld zijn rondom een dertiende, die hun onzichtbare hoofd is. Zij horen bij de geestelijke ontwikkeling van de mensheid, maar zijn al zover gevorderd, dat zij niet meer hoeven te worden wedergeboren en kunnen nu mensheid begeleiden.

In de zomer van 1908 ging Heindel terug naar Amerika en werkte aan zijn Rozekruisers Leer, de Western Wisdom Teachings, die hij van de Oudere Broeders had ontvangen en publiceerde een boek met de titel De Rozekruisers Kosmologie. Het werk bevat christelijke mystiek en de grondslagen van het esoterische christendom vanuit het gezichtspunt van de Rozekruisers.
Het boek beschrijft de geestelijke ontwikkeling van het universum en de mensheid, en verbindt de wetenschappelijke inzichten van die tijd met godsdienst. Deel 1 behandelt de zichtbare en de onzichtbare werelden, de mensheid en de geestelijke ontwikkeling, wedergeboorte en de wet van oorzaak en gevolg (karma). Deel 2 beschrijft de ontwikkeling in het algemeen en in het bijzonder de ontwikkeling van het zonnestelsel en de aarde. Deel 3 handelt over Christus en zijn zending, de ontwikkelingen in de toekomst, esoterische oefeningen en een veilige manier om esoterische kennis te verkrijgen.

Heindels gezondheidstoestand was slecht door zijn hartproblemen en ook zijn financiële toestand was niet rooskleurig, maar hij werd gedreven door een ontoombare wilskracht om het werk van de Broeders van het Rozenkruis te volbrengen. Zijn vrouw Augusta was een grote steun voor hem en daardoor was hij in staat meerdere boeken te schrijven en zijn lessen voort te zetten. Hij stuurde schriftelijke lessen naar studiegroepen in andere steden en schreef boeken die in veel andere talen zijn vertaald. Hij stichtte de 'Rosicrucian Fellowship' in 1909/11 in Mount Ecclesia, Oceanside (Californië). Hij publiceerde een christelijk esoterisch tijdschrift Rays of the Rose Cross en begon in de Broederschap een afdeling geestelijke genezing. Hij overleed op een bijzondere wijze doordat hij in alle gemoedsrust langzaam werd neergelegd door liefdevolle, geestelijke handen in begin 1919 in Oceanside.

terug naar het overzicht

Joseph Smith - Het Boek van Mormon

Oprichting van de Mormoonse Kerk

Joseph Smith
De geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen begint in het voorjaar van 1820. De toen 14-jarige Joseph Smith Jr. beweerde een visioen te hebben gehad in antwoord op zijn zoektocht naar waarheid: hij wilde weten bij welke christelijke richting hij zich moest aansluiten. Hij besloot deze vraag aan God voor te leggen door hierover te bidden in een bos nabij zijn woning te Palmyra, New York. Volgens de door de Kerk gecanoniseerde versie van Joseph's visioen verschenen God de Vader en Jezus Christus als twee afzonderlijke personen aan hem. Jezus Christus vertelde hem dat hij zich bij geen enkele christelijke denominatie moest aansluiten, omdat zij alle ongelijk hadden.
In de jaren volgend op dit 'Eerste Visioen' krijgt Joseph Smith instructies van verschillende hemelse boodschappers. Het wordt hem duidelijk dat hij door God is uitgekozen om de oorspronkelijke vroegchristelijke kerk opnieuw op aarde te vestigen. Op 6 april 1830 wordt De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen officieel opgericht in Manchester, New York, onder de naam 'Church of Christ' (Kerk van Christus)

Leerstellingen en kenmerken van de mormoonse levensbeschouwing
God - Volgens de mormoonse leer bestaat de Godheid uit drie afzonderlijke personen: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. God de Vader en God de Zoon hebben ieder een volmaakt lichaam van vlees en beenderen. De Heilige Geest is een persoon van geest, zonder vlees en beenderen. Deze drie personen vormen een volmaakte eenheid en harmonie in doel en leer.
Heiligen der Laatste Dagen geloven dat alle mensen geesteskinderen zijn van God de Vader, ook wel Hemelse Vader of Elohim genoemd. Zij spreken elkaar daarom aan als 'broeder' en 'zuster'.
God de Zoon, ook wel Jezus Christus of Jehovah genoemd, wordt beschouwd als de schepper van deze aarde, onder leiding van God de Vader. Hij is niet alleen een geesteszoon van God de Vader, maar ook zijn letterlijke zoon in het vlees. Hij werd geboren in een kribbe in Bethlehem met als moeder Maria en als stiefvader Jozef. Hij toonde de wereld de juiste manier van leven door zijn leringen en voorbeeld. Tijdens zijn lijdensweg in de hof van Getsemane tot aan het kruis op Golgotha nam hij de zonden en het verdriet van de mensheid op zich, zodat een ieder vergeving en troost bij hem kan vinden: de zogenaamde verzoening. Drie dagen na zijn dood werd hij weer tot leven gewekt, zodat ieder mens uit de dood zal opstaan.
De Heilige Geest heeft volgens de mormoonse leer de bijzondere taak om goddelijke waarheid te onderwijzen en te bevestigen door middel van gevoelens en gedachten.

Afval en herstelling - Heiligen der Laatste Dagen geloven dat Jezus Christus vóór zijn Hemelvaart bevoegdheid gaf aan enkele van zijn volgelingen, die hij 'apostelen' noemde. Onder leiding van deze apostelen werden Jezus' leerstellingen gepredikt en konden zogenaamde 'priesterschapsverordeningen' worden verricht. Deze zijn vergelijkbaar met de sacramenten van andere christelijke kerken en omvatten o.a. de doop en het avondmaal. Ook waren de apostelen bevoegd om instructies te ontvangen van de inmiddels herrezen Jezus Christus ten bate van de leden van de Kerk. Met de dood van de apostelen verdween deze bijzondere bevoegdheid. De oorspronkelijke Kerk van Jezus Christus viel langzaam maar zeker ten prooi aan ongeoorloofde veranderingen in haar leerstellingen, organisatie en priesterschapsverordeningen. Deze periode wordt door de Mormonen de 'Grote Afval' genoemd.
Het jaar 1829 is een belangrijk jaar voor de Mormonen. Zij geloven dat drie van Jezus' oorspronkelijke apostelen, Petrus, Jakobus en Johannes, in dat jaar als hemelse boodschappers hun bevoegdheid overdroegen op Joseph Smith en zijn vriend, Oliver Cowdery. Dit was een belangrijke stap in wat Mormonen de 'herstelling' van de Kerk van Jezus Christus noemen: het terugbrengen van de oorspronkelijke leerstellingen, organisatie en priesterschapsverordeningen.

Schriftuur - De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen aanvaardt vier standaardwerken als heilige schriften: de Bijbel, het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden en de Parel van Grote Waarde.

1. Bijbel - In de mormoonse Kerk wordt zowel het Oude als het Nieuwe Testament bestudeerd. Heiligen der Laatste Dagen geloven dat "de Bijbel het woord van God is, voor zover die juist is vertaald." Voor elke taal heeft de Kerk een voorkeursvertaling geselecteerd. Voor het Nederlands is dat de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951, ook wel bekend als de NBG-vertaling. Vanaf 1830 tot 1844 heeft Joseph Smith gewerkt aan een 'geïnspireerde versie' van de Bijbel, die gebaseerd is op de King James Version, met aanvullingen en wijzigingen. Smith heeft de publicatie van zijn werk niet meer kunnen meemaken: hij werd op 27 juni 1844 door een gewapende bende vermoord. In 1867 werd de Joseph Smith Vertaling van de Bijbel alsnog uitgegeven. De meeste Engelstalige Mormonen gebruiken doorgaans echter de reguliere King James Version van de Bijbel.

2. Boek van Mormon - De Nederlandse vertaling van het Boek van Mormon verscheen voor het eerst in 1890. Heiligen der Laatste Dagen geloven dat Joseph Smith in 1823 instructies kreeg van een engel, genaamd Moroni, om een eeuwenoude kroniek te vertalen. Deze kroniek zou geschreven zijn op gouden platen door de geschiedschrijver en profeet Mormon, die rond 400 na Christus op het Amerikaanse continent leefde. Joseph Smith publiceerde zijn vertaling van deze kroniek in 1830 als het Boek van Mormon. Voordat Smith de platen teruggaf aan de engel Moroni, werd hem toegestaan de platen te tonen aan 11 'getuigen', wier verklaringen zijn opgenomen in het Boek van Mormon.
Het Boek van Mormon beslaat een periode van ca. 2500 v.Chr. tot ca. 400 n.Chr. en speelt zich voornamelijk af op het Amerikaanse continent. Het beschrijft hoe enkele families, in de tijd van de Toren van Babel en de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar II, onder leiding van God in schepen over de oceaan voeren naar Amerika. Daar groeiden zij uit tot grote volkeren met hun eigen geschiedenis en cultuur, maar ook met hun eigen profeten en profetieën. Hoogtepunt in het Boek van Mormon is de verschijning van Jezus Christus na zijn opstanding aan deze inwoners van Amerika. Heiligen der Laatste Dagen beschouwen het Boek van Mormon als een tweede getuige van de goddelijkheid van Jezus Christus, samen met de Bijbel.
Het Boek van Mormon is verkrijgbaar in meer dan 100 talen, waaronder Nederlands. Met meer dan 140 miljoen exemplaren behoort het tot de top tien van meest gedrukte boeken.

3. Leer en Verbonden - De Leer en Verbonden bestaat uit een verzameling openbaringen, voornamelijk van Joseph Smith, de stichter van de Mormoonse Kerk, maar ook van enkele van zijn opvolgers. Deze openbaringen worden door de Kerk beschouwd als instructies van God aan de mens, gegeven door zijn vertegenwoordiger op aarde: de profeet of president van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

4. Parel van Grote Waarde - De Parel van Grote Waarde bestaat uit:
- Selectie uit het boek Mozes: Joseph Smith beweerde dat hij door openbaring gedeelten had ontvangen uit een boek dat Mozes zou hebben geschreven. De selectie uit het boek Mozes bevat voornamelijk een aangepaste versie van de eerste hoofdstukken van het boek Genesis uit het Oude Testament.
- Het boek Abraham: een 'geïnspireerde' vertaling van enkele Egyptische papyri die Smith had ontvangen en die de woorden van Abraham zouden bevatten.
- Mattheüs naar Joseph Smith: een door Smith aangepaste versie van Mattheüs 23:39 en hoofdstuk 24 uit het Nieuwe Testament. Hierin worden gebeurtenissen beschreven die plaats zullen vinden rondom de wederkomst van Jezus Christus.
- De Geschiedenis van Joseph Smith: een korte autobiografie van Joseph Smith met als voornaamste aandachtspunt zijn profetische roeping.
- De Geloofsartikelen: enkele fundamentele Mormoonse leerstellingen, samengevat in dertien artikelen. Deze werden door Joseph Smith opgesteld als onderdeel van een brief uit 1842 aan John Wentworth, redacteur van de Chicago Democrat.

Heilsplan - Heiligen der Laatste Dagen geloven dat dit leven onderdeel uitmaakt van een door God ingesteld plan, het zogenaamde Heilsplan of Plan van Zaligheid. Dit plan geeft antwoord op de vragen: Waar kom ik vandaan, wat doe ik hier en waar ga ik naar toe als ik overleden ben. Alle mensen zouden vóór hun geboorte bij God hebben gewoond als zijn geesteskinderen. Omdat zij zoals hem wilden worden, moesten zij aan twee voorwaarden voldoen:
1. zij moesten zoals God een volmaakt lichaam van vlees en beenderen ontvangen en
2. zij moesten zoals God volmaakt worden in kennis, wijsheid, liefde en andere deugden.

God schiep voor zijn geesteskinderen een leerschool, namelijk de aarde. Mormonen zien de Val van Adam en Eva als een noodzakelijk onderdeel van Gods plan. Zij geloven dat de huidige wereld met haar tegenstellingen en uitdagingen een vruchtbare leerschool is om goddelijke deugden te ontwikkelen en om te leren om te gaan met een stoffelijk lichaam.
De onvermijdelijke fouten en zonden die de mensen op aarde zouden begaan, zouden hen onwaardig maken om terug te keren bij God om hun bijzondere leergang te vervolgen. Door de verzoening van Jezus Christus kan een ieder vergeving van zonden ontvangen op voorwaarde van bekering: een proces van oprechte spijt, eventuele restitutie van verrichte materiële of emotionele schade, belijdenis van de zonde aan God, en toegewijde inspanningen om de zonde niet meer te begaan. Heiligen der Laatste Dagen geloven ook dat ieder mens - onvoorwaardelijk - door de opstanding van Jezus Christus op een dag uit de dood zal worden opgewekt. Wanneer iemand sterft, gaat zijn geest in afwachting van de opstanding naar een tijdelijk verblijf, die geesteswereld wordt genoemd.
Mormonen geloven dat iedere mens na zijn opstanding zal worden geoordeeld door God. Een ieder zal een beloning ontvangen naar zijn werken en verlangens op aarde. Heiligen der Laatste Dagen geloven in drie 'graden van heerlijkheid', werelden of koninkrijken, die als eindbestemming dienen voor Gods opgestane kinderen. Van laag naar hoog zijn dat het telestiale, het terrestriale en het celestiale koninkrijk. Alleen in het celestiale koninkrijk blijven huwelijken eeuwig voortduren en kunnen echtparen goden en godinnen worden. Zij leren dan werelden te scheppen voor hun eigen geesteskinderen. Gebaseerd op deze leer is het mormoonse geloof dat God zelf ook getrouwd is en dat wij dus niet alleen een Hemelse Vader hebben, maar ook een Hemelse Moeder.

Tempels en genealogie - De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen heeft een wereldwijde reputatie op het gebied van genealogisch onderzoek. Dit genealogisch onderzoek wordt voornamelijk verricht om religieuze redenen: de aldus opgespoorde voorouders kunnen postuum worden gedoopt. Dit plaatsvervangend 'dopen voor de doden' is gebaseerd op een letterlijke interpretatie van Jezus' woorden in het evangelie van Johannes: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan." De door genealogisch onderzoek vergaarde data zijn vrij beschikbaar gesteld door de Kerk.
De plaatsvervangende doop voor de doden gebeurt in zogenaamde tempels. Deze gebouwen onderscheiden zich van reguliere mormoonse kerkgebouwen in doel en uiterlijk. Er zijn zo'n 30.000 mormoonse kerkgebouwen wereldwijd; echter de Kerk telt maar circa 130 tempels. Mormoonse kerkgebouwen zijn toegankelijk voor iedereen, terwijl de tempels alleen toegankelijk zijn voor getrouwe leden. De tempels zijn uitzonderlijk fraai vormgegeven om hun heilige karakter te benadrukken. Mormonen krijgen hier onderwijs over o.a. het heilsplan. Ook worden er huwelijken gesloten, niet 'tot de dood u scheidt', maar naar mormoons gebruik 'voor tijd en alle eeuwigheid.' Sinds 2002 heeft ook Nederland een mormoonse tempel. Deze bevindt zich in Zoetermeer, maar staat bekend als de 'Den Haag-Tempel'.

Zendingswerk - Reeds in september 1830, vijf maanden na haar oprichting, stuurt de Kerk haar eerste zendelingen op pad om bekeerlingen te zoeken. Sindsdien heeft zij naar schatting meer dan één miljoen zendelingen uitgezonden over de gehele wereld, naar landen waar evangeliseren wettelijk is toegestaan. Er zijn nu 50.000 zendelingen werkzaam, grotendeels bestaande uit alleenstaande mannen in de leeftijd van 19 tot 25 jaar. Ook alleenstaande vrouwen en echtparen kunnen een zending vervullen.

Geboden - Heiligen der Laatste Dagen geloven dat God - door zijn vertegenwoordigers op aarde - instructies geeft voor het welzijn van de mens. Deze instructies worden geboden genoemd. Zij kunnen worden gevonden in de Schriften, maar ook in algemene of persoonlijke instructies van kerkleiders. Getrouwe Mormonen worden geacht gehoorzaam te zijn aan Gods geboden.

Christelijke deugden nastreven - Van getrouwe Mormonen wordt verwacht dat zij ernaar streven christelijke deugden in hun leven te implementeren. Volgens het dertiende mormoonse geloofsartikel, dienen zij o.a. 'eerlijk te moeten zijn, trouw, kuis, welwillend, deugdzaam, en goed te moeten doen aan alle mensen'.

Gebed en vasten - Heiligen der Laatste Dagen geloven dat zij minstens elke ochtend en avond dienen te bidden, individueel en in gezinsverband. Een gebed begint met het aanroepen van God, gevolgd door dankbetuigingen en eventueel het vragen om specifieke behoeften. Het gebed wordt beëindigd in de naam van Jezus Christus, gevolgd door 'Amen'. Mormonen geloven dat zij door middel van gebed leiding van God kunnen ontvangen. Ook vragen zij geïnteresseerde niet-leden doorgaans om oprecht te bidden over hun leerstellingen, omdat zij geloven dat de Heilige Geest deze leerstellingen kan bevestigen door middel van een vredig en vreugdevol gevoel.
Heiligen der Laatste Dagen kunnen door middel van vasten hun gebed extra kracht bijzetten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer zij vasten en bidden voor de gezondheid van een zieke of voor hulp bij het vinden van een nieuwe baan. Tijdens het vasten dienen Mormonen zich te onthouden van eten en drinken.

Tien geboden - De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen leert, zoals de meeste christelijke kerkgenootschappen, haar leden om de Tien Geboden in acht te nemen. Ook leert zij dat de sabbatdag, sinds de opstanding van Jezus Christus, op de zondag valt.

Woord van Wijsheid - Joseph Smith, stichter van de mormoonse Kerk, beweerde op 27 februari 1833 instructies van God te hebben ontvangen met betrekking tot lichamelijke gezondheid. Aanvankelijk werd dit 'Woord van Wijsheid' beschouwd als advies, echter in 1851 gaf Smith's opvolger Brigham Young het de meer bindende status van gebod. Het Woord van Wijsheid houdt tegenwoordig voor Heiligen der Laatste Dagen in dat zij o.a. geen drugs, tabak, alcoholische dranken, koffie en thee gebruiken.

Wet van kuisheid - Heiligen der Laatste Dagen dienen zich te houden aan de zogenaamde wet van kuisheid, die betrekking heeft op hun seksuele gedrag. De wet van kuisheid omvat het verbod op geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk. Ook dienen Mormonen zelfbevrediging en pornografie in elke vorm te vermijden. De Kerk verbiedt haar leden homoseksuele of lesbische relaties aan te gaan. Abortus provocatus wordt als een ernstige zonde beschouwd.
Bron: Wikipedia

terug naar het overzicht

Levi H. Dowling - Het Aquarius Evangelie van Jezus Christus


Levi Dowling
Levi H. Dowling (1844-1911) was een Amerikaanse prediker. Hij werd geboren in Bellville, Ohio. Zijn vader was predikant bij de Disciples of Christ. Op 13-jarige leeftijd verzette Levi zich tegen een Presbyteriaanse ouderling tijdens een debat over 'de eeuwige straf voor de goddelozen'. Op 16-jarige leeftijd begon hij te prediken en op zijn achtiende werd hij pastoor in een klein kerkje.
Op 20-jarige leeftijd diende hij in het Amerikaanse leger als aalmoezenier tot aan het einde van de Burgeroorlog. Tussen 1866-1867 studeerde hij aan de Northwestern Christian University in Indianapolis, Indiana.
Daarna schreef en publiceerde hij zondagsschoolliteratuur en gezangenboeken voor kinderen. Hij sprak tijdens de begrafenis van president Lincoln.

Hij schreef twee boeken over geestelijk genezen, 'Self-Culture' en 'Biopneuma: The Science of the Great Breath'. In het voorwoord van 'Biopneuma' staat dat Dowling onderricht gaf in chemie, toxicologie, fysiologie, histologie en het gebruik van elektriciteit in de geneeskunde.
Hij behaalde een graad in twee medische studies en was een aantal jaren als arts werkzaam. Hij stopte met dit werk om weer te gaan schrijven.

Hij was vastbesloten om de geheimen van de hemel te ontsluiten. Veertig jaar studeerde hij en beoefende hij meditatie, en bereikte een zodanige staat van geestelijk bewustzijn, dat hij in staat was zich met de geestelijke wereld te verbinden en de geheimen daarvan te leren kennen.
Hij stelde dat hij in staat was om gedurende meditatie vroegere gebeurtenissen weer op te roepen, zo vaak als nodig was om ze goed te kunnen beschrijven. Hij besteedde vele maanden om de gebeurtenissen op te schrijven waarvan hij getuigde dat ze afkomstig waren uit 'Het boek van Gods geheugen', ook bekend als de akasha kroniek. Zijn beschrijving daarvan is nu bekend als 'Het Aquarius Evangelie'.
Hij beweerde dat de beelden die hij in zijn jeugd had gezien op toetsbare feiten berustten en dat iedere gedachte van ieder levend wezen in de akasha kroniek wordt bewaard.
Hij stelde dat hij in zijn jonge jaren een visioen had gekregen waarin hem was verteld dat hij een 'witte stad' zou gaan bouwen; gedurende een aantal jaren kreeg hij drie maal dit visioen. Het 'bouwen van de witte stad' was het boek 'Aquarius Evangelie van Jezus Christus'.

Het Aquarius Evangelie van Jezus Christus
Dowling schreef 'The Aquarian Gospel of Jesus the Christ: The Philosophic and Practical Basis of the Religion of the Aquarian Age of the World and of the Church Universal' aan het einde van de 19e eeuw en publiceerde het in 1908. Hij stelde dat dit het ware verhaal was van het leven van Jezus, samen met de achttien jaren van zijn jeugd, waarover in het Nieuwe Testament niet is geschreven. Dowling beweerde dat hij het uit de akasha kroniek had overgeschreven, wat hij had gedaan in de vroege uren in de ochtend, wanneer het volkomen stil was.
Het boek beschrijft dat de mensheid in het overgangstijdperk staat tussen het Vissen- en het Watermantijdperk. Aquarius is een luchtteken en het Nieuwe Tijdperk staat al bekend als een tijdperk van bijzondere uitvindingen op het gebied van lucht, elektriciteit en magnetisme. Mensen reizen door de lucht en zenden hun gedachten rondom de wereld met de snelheid van het licht.

The Aquarian Christine Church Universal, Inc. (ACCU) in Amerika is een geloofdgemeenschap die is gestoeld op de leer beschreven in The Aquarian Gospel en in andere boeken van Dowling, zoals 'Self-culture' en 'Biopneuma: The Science of the Holy Breath'. De geloofsgemeenschap omvat ook andere 'New age' richtingen, zoals de "I AM" Movement en de Ascended Master Teachings.
In de biografie die is beschreven in de originele publicatie van 'Self-culture', wordt gezegd dat Levi de geneeskundestudenten al heeft onderwezen in het gebruik van elektriciteit. De Aquarian Christine Church beschouwt Dowling als een ten hemel opgestegen Meester.
Bron: de Engelse Wikipedia

Hieronder een verzameling citaten uit het Aquarius Evangelie (bron: spiritueleteksten).
- God heeft mij deze overvloed gegeven. Ik ben slechts rentmeester bij zijn Genade en wanneer ik niet aan zijn kinderen in nood gééf, dan zal hij deze weelde tot een vloek voor mij maken. (1:6)
- Spoedig zal de morgenster uit de Hoge ons bezoeken om voor hen die in duisternis van de schaduwen van de dood zitten de weg te verlichten, en hij zal onze voeten op de weg van de vrede richten. (2:26)
- Vrees niet. Zie, ik breng u een blijde tijding: te middernacht is in een grot in Bethlehem de profeet en koning, die reeds zo lang door u werd verwacht, geboren. (3:11)
- Ik zie het kruis van de meester op het voorhoofd van dit kind, en door dit teken zal hij overwinnen. (4:7)
- De magiërs gingen en vonden het kind met Maria in het huis van de herder. Zij bewezen hem eer, schonken hem hun kostbare geschenken: goud, wierook en mirre. (5:14-15)
- Ik kan alleen mijn leven geven voor de waarheid; en wanneer de koning mijn bloed zal storten, zal God mijn ziel redden. (6:16)
- En wanneer de wereld gereed is om te ontvangen, zie, dan zal God een boodschapper zenden om het boek te openen en uit zijn heilige bladzijden alle boodschappen over reinheid en liefde over te nemen. (7:26-27)
- Hij die zijn lagere zelf goed kent, kent de waan van de wereld, heeft kennis van de dingen die voorbij gaan; en hij die zijn hoger zelf kent, kent God en heeft kennis van alles wat niet kan voorbijgaan. (8:15)
- Onze grote Tao heeft geen hartstocht en toch is Hij de oorzaak van het op- en ondergaan van zon, maan en alle sterren. De grote Tao heeft geen naam, en toch doet Hij alle dingen groeien; hij brengt het seizoen van de zaaitijd en het seizoen van de oogsttijd. (9:23-24)
- Maar gij moet weten dat woorden niets waard zijn tot zij levend gemaakt zijn, totdat de lessen die zij bevatten bezit geworden zijn van hart en hoofd. (10:28)
- Vernietig het slechte door het goede; maak door edelmoedige daden hebzucht beschaamd; maak door waarheid de kromme lijnen die de dwaling trekt, recht, want dwaling is slechts verminkte, verdwaalde waarheid. (11:7)
- Gebed is de vurige wens dat elke weg in het leven licht moge zijn; dat elke daad met goedheid mag worden bekroond; dat alles wat leeft door onze bemiddeling moge gedijen. (12:9).
- De universele God is Eén; toch is Hij meer dan Eén; alle dingen zijn God; alle dingen zijn één. Door de liefelijke adem van God is alle leven in één verbonden. (28: 4-5)
- Uw hemel is niet ver weg; en hij is geen uitgemeten en begrensde plek, het is geen land dat u bereiken moet; het is een staat van bewustzijn. (33:8)
- Er is een stilte waarin de ziel haar God kan ontmoeten en daar is de bron van wijsheid, en allen die daar binnengaan worden in licht ondergedompeld, en worden vervuld met wijsheid, liefde en macht. (40:3)
- De geheime bron die de deur van de ziel wijd opent wordt door niets anders bereikt dan door reinheid in leven, door gebed en door geheiligd denken. Keer terug, o mystieke droom van het Griekse denken, en vermeng uw heldere wateren met de stroom van geestesleven; en dan zal het geestelijk bewustzijn niet meer slapen, en de mens zal weten, en God zal zegenen. (44:25-26)
- Alle dingen worden gedacht; het hele leven is denk-activiteit. De duizenden dingen zijn slechts fasen van het ene grote gemanifesteerde denken. Ja, God is gedachte en gedachte is God. (58:17)
- Een zelfzuchtig geloof voert niet tot het licht. Er is op de weg naar het licht geen eenzame pelgrim. Mensen veroveren slechts hoogten, door anderen te helpen om hoogten te bereiken. Het ros dat de weg naar geestelijk leven leidt, is liefde; is zuivere, onzelfzuchtige liefde. (59:5-6)
- Aanvaardt de naastenliefde voor de gehele mensheid; besteedt niet alles wat u bezit aan uw zelfzuchtige zelf. (63:16)
- Ik ben gekomen om een voorbeeld te zijn voor de mensenkinderen, en wat ik hun vraag te doen, dat moet ik ook zelf doen; en alle mensen moeten gewassen worden, als symbool voor de reiniging van de ziel. (64:7)
- De geboorte waarover ik spreek is niet de geboorte van het vlees. Tenzij een mens geboren wordt uit water en de heilige adem, kan hij het koninkrijk van de Eén-Heilige niet binnengaan. Dat wat geboren wordt uit vlees is kind van de mensen. Dat wat geboren wordt uit de heilige adem is kind van God. (75:10-13)

terug naar het overzicht

Bô Yin Râ - Joseph Anton Schneiderfranken


Bô Yin Râ
Bô Yin Râ is de geestelijke naam van Joseph Anton Schneiderfranken (1876-1943). Hij was kunstschilder die in zijn landschapschilderijen geestelijke en kosmische onderwerpen uitbeeldde. Zijn geestelijke leringen zijn uitgewerkt in 32 boeken. De kern ervan is: de geboorte van de levende god in iedere mens, die tot innerlijke beleving van het geestelijke wezen van zichzelf is gekomen.

Samenvatting van de boeken van het leerwerk 'Hortus conclusus' (De omsloten tuin) van Bô Yin Râ; deze geeft in grote lijnen de onderwerpen van zijn levensbeschouwing weer.

1. Het boek der koninklijke kunst. Dit boek leert in eigen geestelijke ruimte bewust te worden. "Zelfs voor de 'heilige geschriften' is geheim gebleven wat altijd voor allen geheim zal blijven die het niet in zichzelf ervaren. Op een passende wijze zulk een ervaring te verkrijgen wil dit boek leren. Maar deze lering is geen doel op zichzelf en wil geen 'dogmata' scheppen, maar opheldering geven. Eerst wanneer zij tot innerlijke ervaring heeft geleid, heeft de zoeker zich haar eigen gemaakt.

2. Het boek van de levende God. Dit boek is een van de belangrijkste werken, het voert diep in de oeroude geheimen der religies. "Wilt u ze doorgronden, dan moet u zorgen ze in uw binnenste te beleven. Zij openbaren zich waarlijk slechts aan hem die met inspanning van alle krachten het begrijpen daarvan verovert. Met het 'lezen' van mijn woorden zult u weinig veroverd hebben."
Klik hier voor Hoofdstuk 5.

3. Het boek van gene zijde. "Zoals een reisgids u van vreemde landen verhaalt die u nog nooit hebt gezien, zo wordt hier nu het noodzakelijke gezegd over het u nog onbekende land waarin u uzelf na de dood eenmaal levensvatbaar zult vinden, om het even of u nu aan de mogelijkheid van zulk een leven kunt geloven of niet. Tegelijkertijd wil dit boek u van zo menige dwaling verlossen, die u vooralsnog gevangen houdt wanneer u aan de gestorvenen denkt die u op aarde hebt liefgehad."

4. Het boek van de mens. Dit boek geeft antwoord op de vraag naar herkomst, weg en doel van de mens. "Het gaat minder om een 'leer' dan wel om een mededeling van praktische ervaring in de levende wereld van de substantiële eeuwige geest, waarin iedere mensenziel op deze planeet haar oorsprong heeft... Zo zal dan ook dit boek dat over 'de mens' gaat, tot in de wereld van de zuivere substantiële geest voeren."

5. Het boek van het geluk. Dit boek wijst hoe men midden in het dagelijkse leven het levensgeluk kan vinden. "Ook hier en nu, op het ogenblik dat u dit leest, staat u midden in de eeuwigheid en wat u nu niet voor uzelf kunt scheppen, kan geen God in alle eeuwigheid u schenken... U moet leren inzien dat alle geluk slechts het gevolg van een kunnen is dat u in u hebt en dat u nimmer gelukkig kunt worden, noch nu, noch in welke andere bestaansvorm dan ook, wanneer u dit kunnen niet tot ontplooiing brengt... Als een scheppende slechts zult u uw geluk verwerven en het voor altijd behouden!"

6. De weg tot God. "Vriend, wat hebt ge toch een haast! Wat is het doel van uw weg?! Zo heb ik menigeen gevraagd en menig doel werd mij genoemd. Ach, hoe weinigen wisten dat zij zich haasten naar een willekeurig doel, omdat zij de weg verloren hadden, die leidt tot het hoge doel dat zij eens hoopten te bereiken: de weg tot God!"

7. Het boek van de liefde. "Hier zal gesproken worden over een kracht, die in de geest alle krachten van de aarde regeert, over een kracht die al heel weinigen in zichzelf ervaren, daar men weliswaar veel kent wat men 'liefde' noemt, doch zich daarmee gemakshalve tevreden stelt, zonder de eigen diepte te doorgronden, waarin juist de kracht der liefde zich zou kunnen openbaren. Alleen hij die in zichzelf deze diepte doorgrondt, zal daar ook de kracht van de wijze liefdeleer vinden, die voor hem door de oude teksten der heilige boeken wordt bewaard."

8. Het boek van de troost. "U kunt het leed zeker niet uit uw aardse leven verdrijven; alleen in het ondergaan ervan kunt u verandering brengen en zo ook het leed aan betekenis doen inboeten; want alle leed komt slechts over u om door u aan waarde te verliezen... De vertroosting die anderen u kunnen bieden, zal u slechts dan uit de kluisters van uw leed bevrijden, wanneer zij u laat zien hoe u uzelf kunt bevrijden. En deze kunst zult u uit de woorden van dit boek kunnen leren."

