Jakob Lorber - Aarde en Maan

Uitgeverij de Ster, Breda, 1990
ISBN 9065561129
Website: www.lorber.nl

Inhoud

Hoofdstuk 27 - Ontstaan en doel van de materie
Hoofdstuk 52 - Ziel en geest in de mens
Hoofdstuk 70 - Het Rijk van God is inwendig in de mens.
Hoofdstuk 6 - Het magnetische fluïdum

Eerste deel A - Hoofdstuk 27 (uit 9-2-1847)
(1) Bij het beschouwen van het geestelijke deel van de aarde zullen we - om ons nauwkeurig op de hoogte te stellen - de omgekeerde richting volgen en niet van de diepte omhoog, maar van boven naar beneden gaan. Men moet zich namelijk van buiten naar binnen keren om tot het eigenlijke, geestelijke te komen, dat bij elke vorm het diepste en meest inwendige is [Teilhard de Chardin].
(2) Het is al vaak aangetoond, dat de materie altijd een geestelijke kern heeft en dat de zichtbare materie niets anders is, dan gebonden en vastgelegde geest [Teilhard de Chardin], maar toch zal ook hiervoor een beter begrip een verdere uiteenzetting volgen.
(3) Geen materie die je bekijkt, is ooit volkomen vast, maar alle materie is deelbaar, doordat zij uit deeltjes bestaaat en tussen deze deeltjes zijn nog altijd kleine ruimten, poriën genaamd.
(4) Tot nu toe is er nog geen geleerde die nauwkeurig op de hoogte is van de deelbaarheid van de materie en niemand kan bepalen tot welk kleinste deeltje uiteindelijk de materie deelbaar is. Neem bijvoorbeeld een korreltje muskus en leg dat ergens in een groot vertrek neer. In korte tijd wordt dit geheel met muskusgeur vervuld. Men kan zo’n stukje vele jaren laten liggen en het zal nog in gewicht, noch aan volume merkbaar verliezen. En toch moeten zich elke seconde vele miljoenen deeltjes van dit stukje hebben losgemaakt om het hele vertrek voortdurend met muskusgeur te vullen. We kunnen nog veel van deze voorbeelden geven, maar hier is één voldoende om in te zien, dat een definitieve uitspraak over de deelbaarheid der materie zeker moeilijkheden geeft.
Als nu echter duidelijk is geworden, dat tenminste voor jullie begrippen alle materie tot een bijna oneindig minimum deelbaar is, dan is het aan de andere kant ook duidelijk, dat materie noodzakerlijkerwijs uit deeltjes moet zijn samengesteld. Wie trekt deze deeltjes samen en voegt ze zo vast in elkaar, dat ze er als een massa uitzien, die nu eens vaster, dan weer minder vast is? - Kijk, dit is al het eerste stadium, waar het geestelijke begint.

(5) Want deze eindeloos kleine deeltjes zijn oorspronkelijk ideeënkracht [denkkracht] uit Mij, de Schepper van alle dingen. Deze idee [gedachte] krijgt vorm [door verdichting] en deze vorm ontvangt leven uit het leven van Mij, de Schepper.
(6) De Schepper maakt de levend geworden vorm los van Zichzelf [door verdichting uit en in de algeest, God], geeft hem vanuit zijn oerlicht een eigen licht en met dit levende licht een eigen intelligentie [denken], waardoor de tot leven gewekte vorm zichzelf herkent en zich van zichzelf als een zelfstandig wezen bewust wordt [waarnemen].
(7) Heeft de vorm zich zo herkend, dan wordt haar een ordening - een wet voor al wat bestaat - en met deze ordening een innerlijk vuur [warmte] van de godheid, een vonk van eeuwige liefde [voelen] gegeven; hieruit komt de wil voort [willen].
Nu heeft de tot leven geroepen vorm licht, zelfkennis, zelfbewustzijn, ordening en wil en hij kan zijn wil volgens de ordening aanwenden of daar tegenin handelen [de vrije keuze].
(8) Richt het schepsel zich naar de ordening [wat tot zelfverwerkelijking leidt], dan zal het sterk worden als een boom en zal zich als een volkomen vrij wezen in de grote scheppingsruimte bewegen om eeuwig voort te bestaan, omdat dan zijn hele wezen geschapen is uit Mij, die eeuwig is en eeuwig zal zijn, en daardoor is de mens een schepsel omdat heel zijn wezen uit Mij is genomen en zijn lot kan niets anders zijn, dan dat van Mijzelf, omdat het zijne [door verdichting] uit Mij is genomen - evenals wanneer iemand uit een bron water schept, het water in het vat van gelijke soort is en dezelfde bestemming heeft als het water van de bron, waaruit het werd geschept.
[1 Joh. 3:9 Een kind van God zondigt niet, want de goddelijke levenskiem blijft werkzaam in hem; hij kan zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren.]

