Geestkunde, een korte samenvatting


De algeest
Door zelfbezinning en gebed raakte ik in mijn 21e levensjaar in vervoering en werd in de geestelijke wereld meegenomen naar een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Die zee strekte zich uit in de eeuwige oneindigheid: de goddelijke algeest. Na een aantal van deze ervaringen werd ik nogmaals meegenomen en kwam toen eerst in de geestestoestand van een diepe rust, die zich uitdrukte in een aangename, donkere koelte; die bleek een zelfstandigheid te zijn, die mij persoonlijk liet delen in de vreugde van haar rust.
In die rust begon uit zichzelf een beweging, die zich openbaarde als een lichtende warmte; ook die bleek een zelfstandigheid te zijn, die mij liet delen in de vreugde van zijn beweging (naar later bleek maakte ik kennis met een gedeelde tweelinggeest).
Even later doordrong de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte, die zich liet doordringen en die op haar beurt nu geheel in de beweging en zijn lichtende warmte opging; daardoor had de rustende begintoestand zich omgekeerd en ik keek weer in de zee van licht en warmte van de algeest. In de nu beweeglijke geestestoestand ervoer ik hun nu weer onzichtbaar geworden eenheid als een ‘verwarmende koelte’. Ik ervoer hun ‘eenheid van tegendelen’(!) (van een verenigde tweelinggeest).

De menselijke geest
Tegelijkertijd met de beschreven vereniging van de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte, werd er in hun midden door verdichting van het licht een bolvormige wolk van licht gevormd; later werd die met warmte doorstroomd, waardoor het licht en de warmte in die lichtbol zacht begonnen te wervelen en die lichtbol tot leven kwam. Mij werd ingegeven dat ik de geboorte van mijzelf als menselijke geest, uit én in de algeest, had herbeleefd.
Ik had zo ervaren dat de geest een eenheid van tegendelen is, die tegelijkertijd in zichzelf een vórm - de bolvormige wolk - kon vormen door zijn vórmende werkzaamheid. Het licht en de warmte, met daarbinnen de donkere koelte, kunnen daardoor tegelijkertijd in een vormbare én zelfvormde toestand verkeren: de geest vormt door geestelijke werkzaamheid een lichtvorm in zichzelf.

De ongevormde oertoestand en de gevormde toestand
In de begintoestand, die nog ongevormd was, deed de algeest zich aan mij voor als een twee-eenheid van de beweging en zijn lichtende warmte, en de rust en haar donkere koelte. Bij een latere ervaring bevond ik mij in een zekere ruimte, maar waarvan ik de grenzen niet zag. De helft van de ruimte die vóór mij was, bleek de lichtende warmte te zijn, de andere helft achter mij de donkere koelte. Ik was in het midden ervan aanwezig in mijn menselijke levensvorm, de geestgedaante (gevormde toestand).
Op een gegeven ogenblik verscheen réchts vóór mij God als mijn vader met mij als klein kindje op de arm in de lichtende warmte. Op mijn vraag naar God als mijn moeder, moest ik mij omdraaien en zag haar línks schuin áchter mij staan in de donkere koelte.

De geestelijke vermogens
Mij werd later duidelijk gemaakt dat met die genoemde geestelijke eigenschappen de vier geestelijke vermogens samenhangen: het waarnemen, dénken, voelen en willen in de mannelijke en het waarnemen, vóelen, denken en willen in de vrouwelijke geest.
Als je waarneemt, houd je binnen jezelf als bolvormige wolk je licht in een ontvankelijke, vormbare toestand, zodat het waargenomene zich in jou kan afdrukken als een lichtbeeld, waardoor je je er bewust van wordt; als je denkt, ben je in staat binnen je eigen licht een lichtbeeld, een denkbeeld te vormen; als je voelt, houd je je eigen warmte vormbaar open voor wat er om je heen gebeurt, waardoor je gemoedstoestand erdoor wordt gevormd en je met je medemensen kunt meeleven; en als je wilt ben je in staat zelf je warmtetoestand door verdichting van jezelf te verhogen, waardoor je de kracht ontwikkelt je gedachten en gevoelens naar buiten toe te uiten door ze op je hersenschors af te drukken.
Doordat de menselijke geest een bolvorm heeft, kun je de werkzaamheid van je vermogens naar binnen, in jezelf én naar buiten richten, naar de gemeenschap, de buitenwereld. Daardoor is de in- en uitgekeerde instelling mogelijk, die samen met de vier vermogens de grondslag is voor de persoonlijkheid: het geheel van de eigenschappen van de werkzame persoon, jijzelf als menselijke geest.