9. Het boek der gesprekken. Er is nauwelijks een ander boek van Bô Yin Râ waarin de persoonlijke sfeer van de schrijver zo dicht benaderd wordt. Het boek bevat gesprekken tussen leerling en meester... "Zoals er velen zijn geweest die de aanleiding werden dat zulke boeken door mij geschreven moesten worden."

10. Het geheim. De auteur beschrijft de reis van drie mannen door een zonnig, zuidelijk landschap. Hun gesprekken gaan over de diepste levensvragen. De jongste toont zich een echte wetende; hij vertelt zijn reisgenoten over de hem ten deel gevallen innerlijke ervaring en wijst de weg naar een geestelijke hoogte, van waaruit zin en doel van het leven geen geheim meer zijn.

11. De wijsheid van Johannes. "De oude zendbrief, die de naam van Johannes draagt, zal hier niet zoiets als een commentaar ontvangen. Het gaat erom de zuivere leer aan te tonen, die de schrijver bij zijn getrouwen reeds als bekend voorop mocht stellen. Ook zal het nodig zijn menig tekstwoord in een helderder licht te plaatsen, dan wanneer het slechts als voorbeeld of als middel ter verduidelijking terloops zal worden vermeld. Moge nu de hoge wijsheid die, ondanks alle latere versluieringen, nog straalt uit de oude tekst die men het 'Evangelie van Johannes' noemt, voor alle zoekenden een geleide-ster worden, een geleide-ster die voor hen de weg naar de geest verlicht."

12. Wegwijzers. In dit boek behandelt Bô Yin Râ verschillende religieuze, sociale en psychologische onderwerpen. Het tweede deel bevat leergedichten met een aforistische inslag, die - met het eeuwige als middelpunt - in het dagelijkse leven van betekenis kunnen zijn, zoals het opmerkelijke, algemeen geldende slotgedicht 'Raadgeving'.

13. Het spook der vrijheid. "Het spook van de vrijheid tracht de wil te onderdrukken, streeft ernaar alle wil op te zuigen, om zelf aan de macht te blijven... Het spook van de vrijheid verwekt in allen, die het volgen: onbeheerste zucht naar het grenzenloze! Het spook van de vrijheid ontbindt ieder vermogen om vorm te gevoelen. Zo vernietigt het alle zekerheid van het inzicht, want alleen waar vorm wordt gevoeld, is inzicht mogelijk...'

14. De weg van mijn leerlingen. Dit boek helpt de zoekende bij zijn innerlijke en uiterlijke problemen. "Iedere steile klim wordt het snelst overwonnen wanneer de reiziger niet jaagt en haast, maar zijn krachten steeds in verstandige matiging weet te gebruiken, zodat hij niet oververmoeid wordt. Rustig vertrouwen en wakker geloof in eigen kracht brengen de strevende veel eerder naar zijn verheven doel, dan de krampachtige wilsinspanning, waartoe de ongeduldige zo makkelijk wordt verleid."

15. Het mysterie van Golgotha. Dit boek vertelt over dat wat op Golgota gebeurde en wat daar innerlijk mee samenhangt. "Oordeel niet te snel, wanneer u veel vindt wat u aanvankelijk nog vreemd lijkt. U zult dikwijls moeten lezen vóór de verstopte bron van uw gevoel is opengelegd om het levende water uit de oergronddiepten van uw zijn omhoog te laten stijgen naar het licht.' 

16. Eredienst, magie en mythe. "Wat hier gegeven wordt, wil geen historische beschouwing zijn. Het is geen bijdrage tot de kennis der oudheid. Levende bronnen geven hier hun water. Leven moet door hun krachten ontkiemen. Leven en wakker handelen!... Zo wordt dan tenslotte weer op andere wijze de eeuwig zelfde weg omhoog gewezen, die zijn wandelaars voert naar het licht."

17. De zin van het leven. Het leven lijkt voor velen zonder zin te zijn. In dit boek worden we ons onze eigen verantwoordelijkheid voor de zin van het leven bewust. "Beslis zelf - want alleen op uzelf komt het aan - of het u nog de moeite waard is het lang nagestreefde doel van uw verlangen te bereiken!"

18. Meer licht. Het boek behandelt de verschillende vormen van zoeken naar geestelijk licht. De vastbesloten lezer kan het werkelijk 'meer licht' geven. "Hoe nuchterder en vrijer van romantiek u uw weg gaat, des te beter! U moet niets verwachten en niets najagen, behalve dat éne: uit uw slaap, uit de droomwereld der anderen, wakker te willen worden!"

19. Het hoge doel. "Hoger dan alle aardse doeleinden is het hoge doel dat de woorden van dit boek u willen tonen. Tevergeefs echter zult u trachten dit doel te bereiken, wanneer u denkt dat het in verre verten is te zoeken. De weg die tot uw hoge doel voert is in uzelf en alleen in uzelf zult u eenmaal het hoge doel bereiken!... Eerst dan kan de leer u zegen brengen, wanneer u volgens haar aanwijzing in uzelf zoekt."

20. Opstanding. Om de opstanding van het in ieder mens latent aanwezige geestelijke bewustzijn gaat het in dit boek. "U zult er verstandig aan doen niet op uw vóóroordeel te letten, want oordelen kunt u eerst wanneer uw zelfoverwinning ook u eens zal hebben bevrijd uit de heerschappij van het dierlijke in u, en u zult zijn ingegaan in het bewustzijn van uw geestesmens."

21. Werelden. In twintig geestelijke schilderijen (zie de link hieronder) en in de daarbij horende tekst kan de lezer zijn eeuwige afkomst en zijn hoogste geestelijk waarde en doel bewust worden. Wil men deelachtig worden wat het boek vermag te geven, dan is het raadzaam zich van het begin af van iedere verstandelijke uitleg van de afbeeldingen te onthouden. Diepe inkeer en innerlijk beleven alleen kunnen de omzetting van de zinnebeelden tot ervaarbare gemoedsbeweging bewerken. Steeds zal de wil tot eigen invoelen aanwezig moeten zijn om het aanschouwen van de schilderijen met eigen gemoedsbeleving gepaard te laten gaan.
Klik hier voor een diaserie van 20 schilderijen.
(gebruik de ↑ en ↓ of ← en → -toetsen, sluit af met esc)

22. Psalmen. "Niet van zijn eigen weg geeft de schrijver bericht. Hij heeft slechts vorm gegeven aan de woorden van de zoeker, die hij uit de duisternis leidde tot het licht der liefde."

23. Het huwelijk. Zoals Bô Yin Râ aantoont is het huwelijk diep in het geestelijke gegrondvest. Daarom is dit boek voor allen geschreven, die het geluk in het huwelijk zoeken; voor hen kan het raad en hulp betekenen. "Maar ook in het innerlijkste gevoel van de mens die het huwelijk kent zoals het hier op aarde tot stand moet komen, zal stilweg te bemerken zijn dat een mysterie in het ware huwelijk wordt verwezenlijkt... Deze werkelijkheid toch zal ieder echtpaar langzamerhand meer en meer moeten leren voelen, wanneer het wil inzien dat het in eeuwigheid verbonden is."

24. Het gebed, zo moet gij bidden. In dit boek wordt aan de hand van drie beschouwingen over de geheimnisvolle passages uit de bergrede over bidden, zoeken en aankloppen, het mysterie van het bidden doorlicht. "Niemand leert op deze wijze 'bidden', die zijn eigen wil niet volkomen leert verenigen met de wil van de 'Vader'! Voor hem die dan, verenigd met de wil van de eeuwige Vader, vermag te bidden, zal al zijn bidden - onverschillig waarom hij bidt - een bidden zijn om 'vleugels' die waarlijk 'hoger dragen dan adelaarswieken'." Aan dit boek zijn 24 gebeden voor de meest verschillende levensomstandigheden en gemoedsbewegingen toegevoegd.

25. Geest en vorm. In dit boek gaat het om de diepe samenhang tussen uiterlijke en innerlijke vorm, om de betekenis van alle vorming en om de eigenlijke levenskunst. "Het is alle moeite waard deze kunst te leren; voor iemand, die niet ernstig zichzelf en alles wat hij mag beleven op geestelijke wijze vorm wil geven, zal zij vruchteloos zijn. Voor hem eerst zal ook alle aardse vorm zijn diepste waarde onthullen. In alle vormen zal hij de geest aan het werk zien."

26. Vonken, mantra en praktijk. "Eén van de belangrijkste middelen tot vorming van de ziel is de inwerking door bepaalde klankreeksen van de menselijke taal. Oeroud is de kennis van zulk een inwerkingsmogelijkheid; in de liturgieën, zowel als de meer volkse gebedsformules van alle grote religies der mensheid, zijn haar sporen gemakkelijk aan te tonen." Dit boek bevat 22 mantra's, zowel in vertaling als in de oorspronkelijke Duitse versie, alsmede een inleiding die al het wetenswaardige over de uitoefening en de geestelijke betekenis van enkele Sanskriet woorden bevat.

27. Levenswoorden. Het boek Levenswoorden heeft, evenals 'Werelden' een heel eigen plaats in het leerwerk van Bô Yin Râ. Het zijn feestelijke woorden van God, als van het eeuwige leven, gericht tot de ziel, die uiteindelijk met een blijde gelofte antwoordt.

28. Boven alledag
29. Eeuwige werkelijkheid
30. Leven in het licht. Dit boek bevat drie bundels met leerdichten.

31. Brieven aan een en velen. Dit boek geeft antwoord op vragen die in de loop van vele jaren aan de auteur gesteld werden en waarvan de beantwoording een aanvulling op zijn leer betekent.

32. Hortus conclusus (De omsloten tuin)
Het laatste deel van het geestelijk leerwerk, waarvan de titel ook de aanduiding voor het gehele werk werd. Het boek bevat een boodschap die het aardse bestaan van de mens als een, weliswaar kleine, maar ook zeer belangrijke periode uit een veel omvattender en bovendien onvergankelijk gebeuren behelst.

Bron: www.boyinra.nl

terug naar het overzicht

Martinus Thomsen - Het Derde Testament


Martinus Thomsen 1950
bron: Wikipedia
De Deense schrijver Martinus Thomsen gaf zijn gehele werk de naam 'Het Derde Testament'. Het omvat zijn hoofdwerk 'Livets Bog' (Het Levensboek) van zeven delen, 'Het Eeuwige Wereldbeeld' van drie delen, 'Logica' en ongeveer dertig kortere werken, en verscheidene artikelen die in het Deense blad 'Kosmos' gepubliceerd werden. Een aantal boeken van Martinus is vertaald in o.a. het Zweeds, Duits, Engels, Nederlands en Esperanto.

Martinus Thomson, in 1890 te Sindal in Jutland geboren, heeft een zeer geringe schoolopleiding gehad en was in zijn jonge jaren werkzaam op een zuivelfabriek. In 1921 beleefde hij spontaan een bewustzijnsverandering die hem in staat stelde het leven te analyseren en de geestelijke wetten en eeuwige principes ervan te beschrijven. Martinus Thomson schrijft in het voorwoord van Livets Bog par. 21:

"Ik voelde dus dat het gehele heelal met een oneindige liefde en wijsheid werd doorstroomd. Waarheen ik in de duisternis ook maar keek, overal werd het licht. Ik was mijn eigen lichtbron geworden. De kosmische vuurdoop die ik had ondergaan en waarvan ik hier geen nadere analyse kan geven, had dus tot gevolg gehad dat geheel nieuwe zintuiglijke vermogens in mij in werking traden, vermogens die mij in staat stelden - niet in de vorm van flitsen, maar in een permanente toestand van wakend dagbewustzijn - al die dragende geestelijke krachten, onzichtbare oorzaken, eeuwige wereldwetten, basisenergieën en grondbeginselen te zien die achter de fysieke wereld liggen. Het mysterie van het bestaan was voor mij dus geen mysterie meer. Ik was bewust geworden in het leven van het heelal en ingewijd in het goddelijke scheppingsprincipe."

Als aanvulling op zijn geschriften, die een wetenschappelijke basis geven voor het liefhebben van alle levende wezens, helpen de vele symbolische tekeningen met verklarende tekst de lezer om een overzicht over de kosmische structuur van het leven te verkrijgen.

Martinus Thomson stierf in 1981 in Kopenhagen. In 1932 werd het administratieve centrum gesticht, nu bekend als het Martinus Instituut, om de toegankelijkheid tot de literatuur van Martinus Thomson in de originele taal (Deens) en de andere talen te waarborgen. Het is een niet-commerciële organisatie, een stichting, tevens verantwoordelijk voor de scholing in het Martinus Centrum. De kosmologie van Martinus Thomson vormt geen basis voor enige vorm van sekte of vereniging.

terug naar het overzicht

Edgar Cayce - De slapende profeet


Edgar Cayce
Wie was Edgar Cayce? Het hangt ervan af hoe men hem bekijkt. Een groot deel van zijn tijdgenoten kende de 'wakkere' Edgar Cayce als beroepsfotograaf. Een andere deel, voornamelijk kinderen, bewonderde hem als de aardige onderwijzer van de zondagsschool. Zijn eigen familie kende hem als een geweldige echtgenoot en vader.

De 'slapende' Edgar Cayce was een volslagen andere persoon; een paragnost, bekend bij duizenden uit alle rangen en standen, die dankbaar waren voor zijn hulp. Velen van hen geloven inderdaad dat alleen hij hun leven gered of veranderd heeft. De 'slapende' Edgar Cayce stelde medische diagnoses, was profeet en een toegewijd bijbelkenner.
De universiteit van Chicago had zoveel achting voor hem dat in juni 1954 een proefschrift in de filosofie, dat was gebaseerd op een studie van zijn leven en werk, werd geaccepteerd. In dit proefschrift duidde de promovendus hem aan als 'religieus ziener'.

Als kind, toen hij op een boerderij bij Hopkinsville, Kentucky, woonde, waar hij op 18 maart 1877 werd geboren, viel Edgar Cayce al op door waarnemingen die buiten het bereik van de vijf gewone zintuigen lagen. Op zesjarige leeftijd vertelde hij zijn ouders dat hij in staat was 'visioenen' te zien en ermee te praten, soms betrof dit verwanten die kort tevoren waren gestorven. Zijn ouders schreven dit toe aan de verbeelding van een eenzaam kind, beïnvloed door het dramatische taalgebruik tijdens bijeenkomsten voor christelijk réveil, die in dat deel van het land populair waren. Later, toen hij met zijn hoofd op schoolboeken sliep, ontwikkelde hij een vorm van fotografisch geheugen waardoor hij op school snel vooruitging. Maar dit verdween langzamerhand en Edgar kon niet meer dan de zevende klas afmaken voordat hij zijn plaats in de wereld moest zoeken.
Op zijn eenentwintigste was hij verkoper bij een groothandel voor schrijf- en kantoorwaren. In deze periode leed hij onder een progressieve verlamming van zijn keelspieren waardoor hij zijn stem dreigde te verliezen. Toen de artsen geen lichamelijke oorzaak voor deze toestand konden vinden, werd hypnose geprobeerd, maar dat had geen blijvend effect. Als laatste redmiddel vroeg Edgar Cayce een vriend om hem te helpen zo'n hypnotische slaap in te gaan waardoor hij als kind zich de inhoud van zijn schoolboeken zou kunnen herinneren. Zijn vriend gaf hem de noodzakelijke hypnotische suggestie en toen hij zelf een trance teweegbracht, kreeg hij grip op zijn eigen probleem. Hij raadde voor zichzelf een bepaalde medicatie en manuele therapie aan, die met succes zijn stem herstelde en hem zijn gezondheid terug gaf. Daarna deed hij hetzelfde voor iedereen die hulp nodig had.

Een groep artsen uit Hopkinsville en Bowling Green, Kentucky, ging zijn unieke talent gebruiken om hun eigen patienten te diagnosticeren. Spoedig merkten ze dat Cayce alleen maar de naam en het adres nodig had van de patiënt, waar deze ook was, en zich dan telepathisch op geest en lichaam van die persoon afstemde, zo gemakkelijk dat het leek alsof ze beiden in dezelfde kamer waren. Hij behoefde en kreeg niet meer informatie over welke patiënt dan ook. Een van de jonge artsen, dr. Wesley Ketchum, legde een rapport over deze onorthodoxe methodiek voor aan een vereniging voor klinisch onderzoek in Boston. De New York Times van 9 oktober 1910 publiceerde twee pagina's artikelen en foto's. Vanaf die tijd zochten mensen uit alle delen van het land hulp voor hun kwalen bij de 'wonderman'.

Toen Edgar Cayce op 3 januari 1945 stierf in Virginia Beach, Virginia, liet hij meer dan 14.000 gedocumenteerde stenograflsche verslagen na van de telepathisch-helderziende uitspraken die hij had gedaan voor meer dan 8.000 verschillende mensen in een periode van 43 jaar. Naar deze getypte documenten wordt verwezen met de term 'lezingen'. Deze lezingen vormen een van de omvangrijkste en indrukwekkendste verslagen van paranormale waarneming die ooit door een enkel individu zijn voortgebracht. Samen met relevante verslagen, correspondentie en rapporten zijn ze ondergebracht onder duizenden trefwoorden en ter beschikking gesteld van psychologen, studenten, schrijvers en onderzoekers die in toenemende aantallen komen om ze te bestuderen.

Een stichting, die bekend is als de A.R.E. (Vereniging voor Onderzoek en Verlichting, P.O. Box 595, Virginia Beach, Virginia, 23451), werd in 1932 opgericht om deze lezingen te bewaren. Als genootschap waar iedereen lid van kan worden, gaat zij door met het registreren en catalogiseren van de informatie, het opzetten van onderzoekingen en experimenten en het bevorderen van conferenties, seminars en voordrachten. Tot nu toe zijn de gepubliceerde bevindingen beschikbaar gesteld voor leden door de eigen uitgeverij. De Paperbackbibliotheek heeft het nu mogelijk gemaakt een reeks populaire boeken uit te geven over die onderwerpen uit de lezingen van Edgar Cayce die het meest de interesse van het publiek wekken.

Een van Cayces voorspellingen (het ontwikkelen van paranormale vermogens) werd op de volgende wijze verwoord: "De individuen van deze sfeer (aarde) zijn bezig dit (gedachtenoverbrenging) te ontwikkelen, terwijl de zintuigen werden en worden ontwikkeld."
Sommige mensen die naar Cayce kwamen voor lezingen, waren zich al bewust van hun verhoogde geestelijke vermogens en stelden vragen om uitleg over de verschijnselen die ze ondervonden hadden. Een persoon vroeg: "Beïnvloeden de gedachten van een ander persoon op het fysieke vlak een persoon geestelijk of fysiek?"
Cayce antwoordde: "Dat hangt af van de ontwikkeling van het individu, op wie de gedachte gericht kan zijn."
We zijn dan blijkbaar op verschillende niveaus van deze evolutionaire vooruitgang. Het was in deze lezing dat hij de voorspelling deed dat dit zich onder ons allen zou ontwikkelen als een algemene trend.
Een andere persoon die misschien geen paranormale vermogens had maar geïnteresseerd was in de ontwikkeling ervan, vroeg: "Hoe ontwikkelt men paranormale vermogens?"
"De voorbereiding voor morgen is gebouwd op vandaag," zei Cayce haar. De ervaringen die we nu hebben, worden gebruikt voor de groei van mentale en spirituele eigenschappen van de toekomst. Natuurlijk kunnen we ervoor kiezen hen niet te ontwikkelen, precies zoals we kunnen kiezen om ons af te sluiten voor geluiden die hoorbaar zijn voor ons normale hoorvermogen. Het is tenslotte onze wil die onze vooruitgang beheerst. Dat de wil altijd de leidende factor moet zijn om de mens verder te brengen, altijd omhoog, was het inzicht dat we konden verwerven door onze studie van de planeten.
"Aan hem die heeft, en goed gebruikt, zal gegeven worden. Aan hem die heeft en dat voorrecht misbruikt, van hem zal zelfs dat wat hij leek te hebben, worden weggenomen," was een mededeling die Cayce elders gaf maar die hier toepasselijk lijkt. Als we onze paranormale krachten gebruiken, hoe klein ook, zal ons meer gegeven worden, maar we moeten dit echt willen doen om ze te verkrijgen.
In zekere zin vroeg Elia Johansen namens al diegenen onder ons die meer paranormaal zouden willen worden, toen ze de vraag stelde: "Zal ik, terwijl ik in dit lichaam ben, ooit in staat zijn op een hoger niveau te zien en te horen? Hoe kan ik deze kracht ontwikkelen."
"Deze afstemming," zei Cayce, "wordt alleen bereikt door concentratie en door het afstemmen van zichzelf op krachten op hogere niveaus. Een persoon kan verschillende soorten bewustzijnstoestanden aannemen. Als hij zichzelf opent voor deze 'verschillende sferen van begrip', verkrijgt hij een toegang, een visioen, een inzicht, een gehoor, een gevoel op deze verschillende niveaus. Hij bereikt het volgende niveau door de aanwezige gaven te gebruiken."

Geloof in de paranormale bronnen die voor ons toegankelijk zijn, zoals ze voor Cayce waren, komt alleen door persoonlijke ervaring. Er zijn wetten die het gebruik van deze krachten regeren, precies zoals wetten het gebruik van elektriciteit regeren en ze kunnen net zo gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gebruikt! Zelfs Cayce was niet altijd in staat om de gegevens of de collectieve geest voor een persoon te lezen als de persoon onwillig was om zich te onderwerpen aan de suggestie. Soms werd hij belemmerd door zijn eigen zwakke gezondheid. Soms ook was de geestelijke houding van degenen om hem heen niet in overeenstemming met de gezochte informatie.
In een bepaald geval kwam er helemaal geen informatie door omdat "de gevoelens van de aanwezigen aanstuurden op een afwijking van het gezochte."
"De ontwikkeling moet zelfontwikkeling zijn, zielsontwikkeling." Zo adviseerde Cayce een jonge student elektrotechniek over "het juist ontwikkelen van paranormale vermogens." Hij zei dat deze persoon geestelijk, lichamelijk en spiritueel goed in evenwicht was, maar dat hij zijn paranormale krachten kon gebruiken voor of een erg hoge ontwikkeling of voor het richten ervan naar destructieve krachten, hoewel niet altijd opzettelijk.
Hij werd dus gewaarschuwd: "Vind het zelf. Vind wat het ideaal van het zelf is. En hoe hoog dat ideaal is. Bestaat het uit of behoort het tot zelfontwikkeling of onbaatzuchtige ontwikkelirig ten gunste van het ideaal? En overtuig u ervan dat het ideaal van spirituele aard is...
En wees niet tevreden met een andere gids dan van de Genadetroon zelf... En wie kan er beter zo'n gids zijn om hem te onderwijzen dan de Schepper van het universum? Want Hij heeft gezegd: "Als ge me zoekt, zult ge me vinden" en "Ik zal u niet in de steek laten" maar als ge oprecht zijt in uw bedoeling, in doel, in verlangen, Ik zal u alle dingen in uw herinnering brengen die behoeften zijn voor uw ziel, uw geest, uw lichaam en ontwikkeling..."
Dit is een belofte van Hem die alle beloften kan vervullen die zijn gedaan aan iedere ziel die Zijn aangezicht zoekt, Zijn wegen. Spreek daarom vaak met uw Schepper. En laat uw meditatie zijn:
"Heer, gebruik me op die wijze, op die manier, waarop ik, als uw zoon, uw dienaar, het meest dienstbaar kan zijn voor mijn medemens. En moge ik Zijn bevelen kennen, Vader, zoals Gij hebt beloofd dat als we naar Hem zouden luisteren, dat wat we in Zijn naam vragen, het onze moge zijn. Ik eis die relatie op, Vader, en ik zoek uw raad dag na dag!"

Deze jonge man werd verteld dat hij raad van binnen zou ontvangen en de antwoorden 'in de geest' zou kennen. Als een kameraad of vriend of broeder langs zou komen 'als een wegwijzer langs de levensweg,' zou hij weten dat hij tot die persoon was geleid en 'die weg moest bewandelen' en leren wat die persoon hem kon onderwijzen.

Telepathie lijkt een van de gewoonste vormen van buitenzintuiglijke waarneming en het gemakkelijkst te ontwikkelen. "Geef mij de principes en technieken van bewuste telepathie," vroeg een persoon.
"Het bewustzijn van Zijn voortdurende aanwezigheid," luidde het antwoord. "Want Hij is alle macht, alle gedachten, het antwoord op elke vraag. Begin eerst met z'n tweeën te oefenen. Stel een tijd vast en de een schrijft op dat moment op wat de ander aan het doen is. Doe dit twintig dagen. En ge zult bemerken dat ge de sleutel tot telepathie hebt."
Bewerkt uit: Mary Ellen Carter, De Voorspellingen van Edgar Cayce, De Ster.

terug naar het overzicht

Soendar Singh - Ik zie de hemelen geopend


Soendar Singh
1889-1929?
Om de visioenen van 'sadhoe' (benaming van een godgewijd man) Soendar (voornaam) Singh (familienaam) beter te verstaan, volgt hier een korte levensbeschrijving van hem.
Er wordt terecht wel eens gezegd, dat het Westen het evangelie nooit kan begrijpen zonder aandeel uit het Oosten. Daartoe heeft God ook Soendar Singh gebruikt. Hij werd geboren op 3 september 1889 als de zoon van een gelovige hindoe, die grootgrondbezitter was in Rampoer. Hij behoorde tot de Sikh-religie, een groepering die een zuivere vorm van godsdienstige beleving zocht. Zijn moeder had een vast vertrouwen dat deze zoon zijn roeping in de godsdienst zou vinden. Zij overleed toen Soendar 14 jaar oud was. Hij bezocht een christelijke school, maar het christendom bracht hem in grote verwarring. Maar ook de godsdiensten van zijn eigen land brachten hem geen vrede.
Hij ging de bijbel haten en in zijn hart groeide grote vijandschap jegens de christenen. Hij ging hierin zover, dat hij op 16 december 1904 een Nieuwe Testament verbrandde. Zoals Paulus indertijd zijn vervolgen van de gemeente als een grote zonde beschouwde, zo zag Soendar Singh dit verbranden van de heilige Schrift later ook. "Hoe zouden deze handen kunnen zegenen," zei hij, "die Gods woord hebben verscheurd en verbrand!" Door zijn felheid en zijn zoeken raakte hij in een diepe crisis en hij sloot zich drie dagen lang in zijn kamer op. Toen nam hij het besluit, zich voor de trein te zullen gooien, als hij voor 's morgens 5 uur nog geen vrede zou hebben gevonden. Alles of niets. "O God," bad hij, "als U er bent, wijs me dan de weg, anders maak ik er een eind aan."

Om half 5 werd het plotseling heel licht in zijn kamer. Eerst dacht hij aan brand. Toen kwam Gods antwoord. In een wolk van licht (14) zag hij het liefdevolle gelaat van Jezus, die tegen hem zei: "Hoelang vervolg je Mij? Ik kwam om je te redden. Je bad om de juiste weg te kennen. Ik ben de weg. Waarom aanvaard je Mij dan niet?"

De uitwerking van dat gezicht was onvoorstelbaar. Zelf zegt hij daarvan: "Ik had Hem verloochend en daar was Hij zelf, niet dood, maar in zijn volle glorie en vlakbij. Toen wijdde ik mijn leven aan Hem." Meteen liep hij naar zijn vader en zei: "Ik ben christen. Ik heb Jezus gezien en gehoord. Hij leeft, ik heb Hem zelf gezien en Hem wil ik gaan dienen." Zijn vader zei: "Je bent gek. Je komt me daar midden in de nacht vertellen, dat je christen bent geworden en drie dagen geleden heb je nog hun bijbel verbrand." "Ja vader," zei Soendar, "nooit tot aan mijn dood zal ik mijn handen kunnen zuiveren van die misdaad."

Allereerst kreeg hij zijn familie tegen. Zijn eerste vijanden waren zijn huisgenoten. Zijn familie zou het nog hebben geduld, als hij zich had aangesloten bij de z.g. Sannyasi-christenen: een beweging die in stilte het christendom beleefde. Hij had daar wel een goed contact mee, maar sloot er zich nooit bij aan.
Evenals Franciscus van Assisi maakte hij zich los van alles en iedereen; hij knipte zijn lange haren af, die een teken van zijn hoge afkomst waren en verliet zijn huis, waar ze hem met de laatste maaltijd nog trachtten te vergiftigen. In 1905 werd hij meerderjarig en op zijn 16e verjaardag liet hij zich dopen in de St. Thomaskerk te Simla. Toen wist hij zich een nieuwe mens in Christus en zijn diepe vrede heeft hem nooit meer verlaten.
Een maand later vervulde hij de wens van zijn moeder en werd een sadhoe, maar nu een christen-sadhoe, een zwervende volgeling van Jezus. Hij trok een saffraankleurig kleed aan, dat het kenmerk was van degenen, die zich tot een godgewijd leven hadden verbonden. Blootsvoets, met alleen het Nieuwe Testament bij zich, begon hij zijn werk als evangelist. Hij koos psalm 23 als zijn levenspsalm: De Heer is mijn herder. "Ik zal je herder zijn," zei de Heer hem.
Zijn sadhoe-kleding verzekerde hem van een zeker respect in de plaatsen, waar hij doortrok. Maar zijn boodschap van het heil in Christus stuitte ook vaak op grote weerstand. In 1908 - hij was toen 19 jaar - maakte hij zijn eerste grote zendingsreis naar Tibet, het gesloten land. Moravische zendelingen leerden hem Tibetaans. Hij zag het als Gods opdracht daarheen te gaan, waar de naam van Christus nog nooit genoemd was. Daarbij ondervond hij vriendschap en vijandschap. Hij besloot bij elke vijandige bejegening te bidden: "Vader, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen."

Hij verlangde ernaar, naar het Heilige Land te gaan, maar een visum werd hem geweigerd. Toch was die reis naar Bombay niet vergeefs, want hij maakte onderweg een klein incident mee: hij zag namelijk eens dat een zieke Brahmaan water weigerde, omdat het niet uit zijn eigen beker was. Daarmee toonde de Heer hem, dat het evangelie aan ieder moet worden gebracht in diens eigen, vertrouwde vorm. En zo werd hij zich ervan bewust dat het zijn verdere roeping zou zijn, het evangelie te brengen, aangepast aan het eigen land en niet in een westerse vorm.
Op aandringen van zijn vrienden besloot Soendar theologie te gaan studeren aan het St. Johnscollege in Lahore. Na twee jaar werd het hem in een onderhoud met de bisschop duidelijk dat, als hij in kerkelijk verband zou werken, hij zich zou moeten beperken tot het district dat hem zou worden toegewezen. Dit zag hij echter niet als zijn roeping. Daarom verliet hij het college, om als een zwervende sadhoe het evangelie daar te verkondigen, waarheen de Heer zelf hem zou leiden.

Hij besloot nu zijn vorige leven volledig te begraven en daarvoor evenals Jezus veertig dagen te vasten. Dit werd een nieuw keerpunt in zijn leven. Na deze periode ontving hij ook de eerste visioenen over de hemel. "Te Kotgarh," schrijft hij, "werden mijn ogen tijdens het gebed geopend voor hemelse visioenen, zo levendig, dat ik dacht gestorven te zijn en reeds in de hemelse glorie aangekomen te zijn. Ik wandelde met de Heer en had gesprekken met engelen en heiligen. Door de jaren heen zijn die visioenen mijn leven blijven verrijken."
Hij was nu 24 jaar en besloot opnieuw naar Tibet te gaan. Voor rovers had hij geen angst. Hij bezat immers toch niets anders dan zijn bijbel en zijn deken om in te slapen. Wapens had hij niet nodig: Gods woord was voor hem een tweesnijdend zwaard. Wel verkeerde hij soms in gevaar in de sneeuw om te komen. Maar hij had geen angst voor de dood: die beschouwde hij als een thuiskomen bij de Heer.
Het gebeurde eens, dat hij door sneeuwblindheid struikelde en dat de sneeuw hem langzaam overdekte. Toen hij na een poos zijn ogen opsloeg, was de sneeuwblindheid verdwenen. En voor zich zag hij de ingang van een grot met een vreemde figuur: een stokoude man met een gezicht vol rimpels en met sneeuwwit haar. Soendar kroop naar hem toe. Deze gaf hem een paar groene bladeren om op te eten en hij voelde, dat zijn kracht terugkeerde.
De grijsaard zei met heldere stem: "Laten we neerknielen en samen bidden." Soendar Singh was heel verbaasd, toen de kluizenaar in zijn gebed de naam 'Jezus' noemde. Ook bleek hij in het bezit te zijn van een oud en geschonden perkament, een afschrift van het evangelie van Mattheüs, dat daar eeuwen geleden door de Jezuieten-missionaris Franciscus Xaverius was achtergelaten. De oude man nodigde Soendar uit steeds bij hem terug te komen, als de krachten hem zouden begeven en hij aan een bemoediging toe zou zijn. Zo zorgde de Heer voor zijn dienstknecht, die alles had prijsgegeven om zijn Meester te volgen en te dienen.