(9) Als zo’n nieuw wezen of schepsel met zijn wil de gegeven ordening echter niet volgt, dan gaat het natuurlijk zijn ondergang of zijn oplossing tegemoet, wat gemakkelijk te begrijpen is.
(10) Als iemand een plant in de aarde zou zetten, maar hij zou haar geen water, geen zonlicht en geen warmte geven - wat zou er dan van de plant terechtkomen? Nemen we even aan dat de plant een vrij bewustzijn zou hebben en dat zij water, licht en warmte tot zich kon nemen, maar dat niet wilde, wat zou er van haar terechtkomen? Zij zou verdorren en vergaan.
(11) Of iernand zou een schilder een goed gelijkend portret willen laten maken, maar hij zou zijn gezicht nooit naar de schilder toekeren, wat zal er dan van dat portret terechtkomen? (blz. 111)
(12) Het kan Mij, de Schepper, niet onverschillig laten of een 
wezen, dat door Mij niet enkel als een beeld in Mijn gedachten
 werd gevat, maar op de boven beschreven wijze uit de volheid van 
Mijn goddelijke wezen werd geschapen, alleen maar voor een korte
 tijd of voor eeuwig bestaat. Was het eerste het geval, dan zou
 kennelijk een deel uit Mij kunnen worden vernietigd, wat onmogelijk 
is. Een wezen kan dus, als het eenmaal is geschapen, slechts voor de eeuwigheid zijn geschapen.


(13) Maar zo'n schepsel kan vrijwillig uit mijn ordening treden [het bestaan van de vrije keuze] en dat betekent zoveel als voor Mij ophouden te bestaan, want wie niet v&oaute;ór Mij is, is tegen Mij. Op deze manier zou zich na verloop van tijd naast Mij een tegengestelde kracht een machtspotentie vormen die 
in Mijn vrije werken storingen zou veroorzaken, wat met andere woorden niets anders zou betekenen dan: Ik, de allerhoogste volkomenheid, zou Zelf onvolkomen moeten zijn om een onvolkomenheid naast Mij te kunnen dulden.
(14) Om dit allerergste euvel toch in de goede banen te leiden, wordt een schepsel, dat zich niet in Mijn gegeven ordening wil
 voegen, dadelijk gevangen genomen en in een punt op een
 bepaalde plaats vastgezet en zie, die vastzetting is nu datgene, wat
 jullie als materie kennen, zien en voelen.
(15) In de talloos vele deeltjes van de materie ligt de eindeloze intelligentie van het nieuw geschapen, maar nu gevangengenomen
 wezen, een intelligentie die nooit kan worden vernietigd. Maar ze is vastgelegd en tegen de geestelijke zon gekeerd, totdat ze die rijpheid heeft bereikt, waardoor ze alleen nog maar in staat is het licht van de zon op te nemen, zoals een spiegel die het licht van de zon zolang opneemt, tot de zon hem voor al het andere blind maakt en hij alleen nog maar in staat is het licht van de zon
 op te nemen. Van buiten af gezien wordt de spiegel steeds matter en zijn materie wordt losser en poreuzer; maar daardoor is deze materie steeds beter in staat in al haar opgeloste delen het beeld van de zon, hoewel erg verkleind, op te nemen en dat is eigenlijk de goede overgang: dat zo’n wezen begint in al zijn delen de Godheid op te nemen en niet alleen maar in een enkel deel. En daarom is het niet genoeg als iemand zegt: "Heer, Heer," maar hij moet de Heer in alle vezels van zijn wezen hebben opgenomen, dan pas is hij rijp daarheen terug te keren, waar hij vandaan is gekomen.

(16) Dit is de reden waarom alle materie weer tot in de kleinste 
deeltjes opgelost moet worden, opdat er geen enkel deeltje meer
 zal bestaan dat niet in staat zou zijn het beeld van de eeuwige
 zon op te nernen. En in dit opnemen van het eeuwige oerbeeld ligt 
dan weer de nieuwe schepping, waarin de eindeloze intelligenties
 van een wezen, dat eerst gevangen genornen was, maar nu weer vrij
 is geworden, elkaar weer aangrijpen, in de eerste oervorm terugkeren
 en weer datgene worden, wat ze al in het oerbegin hadden moeten zijn.

(17) Uit deze inleiding is wel duidelijk geworden, dat de materie 
onmogelijk iets anders dan geestelijk kan zijn; en we kunnen nu
 langs goed verlichte wegen onze tocht over en in de aarde maken. (blz 113)

terug naar de Inhoud

Eerste deel B - Hoofdstuk 52 (20-3-1847)

Ziel en geest in de mens
(1) In het begin van dit boek is de natuurlijke aarde zo precies rnogelijk behandeld. Dat deze schijnbaar natuurlijke aarde echter allesbehalve natuurlijk, d.w.z. alleen materieel is, zullen we juist door deze verdere onthulling nog beter inzien dan we tot nu toe hebben beseft.

