De eigenschappen van de algeest en de geestelijke vermogens van de mens


Met welke eigenschappen van de goddelijke algeest die aan mij zijn getoond, hangen de eigenschappen van de geestelijke vermogens samen, waarmee de mens zelfstandig werkzaam kan zijn?

De ongevormde oertoestand
Tijdens mijn gebed tot God raakte ik in vervoering en kwam ik als geest, niet meer zijnde dan een vonkje bewustzijn, terecht in de geestelijke oertoestand vóór de schepping van de mens. Die oertoestand werd gekenmerkt door een ruimte die was gevuld met een aangenaam aandoende donkere koelte, waarin een diepe rust heerste. Deze rust en de donkere koelte waarin zij tot uitdrukking kwam, deed zich aan mij voor als een zelfstandige aanwezigheid, als het ware als een onzichtbare persoon, die zich geestelijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar rust.
Daarna ontstond er 'ergens' in die ruimte een beweging, die zich aan mij voordeed als een lichtende warmte, die als het ware daarvoor in die rust met haar donkere koelte opgelost was geweest en nu zichtbaar geworden te voorschijn kwam. Ook deze beweging en de lichtende warmte waarin hij tot uitdrukking kwam, deed zich aan mij voor als een onzichtbare persoon, die zich op zijn beurt geestelijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging.

Hereniging en ompoling
Nadat zij zich als twee zelfstandigheden aan mij hadden voorgedaan, trad er een nieuwe werking in doordat zij hun eenheid weer begonnen te herstellen. Daarbij vond een nauwe samenwerking plaats: de beweging doordrong de rust en de rust stelde zich open voor die inwerking, het licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen en ook de warmte vloeide uit in de koelte en de koelte liet zich ermee doorstromen.
Toen die hereniging had plaatsgevonden, ervoer ik daardoor geestelijk een 'verkoelende warmte'!

Wat ik mocht ervaren is dat de ruimte die de rust gaf, het mogelijk maakte dat de beweging kon plaatsvinden. Het donker in die ruimte maakte het mogelijk dat licht kon schijnen en de koelte ontving de warmte en liet die in de ruimte door zich heenstromen. Het was een vloeiend en evenwichtig gebeuren. Maar blijkbaar had er tijdens hun hereniging een omvorming van de vroegere toestand plaatsgevonden, want ten slotte trad er een nieuwe evenwichtstoestand in, waarin de oude toestand was omgekeerd.
Er had een ompoling plaatsgevonden en nu had op zijn beurt de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte omarmd en in zich opgenomen; want de eindtoestand was, dat ik nu in een ruimte keek, die zich in de eeuwige oneindigheid uitstrekte en werd gekenmerkt door een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. De rust en haar donkere koelte was niet meer zichtbaar, maar ik wist nu dat zij - in de beweging en zijn lichtende warmte verborgen - evengoed aanwezig was.
En mij als menselijke geest was het vergund te kijken in de eeuwige oneindigheid van de goddelijke algeest.

De verdichting van de menselijke geest
Tegelijkertijd dat het gebeuren van de hereniging plaatsvond, zag ik als het ware 'tussen hen in' door verdichting eerst een bolvormige wolk van geestelijke licht ontstaan, waarin later de warmte liefdevol doordrong. Daardoor kwam die wolk van licht tot leven, want ik zag dat er in die wolk van licht en warmte een rustige werveling ontstond. Aan mij werd door ingeving duidelijk gemaakt, dat ik getuige was van de 'geboorte' van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest. Het aanschouwen van deze gebeurtenis bracht mij in een zeer verheven en verblijdende gemoedstoestand.
Ik had een blik mogen slaan in het algeheugen van de goddelijke algeest.

De geestelijke eigenschappen
Aan mij waren tijdens deze gebeurtenis een aantal eigenschappen van de algeest getoond, eigenschappen die door de verdichting nu ook in de menselijke geest aanwezig waren.
Zichtbaar waren er het geestelijke licht en de geestelijke warmte, die zoals beschreven eerst door beweging uit de donkere koelte waren voortgekomen, maar die daarna de donkere koelte ook weer hadden doordrongen en die nu in zich verborgen hielden. Daardoor had de donkere koelte, die nu in de lichtende warmte verborgen was, daaraan ook de eigenschap gegeven doordringbaar te kunnen zijn; want ik had gemerkt dat het licht in de bolvormige wolk door de warmte werd doordrongen en nu blijkbaar ook door doordringbaarheid werd gekenmerkt.