Eens in Razar werd hij door de hoofdlama ertoe veroordeeld in 'de kuil' te worden geworpen, een vreselijke doodstraf. In die put, die met een ijzeren deksel was afgesloten, lag hij 3 dagen tussen lijken en geraamtes, zonder eten of drinken en met een gewonde arm. Geen wonder dat hij toen uitriep: "Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" Het was in de derde nacht, toen het ijzeren deksel van de put werd afgeschoven en een touw werd neergelaten. Hij greep het touw en zo werd hij gered. Toen de opperrechter het onderzocht, bleek, dat de hoofdlama de sleutel als steeds vastgebonden aan zijn gordel had. Hij werd toen uit de stad gezet en mocht daar nooit meer terugkomen.
In die eenzame gebieden trok hij er vaak alleen op uit. Maar eens reisde hij samen met een vriend door het hooggebergte. In een ijskoude sneeuwstorm zagen ze iets donkers aan de kant van de weg liggen: iemand, die zeker dood zou vriezen. Zijn vriend dacht, dat hij al dood zou zijn, maar Soendar wilde het zeker weten en ging erheen. Terwijl de vriend verder ging, bespeurde Soendar nog een teken van leven. Hij nam met grote moeite de man op zijn schouders en droeg hem verder. Door die inspanning werd hij zo warm, dat dit voor hen beiden de redding werd. De vriend, die doorgelopen was, bleek later omgekomen te zijn door de kou. "Wie zijn leven prijsgeeft, zal het behouden," had de Heer al gezegd.

Soendar Singh bracht Jezus op heel eenvoudige wijze. Geen zelfkastijding of reïncarnatie kan mensen tot de vrede brengen, die Jezus geeft, zo was zijn boodschap. Hij straalde Jezus zo uit, dat kinderen eens riepen: "Moeder, daar is Jezus weer." En ook volwassenen zagen de Heer in hem.
Langzamerhand begon hij nu grotere bekendheid te krijgen. In 1917 - hij was toen 28 jaar - werd hij uitgenodigd naar Zuid-India te komen. Twee jaar later reisde hij naar Birma, China en Japan en in het volgende jaar maakte hij zijn eerste grote wereldreis naar Engeland, Amerika en Australië. In 1922 was hij opnieuw in Europa. Zijn vader, die intussen ook christen was geworden, bekostigde dit.
Deze reizen veranderden niets aan zijn leefwijze van veel innerlijk gebed. Vastendagen hield hij niet, maar hij beleefde wel dagen zonder eten. Hij begon de dag met bijbellezen, sprak dan met de Heer over de mensen, die hij ontmoette en de dingen, die hij te doen had. Zijn gebed, of liever zijn gesprek met de Heer, was meer een luisteren dan dat hijzelf aan het woord was. Hij vertrouwde God voor wat hij nodig had en verdroeg, wat hem overkwam, ook tegenslag of vijandigheid. Elke ontmoeting was voor hem een gelegenheid om het evangelie te verkondigen.
Tussen 1925 en 1927 trok hij zich terug in de stilte. Zijn gezondheid was verzwakt. In die tijd begon hij zijn ervaringen op te schrijven. Toen hij in 1928 opnieuw naar Europa kwam, werd die reis een grote teleurstelling voor hem. Hij vond in veel kerkelijke kringen eerzucht en geldzucht, bezorgdheid om materiële dingen en het najagen van nieuws. In Nederland heeft hij eens gezegd: "Gemeenschap met de Heer is alleen mogelijk voor hen, die in de stilte met Hem willen zijn. U hier in dit land schijnt genoeg te hebben aan drie minuten gebed per dag. Ik heb daar drie uur per dag voor nodig."
In 1929 kwam nog eenmaal de roep naar de Himalaya. Hij was toen 40 jaar en aan één oog blind. Hij ging, maar is van die reis nooit weergekeerd. Vergeefs werd er naar hem gezocht. Niemand weet, hoe hij is verdwenen. Maar één ding is zeker: hij ging naar het vaderhuis, waarvan hij in zijn visioenen al zoveel had mogen zien en waarover hij op aandrang van vrienden het een en ander heeft opgeschreven (zie daarvoor in het Literatuuroverzicht).

terug naar het overzicht

Omraam Mikhaël Aïvanhov - De Universele Witte Broederschap


Mikhaël Aïvanhov
Mikhaël Aïvanhov werd op 31 januari 1900 geboren in het Macedonische dorpje Serbtzi vlakbij de berg Pelister aan de voet van de Babouna Planina (Grootmoeders berg); ondergedompeld in een cultuur met oude en diepgaande spirituele tradities. Deze tradities, vroeger overgeleverd door vrouwen, worden nog steeds in stand gehouden. Zijn moeder was een belangrijke genezeres en ze paste ongetwijfeld van oudsher overgeleverde kennis toe in haar genezingspraktijk.
Na de verwoesting van zijn geboortedorp door de Grieken verhuisde de familie naar de stad Varna aan de Zwarte Zee. Zijn vader stierf toen de kleine Mikhaël zeven jaar oud was, waarna zijn moeder hertrouwde. Vanaf zijn veertiende jaar, na het bestuderen van Hindoe-geschriften, beoefende Mikhaël intensief yogatechnieken. Dit leidde tot bijzonder intense spirituele ervaringen. Ook experimenteerde hij veel met het licht en de zeven kleuren van het spectrum. Op zijn vijftiende kreeg hij een grote mystieke ervaring van goddelijke genade. Boven alles zou de schoonheid van deze goddelijke ervaring bij de jonge Mikhaël de diepste indruk achterlaten.

Peter Deunov
In 1917 kwam hij in contact met Peter Deunov die in Varna woonde. Vanaf dat moment werden zijn leven en werken bepaald door deze inspirerende persoon en de broederschap. Jaren later zou hij zeggen dat vanaf het eerste moment dat hij Peter Deunov ontmoette er een 'onverklaarbare band' tussen hen beiden bestond. Het was alsof zij elkaar hadden herkend. Aïvanhov ontving van Deunov een intensieve esoterische vorming.
Peter Deunov wilde echter dat hij zich ook in de gangbare wetenschap zou verdiepen. Daartoe volgde hij colleges in onder meer psychologie, filosofie, natuurkunde, wiskunde, medicijnen en letteren aan de universiteit van Varna. Daarna was hij in het onderwijs werkzaam tot aan zijn vertrek naar Frankrijk.

Uitzending naar Frankrijk
Toen de Tweede Wereldoorlog dreigde, voorzag Deunov de politieke onrust die de aanzet zou geven tot het verbod op elke vereniging met een spiritueel karakter in Bulgarije. Om zijn leringen te redden en verder te verbreiden zond hij Mikhaël Aïvanhov in 1937 naar Frankrijk.
Aïvanhov kwam op 22 juli van dat jaar in Frankrijk aan, zonder geld en zonder enige kennis van de Franse taal. Hij had een treinkaartje, een enkele reis naar Frankrijk en slechts de namen van enkele contactpersonen in Frankrijk, waaronder die van een vrouw, Stella Bellemin, die later in de broederschap bekend zou staan als Svezda (wat in het Bulgaars 'ster' betekent). Svezda herinnert zich haar eerste ontmoeting met Aïvanhov nog als volgt:
"Wat me het meest trof bij onze eerste ontmoeting, was het intense licht dat van hem uitstraalde, een licht dat vol zachtheid en zuivere onpersoonlijke liefde was en dat zich als goddelijk water uitstortte over de mensen en de dingen. Zijn blik was vervuld van een gevoel van een totaal geven van zichzelf, dat alleen eigen is aan heiligen en meesters. Wanneer men broeder Mikhaël zag, kreeg men de indruk dat het zijn enige taak was om dit goddelijk liefdesgeschenk aan allen zonder onderscheid aan te bieden, jong of oud, mooi of lelijk, rijk of arm. Dit was des te opmerkelijker, omdat hij zich bijna niet in het Frans kon uitdrukken en dit maakte dat zijn toehoorders hun aandacht concentreerden op wat er van hem uitstraalde. De uitstraling van zijn spirituele liefde, die zich in bijzondere schoonheid openbaarde, werkte in op iedereen die met hem in contact kwam."

Openbare voordrachten
Vanaf 1938 gaf Mikhaël Aïvanhov zelf voordrachten in Parijs en omgeving. Tot 1986 heeft hij duizenden voordrachten gegeven, eerst in Frankrijk en later op vele plaatsen in de wereld.
"...Ik spreek met mijn stem, Peter Deunov sprak met de zijne. Het was niet omdat hij bepaalde vraagstukken niet kende, dat hij er niet over sprak. Misschien was de tijd er niet rijp voor. Mijn werk is verschillend van dat van Peter Deunov. Heel verschillend. Maar er is geen tegenstelling tussen ons. We bewandelen dezelfde weg en gaan in dezelfde richting, altijd naar het licht, naar God…"
In de jaren die volgden werkte hij de inwijdingswetenschap van Peter Deunov verder uit met behulp van zijn eigen diepgaande geestelijke ervaringen, zijn grote spirituele eruditie en uitzonderlijke kennis van de esoterische wetenschappen en voorzag het van eigentijdse praktische methoden:

"Ik heb de mystieke weg bewandeld: het hart, de gevoelens, sensaties en de liefde.
Ik heb de spirituele weg bewandeld: studie en wetenschap.
Ik heb ook de weg van de concrete realisatie gevolgd door werk en het versterken van de wil.
Ik heb deze drie wegen bewandeld, de een na de ander, en in iedere weg behaalde ik resultaten.
En toch wil ik noch de ene noch de andere weg volgen: Ik wil ze alle drie."
"...De waarheid verandert niet, maar de mensheid evolueert. De methoden, middelen en vormen dienen niet hetzelfde blijven. Als een kind opgroeit, kun je het niet steeds dezelfde broek aantrekken; het behoeft een nieuwe. Hetzelfde geldt voor filosofie en religie. In een nieuwe tijd zijn nieuwe vormen nodig…"

Herkomst van de toevoeging 'Omraam'
In dit verband dient de reis vermeld te worden die Aïvanhov maakte naar Japan, Taiwan, Hongkong, Thailand, Sri Lanka en India. In dit laatste land verbleef hij van juni 1959 tot februari 1960. Daar ontmoette hij verschillende spirituele meesters: waaronder Lama Anagarika Govinda, Babaji en Neemkaroli Baba. Van deze laatste ontving hij de naam Omraam. Aïvanhov zelf zei hierover:
"Om is het geluid dat al wat negatief is desintegreert. Het correspondeert met het Solve uit de Inwijdingswetenschap, die de dingen doet terugkeren naar hun oorspronkelijke staat door hen te transformeren in licht. De vibraties van Raam hebben het vermogen om goddelijke realiteiten te condenseren en hen tastbaar te maken. Dit is het Coagula. De twee processen van Solve en Coagula zijn daarom in mijn naam gecombineerd."

De betekenis van een Meester
Na zijn terugkeer uit India noemden zijn discipelen hem 'meester'. Zelf bleef hij zich als een discipel beschouwen. Kort na zijn terugkeer uit India ging Aïvanhov opnieuw dieper in op de beantwoording van de vraag wat een spirituele meester is. Hij legde er toen de nadruk op dat een meester op één punt na net zo is als ieder ander menselijk wezen. Hij voelt honger en dorst en hij bloedt wanneer hij zich snijdt. Wat een meester echter onderscheidt, is het feit dat hij een volmaakte beheersing over zichzelf heeft verkregen.
Hoewel er gezegd wordt dat Aïvanhov veel wonderen verricht heeft, heeft hij er nooit veel ophef over gemaakt. In een voordracht merkte hij op: Je kunt mensen genezen, je kunt doden tot leven wekken, maar ze zullen in dezelfde fouten vervallen en opnieuw ziek worden. Het waarachtige wonder bestaat erin een ziel te redden door haar licht te geven, zodat ze niet meer zondigt; het waarachtige wonder bestaat erin om mensen te leren haat in liefde te veranderen.
Omraam Mikhaël Aïvanhov's volgelingen beschouwen hem als een Meester in de oorspronkelijke zin van het woord; hij was sober in zijn levenswijze, hartelijk in de omgang, boordevol humor, bewust in al zijn gebaren, woorden en blikken en steeds trouw aan zijn hoogste ideaal: een wereld helpen scheppen, waarin alle mensen samenleven in volmaakte harmonie en waarin allen, verzoend en verenigd, met liefde en wijsheid werken in het belang van allen. De grote uitdaging van het Waterman tijdperk.
Toch bleef hij ook op zijn privacy gesteld en hij hechtte grote waarde aan de uren die hij alleen doorbracht, want dan kon hij zijn werk doen in de onstoffelijke wereld. Dat was ook de manier waarop hij stierf: in eenzaamheid en niet afgeleid door andere mensen. Zoals iemand die al jaren een discipel van hem was, in een gesprek opmerkte: "Hij werkte tot het laatst voor het heil van de mensheid. Hij was zich bewust van alle dingen die van belang waren voor zijn discipelen, de mensen van Frankrijk, de hele planeet en waarschijnlijk ook voor het universum."
Aïvanhov verliet zijn lichaam in zijn geliefde Le Bonfin op de 1e kerstdag 1986. Slechts één discipel, zuster Blagost, was getuige van zijn heengaan. Aïvanhovs laatste woorden en getuigenis waren in overeenstemming met zijn roeping als bodhisattva:
"Als je eens wist hoeveel liefdevolle gedachten ik van iedereen ontvang! Zeg de broeders en zusters dat ik altijd bij hen zal zijn en vraag hen de eenheid en harmonie te bewaren en het onderricht te blijven verspreiden in de hele wereld."
Bron: www.omraam.nl - De Universele Witte Broederschap

terug naar het overzicht

Jozef Rulof - Een blik in het hiernamaals


Jozef Rulof
Jozef Rulof werd in 1898 geboren in 's-Heerenberg. Als klein kind is hij al buitengewoon gevoelig, hij voelt en ziet zaken die anderen niet zien en hij ziet de lichtende gestalte van zijn geestelijke begeleider die zich later bekend maakt als Alcar. Hij staat Jozef in alles bij en verklaart hem het leven in al zijn facetten. Jozef leert hem kennen als een hechte vriend op wie hij altijd kan rekenen.
Jozef kan niet goed leren doordat hij niet open staat voor de droge leerstof. Hij luistert liever naar Alcar, die hem met gevoel de schoonheid en de werking van de natuur laat zien. Later legt Alcar uit dat hij geen schoolse kennis mocht opnemen omdat dat storend zou werken op de wijsheid die zijn geestelijke begeleiders aan hem willen doorgeven. Het moeten leven in twee werelden is al moeilijk genoeg. Jozef krijgt zijn opleiding rechtstreeks van zijn geestelijke meester. Alcar doorschouwt de mens en laat Jozef zien hoe de mensen om hem heen leven, wat ze zeggen en verzwijgen, wat ze weten en vooral wat ze nog niet weten. Jozef krijgt daardoor een diepgaande scholing.

Schilderend mediumschap
Op volwassen leeftijd verhuist hij naar Den Haag, waar hij zich moet aanpassen aan het leven in de stad. Als taxichauffeur verdient hij zijn geld. Nu begint zijn werk voor de geestelijke wereld echt. Eerst gaat Alcar zijn schilderend mediumschap ontwikkelen. Dit schilderen is geen doel op zich, maar dient de opbouw van het schrijvend mediumschap. Hij brengt geestelijke schilders bij Jozef en vraagt hen hun astrale kunst op aarde te brengen door van het lichaam van Jozef gebruik te maken. Om dit te bereiken brengt Alcar hem in een diepe trancetoestand. Zoals de mens tijdens het inslapen de bewuste beheersing over het lichaam verliest, laat ook Jozef de beheersing over zijn stoffelijke lichaam los tijdens diepe trance. Dan kan de begeleider de beheersing van het zenuw- en spierstelsel van het lichaam overnemen en met zijn geestelijke wil beheersen. Zo kan de geest vanuit de geestelijke wereld opnieuw door stoffelijke ogen kijken en armen en handen in beweging brengen om te schilderen of op te schrijven wat hij als geestelijke persoon denkt en voelt.
Om de trance van Jozef dieper te maken wordt er eerst veel geschilderd. Daartoe nemen verschillende kunstenaars onder leiding van Alcar zijn lichaam over om hun schilderijen op aarde te brengen. Door de verdieping kunnen de schilders meer kleur en verfijning aan hun werk geven. Ondanks het feit dat Jozef geen kunstopleiding heeft gevolgd, vertonen de schilderijen die door hem heen tot stand komen een rijke verscheidenheid aan stijlen die elk afzonderlijk tot grote hoogte zijn uitgewerkt. Deze verscheidenheid en diepgang is terug te voeren tot de verschillende meesters die na hun dood door zijn schilderend mediumschap hun kunst opnieuw op aarde konden brengen.
Klik hier voor een diaserie van 19 schilderijen.
(gebruik de ↑ en ↓ of ← en → -toetsen, sluit af met esc)

Genezend mediumschap
In die periode treedt ook zijn genezend mediumschap naar voren en Jozef vestigt zich als magnetiseur. Tijdens het magnetiseren laat Alcar Jozef zien hoe de organen de magnetische kracht opnemen. Jozef leert wie hij wel, en wie niet kan helpen. Alcar toont hem hoe de liefde van de magnetiseur dit bepaalt; hij legt uit dat magnetisme gevoelskracht is en dat de mate van het vermogen lief te hebben de sterkte van deze gevoelskracht bepaalt. Jozef krijgt vaak mensen in behandeling van wie de gezondheidstoestand verslechterd was door andere magnetiseurs die geen geestelijke liefde uitstraalden. De vele aspecten van het genezend mediumschap staan beschreven in 'Een Blik in het Hiernamaals'.

Schrijvend mediumschap
Wanneer Jozef als medium ver genoeg is ontwikkeld, kan Alcar beginnen met zijn belangrijkste taak: het schrijven van de geestelijk-wetenschappelijke boeken. Door Jozef heen is Alcar als astraal-geestelijk wezen in staat opnieuw met het aardse bestaan verbonden te zijn en boeken te schrijven die niet door het aardse denken van Jozef worden beïnvloed. Tijdens het schrijven is Jozef zich namelijk niet bewust van wat er wordt geschreven. Wanneer hij naderhand uit de trance ontwaakt en het geschrevene leest, is het ook voor hem een wonder hoe die woorden op papier zijn gekomen. Door de diepe graad van trance is elke beïnvloeding door Jozef uitgeschakeld, zodat de wijsheid uit de geestelijke wereld zuiver op aarde kan komen. Deze hoogste graad van mediumschap komt slechts zelden voor. Dit loslaten van het lichaam is voor het medium echter moeilijker dan het natuurlijke inslapen. De persoon is immers volkomen met het zenuwstelsel verenigd. Voortdurend worden gedachten op de hersenschors afgedrukt en wordt het lichaam door de wil in beweging gebracht, waardoor het zenuwstelsel volkomen is ingesteld op de gedachten, de gevoelens en de wil van de persoon. Daardoor bestaat er een bewuste beheersing van en een onbewuste invloed op het zenuwstelsel; dat moet Jozef opgeven om het vrij te maken van zijn persoon, zodat Alcar het kan overnemen.

Uittredingen
Om dit mogelijk te maken is Alcar al tijdens de eerste jaren begonnen met het opbouwen van dit mediumschap. Hij moet voorkomen dat de persoon van het medium zich al te zeer met zijn lichaam verenigt. Als kind maakt Alcar Jozef daarom soms los van zijn lichaam en geeft hij hem de mogelijkheid als geest 'uit te treden'. Hierdoor kan Alcar de volwassen Jozef later de mogelijkheid geven regelmatig uit te treden en zich geestelijk te ontwikkelen. Tijdens de trance laat hij hem uit zijn lichaam treden zodat hij als geestelijke persoon kan kijken en handelen in de geestelijke wereld. Jozef vond deze gave van uittreden het mooiste aspect van zijn mediumschap.
Tijdens de uitgetreden toestand kan hij met eigen geestelijke ogen waarnemen waar Alcar over schrijft. Wanneer een priester hem een profeet noemt, wil Jozef daar niet van weten en verwijst hij naar het eerste deel van 'Een Blik in het Hiernamaals': Ik ben helderziend en helderhorend, schilderend, genezend en schrijvend medium, maar te mogen uittreden, dat is de mooiste van alle gaven. Het is heerlijk in de geestelijke wereld te mogen zijn en hun leven te zien.

In 'Een Blik in het Hiernamaals' legt Alcar aan Jozef uit waarom dit zo belangrijk is: "Wij zullen de mensen brengen op deze mooie weg, opdat ze zich zullen ontwikkelen om straks wanneer zij op aarde sterven het licht te zien in het hiernamaals. Dit is ons werk (...) De mens leeft in de stof, voor de stof en met de stof, waardoor het geestelijke, het mooie waardoor de mensenziel groeien moet, vergeten wordt. En het zal je verbazen te merken hoe deze in haar groei wordt belemmerd, omdat men de werkelijkheid van het bestaan van een leven na de dood niet aanvaarden wil."
Alcar laat Jozef eerst alles in de geest beleven en daarna wordt het beleefde op schrift vastgelegd. Hierdoor kan Jozef de boeken ook 'vertegenwoordigen', omdat hij alles zelf ervaren heeft. En wanneer Alcar en de leiders van Alcar hun universiteit van 27 boeken met geestelijk-wetenschappelijke kennis gaan opbouwen, kan Jozef meegroeien met de verdieping van elk nieuw boek. Dit verklaart ook waarom een volgend boek weer dieper ingaat op de geestelijke wetten die hun en ons aardse leven onderbouwen, want op deze manier houdt het gelijke tred met wat Jozef kan verwerken.

Boeken
In meer dan 11.000 pagina's universele kennis in de 27 boeken die door Jozef op aarde zijn gebracht, kan de lezer een alomvattend antwoord op vele levensvragen vinden. De universiteit aan kennis laat de innige samenhang zien van al het leven en de wonderlijke evolutie van mens en heelal van oorsprong tot kosmische bestemming. De boeken zijn geschreven als een reeks met een opbouw. Het niveau van beleving, analyse en bewustzijn wordt boek na boek verhoogd, zodat de lezer daarin kan meegroeien. Elk nieuw begrip dat wordt gebruikt, wordt steeds vergezeld van een beeldende omschrijving en een verklarend verhaal, zodat stap voor stap een wondere wereld kan worden betreden.
De eerste boeken voeren de lezer binnen in het hiernamaals: 'Een Blik in het Hiernamaals' en 'Zij die terugkeerden uit de dood'. Ze brengen een 'ooggetuigeverslag' van het leven na de dood.
Daarna wordt het geheim van de menselijke reïncarnatie beschreven in: 'De Kringloop der Ziel', 'Tussen Leven en Dood' en 'Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven'.
Door het terugvolgen van de reïncarnaties in de studieboeken wordt het ontstaan van mens en kosmos ontrafeld: 'Het Ontstaan van het Heelal'.
De realiteit en aard van het contact tussen mensen en geesten vindt u in 'Geestelijke Gaven' en 'Zielsziekten van Gene Zijde bezien'.
In 'De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien' zien we door wie en hoe de evolutie van de mensheid gestuwd wordt en wat de centrale rol van Christus hierin is.
Tenslotte veronderstellen de laatste boeken de voorafgaande lezing van alle vorige boeken: 'De Kosmologie' (5 boeken).
De biografie van Jozef Rulof: 'Jeus van Moeder Crisje', beslaat drie delen.
Bron: Geestes Wetenschappelijk Genootschap 'De Eeuw van Christus'.

terug naar het overzicht

Mirin Dajo, de onkwetsbare profeet


Arnold Henskes
   alias Mirin Dajo
Arnold Henskes, alias Mirin Dajo, werd op 6 augustus 1912 om 20.00 uur geboren te Rotterdam. Zijn roepnaam was Nol. Hij had een bijzonder lief en zacht karakter, en een groot rechtvaardigheidsgevoel. Als jong kind tekende hij al op volwassen wijze, hij schilderde en fotografeerde. Hij volgde een opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en werkte als reclametekenaar in Zaandam.
In zijn jeugd deden zich een aantal paranormale gebeurtenissen voor waaraan hij toen nog geen betekenis kon geven. Hij was in die tijd al helderziend en gevoelig voor de uitstraling van verschillende personen.

Op 33-jarige leeftijd kwam hij langzamerhand tot het besef dat hij geroepen was de mensheid een boodschap te brengen: zijn doel was de wereld te overtuigen van het bestaan van de oerbron ofwel de Godskracht en de boodschap van Jezus van Nazareth duidelijker te maken voor de mensen. Daardoor zou uit de wereld van vandaag met haar haat en achterdocht een betere wereld kunnen groeien, zonder oorlog en oorlogsdreiging.
Hoewel weinig belezen, was Nol goed op de hoogte van theologie en filosofie. Hij kende zowel de Westerse als Oosterse mystiek zonder zich daarin te hebben verdiept. Ook kende hij het gedachtengoed van alle grote denkers. Verder was hij in staat alle talen te spreken en alle soorten schrift te lezen zonder daar ooit voor te hebben gestudeerd.
Om zijn boodschap uit te kunnen dragen, zegde hij zijn baan op en ging onder de naam Mirin Dajo aan het werk; Mirin Dajo is Esperanto voor 'wonderbaar'. Het was hem duidelijk dat hij geïnspireerd werd door de Godskracht. Hij zag de taak die hij moest uitvoeren steeds duidelijker. Hij ontving daarvoor een kracht die hem ten tijde van volledige overgave onkwetsbaar maakte. Die onkwetsbaarheid was het middel om de mensheid te wijzen op de aanwezigheid van een alles doorstralende kracht. Er is meer tussen hemel en aarde dan wij denken.
Om zijn woorden kracht bij te zetten, liet Mirin Dajo zich bij honderden gelegenheden na een toespraak met een vlijmscherp wapen doorboren, zonder daar hinder van te ondervinden. Jan Dirk de Groot, de schrijver van het boek De onkwetsbare profeet, werd zijn assistent en vergezelde hem bij de vele demonstraties in binnen- en buitenland. Hij maakte hiervan aantekeningen, bewaarde foto's en perspublicaties. Ook noteerde hij de lessen die Mirin Dajo aan hem doorgaf. Uit dit alles is het boek ontstaan. Van een aantal demonstraties die Mirin Dajo heeft gegeven zijn filmopnamen gemaakt, waaruit een film is samengesteld.
[Ook de Engels/Pakistaanse Steven Frayne, met de bijnaam 'Dynamo', liet zich door een Engelse speerwerpster met haar speer door het midden van zijn lichaam doorsteken. Hij verklaarde dat hij in de kracht van de geest ('spirit power') geloofde.]

De taak van Mirin Dajo
Mirin Dajo had een bepaalde taak in opdracht van God, die diende te worden vervuld met behulp van de Hoogste Geestelijke Leiding en geïnspireerde medewerkers.
De openstelling voor indrukken van bovenaf was noodzakelijk voor het ontstaan van nieuwe indirecte 'engrammen' (netwerken) in het brein van Mirin Dajo. Hij zou dan, bij de juiste overgave, beter de goddelijke krachten bezitten bij het houden van zijn redevoeringen en geven van demonstraties. Dit gebeurde even vóór of tijdens het brengen van de boodschap Gods die aan de mensheid moest worden gebracht.
Een proces van actie en reactie vanuit de geestelijke wereld vond plaats bij de vorming van directe en indirecte engrammen. Iedere overgave die verlangd wordt voor het volbrengen van de goddelijke taak, is op zichzelf in wezen indirect en is in oorsprong afkomstig van God, de oerbron. Eigen bezit en eigen wil bestaan dan ten enenmale niet. Zo zien we, dat zelfs de goddelijke overgave die van Mirin Dajo werd verlangd, geen eigen bezit genoemd mag worden. Op dezelfde lijn liggen inspiratie en impulsen die allemaal indirect ontstaan zijn door prikkeling door middel van de Geestelijke Leiding van God. Ze zijn dus van de oerkracht afkomstig. Hierop bestaan nooit uitzonderingen.
Een inspiratief gegeven toespraak kon pas worden gehouden, nadat de gewenste overgave bereikt was, door het in beweging stellen van de indirecte engrammen. Door de juiste inspiratie-ontvankelijkheid werd dit overal en onder elke omstandigheid mogelijk gemaakt. Door iedere inspiratie ontstond een nieuwe ontvankelijkheid, veroorzaakt door actie en reactie, voor nieuwe inspiratie; en dan in steeds sterker mate. De wisselwerking tussen directe en indirecte engrammen, vergezeld van de noodzakelijke acties en reacties tijdens het uitspreken van een rede, is hierrnee duidelijk naar voren gebracht.
Voordat Mirin Dajo ging spreken zei hij vaak: "Wat ik vertel moet voor vijftienjarigen begrijpelijk zijn, want er moet op geestelijk gebied nog veel worden geleerd. De mens van tegenwoordig is verstandelijk heel ver ontwikkeld, maar geestelijk heel traag." De oorzaak is het materialisme en de zucht naar rijkdom. En rijkdom is macht. Maar men zegt niet voor niets: geld maakt niet gelukkig, want dat is juist. Wanneer wij ons meer op de geestelijke ontwikkeling richten, krijgen we meer rust en evenwicht in ons leven.
Bron: Jan D. de Groot - De onkwetsbare profeet

terug naar het overzicht

Muhammad Subuh Sumohadiwidjojo - Subud: Susila, Budhi, Dharma


Muhammad Sumohadiwidjojo
bron: website Subud
Subud is een internationale organisatie van mensen die geestelijke verrijking zoeken.
De naam Subud is een samenstelling van drie woorden uit het Sanskriet: Susila, Budhi en Dharma.
- Susila betekent het vermogen om te leven in overeenstemming met je diepste innerlijke wezen.
- Budhi geeft aan dat de levenskracht zowel binnen als buiten de mens werkzaam is, en
- Dharma staat voor de mogelijkheid om je volledig aan die levenskracht over te geven.
Gezamenlijk symboliseren de drie woorden de mogelijkheid voor iedereen: - om in verbinding te komen met hun diepste wezen (naar binnen toe) en - leiding te ontvangen in het dagelijkse leven (naar buiten toe).

De latihan (de oefening)
Subud berust op een geestelijke oefening, de 'latihan kejiwaan', die niet kan worden aangeleerd of nagedaan. Zij leidt tot een hernieuwde verbinding met de levenskracht.
Buiten de oefening hoeft het dagelijkse leven niet te worden opgegeven of beperkt. De latihan is een eenvoudig en natuurlijk proces dat plaats kan vinden in iedereen die erom vraagt en dat zich voltrekt in een individueel tempo en op een manier die het beste bij je past. Het enige wat wordt gevraagd is de juiste instelling van geduld, vertrouwen en oprechtheid, en een grote mate van volharding.
Iedereen vanaf 17 jaar kan lid worden van Subud, ongeacht geloof, afkomst of overtuiging. De Vereniging wijst iedere vorm van discriminatie, op welke grond dan ook, af.
Omdat het belangrijk is om goed te weten wat Subud is alvorens lid te worden, is een kennismakingstijd van ongeveer drie maanden ingesteld. Helpers en leden praten dan met je over Subud, vertellen je wat Subud voor hen betekent en zo kun je zelf onderzoeken of Subud bij jouw spirituele zoektocht past.

Historie
Subud begon in 1933 toen een Indonesiër, Muhammad Subuh Sumohadiwidjojo voor het eerst een openbaring ontving. Daarmee begon voor hem een periode van enkele jaren van spontane, intensieve innerlijke ervaringen die hemzelf en zijn leven ingrijpend veranderden. Daarvoor leefde en werkte hij gewoon als iedereen. Na die periode werd hem duidelijk dat deze diepe ervaring niet alleen voor hemzelf was, maar dat hij kon en mocht worden doorgegeven.
Eerst ontvingen alleen zijn eigen familie en buren het contact met de levenskracht, en geleidelijk kwamen er mensen van andere delen van Indonesië. In 1956 bereikte Subud voor het eerst het Westen via Engeland en vanaf die tijd verspreidde het zich tot bijna elk land in de wereld. Muhammad Subuh is in 1987 in Indonesië overleden.
Muhammad Subuh reisde over de hele wereld, assisteerde bij de latihan en hield toespraken.
Alhoewel er aan Subud niets geheim is, is er niet actief bekendheid aan gegeven. De verspreiding gebeurde hoofdzakelijk door persoonlijke introductie. Er zijn boeken over Subud verschenen, waarvan een aantal nog bij www.subudbooks.com zijn te bestellen.