(2) Om tot een grondiger kennis op dit gebied te komen, moeten we goed begrijpen wat eigenlijk geest en ziel is.
(3) Dit onderscheid is wel al aangegeven en voor verlichte gemoederen zou het reeds gezegde voldoende moeten zijn om het wezen van geest en ziel van elkaar te onderscheiden, maar voor jullie, die nog niet de juiste beschouwelijke kijk hebben op het gebied van het innerlijke leven, moet de zaak nog wat duidelijker worden uitgewerkt, zodat jullie daardoor tot een juist inzicht kunnen komen.

De ziel [ademtocht van de geest]
(4) De ziel is het opnameorgaan van de eindeloos vele gedachten van de oergrond [de bron ervan, de geest], waaruit ze als een ademtocht [Latijn 'aura': uitwaseming] is voortgekomen. Ze is de draagster van de gedachten [denken], van [waarnemings]vormen, [gevoels]verhoudingen en handelwijzen [wilsbesluiten]. Deze zijn alle in de kleinste omhullingen in haar [in het geheugen] neergelegd.
(5) Een juiste hoeveelheid van dit alles in één wezen samengevat en vormt een volkomen mensenziel. De ziel is een ‘compendium’ [samenvattend handboek: geheugen] van een buitengewoon grote hoeveelheid verschillende 'substantiële intelligentiedeeltjes' [kennis, denkbeelden];

daardoor kan ze, omdat ze is samengesteld, ook weer in al haar deeltjes verdeeld worden, zoals de lucht, die weliswaar een geheel vormt en zich zo vertoont, maar toch in staat is zich oneindig te delen [in luchtmoleculen]. (192)
(6) Dat de lucht in grotere, kleinere en kleinste hoeveelheden kan worden gescheiden, wordt bewezen door het schuim, dat uit louter luchtblaasjes bestaat, die door de beweging van een ietwat dikke vloeistof kunnen ontstaan. Als die blaasjes verdwijnen, vormt de daarin opgesloten lucht dadelijk weer één geheel met de hele massa; zolang de blaasjes echter bestaan sluiten ze een deel van de lucht in zich op en houden die door de doorzichtige wand afgescheiden van de buitenlucht, ze zijn - zoals jullie zeggen - hermetisch gesloten.

(7) Zo is ook het hele universum, ja, de hele oneindigheid gevuld met de gedachten van de godheid, ze vullen de hele oneindigheid, maar zijn ook in een ‘monade’ [Grieks: 'eenheid', de geest met zijn ziel] alle als een zelfstandigheid aan te treffen, maar natuurlijk in de meest verkleinde vorm, net zoals de lucht in de kleinste zeepbelletjes dezelfde delen bevat die ook in de algemene lucht aangetroffen worden. Dat was dus de ziel [die vergelijkbaar is met de lucht als de dampkring om de aarde].

De geest
(8) "Wat is dan de geest?" zal menig psycholoog vragen.
(9) De geest is op zichzelf geen vorm, want hij is het wezen dat de vormen schept en pas als de vormen geschapen zijn [bijvoorbeeld denkbeelden, wat lichtvormen zijn], kan hij door de geschapen vormen zelf als vorm werkzaam optreden [de geest vormt een denkbeeld in het licht van zichzelf als bolvormige wolk van licht en warmte en uit zich daarmee];

dat wil zoveel zeggen als:
(10) Elke kracht die als zodanig werkzaam wil zijn, moet een tegengestelde kracht [een rustpunt] tegenover zich hebben; pas tengevolge van dit vaste steunpunt kan die kracht zijn werking uitoefenen en tot uiting komen [de arm kan bewegen door de rust van de botten, die de samentrekking van de aan de botten gehechte spieren mogelijk maken].
(11) De geest is als het licht, dat op zichzelf wel altijd licht blijft, maar zolang er geen voorwerp is dat het kan verlichten, niet merkbaar als licht kan optreden.
(12) Het licht gaat, zoals je ook bij de zon ziet, voortdurend gelijkmatig van de zon uit [en zo gaat het licht van de werkzame geest uit en vormt de ziel om zich heen], maar zonder een tegenoverstaand voorwerp kan geen oog zijn aanwezigheid opmerken. In een maanloze nacht is er evenveel van de zon uitgaand licht als in een nacht waarin de rnaan schijnt. In het eerste geval heeft het licht geen voorwerp tegenover zich in de hoge ether en daarom merkt niemand dat het licht er is. Staat de maan echter in zijn volheid, dan ziet men heel duidelijk het uitstralende zonlicht en iedereen die maar enigszins met de sterrenkunde vertrouwd is, zal gemakkelijk merken hoe en waar vandaan de maan door de zon wordt beschenen.
(13) De geestelijke inwerking van het licht kan men al gemakkelijk in de natuur opmerken. In de aarde en de lucht is weliswaar alles voorhanden, alle vormen die bestaan en ontstaan liggen in de ogenschijnlijke materie samen zonder zich te bewegen en niets verroert zich in hen. Maar als het licht komt, dan krijgen de als de dood samenliggende vormen leven, grijpen elkaar aan en worden tot nieuwe vormen. Vergelijk de winter en de zomer maar met elkaar en de geestelijke werking van het licht kan niemand ontgaan.

