Het lichtmolentje of de radiometer van William Crookes (1873)


Een licht- of warmtemolentje bestaat uit een verticale as met vier wieken. De bladen van de wieken zijn aan de ene kant zwart beroet, aan de andere kant spiegelend verzilverd. Het (zeer lichte) molentje draait in een glazen bol, die bijna vacuum is gezogen. Als er aan één kant een lichtbron (de zon) of een warmtebron (bijvoorbeeld de hand) wordt gehouden, begint het molentje te draaien.

Dit wordt veroorzaakt doordat de elektromagnetische licht- of warmtestraling de zwarte vlakken - door absorptie van straling - opwarmen, maar de lichte vlakken aan de andere kant niet, doordat daar de straling wordt teruggekaatst. Alleen de opgewarmde zwarte vlakken geven vervolgens hun warmte plaatselijk af aan de luchtmoleculen aan de zwarte kant van de wieken. Daardoor geraken zij in trilling en botsen aan die kant krachtiger tegen de wieken, vergeleken met de luchtmoleculen aan de weerspiegelende, koud gebleven kant. Daardoor ontstaat er een krachtsverschil tussen de voor- en achterkant van de wieken, waardoor zij in beweging komen en van de zwarte kant af wegdraaien.

Door het bijna-vacuum in de bol zijn er zo min mogelijk luchtmoleculen die weerstand zouden kunnen veroorzaken, maar wel voldoende om de van de vlakken uitgestraalde warmte op te nemen om - door hun toegenomen trilling - aan die kant een kracht op de vlakken uit te oefenen. Dat gebeurt overigens vooral aan de randen, doordat daar de trillende moleculen elkaar het minst storen.

Alleen door het bestaan van tegendelen: hier het onderscheid tussen de warme en koude kant van de wieken, ontstaat er beweging.
Alleen door onderscheid te maken kan er bewustwording ontstaan en een beweging op gang komen.


terug naar deel 1

terug naar het weblog







^