Subud symbool
de zeven cirkels
Essentie
De 'latihan kejiwaan' (oefening van het innerlijk)
Subud berust op een geestelijke oefening, die niet kan worden aangeleerd of nagedaan. Het is een hernieuwde verbinding met de levenskracht, die door wereldse invloeden verloren is gegaan. Dit contact brengt het innerlijk weer tot leven en herstelt de verbinding met onze menselijke aard. Doorgaans kan men slechts tijdens uitzonderlijke momenten in een staat van innerlijke stilte en verruiming van het bewustzijn geraken, waarin een hogere kwaliteit van het leven wordt ervaren. In de Subud-oefening wordt een dergelijke innerlijke openheid als het ware vanzelf, moeiteloos teweeggebracht zonder inmenging van de wil of het verstand. Maar buiten de oefening hoeven de wereldlijke bezigheden niet te worden opgegeven of beperkt.
De Subud-oefening is een eenvoudig en natuurlijk proces dat plaats kan vinden in iedereen die erom vraagt. Dit proces voltrekt zich in een individueel tempo en op een manier die het beste bij de betrokkene past. Het enige wat wordt gevraagd is de juiste instelling van geduld, vertrouwen, oprechtheid en een grote mate van volharding.

De geestelijke oefening valt moeilijk in woorden te omschrijven en wordt daarom gemakshalve met het Indonesische woord 'latihan' (oefening) of 'latihan kejiwaan' (oefening van het innerlijk) aangeduid. De latihan wordt gewoonlijk twee keer per week een half uur gedaan samen met andere leden. Mannen en vrouwen doen dit gescheiden vanwege de sterke verschillen in de aard van hun uitingen. Iedereen ontspant zich en laat het proces de vrije loop.
De werking van de levenskracht wordt ervaren als een 'energie' en uit zich in bewegingen, geluiden en innerlijke gewaarwordingen. De uitingen zijn spontaan. Ze worden niet gestuurd of gecontroleerd door het verstand, maar ze komen uit onbewuste en volstrekt individuele innerlijke impulsen. Tijdens de latihan blijven de gedachten en verlangens passief. Slechts de innerlijke impulsen van dat moment worden gevolgd. Men is zich volledig bewust van wat er gebeurt en kan de oefening op ieder gewenst moment beëindigen.

Toespraak van Muhammad Subuh (Bapak) voor geïnteresseerden in Subud
'Subud' is een afkorting van de woorden Susila, Budhi en Dharma. Subud is geen nieuwe religie noch een sekte van welke religie dan ook, evenmin is het een leer. Het is alleen een symbool voor de mogelijkheid van de mens om de juiste wijze van leven te volgen.
Het woord is samengesteld uit de volgende drie Sanskriet woorden:
Susila betekent het vermogen van de mens om zijn leven af te stemmen op zijn diepste innerlijke wezen;
Budhi geeft aan dat de levenskracht zowel binnen als buiten de mens werkzaam is;
Dharma staat voor de mogelijkheid om zich volledig aan de levenskracht over te geven.
Gezamenlijk symboliseren de drie woorden de mogelijkheid voor iedereen om in contact te treden met hun diepste wezen en leiding te ontvangen in het dagelijks leven.

De vereniging is zo genoemd als een symbool om aan te geven dat de leden hopen ware menselijke wezens te worden met de kwaliteiten van Susila, Budhi, en Dharma, in overeenstemming met datgene dat zij ervaren iedere keer als zij de geestelijke oefening (latihan kejiwaan) ontvangen en beoefenen.
Susila Budhi Dharma (Subud) betekent de wil van God volgen, geholpen door de goddelijke kracht die zowel binnenin als buiten ons werkt, door ons daaraan over te geven.
Susila Budhi Dharma is het symbool voor datgene, waaraan wij ons wijden in de geestelijke oefening van Subud. Het betekent dat wat er ook gebeurt in de geestelijke oefening van Subud, geheel en al de wil van God is en tot ons komt omdat God het zo voor ons wil.
Dit is geheel in overeenstemming met wat gezegd is in de heilige boeken zoals de bijbel, de koran en andere boeken. Dit betekent dat God dichtbij de mens is, of, indien de mens dicht bij God is gekomen, God de mens de dingen geeft die hij nodig heeft en dat de mens de dingen kan ontvangen die God voor hem heeft beschikt.

Wat moeten we overgeven aan God? Niet onze rijkdom of degenen van wie we houden, noch ons bezit, want God heeft geen behoefte aan dat soort dingen. Wat we moeten overgeven is onze geest, ons hart en onze verlangens, want dit zijn de instrumenten die een hindernis vormen om dichterbij God te komen. Dit is wat Jezus Christus bedoelde toen hij zei dat God altijd met ons zal zijn indien wij ons aan hem kunnen overgeven en indien wij hem meer dan iets anders, meer dan ons zelf liefhebben.
Dit betekent dat de liefde die wij in ons hart en ons gevoel hebben een hindernis is die ons weerhoudt om te komen tot de ware liefde van God. Deze uiterlijke liefde is alleen maar een liefde voor dingen die we denken lief te hebben. Maar de liefde die we moeten hebben voor God, moet groter zijn dan dit.
Aan de profeet Mohammed werd de openbaring gegeven dat God er al was voordat er iets anders bestond, en dat God er zal blijven nadat alles verdwenen is. God is verder weg dan de verste dingen die bestaan. Hij is dieper binnenin dan iets anders. Dit betekent dat God werkelijk alles geschapen heeft. En omdat hij alles geschapen heeft zal hij ook voor alles zorg dragen.
Er wordt ook gezegd dat God geen vorm heeft, geen spraak, geen land, geen kleur. Want indien dat wel zo was dan zou er meer dan één God zijn. Voor elk land zou er dan een God zijn. En indien hij een kleur had, zou er ook meer dan één God zijn want elke kleur zou een God moeten hebben. Dit is de betekenis van het gezegde: "God is één en heer over alles."
God schiep ook zonder gereedschap en materiaal. Indien de mens iets wil maken, bijvoorbeeld een tafel, dan heeft hij hout, spijkers, een hamer en ander gereedschap nodig. Om een atoombom te maken heeft de mens weer instrumenten nodig om materie te splitsen. Maar bij God is het heel anders. God werkt zonder materiaal of gereedschap.

Hieruit volgt dat er maar één ding nodig is om te begrijpen en te kennen wat er in de geest en in het hart van God leeft: zichzelf volledig overgeven; want met de eigen geest en verlangens zal de mens nooit God kunnen vinden. Alleen door zichzelf volledig over te geven aan God en geen gebruik te maken van verstand, hart of verlangens is het de mens mogelijk om in contact te komen met de kracht van God.
Dit doen we in de geestelijke oefening van Subud - wij geven onszelf volledig over; wij maken geen gebruik van onze geest, hart of verlangens - maar wij aanvaarden en ontvangen slechts wat God ons zendt. Dus je zult begrijpen dat Subud alleen een symbool van die levenswijze is waarin de mens de wil van God kan vervullen en de wil van God voor zichzelf kan uitvoeren in deze en in de volgende wereld.
Daarom hebben we in de geestelijke oefening van Subud geen lering. Er is niets dat we moeten leren of doen, want alles wat van ons wordt vereist, is volledige overgave. Iemand die zich erop voorstaat de weg naar God te kennen is eigenlijk iemand die op Gods gave vooruitloopt zonder ze ontvangen te hebben.
Wij geven ons slechts over. Wij aanvaarden en ontvangen slechts wat God ons geeft of ons wil laten hebben. Dat bedoelde feitelijk iedere profeet als hij zei: "Geef uzelf geheel over, onderwerp u volledig aan God. Dan zal God voor u zorgen en u leiding geven." In deze geestelijke oefening koesteren we geen verwachtingen. Wij maken voor onszelf geen enkele voorstelling. Wij ontvangen alleen wat God ons ook mag zenden.

Geen theorie of geestelijke leer
Deze goddelijke kracht die in ons werkt tijdens de oefening zal ons op een bij ieder van ons passende wijze aanspreken. Als iemand bijvoorbeeld een luide en krachtige stem heeft, zal hij klanken uiten die erg luid en krachtig zijn. Maar iemand die niet zo'n luide stem heeft, zal zachtere klanken voortbrengen. Dit geldt voor elk deel van ons lichaam, voor elk deel van ons wezen. Daarom kan de oefening (latihan) van twee mensen nooit dezelfde zijn, want elk mens is verschillend.
Daarom is het duidelijk dat er geen theorie of geestelijke leer in Subud kan zijn want iedereen is anders. Wat de een nodig heeft en ontvangt zal verschillen van wat iemand anders nodig heeft en ontvangt. Dit is de reden dat wij geen enkele regel of voorschrift kunnen geven over wat je moet doen wanneer je 'in de latihan bent', want dit is voor ieder iets persoonlijks.
Iedereen zal voor zichzelf de weg naar God vinden. Wat goed is voor de één, kan volledig verkeerd zijn voor de ander. Daarom moet je niet denken dat je Muhammad Subuh moet volgen of als hem moet worden. Jullie moeten 'jezelf worden' en je eigen innerlijk zélf ontwikkelen, want jullie moeten jullie éigen weg naar God vinden.

Gewoonlijk zal een leraar aan zijn volgelingen leren precies hetzelfde te doen als hijzelf om te komen tot wat hij bereikt heeft. Maar dat is echt verkeerd, want niet alleen tussen een leraar en zijn volgelingen, maar zelfs tussen broers van dezelfde ouders is er reeds een groot verschil, niet alleen in uiterlijk voorkomen, maar ook in hun karakter en in hun hele wezen. Jullie kunnen nu dus wel begrijpen dat wat de juiste weg voor een leraar is om God te vinden niet noodzakelijkerwijs de juiste weg voor zijn leerlingen is.
Daarom zegt Bapak dat alleen God jullie naar hemzelf kan leiden. Wat werkelijk gebeurt in de latihan is dat jullie contact maken met jullie werkelijke innerlijk zelf - met het werkelijke 'Ik'. Jullie hoeven niet bang of bezorgd te zijn, want wat er tot jullie komt in jullie latihan, is alleen wat er al in jullie aanwezig is. Het komt vanuit je innerlijk zelf. Je ware zelf manifesteert zich in de latihan.

In Subud is er geen onderscheid tussen de verschillende godsdiensten omdat datgene wat zich aan iemand voordoet werkelijk datgene is wat al binnenin hem leeft. Als iemand een christen is zal hij de ware christus in zichzelf ontmoeten. Als iemand een boeddhist is zal hij de ware boeddha in zichzelf ontmoeten.
Dat geldt ook voor de moslim. Hij zal de ware moslim in zichzelf ontmoeten. En wanneer jullie werkelijk jullie innerlijk zelf kennen, zullen jullie worden geleid door de goddelijke kracht in alles wat je doet, want de goddelijke kracht werkt in jullie door jullie zelf. Of je nu werkt in een kantoor of dat je auto rijdt of iets anders doet, je zult worden geleid door de kracht van God die altijd binnen en buiten je werkt.
Dan zal de waarheid achter wat in de koran gezegd wordt, blijken: namelijk dat je 'Bismillah-ir rohman-ir rohim' moet zeggen (in de naam van God, de barmhartige die vol genade is) voordat je iets onderneemt. Dit betekent dat je Gods leiding volgt en dat je alleen doet wat God je ingeeft. Je zult dan niets overijld doen en pas achteraf aan God denken en betreuren wat je hebt gedaan. Als God altijd met je is voordat je iets doet, dan moet dat het juiste zijn om te doen.
Dit is ook de werkelijke betekenis van wat door christenen wordt gedaan wanneer zij bidden voor het eten of voordat ze gaan slapen. Dit betekent ook dat je niets moet doen zonder dat God je leidt, want indien je God vergeet in iets wat je doet, dan zal er ook geen hulp van God zijn indien er iets verkeerd gaat. De kracht die we ondervinden zal ons alleen maar overtuigen dat Gods almacht niet alleen binnen in ons werkt, maar ook in de hele schepping en zelfs daarbuiten.
Daarom zullen wij in de geestelijke oefening van Subud geen afbreuk doen aan onze godsdienst, want wat we denken en wat we doen is alleen maar de wil van God. Wij voeren slechts uit wat reeds binnen in ons aanwezig is. Iemand die een godsdienst belijdt zal in de latihan alleen maar iets ervaren dat in overstemming is met zijn religie en zijn innerlijk.

Enkelen onder jullie zullen misschien vragen waar Bapak dit allemaal vandaan heeft. Bapak antwoordt dat hij dit ontving toen hij in dezelfde situatie was als jullie. Hij werkte, had een kantoorbaan en was bezig met allerlei andere zaken die hij moest doen en hij vond dat ook leuk. Maar plotseling stopte dit alles. Zijn verstand liet hem in de steek, zijn hart gaf het op en ook zijn verlangens verdwenen. Toen ontving hij zoals iedereen in de latihan ontvangt. Hij zocht geen wijsheid, hij had geen goeroe of leraar. Hij ontving het alleen maar. Deze gave komt alleen tot iemand wanneer die er niet naar zoekt. Wanneer hij klaar is voor zo'n gave, dan zal God hem die geven.
Bapak is geen genezer, hij toont slechts de wijze waarop de mens tot God kan komen. De innerlijke genezing van een mens is alleen een zaak tussen hem en God, niemand kan daar tussen komen.
Verder laat Bapak het aan jullie over om te beslissen of jullie wel of niet naar deze geestelijke oefening wilt komen, want in de aanbidding van God is niets verplicht. Iedereen moet vrij zijn. Maar wanneer iemand er om vraagt zal het gegeven worden.
Bron: de website van Vereniging Subud Nederland

terug naar het overzicht
terug naar 'subud' in de woordenlijst


Jane Roberts - Seth spreekt


Jane Roberts
bron: Wikipedia
Dit boek is geschreven door een persoon die Seth genoemd wordt en zich aanduidt als een niet meer in fysieke gedaante besloten 'energie-persoonlijkheids-essentie'. Hij heeft inmiddels ruim zeven jaren door mij gesproken tijdens trancezittingen tweemaal per week.

Mijn mediamieke initiatie begon op een septemberavond in 1963, terwijl ik een gedicht schreef. Mijn bewustzijn verliet opeens mijn lichaam en mijn geest raakte geblokkeerd door gedachten, die voor mij destijds verbijsterend en nieuw waren. Bij terugkeer in mijn lichaam merkte ik dat mijn handen een automatisch schrift hadden geproduceerd, waarin de ideeën die ik gekregen had, voor een groot deel werden toegelicht. De notities droegen zelfs een titel: Het fysieke heelal als begripsconstructie.
Op grond van deze ervaring begon ik me in mediamieke activiteiten te verdiepen en dacht aan een boek over het onderwerp. In verband daarmee namen mijn echtgenoot, Rob, en ik laat in 1963 proeven met een Ouijabord. Al na een paar zittingen spelde de wijzer boodschappen die van een persoon met de naam Seth afkomstig heetten te zijn.
Rob zomin als ik hadden een of andere mediamieke achtergrond en toen ik met mijn antwoorden vooruit begon te lopen op die van het bord, nam ik aan, dat deze uit mijn onderbewustzijn kwamen. Het duurde evenwel niet lang of ik voelde me gedrongen de woorden hardop uit te spreken en binnen een maand sprak ik in trancetoestand uit naam van Seth.
De boodschappen leken te beginnen waar begripsconstructie ophield en naderhand vertelde Seth, dat mijn ervaring met bewustzijnsverruiming zijn eerste poging tot contact was geweest.
Sindsdien heeft Seth een aaneensluitend manuscript afgeleverd, dat inmiddels ruim zesduizend getypte vellen beslaat. We noemen het Seths Materiaal en de teksten gaan over zaken als de aard van de fysieke materie, tijd en realiteit, denkbare werelden, gezondheid en reïncarnatie. We werden al dadelijk getroffen door de kennelijke kwaliteit van het materiaal en dat was de reden waarom we doorgingen.
Na de publikatie van mijn eerste boek op dit gebied kwamen er brieven binnen van onbekenden, die Seth om hulp vroegen. We belegden zittingen voor de ernstigste gevallen. Velen van de betrokkenen konden ze niet bijwonen, daar ze in andere delen van het land woonden, maar Seths raad was hen van nut en de schriftelijke informatie die ze omtrent hun persoonlijke omstandigheden ontvingen, bleek juist.
Rob heeft stenografisch steeds woordelijke aantekeningen gehouden van de zittingen met Seth. In het laatst van de week typt hij ze uit en voegt ze toe aan onze collectie materiaal van Seth. Robs voortreffelijke aantekeningen doen het levendige kader waarin de zittingen plaatsvinden, duidelijk uitkomen.
Naar mijn mening hebben we meer dan zeshonderd contacten met het heelal gehad - ofschoon Rob zelf het zo niet zou noemen. Deze contacten vinden plaats in onze ruime, helder verlichte huiskamer, maar in diepere zin vinden ze plaats in de onbegrensde ruimte van de menselijke persoon.

Ik wil niet beweren dat we een hoeksteen der waarheid bezitten of de indruk wekken dat we ademloos wachten op de stroom verhulde geheimen der eeuwen. Ik besef dat elke individuele mens toegang heeft tot intuïtieve kennis en nu en dan een glimp van de innerlijke realiteit kan opvangen. In die zin spreekt het heelal tot elk van ons. In ons geval vormen de zittingen met Seth het kader, waarin dit type communicatie plaatsvindt.
In Seths Materiaal, gepubliceerd in 1970, heb ik deze gang van zaken toegelicht en de opvatting van Seth over een reeks onderwerpen met behulp van uittreksels van de zittingen weergegeven. Ik heb ook de contacten beschreven, die we gehad hebben met psychologen en parapsychologen, toen we onze ervaringen poogden te begrijpen en een plaats te geven binnen de context van het dagelijkse leven. De tests die we deden om het helderziende vermogen van Seth te verifiëren, werden eveneens beschreven. Naar onze mening doorstond hij de proef glansrijk.
Het was bijzondere moeilijk over een bepaald onderwerp enkele uittreksels te kiezen uit Seths in omvang toenemend oeuvre. In Seths Materiaal werden vele vragen dan ook niet beantwoord en vele onderwerpen niet onderzocht. Twee weken nadat het boek voltooid was, dicteerde Seth evenwel de schets voor dit tweede manuscript, waarin hij de vrijheid zou hebben zijn ideeën naar eigen keus in boekvorm neer te leggen.
Hieronder volgt een kopie van die schets, die we ontvingen in januari 1970 tijdens zitting 510. Zoals u ziet, noemt Seth mij Ruburt en Rob noemt hij Joseph. Deze namen hebben betrekking op onze totale persoon ter onderscheiding van ons tegenwoordige fysiek-gerichte ik.

"Ik ben nu nog met bepaald ander materiaal bezig, dat ik je zal geven, je zult dus nog even geduld met me moeten hebben. Zo zou ik je graag enig inzicht willen geven in de inhoud van mijn eigen boek. Er zullen heel wat punten aan de orde komen. Het boek zal een beschrijving bevatten van de manier waarop het ontstaat en de daartoe onmisbare procedures, willen mijn eigen opvattingen door Ruburt worden uitgesproken of, wat dat betreft, zelfs maar worden doorgegeven.
Ik bezit geen fysiek lichaam en toch ga ik een boek schrijven. Het eerste hoofdstuk zal uiteenzetten hoe en waarom.
Het volgende hoofdstuk zal beschrijven wat je mijn tegenwoordige milieu kunt noemen; mijn 'kenmerken' en medewerkers van het ogenblik. Ik bedoel er die anderen mee, met wie ik in contact treedt.
Het volgende hoofdstuk zal mijn werk omschrijven en die dimensies van de werkelijkheid waarin het me brengt, want terwijl ik me in jouw werkelijkheid beweeg, beweeg ik me ook in andere werkelijkheden om dat doel te volbrengen, dat me te volbrengen staat.
Het volgende hoofdstuk zal handelen over mijn verleden in jouw termen en over een aantal persoonlijkheden, die ik geweest ben en gekend heb. Tevens zal ik aantonen dat er geen verleden, heden of toekomst is en toelichten dat er geen sprake is van tegenstrijdigheid, wanneer ik spreek in termen van vroegere existenties. Dit kan twee hoofdstukken in beslag nemen.
Het volgende hoofdstuk zal het verhaal van onze ontmoeting zijn - die van jou, Ruburt en mijzelf, uiteraard vanuit mijn standpunt, en van de middelen waarmee ik in contact kwam met Ruburts innerlijke bewustzijn, allang voor jullie beiden iets afwisten van mediamieke verschijnselen of van mijn bestaan.
Het volgende hoofdstuk zal gaan over de ervaring van een bepaalde persoon op het moment van sterven en over de vele variaties op deze fundamentele belevenis. Ik zal enkele van mijn eigen stervensmomenten als voorbeeld gebruiken.
Het volgende hoofdstuk zal gaan over het bestaan na de dood met zijn vele variaties. Deze beide hoofdstukken hebben betrekking op reïncarnatie in verband met sterven en ook zal ik vluchtig ingaan op het sterven aan het einde van de laatste incarnatie.
Het volgende hoofdstuk zal gaan over de emotionele realiteit van liefde en verwantschap tussen personen - en over wat ermee gebeurt tijdens opeenvolgende incarnaties, want soms vallen ze langs de weg neer en soms worden ze behouden.
Het volgende hoofdstuk zal je fysieke realiteit behandelen, zoals die overkomt op mij en op anderen zoals ik. Dit hoofdstuk zal een paar boeiende facetten bevatten, want jullie vertegenwoordigen niet alleen de fysieke werkelijkheid die jullie kennen, maar tevens andere, heel echte milieus in andere vormen van werkelijkheid en wel door jullie gedachten, verlangens en emoties van het ogenblik.
Het volgende hoofdstuk zal gaan over de eeuwige geldigheid van dromen als poorten tot die andere vormen van werkelijkheld en als open terrein waarop het 'innerlijke ik' de vele facetten van het ervaren ervan bespeurt en in contact treedt met andere niveaus van zijn werkelijkheid.
Ook het volgende hoofdstuk zal zich nog tot dit onderwerp bepalen en daarin onthul ik de diverse manieren waarop ik de dromen van anderen ben binnengegaan, hetzij als leraar, hetzij als gids.
Het volgende hoofdstuk zal gaan over de grondmethoden tot communicatie, zoals ze benut worden door elk willekeurig bewustzijn, afhankelijk van zijn niveau, hetzij fysiek of niet. Dit zal leiden tot de grondcommunicatie, benut door de menselijke persoon zoals jij die opvat en aantonen, dat deze innerlijke communicatievormen bestaan onafhankelijk van de fysieke zintuigen, die slechts fysieke verlengstukken zijn van innerlijke waarneming.
Ik zal de lezer uitleggen hoe hij kan zien wat hij ziet of kan horen wat hij hoort en waarom. Door dit hele boek heen hoop ik aan te tonen, dat de lezer zelf onafhankelijk is van zijn fysieke lichaam en ik hoop hem persoonlijk enkele methoden te geven, die hem mijn stelling zullen bewijzen.
Het volgende hoofdstuk zal een verslag zijn van de ervaring die ik heb opgedaan in al mijn existenties met die 'piramidegestalts', waarover ik in het Materiaal spreek, van mijn eigen relatie met de persoon die jullie Seth II noemen en met veeldimensionale bewustzijnsvormen, die veel verder geëvolueerd zijn dan ik.

Mijn boodschap aan de lezer zal luiden: "In eigenlijke zin ben je evenmin een fysieke persoon als ik en door je uitleg te geven over mijn realiteit geef ik je uitleg over de jouwe."
Er komt een hoofdstuk over de godsdiensten op aarde, over de verdraaiingen en waarheden daarbinnen; de drie Christusfiguren; en wat gegevens aangaande een teloorgegane religie, die van een volk waarover jullie geen informatie bezitten. Dit volk bewoonde een planeet in dezelfde ruimte, waarin jullie aarde zich nu bevindt, eer jullie planeet bestond. Ze vernietigden hun thuisplaneet door hun eigen falen en werden gereïncarneerd, toen jullie planeet in aanzijn kwam. Hun herinneringen werden de grondslag voor het ontstaan van religie, zoals jullie die nu opvatten.
Er komt een hoofdstuk over denkbare goden en denkbare stelsels.
Er komt een hoofdstuk met vragen en antwoorden.
En er komt een slothoofdstuk, waarin ik de lezer zal vragen zijn ogen te sluiten en zich bewust te worden van de realiteit, waarin ik existeer en van zijn eigen innerlijke realiteit. De methoden daartoe zal ik verschaffen. In dit hoofdstuk zal ik de lezer uitnodigen zijn 'innerlijke zintuigen' te benutten om mij volgens zijn eigen visie te zien.

Weliswaar zullen mijn contacten doorlopend slechts door Ruburt tot stand komen en wel om het materiaal als een gaaf geheel te bewaren, maar ik zal de lezer verzoeken zich van mij als persoon bewust te worden, waarna hij dan mogelijk zal inzien dat communicatie vanuit andere werkelijkheden mogelijk is en dat hij dus zelf toegankelijk is voor waarneming van niet-fysieke aard.
Dit is dan mijn schets voor het boek, maar mijn bedoelingen worden er slechts vluchtig door weergegeven. Duidelijker wil ik de lijnen niet aangeven, want ik heb liever dat Ruburt me geen slag voor is. De moeilijkheden die zich bij dit soort communicatie voordoen, zullen deugdelijk belicht worden. Het zal blijken dat zogenaamde paranormale contacten afkomstig zijn van diverse werkelijkheidsniveaus en dat deze contacten de werkelijkheid beschrijven waarin zij existeren. In die zin zal ik de mijne beschrijven en andere waarvan ik kennis bezit.
Hiermee wil niet gezegd zijn dat er geen andere dimensies bestaan, waarvan ik niet afweet. Ik zal het boek tijdens onze zittingen dicteren.
Dit is de titel voor ons boek (lachje): Seth spreekt: De eeuwige waarde van de ziel.
Ik gebruik de term ziel, want die zal de meeste lezers rechtstreeks aanspreken."

Dit boek is Seths methode om aan te tonen, dat de menselijke persoon multidimensionaal is, dat we in vele realiteiten tegelijk bestaan, dat de ziel ofwel het innerlijke ik niet iets is dat los van ons bestaat, waar juist het medium waardoor we bestaan. Hij legt er de nadruk op dat 'waarheid' niet is te vinden door van leraar naar leraar te lopen, van kerk naar kerk of discipline naar discipline, maar door binnenin het ik te kijken. De innerlijke kennis van het bewustzijn, de 'geheimen van het heelal', zijn dan ook geen esoterische waarheden, die voor de mensen verborgen moeten blijven. Dergelijke informatie is voor de mens even natuurlijk als lucht en evenzeer beschikbaar voor hen, die er oprecht naar zoeken door in de innerlijke bron te kijken.
Naar mijn mening heeft Seth een boek geschreven, dat klassiek in zijn soort is. Nu ik hem voorzichtig als een 'persoon' heb aangeduid, voel ik me verplicht daaraan toe te voegen dat Seth tevens een vaardig wijsgeer en psycholoog is, zeer doorkneed in de gedragingen van de menselijke persoon en zich terdege bewust van de toestand van het menselijke bewustzijn.
Bron: Jane Roberts, Seth spreekt.

terug naar het overzicht

Grace Cooke - White Eagle


Grace Cooke
De Engelse Grace Cooke werd geïnspireerd door White Eagle, een leraar uit de spirituele wereld, ook wel de wereld van licht genoemd. White Eagle spreekt over een leefwijze die zachtmoedig is en in harmonie met de wetten van de geest en de natuur. Als deze wetten worden geschonden, is er sprake van pijn en lijden. De fundamentele wet die het leven beheerst is liefde - liefde voor God, liefde voor de mens en liefde voor de natuur. Het is deze liefde die de mens, door de ervaringen van vele levens, terugbrengt naar het volledige bewustzijn van de God in hem.
Iedere mens op aarde heeft in zijn hart een licht om hem te leiden. White Eagle noemt dit de Christusgeest, de geest van goddelijke liefde. Het woord 'Christus' is hier universeel bedoeld en moet niet aan een bepaalde religie worden verbonden. Omdat dit licht diep in het hart is geplant, is het niet altijd gemakkelijk in anderen te herkennen of in onszelf te realiseren.
De White Eagle Lodge is op 22 februari 1936 opgericht in Londen. In de jaren '70 is de Tempel op New Lands bij Liss in Hampshire (Engeland) gebouwd. Het doel van de Lodge is, mensen te helpen het innerlijke licht te ontwikkelen.

De zes beginselen die White Eagle leert:
- dat God, de eeuwige Geest, zowel Vader als Moeder is;
- dat de Zoon, de Kosmische Christus, ook het licht is dat in het menselijke hart schijnt. Hierdoor zijn wij allen broeders en zusters in de geest, een broederschap die zowel het zichtbare als het onzichtbare leven omvat met inbegrip van het rijk der elfen en engelen;
- dat deze beginselen in het dagelijkse leven uitdrukking vinden in 'dienen';
- dat het bewustzijn van de onzichtbare wereld scheiding en dood overbrugt en de eeuwige eenheid van alle leven openbaart;
- dat het leven door vijf kosmische wetten wordt beheerst: Reïncarnatie, Oorzaak en gevolg, Gelegenheid, Overeenstemming, Compensatie (Evenwicht);
- dat het de uiteindelijke bestemming van de mens is om het innerlijke licht zo sterk te maken, dat zelfs de cellen van zijn stoffelijk lichaam veranderen in een fijnere substantie die sterfelijkheid kan overwinnen; hieronder verstaat men de Christuswording van de mens, of in de woorden van de Oude Broederschap, het bloeien van de Roos op het Kruis der materie.

Het White Eagle pad van dienen door mediteren schept een mogelijkheid om het innerlijk licht te stimuleren en stralender te maken om uiteindelijk het gehele leven te transformeren en te verlichten. White Eagle zegt: "Vergeet nooit dat je de kracht van de geest in je draagt. Het is een creatieve kracht. Zij kent geen beperkingen." "Elke levende ziel op aarde tracht uitdrukking te geven aan eeuwig leven."
De mens is geest. Dit is alles wat de mens moet weten. Geest zegeviert over materie.
White Eagle's manier van mediteren begint en eindigt met het ons geleidelijk meer bewust worden van God in ieder aspect van ons leven en van het licht van God in ons hart. Dit kan op ieder tijdstip: tijdens een wandeling in de natuur, onze dagelijkse bezigheden of op een rustig gekozen moment.
Probeer je bewustzijn te stimuleren door je iedere dag een rustig moment te gunnen om alle aardse gedachten en plichten van je af te zetten. Zoek dan doelbewust naar het licht van God in je eigen hart en het universele licht, de universele levenskracht waaruit alle leven voortkomt - onze Schepper, Vader-Moeder God.
Een heel natuurlijke weg is om te denken aan de zon. Visualiseer jezelf, badend in het licht van de fysieke zon die leven geeft aan de gehele planeet. Denk dan aan de geestelijke zon - God - de creatieve kracht en het licht dat het leven op alle niveau's in stand houdt. Ontspan je in dit koesterende licht en als je gedachten afdwalen, breng je ze terug naar dit licht. Gebruik je ademhaling als hulp. Adem alle gedachten die je hinderen uit en adem de levenskracht van God in - het glorieuze, genezende zonlicht.
In de oudheid zag en aanbad men de zon als teken en symbool van God en riep men het geestelijk zonlicht aan voor kracht, gezondheid en genezing. Een andere manier van mediteren is om eerst naar binnen te keren en het licht in je eigen hart te zoeken. In de diepe, diepe stilte vinden wij God... niet in het denken, niet in grote mentale activiteit, maar wanneer alles stil is en een grote vrede over ons komt, dan bevinden wij ons in de vrede van het heiligdom, de lichtende troon van God... God die zowel Vader als Moeder is, de wil en de kracht van de Vader en de wijsheid en de liefde van de Moeder...

Geestelijke genezing heeft een centrale plaats in het White Eagle werk. Al direct na de inwijding van de eerste tempel vroeg White Eagle het genezingswerk op te zetten. Het doel van deze vorm van genezing is om mensen die fysiek, emotioneel of geestelijk een probleem hebben, te helpen. Meedoen aan het genezingswerk biedt de mogelijkheid je dienstbaar op te stellen ten behoeve van de mensheid, de dierenwereld en de natuur als geheel. Het is van belang deze geestelijke genezing te zien als ondersteuning bij een behandeling, waarbij zeker ook een arts of erkend therapeut geraadpleegd dient te worden. De manier van genezen die White Eagle ons leert, heeft een positieve uitwerking op de behandeling die een patiënt eventueel ondergaat. Geestelijke genezing wekt en versterkt het innerlijke Licht en brengt allereerst harmonie in de ziel en daarna in het lichaam.