(14) Nu weten we ook wat de geest is: de geest is het licht, dat uit zijn eigen warmte van eeuwigheid tot eeuwigheid voortkomt - en is als warmte de liefde [voelen] en als licht de wijsheid [denken].

(15) Als een mens [de geest] een nog zo volkomen ziel heeft, maar hij heeft weinig of helemaal geen licht [zelfbewustzijn], dan zal hij in zijn ziel en ook in zijn lichaam weinig of ook helemaal niet werkzaam zijn. Komt in die ziel echter licht, dan gaat ze handelen naar de mate van het licht in haar.
(16) De ziel van een zwakzinnige bijvoorbeeld is op zichzelf even volkomen als die van een doktor in de filosofie; maar het lichaam van zo’n ziel is te plomp en te zwaar, en laat maar heel weinig of helemaal geen licht in de ziel binnen - of de lichtvonk die in de ziel is gelegd, kan niet opvlammen, omdat hij teveel wordt verdrukt door de zware vleesmassa [de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met de stof]. De ziel van een filosoof laat echter veel licht door en drukt de geestelijke vlam niet zozeer op één punt samen.
(17) Daardoor zal men in het eerste geval of helemaal geen of slechts weinig activiteit vinden; in het tweede geval echter zal het verlichte individu van louter werkzaamheid bijna geen rust vinden.
(18) Er wordt hier evenwel nog niet van wijsheid gesproken, waarbij alles in de ziel licht wordt, maar er is hier sprake van weinig of helemaal geen licht en van meer of veel licht, waaruit ook duidelijk is te zien dat zonder geest of licht alles dood is en tot geen verdere ontwikkeling of vervolmaking in staat, terwijl in het licht alles zich werkzaam ontwikkelt en meer volkomen wordt [m.a.w. het is de geest die een geestelijke ontwikkeling doormaakt].

(19) Licht [geest] op zichzelf heeft geen vorm, maar maakt de vormen [lichtbeelden] en werkt dan zelf als vorm in de vormen. De vormen kunnen gescheiden of samengevoegd worden en er kunnen talloze nieuwe vormen worden ontwikkeld. Maar het licht kan niet gescheiden worden, het dringt zonder onderbreking door alles heen wat in staat is licht op te nemen. Wat echter geen licht kan opnemen, blijft in zichzelf duister en dood, want een toestand van de ziel waarin geen licht is, is haar dood.
(20) Het is begrijpelijk dat hier sprake is van het eeuwige, gelijkmatige licht en alleen dat is voorwaarde voor het leven;
niet bijvoorbeeld een bliksemlicht, dat een toornig licht is, dat maar op bepaalde ogenblikken een twijfelachtige verlichting geeft; maar als het ophoudt, dan wordt het tienmaal zo donker als voorheen. Zo’n licht is als een hels licht. Dat flikkert ook op, maar na elke opflikkering ontstaat er altijd een tien keer zo grote duisternis.

(21) Nu we het verschil tussen ziel en geest hopelijk duidelijk genoeg hebben belicht, kunnen we gemakkelijk begrijpen dat de vaste aarde niets anders is dan de gevangen ziel van satan, terwijl diens geest als met ondoordringbare banden geboeid in haar is opgesloten. Dit zullen we nader belichten. (195)

terug naar de Inhoud

Eerste deel B - De geestelijke aarde

Hoofdstuk 70 - Het Rijk van God is inwendig in de mens.

Het rijk van God is inwendig in de mens en het fundament ervan is Christus, de volstrekt enige God en Heer van hemel en aarde, zowel in de tijd als in de eeuwigheid, in de ruimte als in de oneindigheid. In Hem moet het hart geloven, Hem boven alles liefhebben en de naaste als zichzelf.
Heeft de mens aan deze zeer eenvoudige raad in zijn hart geheel voldaan, dan heeft hij het rijk van God al gevonden. Om het overige hoeft hij zich dan niet meer te bekommeren, dat wordt hem erbij gegeven als hij iets nodig heeft.