Licht en warmte, vormbaar en zelfvormend
Ik had mogen zien dat de lichtende warmte aanvankelijk door zelfwerkzaamheid uit de donkere koelte was voortgekomen, zelfscheppend zichzelf als het ware had opgewekt; en dat bij de hernieuwde vereniging met de donkere koelte, er door verdichting een lichtvorm, een wolk in was gevormd... ik als menselijke geest. Het licht had blijkbaar de eigenschap door verdichting zelfvormend werkzaam te kunnen zijn.
Door de vereniging van de rust en haar donkere koelte met de beweging en zijn lichtende warmte, waren dat licht en die warmte niet alleen doordringend, maar nu ook doordringbaar en vormbaar geworden, en kon de beweging in het licht door verdichting een vorm scheppen: de bolvormige wolk die in aanleg de menselijke geest bleek te zijn, waarvan het licht nu ook doordringbaar was voor de geestelijke warmte uit de algeest. Daardoor kon die zich met het licht in de bolvormige wolk vermengen en de nieuwgevormde menselijke geest liefdevol tot leven wekken.

In de rustende oertoestand was de beweging en zijn lichtende warmte geheel tot rust gekomen en was alleen in aanleg aanwezig, in de nieuwe, werkzame evenwichtstoestand had de beweging en zijn lichtende warmte de eigenschappen van de rust en haar donkere koelte als mogelijkheden in zich opgenomen.

De gevormde toestand - mannelijke en vrouwelijke eigenschappen
Tijdens een tweede geestelijke ervaring die duidelijk met de eerste samenhing, werd ik na mijn gebed weer in vervoering gebracht en kwam ik ten slotte in een soort vaag begrensde ruimte, die van voren en van achteren in twee helften was verdeeld, terwijl ik in het midden stond. Nu was de ruimte voor mij die van de lichtende warmte en de ruimte achter mij die van de donkere koelte, die zich hier voordeed als een doorzichtige, schaduwrijke koelte.
Rechts voor mij in de lichtende warmte, verscheen God in een menselijke gestalte als mijn geestelijke vader. Ik vroeg toen waar God als mijn moeder was en mij werd ingegeven dat ik mij naar links moest omdraaien. Daar zag ik haar schuin achter mij staan. God als mijn vader stond rechts schuin vóór mij, God als mijn moeder links schuin áchter mij.
Daardoor was er voor mij een bevestiging dat de rust en haar donkere koelte het vrouwelijke aanzicht van de algeest was en de beweging en zijn lichtende warmte het mannelijke aanzicht van de algeest.

De geestelijke vermogens
Na mijn eerste ervaring was ik hier op aarde voor mijzelf aan een godsdienstig-wijsgerige studie begonnen om de betekenis van wat ik in de geestelijke wereld had mogen ervaren, beter te begrijpen. Daardoor leerde ik dat veel schrijvers op esotherisch gebied in ieder geval drie geestelijke vermogens onderscheidden: het denken, voelen en willen, en dat enkelen ook het waarnemen noemden, maar vaak op verborgen wijze als een eenheid met het denken of als een eenheid met het voelen (voelen als tasten en voelen als gevoel).
De vermogens werden als losstaande eigenschappen beschreven, niet als een samenhangend verloop van waarnemen, denken, voelen en willen. Slechts een aantal schrijvers verbonden ook geestelijk licht en geestelijke warmte met de geestelijke vermogens, zoals Lorber, Swedenborg en Steiner.

Afgaande op mijn eigen ervaringen daarmee verbond ik op een gegeven tijdstip voor mijzelf de doordringbare rust en haar donkere koelte, die waren opgegaan in de doordringende beweging en zijn lichtende warmte, op de volgende wijze met de vier geestelijke vermogens:
bij het waarnemen stelt de menselijke geest het innerlijke licht - in zichzelf als de bolvormige wolk - op een doordringbare, vormbare wijze open voor inwerking van buiten, waardoor de buitenwereld zich in het licht kan afdrukken en zich kan vormen tot innerlijke lichtbeelden, wat ervaringsbeelden zijn; deze opname van de buitenwereld als lichtbeelden in zichzelf, heeft bewustwording van de buitenwereld tot gevolg; de geest komt door waar te nemen in een toestand van 'zich bewust zijn' te verkeren;
bij het denken vormt de geest zelfvormend, zelfscheppend lichtbeelden in zichzelf, wat nu denkbeelden zijn, die naar buiten toe als gedachten onder woorden kunnen worden gebracht;
bij het voelen stelt de geest de innerlijke warmte, wat het gemoed is, vormbaar open voor wat in de buitenwereld is waargenomen, waardoor de warmte - in zichzelf als de bolvormige wolk - wordt gevormd tot de gemoedstoestand; daardoor kan de mens meevoelen en meeleven met wat er in de buitenwereld met medemensen gebeurt;
bij het willen vormt de geest, afgaande op de eerder gevormde gedachten en gevoelens, in de eigen warmte wilsbesluiten door de warmtetoestand zodanig te verhogen, dat voldoende wilskracht ontstaat om naar de gevormde redelijke (denken) en zedelijke (voelen) besluiten te handelen en zich op een bepaalde wijze te gaan gedragen in de buitenwereld.