Een overdenking van White Eagle:
Zie op het altaar in het midden van de tempel een lieflijke, roze roos die haar bloemblaadjes opent naar de zon. Een roos is het symbool van het menselijk hart, geurend van liefde. Misschien zien jullie niet vaak een hart vol liefde, maar wij zien ze wel. Wij zien dat veel harten zich openen voor ons en we kunnen de geur van liefde ruiken. Probeer ook zelf die liefdevolle geur te verspreiden. Onthoud je van oordeel en kritiek. Het is mensen eigen om snel de daden van anderen te veroordelen, maar de goddelijke weg is om altijd rustig en liefdevol te blijven.
Wees stil, in vrede met deze gedachte in je hoofd en hart. Op dit hogere niveau van bewustzijn kun je de gave van het ontdekken van waarheid ontwikkelen, de gave van invoelen en verbeelding. Als je de schoonheid van de hemelse wereld kunt voelen, ontvang je intuïtief goddelijke waarheid. Hiermee kun je onderscheid maken tussen de wil van God en je eigen wil. Een leerling laat alle aardse zaken achter - denken, lichaam, bezittingen en verlangens - om Hem te volgen. Laat alles achter en volg mij, zei Jezus. Als je dit kunt begrijpen, kun je veilig op je intuïtie vertrouwen. Het komt allemaal neer op deze simpele woorden: Wees stil in liefde en weet dat Ik God ben.
We willen het niet hebben over het ontwikkelen van psychische krachten of hoe je in verbinding kunt komen met hen die hun fysieke lichaam verlaten hebben. Wij willen jullie een andere weg tonen, die, als je die volgt, alle scheiding zal uitwissen, die de sluier van duisternis opzij zal schuiven tussen jou en alle leven. En als we zeggen 'alle leven' bedoelen we alle leven van de schepping, elk rijk der natuur, het dierenrijk, de mensen en de engelen. Terwijl je in het verleden keek door een verduisterd glas, zul je nu alles helder zien als je dat spirituele leven bent binnengegaan. Je zult de betekenis van de liefde van God, de broederschap van alle leven en de reddende kracht van Christus de Heer, begrijpen. Adem de geur van de roos in. Adem het licht van God in. Adem de liefde van God uit. Wees stil en ken God. Vrede, vrede, wees stil.
(bron: www.whiteagle.nl)

terug naar het overzicht

Murdo McDonald-Bayne - Goddelijke heelmaking van ziel en lichaam


Murdo MacDonald-Bayne
Dit is een samenvatting van teksten uit het boek 'Goddelijke heelmaking van ziel en lichaam' die door Murdo MacDonald-Bayne heen door Jezus zijn uitgesproken. Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij.

De geest is de eerste en enige, werkelijke grondslag. God is geest en geest is leven; leven is liefde en liefde is de levenskracht van alle dingen. Zij is de harmonie in alle dingen. De geest, die het lichaam leven geeft, is de enige levende macht die er is. Geest is in zichzelf volkomen. De ene oerbron van leven en liefde ligt ten grondslag aan elk bestaand levend wezen in het heelal en aan deze bron dankt alle bestaan, dat het is.
God is geest, niet één geest, maar geest. Geest is in zichzelf volkomen; hij heeft de macht om zich uit te drukken, om vormen te scheppen waarin hij zich kan uitdrukken. Weet, nu ik je heb leren zeggen: "Ik ben geest", dat alleen geest schept. Het is de geest 'in je', die alles schept (als 'ík de geest bén', dan kan de geest niet 'in mij' zijn). De geest, het onzichtbare, is de levengevende kracht, die alle vormen doet ontstaan. Geest maakt de dingen, door de dingen die hij maakt, te worden.
'Binnen jou zelf is de geest', die eeuwig in het nu is en aan jou ter verwerkelijking blijft. Je bewustzijn ontwikkelt zich, al naar je de kracht van de geest verwerkelijkt (m.a.w. de geest is een bewuste kracht). Voel in je hart de macht van de geest. De mensheid wordt volwassen en zal zich bewust worden van de inwonende geest als de enige werkelijkheid. Je wil, gedachten en verstand worden in hun geheel door de heilige, onzichtbare geest geleid naar de kennis van alle waarheid.

De geest van de Vader 'woont in jou'. Het is dezelfde geest (dan kan de geest niet 'in mij' wonen, maar bén ik die geest) en geest is ondeelbaar. De ene geest openbaart zich in de veelheid, de veelheid in de ene (er is m.a.w. een veelheid van uitdrukkingsvormen van dezelfde geest, die 'ék onder andere bén'). Het heelal is niet verdeeld, het is één geheel. Je leeft niet alleen. Je denkt dat je uit jezelf leeft, maar dat is een illusie der zinnen. Het leven is ondeelbaar. Aan de wortel is er dat ene leven, dat voortvloeit uit die ene bron, de ene geest, die zich in alles uitdrukt. De Heer je God is één en dat is de oneindige geest in heel de mensheid.
God is liefde en liefde is God, maar niemand weet wat dat is, we weten alleen, dat het is. Liefde is de kern van het heelal en vanuit die kern vloeit een onophoudelijke stroom van liefde door elke ziel en door alles wat leeft. God is oneindig zachtmoedig en nederig, maar ook groots en wonderbaarlijk. Liefde vloeit voort uit de oerbron van het oneindige en uit zich in alles. Er is geen andere kracht in de wereld dan liefde. Zij is de enige ware kracht in de hemel en op de aarde, want zij is eeuwig en alomtegenwoordig ... zij (liefde) is de alomtegenwoordigheid van God.
Alle bewegingen in de hemel zijn door God uitgedrukte gedachten. Ook jij bent Gods gedachte en je moet dan ook zijn liefde en helende kracht tot uitdrukking brengen. De gedachte is de rechtstreekse uitdrukking van het denken en staat nooit los van het denken. Het denken is het scheppende gebeuren, dat aan alle vorm en uitdrukking (gedachten) vooraf gaat.
Het leven stroomt uit één bron en stroomt door alle vormen, die het heeft geschapen. Waar de rivier van het oneindige leven vloeit, is voortdurend helende kracht. Je moet je er dan ook zo voor openstellen, dat hij door je heen naar alle schepselen vloeit, dan zal ook daar overvloed zijn. Dit water stroomt uit het heiligdom van God en is spijs en drank voor alle zielen, de bron van levend water.

De grote waarheid is, dat de almachtige God alles is, wat er is. Laat je hart en geest ongestoord rusten in het bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van God. Jullie wonen allen in God en er is volstrekt niets buiten God. Het bewustzijn van God is niet in delen(!) opgesplitst. Je kunt niet zeggen, dat je een stukje(!) bent. God is één volledig geheel (de godheid) en drukt zich ook zo uit. Je leeft en gaat en hebt je bestaan in God en God leeft in jou. Je bewustzijn is het middel waardoor je dit beseft. In God is geen verdeeldheid; er is alleen één heelheid, die zich in veelheid (ook in jou) uitdrukt
De Christus is de voltooide mens in God en God in de mens. Hij is de eindtoestand. Heel de machtige kracht van God komt door hem tot uitdrukking. Hij is volkomen zichzelf. Hij is de Zoon van de Vader en draagt al diens eigenschappen met zich mee. Zo is het leven van de Vader ingevoerd in de Zoon en brengt de Zoon dat leven tot uitdrukking. Hij is de enige - de Vader binnen zijn eigen schepping. De Christus is de geest van de levende God.
De Christus is het verpersoonlijkte algemene (het algeestmiddelpunt) en dat moet ieder mens leren kennen. Dan zal het individu weten dat heelheid zijn achtergrond is en de grondslag van alle mensen. De volledige verwerkelijking hiervan openbaart God (de algeest) in de mens (het brandpunt in de algeest, algeestvonk). De grote, geestelijke kracht is in jou verpersoonlijkt als de Christus in je (die je bent). De Christus is de geest van God, die in jou is verpersoonlijkt. De Christus is de tot uitdrukking gebrachte persoonlijkheid van de Vader. De Vader, die in die persoonlijkheid wordt uitgedrukt, is nu de Christus in jou (die je bent). De Christus is God, die zich in het vlees uitdrukt. Als je deze waarheid erkent en beseft, rijst een ontzaglijke kracht in je op: de Christus is God, die zich nú in jou uitdrukt. Ik ben één met jou.
Zou je bang zijn als je wist, dat de Christus 'je ware zelf' was? De Christus is de godskracht in jou, die zichzelf zal bevestigen (ontwikkelen). Het licht schijnt in iedere ziel. Dit licht in de mens is de Christus Gods. Dit is het Woord, dat woont in iedere levende ziel. Ik ben het leven. De geest in de mens ben ik, die eeuwig leeft. De Christus is de geest, ook in jou. Ik ben de geest, die in je binnenste woont. De geest in je is de Christus Gods en de geest kan niet minder zijn dan de grootste! Laat dus de Christus (de geest) bezit nemen van je ziel en lichaam. Ik ben de eeuwige Christus Gods, die leeft in het binnenste van elke ziel. Zie het leven van God als het Christusbewustzijn in je. Dan wordt "Ik ben het leven" een werkelijkheid. Het leven is bewustzijn. Het is God, die uitdrukking geeft aan zichzelf. De christus-mens leeft in iedere persoon. De Christus zal in je rijpen als de vrucht (het ongeboren kind) van God.
In ieder (mens), die wordt geboren, wordt de Christus (de menselijke geest) geboren. Deze 'Christus', deze 'levende geest', is de Vader (de algeest), die zich uitdrukt in elk van zijn scheppingen (algeestvonken). De Christus is de persoonlijke uitdrukking van de almachtige. Deze Christus woont in jou en in elke levende ziel. Omdat ik God (de algeest) volledig heb erkend en dit inzicht door niets laat verstoren, leef ik (als algeestvonk, als algeestbrandpunt) met en door God. God spreekt door mij en werkt door mij, terwijl ik God aan jullie openbaar. Daar er geen ander levend zijn is dan God, moet God, om oneindig te zijn, de onbegrensde ruimte vullen (de algeest ís de onbegrensde ruimte), dan moet hij ook in mij leven en ik in hem en moet hij ook in jullie leven en jullie in mij en zijn wij tezamen één in God, die oneindig is (Joh. 13-17).
Het zinnebeeld van het kruis is de Christus, is de mens die de wereld overwint, het ontwaken in de tempel, de wijding, de verzoeking, de kruisiging, de opstanding en de hemelvaart. De Christus, de Zoon van God in het hart der mensheid, strekt zich uit naar de mens en spoort hem aan zijn eigen goddelijke bewustzijn te ontdekken.
Laat de waarheid van de Christusgeest in jou duidelijk tot je doordringen en weet dat wat mij mogelijk is, ook jou mogelijk is, als je maar in mij wilt geloven. Vrede en rust zullen heersen in je hart, als je weet dat je door alle ontwikkelingstoestanden van de Christus heengaat, van de geboorte tot de hemelvaart.
Dezelfde geest van God, die in mij woont, woont in jou. Als je je volledig tot mij wendt en je volledig aan mij overgeeft, zullen uit je innerlijkste wezen mijn leven, kracht (willen), wijsheid (denken) en liefde (voelen) vloeien. Je zult je verbazen over de dingen die je kunt doen; niets zal jou onmogelijk zijn, als je maar in mij wilt geloven (doorvoelen) en mij wilt verstaan (overdenken).
Het is nu mogelijk dit heerlijke geschenk (de liefde) van de Vader te ontvangen uit de eeuwig vloeiende stroom. Je kunt dat voor (in) jezelf ervaren door je ervoor open te stellen (de inwerking). Je ontvangt het niet van buitenaf. Het wacht verlangend om zich uit te drukken vanuit de kern van je eigen wezen.
God als onze Vader-Moeder-God gaat de ruimste voorstelling, die de mens zich kan vormen, te boven. Maar wij zullen met een open innerlijk de heerlijkheid zien van onze Vader-Moeder-God en dit zal jullie omvormen tot hetzelfde beeld.
Hoe dichter je de liefde van de moeder benadert, des te dichter benader je de liefde van God, die zich in zijn schepping openbaart. Want in de moeder kan men de vader zien werken bij de vorming van zijn beeld en gelijkenis. Als de vader zich uitdrukt, schept hij in de moeder het beeld en de gelijkenis van zichzelf.
Jullie zijn de kinderen van mijn Vader. Hij heeft jullie lief, zoals een moeder haar kind liefheeft. In het hart van het kind is alleen plaats voor de moeder. Laat dan ook in jullie hart alleen plaats zijn voor jullie Vader, die in de hemel is. Je Vader in de hemel is een goede verzorger. Hij zorgt voor al zijn schepselen en jij bent veel meer, je bent zijn kind. Ieder van jullie heeft een beschermengel; nooit word je voor één ogenblik alleen gelaten. Mijn Vader is volkomen; niet één kan ooit verloren gaan, allen zullen worden teruggevonden en teruggebracht bij de kudde (algeestvonken), tot de kudde voltallig is (Mattheus 18-12:14).
Het wezenlijke is het liefdesbeginsel. God heeft de schepping geschapen vanuit zijn zuiver opbouwende scheppingsgedachten, die de uitdrukking zijn van zijn wezen, de liefde. Liefde is de kracht en de waarachtige uitdrukking van het leven. Liefde vloeit in één voortdurende stroom uit haar bron en is de enige kracht, die werkelijk is. Liefde is de levenskracht die door het lichaam gaat. Liefde is een vuur van grote kracht in het hart. Liefde is de beschermende macht in elke levende ziel. Liefde is de grondslag van alle goddelijke handelen.
Vrijheid wordt een feit als het koninkrijk des hemels wordt aanvaard als de ware bewustzijnstoestand (de eenheid van de menselijke geest en de algeest) van de mens. De hemel is geen plaats, maar een zich van God (de algeest) bewust zijn. De hemel is een bewustzijnstoestand. Het bewustzijn van God is hetzelfde bewustzijn, zowel in mij als in jou. Het enige verschil is de mate van bewustzijn of de verwerkelijking ervan. De hemel is geen plaats;e het is een innerlijk bewustzijn, een innerlijk kennen van de werkelijkheid. Het innerlijke bewustzijn is de hemel, die zich op aarde uitdrukt door het lichaam.

De geest is de enige werkelijkheid. Deze geest geeft het leven aan het lichaam en is de enige kracht die er is. Jij leeft en gaat en hebt je zijn in God en God leeft in jou. Het is God zelf, die zich in jou uitdrukt. De geest, die je leven geeft, de geest die in je leeft, is de geest die spreekt in mij, want alleen de geest heeft zeggingskracht.
De geest in je is de Christus Gods en de geest kan niet minder zijn dan de grootste! Laat dus de Christus (jij als geest) bezit nemen van je ziel en lichaam. Je zou in de éérste plaats moeten inzien, dat geest de enige bron is van leven en kracht. Put eerst uit die geestelijke bron, dan zullen ziel en lichaam onderhouden en gevoed worden. Het leven (de geest) heeft de menselijke ziel en het lichaam geschapen om zich, in bewustzijn daarvan, zelf te kunnen uitdrukken. Als je dit ten volle beseft, stel je in je eigen leven de Christuskracht in werking.
Het lijkt velen van jullie aan kracht te ontbreken. Dat komt doordat je een onevenwichtig bestaan leidt op de drie niveaus der schepping: het 'spirituele', 'mentale' en fysieke niveau, ofwel de niveaus van geest, ziel en lichaam. Elke gedachte, beweging of handeling heeft op het lichaam een chemische (hormonale) uitwerking. Maar liefde (geest) is harmonie en genezing voor ziel en lichaam. Mijn woord (geest) zal in je opwellen. Het is de bron van eeuwig leven (geest), het zal je ziel en lichaam drenken en wij zullen ademen en denken als één. Ik onthul geheimen, die al in je verborgen lagen voor de grondvesting der wereld. Deze grootse kracht (de liefde) wacht erop, om zich in je te ontplooien. Je bent het voertuig, dat zij heeft toegerust; je ziel is het voertuig waardoor zij zal stromen. Zich hiervan bewust te zijn is het geheim ven de godmens.
Mijn geestelijke lichaam (geestgedaante) is de substantie en is volmaakt. Alleen het geestelijke lichaam onderhoudt het vlees. Er is een natuurlijk lichaam en een geestelijk lichaam (geestgedaante, etherlichaam, levenslichaam, astraallichaam, vormenkrachtveld), maar de Christus is heerser over beide. Als je begrijpt dat het geestelijke lichaam de volmaakte substantie is (m.a.w. een uitstraling van de geest), dan zal elk deel van je lichaam werken in gehoorzaamheid aan de Christus (de geest), de enige werkelijkheid. De dood is slechts een verandering die plaatsvindt wanneer de geest, die in het aardse lichaam was gezaaid, in het geestelijke lichaam overgaat. Ik ben geest en de geest stijgt op naar waar hij vandaan kwam. Het is de geest die leven geeft, het lichaam heeft geen leven van zichzelf.
Alle bewegingen in de hemel zijn door God uitgedrukte gedachten (denken). Ook jij bent Gods gedachte en je moet dan ook zijn liefde (voelen) en helende kracht (willen) tot uitdrukking brengen. De gedachte is de rechtstreekse uitdrukking van het denken en staat nooit los van het denken. Het denken is het scheppende gebeuren, dat aan alle vorm en uitdrukking (willen) vooraf gaat. God is het, die in en door je leeft, de Vader zelf, zijn bewustzijn, zijn leven, zijn denkvermogen. In zijn wijsheid (denken) drukt hij zich voortdurend in en door je uit. De wil van de Vader wordt gedaan in je eigen hart. Hoe meer je weet (waarnemen), des te groter wordt je eerbied (voelen) voor de wijsheid en orde (denken) in de schepping.
Als de Christus in het hart woont, heersen er liefde, wijsheid en kracht. Als je aan mij vasthoudt, ken (waarnemen) je de liefde (voelen) van God, de wijsheid (denken) en de macht (willen) en weet je, dat dit alles in je leeft als een werkelijkheid, die het werkelijke 'jij' is. Als je je volledig tot mij wendt en je volledig aan mij overgeeft, zullen uit je innerlijkste wezen (de geest) mijn leven, kracht (willen), wijsheid (denken) en liefde (voelen) vloeien. Je zult je verbazen over de dingen die je kunt doen; niets zal je onmogelijk zijn, als je maar in mij wilt geloven (voelen) en mij wilt verstaan (denken). Ik sprak vanuit de geest en kon daardoor in alles leven doen vloeien. Als je met mij kunt denken en voelen, zul je weten wat ik bedoel. Ik sta achter alle denken en spreken en ben alomtegenwoordig. Mijn liefde (voelen) is de sleutel tot alle kennis (waarnemen), wijsheid (denken) en macht (willen). Je wil, gedachten en verstand worden in hun geheel door de onzichtbare, heilige geest geleid naar de kennis van alle waarheid.
Met het oog gericht op de bron van liefde wordt het wezen van God ons wezen. Wat ik de Vader zie doen, doe ik evenzo. Mijn gedachten worden de helende kracht, die ziekte en dood omvormen tot gezondheid en leven. Door de kracht van de heilige gedachte zal ook je lichaam tot een geestelijke vorm worden veranderd. De genezingen zijn tot stand gekomen door de erkenning en verwerkelijking van de macht, die de heerschappij heeft over alle dingen.
Het hart is de toegang tot goddelijke wijsheid en dat kan alleen in het eigen hart worden begrepen. Het verstand (denken) maakt dat je redeneert, dat je weet wat waarachtig en onwaarachtig is. Het verstand is de toegang tot het hart, maar als het hart niet vol Christusliefde is, is de Christuskracht evenmin in je. Het aanhalen van uitspraken en leringen, zonder ze te begrijpen, is van heel weinig waarde bij de ontwikkeling van het vermogen van de Christuskracht, die liefde en wijsheid is. Al je gedachten van liefde en helende kracht worden, al zend je ze ook uit zonder een bepaalde richting, in de stroom opgevangen en ze helpen allen. Besef dat er niets verloren gaat in deze van liefde verzadigde wereld van gedachten. Als je je met je gedachten en gevoelens naar binnen keert, zul je innerlijk de warmte gaan voelen van de Christus Gods.
Zoek geen vergelding, want wat in je hart is, dat zal jou ook overkomen. Wat een mens denkt in zijn hart, zo is hij. Wat je over iemand anders denkt in je hart, breng je in jezelf teweeg. Wees zachtmoedig voor elkaar, vergeef elkaar. ... wat je voelt in je hart, zal naar buiten toe vorm krijgen. Het is het woord, dat in je hart leeft, dat vorm aanneemt. Je hart en je verbeeldingskracht (denken) zijn nauw verwant. Wat in je hart leeft, geeft je verbeeldingskracht weer.
In de gelijkenis van de verloren zoon wordt de liefde van de Vader getoond en de losbandigheid van de zoon, zijn inkeer, de herwinning van zichzelf, zijn ware geestestoestand. Eerst ondergaat hij beproeving en lijden, verkwist hij zijn erfdeel, dan keert hij uit eigen vrije wil (vrije keuze) terug om dienstbaar te zijn; maar daardoor wordt hij weer de zoon, die hij (in wezen) altijd al was.
Gods gedachte is zijn Woord en ik ben dat Woord; ik werd in het vlees geboren, kwam daarin tot bloei, ontgroeide het vlees om voor eeuwig met mijn Vader te leven en dit is de weg van alle mensen. Dit is de wet van de omvorming, die in jou in werking is; door middel van mijn woorden tot jou, vorm je 'het lagere' (de lagere geestestóestand, de geest is immers één) in 'het hogere' (de hogere geestestóestand) om. De overgang van de ene toestand in de andere is een wet. Ik ben in de wereld om de wereld om te vormen, om allen geestelijk te verheffen, opdat zij de waarheid, die in hun binnenste woont, kunnen zien, zodat alle mensen zich bewust worden van hun goddelijke wezen.
De bewustwording en de verwerkelijking doen zich niet plotseling voor. Je zult merken dat ze in je groeien. Je huidige toestand is er een van scholing en ontplooiing. Ontplooi op natuurlijke wijze de gaven (vermogens), die God je heeft geschonken. Je persoonlijkheid wordt steeds zuiverder, naarmate je je verwantschap met het geheel beter gaat beseffen. Wees niet ontmoedigd als er geen onmiddellijke gevolgen te zien zijn. Er wordt aan gewerkt overeenkomstig de wijze waarop je denkt. Die wet is onfeilbaar.
De goddelijke mens heeft zijn volkomenheid in God. Hij doorloopt alle trappen van groei, tot hij zich bewust wordt van zijn ware oorsprong. Dan verwerkelijkt de goddelijke mens zijn almacht in de werkelijkheid van God. Er zijn ontwikkelingstrappen van het leven naar de vorm, maar het leven op zichzelf is onpersoonlijk en drukt zich uit door de vorm, die het leven zelf heeft geschapen.
God heeft alle volken gemaakt uit één bloed, om op de aarde te wonen, zodat zij naar God zouden streven en zoeken (de aarde is een leerschool) en hem vinden door middel van zijn liefde en schepping. Als de mens zich deze waarheid bewust wordt, zal de mens in zichzelf weerspiegelingen (overeenkomstige denkbeelden) scheppen van die volmaakte goddelijkheid die zijn hemel op aarde zal bewerkstelligen. De ontplooiing van de geest ligt aan heel de mensheid ten grondslag. Het innerlijke zal uiterlijke vorm krijgen en het uiterlijke zal als het innerlijke worden. Hiervoor ben je op de wereld geboren: om de wereld te overwinnen door de zege van de Christus in je.
Je aard is goddelijk; maak je dan nu die aard eigen, want nu is de eeuwigheid, elk moment van het leven is nu. De goddelijke kracht die in je is, is dezelfde als die in mij en naarmate je bewustzijn zich ontvouwt naar het godsbewustzijn, zult je mij ook beter leren kennen.
Houd je innerlijk in een volmaakt evenwicht (gemoedsrust), zorg dat nooit een storende invloed van buitenaf je binnenste bereikt. Het is niet je lichaam dat je bindt, maar jouw manier van denken, jouw geloof (voelen) in de macht van het kwaad. De mens schept zijn eigen gevangenis door zijn eigen gedachten. Al naar zijn denkbeelden legt hij zich beperkingen op. In je denken is veel van de Christuskracht ingekapseld en niet in staat zich uit te drukken, wegens de starheid van je overtuigingen (onbewuste vereenzelviging). Het innerlijk kan pas vrij zijn, als het ontwaakt voor het inzicht in zijn eigen kracht. Ik ben in de wereld gekomen om je te bevrijden van de boeien van de bekrompenheid. Het is zo moeilijk voor hen, die zich blindelings bij hun overtuigingen hebben neergelegd, om hun gebondenheid (onbewuste vereenzelviging) van zich af te werpen. Als je aan overtuigingen van anderen bent gebonden, dan ben je gebonden (gehecht). Als je eens in je geest zou zien, welke gedachten, beelden en opvattingen je daar schept. Al die begrenzingen nemen vaste vormen aan in je geest. Laat al die begrenzingen die je tot last zijn, onmiddellijk van je afvallen, dan zul je in de hemel zijn. Je brengt de hemel met je mee, als je je geest bevrijdt van alle begrenzingen (gehechtheden).
Je bent de gedachte van God. Haar bestemming is te ontluiken, tot rijpheid te komen. Niets kan haar groei belemmeren. Wat ogenschijnlijk de uitdrukking van de goddelijke gedachte in de weg staat, is geen belemmering, maar een (leer)middel om ervaring op te doen. Alle moeilijkheden moeten als een (te verwerken) ervaring worden gezien. Dan zul je er sterker uit tevoorschijn komen (heb je geleerd) en ook weten, dat je kracht van binnenuit komt.
Zelfkennis (kennis van jezelf als geest) komt het eerst aan de orde. Dan zal de kracht (de vermogende levenskracht), die alle moeilijkheden (door verwerking) overwint, zich doen gelden. Dit is het geheim van waarachtig inzicht: wanneer het bewustzijn zich van zichzelf bewust wordt, zich van zichzelf bewust wordt als de geest van God, die alle dingen heeft geschapen en die zich uitdrukt zoals hij in den beginne was en eeuwig zal zijn. Doorgrond in de eerste plaats dat je bent en voor altijd zult zijn. Je zult je geleidelijk bewust worden van je goddelijke wezen, dat volmaaktheid is in zichzelf. Je moet je bewust worden van de waarheid van de éne, eeuwige, levende geest, die zich in jou en mij openbaart.
Als het bewustzijn zich van zichzelf bewust is (m.a.w. zelfbewust is), weet het, wat het is. Het bewustzijn geeft uiting aan datgene, waarvan het zich bewust is. Dat is een onwrikbare wet van het leven. Het bewustzijn moet zich van zichzelf bewust worden (zelfbewustzijn) als uitdrukking van het bewustzijn van God (albewustzijn). Het bewustzijn bepaalt de mate, waarin het leven zich uitdrukt. Alleen het leven heeft bewustzijn (bewustzijn is een eigenschap van de geest). Ik ben het leven. Het leven schept de vorm (niet het bewustzijn doet dat), maar is niet van de vorm afhankelijk.
De erkenning en verwerkelijking van Gods leven in je eigen bewustzijn worden het middel, waardoor het leven zich uitdrukt. Jouw bewustzijn (jij als geest) is het punt waardoor God zich uitdrukt en is het punt waardoor je God, de Christus in je, tot uitdrukking brengt. Je bent de levende uitdrukking van de almachtige. Naarmate het bewustzijn in de mens deze onmetelijke kracht in zijn binnenste meer gewaarwordt, gaat het die kracht tot uitdrukking brengen. Als je uitsluitend werkzaam bent vanuit het bewustzijn van de geest, zal je lichaam verfijnen. Als je een beroep doet op de Christuskracht en je de bron (de algeest) beseft, waaruit je voortkomt, zul je een kracht in werking stellen, die ver boven het bereik van de stoffelijke zintuigen is verheven. De weg naar mij gaat door je eigen hart, want ik woon in je binnenste. Stem je op mij af, ik ben eenvoudig te bereiken. God, jouw wezen is in ons allen vastgelegd. God is in je en het gebed en het antwoord zijn als één. Ik spreek vanuit het leven binnenin (de geest brengt zichzelf tot klinken).
Wanneer je bidt, moet er een gevoel van diepe eerbied zijn en moet je je afsluiten van het uiterlijke. Zo betreed je het innerlijke rijk. Voel als je bidt je eenheid met God, die jou in zichzelf heeft geschapen. Als je bidt tot je Vader in de hemel, moet je de hemel binnengaan door de deuren der zintuigen af te sluiten die naar buiten leiden. Want alleen in het innerlijkste hart, waar de stilte van de liefde heerst, kan je gebed werkelijk worden verhoord. Betreed het hart van God door je eigen hart, met zuivere gedachten, onbaatzuchtig en onbevangen, en sluit alles buiten wat te maken heeft met het uiterlijke. De stilte moet eerst in je hart zijn, door de erkenning van de Vader, want alleen God mag je hart en geest vullen. Je kunt slechts doen wat hem behaagt, als je je hart te allen tijde voor God openhoudt. De enige voorwaarde is dat je je voor God openstelt, zodat hij je kan vullen met zijn eeuwigdurende liefde.
Als je in vertrouwen vraagt, in de wetenschap dat de plaats der schepping in je is, dan is er niets wat de Vader niet voor je zal doen, als je hem in mijn naam daarom vraagt. Met mij kun je alles, zonder mij niets. Geloof wanneer je bidt dat je hebt ontvangen waarom je hebt gevraagd en je zult het verkrijgen. Vraag in de geest van God, dan ligt het vast in de geest en moet het naar buiten vorm krijgen, op voorwaarde dat je begrijpend gelooft.
De eenheid van de geest met God! Hoe heerlijk en volmaakt is deze waarheid, hoe eenvoudig is deze waarheid, maar hoe moeilijk is zij grijpbaar voor hen, die zich ophouden in (die zich vereenzelvigen met) tijd en ruimte.

terug naar het overzicht

Johannes Greber - Omgang met Gods geestenwereld

Inleiding

Johannes Greber
Is er voor de mensen een voortleven na de dood? Is er een 'gene zijde'? Bestaat er een geestenwereld, waarin ook de geesten van de gestorvenen worden opgenomen? En hoe moeten wij ons het bestaan in die andere wereld voorstellen? Welk lot wacht ons daar?
Of - is achter de kerkhofmuur alles afgelopen? Wordt daar met het lichaam ook de geest begraven en blijft er niets over van al het hopen en vrezen van de mens, van zijn strijd en zorgen, zijn vreugden en lijden, zijn goede en slechte daden, dan de doodskop of een handvol as?
Steeds weer dringen deze vragen zich aan ons op. In de stille uren van ernstige ziekte drukken zij zwaar op het vermoeide mensenhart. Aan elk sterfbed waaraan wij staan, achter elke lijkkist, die wij volgen, trekken zij aan onze geest voorbij. Bij elke grafheuvel komen zij naar boven, op elke grafsteen staan zij diep ingebeiteld.
Wie lost dat grote raadsel van 'gene zijde' voor ons op? Tot wie moeten wij ons met onze twijfel wenden om de onfeilbare waarheid te vernemen? Moeten wij dit aan de verschillende godsdiensten en hun dienaren vragen? Zij leren ons wel het geloof in een 'gene zijde' en het voortleven van de menselijke geest. Maar zij brengen hun leer een zware slag toe door het voortleven van de geest van het dier te ontkennen. Want als er geen hiernamaals voor het dier is, op welke grond zou dan de mens voortleven? Mens en dier hebben toch hetzelfde levenslot. Zij worden op gelijke wijze voortgebracht, op dezelfde wijze geboren. Vreugde en smart, recht en onrecht zijn beiden gelijk beschoren en de een sterft gelijk de ander. De bijbel bevestigt dit ook met de woorden: 'Het lot van de mensen en het lot van de dieren is hetzelfde. De een sterft evenals de ander. Zij allen hebben dezelfde adem. Een voorrang van de mensen boven de dieren is er niet. Zij gaan allen naar dezelfde plaats. Alles is uit de stof ontstaan en alles keert tot de stof terug. Wie weet dan van de levensadem van de mens, of hij opvaart naar boven, of van levensadem van het dier, of hij neerwaarts vaart naar de aarde?' (Prediker 3:19-2 l).
Daarbij komt, dat de kerken onderling elkaar over de belangrijkste vragen over de religie tegenspreken. Van hen kunnen wij dus geen betrouwbaar antwoord verwachten. Feilbare mensen kunnen in deze dingen geen betrouwbare gids zijn.