Want de wedergeborene leeft reeds voortdurend in zijn geest [de zelfverwerkelijking] en beschouwt het afleggen van zijn lichaam evenmin meer als doodgaan, als dat ooit een mens kan denken dat hij doodgaat wanneer hij 's avonds zijn mantel uittrekt; of als een lastdrager wiens last hem erg drukt, totdat hij eindelijk, aan het doel gekomen, deze last aflegt.
Evenzo zijn ook de overige tekenen van de wedergeboorte slechts inwendig in de mens en worden alleen dan uiterlijk zichtbaar als het nodig is. Daarom moet men ook als gevolg van de wedergeboorte geen onnozele wonderen verwachten, maar heel natuurlijke vruchten van een gezonde geest en een door deze gezond geworden ziel.

Liefde tot Mij, innige goedheid vanuit het hart, liefde tot alle mensen - samengebundeld is dat het echte teken van wedergeboorte; waar dat ontbreekt en waar de deemoed nog niet voor elke schok sterk genoeg is, daar baten noch aureool, noch habijt, noch geestelijke visioenen iets, en dergelijke mensen zijn ook vaak verder van het rijk van God verwijderd dan menig ander, met een zeer werelds uitziend uiterlijk.
Want het rijk van God komt nooit met uiterlijke pracht en praal, maar alleen innerlijk in alle stilte en onopgemerkt in het hart van de mens. Prent dit zo diep als je kunt in je hart, dan zullen jullie het rijk van God veel gemakkelijker vinden dan je denkt.

Overgenomen uit de Nieuwsbrief van de Jakob Lorber Stichting van augustus 2014.
e-mail: info[at]lorber.nl

terug naar de Inhoud

Tweede deel - de Maan

Hoofdstuk 6 - Het magnetische fluïdum (5-6-1841)
(1) Als jullie de dingen van klein tot groot bekijken, hoe ze zijn volgens hun vorm en hun gedegenheid - min of meer op elkaar lijkend en min of meer van dezelfde hoedanigheid - dan is het eerste wat in het oog valt de vorm. Neem je een voorwerp in de hand, dan voel je al snel of het min of meer gedegen is. Neem je twee voorwerpen die dezelfde omvang hebben na elkaar in de hand, dan zal nog een derde verschil merkbaar zijn, namelijk dat van het specifieke gewicht. Als men dan echter de stevigheid van het voorwerp onderzoekt, zal men vaak merken, dat de minder vaste voorwerpen soortelijk zwaarder zijn dan de hele stevige. Zo is kwikzilver veel zwaarder dan een gelijk volume van het hardste staal en er zijn talloze van dergelijke voorbeelden.
(2) Ja, zelfs dingen van eenzelfde soort, zoals bijvoorbeeld water, hebben onder elkaar, zowel als onder verschillende temperatuuromstandigheden, bij gelijk volume niet hetzelfde gewicht. Zo is bijvoorbeeld een druppel regenwater lichter dan een waterdruppel uit een put of andere bron. Ook is een warme druppel lichter dan een koude, een bevroren druppel lichter dan alle andere waterdruppels.
(3) Hetzelfde onderscheid kun je in alle dingen aantreffen. Om te weten hoe verschillend de soort en de aard in elk opzicht in al haar gradaties is - zowel wat haar vorm, gedegenheid, als ook wat betreft haar stevigheid en zwaarte - hoef je alleen maar je blik op alle dingen te richten en ze zullen je toeroepen: "Kijk eens onderzoeker, hoe oneindig verschillend we zijn! En toch berust ons zijn op één en dezelfde wet en we zijn allen van één en dezelfde stof! En toch zijn we onder elkaar zo, dat bijna niet één volkomen aan de ander gelijk is, zowel wat vorm, gedegenheid, vastheid en zwaarte betreft!"

(4) Deze inleiding is noodzakelijk, want zonder dat zou het volgende nauwelijks te begrijpen zijn en men zal voordat we tot de eigenlijke verklaring van het zogenaamde magnetisme overgaan, het zich moeten laten welgevallen om enkele nootjes te kraken uit de sfeer van de wijsheid, zonder welke de zaak onmogelijk voor altijd grondig kan worden uiteengezet. (312)
(5) Om dus van jullie kant de zaak op het spoor te komen en van Mijn kant jullie op het goede spoor te leiden, is het voor alles nodig dat jullie een blik werpen op het eindeloos verre verleden.
(6) Denk je de periode in, toen er in de oneindige ruimte buiten Mij geen ander levend wezen bestond dat zich aan een ander kon vertonen, noch geestelijk en nog veel minder materiëel.
(7) Waaruit bestond die eindeloze ruimte dan en waarheen vloeide de tijd, waarin deze eindeloze ruimte eeuwig bestond?
(8) Waaruit bestond Mijn zijn, vóór al het zijn en hoe is alle zijn uit dit eeuwige ontstaan en voortgekomen?
(9) Wat is nu ruimte? Wat is daarin het oerzijn van Mijzelf? En wat het zijn in de tijd in de eindeloze ruimte in Mij, uit Mij en naast Mij?
(10) Zo uiterst moeilijk als de vragen, die uit de onderste laag van Mijn wijsheid komen, met het oog op een begrijpelijke beantwoording schijnen te zijn, zo gemakkelijk zijn ze met het oog op de te verklaren zaak zelf.