Ziel en lichaam
Als je als geest met je geestelijke vermogens in jezelf werkzaam bent, straal je om je heen een licht uit: de aura of ziel, die aanvankelijk bolvormig is. Het licht in je ziel is vormbaar, waardoor alle vóórtbrengselen van je werkzaamheid: kennis, gedachten, gevoelsaangelegenheden en wilsbesluiten, daarin kunnen worden bewaard. De ziel is zo je geestelijke geheugen (het stoffelijke bevindt zich in de hersenschors).
Daarnaast hebben in de loop van je eeuwenoude ontwikkeling ook de éígenschappen van je vermogens op je ziel ingewerkt, waardoor het de vorm van die eigenschappen heeft gekregen: de geestgedaante. Het waarnemingsvermogen komt tot uitdrukking in het hoofd met al zijn zintuigen; de organen in de buik werken volgens de ontledende (verstand) en samenstellende (rede) eigenschappen van het denken; die in je borstkas, longen en hart, die alle lichaamscellen verzorgen met voedingsstoffen en afvalstoffen verwijderen, hebben de liefdevol verzorgende eigenschappen van het voelen; terwijl de spieren in je ledematen en je romp het bewegingsvermogen van het willen uitbeelden.
De geestgedaante is het voertuig voor de geest in de geestelijke wereld en het is ook de mal, waarnaar op aarde je lichaam is gevormd, het voertuig voor de stoffelijke wereld. In het lichaam is de geest daardoor hier geheel aan zichzelf overgelaten, los van thuis. Het doel daarvan is om te leren zelfstandig te worden, door zich aandienende gebeurtenissen zelf te verwerken en vraagstukken zelf op te lossen.

De geestelijke ontwikkeling
De geestelijke vermogens zijn aan de mens door de algeest in aanleg meegegeven, zodat die de mogelijkheid heeft ze zich eigen te maken door ze zelf tot ontwikkeling te brengen. Als menselijke geest leer je je vermogens bewust en beheerst te gebruiken door de wederwaardigheden, waar je in dit bestaan als leerschool voor wordt geplaatst, te verwerken. Door het dagelijkse gebruik ervan ontwikkel je ze langzaam maar zeker en vorm je ze uiteindelijk tot het geweten en de deugden: tot een redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en tot de deugden: zo leer je uit liefde aandacht, begrip en geduld met je medemensen te hebben. Door dit bestaan ook te leren zien in het licht van de eeuwigheid, groeit het besef dat wij allen nog onderweg zijn en dat het daardoor met de mensheid nog niet is geworden, wat het zou kunnen zijn.

De hereniging
Door te leren bewust en beheerst met je vermogens in jezelf werkzaam te zijn, nemen het licht en de warmte - met daarin de donkere koelte - in de uitstraling van jouzelf als geest toe en komen ze steeds meer in overeenstemming met het licht en de warmte van hen, die jou ongemerkt begeleiden op je pad door dit bestaan: het is een in stilte ‘begeleide zelfverwerkelijking’, waarbij de vrije keuze van de mens onaangetast blijft.
Door die geestelijke groei ontstaat ook de behoefte het wezen van jezelf te leren kennen (Wie ben ik?) en de oorsprong van jezelf als geest te weten (Waar kom ik vandaan?). Door geestelijke oefeningen zoals zelfbezinning en gebed, nadert de goddelijke algeest - jouw bron - steeds meer jouzelf als menselijke geest, die door verdichting uit de algeest is ontstaan als een godenkind. Van de algeest als jouw geestelijke vader en moeder gaat liefde uit naar ál hun kinderen en het gevoel van liefde dat van het kind naar zijn ouders uitgaat, trekt de liefde van de ouders aan - waardoor uiteindelijk de hereniging met hen (Waar ga ik naar toe?) plaatsvindt.
De hereniging begint met een krachtige inwerking boven op het hoofd van jouzelf als het zich hier ontwikkelende godenkind, waardoor je geestelijk en lichamelijk door een liefdevolle kracht in beweging wordt gebracht.

De begeleiding
Aangezien kinderen hun geestelijke vermogens als aanleg bezitten, hebben zij opvoeding nodig om op te groeien tot volwassenheid. Om de mensheid op aarde te begeleiden, vormde de algeest zich in zichzelf tot een menselijke geest, Gods heilige geest, die in het verleden door profeten en geestelijke leraren heen tot de volken op aarde sprak.
Daar een deel van de mensheid uit vrije keuze hun geestelijke vermogens geheel op zichzelf hadden gericht en zelfzuchtig waren geworden, straalden zij geen licht en warmte meer naar anderen uit, maar hielden die voor zichzelf. Daardoor hadden zij in de geestelijke wereld een duistere gemeenschap van gelijkgezinden gevormd, waar zij zichzelf niet meer uit konden losmaken.
Daar zij zouden wegvluchten voor geestelijk licht, moest Gods heilige geest - als geest in de mens Jezus - een keer naar de aarde komen om zich ook tot de misdadigers te laten rekenen - door gevangenneming, berechting en terechtstelling te ondergaan - om zo een van hen te worden. Daardoor kon hij zijn licht inhouden, tot hen afdalen in hun wereld en de band met hen herstellen; zodat zij - uit vrije keuze - de weg naar buiten weer konden vinden en uit hun opgesloten toestand waren verlost .BR> Op aarde had Jezus zijn leer over het zoeken van het godsrijk, dat in je is, te vinden door geestelijke ontwikkeling en hereniging met de algeest, aan zijn leerlingen gegeven, die zijn leer van liefde voor God en de naaste, onder de mensheid (het goddelijke gezin) hebben verspreid.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^