Hier is slechts één weg tot de waarheid: als er een hiernamaals is en daar een geestenwereld bestaat, dan kan ons het bewijs daarvoor slechts worden geleverd, wanneer de geesten zelf tot ons komen en ons onderwijzen. Want zij alleen kunnen ons omtrent de grote vragen over het voortleven inlichten. Zolang dus deze geestenbrug naar ons niet wordt geslagen, zolang blijven wij in de duisternis van het onzekere en in de smart van de knagende twijfel.
Maar de mensheid van heden lacht als iemand ook maar spreekt over de mogelijkheid van het verkeer van de geesten met de mensenwereld. Zij lacht en spot, zoals zij steeds heeft gedaan over alles, wat met de volksmening van haar tijd in tegenspraak was.
Toen Galileï verkondigde dat de aarde draaide en de zon stilstond, werd hij door zijn tijdgenoten voor krankzinnig gehouden. De kerk beschouwde hem als een ketter en sloot hem buiten haar gemeenschap. Hij werd gevangen gezet en kon aan zijn lijden en vervolgingen slechts een einde maken door zijn leer te herroepen.
Toen de eerste telefoon getoond werd in de akademie der wetenschappen te Parijs verklaarde één van de meest geziene professoren van deze hogeschool de zaak voor bedrog en buiksprekerij. Alle verkondigers van een nieuwe waarheid is het zo vergaan. Zij werden door de openbare mening van hun tijd uitgelachen, gehoond, met vuil geworpen, verbrand of gekruisigd.
Zo lacht men in onze tijd een ieder uit, die de mensheid tracht te bewijzen, dat er een geestenwereld bestaat, die voor ons mensen niet is afgesloten, maar waarmee wij in verbinding kunnen komen, indien wij deze op de juiste wijze zoeken en de voorwaarden nakomen, waaraan voor zo'n verbinding moet worden voldaan, want niet alleen in de stoffelijke wereld heersen eeuwig geldende wetten, maar ook in de geestenwereld.

Men heeft de leer van het verkeer van de geestenwereld met de mensen de naam van 'spiritisme' gegeven. Dit woord staat tegenwoordig bij de grote massa in een kwade reuk, ofschoon de meesten niet weten, wat het betekent. Het'spiritisme'wordt beschouwd als een belachelijke fantasie van overspannen mensen. Men lacht om de 'spiritistische dwazen'. 'Doch deze mensen spotten met alles, wat zij niet kennen!' (Judith 1:10).
De kerken staan in hun strijd tegen het spiritisme in de eerste rij. Daarover moet men zich weliswaar zeer verwonderen, want juist de kerken leren dat haar religieuze waarheden door verkeer met de geesten zijn ontvangen. Jodendom en christendom staan met hun oorkonden van het Oude en Nieuwe Testament geheel op de grondslagen van het spiritisme. De bijbel is wel het belangrijkste spiritistische boek, want haar hoofdinhoud berust op de boodschappen van 'gene zijde' aan deze wereld. Wij zien daarin op pagina na pagina de geestenwereld in contact staan met de mensen.
De kerken kunnen dus het verkeer met de geesten waarvan de bijbel spreekt, niet ontkennen als zij de tak niet willen afzagen, waarop zij zelf zitten. Hun strijd tegen het spiritisme denken zij te rechtvaardigen door de bewering dat in de bijbel het verkeer van de mensen met de geestenwereld verboden zou zijn, want daarin staat: 'Gij zult niet aan de doden vragen.'

Wat verstaat de bijbel echter onder 'het vragen aan de doden'? Waar de bijbel van de 'doden' spreekt, bedoelt zij niet de door de aardse dood van het lichaam gescheiden geesten, maar de geestelijk doden. 'De dood' is volgens de Heilige Schrift de afdwaling van de geest van God. De 'doden' zijn de door ongeloof en afvalligheid van God gescheidenen. Het zijn de geesten der duisternis. Het 'rijk der doden' is het rijk van Lucifer, het rijk van de tegenstanders van God, het rijk van de leugen en van het onheil.
Volgens de bijbel is er een rijk der 'doden' en een rijk der 'levenden'. De mensen hebben de mogelijkheid om zich met de geesten van beide rijken aan gene zijde in verbinding te stellen. Zij kunnen inlichtingen ontvangen van de 'geestelijk doden'; dat is een vragen aan het boze, of, zoals de bijbel het uitdrukt: een vragen aan de doden, óf zij wenden zich tot de 'levenden' aan gene zijde, - dat is een vragen aan de goede geestenwereld, of, zoals de bijbel het noemt: Een vragen aan God.
Het om raad vragen aan de 'doden' zijnde de van God afgevallen geestenwereld, zou de grootste belediging van God zijn. Het zou afgodendienst zijn, want deze bestond immers uit de verbinding met de kwade geesten.
De dodenbezweerders uit de oude tijd stonden algemeen bekend als mensen, die zich bewust en opzettelijk met de machten der duisternis - de demonen - in verbinding stelden. Vandaar Gods strenge gebod in het Oude Testament, de 'dodenbezweerders' uit te roeien uit het midden van het volk.
Er is dus slechts één bepaalde wijze van geestenverkeer, die aan de mensen volgens de bijbel wordt verboden, namelijk het verkeer met de boze geesten. Inplaats hiervan moet de mensheid de gemeenschap met God en dus met de goede geestenwereld zoeken. Indien echter iemand tot u zegt: 'U moet de 'dodenbezweerders' vragen,' antwoordt dan: 'Moet een volk niet aan zijn God vragen? Moet het in plaats van aan de levenden aan de doden vragen?' (Jesaja 8:19). 'Over de komende dingen vraagt Mij' (Jesaja 45:11).

De oproep om God te raadplegen werd door de gelovigen van alle tijden trouw nagekomen. Bij de Israëlieten was het vragen aan God een dagelijks gebeuren. 'Al wie God wilde vragen, ging naar de Tent der Openbaring' (Exodus 33:7). God antwoordde op de meest verschillende wijzen. Zijn geestelijke boodschappers stonden met de gelovige mensen steeds in verbinding.Wij komen ze overal tegen in de berichten van het Oude en Nieuwe Testament.
Wanneer wij ons als gelovige dienaren van God of op zijn minst als eerlijke naar waarheid zoekenden met de goede geestenwereld in verbinding trachten te stellen, doen wij daarmee dus niets verkeerds, doch gehoorzamen wij aan één van Gods geboden. Het is een belangrijk gebod, want de verbinding met de goede geestenwereld is de enige weg, welke leidt tot de waarheid. Een andere weg is er niet.
Daarom worden in de gehele Heilige Schrift de waarheidzoekers nooit verwezen naar hun medemensen om de waarheid te verkrijgen, maar steeds naar God en zijn geesten; ook in het Nieuwe Testament. Christus had bij zijn verscheiden van deze aarde zijn volgelingen nog veel te zeggen, wat zij toen nog niet begrepen. Zij zouden daarover later opheldering krijgen, niet door mensen, doch door geesten die de Vader hen zou zenden als boodschappers van de waarheid. En deze mededelingen van de geesten zouden zij met hun menselijke zintuigen kunnen waarnemen. 'Gij zult de geesten Gods zien opstijgen en nederdalen' (Johannes 1:51).

Het opgaan en nederdalen van de boodschappers van God beleefden de eerste christenen tijdens hun samenkomsten. De apostel Paulus roept daarom de christenen toe: 'Streeft naar verbinding met geesten' (1 Kor. 14:12).
Het is fundamenteel voor het religieuze leven van de mensheid, dat ieder de waarheid omtrent de grote vragen betreffende het leven en het hiernamaals niet moet zoeken bij mensen en hun verklaringen, maar door onmiddellijke verbinding met Gods geestenwereld als de bron van waarheid. Zo leert God het ons in het Oude en Christus in het Nieuwe Testament. Zo leerden de apostelen het en daarnaar handelde het volk Gods in het Oude Verbond en de christenen in de eerste eeuwen.
In later tijden heeft men deze grondwaarheid verwaarloosd. Dwalende mensen traden op als waarheidsverkondigers van God en zijn geestelijke boodschappers. Het woord van God werd, om een woord van Paulus te gebruiken, 'bedrijf'. Men leerde de religie door menselijk onderwijs, zoals elke aardse wetenschap. En zo is het gebleven tot op de huidige dag.
De geestelijke leiders van het volk werden de onbeperkte heersers in alle godsdienstige zaken en kregen op deze manier ook steeds grotere wereldlijke macht. Steeds talrijker werden de menselijke verordeningen, die men in naam van de religie op de schouders van de gelovigen legde.
De vroegere vrijheid van de kinderen Gods werd door religieuze knechting vervangen. Wie zich verzette en volgens eigen overtuiging wilde leven, boette dit met de dood. Het bloed van millioenen heeft gevloeid in naam van de kerk.
De echte oorkonden van het Nieuwe Testament verdwenen. De vervaardigde afschriften stemmen op belangrijke punten niet met de oorspronkelijke tekst overeen. Men greep naar het middel van de vervalsing om voor de in de loop der tijden in zwang gekomen menselijke meningen en opvattingen bewijsplaatsen in de bijbel te scheppen.
Hier herhaalde zich hetzelfde als waarover God reeds in het Oude Verbond door de profeten de bittere klacht liet uitroepen: 'Hoe kunt gij zeggen: wij zijn wijs, wij zijn in het bezit van de goddelijke wet? Jawel! Tot een leugen heeft de valse pen van de overschrijvers deze verdraaid. De wijzen moeten daardoor beschaamd staan en ontsteld, want zij hebben zichzelf gevangen. Zij hebben Gods woord verworpen. Welke wijsheid bezitten zij dan nog?' (Jeremia 8:8-9).

Ook het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek heeft geleerd, dat de vervalsingen als een verwoestende ziekte door alle geschriften uit de oude tijd heeft gewoed. De bijbel, de kerkvaders, de geschriften van joodse en heidense schrijvers werden vervalst ten behoeve van religieuze opvattingen, welke in de tijd van de vervalsers bestonden.
Dit alles gebeurde buiten de gezichtskring van het gewone volk. Dit nam zonder meer de zogenaamde religieuze 'waarheden' en uitleggingen aan, die het door zijn geestelijke leiders kreeg aangeboden, en bracht ze over op hun kinderen en kleinkinderen. Ook nu is het nog precies zo. De godsdienst is een erfstuk dat iedereen van zijn ouders en leermeesters heeft ontvangen, zonder zich omtrent de innerlijke waarheid ervan een eigen oordeel te vormen. Daartoe zouden de meesten ook niet in staat zijn. Daarom zouden zij, die nu christenen zijn, met dezelfde overtuiging de joodse of mohammedaanse godsdienst kunnen aanhangen, als hun ouders joden of mohammedanen waren geweest.
Zo was het echter niet in de tijden, waarin de mensen met de goede geestenwereld in verbinding stonden. Toen konden zij vragen: 'Wat is waarheid?' - en zij kregen antwoord. Daarom spoorde ook Paulus de eerste christenen aan God vragen te stellen, als zij in enig opzicht een andere mening hadden dan hij. 'En wanneer gij ergens een andere mening over hebt, dan zal God u daarover opheldering geven' (Phil. 3:15).
Zo'n verwijzing naar de enige weg om tot de waarheid te komen die de grootste christelijke apostel hier geeft, zou in latere eeuwen onmogelijk zijn geweest. Als iemand niet geloofde wat zijn 'kerk' hem leerde of trachtte op de wijze van het Israëlietische volk of de eerste christenen door vragen aan God de waarheid te verkrijgen, dan werd hij door de kerkelijke ban getroffen en vaak eindigde hij op de brandstapel. Nu zijn weliswaar de brandstapels gedoofd, omdat de 'kerk' de uiterlijke macht ontbreekt ze aan te steken; maar de kerkelijke ban is gebleven en deze zou de grootste kerkvaders uit de eerste eeuwen treffen, als zij nu leefden en dat leerden, wat zij toen als waarheid aan het christelijke volk verkondigden.

De verbinding met de geestenwereld van God heeft men verbroken en daardoor de weg tot de waarheid versperd. Uit menselijke opvattingen en menselijke bepalingen heeft men religiegebouwen opgetrokken en men eist van de mensheid daarin plaats te nemen. Honderden kerkgenootschappen beweren waarheidsbemiddelaars te zijn. De ene verbrandt wat de andere aanbidt en wat door de ene als zuivere waarheid wordt verkondigd, wordt door de andere als afschuwelijke ketterij verdoemd.
Uit deze toestand van dwaling kan de mensheid alleen dán worden bevrijd, als God in deze tijd opnieuw zijn geesten als waarheidsboden zendt, zoals Hij het vroeger duizenden jaren lang heeft gedaan.
Niet aan de 'doden', niet aan het 'rijk der duisternis' moeten wij vragen, ook niet aan dwalende mensen, - maar aan God. Hij is dezelfde God, vroeger en nu. Voor Hem geldt geen aanzien des persoons. De hedendaagse mensen heeft Hij even lief als de mensen uit vroegere tijden. En zoals Hij zich vroeger door zijn geestelijke boden aan de mensheid heeft geopenbaard, zo ook nu.
De 'kerken' zullen zeker deze weg tot de waarheid met alle middelen bestrijden. Zij moeten dit doen, omdat zij strijden voor het eigen bestaan. Zij beschouwen zichzelf als de onfeilbare vertolkers van de waarheid. Ieder heeft een gekroonde of ongekroonde paus. Men zou de door Gods boden gegeven lessen als een voor het voortbestaan van de kerk nadelige en gevaarlijke mededinging ondervinden. Want de vrees bestaat, dat de door Gods geesten verkondigde waarheden niet overeenstemmen met die van de kerk. Er is toch maar één waarheid: óf één van de vele geloven heeft de waarheid - en alle andere dwalen - of geen van alle bezit de waarheid. Tenslotte geldt voor alle godsdiensten zonder uitzondering het woord uit Goethe's Faust: 'In bonte schildering weinig klaarheid, veel dwaling en een vonkje waarheid.'
Vijf en twintig jaar was ik katholiek priester. Ik hield mijn godsdienst voor de juiste. Het was immers het geloof van mijn ouders, leraren en zielverzorgers. Al waren de bewijzen voor de juistheid ervan niet zo dat zij mijn denken bevredigden, toch had ik geen reden om af te wijzen, wat al mijn religiegenoten als waarheid aannamen. Bovendien zou reeds iedere vrijwillige twijfel aan een geloofswaarheid volgens de leer van mijn kerk een doodzonde zijn geweest.

Van de mogelijkheid van een verbinding met de geestenwereld was mij niets bekend. Het 'spiritisme' kende ik alleen uit kranten. Ik hield het voor bedrog en zelfmisleiding.
Toen kwam de dag waarop ik ongewild de eerste schrede zette op de weg naar verbinding met de geestenwereld. Ik beleefde dingen, die mijn innerlijk tot in de diepste diepten schokten.
Na deze eerste stap kon en mocht ik niet blijven stilstaan. Ik moest verder, moest klaarheid krijgen. Voorzichtig onderzoekend ging ik verder met het woord van de apostel Paulus voor ogen: 'Beproeft alle berichten van geesten en behoudt slechts het goede' (1 Thess. 5:2l).
Ik wilde alleen het goede. Ik wilde de waarheid weten. Ik was bereid, deze aan te nemen, zelfs ten koste van de zwaarste offers. Ik wist, dat God een oprecht en onbaatzuchtig zoeker niet in de steek laat en dat hij, naar het woord van Christus, een deemoedig biddende geen stenen voor brood zal geven.
Ook de ernstige gevolgen van mijn stap stonden mij helder voor ogen. Mijn ambt als geestelijke, mijn gehele materiële bestaan, mijn aardse toekomst zag ik vernietigd, als ik verder ging. Smaad, vervolging en lijden in overgrote mate zouden mijn lot zijn. Maar de waarheid was mij meer waard.

Ik vond de waarheid op de ingeslagen weg. Zij maakte mij innerlijk vrij en blij. De uiterlijke kwellingen, daaraan verbonden, welke tot heden voortduren, konden mijn innerlijke vrede niet verstoren.
In dit boek beschrijf ik nu de weg, die mij met de geestenwereld in verbinding bracht en mij de waarheid onthulde. Ik schreef het uit liefde voor mijn medemensen, ongeacht tot welke geloofsgemeenschap zij behoren, of welke wereldbeschouwing zij huldigen.
Dit boek is bestemd voor iedere waarheidzoekende mens. Het bedoelt een wegwijzer te zijn voor allen, die een verbinding met de goede geestenwereld zoeken, om zo tot de waarheid en tot God te komen.
Boeken, welke bij aardse reizen als 'gids' moeten dienen, zijn door iemand geschreven, die de weg zelf is gegaan, die in de gids zijn beschreven. Zulke boeken zijn niet bestemd voor hen, die thuis blijven, maar voor hen, die het onbekende willen leren kennen.
Zo'n 'gids' wil mijn boek zijn. Het wil de weg wijzen naar de brug, waarover de geestenboden uit het hiernamaals ons tegemoettreden. Wie aan de hand van dit boek over deze geestenbrug gaat, zal alles bevestigd vinden, wat erin is beschreven.

Ik verwacht van niemand, dat hij de inhoud van mijn boek zonder onderzoek als waarheid zal aannemen. Hij zou dan zijn overtuiging over de belangrijkste vragen van zijn leven doen steunen op de getuigenis van een feilbaar mens. Dat mag hij niet. Want mijn bewering, dat ik de hier neergelegde waarheden niet uit mij zelf en uit mijn eigen denken heb geschreven, maar door verbinding met de goede geestenwereld van gene zijde heb ontvangen, zou toch mijnerzijds een opzettelijke misleiding of een zelfbedrog kunnen zijn.
Ik kan als zwak, dwalend en zondig mens op geen grotere geloofwaardigheid aanspraak maken dan ieder ander van mijn medemensen. Ik verlang dus niet dat men mij blindelings gelooft. Alleen één ding vraag ik: dat men de waarheid die mij deelachtig is geworden langs dezelfde weg onderzoekt als waarlangs ik haar heb gevonden. Deze weg heb ik nauwkeurig beschreven, zodat niemand hem kan missen. De geleerde en de ontwikkelde, de rijke en de arme, allen kunnen hem bewandelen. Geen voorbereiding en bijzondere scholing zijn daarvoor nodig. Het kost niets. Slechts één ding moeten zij bezitten: de wil tot de waarheid. Zij moeten bereid zijn de waarheid aan te nemen, zodra deze zich aan hen op overtuigende wijze openbaart en hun leven daarnaar in te richten. Dit boek is niet geschreven voor hen, die deze woorden niet willen aanvaarden. Voor hen bestaat er in het geheel geen weg die naar de waarheid voert, want God openbaart zijn waarheid slechts aan hen, die van goede wil zijn.

Zij, aan wie de wil tot waarheid ontbreekt en de weg, die ik hen wijs niet onderzoekend willen bewandelen, hebben echter ook geen recht, een oordeel over mijn boek uit te spreken. Want als een scheikundige aan de wereld verkondigt, dat hij een mogelijkheid heeft gevonden langs chemische weg goud te maken, en die weg nauwkeurig aanwijst, dan kan redelijkerwijze alleen hij over de verklaringen van de chemicus een oordeel vellen, die de door hem beschreven proeven zelf heeft genomen en daarbij alles nauwkeurig heeft opgevolgd wat de scheikundige heeft aangegeven.
Ik heb de zekerheid dat dit boek de waarheid bevat, 'want ik weet, wie ik heb geloofd' (2 Tim. 1:2).
Ik behoef niet bang te zijn dat zij die mijn weg volgen ergens iets zullen vinden, dat in tegenspraak is met wat ik vond. Allen, die tot heden mijn raad volgden en verbinding met de goede geestenwereld zochten, hebben hetzelfde gevonden als ik.
Desondanks zal mijn boek talrijke en verbitterde tegenstanders ontmoeten. Niet zozeer bij de grote massa van het volk, doch veeleer in die kringen, waarin het aanvaarden van de waarheid zware aardse offers zou vergen. Het zijn de geestelijken van de afzonderlijke godsdienstgemeenschappen. De geloofsbelijdenis, die zij tot nu toe aan hun gelovigen hebben gepredikt, verzekerde hen tegelijkertijd hun levensonderhoud. Moeten zij tengevolge van een verandering in hun inzicht in de waarheid ook een verandering in de belijdenis van de gelovigen invoeren, dan houden zij op, geestelijken van hun tegenwoordige godsdienstgemeenschap te zijn. Zij verliezen hun tot nu toe door hun ambt verzekerde dagelijkse brood. Een levenspositie prijsgeven, arm en vijandig behandeld worden en een onzekere aardse toekomst tegemoet gaan is een van de grootste offers, die een mens kan brengen. Niet velen brengen het. Liever doen zij afstand van de waarheid.
Daarom begaven ook de joodse priesters zich in zo'n verbitterde strijd tegen Christus en zijn leer. Zij vreesden voor hun bestaan. Zij onderzochten niet vooraf de door Christus verkondigde waarheden op hun juistheid, maar slingerden hun dodelijke haat naar hem, die door zijn leer het volk afkerig van hen maakte en hen daardoor van hun invloed op de massa dreigde te beroven. Daarom moest Hij sterven. En de vloek, de verbitterde tegenstander van de waarheid, de waarheidszoekers en de waarheidverkondigers te zijn, rust tot heden op het priesterdom van alle godsdiensten. Met vuur en zwaard heeft het millioenen mensen vermoord onder de uiterlijke schijn van strijd tegen de ketterij, zoals ook het joodse priesterdom zich bij Christus achter de aanklacht verschool: 'Hij heeft God gelasterd'. De ware reden echter was zowel toen als in de latere tijden de vrees voor het verlies of de beperking van aardse invloed, wereldse eer, ambten en inkomsten. Natuurlijk waren en zijn er uitzonderingen, nu wellicht meer dan vroeger. Maar deze Nicodemuszielen kunnen het doodsoordeel van de huidige geestelijke leiders over de waarheid evenmin verhinderen als de eerste Nicodemus dit kon.

Het hedendaagse priesterdom zal daarom niet alleen mijn boek afwijzen, maar ook weigeren de inhoud op de wijze zoals het boek aangeeft op zijn juistheid te onderzoeken. En toch is het een weg die iedereen met een goed geweten kan volgen. Of is het misschien iets verwerpelijks als iemand, hetzij geestelijke of leek, alleen of met anderen een persoonlijke godsdienstoefening in zijn huis houdt, zich daarbij met gezang en gebed tot God wendt en van hem de vervulling van Christus' belofte afsmeekt: 'Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal uw Vader vanuit de hemel een heilige geest zenden aan degenen, die hem daarom vragen' (Luc. 11 :13).
Is het misschien een zonde tijdens zulk een godsdienstige bijeenkomst de waarheid van de heilige geschriften door te lezen, ze met anderen te bespreken en om te bidden om het juiste inzicht? Is het een zonde als geestelijke gemeenschap elkaar op de wijze van de eerste christenen de handen te reiken en in innerlijke aandacht zijn geest op het hogere te richten, aards falen betreurend en elkaar vergevend, en God om hulp en om de geest der waarheid te bidden, die Christus toch zijn volgelingen heeft beloofd? Is er ergens iemand, die dit niet met een goed geweten zou kunnen meemaken?
Meer verlang ik niet. Een andere weg ging ook ik niet, toen mij deelachtig werd wat in mijn boek wordt besproken. Geen bijzondere voorrechten werden mij verleend. Ik ontving alleen wat iedereen ontvangt, die het oprecht zoekt. Velen zullen langs deze weg misschien nog veel meer ontvangen dan ik. Het feit, dat de dingen, die ons langs deze weg gebracht worden, ons zo ongelooflijk voorkomen is geen reden de aangegeven weg niet te betreden. Want God stelt ons toch uitdrukkelijk het ongelooflijke in het vooruitzicht, met de woorden: 'Vraag mij en ik zal je antwoorden en je bekend maken met grote en ongelooflijke dingen, waarvan je tot nu toe niets hebt geweten' (Jer. 33:3).
Pasen 1932 - Johannes Greber

terug naar het overzicht

Bertha Dudde - De profetes van de eindtijd


Bertha Dudde
Op verzoek van vele vrienden schreef Bertha Dudde in 1953 de volgende autobiografie:
Sedert 15 juni 1937 schrijf ik de door het 'innerlijke Woord' ontvangen boodschappen neer. Om tegemoet te komen aan een herhaald verzoek van vrienden van de nieuwe openbaringen, wil ik een korte verklaring geven over de ontvangst van de openbaringen alsook een beschrijving van mijn levensweg en persoonlijke omstandigheden.

Op 1 april 1891, als een na oudste dochter van een kunstschilder te Liegnitz, Silezië, geboren, had ik met mijn zes broers en zussen een harmonische jeugd in ons ouderlijk huis. Al vroeg leerde ik de zorgen kennen om het dagelijkse bestaan, en de wens mijn ouders daarbij te helpen bracht mij ertoe mijn voorliefde om kleren te maken in praktijk te brengen en daarmee geld te verdienen. En omdat de geldnood van mijn ouders aanhield en daarmee ook de zorg, maakte ik mij tot op het laatst nuttig voor de familie.
Mijn ouders behoorden ieder tot een ander kerkgenootschap, mijn vader was protestant, mijn moeder katholiek. Als kinderen werden wij katholiek opgevoed zonder dwang of gestrengheid voor wat betreft het uitoefenen van kerkelijke plichten, waardoor elk kind voor zich later in volledige vrijheid een zelfgekozen geloofsrichting kon inslaan. Zelf was ik wel godsdienstig maar kon mij niet ten volle onderwerpen aan de leerstellingen van de katholieke kerk, hoewel ik de kerk achtte. Toch was het mij niet mogelijk naar buiten uit te dragen waar ik innerlijk niet geheel van overtuigd was. Ik ging dus niet meer naar de kerk, hoorde geen preek en wist niets over de bijbel. Ook las ik geen godsdienstige of wetenschappelijke boeken en ik voelde mij niet geroepen mij aan te sluiten bij enige sekte of geestesrichting. Wie bekend is met de katholieke geloofsleer begrijpt in welke gewetensnood iemand raken kan, die zich van haar wil losmaken. Deze problemen zijn mij dan ook niet bespaard gebleven, maar ondanks alles bleef in mij de vraag overeind; waar is de zuivere waarheid te vinden?

Bij het bidden van het Onze Vader heb ik vaak gesmeekt dat de HEER mij ZIJN rijk toch mocht doen vinden en dit gebed is verhoord geworden. Dat was op l5 juni 1937. Ik bad en lette op mijn innerlijk, ik bleef helemaal stil. Vaak verkeerde ik in deze toestand en dan overkwam mij een wonderlijke vrede en kwamen er in de omgeving van mijn hart gedachten naar boven. Niet in het verstand maar in het hart ontving ik troost en kracht.
Maar nog besefte ik niet dat die gedachten mij 'gegeven' werden. Tot een vreemde belevenis in een droom, die later op waarheid bleek te berusten, mij aanleiding gaf deze gedachten op te schrijven. En zo luisterde ik ook op deze gedenkwaardige dag in mijn binnenste en toen kwam er heel helder en duidelijk een rij woorden die ik opschreef. Het was het eerste hoofdstuk dat aan mij werd gegeven en het begon met de woorden: "In den beginne was het Woord. Een Te Deum van de Schepper van Hemel en aarde!"
Daarna kwamen de twijfels: heb ik dat uit mijzelf geschreven? Daarover heb ik geworsteld, gebeden en veel innerlijke strijd beleefd, maar steeds opnieuw kwamen de woorden als een grote stroom en van een wijsheid waarvoor ik huiverde. GOD nam Zelf de twijfels van mij weg, HIJ gaf mij antwoord en ik herkende HEM in ZIJN woord als onze Vader. Mijn geloof nam toe en de twijfel verminderde, en ik ontving en schreef dagelijks.
De inhoud van de boodschappen gingen boven mijn bevattingsvermogen uit. Nog nooit gehoorde of gelezen uitdrukkingen, anders talige of wetenschappelijke benamingen en aanwijzingen vloeiden mij onophoudelijk toe. En dan nog de tot nog toe nooit vernomen liefdesbetuigingen van de Hemelse Vader; zij vormden een toevlucht en verduidelijking van alle vragen des levens.
Het tot mij komen van het woord geschiedt bij mij als volgt:
Na innig gebed en een korte concentratie luister ik naar m'n innerlijk en dan volgen helder geformuleerd de gedachten. Afzonderlijk en duidelijk vloeien de woorden een voor een, steeds met het doel deze op te schrijven, drie of vier achter elkaar, vergelijkbaar met het geven van het weerbericht door de radio. Langzaam, zo dat ik het met schrijven makkelijk bij kan houden, vormt zich zinsdeel na zinsdeel. Ik schrijf de woorden stenografisch op zoals bij een dictaat, zonder in gedachten of constructief daarbij betrokken te zijn. Ik ben daarbij niet in een soort trancetoestand en maak ook niet zelf de zinnen. Ik ontvang de woorden achter elkaar zonder tijdens het schrijven hun samenhang te begrijpen.
Na dagen, ja veelal pas na weken vertaal ik het stenogram in netschrift zonder het van te voren door te lezen, zonder daaraan iets te veranderen of toe te voegen. In geen geval probeer ik de zin van de boodschap uit te werken of te stileren. De tijdsduur van zo'n dictaat bedraagt ongeveer een half uur. Met nadruk wil ik er op wijzen dat dit proces geen dwang verdraagt, noch in extase gebeurt. Alles voltrekt zich nuchter en eenvoudig zonder een inbreng of beïnvloeding van de eigen wil.
Steeds kan ik het dictaat onderbreken en na uren of zelfs na dagen, midden in de afgebroken openbaring verder schrijven. Zonder de mij eerder gegeven woorden doorgelezen te hebben wordt de boodschap mij dan vloeiend verder gedicteerd, en mijn wil staat los van iedere dwang. Wat ik wil is GOD te dienen en te mogen doen wat naar ZIJN heilige wil is. Ik mag zeggen dat ik als een beginneling in de Goddelijke waarheid ingeleid ben, met begrippen die mij in elk opzicht vreemd waren of vreemd voorkwamen.