De verwerkelijking van gedachten bij de mens
(11) Een klein voorbeeld kan de vragen gemakkelijk beantwoorden, want het komt uit jullie zelf: Iemand heeft al lange tijd met een bepaalde gedachte rondgelopen; omdat deze hem bevalt, voegt hij aan die grondgedachte nog een tweede toe, namelijk of die grondgedachte niet verwezenlijkt zou kunnen worden. Deze tweede gedachte wordt dadelijk een mogelijkheid; maar om het doel te verwerkelijken is nog een derde gedachte nodig, die al wel in de eerste twee gedachten inbegrepen is en die uit niets anders bestaat dan uit het enkel vragende woordje 'hoe'. Deze drie vragen zijn nu gesteld en de één beantwoordt de andere; maar met deze wederzijdse beantwoording is de zaak nog niet afgedaan; ja, zelfs ook nog niet begonnen. Daarom beraden zich deze drie gedachten tesamen over het belangrijke 'waarom'?
En na kort beraad zegt de eerste grondgedachte: "Omdat het iets is dat volkomen met mij overeenstemt." De tweede gedachte zegt: "Omdat het juist om die reden uitvoerbaar is, dat de eerste gedachte daardoor niet in tegenspraak met zichzelf is als zij zich, zoals zij is, terwille van zichzelf wil verwerkelijken!" En de derde gedachte zegt: ,,Omdat in dat motief, dat zichzelf wil manifesteren, het voornaamste middel tot realisering ligt en wel omdat die gedachte fundamenteel nergens in tegenspraak is met zichzelf en ook niet met haar onderdelen!" (313)

(12) Als jullie gedachte nu eens was dat je op een bepaalde plaats een huis wilde bouwen, zouden jullie je het huis niet eerst tot in alle onderdelen in je fantasie zo voorstellen, zoals je het het liefst zou willen hebben? Als jullie het huis nu in je fantasie hebt opgebouwd en veel plezier hebt in dit fantasiegebouw, zul je je dan niet afvragen, of dit fantasiegebouw niet in alle ernst werkelijkheid zou kunnen worden? En als jullie geen huis in de lucht wilden bouwen, zal de tweede gedachte waarschijnlijk de mogelijkheid tot realisering van je bouwgedachte laten zien; en dus was je het daarom op twee punten eens, omdat de eerste gedachte geen tegenspraak inhoudt en dus al in zichzelf voorwaarde is voor de tweede.
(13) Wat nu volgt is het 'hoe', dat wil zeggen, wat is het middel? Het eerste en voornaamste middel is de mogelijkheid zelf; het tweede is het doel dat met de mogelijke realisering van het geheel verbonden is. Want niemand kan met een te realiseren zaak een doel verbinden, voordat hij zelf weet of de zaak uitvoerbaar is. Het derde middel is het materiaal en de kracht die nodig is voor een toekomstige realisering. Heb je dit alles bij elkaar en heb je een overzicht over alles, wat zou je dan nog kunnen verhinderen je grondgedachte in de zichtbare werkelijkheid te laten overgaan?
(14) In korte tijd zullen jullie je gedachten blijvend voor je zien, omdat je alle voorwaarden voor realisatie hebt gevonden; want je hebt materiaal, bouwers en geld.

De verwerkelijking van gedachten bij God
(15) Maar als je op Mij terugkijkt als de eeuwige grote drager van de grondgedachte en de onovertreffelijke grootmeester van de bouw, die de oneindige ruimte met talloze onmetelijk grote en kunstige gebouwen heeft gevuld, dan zul je je toch wel, als je daaraan niet voorbijgaat, moeten afvragen: "Waar heeft de grote bouwmeester van deze talloze grote dingen het materiaal vandaan?"
(16) Als je het aan de geleerden van de wereld vraagt, die werkelijk heel verstandig zijn, zullen ze het je heel gemakkelijk op de vingers kunnen narekenen en enkelen zullen zeggen, dat de materie even oud is als Ikzelf ben en dus eeuwig is. - Kijk, zo gaat alles heel gemakkelijk en we kunnen naar believen bouwen. De enige onverklaarbare omstandigheid daarbij zou alleen maar zijn, (314) hoe Ik dan met die eeuwige voorraadkamer van de materie heb gehandeld om daar tot aan de tegenwoordige tijd dingen uit te vervaardigen en wanneer Ik eigenlijk begonnen ben, zodat Ik tot op de tegenwoordige tijd met de oneindigheid ben klaargekomen. Heeft elk ding niet een begin?