Het is de menselijke, vermogende geest die zich door waar te nemen bewust wordt van de dingen en die de betekenis daarvan beoordeelt door ze te overdenken en te doorvoelen, en die dan besluit er iets mee te willen doen. Zo kunnen ervaringen worden verwerkt en kan worden besloten hoe te handelen. Deze geestelijke werkzaamheid vindt voortdurend plaats in de innerlijke ruimte van de menselijke geest.

De persoonlijkheid
De wijze waarop de menselijke geest, de persoon, een bewust en beheerst gebruik heeft leren maken van de eigen, geestelijke vermogens, komt in het gedag tot uitdrukking en dat kenmerkt de persoonlijkheid - de persoonlijkheid als het geheel van kenmerken van dat gedrag. De persoonlijkheid is een uiterlijke weergave van de persoonlijke wijze, waarop de geest in zichzelf van de vermogens gebruik maakt. In de persoonlijkheid komt de mate van bewuste beheersing van de geestelijke vermogens door de menselijke geest, rechtstreeks tot uiting... geestelijke vermogens die in aanleg uit de goddelijke bron afkomstig zijn en die hier moeten worden ontwikkeld door ze bewust en beheerst te leren gebruiken. Daartoe wordt de mens hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten en kan hier door de vrije keuze zelf zijn besluiten vormen, waarvoor de vermogens hier zelfstandig moeten worden gebruikt.

De vermogens en het geslachtsverschil
Door de doordringbaarheid en daardoor ontvankelijkheid en vormbaarheid van de rust en haar donkere koelte, zijn het waarnemen en voelen als de ontvankelijke vermogens de vrouwelijke vermogens; door de vormende en doordringende werkzaamheid van de beweging en zijn lichtende warmte, zijn het denken en willen de mannelijke vermogens.
Doordat de werkzaamheid van de vermogens zich afspeelt binnen de bolvormige wolk die de menselijke geest is, kan het verloop van die werkzaamheid zowel naar binnen als naar buiten zijn gekeerd, en kan die richting worden ingesteld naar gelang dat in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is. De uitgekeerde, naar de wijde buitenwereld gerichte instelling om zich daar een plaats te verwerven, is de mannelijke instelling; de ingekeerde, naar de persoonlijke binnenwereld van zichzelf of naar de binnenwereld van medemensen om zich heen gerichte instelling, is de vrouwelijke, op de persoon gerichte instellling.

Het verloop van de vermogens
De persoonlijkheid wordt ook beïnvloed door de verschillende wijzen waarop in de geest de werkzaamheid van de vermogens verloopt in de mannelijke en de vrouwelijke geest. In de vrouwelijke geest valt de nadruk op het voelen doordat het verloop van de vermogens is: waarnemen, vóelen, denken en willen. De vrouwelijke geest begint met de ervaringen te doorvoelen en van daaruit wordt er (al dan niet) over nagedacht. In de mannelijke geest ligt de nadruk op het denken doordat het verloop van de vermogens is: waarnemen, dénken, voelen en willen. De mannelijke geest begint met de waarnemingen te overdenken en van daaruit worden zij (al dan niet) doorvoeld.
De mannelijke en vrouwelijke geest beschikken over dezélfde vermogens, alleen de volgorde ervan is verschillend; hierdoor kunnen het mannelijke en het vrouwelijke elkaar aanvullen. Het denken en voelen zijn gelijkwaardige vermogens en voor een menswaardig bestaan is het evenwichtige gebruik van beide noodzakelijk.

Zelfbezinning en gebed
Door de blik naar binnen te keren, kan in de ruimte van zichzelf als menselijke geest de werkzaamheid van het vormen van gedachten door het denken en het ervaren van gevoelens door de gemoedsgesteldheid - bijvoorbeeld tijdens het gebed - de werkzaamheid van de geestelijke vermogens onmiddellijk worden waargenomen… vermogens die door verdichting rechtstreeks uit de goddelijke algeest zijn voortgekomen.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^