het godsrijk
In mijn jeugd raakte ik door zelfbezinning en gebed meerdere malen geestelijk in vervoering en werd dan in de geestelijke wereld naar een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte geleid… de goddelijke algeest. Later maakte ik tijdens zo’n vervoering mee, dat ik eerst met een geestestoestand van diepe rust kennis maakte, die zich aan mij voordeed als een geestelijke, donkere koelte; die bleek een zelfstandigheid te zijn, die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar diepe rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die zich aan mij voordeed als een geestestoestand van lichtende warmte; ook die bleek een zelfstandigheid te zijn die zich persoonlijk met mij verbond en mij verwonderde met zijn beweging.
Vervolgens kwam de beweging en zijn lichtende warmte in zijn geheel uit de rust en haar donkere koelte tevoorschijn en begon haar te overstralen, waardoor ik tenslotte terechtkwam in een geestestoestand, die ik vroeger meermalem meemaakte, die van de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, van de goddelijke algeest.
Ten slotte verbonden de rust en de beweging zich met elkaar, waarbij de beweging de rust doordrong en de rust zich liet doordringen, licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen, warmte doordrong de koelte en de koelt liet zich doordringen. Er had een omwenteling plaatsgevonden, waardoor nu de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte geheel in zich had opgenomen. Ik wist nu dat zich binnen de doordringende beweging en zijn lichtende warmte een doordringbare rust bevond met haar donkere koelte… en door de volledige vermenging met elkaar ervoer ik een ‘verkoelende warmte’!
Tijdens deze geestelijke vereniging zag ik, hoe er als het ware in hun midden, tussen hen in, door verdichting een bolvormige wolk van dat geestelijke licht werd gevormd. Later stroomde er vanuit de algeest ook geestelijke warmte naartoe. Licht en warmte vermengden zich in die bol, zoals dat ook in de algeest het geval is, waardoor de lichtende warmte binnen die bol rustig begon te wervelen. Op dat ogenblik ervoer ik dat die bol van licht en warmte, met daarin verborgen de donkere koelte, tot leven kwam… en dat ik die bol was. Ik was getuige geweest van de voortkomst door verdichting van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest, wat een vreugdevolle ervaring was.
Hier en nu ik dit opschrijf, besef ik, dat ik, die zich dit vanuit mijn geheugen herinnert, de bron ben van deze beschrijving: besef ik de voortkomst door verdichting van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest. Door die verdichting is de algeest in mij en ben ik in de algeest. Zoals Jezus zei: “Ik ben in de Vader en de Vader is in mij” en “De Vader is meer dan ik.” Met ‘Vader’ bedoelde Jezus deze mannelijke en vrouwelijke algeest.
Eerder had Jezus gezegd: “Het godsrijk is bij je en in je” en “… is binnen je bereik.” Dat is aan mij getoond door de verdichting, eerst van het licht en daarna van de warmte van de algeest tot de bolvormige, geestelijke wolk, die ik ben. Ik ben in aanleg een algeest-geest. Die bolvormige wolk uit en in de algeest is volgens Jezus’ beschrijving ‘het godsrijk dat in je is en bij je is’: de toestand van de algeest-geest.
Ik zag dat dóór de algeest én ín de algeest, binnen zichzelf, een vorm werd gevormd: de menselijke geest. De algeest is door de beweging en de lichtende warmte doordringend en zelfvormend werkzaam, door de rust en haar donkere koelte doordringbaar en vormbaar. Geest bestaat uit tegendelen die elkaar in evenwicht houden en met elkaar werkzaam zijn. Met het licht en de warmte, met daarin de donkere koelte, en met de zelfvormende en vormbare eigenschappen ervan, hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is in die bol een geestestoestand van vormbaar licht, denken van zelfvormend licht, voelen van vormbare warmte en willen van zelfvormende warmte.
Door waar te nemen kunnen beelden van buiten zich in het licht van de geest als een lichtbeeld afdrukken, waardoor die zich er bewust van wordt, er weet van krijgt; door te denken kan de geest in zichzelf lichtbeelden, denkbeelden vormen; door te voelen kan de geest zich voor anderen openstellen, waardoor de warmte, de gemoedsgesteldheid met die van hen overeenkomt en de geest kan meeleven; door te willen kan de geest zijn warmtetoestand - door zich samen te trekken - verhogen en daardoor de kracht vrijmaken om gedachten en gevoelens naar buiten toe te uiten in uitspraken en gedrag.