(17) Vraag je nu eens af, als je het een na het ander berekent of het oneindige aantal ook een begin heeft? Dat zou betekenen, dat Ik nooit zou zijn begonnen met iets te maken; maar als dat zo was, waar kwamen dan die zonnen vandaan en wat waren ze, en waar kwamen die werelden vandaan en alle andere dingen aan wier bestaan je toch niet zult twijfelen?
(18) Kijk, deze verstandige wegwijzer zullen we niet kunnen volgen, omdat zijn eerste grondgedachte vol tegenspraak is en de tweede en derde dus vanzelf wegvallen.
(19) Een ander zegt, dat Ik met één woord de eeuwige chaos heb geordend en alle dingen daaruit heb gevormd. Op het eerste gezicht moet je de volkomen gelijkheid tussen de eerste en de tweede bewering al opvallen. Want wat zou de chaos anders zijn, dan een al eeuwig bestaand hebbende materie, waardoor Ik dus geen schepper, maar alleen een handwerksman zou zijn. En hoe laten zich aan de ene kant een eeuwige chaos en aan de andere kant Mijn eeuwige orde rijmen? Maar misschien weet een derde nog wel een verstandiger uitweg?

(20) Let op, we hebben alweer iemand, die beweert dat Ik en de materie één en hetzelfde zijn. Dat Ik en de materie één en hetzelfde zouden zijn is nu juist geen ongegronde bewering, maar één ding is daarbij moeilijk te rijmen, namelijk, dat deze allerhoogste vrije geest vol kracht en leven [God] zich in talloze leven- en krachteloze stenen en ook in andere dode materie, die zich als zodanig manifesteert, kan bevinden. Werkelijk, wie dat duidelijk zou kunnen bewijzen, zou nog een veel oneindiger wijsheid moeten bezitten dan Ikzelf! Maar dat iemand Mij zou kunnen overvleugelen heb je in de eeuwigheid niet te vrezen en wel om die reden, dat de wijsheid van al die talloze, meest volkomen engelengeesten zich tegenover de Mijne juist zo verhoudt, als een oneindig klein atoom tegenover de oneindig grote ruimte, wier begin en eind nergens is! (315)
(21) Het is niet nodig jullie nog meer van die zeer verstandige wegwijzers aan te voeren, want de één is niet beter dan de ander. Maar omdat de dingen toch zo bestaan als jullie ze zien en Ik met die dingen toch niet één ben, maar omdat Ik ben die Ik ben als god van eeuwigheid en de dingen zijn zoals Ik ze uit Mij, in Mij en naast Mij heb geschapen. En, daarom zal het toch wel de moeite waard zijn om te weten te komen, hoe zulke dingen uit Mij, in Mij en naast Mij zijn geschapen.

God denkt al het geschapene en houdt die gedachten in zichzelf vast
(22) Luister dan! Kunnen jullie je verschillende juist geordende, goede en daarom nuttige zaken indenken? Ja, dat kunnen jullie zeker, maar omdat jullie zelf eindig zijn en onmogelijk zoals Ik oneindig kunnen zijn, daarom zijn ook jullie gedachten, zoals jullie zelf, onderworpen aan die eindigheid. Maar Mijn gedachten zijn in één en hetzelfde ogenblik van de allergrootste helderheid, net zoals Ikzelf dat ben volgens Mijn Godswezen. Als Ik nu wil dat Mijn gedachten standhouden, dan is het werk alreeds verricht en daarom zijn alle werken die jullie zien - evenals jullie zelf - noch materie, noch gevormde chaos, noch God in de materie, maar ze zijn vastgehouden gedachten van Mij.
(23) Welnu, zijn al die vastgehouden gedachten dan niet uit Mij, in Mij en naast Mij?
Uit Mij, omdat zelfs jullie uit niemand anders dan uit jullie zelf kunnen denken; hoeveel te minder dan Ik, omdat er buiten Mij geen tweede God bestaat uit wie Ik gedachten zou kunnen halen. Dat deze gedachten daarom ook in Mij zijn en onmogelijk in iemand anders kunnen zijn, hoeft niet bewezen te worden.
Dat deze werkzame gedachten, hoewel ze uit en in Mij zijn, toch naast Mij bestaan, zullen jullie hopelijk kunnen vaststellen uit het feit dat jullie toch ook over je eigen gedachten moeten zeggen, dat jullie en je gedachten niet één en hetzelfde zijn - om welke reden dan nog des te meer Mijn gedachten niet Mijzelf zijn, maar alleen Mijn gedachten.