Pas na jaren vond ik de bevestiging van deze, van Boven ontvangen openbaringen. Ik kreeg literatuur in handen van de Profeet Jakob Lorber (Oostenrijkse mysticus uit Stiermarken). Niemand zal kunnen begrijpen hoe gelukkig ik was met deze lectuur, met het grote Johannes Evangelie en de Jeugd van JEZUS. Nu pas besefte ik dat het woord van de HEER ook aan anderen werd gegeven, dat GOD de HEER in alle tijden tot ZIJN 'kinderen' heeft gesproken en ook verder zal spreken omdat de oneindige liefde en het erbarmen van de Vader niet anders kan. Bij Jakob Lorber hervond ik wat mij voordien was gegeven. Vaak was het woord voor mij onbegrijpelijk, maar liefdevol gaf de Hemelse Vader mij de verklaringen.
Wonderlijk waren de ervaringen en voorvallen die per stuk niet te tellen zijn, die echter keer op keer getuigen van de onvoorstelbare minzaamheid en mildheid van de Vader. Door een gemis aan algemene ontwikkeling voelde ik mezelf als een ongeschreven blad. Geldnood en gebrek aan tijd weerhielden mij ervan goede boeken te kopen of lezingen te bezoeken, en mijn leven bestond uit zware arbeid van vroeg tot laat.
Desondanks ontving ik dagelijks deze kostelijke geschenken van geestelijke waarde, zonder echter te weten voor wie ik ze eigenlijk ontving. Dat ik de boodschappen van Boven zonder kritiek aannam, zal wel verband houden met mijn totale onwetendheid omtrent de bijbel en de katholieke leerstellingen of geschriften. Naar mijn huidig inzicht denk ik dat een katholiek of protestant wiens kennis in dogmatische leerstellingen is verankerd, te zeer op deze dogma's gericht is om zonder kritiek of voorbehoud de woorden van de nieuwe openbaring op te nemen en deze in zich rijp te laten worden.
Toch blijken er in de wetenschap op meerdere gebieden personen te zijn, die met toenemende belangstelling kennis nemen van deze openbaringen en daarover discussiëren. Hun belangstelling gaat niet alleen uit naar de onweerlegbare uiteenzettingen over het ontstaan van de materie en haar mogelijke ontbinding, maar betreft ook de grondslagen van de dwaalleren van verschillende religieuze systemen en kerkgemeenschappen. In de door mij ontvangen boodschappen wordt duidelijk gemaakt waaruit de dwaling bestaat, en van ons allen wordt gevraagd dwaalleren als zodanig aan te wijzen waar de gelegenheid zich voordoet.
Het staat een ieder vrij de woorden van de HEER ter harte te nemen, wie echter de Geest achter de Vaderlijke woorden begrepen heeft en er niet naar handelt, vergroot de afstand tussen zichzelf en zijn Hemelse Vader. Wie de vermanende woorden van liefde niet opvolgt, plaatst zich automatisch onder de wet, en hij zal ook onvermijdelijk in die mate van genade verstoken blijven als waarin hij het Goddelijke gebod van de liefde minacht.
Door de genade van GOD wordt het evangelie opnieuw aan de mensen verkondigd en er wordt met nadruk gewezen op het doel van het bestaan als mens. Zodanig probeert de erbarmende liefde van GOD te redden wat zich nog laat redden, vóór de grote kentering die waarlijk komt. Het is de tijd waarover alle zieners en profeten van alle tijden hebben verkondigd; de eindtijd, welke nu is aangebroken.
In mijn aantekeningen wordt door de HEER onder ZIJN kinderen geen onderscheid gemaakt. "Komt allen tot MIJ" luidt ZIJN lokkende roep, en gezegend is hij die ZIJN woorden hoort en HEM volgt. Want GOD haaft ZIJN 'kinderen' lief en HIJ wil hen allen gelukkig maken, ook wanneer ze niets van HEM willen weten.
Opgetekend de 22e november 1953, getekend Bertha Dudde
Bron: www.berthadudde.net

terug naar het overzicht

Gabriele Wittek - Ursache und Entstehung aller Krankheiten


Gabriele Wittek
Christus, der Herr, der Menschheit Erlöser, gab durch Gabriele, die Prophetin Gottes in der mächtigen Zeitenwende, in der wir stehen, diese fundamentale Offenbarung im jahre 1986 - also in einer Zeit, als die Natur auf dieser Erde noch so weit heil war, daß Hinweise gegeben wurden, die sich auf die gesundheitsfördernde Wirkung von Naturheilmitteln, Waßer, und Sonnenlicht beziehen.
In vielen Offenbarungen, die zum Teil schon vor dreißig jahren der Menschheit gegeben wurden und auch ganz besonders in der vorliegenden Offenbarung 'Ursache und Entstehung aller Krankheiten' -, warnte der Christus-Gottesgeist immer wieder eindringlich vor den Gefahren, die der Welt drohen, wenn die Menschheit nicht umkehrt. Eine rechtzeitige völlige Neuorientierung durch eine geistige Ausrichtung im Denken und Leben der Menschen, durch die Erfüllung der göttlichen Gebote hätte die Schwingung des Erdplaneten angehoben; die Menschheit wäre in Harmonie mit den hohen Kräften des Lebens gelangt, die auch unseren Planeten und alles, was in ihm und auf ihm ist, erhalten und zur Evolution führen.
Gott wollte für die Erde und für jedes Seiner Menschenkinder nicht Zerstörung, Leid, Not und Schrecken, sondem die Evolution. Die Menschheit jedoch hat Seine Mahnungen und Seine Hinweise nicht beachtet.

Inzwischen ist eingetreten, was der Herr vor jahren - auch in der vorliegenden Offenbarung - mahnend vor Augen gehalten hatte. Die Natur ist irreparabel zerstört; eine steigende Anzahl von Naturkatastrophen kündigt Schlimmes an; Welt und Menschheit stehen vor dem Zusanunenbruch. Aufgrund der Verunreinigung der Erde können nun die Hinweise Christi, die sich auf die Aufnahme von Heil- und Lebenskräften aus der Natur beziehen, in dieser Weise nicht mehr angewendet werden.
Doch die Welt des Materialismus und des ichbezogenen Strebens wird vergehen - so ist es offenbart, und so wird es geschehen. Ein weltweiter Umbruch nie dagewesenen Ausmaßes bahnt sich an. Aus der Asche des menschlichen Ichs und aus den Fluten negativer Energie, die der Mensch durch die Mißachtung der Gebote Gottes schuf, wächst ein geistig orientiertes Zeitalter empor, ein neues Menschentum, das die Gebote der Himmel erfüllt. Nach Chaos und Zerstörung, welche die Wirkungen der von der Menschheit über jahrtausende geschaffenen Ursachen sind, wird sich auf der gereinigten Erde das Friedensreich Jesu Christi weltweit ausbreiten.
Was im Geiste Gottes, in der Nachfolge des Nazareners, in der Erfüllung des Gesetzes Gottes aufgebaut wurde, also im Willen Gottes entstand, wird auch in der konunenden Lichtzeit Bedeutung haben. Das gilt auch für die hier vorliegende große Christusoffenbarung aus dem jahre 1986.
Auf der neuen, lichten Erde wird es wieder so sein, wie es ursprünglich war. Die Natur wird gesund sein und auch die Naturkörper, die Menschen. Dann wird die Fülle offenbar werden, mit der Gott über die Natur - für uns, Seine Kinder im Erdenkleid, sorgt. Dieses Buch wird dann ein historisches Werk sein.

Christusfreunde im Universellen Leben   Altfeld, im März 2006

Vorwort
Gott zum Gruß, liebe Brüder und Schwestern!
Im Geiste des Herrn sind alle Brüder und Schwestern. Da ich mich aus dem Geiste des Herm offenbare, nenne ich auch alle Menschen meine Brüder und Schwestern, einerlei, welcher Gesinnung sie sind.
Mein Name ist Bruder Emanuel; so werde ich auf Erden im Werk des Herrn, dem Universellen Leben, genannt. Meine Wesenheit ist ein Gesetzeshüter vor Gottes Thron, der Cherub der göttlichen Weisheit.
Die folgende Offenbarung 'Ursache und Entstehung aller Krankheiten' ist das Wort Christi an alle Menschen. Sein Wort strömt durch Sein Instrument, das Er Seine Prophetin nennt. Das Wort Gottes ist das Ich Bin; denn Gott, das Leben, das Ich Bin, ist alles in allem.
Die Offenbarung des Herrn gibt Einblicke in das Fallgeschehen und tiefe Erkenntniße aus dem Gesetz von Saat und Emte, das Kausalgesetz. Sowohl das ewige Gesetz wie auch das Kausalgesetz spiegeln die Gerechtigkeit Gottes wider. Da alles Strahlung ist, so beruhen auch beide Gesetze, das ewige Gesetz und das Kausalgesetz, auf kosmischer Strahlung. Deshalb kann im Wort nie wiedergegeben werden, was die feinste Strahlung refiektiert. Worte sind Symbole oder Begriffe. Wer tiefere Einblicke in die Worte erlangen möchte, wer also ihren Sinn erfaßen möchte, der muß die Worte, die nur Symbole und Begriffe sind, aufschlüßeln, sie dem Sinn nach erfaßen.

Christus, der Erlöser aller Menschen und Seelen, legt in Seiner Offenbarung 'Ursache und Entstehung aller Krankheiten' dar, wie und wodurch der Mensch Ursachen schuf und schafft, wie die Ursachen wirksam wurden und werden, was daraus entstanden ist und im weiteren zu entstehen droht.
Christus, der Inspirator dieser Offenbarung 'Ursache und Entstehung aller Krankheiten' wiederholt einige Male wesentliche Erkenntniße, wobei Er die Darlegungen immer wieder aus einer anderen Perspektive beleuchtet, damit der Leser den Sinn erfaßen kann denn es sind vielfältige Ursachen und Wirkungen, die zu Sorge, Not, Krankheit und Leid führen. Möge jeder für diese Wiederholungen Verständnis haben. Jeder erfaßt beim ersten Lesen eine Gesetzmäßigkeit. Wird sie jedoch von einigen Seiten beleuchtet und mehrmals wiederholt, kann sie tiefer in den Leser eindringen, in der Tiefe erfaßt und auch verwirklicht werden.
Diese Offenbarung soll die ganze Menschheit zum Nachdenken anregen und den einzelnen ansprechen, mit seinem Leben Ernst zu machen - sowohl in Gedanken und Worten als auch im Handeln.
Mögen viele Bruder und Schwestern zur Erkenntnis erwachen und die Gesetze verwirklichen, auf daß Licht werde in dieser Welt!

Friede allen Menschen und Wesen!
Bruder Emanuel, der Cherub der göttlichen Weisheit

Gott schuf den Himmel und die Erde
Gott ist Geist in Mir, dem Christus, dem
Erlöser der Menschheit, der das Wort,
diese Offenbarung, ist.
Aus dem Geiste des ewigen Vaters entstanden die reinen Himmel, die himmlischen Wesen und die geistigen Naturreiche.
Gott schuf den Himmel. Die Erde und alle teilund vollmateriellen Sonnen und Welten gingen aus dem Fall hervor.
Die verdichteten Formen sind verdichteter Geist.
Gott ließ aus Liebe zu Seinen Fallkindern die Verdichtung des reinen Geistes zu, um den Abtrünnigen Wohnung, Nahrung und alles, was der menschliche Körper das Haus der Seele benötigt, zu gewähren. Deshalb heißt es: Gott schuf den Himmel und diese Erde.
Der Geistkörper - in seiner belasteten Form 'Seele' genannt - kommt aus den ewigen Himmeln, dem Gesetz, Gott. Er besitzt alle geistigen Substanzen der Unendlichkeit und ist daher ein Mikrokosmos im Makrokosmos, ein Wesen aus der Ewigkeit. Er ist deshalb auch von Ewigkeit zu Ewigkeit also unvergänglich.
Der irdische Körper, der Mensch - das Haus der Seele - ist von der Erde und besitzt auch nur die Substanzen dieser Erde. Daher ist er, wie die Erde selbst, nur begrenzt lebensfähig. Die Materie ist grobstofflich und in ihren Formen relativ und vergänglich.

Der irdische Leib, die grobstoffliche Hülle, der Mensch, das Haus der Seele, ist nur durch den ewigen Geist, Gott, lebensfähig. Der Geist, Gott, ist das Leben in allen feinstofflichen und grobstofflichen Seinsformen.
Ohne den Geist, Gott, das Leben, kann keine Form existieren. Das Leben offenbart sich in vielfältigen Formen, sowohl in den Wesen der Himmel wie auch in Seelen und Menschen, in Mineral-, Pflanzen und Tierreichen.
Alles Leben ist die Offenbarung Gottes.
Der Geist, Gott, wird auch die Urenergie genannt, da Gott urewig ist. Sein Wirken ist unbegrenzt. Der Geist, Gott, ist allgegenwärtig - unerfaßbar und ewig schöpferisch.

Die reinen geistigen Wesen und Formen
sind der Ausdruck des ewigen Geistes -
die materiellen werden von Ihm erhalten
Der Schöpfergeist, Gott, die Urenergie, brachte und bringt die geistigen Formen hervor, die auch die reinen Seinsformen genannt werden.
Die Himmel mit ihren reinen Wesen und geistigen Formen sind der Ausdruck des Ewigen. Alle materiellen Formen werden vom ewigen Geist, dem göttlichen Aetherstrom, erhalten.
Sämtliche geistigen Formen besitzen den vollentwickelten Wesenskern oder Wesenskeim. Beide sind
'Schaltstellen' für den einfließenden göttlichen Strom, die göttliche Energie, auch Aetherstrom genannt.
Der in den himmlischen Mineralien, Pflanzen und Tieren erst teilweise enffaltete Wesenskeim entwickelt sich hin bis zum vollkommenen Wesenskern, der in den reinen Geistwesen voll entwickelt und aktiv ist.
Das reine Geistwesen ist sodann als geistige Form das Absolute Gesetz selbst.
Die Seele ist ebenfalls ein reines geistiges Gebilde nur von Hüllen umgeben, welche die Belastungen widerspiegeln, die von den Partikeln des Geistleibes aufgenommen wurden. Wenn die Seele ihre Kleider, die Hüllen, ihre Belastungen, abgelegt hat, dann ist sie wieder zum reinen Geistwesen, zum komprimierten ewigen Gesetz geworden. Es kehrt wieder zurück ins Vaterhaus. Auch im Zustand der Einverleibung wird der Geistkörper Seele genannt.
Der Mensch besteht daher aus einer Drei-Einheit: aus Geist - auch Urenergie genannt -, Seele und dem grobstofflichen Körper. Diese Drei-Einheit wird Mensch genannt.
Der Geistleib ist in seinem belasteten Zustand von sieben ätherischen Grundhüllen umgeben. Sie spiegeln die Belastungen der Seele wider und zeichnen und prägen den Menschen. Da sich jede Grundhülle in jeder anderen widerspiegelt, ergeben sich sieben mal sieben Spektren der Seele. Jede Belastung hat ihre Farbe und ihren Klang im Orchester des Satanischen.

Die Belastungen die Farben und Töne prägen und zeichnen also den physischen Körper. Der Mensch ist somit der Ausdruck, die Außtrahlung der Seele. Er ist Klang und Melodie entsprechend seinem Bewußtseinßtand, seiner Belastung.
Das reine Sein, die ewigen Himmel, besteht, wie alles in der Unendlichkeit, aus geistigen Atomen. Die Materie besteht aus materiellen Atomen und Molekülen. Alles Sein sowohl das rein geistige wie auch das teilmaterielle, das materielle und die Reinigungsbereiche wird vom ewigen Geist, der Urenergie, über den Kern der geistigen und materiellen Atome beatmet, das heißt mit Lebenskraft versorgt. Auf diese Weise werden auch alle Lebensformen zusammengehalten.
Das ehemalige Geistwesen, als Seele in die Hülle 'Mensch' eingekleidet, hat seine ehemals feinen Aetherschwingungen zuerst durch das Ansinnen, sein zu wollen wie Gott, heruntertransformiert. In der allmählichen Umhüllung und Verdichtung hin bis zum Menschen transformierte das umhüllte Geistwesen und dann auch noch der Mensch die göttlichen Kräfte mehr und mehr herunter, durch immer weiter fortgesetztes gesetzwidriges Empfinden, Denken, Sprechen und Handeln. Die feinsten Aetherströme wurden immer gröber und wurden zuletzt zur Grobstofflichkeit, zur Materie. Auf diese Weise entstand in jahrmilliarden die Materie.

Als der Ewige, auch Allgeist genannt, das All belebte und die reinen geistigen Sonnen, Welten und Geistwesen schuf, schenkte Er den Geistwesen, Seinen Kindern, Sein Erbe als Eßenz. Das heißt: jedes Geistwesen der Himmel ist das Gesetz und hat somit als Eßenz die Unendlichkeit in sich in seiner geistig-atomaren Struktur.
Dadurch bleiben die Geistwesen im Einheitsbewußtsein, in Gott. Sie empfinden und handeln aus dem Gesetz, Gott, heraus. Was sie empfinden, ist Gottes Urempfindung. Was sie vollbringen, ist Gottes Tat.

Auf diese Weise sind sie beständig eins mit Gott. Gott lebt durch sie, und sie leben das Gesetz, Gott. Dadurch sind sie des Vaters Ebenbilder, Gottes Ausdruck.
Bron: www.das-wort.com/nederland

terug naar het overzicht

John Newbrough - Oahspe

Samenvatting Oahspe door Willemien Bessem


John Newbrough
Een blik op de relatie tussen de geziene en de ongeziene wereld
Oahspe is een opmerkelijk boek, waarin de gebeurtenissen op aarde en in de hemelen vanaf het begin van hun schepping worden besproken en de oorsprong van grote leraren en religies worden onthuld. Het boek geeft inzicht in het leven op aarde en de relatie van de Schepper met de mens en het universum. De teksten zijn wonderbaarlijk consistent en de lezer wordt niet gevraagd te geloven, maar alleen de directe ervaringen als basis voor wijsheid en kennis te laten dienen. Daarbinnen zin vrijheid, discipline en harmonie van groot belang om talenten tot volledige ontwikkeling te laten komen. Sommigen zullen Oahspe zien als een aanvulling op wat men aanduidt als heilige boeken, maar Oahspe is in de eerste plaats bedoeld om meer inzicht te geven in de betekenis van het leven.

In l88l kreeg de Amerikaanse tandarts en medium J.B. Newbrough de teksten van Oahspe door via automatisch schrift. Tien jaar lang had hij zich voorbereid op het tot stand brengen van de communicatie met entiteiten die hem veel meer konden vertellen over de zin van het leven dan zijn overleden familieleden of vrienden, die hij van kind af aan altijd al kon horen en zien. Twee keer per dag nam hij een bad, mediteerde elke morgen vroeg in de stilte van zijn zolderkamer, werd vegetariër en stond klaar voor alle mensen om hem heen.
Na deze periode van zuivering waarin hij overtollig lichaamsgewicht en reumatische pijnen kwijtraakte, kregen zijn handen een nieuwe vaardigheid. Hij kreeg opdracht de toen net uitgevonden schrijfmachine aan te schaffen en stond elke morgen voor zonsopgang op, waarna zijn handen vijftien minuten lang driftig de toetsen aansloegen. Terzelfder tijd zag hij een lichtbundel op zijn handen vallen en drie paar gematerialiseerde handen boven zijn hoofd verschijnen.
Dit proces herhaalde zich 50 weken lang, waarna het werk was voltooid en hij voor het eerst de doorgegeven teksten mocht lezen. Gedurende deze tien jaar en daarna heeft J.B. Newbrough altijd zijn tandartsenpraktijk voortgezet. In l882 verscheen de eerste druk in New York, waarna nog negen edities volgden. Vijf edities werden uitgegeven in Londen en één editie in Sydney. Tien jaar heeft Dr. N.D. Bessem aan de Nederlandse vertaling gewerkt, die eind 1996 is verschenen.
Wanneer iemand dit boek van meer dan 1000 bladzijden onder ogen krijgt is meestal de eerste vraag naar de betekenis van het woord Oahspe. O is hier het symbool voor de eeuwigheid, AH voor aarde, SP zijn de geestelijke entiteiten die zich in de atmosfeer bevinden en E staat voor geestelijke entiteiten die zich in de ether bevinden. Wanneer men vervolgens het boek openstaat, komen woorden als Schepper, Jehovih, God of Lord veelvuldig voor, maar zij hebben in dit boek een andere betekenis dan
meestal eraan gegeven wordt.
In de duizenden jaren, die in dit boek beschreven worden, zijn er er verschillende namen aan Hem gegeven die wordt gezien als de Schepper, het allesomvattende onpersoonlijke leven, de 'Ik ben'. Eerst werd Hij door de volkeren E-o-ih genoemd, als het geluid van de wind en daarna komen namen als, Eolin, Eloih, Elgoquim, Jehovih, I'hua, Mazda, Ormazd, Great Spirit naar voren.
De namen God of Lord worden in dit boek niet gebruikt voor de Schepper, maar zijn benamingen binnen de hemelse hiërarchie (1) van zeer ontwikkelde geestelijke entiteiten, die door de Schepper voor een bepaalde tijd worden aangesteld om de mensen op aarde en de hemelen daaromheen te regeren en bij te staan.
Oahspe bestaat uit verschillende boeken. Sommige ervan staan op zichzelf en er worden opmerkelijke leerstellingen in besproken op het gebied van metafysica, kosmogonie, riten, ceremoniën, profetieën en de oorsprong van de taal. Het grootste deel echter van de boeken beschrijft de geschiedenis in perioden van telkens drieduizend jaar, die een seizoen worden genoemd. De gebeurtenissen in de hemelen beslaan het bovenste gedeelte van de bladzijden, terwijl de gebeurtenissen op aarde op het onderste gedeelte worden beschreven.
Oahspe begint met het verzoek van de mens aan de Schepper hem uitleg te geven over de betekenis van het leven. De mens ziet dat hij weinig kan doen en alles heeft gekregen. Hij ziet ook de grootsheid van zijn Schepper, maar is toch niet gelukkig en strijdt met de verschillende krachten die op zijn lichaam en geest inwerken. Waar de mens ziet dat de gemeenschap op zoveel gebieden tegenstrijdig is en hij inzicht mist in de eenheid achter deze schijnbare dualiteit, smeekt hij de Schepper om te spreken en hem kennis over vrede en harmonie te geven.

De Asu en de I'hin
Hierna onthult de Schepper de betekenis van de drie grote werelden die Hij heeft geschapen: de aarde, de atmosfeer en de ether; ook wordt de baan van de aarde beschreven, reizend door verschillende etherische gebieden. Om de drieduizend jaar passeert de aarde een nieuw etherisch gebied en krijgen stervelingen op aarde weer tekenen uit de ether en wordt er elk seizoen een andere God aangesteld door de Schepper, die samen met zijn Lords en engelen de mensen op aarde bijstaan.
Het boek Sethantes vertelt over de eerste God en zijn hemelen. De Lords beschrijven in hun eerste boek de ontwikkelingen op aarde en het ontstaan van het eerste menselijke ras, de Asu. Zij vermengden zich met engelen, die zich materialiseerden op aarde om de mensen te onderwijzen, en uit hen kwam het ras de I'hin voort, die in staat waren de geest en de schepping te begrijpen.
Naast deze twee rassen bestaan de Druk, een ras dat geen inzicht heeft in het geestelijke leven en geen schaamte kent. De I'hins trachtten de Druks te onderwijzen, maar dezen begrepen hen niet en vielen hen zelfs aan. De Lords verbanden hierop de Druks uit het gebied van de I'hins. Dit hele verhaal toont veel opmerkelijke overeenkomsten met de verhalen in de bijbel (2). In die tijd wordt het verschil tussen goed en slecht duidelijk, maar in de woorden van de Schepper wordt slechts gesproken van rijp en onrijp.
Aangezien de verschillende rassen toch weer tot elkaar komen, vragen de vrouwen aan de Lords hoe zij kunnen herkennen welke mannen van oorlog zijn en welke niet. De mannelijke I'hins krijgen dan de opdracht zich te laten besnijden, zodat de vrouwen hen kunnen herkennen. Wanneer de Druks in de winter het voedsel van de I'hins stelen, begrijpen ze niet waarom dit kwaad hen moet overkomen. De Lords zeggen hierop dat zij zich moeten ontwikkelen door ook het kwaad onder ogen te zien om tot grotere inzichten te komen. Hen wordt uitgelegd dat de mens bestaat uit twee entiteiten: het vlees dat verlangt naar het aardse en de geest die hunkert naar spiritualiteit. Uiteindelijk dient de geest met zijn eeuwig karakter te overwinnen en meester te worden van de materie, die vergankelijk van aard is. De I'hins leerden de Druks daarop hoe zich te ontwikkelen en in harmonie te leven. Ze vermengden zich en hieruit ontstonden de I'huans, een groot, sterk ras met koperkleurige huid. Niet lang hierna in dezelfde periode gaan de mensen met hun lippen spreken en geeft de Schepper de opdracht een steen te maken die hij zelf bewerkt. Dit tablet wordt Se'moin genoemd en is de basis voor de eerste taal op aarde.
Als het tweede seizoen in aantocht is, worden de Lords en engelen afgelost en beschrijven de nieuwe Lords in het tweede boek dat zij de opdracht krijgen van de Schepper de mensen alleen te laten; zij moeten leren zichzelf te ontwikkelen. Er komt grote duisternis over de aarde en er ontstaan grote hongersnoden waardoor veel Druks en Yaks (een vermenging tussen de Druk en de Asu) sterven. Uiteindelijk kunnen de mensen niet langer de stemmen van de engelen horen en gaan zij als beesten leven. De Lords komen echter terug en leiden de mensen opnieuw op om in harmonie en wijsheid te leven. Ook in de zestien hiernavolgende seizoenen wisselen tijden van licht en duisternis elkaar voortdurend af.

Zondvloed
Rond 24.000 jaar voor kosmon (3) (v.k.) worden voorbereidingen getroffen voor de zondvloed van het continent Pan (4). Dit continent was zo vervuild door de geesten van stervelingen die op aarde terugkeren, dat de kennis over de hogere hemelen verloren was gegaan. Deze geesten, drujas of foetals genaamd, zijn onwetend en klampen zich door hun aardse gehechtheid aan stervelingen vast. Deze geesten proberen te reïncarneren in het lichaam van een kind, waardoor de geest van het kind wordt verdrukt en er obsessies ontstaan. De Schepper besloot hierop de aarde en de hemelen te zuiveren van deze geesten en gaf zijn Lords en engelen de opdracht dit plan voor te bereiden. Enkele groepen I'hins op aarde, die wel de stem van de Schepper konden boren, werden geïnspireerd om grote vloten te bouwen. Na de zondvloed liep het continent Pan onder water en bleef er een klein stuk land over, dat nu Japan heet. De vloten met I'hins werden vijf verschillende richtingen opgedreven, namelijk naar Guatama, Shem, Jalleth, Ham en Yista. De verwarde geesten werden opnieuw opgeleid in sferen ver van de aarde, zodat zij de mensen op aarde niet langer konden lastigvallen. Ook de volgende duizenden jaren kent de aarde weer perioden van duisternis die wordt gevolgd door tijden van vrede en harmonie.
De I'huans worden inmiddels ook betrokken bij het onderwijs over de Schepper of de Grote Geest, omdat zij in de kosmontijd het grootste gedeelte van de aarde zullen bewonen. De ontwikkeling van de I'huans in Gautama (Amerika) wordt beschreven, alsmede het feit dat zij de eerste vleesetende mensen waren die de stem van de Grote Geest konden horen. De oorspronkelijke volkeren in Gautama zijn van die tijd tot twee eeuwen geleden zuiver en onaangetast gebleven en eerden alleen de Great Spirit. De rest van de wereld kreeg echter al veel eerder te maken met valse goden en religies, die oorlog propageerden waardoor hun opgebouwde beschavingen telkens ten onder gingen.

De eerste zeer zuivere sterveling
In het boek Gods Woord, 8900 v.k. vertelt de God die op dat moment is aangesteld, over de voorbereidingen op aarde en de geboorte van de eerste zeer zuivere sterveling. De Schepper inspireerde de zuiverste dochters van de I'huans om zich te geven aan de zuiverste mannelijke I'hins waaruit nakomelingen voortkwamen. Pas in de zesde generatie werd een kind geboren dat de gave van Su'is (helderhorend-helderziend) en Sar'gis (materialisatie) had. Hij wordt in Par'si'e (Perzie) geboren en Zarathustra genoemd. Zijn moeder Tooche bevond zich tijdens haar gehele zwangerschap in een onbewuste trancestaat, terwijl haar ziel verrijkt werd in de hogere hemelen.
Al snel nadat haar kind was geboren, vluchtte zij het woud in, aangezien de koning onrustig werd over de geruchten rond dit bijzondere kind. Hij gaf de opdracht alle jonge mannelijke kinderen te doden, toen zijn dienaren Zarathustra niet konden vinden. Zarathustra groeide op in het woud en woonde ook enige tijd bij de I'hins, de heilige mensen, waardoor zijn wijsheid en kracht toenamen. Op een dag brengt hij de wetten die hij van de Schepper had gekregen naar de heersende zonnekoning Asha in het land van Oas. Vele vragen en antwoorden komen vervolgens aan de orde tussen koning Asha, Zarathustra en de Schepper. Zarathustra doet wonderen, die volgens hem alleen maar zo worden genoemd door mensen die de natuurlijke werking van deze fenomenen nog niet kennen.
Koning Asha krijgt zoveel bewijzen en inzichten van wijsheid dat hij de wetten van Zarathustra over de hele wereld laat verspreiden en vervolgens zijn eigen koninkrijk opgeeft om tussen de armen te gaan leven. Zijn opvolger is echter zeer wreed en noodzaakt Zarathustra en Asha te vluchten. Zij reizen vele jaren door de landen Jaffeth, Shem en Ham om de mensen te onderwijzen over de eeuwigheid van hun geest en de eenheid van het leven. Teruggekomen in Oas wordt Zarathustra opgepakt en aan zijn voeten opgehangen. De zonnetempel scheurt in tweeën en de stadsmuren vallen om; ook zijn eigen dood gebeurt op de manier zoals voorspeld. Nadat hij zijn lichaam had verlaten, materialiseerde hij zich nog enkele keren om opnieuw uitleg te geven over tal van onderwerpen, die ook in deze tijd nog van toepassing zijn (5).
Rond 5800 v.k. worden er vier grote profeten geboren, Po in Jaffeth (China), Abraham in Arabin'ya (Egypte en Afrika), Brama in Vind'yu (India) en Eawahtah in Gautama (Amerika). Allen worden geboren uit de zuiverste zielen tussen de I'huans en I'hins die gedurende zes generaties werden geïnspireerd door het hoogste licht. Allen brachten de mensen kennis, wijsheid en vertrouwen en vertelden over de eenheid van de schepping en het eeuwige geestelijke leven. De gelovigen, die alleen de Schepper eren, leefden volgens de regels van deze profeten in dorpen met niet meer dan 2000 mensen en kozen de wijste man van het dorp als hun woordvoerder. Niemand was superieur aan een ander en men trachtten te allen tijde zijn hoogste licht te volgen. In tijden van duisternis werden deze gelovigen vaak vervolgd door nieuwe machthebbers en religies, die hen aan zich wilden onderwerpen.
In het boek Oorlogen tegen de Jehovih wordt uitgebreid ingegaan op de vaak zeer hoogontwikkelde geestelijke entiteiten, die zich afkeren van de Schepper en gegrepen worden door ijdelheid en macht. Zij doen zich voor als de god of de lords van zeer populaire, maar wel reeds overleden profeten en beloven de mensen pracht en praal in hun hemelse koninkrijken.
Als zij meer aanhang en vertrouwen hebben gewonnen, blijkt al snel dat hun eisen verdeeldheid zaaien tussen de mensen en oorlogen tot gevolg hebben. Sommige goden en lords gaan zo ver dat zij er een spel van maken om zoveel mogelijk aardse steden tegen elkaar uit te spelen om de geesten van de overledenen vervolgens tot slaven te maken voor hun eigen hemelse koninkrijken.
In dit boek worden de verschillen tussen de leringen van hen, die zich door het licht laten leiden en hen die zich door macht en ijdelheid laten leiden, zeer duidelijk weergegeven. De inspiraties van de afvallige goden zijn vaak de basis van heilige geschriften, die verdeeldheid kweken tussen de mensen en onwetendheid prijzen. Ook de effecten van het opzettelijk ontnemen van de vrijheid van een medemens door hem te misleiden of hem tot slaaf te maken, komen hier duidelijk naar voren. Na een aantal eeuwen gaan de koninkrijken van deze goden meestal ten onder als hun onderdanen ontdekken jarenlang misleid te zijn. Deze goden krijgen dan veel woede en wraakgevoelens op zich gericht, waarvan ze zich nauwelijks meer kunnen losmaken. Maar ook zij kunnen ten slotte weer groeien en hun weg naar harmonie en vrede vinden, nadat eerst alle zielen die zij hebben misleid, met hun hulp zijn verlost van wraak, woede, verdriet, zodat ze elkaar kunnen vergeven en zichzelf kunnen ontwikkelen.
Na een periode van duisternis worden er rond 3400 v.k. opnieuw drie profeten geboren, die geïnspireerd zijn door het hoogste licht om de mensen bij te staan. Mozes in Egypte, Capilya, wetgever in India en Chine in het land dat naar hem is vernoemd, China. Opnieuw komen er vele levensvragen aan de orde en wordt de geschiedenis van deze profeten verhaald.