Door die geestelijke werkzaamheid met de vermogens straalt de geest een uitstraling, een lichtruimte om zich heen uit - voor ieder vermogen een - waarin de geest de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten, gevoelservaringen en wilsbesluiten, kan bewaren in een geestelijk geheugen. Het geheel van die uitstraling is de ziel, de ‘zaal’ of ‘woonruimte’ (de eerste huizen waren zaalvormig), waarin de geest ‘woont’. Die ziel is zevenvoudig: vier voor de vermogens, twee voor de in- en uitgekeerde instelling, één voor de geest als het geheel.
Niet alleen de voortbrengselen van de vermogens komen in de zevenvoudige ziel terecht, ook de éigenschappen van de vermogens hebben - gedurende de evolutie - er geleidelijk op ingewerkt. Daardoor zijn de delen van de ziel omgevormd van eerst bolvormig naar de geestgedaante, de nu menselijke gestalte. De eigenschappen van het waarnemen, het opnemen van indrukken, hebben vorm gegeven aan het gezicht, het gehoor, de reuk, de smaak en de tast, de mond en de neus in het hoofd; de eigenschappen van het denken, het ontleden (het verstand) en het samenvoegen (de rede) hebben vorm gegeven aan de ontledende en tot lichaamseigen stoffen samenstellen van de organen in de buik; de verzorgende eigenschappen van het voelen hebben vorm gegeven aan hart en longen in de borstholte, en de bloesomloop, die alle cellen van het lichaam van voedingstoffen en zuurstof voorziet, en afvalstoffen verwijdert; de beweeglijke eigenschappen van het willen hebben vorm gegeven aan de spieren van de ledematen en de romp, waardoor de geest in staat is zijn gedachten, gevoelens en wilsbesluiten in de buitenwereld te uiten en te verwerkelijken.
Deze geestgedaante - de gevormde ziel - is de mal, waarnaar op aarde het stoffelijke lichaam is gevormd, dat daardoor over alle mogelijkheden beschikt die de geest nodig heeft om vanuit zijn gedachten, gevoelens en wilsbesluiten op de wereld om zich heen in te werken - en de wereld op de geest. Die werkzaamheid uit zich in het gedrag. In dat gedrag komt tot uiting in hoeverre de geest een bewust en beheerst gebruik heeft leren maken van zijn geestelijke vermogens en de persoonlijke vorm waarin dat gedrag zich uit is een weergave van de persoonlijkheid. De persoonlijkheid is het geheel van kenmerken van het gedrag van een persoon en de oorzaak van dat gedrag zijn de kenmerken van de geestelijke vermogens en de wijze, waarop de geest ze al dan niet beheerst gebruikt.
De menselijke geest is door verdichting uit en in de algeest een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen; daarvan zijn de werkzaamheid, de voortbrengselen en de eigenschappen de oorzaak van de ziel, van de geestgedaante, het lichaam en van de persoonlijkheid. De verdichting van die bol vond plaats door en binnen de goddelijke algeest, waardoor die bol - de menselijke geest - behoort tot het godsrijk, de algeest, die zich zowel binnen als buiten de menselijke geest bevindt.
Uiteindelijk komt, door verdichting, alles uit de eigenschappen van de algeest voort en een bron geeft zijn eigenschappen mee aan alles, wat erin ontstaat.
Jezus raadt ons aan eerst dat godsrijk te zoeken, dat in je is, want de vermogens ervan zijn de bron van je leven en door hun werkzaamheid (het denken, het voelen) weet je, wie je bent: een eeuwige, vermogende algeest-geest uit en in God; dat is ons geleerd door zo’n zelfde algeest-geest die wij zijn, maar dan een in de volmaakte geestestoestand zoals de algeest zelf is: de godmens Jezus, in wie de algeest ons op aarde tegemoet is gekomen, om voor ons een voorbeeld te zijn.
Door Jezus weet je zeker, wat het doel is: de ontwikkeling van het godsrijk, de geest, die je zelf bent.
Volgens Paulus "bestaat het godsrijk niet uit woorden, maar uit [innerlijke geest-] kracht." (1 Kor. 4:20)
terug naar het overzicht
terug naar het weblog
^