De denker bedenkt de gedachten
(24) Wat echter niet Mijzelf is, is buiten Mijzelf en omdat het niet hetzelfde is, maar door hetzelfde is voortgebracht, is het dus ook in dezelfde mate naast Mij. Je moet je dit 'naast' niet zo voorstellen als een boom naast een andere, dat is helemaal niet juist, omdat een boom altijd alleen maar buiten een andere is.
Maar zo is het niet bij de denker en zijn gedachten, omdat de denker de schepper is van zijn gedachten; d.w.z. omdat hij met de mogelijkheden die in hem wonen en met de hiermee overeenkomende volkomenheden een doelmatig, ordelijk idee schept [Grieks 'eidos': vorm] en hij dus, als werkende schepper met het uit hem voortkomende idee niet één en hetzelfde is, maar ze zijn als de voortbrenger en het voortgebrachte en daarom naast elkaar.
Als jullie hierover wat nadenken, dan zul je dit kleine beetje wijsheid voorzover dit voor ons doel nodig is, wel gemakkelijk begrijpen.

Magnetisme: Gods wilskracht
(25) Daar we nu alles wat noodzakelijk was, hebben behandeld, kunnen we met één slag het vraagstuk van het magnetisme oplossen! Wat is dus het magnetisme? - Luister nu, en verbaas je enigszins!
Het magnetisme of liever gezegd het magnetische fluïdum [magnetisch krachtveld] is in alle ernst niets anders dan mijn eigen wilskracht, die mijn gedachten voortdurend bewaart en leidt; want hij [de elektromagnetische kracht] bewaart en leidt de hele schepping en zorgt ervoor dat ieder zichtbaar wezen zijn vorm krijgt en zijn geordende beweeglijkheid.
[De elektromagnetische kracht is een van de drie natuurkrachten die ervoor zorgt dat in het atoom de elektronen zich om de atoomkern blijven bewegen en dat de atomen zich met andere verbinden tot moleculen, weefsels, organen en levensvormen.]
Jullie zelf zijn, wat jullie gevormde wezen [levensvorm: lichaam] betreft, voor eeuwig aan hem onderworpen en zouden jullie dat niet zijn, dan zouden jullie niets zijn, zoals gedachten die nog nooit werden gedacht! Maar in jullie is rneer dan alleen maar Mijn oneindige, overal werkende wil en dat meer is omdat jullie mijn lievelingsgedachten zijn. Daardoor gaat Mijn liefde, die het fundament van Mijn leven is, ook in jullie over en vormt jullie tot zelfstandige wezens, die aan Mij gelijkwaardig zijn inzoverre jullie Mijn liefde opnemen met de jullie vantevoren gegeven vrije wil. Juist door deze liefde van Mij in jullie, kunnen jullie in het meest volkomen, meest eigen bezit van de volste vrijheid geraken.

(26) Jullie weten dat voor het zogenaamde magnetiseren een vaste wil nodig is en de overtuigende kracht van het geloof om iemand op deze manier te helpen. Kijk, want daar gebeurt eigenlijk niets anders dan dat de magnetiseur bewust of gedeeltelijk onbewust zijn wilskracht met de Mijne in verbinding stelt en die dan in de lijdende laat overstromen door de werkzaamheid van zijn uitgezonden wil. Daardoor wordt de lijdende dan zuiverder, langzamerhand steviger en daardoor ook gezonder [...]. Kijk, dat is eigenlijk alles!

Zwaartekracht: Gods wilskracht
(27) Mijn wilskracht is die grote band, die alle hemellichamen aan elkaar bindt en ze allemaal om en door elkaar beweegt. Ze is positief daar, waar ze werkzaam is; negatief in het eigen onveranderlijke zelfbehoud, dat de eeuwige orde zelf is. Zoals wanneer men zegt: "Tot hier toe en niet verder." Dat 'tot hiertoe' is de wet van de eeuwig voortdurende werking en 'niet verder' is de negatieve pool of behoudende wet van de eeuwige ordening. [het is 'beweging en rust', dus: kracht] (317)

De schepping: Gods gedachten en wil
(28) En zo is juist Mijn aldus gepolariseerde wil tegelijkertijd de grondslag van alle dingen, waaruit die dan ook mogen bestaan; of ze groot, klein, gedegen, hard, zacht, zwaar of licht zijn, toch zijn ze niets anders dan Mijn meest wijze gedachten en ontlenen zo hun lichamelijk zichtbare bestaan aan de jullie bekend gemaakte polarisatie van Mijn eeuwige wil.

(29) Nu weten jullie alles! Als je daarover na wilt denken, zullen alle verschijnselen je zonneklaar worden! Maar alle verklaringen van de wereld moeten jullie helemaal verbannen; want werkelijk, Ik zeg jullie: ze zijn verder van de waarheid verwijderd dan de ene scheppingspool van de andere. Dit zeg Ik jullie als enige oerbezitter van het allerkrachtigste magnetisme. Amen. Begrijp het goed! Amen. (318)


terug naar het literatuuroverzicht






^