Boeddha, Confucius en Jezus
In het boek Eskra komen we steeds dichter bij de geschiedenis zoals wij die kennen; hierin wordt verhaald over de geboorte van de zeer zuivere Sakaya (Boeddha) en Ka'yu (Confucius). Na hun dood ontstonden er religies geïnspireerd door hun leven, maar vanuit een heel ander perspectief. De heersende machthebbers gebruikten de heilige boeken om er ook hun wetten en eisen in op te nemen en zo het volk aan zich te onderwerpen. In deze tijd wordt de bouw van de Chinese muur geïnspireerd als een monument voor de gelovigen, die door de aanhangers van de destijds heersende religies werden aangevallen. De strijd tussen machtige afvallige goden was in volle gang; in India en China werden duizenden boeken en stenen tafels vernietigd, terwijl er tegelijkertijd werd gestreden om de macht in Italië. In deze onrustige tijd werd Joshu (Jezus) geboren, begeleid door de geest Mozes en Elias en door honderden andere engelen die de communicatielijn met het hoogste licht nauwlettend beschermden. Al snel na de dood van Joshu doet de entiteit Looeamong zich voor als de god van de christenen en brengt velen eeuwenlang in onwetendheid.
De entiteit Thoth, die eerst samenwerkt met Looeamong, keert zich uiteindelijk in woede van hem af, nadat hij ontdekte dat zijn meester hem had misleid. Hij besloot het rijk van Looeamong te vernietigen en trachtte dit te doen door Mohammed te inspireren tot het stichten van een nieuwe religie, die een vijand zal zijn voor de christenen. In die tijd woedden er zowel op de aarde als in de hemel en rond Europa, Heleste, Egupt en Par'si'e vele oorlogen. De verhalen in de boeken Eskra en Es geven veel nieuwe en verhelderende inzichten, vooral over de religieuze geschiedenis zoals wij die kennen.
In de boeken Inspiratie en Beoordelingen geeft de God, die zich voorstelt als onze oudere broeder,
kennis en wijsheid uit zijn ervaring. Hij bespreekt vele handelingen en gedachten van de mens en legt uit wat voor effect deze hebben op ons lichamelijk en geestelijk welzijn. Er staan aanbevelingen in over hoe wij het beste kunnen leven en die zowel voor het verstand als het gevoel logisch zijn, maar waarvan een aantal suggesties zeer verschillen van geaccepteerde maatschappelijke normen en waarden van nu. Het voeren van oorlog of enige deelname aan het mogelijk maken of goedkeuren van oorlog op wat voor manier dan ook, wordt sterk veroordeeld, aangezien dit duisternis creëert op aarde en in de hemelen. De geesten van oorlogsslachtoffers zijn vaak zo overmand door angst, wraak of verdriet, dat zij zeer moeilijk zijn te bereiken door de geesten van vrienden of familie, die hen trachten te bevrijden uit hun zelfgecreëerde duisternis.
Het laatste boek 'Jehovihs koninkrijk op aarde' schept een toekomstbeeld waarin mensen, die volledig geleid door hun inspiratie en vertrouwen in de Schepper, kinderen uit tehuizen halen en hen opvoeden met liefde en discipline. De kinderen behouden hun gaven van helderzien en -horen en kunnen communiceren met de engelen die hen komen onderwijzen. Iedereen zal leven volgens de voorschriften van de Schepper door een omgeving te scheppen, waarin zijn geest en zijn talenten tot volledige groei kunnen komen. Wanneer deze kinderen op latere leeftijd uitstapjes maken naar de grote steden, begrijpen ze niet waarom de rijken van geest op straat leven en de armen van geest in dure auto's rijden. Het lijkt wel een omgekeerde wereld, merken zij op.

De Nederlandse Vertaling
Tien jaar geleden, toen mijn vader aan zijn vertaling begon, zag ik dit boek voor het eerst. Tot mijn grote verbazing kostte het mij geen moeite, maar verheugde ik me er telkens op in dit boek te kunnen lezen. In tegenstelling tot vele andere heilige geschriften, waarvan ik de vele tegenstrijdigheden vaak niet begreep, waren deze consistente verhalen op zichzelf al een bewijs voor mij dat de tekst geïnspireerd was door een bron van grote kennis, wijsheid en liefde. Hoewel er gegevens in staan, die ik met mijn verstand nog niet volledig kan begrijpen en met het oog niet zijn waar te nemen, heb ik iets van de inhoud kunnen toetsen aan mijn eigen ervaringen met de ongeziene wereld. Zij, die ons zijn voorgegaan, zouden met alle liefde willen zien dat de mens zich ervan bewust wordt dat de dood slechts een overgang is en dat de ontwikkeling van de geest in het aardse leven van het grootste belang is, dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze daden en gedachten en dat we tijdens de communicatie met zieners, goeroe's of entiteiten van de ongeziene wereld, vooral naar de vruchten van hun wijsheid en suggesties moeten kijken. Het in balans brengen van alle invloeden en ervaringen die de mensen op hun weg ontmoeten is niet altijd gemakkelijk, maar door vooral het geleerde in praktijk te brengen, ontstaat er ten slotte voor iedereen een toename van kracht, liefde en wijsheid.

Noten:
l. Alles ontstaat vanuit de Schepper, die een zeer ontwikkelde entiteit inspireert om voor één seizoen over de aarde en zijn hemelen te regeren. Hij of zij wordt God genoemd. Vervolgens heeft God een aantal Lord Gods, die over een bepaald gebied op aarde de verantwoordelijkheid hebben gekregen en op hun beurt weer leiding geven aan Lords en engelen. In religieuze geschriften wordt vaak gesproken over de Lords van het Licht en de Lords van de Duisternis.
2. Adam is het Par'si'sche woord ontleend aan het Vedische woord Asu, dat mens betekent. De Asu heeft vervolgens gemeenschap met Eva, de geest uit wie de I'hins voortkomen. Later kunnen de I'hins vergeleken worden met Abel, terwijl de Druks Kaïn voorstellen, die door de Lords worden weggestuurd, nadat zij hun medemens hadden aangevallen.
3. Dit tijdperk is volgens Oashpe op 3l-3-l848 ingegaan, waarna er een tijd is gekomen dat de Schepper niet slechts een enkele profeet stuurt om de mensen te onderwijzen, maar velen op aarde wijsheid en helderheid geeft.
4. De zondvloed van het continent Pan, ook Whaga genoemd, zal in de kosmontijd ontdekt worden en geeft een groter inzicht in het verhaal van de Ark van Noach. De zonen van Noach heten Sem, Cham en Jafeth. Deze namen komen overeen met drie van de vijf gebieden waar de vloten van de I'hins naartoe dreven, te weten Sheni (India), Ham (Egypte, Afrika) en Jaffeth (China).
5. Vele gebeurtenissen uit Zarathustra's leven, beschreven in Oahspe, komen veelvuldig voor in verhalen over de profeten in christelijke, hindoestaanse, boeddhistische, islamitische en andere heilige geschriften.

Oahspe is verkrijgbaar bij Stichting Oahspe; tel: 070-3280710
E-mail: info[at]mediumschap.com
Internet: www.mediumschap.com of bij de boekhandel ISBN 9080345717

terug naar het overzicht

Het Urantia Boek - Het boek van de Aarde


het Urantia boek
Het Urantia Boek behandelt de volgende onderwerpen:
- het wezen en de natuur van God en Zijn relatie met het universum;
- ontstaan, geschiedenis en toekomst van het universum;
- ontstaan, geschiedenis en toekomst van de Aarde (in het boek Urantia);
- ontstaan, geschiedenis en toekomst van de mens;
- oorsprong, evolutie en toekomstige opgaven voor religie, kerk en staat;
- het leven en onderricht van Jezus.

De boodschap van het Urantia Boek is dat alle mensen één familie zijn, zonen en dochters van één God, de Universele Vader. Het Boek geeft inzicht in het ontstaan, de geschiedenis en de bestemming van de mensheid en in onze relatie met God. Het geeft eveneens een uniek en fascinerend verslag van het leven en de leringen van Jezus, waarbij nieuwe inzichten in tijd en eeuwigheid worden geboden, en nieuwe concepten worden onthuld van het eeuwige opklimmings-avontuur waarbij de mens de Universele Vader vindt in ons vriendelijke en zorgvuldig bestuurde universum.
De visie van het Urantia Boek op wetenschap, filosofie en religie is misschien wel de duidelijkste en meest precieze integratie van die onderwerpen die beschikbaar is voor de hedendaagse mens: Het Urantia Boek heeft het vermogen een belangrijke bijdrage te leveren aan het religieuze en filosofische gedachtegoed van alle volken; het bezit waarlijk het potentieel tot vormgeving van de bestemming van de wereld.
Steeds opnieuw hebben mensen over de gehele wereld ontdekt dat het Boek een diepe indruk heeft gemaakt en hun leven heeft veranderd. Het heeft hen geïnspireerd en gestimuleerd om nieuwe niveaus van geestelijke groei en van verbeterde leefwijzen te bereiken.
Terwijl bijna elke generatie wel een aantal mensen voortbrengt die zich opwerpen als de dragers van een 'nieuwe openbaring', is het verrassende van Het Urantia Boek dat het geen nieuwe georganiseerde religie bepleit. De gezichtspunten in het Boek bouwen voort op de religieuze erfenissen van verleden en heden, en zijn een aanmoediging voor een persoonlijke levende religie, gebaseerd op geloofsvertrouwen en dienstbaarheid aan de medemens.

De oorsprong van het boek
In het begin van de twintigste eeuw werd een arts die zijn praktijk uitoefende in Chicago het hoofd van een groep die bekend staat als de Contact Commissie. Deze kleine groep was het aanspreekpunt voor en de eerste beheerder van, de uiteindelijke tekst van Het Urantia Boek. De leden hadden beloofd nooit details over de gang van zaken te zullen onthullen, zodat toekomstige generaties ervan zouden worden weerhouden de leden te aanbidden. Het werd als belangrijk aangemerkt dat geen enkel individu zou worden vereerd vanwege zijn of haar betrokkenheid bij Het Urantia Boek. Met zijn karakter van openbaring rust het Boek geheel op zijn eigen verdiensten, aard en inhoud.
Terwijl de inhoud van Het Urantia Boek werd overgedragen, werden de individuele verhandelingen (de Urantia Papers) voorgelezen aan 'The Forum', een groep die regelmatig in het huis van de arts bijeenkwam voor discussie; tevens werd 'The Forum' verzocht vragen te formuleren. De antwoorden op die vragen werden daarna in de tekst geïncorporeerd. Deze vroege lezers vormden de eerste kerngroep van mensen die geloofden in de openbaring en werden toegewijd aan de missie om de leringen van Het Urantia Boek onder de gehele mensheid te verspreiden.

Inhoud van het boek
Deel I: Het Centrale Universum en de Superuniversa
Deze eenendertig Verhandelingen beschrijven de natuur en eigenschappen van God, Gods relatie met de individuele mens, Gods relatie met het Universum, de werelden van het Paradijs, de organisatie en werking van het centrale universum en de superuniversa, de persoonlijkheden van het groot universum en de hoge bestemming van evolutionaire stervelingen zoals U.

Deel II: Het Plaatselijke Universum
Een plaatselijk universum is het handwerk van een Schepper-Zoon van de Paradijs-orde van Michael. Het telt honderd constellaties, die elk honderd stelsels van bewoonde werelden omvatten. Ieder stelsel zal uiteindelijk ongeveer duizend bewoonde werelden bevatten. Onze wereld, Urantia, behoort tot een plaatselijk universum welks soeverein is Michael, de Zoon van God en de Zoon des Mensen, in deze wereld bekend als Jezus van Nazareth.
In het Centrale Universum is de Universele Vader (God) persoonlijk aanwezig; in de universa en planeten in de ruimte wordt onze Vader vertegenwoordigd door zijn Soevereine Zonen, terwijl hij op de meest intieme wijze aanwezig is in het bewustzijn van zijn sterfelijke kinderen, door de tegenwoordigheid van de Gedachtenrichters die in het bewustzijn van deze wilschepselen verblijven. Deze vijfentwintig Verhandelingen die Deel II vormen, vertellen het verhaal van de opklimmingcarrière van de mens, aansluitend op zijn eerste leven op de evolutionaire planeet.

Deel III: De geschiedenis van Urantia
Ongeveer 1 miljard jaar geleden had Urantia ongeveer zijn huidige omvang bereikt. Omstreeks deze tijd werd zij in de fysische registers van ons plaatselijk universum, Nebadon, opgenomen en kreeg zij haar naam: Urantia. De drieënzestig Verhandelingen die dit deel III vormen, behandelen de geschiedenis van onze planeet, de geologische ontwikkeling, het tot stand brengen van leven en de evolutie en geschiedenis van de mens, ontwikkelende beschaving, menselijke instituties en regeringen. Hier worden ook besproken: het Triniteits-concept, de evolutie van religie, de inwonende geest van God (de Gedachtenrichter), de overleving van persoonlijkheid, en de zelfschenkingen van Christus Michael.

Deel IV: Het leven en onderricht van Jezus
In deze 77 Verhandelingen wordt een van-jaar-tot-jaar verslag gegeven van het leven en onderricht van Jezus van Nazareth, de Zoon des Mensen, zijn kindertijd, jeugd, zijn vroegste reizen, persoonlijke en openbare werk, de keuze en de opleiding van de twaalf apostelen, zijn berechting, dood en wederopstanding. Deze biografie van Jezus neemt het (laatste) vierde deel van Het Urantia Boek in beslag. De eerste drie delen van het Boek omvatten een informatieve introductie, een algemene achtergrond, voor de daarop volgende indrukwekkende gebeurtenissen in dit goddelijk-menselijke leven van Jezus op onze planeet. Daarom is het verhaal over dit weergaloze leven, geplaatst in zijn kosmische betekenis-kader, terecht de climax en het passende besluit van de Urantia openbaring.
Het leven en de leringen van Jezus, in hun oorspronkelijke vorm en onbezwaard door tradities en dogma's, zijn veruit de best mogelijke hulp die de mens kan krijgen bij zijn eeuwenlange klim naar het Paradijs. "De grote hoop voor Urantia ligt in de mogelijkheid van een nieuwe openbaring van Jezus, met een nieuwe, meer omvattende presentatie van zijn reddende boodschap die de talrijke families van zijn hedendaagse belijdende volgelingen geestelijk zou kunnen verenigen in liefdevolle dienstbaarheid.".
"De tijd is rijp om getuige te zijn van de figuurlijke opstanding van de mens Jezus uit zijn graftombe te midden der theologische tradities en godsdienstige dogma's van negentien eeuwen... Welk een transcendente dienst zou het zijn, als door deze openbaring de Zoon des Mensen zou worden herwonnen uit het graf van de traditionele theologie en als de levende Jezus zou worden aangeboden aan de kerk die zijn naam draagt en aan alle andere godsdiensten!"

"De moderne tijd zal weigeren een religie te aanvaarden die niet klopt met de feiten en niet in harmonie is met haar hoogste opvattingen van waarheid, schoonheid en goedheid. Het uur is aangebroken voor een herontdekking van de ware, oorspronkelijke grondslag van het huidige vervormde, gecompromitteerde Christendom - het werkelijke leven en onderricht van Jezus."

Moderne beschrijving van de waarheid
Volgens de tekst van Het Urantia Boek staat onze planeet nu "bevend op de drempel van een van haar meest verbazingwekkende, boeiende tijdvakken van sociale herordening, zedelijke herleving en geestelijke verlichting". Het Urantia Boek is bedoeld als "Een nieuwe, vollediger openbaring ... om een rijk van materialistisch secularisme te veroveren en de wereldheerschappij van het mechanistische naturalisme omver te werpen." Er wordt ons gevraagd geduld te hebben in "deze dorre tijden van een materialistisch secularistisch tijdperk", maar wel met een enorm positief perspectief: de nieuwe waarheden zullen "glorieus een nieuwe, betere weg blijven verlichten". Velen zoeken vandaag zo'n nieuwe weergave die in gelijke mate aandacht geeft aan "de waarheden van de wetenschap, de filosofie en de geestelijke ervaring, en aan de schoonheden van de materiële schepping, de bekoring van ideële kunst en de grootsheid van echte karakterontwikkeling."
Het Urantia Boek bevat de helderste en meest beknopte integratie van al deze onderwerpen die op dit moment voor de mens beschikbaar is. Door al het werk van de Foundation, alle vertalingen, studiegroepen, en overdracht van kennis, is Het Urantia Boek vandaag beschikbaar in grote delen van de wereld. Maar er is nog zoveel meer werk te doen. Wij nodigen u uit om samen met ons die opdracht verder uit te voeren en de bekendheid en inhoud ervan over de wereld te verspreiden.

Het Urantia Boek wordt uitgegeven door de Urantia Foundation en is te bestellen met ISBN 90.9011151.4. In Nederland is de St. Urantia Nederlandstalig actief ter bevordering van de studie van het boek. Bron, en voor meer informatie: www.urantia.nl.

terug naar het overzicht

Psychosofia - Zohra Bertrand-Noach


Zohra Bertrand-Noach
Handvest van Psychosofia
Psychosofia is een nieuwe innerlijk religieuze levensbeschouwing binnen de kosmische orde voor universele eenheid, vanuit de hoogste spirituele sferen aangereikt, via Zohra Noach.
In Psychosofia is geen macht of gezag, geen lidmaatschap of dwang, geen dogma of onvrijheid.
De aangereikte diepere achtergronden van Psychosofia hebben als basis: eerbied voor de essentie van alle spirituele waarden vanaf het begin der mensheid gegeven.
De essentie van alle spirituele waarden aan de mensheid gegeven behelst dat er is: één Geest van waarheid en liefde, één Bron waaruit alle religies en godsdiensten zijn ontsproten. Deze Bron is het hoogste zijn, door de mens o.a. vertaald in het woord God of de Vader.
De mens bepaalt zelf, naar gelang van cultuur-historische en sociaal maatschappelijke achtergronden, op welke wijze de ontvangen spirituele essentie vorm zal krijgen.

Psychosofia reikt aan:
I  De ene Bron van waarheid en liefde is de oorsprong en bestemming van al het geschapene.
Deze ene Bron van waarheid en liefde heeft een oneindige uitstraling van lichtende energieën.
In de oude religies werd dit gegeven door het menselijke bewustzijn vertaald als zijnde goden en godinnen. De monotheïstische godsdiensten vertaalden hetzelfde gegeven van de oneindige uitstraling van lichtende energieën als aartsengelen, engelen, hoog-geëvolueerde wezens en heiligen, de machten en krachten rond de troon van God.
De mens is het hoogst geëvolueerde bewustzijn op de planeet Aarde. Hij is de drager van de goddelijke natuur en de realisatie daarvan in de stoffelijke menselijke natuur. De hoogste macht van de mens is zijn eigen vrije wil in de verantwoordelijkheid daarvan. De mens is in zijn goddelijke natuur onvernietigbaar. In zijn stoffelijke menselijke realisatie is de mens gebonden aan de dood.
Zo zal de goddelijke natuur van de mens zich steeds weer opnieuw, daar zij onvernietigbaar is, in een stoffelijke menselijke incarnatie realiseren.
Het evolutieproces van het bewustzijn der mensheid op de planeet Aarde zal uiteindelijk bekroond worden door de werkelijke integratie leidend tot eenheid van de goddelijke natuur in de stoffelijke menselijke natuur. Dan zal er zijn werkelijke gelijkwaardigheid van alle mensen in alle volkeren, gelijkwaardige verdeling van het voedsel der aarde, zonder overheersing door macht en gezag van persoonlijke belangen. Zo zal de mensheid door haar eigen inzicht, individuele en collectieve verantwoordelijkheid, komen tot waarachtige broederschap in waarheid en liefde.

II  De goddelijke natuur van de mens is de onsterfelijke ziel van de stoffelijke menselijke persoonlijkheid.
De ziel bestaat uit twee componenten. De ene component van de ziel is de eenheid met de goddelijke natuur. De andere component van de ziel is gericht op de stoffelijke lichamelijke persoonlijkheid van de mens. In deze op de stoffelijke lichamelijke persoonlijkheid van de mens gerichte component van de onsterfelijke ziel, liggen alle herinnerings-energieën opgeslagen uit de ontelbare levens op Aarde. Over het algemeen zijn deze herinnerings-energieën onbewust in het stoffelijk denken van de mens. Nu het bewustzijn van de wedergeboorte of reïncarnatie een grotere verbreiding krijgt, opent zich het bewustzijn van de mens hiervoor.
Veel mensen beleven hun eigen ervaringen hierin. Iedere emotie, iedere gedachte, iedere handeling heeft een grote energetische kracht in het bewustzijn van de mens. Zo ook in de wijze van realisatie ervan. Alle emoties, gedachten en handelingen hebben hun basis in het onderbewustzijn van de mens. Het onderbewustzijn van de mens is in eenheid met die component van de ziel, welke is gericht op de stoffelijke persoonlijkheid van de mens. Deze component van de ziel is het reservoir waar de mens in ieder leven op Aarde zijn eigen menselijke persoonlijkheid door kleurt.
De biologische aspecten zullen altijd inherent zijn aan die aspecten van de ziel die om transformatie vragen.

III  Een levensbeschouwing, een weg van lering om vernieuwde inzichten in het leven te kunnen realiseren.
Vrij van oude afhankelijkheid aan een persoonlijke God die straft of beloont. Eenheid met de goddelijke natuur door de eigen vrije wil vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Psychosofia, een innerlijk religieuze weg, niet gebonden aan een uiterlijke religie of godsdienst, kan leiden tot een vernieuwd Christusbewustzijn.
Hiertoe werden drie sleutels gegeven:
1. innerlijke zuivering van de schaduwkanten van het eigen denken en de eigen emoties;
2. innerlijke onthechting van de overheersing van de eigen begeerten en dwangmatigheden;
3. innerlijke eenheid met de eigen goddelijke natuur.

De avatar (gezondene) Boeddha bracht het bewustzijn van de kringloop van levens. Transformatie van negatieve aspecten van het karma leidt tot verlossing. Verlossing wil zeggen komen tot innerlijke vrijheid door inschakeling van de vrije wil vanuit de eenheid met de eigen goddelijke natuur.
De avatar Jezus de Christus bracht de realisatie van de goddelijke natuur in de mens, door zijn voorbeeld. Hij bracht de mensheid tot het punt van verlossing van het karma door zijn realisatie als mens vanuit de goddelijke natuur, door zijn acceptatie en overgave, door waarheid en liefde in werkelijke vergeving.
Bron: © Zohra Noach, Zohra Noach Foundation. www.zohranoach.nl

terug naar het overzicht

Helen Schucman - Een Cursus in Wonderen


Helen Schucman
De auteur van het boek is niet met zekerheid vastgesteld, maar het is op schrift gesteld door Helen Schucman en William Thetford
Een Cursus in Wonderen (ook wel aangeduid als De Cursus) is de uitgave van een manuscript dat Helen Schucman tussen 1965 en 1972 schreef met hulp van William Thetford. Het boek van in totaal bijna 1500 pagina's beschrijft een strikt non-duale zienswijze op deze wereld. Helen Schucman, overleden in 1981, heeft altijd beweerd dat ze de tekst gedicteerd kreeg door een innerlijke stem, die zich niet heeft geïdentificeerd, maar die zíj op basis van het dictaat duidde als Jezus. Het manuscript gebruikt Christelijke terminologie, maar de Christelijke begrippen krijgen een andere definitie dan de traditionele uitleg; daardoor kan de tekst niet als puur Christelijk bestempeld worden.
Gordon Melton heeft geconcludeerd dat het boek vooral populair lijkt te zijn onder degenen die gedesillusioneerd zijn door het traditionele Christendom. Sinds de eerste uitgave in 1976 zijn meer dan anderhalf miljoen exemplaren verkocht, in negentien talen.

Filosofie van de Cursus
Een Cursus in Wonderen bevat concepten uit vrijwel alle grote Westerse en Oosterse religies en levensfilosofieën. De tekst beweert dat het kosmische veld dat Liefde of God wordt genoemd, het enige is dat echt bestaat.
De tekst beweert dat de fysieke wereld van materie een projectie is van de geest. De geest heeft de ratio en de zintuigen gemaakt om de projectie echt te doen lijken.
De tekst beredeneert hoe de individuele geest, die door God is geschapen naar Zijn evenbeeld, dus als bewustzijnsveld van pure Liefde, met de kracht om zelf te scheppen en met een vrije wil, de gedachte kreeg dat hij losstaat van zijn Schepper en derhalve zou kunnen scheppen los van God. Dit creëerde de angst voor God en de ervaringen van schuld en zonde. Volgens de tekst is de geest deze angst, schuld en zonde gaan projecten op andere denkgeesten om zo de illusie hoog te houden dat ze zelf zonder zonde, zonder schuld, zonder angst, dus zelf God is. Deze projectie, die het boek 'ego' noemt, resulteert in het voortdurend veroordelen van mensen, gebeurtenissen en stemmingen.
De Cursus in Wonderen neemt de lezer stapsgewijs mee in hoe deze projectie ongedaan kan worden gemaakt door het beoefenen van vergeving, dat wil zeggen vergeving met in het achterhoofd dat schuld en zonde alleen als illusies bestaan en er dus in feite niets te vergeven valt.
Vergeving als concept wordt gebruikt om de eigen denkgeest op een vriendelijker manier (vrij van oordelen) naar de fysieke wereld te laten kijken en overeenkomstig te handelen en te leven. In het boek wordt de dag des oordeels dan ook uitgelegd als de laatste dag dat een denkgeest over wat dan ook oordeelt. De tekst beredeneert dat iedereen die het pad van vergeving beoefent, deze dag jaren dichterbij brengt.

Structuur van de tekst
Helen Schucman, die naar eigen zeggen in het geheel niet in spiritualiteit was geïnteresseerd, noteerde wat de innerlijke stem (die zich niet identificeerde) haar vertelde in handschrift. William Thetford typte haar handschrift uit. Dit proces duurde van 1965 tot 1972. Met behulp van William Thetford en later Kenneth Wapnick, werd de tekst gestructureerd en in boekvorm gezet.
De Cursus in Wonderen bestaat uit drie delen, betiteld als een 'Tekstboek', een 'Werkboek voor studenten' en een 'Handboek voor leraren'. Het Werkboek bevat 365 lessen in vergeving, bedoeld om de perceptie van de wereld en het eigen zelf zonder oordeel te bezien.
Een Cursus in Wonderen bevat ook elementen uit de leer van Sigmund Freud en Carl Jung in Christelijke terminologie. De tekst beschrijft een systeem van onbewuste gedachten, afweermechanismen en onderbewuste doelen, en biedt een manier om uit angst en strijd te komen door het oefenen van vergeving en inzien van de illusoire aard van zonde en schuld.

Het schrijven van de Cursus
In 1965 hadden Helen Schucman, op dat moment universitair hoofddocent Medische Psychologie aan de Faculteit van Fysici en Chirurgen van de New York Presbyterian Hospital (Columbia University Medical Center) en haar manager William Thetford wederom hoog oplopende ruzie. Thetford uitte zijn frustratie over de werksfeer op de afdeling en riep uit "Er moet een betere manier zijn!". Schucman bood hem aan om te helpen die manier te vinden. Schucman heeft verteld dat ze daarop symbolische dromen kreeg en dat een innerlijke, geluidloze stem zich meldde: "This is a Course in Miracles. Please take notes" (Dit is een Cursus in Wonderen. Maak alsjeblieft aantekeningen).
Er volgden zeven jaar van wat ze zelf betitelde als 'snel dictaat'. Tussen 1965 en 1972 vulde ze bijna dertig stenografische notitieboeken met tekst van de innerlijke stem. Na het uittypen door William Thetford besloeg het manuscript zo'n 1500 pagina's. Schucman en Thetford wilden deze ervaring niet bekendmaken binnen het Columbia University Medical Center; ze vreesden onbegrip en afwijzing, en waren bang dat het hun academische carrière zou schaden.

Redactie
Het oudst bekende manuscript (bekend als de 'Oertekst') leest meer als een dagboek dan een studieboek en bevat passages die betrekking hebben op de persoonlijke levens van Schucman en Thetford. Deze passages zijn vóór publicatie verwijderd.
De derde versie van het door Thetford uitgetype manuscript is voorgelegd aan Hugh Lynn Cayce (bekend als de JCIM-editie); deze is in 2000 uitgegeven in de Verenigde Staten als 'Jesus' Course in Miracles'. De uiteindelijke versie is geredigeerd door Kenneth Wapnick, die het manuscript in 1973 onder ogen kreeg en toentertijd een klinisch psycholoog was en bestuurder van een school voor verstandelijk gehandicapte kinderen. Wapnick besprak met Schucman verscheidene wijzigingen, waarbij alineas werden verplaatst en/of verwijderd. Ook werden verschillende kopteksten, punctuaties en hoofdlettergebruik aangepast. Dit redactieproces was in februari 1975 voltooid.

Publicatie
De Foundation for Inner Peace (FIP) werd opgericht op 21 oktober 1971 door Robert Skutch en Judith Skutch Whitson. Zij waren getrouwd en vormden het bestuur van de Stichting. Op 29 mei 1975 introduceerde Douglas Dean, het trio Schucman, Thetford en Wapnick bij Judith Skutch Whitson.
Uiteindelijk is de eerste publiek beschikbare editie, oplage 100, gepubliceerd op 6 oktober 1975, onder de noemer van de Freeperson Press Edition. In 1976 kreeg Reed Erickson, een welgestelde filantroop, een exemplaar van de uitgave onder ogen. Hij stelde financiële middelen ter beschikking voor de eerste hardgebonden uitgave van de Cursus, met een donatie van $ 440.000. Later in 1976 publiceerde de Foundation for Inner Peace de tekst in drie hardgebonden delen. In 1981 overleed Helen Schucman aan de gevolgen van kanker aan de alvleesklier. In 1983 werden de publicatierechten ondergebracht bij de Foundation for a Course in Miracles, onder leiding van Kenneth Wapnick. In 1985 werd het boek als één volume uitgebracht, zonder redactionele wijzigingen.
In 1992 volgde de eerste hardgebonden editie, waarin voor het eerst de strofen genummerd werden zoals in de Bijbel. Ook zat er voor het eerst een 'Verklaring van termen' bij, geschreven door Schucman.

Terminologie
Een opvallend kenmerk van de Cursus is het unieke taalgebruik. Auteur Robert Thompson Perry legde uit: "De betekenis die we aan woorden geven, komt voort uit de betekenis die we in het leven zien: in onszelf, in anderen, en in de wereld". De Cursus richt zich specifiek op het veranderen van de betekenis die we in onszelf, in anderen en in de wereld zien.
"Een lezer van de Cursus moet [veel termen] opnieuw leren," schrijft Perry, "en uiteindelijk versterkt het gebruik van deze terminologie het oogmerk van de Cursus." Als voorbeeld noemt hij de herinterpreatie van het woord 'wonder'. In de Cursus wordt met de term 'wonder' niet de gebruikelijke betekenis van spectaculaire onverklaarbare manifestaties bedoeld, maar een natuurlijke impuls van een oordeelvrije gedachte en liefdevolle handeling in deze wereld en de directe (maar vaak niet direct zintuiglijk waarneembare) invloed daarvan op anderen.

Reacties
Het gedachtegoed van het boek wordt ondersteund door bekende presentatoren zoals Oprah Winfrey in haar interviews met auteur Marianne Williamson. Bekende spirituele schrijvers zoals Eckhart Tolle en Deepak Chopra zouden een 'Cursus in Wonderen' in hun literatuurlijsten hebben gehad.
De tekst heeft ook sceptische reacties opgeleverd, variërend van "een uiterst geraffineerd opgezette misleiding" tot "het product van een langdurige psychose". Met name het gegeven dat de auteur niet ondubbelzinnig kan worden bepaald en het beschreven denksysteem niet onweerlegbaar getoetst kan worden op waarheid, beïnvloedt de acceptatie van het boek aanzienlijk.
Bron: Wikipedia

Opmerking
Het leermiddel van de aardse leerschool voor geestelijke groei is de eigen, vrije keuze. Door eigen ondervinding met de gevolgen van die keuze wordt geleerd de geestelijke vermogens zelfstandig te gebruiken. Daartoe wordt de mens op aarde steeds voor keuzes geplaatst - ook als het gaat om berichten die uit de geestelijke wereld zijn doorgegeven, o.a. door Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Murdo McDonald-Bayne, Bertha Dudde en ook Helen Schucman. Tegen deze schrijvers is gezegd dat Jezus zelf de doorgevende persoon is, van Schucman was het een persoonlijke opvatting.
Deze berichten zijn op aarde om de mens de gelegenheid te geven ze te kunnen bestuderen, met elkaar te vergelijken en er een persoonlijk oordeel over te vormen: onderzoek alles en behoud het goede!
Na het doorwerken van de voorhanden lesstof gaat mijn persoonlijke voorkeur uit naar de Bijbel en naar de werken van Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Murdo McDonald-Bayne en Hildegard van Bingen. De strekkingen van hun werken komen met elkaar overeen, evenals de uitspraken die Jezus doet. Al deze schrijvers waren of werden zeer gelovige mensen.
Het doorwerken van (al) hun boeken was voor mij een vreugde vanwege de samenhang en overeenkomst.

Naast veel leerzaams komen in de werken van Bertha Dudde echter ook hardvochtige opvattingen over de mens voor, die niet passen bij de uitspraak van de doorgevende persoon de 'liefhebbende Vader van de mensheid' te zijn.
Het werk van Helen Schucman bevat zoveel ondoorgrondelijke, wijsgerige spitsvondigheden dat de eenvoudige kern van haar boek - het belang van vergevingsgezindheid - veelal verloren gaat.
De uitspraken in haar boek worden gedaan door een onbekende persoon van wie Schucman denkt dat het Jezus is, maar die haar géén vrije keus laat(!) en haar dwingt een onderwerp te beschrijven, waarin zij zelf niet gelooft. Helen Schuckman is ondanks de strekking van de Cursus altijd een agnosticus gebleven. Pas na haar dood mocht bekend worden dat zij de schrijver was van het boek(!).
Daarnaast doet de persoon die zich opwerpt als Jezus de uitspraak dat Jezus niet aan het kruis is gestorven.
De uitspraken die deze persoon doet verschillen volledig van die, welke voorkomen in de werken van Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Murdo McDonald-Bayne en Hildegard van Bingen.
(Freek)

terug naar het overzicht






^